Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie 9fa9c58dec7dc92d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 16 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 22 oktober 2025 InhoudsopgaveI.ALGEMEEN21.Inleiding22.Inkomensbeleid63.Verduidelijking fietsregeling204.Maatregelen lucratiefbelangregeling245.Aanpassingen box 3356.Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerdepartijen van toepassing leegwaarderatio427.Aanpassingen groen beleggen438.Akkoord «gezond naar het pensioen»459.Versoberen ETK-regeling4910.Fiscale normering markt voor voertuigen gericht oppersonenvervoer5411.Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoeder-engemeenschap6712.Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijden7213.Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting vanbiologische kinderen7314.Verlegging ingangsdatum belastingrente erfbelasting enaangiftetermijn erfbelasting7615.Autonome vergroening7616.Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting opleidingwater8317.Hervormingen afvalstoffenbelasting8618.Aanpassingen CO2-heffing industrie9819.Belastingvermindering energiebelasting10220.Aanpassing zuiveldefinitie10421.Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelodebenzine, diesel en LPG10822.Koopkrachtmaatregel BES-eilanden11423.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagenen Douane11524.Overig115 kst-36812-16ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 161 I. ALGEMEEN InleidingHet kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de leden van de fracties van Groenlinks-PvdA, VVD,NSC, D66, BBB, CDA, ChristenUnie en de SGP.Hierna wordt bij de beantwoording van de vragen zo veel mogelijk devolgorde van het verslag aangehouden, met dien verstande dat gelijklui-dende of in elkaars verlengde liggende vragen tezamen zijn beantwoord.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan reflecterenop de hoeveelheid wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan en hoe ditzich verhoudt tot eerdere jaren. Ook vragen zij, evenals de leden van defractie van het CDA, of er kan worden aangegeven of de wetsvoorstellenin het pakket ook op een eerder of later moment in het jaar had kunnenworden ingediend.Het Nederlandse belastingstelsel is voortdurend in ontwikkeling. Metiedere aanpassing streeft het kabinet ernaar het stelsel te versterken zodatmaatschappelijke opgaven op een solide en evenwichtige wijze kunnenworden gefinancierd. Ter uitvoering hiervan stelt het kabinet jaarlijks hetpakket Belastingplan op. Dit jaar heeft het kabinet voor een minderomvangrijk pakket gekozen in vergelijking met voorgaande jaren. HetBelastingplan 2026 omvat acht wetsvoorstellen met in totaal 50 maatre-gelen. Ter vergelijking: Het Belastingplan 2024 en 2025 bevatte elk meerdan 85 maatregelen. Daarnaast is ervoor gekozen om enkele onder-werpen, gelet op hun aard of omvang, niet in het wetsvoorstel Belas-tingplan 2026 onder te brengen, maar in afzonderlijke wetsvoorstellenbinnen het pakket. Voorbeelden hiervan zijn het wetsvoorstel Differentiatievliegbelasting, het wetsvoorstel Tweede wet aanpassingen Wet minimum-belasting 2024 en het wetsvoorstel Wet stroomlijning fiscaal inzagerecht.Op deze manier volgen deze wetsvoorstellen wel het parlementaireproces van het Belastingplan maar wordt het parlement de mogelijkheidgeboden deze onderwerpen van een separaat politiek eindoordeel tevoorzien.Het opstellen van fiscale wetgeving vraagt een zorgvuldig proces. Bij detotstandkoming van wetgeving worden verschillende kwaliteitstoetsen enadviesorganen doorlopen. Daarnaast worden er keuzes gemaakt diezorgvuldige afstemming tussen beleid en uitvoering vereisen. Hetopstellen van kwalitatief goede wetgeving kost daarom tijd. Het kabinetprobeert fiscale wetgeving, waar mogelijk, verspreiding over het jaar in tedienen. Tegelijkertijd kan voortvarendheid in het wetgevingsproces ookwenselijk zijn om maatschappelijke problemen, een technische omissie ofeen heffingslek met urgentie aan te pakken. Derhalve heeft het kabinet ditjaar 8 wetsvoorstellen in het pakket opgenomen. Voor al deze wetsvoor-stellen geldt dat indiening op een eerder of later moment in het jaar nietmogelijk was. Het pakket is wel zoveel mogelijk beperkt tot wetsvoor-stellen die per 1 januari 2026 in werking moeten treden of met het oog opde uitvoerbaarheid voor 1 januari 2026 in het Staatsblad moeten zijnopgenomen. Hieronder vindt u per wetsvoorstel de overwegingen voorhet kabinet om deze in te dienen en te streven naar inwerkingtreding per1 januari 2026.Wetsvoorstel Belastingplan 2026Het wetsvoorstel Belastingplan 2026 bevat fiscale maatregelen metbudgettaire gevolgen die samenhangen met de begroting voor het jaar2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 162 Wetsvoorstel wet differentiatie tarief vliegbelastingIn het Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma is afgesproken omper 1 januari 2027 het tarief van de vliegbelasting te differentiëren naarafstand, met een beoogde budgettaire opbrengst van € 257 miljoen(prijspeil 2025). Deze budgettaire opbrengst is ingeboekt per 1 januari2027 en kan alleen behaald worden als de maatregel tijdig in werking kantreden. Zowel de Belastingdienst als de sector hebben voor de implemen-tatie van de maatregel minimaal 1 jaar voorbereidingstijd nodig.Wetsvoorstel Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024Na publicatie van de OESO-modelregels zijn in internationaal verbandadministratieve richtsnoeren over de (nadere) invulling van de regelsrondom de minimumbelasting overeengekomen. Het is van belang datdeze administratieve richtsnoeren tijdig worden geïmplementeerd, endaarom is het wenselijk dat het voorstel van wet met ingang van31 december 2025 in werking treedt.Wetsvoorstel Wet stroomlijning fiscaal inzagerechtPer 31 december 2025 treedt als gevolg van het bij het Belastingplan 2024aangenomen amendement Omtzigt c.s.1 artikel 66a in de Algemene wetinzake rijksbelastingen (AWR) in werking waarmee belastingplichtigenrecht krijgen op inzage in hun fiscale dossier. Artikel 66a is in de huidigevorm en met de huidige inwerkingtredingsdatum niet uitvoerbaar voor deBelastingdienst en de Douane. Om toch inzage te kunnen geven aanbelastingplichtigen op een manier die uitvoerbaar is, wordt met ditwetsvoorstel een aanpassing gedaan. Vanwege de inwerkingtredings-datum die bij amendement in de wet is gekomen, is het noodzakelijk omartikel 66a AWR per die datum te wijzigen.Wetsvoorstel wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisselingminimumbelastingDe meest recente wijziging van de richtlijn inzake administratievesamenwerking op het gebied van belastingen, de «Directive on Adminis-trative Cooperation» (DAC), DAC9 moet al op 1 januari 2026 zijn geïmple-menteerd. Omdat de onderhandelingen over deze richtlijn pas in hetvoorjaar zijn afgerond is het wetsvoorstel opgenomen in het pakketBelastingplan 2026. Bij ontijdige implementatie stelt Nederland zich blootaan het risico op een infractieprocedure.Wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met denadere operationalisering van het mechanisme voor een koolstofcorrectieaan de grensMet ingang van 1 januari 2026 wordt het CBAM volledig operationeel.Vanaf dan moeten importeurs toegelaten CBAM-aangever zijn omCBAM-goederen te mogen importeren en gaan zij een prijs betalen voorde broeikasgassen die zijn uitgestoten bij de productie van de door heningevoerde CBAM-goederen. Dit wetsvoorstel voorziet in de aanvullendebepalingen die nodig zijn om in Nederland ook uitvoering te kunnengeven aan die bepalingen van de verordening die met ingang van1 januari 2026 van toepassing worden. Omdat de onderhandelingen overde wijzigingen in deze verordening in de zomer van 2025 zijn afgerond ishet wetsvoorstel opgenomen in het pakket Belastingplan 2026.1Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 110.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 163 Wetsvoorstel Overige fiscale maatregelenIn lijn met eerdere jaren bevat het pakket Belastingplan dit jaar weer eenwetsvoorstel Overige fiscale maatregelen.De leden van de fractie van de VVD vragen welke andere fiscale maatre-gelen de het kabinet overweegt om het stelsel van belastingen, toeslagenen sociale zekerheid te vereenvoudigen. Voor een zekerder en begrijpe-lijker stelsel van inkomensondersteuning waarin (meer) werken loont, ishet noodzakelijk het stelsel te verbeteren en te vereenvoudigen. In de briefdie het kabinet n.a.v. moties en de handreiking «Ritme in vereenvou-diging» 26 september jl. heeft gestuurd over vereenvoudiging2 heeft hetkabinet aangegeven dat het kabinet minder is ver gekomen dan hetambieerde. Daarmee is het aan een volgend kabinet om knopen door tehakken over een nieuw stelsel. Het kabinet heeft wel 11 juli jl. de Route-kaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning naar uw Kamergestuurd, met daarin een werkagenda voor de sociale zekerheid richting20353. De invulling daarvan vraagt om keuzes van een volgend Kabinet innauwe samenwerking met uw Kamer. Het kabinet werkt daarnaast aaneen wetsvoorstel om het toeslagpartnerschap te vereenvoudigen door hetcriterium voor samengestelde gezinnen af te schaffen. Gezien dedemissionaire status van het kabinet heeft het momenteel geen aanvul-lende fiscale maatregelen in overweging.De leden van de fractie van het CDA lezen dat het kabinet vindt dat bredewelvaart een belangrijke indicatiewaarde heeft naast materiële welvaart.Deze leden hebben al meermaals gevraagd om een analyse van kabinets-beleid in relatie tot brede welvaart, waar tot nu toe geen gevolg aan isgegeven, terwijl dat juist nodig is voor lange termijnbeleid. Deze ledenvragen of het kabinet dit standpunt nu wel deelt.Het demissionaire kabinet zet zich in voor een welvarend Nederland, eensterke economie en gezonde overheidsfinanciën. In de Miljoenennota2026 heeft het kabinet een economische structuuranalyse gedaan. Deanalyse gaat in op de kenmerken van de economie die tot nu toe hebbenbijgedragen aan onze welvaart en kijkt ook vooruit naar de uitdagingen oplange termijn. Veel gaat goed: veel Nederlanders zijn tevreden met hetleven, de koopkracht neemt toe, we zijn erg productief en onze economieis veerkrachtig tijdens schokken. De toekomstige economische groei staatechter onder druk door vergrijzing en zal door de beperktere groei van hetarbeidsaanbod voornamelijk moeten komen vanuit de productiviteits-groei. Hier besteedt het kabinet uitgebreid aandacht aan in de structuur-analyse. Daarnaast doet het kabinet in de Miljoenennota 2026 eenomvangrijke analyse van de toegenomen internationale onzekerheid, dieop korte en lange termijn impact heeft op de economie en samenleving.Het kabinet zet zich ook in om niet-financiële informatie in begrotings-stukken en de begrotingssystematiek te integreren. Hiervoor betrekt hetkabinet het thema brede welvaart in het verantwoordingsproces. In hetFinancieel Jaarverslag van het Rijk ligt de nadruk op de brede ontwikke-lingen in de samenleving, met aandacht voor de Monitor Brede Welvaartvan het Centraal Bureau van de Statistiek (CBS). Daarnaast verschijnen deFactsheets Brede Welvaart komende Verantwoordingsdag bij de departe-mentale jaarverslagen. De Factsheets Brede Welvaart van het CBSomvatten brede welvaartsindicatoren, die direct of indirect relateren aande departementale begrotingen en het beleidsterrein.2Kamerstukken II 2025–26, 32 140 nr. 2803Kamerstukken 26 448-849.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 164 De leden van de fractie van de VVD vragen om een overzicht van fiscalemaatregelen die bij afschaffing leiden tot een budgettaire derving nocheen lastenverzwaring. Het kabinet neemt aan dat de leden het hebbenover fiscale regelingen. Het kabinet spreekt over een fiscale regeling alshet een beleidsdoel heeft wat anders is dan de algemene doelstelling vanhet belastingmiddel en het per saldo leidt tot een derving van inkomsten.Vanuit dit perspectief zal het afschaffen van een fiscale regeling altijdleiden tot een opbrengst. En dus ook tot een lastenverzwaring voor eenspecifieke groep burgers en/of bedrijven. Het kabinet is dus niet bekendmet een regeling die bij afschaffing zou leiden tot een derving noch eenlastenverzwaring. Er zijn echter wel regelingen waarbij afschaffing geenextra inkomsten kan opleveren. Dit geldt bijvoorbeeld voor de bijzondereregeling zeescheepvaart, waarbij het kabinet bij afschaffing uitgaat vaneen gedragseffect van 100% doordat de mogelijkheden tot verplaatsing(naar een ander land) aanzienlijk zijn.De leden van de fractie van het CDA, GroenLinks-PvdA en de ChristenUnievragen hoe het komt dat het niet is gelukt om de stelpost fiscaleregelingen en belastingconstructies in te vullen. Ook vragen de leden vande fractie van GroenLinks-PvdA of het kabinet überhaupt noodzaak zietom regelingen in te perken. Het kabinet heeft tijdens de voorjaarsbesluit-vorming besloten over de invulling van deze stelpost. De uitkomst is dater twee belastingconstructies worden aangepakt. Zo wordt de constructieaangepakt waarbij verbruiksbelasting wordt ontweken door een vleugjezuivel toe te voegen aan frisdrank en vruchtensappen. Ook wordt deconstructie aangepast waarbij gehuwden in het zicht van overlijden dehuwelijkse voorwaarden zo kunnen aanpassen dat erfbelasting voor eengroot deel wordt vermeden. De afgelopen jaren is er al veel gedaan metbetrekking tot constructies en daarom zijn er nagenoeg geen constructiesdie op korte termijn konden worden aangepakt. Het kabinet heeft beslotenom het resterende deel van de stelpost niet in te vullen. De tabelcorrectie-factor (tcf) is beperkt toegepast op de inkomstenbelasting om de stelpostverder te dekken. Dit kabinet ziet wel het belang van het inperken vannegatief geëvalueerde regelingen en heeft daarvoor ook al een aantalstappen gezet. Zo schaft dit kabinet de salderingsregeling in de energiebe-lasting en het verlaagde btw tarief op logies af. In dit Belastingplan staanook voorstellen voor het geleidelijk afbouwen van de meewerkaftrek,stakingsaftrek en het plafond in de leidingwaterbelasting, het schrappenvan enkele kwarttarieven in de MRB en het versoberen van deETK-regeling. Het verder inperken van regelingen acht dit kabinetwenselijk maar gaat niet van de een op de andere dag, er moet daarbijook oog zijn voor groepen die erop achteruitgaan.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA en de CU vragen waarom eris gekozen om de stelpost gedeeltelijk te vullen met de tcf en of er geenandere dekkingsbron gekozen moet worden. Het kabinet heeft in hethoofdlijnenakkoord afgesproken dat als de stelpost niet wordt gereali-seerd dan de noodremafspraak van het beperkt toepassen van de tcf opde inkomstenbelasting in werking treedt. Het voordeel van met namefiscale regelingen is divers en raakt verschillende typen bedrijven enburgers. Zoals ook is aangegeven in de nota naar aanleiding van hetverslag van de Wet behoud verlaagd btw-tarief op cultuur, media en sport,zijn de mediane inkomenseffecten van het beperkt toepassen van de tcfgelijk verdeeld over inkomensgroepen en inkomstenbronnen. Tegen dezeachtergrond acht het kabinet het een verdedigbare dekkingsbron.De leden van de fractie van de CU vragen om aan te geven welk deel vande stelpost is ingevuld en hierbij onderscheid te maken met de invullingvan deze stelpost door het kabinet Rutte IV. De stelpost van het kabinetRutte IV en van dit kabinet zijn niet hetzelfde. Het zijn twee aparteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 165 stelposten die op verschillende momenten zijn ingevuld. Het kabinet RutteIV heeft tijdens de voorjaars- en augustusbesluitvorming in 2023 beslotenover de invulling van hun stelpost. De uitkomsten hiervan zijn te vindenop pagina 49 van de Miljoenennota 2024. Dit kabinet heeft tijdens devoorjaarsbesluitvorming van dit jaar besloten over de invulling van hunstelpost. De uitkomsten hiervan zijn te vinden op pagina 36 van deVoorjaarsnota 2025.InkomensbeleidDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet eengroter gat tussen werk en uitkering als doel op zich ziet en waarom. Ookvragen zij wanneer het gat tussen werk en uitkering volgens het kabinetgroot genoeg is. Het kabinet streeft naar een gebalanceerd koopkracht-beeld, waarin alle groepen er in doorsnee ongeveer evenveel op vooruitgaan. Werkenden gaan er in 2026 ongeveer evenveel op vooruit alsuitkeringsgerechtigden, beiden 1,3% in doorsnee. Zie ook tabel 1. Hierbijis rekening gehouden met de aangenomen motie van de leden Klaver enKouwenhoven.4 Zoals toegezegd tijdens de Algemene FinanciëleBeschouwingen heeft het kabinet de motie uitgewerkt in een nota vanwijziging. Deze nota van wijziging is gelijktijdig met deze nota naaraanleiding van het verslag naar uw Kamer gestuurd. Het kabinet herkenthet beeld dus niet dat er sprake is van een groter wordend gat tussenwerk en uitkering.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet kanbevestigen dat de voorgestelde maatregel wederom leidt tot een lagernetto inkomen voor uitkeringsgerechtigden. Na de aangenomen motievan de leden Klaver en Kouwenhoven5 resteert er een verhoging van hetbudgettaire beslag van de arbeidskorting. Dit wordt bekostigd uit eenverhoging van het tarief in de eerste belastingschijf, het terugdraaien vande verhoging van de arbeidskorting op het tweede en derde knikpunt enhet minder verhogen van het aangrijpingspunt van het toptarief. Van dedrie dekkingsmaatregelen raakt alleen het verhogen van het tarief in deeerste belastingschijf de groep uitkeringsgerechtigden. Deze maatregelzorgt ervoor dat het tarief in de eerste belastingschijf minder verlaagdwordt in 2026 (ten opzichte van 2025), dan zonder deze maatregel hetgeval geweest zou zijn. Per saldo is echter nog steeds sprake van eenverlaging van het tarief in de eerste schijf in 2026, hetgeen een positiefeffect heeft op de koopkracht van uitkeringsgerechtigden. De maatregel isverder onderdeel van het totaal aan inkomensmaatregelen en ontwikke-lingen die relevant zijn voor de koopkracht van uitkeringsgerechtigden.Alles overziend gaan uitkeringsgerechtigden er in doorsnee 1,3% opvooruit op 2026, rekening houdend met de aangenomen motie Klaver envan Kouwenhoven bij de algemene financiële beschouwingen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar hoe het kabinetde koopkrachtmaatregelen uit het Belastingplan verenigt met deuitkomsten van het onderzoek van de Commissie Sociaal Minimumwaaruit blijkt dat het sociaal minimum structureel te laag is voor grotegroepen Nederlanders. Ook vragen zij of het klopt dat het sociaalminimum door de voorgestelde maatregelen omlaag gaat en waarom hetkabinet geen maatregelen heeft genomen om het sociaal minimum teverhogen. Voor de zomer heeft het kabinet een actualisatie gemaakt vande analyse van de Commissie sociaal minimum uit 2023. Deze analyse isaan de Tweede Kamer verzonden als bijlage bij de Kamerbrief over deRoutekaart Hervormingsagenda inkomensondersteuning. Uit die nieuwe4Kamerstukken II 2025/26, 36 800-IX, nr. 35.5Kamerstukken II 2025/26, 36 800-IX, nr. 35.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 166 analyse blijkt dat huishoudens in 2025 in principe voldoende inkomenhebben voor minimaal noodzakelijke uitgaven, als zij de uren werkenwaartoe zij in staat zijn, alle landelijke regelingen aanvragen waar zij rechtop hebben, goed met geld kunnen omgaan en geen onvermijdbare hogeuitgaven hebben. Een aantal huishoudtypen heeft ook enige ruimte omtegenvallers op te vangen, al is deze ruimte beperkt. Hoewel in de praktijkniet alle huishoudens rond kunnen komen, zoals ook blijkt uit signalen vanmaatschappelijke partijen, is de financiële situatie van veel huishoudensrond het sociaal minimum sterk verbeterd ten opzichte van 2023, mededoor verhogingen van het kindgebonden budget en de huurtoeslag. Ookin 2026 verhoogt het kabinet het kindgebonden budget en de huurtoeslag.Deze maatregelen waren al aangekondigd in het hoofdlijnenakkoord, ende wetsvoorstellen waarmee dit wordt geregeld zijn vorig jaar door hetparlement aangenomen. Het kabinet ziet daarom geen noodzaak om in ditBelastingplan nieuwe maatregelen te treffen die het inkomen op sociaalminimum verder verhogen. In plaats daarvan zet het kabinet in opvereenvoudiging van het stelsel van inkomensondersteuning en het beterbereiken van kwetsbare groepen, met bijzondere aandacht voorwerkenden met een laag inkomen en het stimuleren van financiëleonafhankelijkheid en kansengelijkheid. Wat betreft het effect van demaatregelen in dit Belastingplan, daarvoor geldt dat deze nog wijzigennaar aanleiding van de aangenomen motie van de leden Klaver enKouwenhoven.6 Zoals toegezegd tijdens de Algemene FinanciëleBeschouwingen heeft het kabinet de motie uitgewerkt in een nota vanwijziging. Deze nota van wijziging is gelijktijdig met deze nota naaraanleiding van het verslag naar uw Kamer gestuurd. De maatregel isdaarmee reeds aangepast.De leden van de fractie van NSC vragen om een geactualiseerdkoopkrachtbeeld waarin de effecten van de motie-Van Hijum en Bikker enmotie-Klaver en Kouwenhoven zijn verwerkt. Een actualisatie van hetkoopkrachtbeeld met nieuw beleid vergt normaliter dat het CentraalPlanbureau ook de macro-economische doorwerking van het nieuwebeleid in kaart brengt, zoals de gevolgen voor de loon- en prijsontwik-keling. Voor de wijzigingen in beide moties geldt echter dat het kabinetgeen macro-economische doorwerking verwacht, waardoor een actuali-satie van het koopkrachtbeeld wel mogelijk wordt geacht. Onderstaandetabel toont het verwachte koopkrachtbeeld na verwerking van beidemoties. In doorsnee zijn er nauwelijks verschuivingen zichtbaar tenopzichte van het oorspronkelijke beeld. Zoals toegezegd tijdens deAlgemene Financiële Beschouwingen heeft het kabinet de motie Klaver envan Kouwenhoven uitgewerkt in een nota van wijziging. Deze nota vanwijziging is gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag naaruw Kamer gestuurd. Nota bene: Het is niet mogelijk om de inkomensef-fecten in de nota van wijziging op te tellen bij het oorspronkelijkekoopkrachtbeeld. Dat leidt niet tot het nieuwe koopkrachtbeeld, omdat hetmediane huishouden niet hetzelfde is. In algemene zin geldt dat medianenniet opgeteld kunnen worden.Tabel 1: Mediane koopkrachtontwikkeling 2026, na 1e nota van wijziging Belas-tingplanInkomensgroepMediane koopkracht-ontwikkeling (%)1e (<=106% WML)1,4%2e (106–173% WML)1,4%3e (173–256% WML)1,4%4e (256–378% WML)1,2%5e (>378% WML)1,2%6Kamerstukken II 2025/26, 36 800-IX, nr. 35.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 167 InkomensgroepMediane koopkracht-ontwikkeling (%)InkomensbronWerkenden1,3%Uitkeringsgerechtigden1,3%Gepensioneerden1,5%HuishoudtypeTweeverdieners1,3%Alleenstaanden1,3%Alleenverdieners1,2%KinderenHuishoudens met kinderen1,1%Huishoudens zonder kinderen1,3%Alle huishoudens1,3% De leden van de fractie van D66 vragen om hoe het kabinet het voorstelvan de D66-fractie beoordeelt om werkenden die een substantieel aantaluren maken extra te ontzien via een aanvullende belastingkorting. Hetvoorstel van de D66-fractie om iedereen die ten minste vier dagen perweek werkt een aanvullende belastingkorting te geven, kan in theoriebijdragen aan het stimuleren van meer uren werken. In de praktijk zal hetvoorstel naar verwachting echter maar weinig mensen bewegen om meerdagen te gaan werken. Zo sluit het idee niet aan bij de oorzaak van desoms zeer hoge marginale druk: de stapeling van belastingen en deafbouw van toeslagen. Het huidige fiscale stelsel kent al veel kortingen entoeslagen gericht op verschillende groepen en inkomensniveaus,waardoor het voor werkenden vaak niet duidelijk is wat zij overhouden bijmeer uren werken. Het introduceren van additionele fiscale instrumentenacht het kabinet daarom niet effectief en niet wenselijk. Het kabinet streeftjuist naar een eenvoudiger stelsel. Voor werknemers is er al de arbeids-korting en voor ondernemers in de inkomstenbelasting geldt daarnaast dezelfstandigenaftrek. Het voorgestelde instrument geeft verder geen prikkelom meer uren te werken aan alle werkenden die momenteel al vier dagenwerken, terwijl voor deze groep wel kosten moeten worden gemaakt. Hetvoorstel leidt mogelijk tot een toename van de complexiteit enonzekerheid voor burgers en leidt tot hoge uitvoeringslasten voor deBelastingdienst. Niet van alle werkenden is eenvoudig te bepalen hoeveeluren men werkt. Om deze redenen is het kabinet geen voorstander vanhet initiatief.De leden van de fractie van BBB vragen of de marginale druk toeneemtdoor het verhogen van de arbeidskorting bij het 2e en 3e knikpunt, en hoedit past in de maatschappelijke discussie ten aanzien van de marginaledruk en het standpunt dat werken meer moet lonen. Deze maatregel isvervallen met de aangenomen motie van de leden Klaver en Kouwen-hoven.7 Zoals toegezegd tijdens de Algemene Financiële Beschouwingenheeft het kabinet de motie uitgewerkt in een nota van wijziging. Deze notavan wijziging is gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslagnaar uw Kamer gestuurd. Het (beperkt) verhogen van het tarief van deeerste belastingschijf zou tot een hoger marginaal tarief geleid hebbenvoor belastbare inkomens lager dan ongeveer 38 duizend euro. Hetverhogen van de arbeidskorting bij het tweede en derde knikpunt in dearbeidskorting zou geleid hebben tot een (beperkt) steilere opbouw van dearbeidskorting voor arbeidsinkomens boven ongeveer de helft van hetwettelijk minimumloon en onder ongeveer 45 duizend euro, wat de7Kamerstukken II 2025/26, 36 800-IX, nr. 35.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 168 marginale belastingdruk iets verlaagt. De effecten op de marginalebelastingdruk van deze maatregelen zouden per saldo marginaal zijn.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om het koopkracht-effect van de in het Belastingplan voorgestelde verhoging van dearbeidskorting. Deze maatregel is vervallen met de aangenomen motievan de leden Klaver en Kouwenhoven.8 Zoals toegezegd tijdens deAlgemene Financiële Beschouwingen heeft het kabinet de motie uitge-werkt in een nota van wijziging. Deze nota van wijziging is gelijktijdig metdeze nota naar aanleiding van het verslag naar uw Kamer gestuurd. Hetverhogen van de arbeidskorting op het tweede en derde knikpunt in 2026zou tot een inkomenseffect van 0,0% euro in doorsnee voor allehuishoudens geleid hebben en 0,1% in doorsnee voor werkenden. Inonderstaand beeld is de verhoging van het tarief eerste schijf om dezeverhoging van de arbeidskorting te financieren niet meegenomen.Tabel 2: Mediaan inkomenseffect verhoging arbeidskorting bij het tweede en derdeknikpunt met respectievelijk 25 en 27 euro.InkomensgroepMediaaninkomens-effect allehuishoudens(%)Mediaaninkomenseffecthuishoudensmet een effect(%)1e (<=106% WML)0,0%0,1%2e (106–173% WML)0,0%0,1%3e (173–256% WML)0,1%0,1%4e (256–378% WML)0,0%0,1%5e (>378% WML)0,0%0,0%InkomensbronWerkenden0,1%0,1%Uitkeringsgerechtigden0,0%0,0%Gepensioneerden0,0%0,0%HuishoudtypeTweeverdieners0,0%0,1%Alleenstaanden0,0%0,1%Alleenverdieners0,0%0,1%KinderenHuishoudens met kinderen0,0%0,0%Huishoudens zonder kinderen0,1%0,1%Alle huishoudens0,0%0,1% De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om voor een aantalstandaardsituaties in kaart te brengen wat het verschil is in belastingdrukvoor een ontvanger van een arbeidsongeschiktheidsuitkering vis à visiemand die dezelfde inkomsten heeft uit loondienst. Onderstaande tabeltoont de belastingdruk in enkele standaardsituaties bij gelijk inkomen in2026. Hierbij is uitgegaan van alleenstaande werknemers en arbeidsonge-schikten met een inkomen op minimumloon en modaal inkomensniveau.In de berekening is rekening gehouden met de aangenomen motie Klaveren van Kouwenhoven tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen.8Kamerstukken II 2025/26, 36 800-IX, nr. 35.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 169 Tabel 3: (Afleiding) belastingdruk werknemers en arbeidsongeschikten bij gelijkinkomen, bedragen x 1.000 euro, 2026InkomensniveauMinimumloonMinimumloonModaalModaalInkomensbronWerkendArbeidsonge-schiktWerkendArbeidsonge-schiktBruto inkomen30,030,048,048,0– pensioenpremie– 0,8– 1,9– belastingen– 10,5– 10,7– 16,6– 17,3+ algemene heffings-korting3,13,12,11,9+ arbeidskorting5,45,7Netto inkomen27,322,437,232,6+ tegemoetkomingarbeidsongeschikten0,20,2– zorgpremies en eigenrisico– 2,1– 2,1– 2,1– 2,1+ zorgtoeslag1,61,50,00,0Besteedbaar inkomen26,822,135,130,7Belastingdruk= 1 –(besteedbaar inkomen/bruto inkomen)11%27%27%36% De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke opties hetkabinet ziet om deze discriminatie van arbeidsongeschikten via dearbeidskorting te verhelpen en welk bedrag hiermee gemoeid is. Ookvragen zij of het kabinet alles op alles wil zetten om dit verschil voorvolgend jaar de wereld uit te helpen. Het kabinet herkent niet dat er sprakeis van discriminatie van arbeidsongeschikten via de arbeidskorting. Eénvan de belangrijkste doelen van de arbeidskorting is het bevorderen vande arbeidsparticipatie. Door de arbeidskorting alleen toe te passen opinkomen uit tegenwoordige arbeid is er een financiële prikkel om (meer)te gaan werken, bijvoorbeeld ook vanuit een uitkeringssituatie. Belasting-plichtigen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering betalen daardooronder aan de streep vaak meer belasting dan belastingplichtigen metinkomen uit tegenwoordige arbeid. Het verkleinen van dit verschil leidt totnegatieve inkomenseffecten voor werkenden, en een verslechtering vande participatieprikkels. Het kabinet acht het daarom niet wenselijk omverschillen in belastingdruk voor volgend jaar weg te nemen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of aangegeven kanworden in hoeverre de tabelcorrectiefactor (tcf) de afgelopen 10 jaarbeperkt is toegepast en of dit leidt tot een bovenmatige lastenverzwaringvoor lagere inkomens. De tabel hieronder laat voor deze periode detabelcorrectiefactor zien en de tcf zoals deze is toegepast. In de afgelopen10 jaar is de tcf alleen in 2024 beperkt toegepast, namelijk voor 95,9%.Tabel 4: toepassing TCF afgelopen 10 jaarTCFtoegepaste TCF20151,0091,00920161,0051,00520171,0031,00320181,0081,00820191,0121,01220201,0161,01620211,0161,01620221,0131,01320231,0631,06320241,0991,09494120251,0121,01220261,0291,015312 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1610 De beperkte toepassing van de tcf zorgt ervoor dat grenzen en bedragenin de inkomstenbelasting minder meestijgen met inflatie. Dit is eenlastenverzwaring voor burgers. De inkomenseffecten van het beperkttoepassen van de tcf in 2026 slaan ongeveer gelijk neer bij de verschil-lende inkomensgroepen. Het mediane inkomenseffect is – 0,3%.Recent is er een artikel verschenen in Economische Statistische Berichten9waarin wordt gesteld dat het niet indexeren van de belastingparametersin de inkomstenbelasting lagere inkomens het hardst raakt. De analysezoals gepresenteerd in het artikel wijkt af van de methode voor hetberekenen van de inkomenseffecten zoals gehanteerd door het kabinet. Inhet artikel wordt een berekening gemaakt van de gevolgen van een1%-punt verhoging in inkomen als er wel/geen indexatie plaatsvindt omde zogenaamde «fiscal drag» te berekenen, de impliciete belastingver-hoging als gevolg van inflatie. Deze theoretische analyse zegt verder niksover de inkomenseffecten van het beperkt toepassen van de tcf. Daarnaastwordt er gebruik gemaakt van een ander model met andere aannames enandere onderliggende data, een directe vergelijking is hierdoor nietmogelijk.De leden van de fractie van de VVD vragen of het budgettaire belang vanhet beperkt toepassen van de tcf uitgesplitst kan worden. Tabel 5 laat zienwaar een beperking van het toepassen van de tcf in de inkomstenbe-lasting met 10%-punt in 2026 neerslaat. Bij een beperking van 1%-puntzijn de budgettaire gevolgen minder omvangrijk waardoor een verge-lijking moeilijker is om te maken, daarom is ervoor gekozen om het effectvan een 10%-punt te laten zien. Dit betekent dat de tcf voor 90% wordttoegepast in plaats van 100%. In totaal leidt een beperking van 10%-puntin 2026 tot een opbrengst van € 295 mln, waarvan 36% neerslaat bij dearbeidskorting, 29% bij de algemene heffingskorting, 6% bij de ouderen-korting en 22% bij de schijfgrenzen box 1.Tabel 5: Verdeling budgettair belang beperkt toepassen tabelcorrectiefactor (prijzen2025)budgettairaandeelArbeidskorting10636%Algemene heffingskorting8529%Ouderenkoring186%Alleenstaande ouderenkorting21%Inkomensafhankelijke combinatiekorting10,2%Jonggehandicaptenkorting10,2%bBox1 (schrijfgrenzen)6422%Overig (o.a. box 2, box 3, doorwerking op AOW en bijstand)196%Totaal295100% De leden van de fractie van de BBB vragen of middels een illustratieaangegeven kan worden hoe de arbeidskorting afbouwt na inwerking-treding van de verhoging van het tweede en derde knikpunt vergelekenmet de huidige afbouw. De grafiek hieronder laat de op- en afbouw van dearbeidskorting zien in twee gevallen. De niet-doorbroken streep laat desituatie zien waarin er geen verhoging van het tweede en derde knikpuntzou zijn in 2026, en de doorbroken streep laat de situatie zien als gevolgvan het Belastingplan (zonder de maatregelen uit de nota van wijziging).Hierin worden het tweede en derde knikpunt van de arbeidskorting metrespectievelijk € 25 en € 27 verhoogd. De arbeidskorting bouwt af meteen vast percentage van 6,51%. Dit afbouwpercentage blijft ongewijzigd.Omdat de arbeidskorting door het Belastingplan afbouwt vanaf een ietshoger bedrag, komt het punt waarop de arbeidskorting volledig isafgebouwd wel bij een iets hoger inkomen te liggen. Zonder Belastingplan9https://esb.nu/niet-indexeren-van-belastingschijven-raakt-lagere-inkomens-het-hardst/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1611 zou de arbeidskorting in 2026 volledig afgebouwd zijn bij een inkomenvan € 132.921. Na de verhogingen uit het Belastingplan is de arbeids-korting volledig afgebouwd bij een inkomen van € 133.335.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet kijkt naar derecente evaluatie van de arbeidskorting, waaruit een beperkte doelmatig-en doeltreffendheid van de regeling op het stimuleren van het arbeids-aanbod bleek en een hogere marginale druk bij verhoging van deregeling. De arbeidskorting is in 2001 geïntroduceerd als vervanging vanhet arbeidskostenforfait en kent sindsdien meerdere doelstellingen: hetgeven van gerichte inkomensondersteuning en het stimuleren vanarbeidsparticipatie. De verhoging van de arbeidskorting zoals opgenomenin het Belastingplan is gericht op het bieden van inkomensondersteuningom zo werken meer te laten lonen en de belastingdruk op arbeid teverlagen. De recente evaluatie van Centerdata (2024) concludeert dat dearbeidskorting doeltreffend is ten aanzien van dit doel. Door devormgeving levert de arbeidskorting directe inkomensondersteuning opvoor bijna alle werkenden doordat de belasting die een belastingplichtigemoet betalen daalt. De doeltreffendheid met betrekking tot het stimulerenvan werken is volgens het onderzoek is beperkt, maar dit doel wordt nietbeoogd met de verhoging. De verhogingen van de arbeidskorting bij hettweede en derde knikpunt zoals onderdeel van het Belastingplan hebbeneen heel beperkt effect op de marginale druk. Voor inkomens tussen heteerste en tweede knikpunt (ca. € 12.700 en € 27.500) neemt de marginaledruk toe met 0,17%-punt en voor inkomens tussen het 2e en 3e knikpunt(ca. € 27.500 en € 45.600) neemt de marginale druk toe met 0,011%-punt.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of in een tabelaangegeven kan worden hoe de arbeidskorting is gegroeid en welk deeldoor indexatie komt en welk deel door beleid en of daarbij aangegevenhoe hoog de arbeidskorting zou zijn als alleen de reguliere indexatie zouzijn toegepast.De arbeidskorting is sinds invoering in 2001 ingrijpend veranderd.Aanvankelijk bestond de arbeidskorting enkel uit een opbouwend traject,met een opbouwpercentage van 1,75% tot een inkomen van € 7.360 enFiguur 1: Arbeidskorting in 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1612 een opbouwpercentage van 10,75% tot een inkomen van € 14.717.Aanvankelijk bestond er geen afbouw in de arbeidskorting, deze is pasvanaf 2009 stapsgewijs ingevoerd. Pas vanaf 2016 werd de arbeidskortingvolledig afgebouwd bij hoge inkomens. Tot 2020 was de arbeidskorting ophet tweede en derde knikpunt (ofwel begin van de afbouw) gelijk, vanaftoen is de arbeidskorting op het derde knikpunt verhoogd waardoor dehuidige structuur tot stand is gekomen. Het is hierdoor zeer complex omalle beleidsmatige aanpassingen los te halen van de verhogingen die doorde indexatie tot stand zijn gekomen, zij het via het WML, zij het via de TCF.De tabel hieronder laat daarom ontwikkeling van de maximale arbeids-korting zien en in welke mate de verandering toe te schrijven is aan beleiden welk deel aan indexatie. De maximale arbeidskorting werd tot 2020bereikt op het tweede knikpunt, vanaf 2020 is dit het derde knikpunt. Alsde maximale arbeidskorting van 2001 uitsluitend geïndexeerd zou zijngeweest aan de hand van de tcf dan zou de maximale hoogte in 2025€ 1.500 zijn geweest.Tabel 6: Wijzigingen maximale hoogte arbeidskorting sinds 2001Jaartalmaximale AKaanpassingw.v.indexatiew.v. beleid200192020029492929020039904134720041.2132232419920051.28774175720061.35770125820071.39235221320081.44351213020091.50461253620101.489– 1529– 4420111.5748597620121.61137271020131.723112357720142.0973742934520152.2201231910420163.1038831187220173.223120911120183.2492626020193.3991503911120203.8194205436620214.2053866132520224.2605555020235.05279226852420245.532480500– 2020255.59967670 De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of toegelicht kanworden op welke wijze de verschillende parameters van de arbeidskortingworden geïndexeerd en wat de rationale daarachter is. De bedragen diehoren bij de inkomensgrenzen en de hoogte van de arbeidskortingworden jaarlijks geïndexeerd. Voor de hoogte van de inkomensgrenzengebeurt dat aan de hand van het wettelijk minimumloon (WML).10 Voor dehoogte van de arbeidskorting gebeurt dat met de tcf die gebaseerd is opde afgeleide consumentenprijsindex van het CBS. De rationale hierachterwordt in detail toegelicht in een recent verstuurde Kamerbrief.11De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welk afbouwper-centage nodig is bij een budgetneutrale vereenvoudiging van dearbeidskorting, waarbij de arbeidskorting met 12,5 procent opbouwt naareen inkomen van € 45.000 en of dit de buffelboete weg kan nemen. Als dit10Voor het derde knikpunt geldt een afwijkende berekening waarop ook de tcf invloed heeft.11Kamerstukken II 2025/26, 32 140, nr. 279.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1613 niet het geval is, wordt er gevraagd naar alternatieven die dit wel zoudenbereiken en deze grafisch weer te geven.Bij een opbouwpercentage van 12,5% tot een inkomen van € 45.000bedraagt de maximale arbeidskorting € 5.625 per jaar. De arbeidskortingkan vervolgens budgetneutraal worden afgebouwd met 2,6% tot eeninkomen van € 261.346 per jaar. De wijziging van de arbeidskorting wordtvisueel aangegeven in grafiek 1 hieronder, waarbij het wordt afgezettegen de vormgeving van de arbeidskorting zoals voorgesteld in hetBelastingplan.Ervan uit gaande dat de hoogte van de arbeidskorting en het inkomenwaarop het knikpunt zich bevindt jaarlijks geïndexeerd worden, zal voorinkomens in het opbouwtraject het recht op arbeidskorting nog steedsafnemen als hun inkomen niet stijgt. Dit komt doordat de afname van deontvangen arbeidskorting tot stand komt door de indexatie van deinkomensgrens en niet de vormgeving van de arbeidskorting.Er zijn mogelijkheden om dit effect weg te nemen. Dit kan bijvoorbeelddoor de arbeidskorting inkomensneutraal te maken. Hiermee zou het op-en afbouwpad van de arbeidskorting verdwijnen en blijft het recht oparbeidskorting gelijk ongeacht het inkomen. Hierdoor stimuleert dearbeidskorting het niet om meer te werken. Dit zou doelmatiger gemaaktkunnen worden door alleen het opbouwpad af te schaffen en de arbeids-korting wel nog af te bouwen voor hoge inkomens. Als meer werken nogsteeds moet lonen en de arbeidskorting hieraan moet bijdragen, kan deindexatie van de grenzen ook volledig worden gestopt. Hierdoor treedt hethierboven genoemde effect niet op, maar zal op de langere termijniedereen in het afbouwtraject van de arbeidskorting zitten. Op kortetermijn zal meer werken blijven lonen, maar op de langere termijn zal hetomgekeerde het geval zijn. Dergelijke aanpassingen betekenen eenfundamentele wijziging van de arbeidskorting en de onderliggendedoelstellingen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welk deel van de tcfdit jaar niet wordt doorgevoerd, wat het totale budgettaire belang hiervanis en wat de bijbehorende koopkrachteffecten zijn. De tabelcorrectiefactorvoor 2026 bedraagt 1,029. Deze wordt voor 52,8% toegepast, wat betekentdat de bedragen in de loon- en inkomstenbelasting zullen wordengeïndexeerd met de factor 1,015312. Deze beperkte toepassing van de tcfis het gevolg van twee maatregelen. In het Belastingplan 2026 is detoepassing van de tcf beperkt tot 95,8% als dekking voor de resterendeinvulling van de in het hoofdlijnenakkoord opgenomen stelpost om(negatief geëvalueerde) fiscale regelingen en onbedoelde constructies afte bouwen. Daarnaast is in het wetsvoorstel voor het behoud van hetverlaagde btw-tarief op cultuur, media en sport een beperkte toepassingvan de tcf tot 57% opgenomen als dekking van het behoud van ditGrafiek 1: alternatief arbeidskortingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1614 verlaagde btw-tarief. Gecombineerd leiden deze twee maatregelen tot eentoepassing van 52,8%. Onderstaande tabellen tonen de budgettairegevolgen en de inkomenseffecten van de beperkte toepassing van de tcf.Deze maatregel leidt bij vrijwel alle groepen tot hetzelfde medianeinkomenseffect van – 0,3%.Tabel 7: Budgettaire gevolgen beperkt toepassen tcf in 2026 (in mln euro, prijzen2025)2026202720282029strucStelpost fiscale regelingen(95,8% toepassen tcf)126126126126126Behoud verlaagd btw-tariefcultuur, media en sport (57%toepassen tcf)1.3001.3001.3001.3001.300Totaal (52,8% toepassen tcf)1.4261.4261.4261.4261.426 Tabel 8: Mediaan inkomenseffect beperkt toepassen tabelcorrectiefactor in de IH in2026InkomensgroepMediaaninkomenseffect(%)1e (<=106% WML)– 0,3%2e (106–173% WML)– 0,3%3e (173–256% WML)– 0,3%4e (256–378% WML)– 0,3%5e (>378% WML)– 0,3%InkomensbronWerkenden– 0,3%Uitkeringsgerechtigden– 0,2%Gepensioneerden– 0,3%HuishoudtypeTweeverdieners– 0,3%Alleenstaanden– 0,3%Alleenverdieners– 0,3%KinderenHuishoudens met kinderen– 0,3%Huishoudens zonder kinderen– 0,3%Alle huishoudens– 0,3% De leden van de fractie van D66 vragen naar hoe het kabinet de beperktetoepassing van de tcf beoordeelt in het licht van een solide envoorspelbaar begrotingsbeleid. Het kabinet deelt de visie dat hetbegrotingsbeleid gericht moet zijn op de lange termijn. De gevolgen vanhet beperkt toepassen van de tcf zijn echter niet anders dan wanneer debetrokken parameters in de inkomstenbelasting beleidsmatig verlaagdzouden worden. Het langdurig beperkt toepassen van de tabelcorrectie-factor zou leiden tot een parameters in de inkomstenbelasting die nietmeegroeien met het inkomen. Datzelfde geldt voor jaarlijkse verlagingenvan dezelfde parameters in de inkomstenbelasting.De leden van de fractie van de SGP vragen naar het budgettaire belang alsde overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting (AHK) zoals vorigjaar voorgesteld en met het amendement Stoffer verbreed, nietafgebouwd wordt. De overdraagbaarheid van de AHK zoals met ingangvan 2028 is ingevoerd, is gekoppeld aan de afbouw van de dubbelealgemene heffingskorting in de bijstand. In het basispad is de dubbeleAHK in de bijstand volledig afgebouwd in 2039 en verdwijnt daarmee ookde overdraagbaarheid van de AHK in de inkomstenbelasting. In 2028wordt voor de bijstand volgens het basispad nog gerekend met 1,55 keerde AHK. Als de maximale hoogte van de overdraagbare AHK in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1615 inkomstenbelasting in 2028 wordt bevroren op dit niveau van 0,55 keer deAHK, leidt dat tot een budgettaire derving oplopend van € 18 mln in 2029tot € 180 mln structureel vanaf 2039.Daarnaast vragen deze leden wat het kost om de afbouwgrens van€ 36.000 te verleggen naar € 50.000. De overdraagbaarheid van dedubbele AHK in de bijstand wordt afgebouwd vanaf een bepaaldinkomen.12 Deze afbouw hangt samen met de overdraagbaarheid van deAHK als structurele oplossing voor een groep alleenverdieners die dooreen samenloop van fiscaliteit, toeslagen en sociale zekerheid onder hetsociaal minimum uitkomen. Met de afbouw van de overdraagbaarheidvan de AHK vanaf dit inkomen wordt de oplossing zoveel mogelijk gerichtop de doelgroep. Voor 2028 is het afbouwpunt geraamd op € 36.158. Hetverhogen van dit afbouwpunt naar € 50.000 in 2028 kost € 96 mln in datjaar.De leden van de fractie van de SGP vragen waarom het kabinet er voorkiest om de kloof tussen een- en tweeverdieners groter te laten worden.Het kabinet heeft gestreefd naar een gebalanceerd koopkrachtbeeldwaarin alle groepen er ongeveer evenveel op vooruit gaan. Het verschil inkoopkrachtontwikkeling tussen alleen- en tweeverdieners is miniem.Verder geldt dat vanaf 2027 de belastingdrukverschillen tussen alleen- entweeverdieners juist zullen afnemen, wanneer de inkomensafhankelijkecombinatiekorting (IACK) geleidelijk afgebouwd wordt. Het kabinetherkent daarom niet dat het verschil in belastingdruk tussen alleen- entweeverdieners groter wordt. In dit beeld is rekening gehouden met deaangenomen motie van de leden Klaver en Kouwenhoven.13 Zoalstoegezegd tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heeft hetkabinet deze motie uitgewerkt in een nota van wijziging. Deze nota vanwijziging is gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag naaruw Kamer gestuurd.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, NSC, D66, BBB en SGPhebben vragen gesteld over het inkomensbeleid dat is opgenomen in hetwetsvoorstel Belastingplan 2026 in relatie met onder andere de aange-nomen motie van de leden Klaver en Kouwenhoven.14Zoals toegezegd tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen heeft hetkabinet de motie uitgewerkt in een nota van wijziging. Deze nota vanwijziging is gelijktijdig met deze nota naar aanleiding van het verslag naaruw Kamer gestuurd.Het doel van het kabinet met het pakket aan maatregelen in het Belas-tingplan 2026 was investeren in een verhoging van de arbeidskorting omwerken meer te laten lonen. Deze verhoging werd gedekt door hetverhogen van het tarief in de eerste schijf van de loon- en inkomstenbe-lasting. Met deze maatregelen werd de koopkrachtontwikkeling vanwerkenden ten opzichte van uitkeringsgerechtigden dichter bij elkaargebracht.Door de motie van de leden Klaver en Kouwenhoven uit te voeren,worden de in het Belastingplan opgenomen koopkrachtmaatregelenaanzienlijk gewijzigd. In de nota van wijziging worden de volgendemaatregelen opgenomen:•de inkomensgrenzen voor de arbeidskorting worden bij het eerste entweede knikpunt verlaagd;12113% van 108% van het twaalfvoud van het in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wetminimumloon en minimumvakantiebijslag (Wet WML) bedoelde bedrag (in 2028 naarverwachting circa € 36.158).13Kamerstukken II 2025/26, 36 800-IX, nr. 35.14Kamerstukken II 2025/26, 36 800-IX, nr. 35.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1616 •de in het Belastingplan 2026 voorgestelde verhogingen van dearbeidskorting bij het tweede en derde knikpunt vinden geen door-gang;•het tarief in de eerste schijf wordt in 2026 verhoogd en in 2031 tot 2035stapsgewijs verder verhoogd; en•het aangrijpingspunt van het toptarief wordt verlaagd bij het begin van2026.Voor de precieze bedragen en uitwerking, verwijs ik naar de nota vanwijziging en de brief over dit onderwerp die uw Kamer ook ontvangt.Als de verhoging van de arbeidskorting geen doorgang meer vindt, wordtook uitvoering gegeven aan de motie van de leden Van Hijum en Bikker15,waar de leden van de fractie van NSC naar vragen. De leden van de fractievan GroenLinks-PvdA vragen daarnaast waarom de verlaging van dealgemene heffingskorting uit het Belastingplan 2025 niet ongedaan wordtgemaakt. Het verlagen van de algemene heffingskorting maakte deel uitvan een pakket aan maatregelen gericht op onder andere werkendemiddeninkomens. Het kabinet staat nog steeds achter het streven omwerkende middeninkomens te ondersteunen en is er geen voorstandervan één van de maatregelen uit dit pakket terug te draaien. De budgettairederving van het verhogen van de algemene heffingskorting is daarnaastzeer fors, ongeveer € 874 miljoen per € 100 verhoging.16 Een derving zalook gedekt moeten worden. Het kabinet is van mening dat met demaatregelen in de nota van wijziging een oplossing is gevonden voor demogelijke negatieve inkomenseffecten van deeltijdwerkers die opjaarbasis onder de grens van het minimumloon vallen. De dekking hiervanis op evenwichtige wijze over de verschillende groepen belastingplich-tigen verdeeld.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet bekendis dat voormalig Staatssecretaris Fiscaliteit en Belastingdienst Van Rijgezegd heeft dat «we tegen de grenzen van de arbeidskorting zijnaangelopen». Ook de leden van de fractie van de SGP vragen waarom hetkabinet de arbeidskorting verhoogt, terwijl onderzoeken laten zien dat inhet kader van arbeidsparticipatie de rek uit een verdere verhoging van dearbeidskorting is. De uitspraak van de voormalige Staatssecretaris is hetkabinet bekend. Uit het rapport Evaluatie heffingskortingen en tarief-structuur blijkt inderdaad dat de arbeidskorting beperkt doelmatig is alshet gaat om een verhoging van het arbeidsaanbod.17 Met anderewoorden: de arbeidskorting is waarschijnlijk maar beperkt van nut om eenverdere verhoging van de arbeidsparticipatie te realiseren. Met dearbeidskorting kan echter ook inkomensondersteuning van werkendenbereikt worden. In dat geval is de arbeidskorting wel doeltreffend.Ook vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie om de totstand-koming van de huidige vormgeving van de arbeidskorting te beschrijvenen daarbij in te gaan op de ontstaansgeschiedenis van de verschillendeknikpunten.De arbeidskorting is bij de Wet inkomensbelasting 2001 geïntroduceerdals vervanging van het arbeidskostenforfait. Bij de introductie van dearbeidskorting in 2001 was er sprake van een opbouwtraject tot eenmaximaal bedrag van , 1770. De arbeidskorting bedroeg 1,811% met eenmaximum van , 275, vermeerderd met een arbeidskorting van 9,840%met een maximum van , 1770 voor arbeidsinkomsten boven het wettelijkminimumloon.15Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 30.16Kamerstukken II 2025/26, 2025Z17048, bijlage sleuteltabel.17Centerdata (2024) Evaluatie heffingskortingen en tariefstructuur. Eindrapport Evaluatieheffingskortingen en tariefstructuur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1617 Met ingang van 1 april 2002 werd bij het Belastingplan 200218 eenaanvullende arbeidskorting ingevoerd voor werkenden van 58 jaar enouder. Deze aanvullende arbeidskorting liep met de leeftijd op.Bij het Belastingplan 200819 is de arbeidskorting inkomensafhankelijkergemaakt om te komen tot een verdere stimulering van de onderkant vande arbeidsmarkt. Zo kwam er een afbouwtraject: boven een inkomen van€ 42.509 werd de arbeidskorting verminderd. De hierna opgenomenfiguur uit het Belastingplan 2008 toont het verloop van de arbeidskorting.Met ingang van 2012 is de verhoogde arbeidskorting voor belastingplich-tigen van 57 jaar en ouder afgeschaft.18Stb. 2001, 640.19Kamerstukken II 2007/08, 31 205, nr. 3.Figuur 2: Voorbeeld verloop arbeidskorting vormgeving vanaf 200111 Kamerstukken I, 2005/06, 30 300 XV, E.Figuur 3: Verloop arbeidskorting 2008-2011 (prijzen 2008)11 In de grafiek wordt geen rekening gehouden met indexatieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1618 In het regeerakkoord van het kabinet Rutte II20 – aangevuld met de motieZijlstra/Samsom21 – werd voorzien in een stapsgewijze verhoging van dearbeidskorting. In het Belastingplan 201422 werd voorgesteld de arbeids-korting af te bouwen tot nihil. Onderstaande figuur uit het Belastingplan2014 toont het verloop van de arbeidskorting. Bij het Belastingplan 2015zijn deze verhogingen overigens verder verhoogd.In het Belastingplan 201923 is ten slotte besloten een extra (derde)opbouwtraject te introduceren. Deze maatregel was erop gericht demarginale druk op het inkomenstraject tussen het minimumloon en eenmodaal inkomen te verlagen.De hierna opgenomen figuur 3 uit het Belastingplan 2019 laat de opbouw-en afbouwfasen zien.20Regeerakkoord «Bruggen slaan».21Kamerstukken II 2012/13, 33 410, nr. 32.22Kamerstukken II 2013/14, 33 752, nr. 3.23Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 3.Figuur 4: Verloop arbeidskorting in 2013 t/m 2017 (rekening houdend met de destijds verwachte inflatie)11 In de grafiek wordt geen rekening gehouden met indexatieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1619 De leden van de fractie van het CDA vragen of het juist is dat het kabinetin 2026 de lasten op inkomen uit arbeid verhoogt met 1430 miljoen euro,en structureel met 1417 miljoen euro, met als enige verantwoording eenbudgettaire opbrengst, zonder dat er sprake is van een vereenvoudigingof verbetering.Het kabinet zorgt voor forse lastenverlichting binnen de loonheffing, zoalsblijkt uit onderstaande tabel. Deze tabel laat zien wat het effect is van hetbeleid van dit kabinet op de ontwikkeling van de beleidsmatige lastenbinnen de loonheffing. Hiermee gaat werken meer lonen. Het kabinet zietdit als een verbetering. Daarnaast heeft het kabinet maatregelen getroffenop vlak van vereenvoudiging, zoals bijvoorbeeld het aanpakken vanketeneffecten bij nabetalingen binnen de toeslagen, het vereenvoudigenvan het toeslagpartnerschap en partnerbegrip voor andere regelingen(zoals het kindgebonden budget), het vereenvoudigen van de huurtoeslagen aanpassingen van de manier waarop terugvorderingen plaatsvinden(netto in plaats van bruto).Tabel 9: beleidsmatige lasten loonheffingIn mln. euro, in standen202520262027202820292030struc.Beleidsmatige lastenloonheffing– 3.298– 2.136– 2.573– 3.020– 3.180– 3.159– 2.684 Verduidelijking fietsregelingDe leden van de fractie van Groenlinks-PvdA vragen wat «bij het woon- ofverblijfadres van de werknemer» in de praktijk betekent, verder vragen zijof een deelfietsenhub in de buurt van dit adres hieronder valt. De ledenvan de fractie van D66 vragen of met deze verduidelijking voldoendezekerheid wordt geboden aan werkgevers en werknemers.Het doel van de maatregel is dat een deelfiets die zakelijk wordt gebruiktniet meer belast is. De maatregel is vormgegeven zodat voor ov-fietsen,hubfietsen en andere (gedeelde) fietsen een bijtelling van nihil geldt. Alseen dergelijke fiets incidenteel of voor omrijkilometers ook voor privé-doeleinden wordt gebruikt, dan wil het kabinet voorkomen dat alsnogbijtelling voor deze fiets moet plaatsvinden. Werkgevers kunnen er dusvanuit gaan dat elke vorm van deelfietsgebruik in het kader van deFiguur 5 – Verloop afbouw korting na maatregelen Belastingplan 2019Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1620 dienstbetrekking in principe onbelast is voor de loonheffingen.24 Dit isslechts anders als in de praktijk eigenlijk geen sprake is van een deelfietsof als een werknemer de fiets meer dan incidenteel voorwoon-werkverkeer tot of vanaf de woning of voor privédoeleindengebruikt, omdat een werknemer de fiets regelmatig (meer dan bijkomstig)mee naar huis neemt (het woon- of verblijfadres). Slechts in die uitzonde-ringssituaties dient getoetst te worden of de fiets bij het woon- ofverblijfadres wordt gestald. Bij «bij het woon- of verblijfadres van dewerknemer stallen van de fiets» kan gedacht worden aan het stallen vande fiets in de tuin, in de (fietsen)schuur bij het huis of in het appartemen-tengebouw, in een fietsenrek op de stoep binnen enkele meters van devoordeur van de woning en dergelijke plekken. Een verblijfadres kanonder omstandigheden bijvoorbeeld het adres zijn van een partner waarniet mee wordt samengewoond, maar waar een werknemer wel regel-matig verblijft. Als een fiets voor de woning of bij een deelfietsenhub inde buurt kan worden geparkeerd bijvoorbeeld via een app en daarna nietmeer exclusief ter beschikking staat aan de werknemer, dan kwalificeertdat niet als het stallen van de fiets bij het woon- of verblijfadres. Ook nietals de deelfietsenhub zich vlakbij het woon- of verblijfadres bevindt. Ditkan anders zijn als de fiets wel in de beschikkingsmacht van dewerknemer blijft en de hub zich binnen enkele meters van de voordeurvan de werknemer bevindt. Het kabinet is van mening dat met dezemaatregel voldoende duidelijkheid wordt gegeven aan werkgevers enwerknemers over wanneer een bedrag moet worden bijgeteld voor eenterbeschikkinggestelde fiets. Over het algemeen geldt dat voor eenov-fiets, hubfiets, dienstfiets of andere gedeelde fiets een bijtelling geldtvan nihil. Voor hubfietsen die alleen worden gebruikt voor de rit vanbijvoorbeeld het ov-station naar de werkplek geldt dus dat dit onbelast isvoor de loonheffingen. De bijtelling van nihil geldt ook voor elke zakelijkekilometer die een werknemer op de (deel)fiets rijdt en bijvoorbeeld als eenwerknemer na een zakelijke afspraak met de ov-fiets even langs desupermarkt fietst of als een werknemer voor een overleg met de dienst-fiets een broodje haalt bij een broodjeszaak. Werkgevers kunnen het «nietvoor privédoeleinden gebruiken van de fiets» door werknemers extraborgen door bijvoorbeeld een verbod hierop op te nemen in eenovereenkomst. Een extra waarborg dat de fiets niet privé wordt gebruikt,kan het voeren van een sleutelbeleid zijn. Dit is echter allemaal nietnoodzakelijk. Het kabinet verwacht dat slechts in uitzonderingssituatieseen gedeelde fiets moet worden bijgeteld. In de praktijk zijn dit desituaties waarbij een werknemer regelmatig de fiets mee naar huis neemt.Als dit het geval is, dan zal dit vaak duidelijk zijn voor werkgever enwerknemer. De wettelijke toets van «niet meer dan bijkomstig stallen vande fiets bij het woon- of verblijfadres» zal daarom in de praktijk nagenoegnooit nodig zijn.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de Belastingdienstverwacht dat er ook discussie zal ontstaan over wat stallen «bij het woon-of verblijfadres» inhoudt.De Belastingdienst verwacht beperkt discussie over de toepassing van debijtelling van nihil. De verruiming van de fietsregeling heeft over hetalgemeen als gevolg dat een deelfiets die wordt gebruikt voor zakelijkverkeer (inclusief woon-werkverkeer) onbelast is voor de loonheffingen.Daarbij verwijs ik ook naar mijn voorgaande toelichting hierop. Devoorgestelde verruiming zou in de eerste fase na de inwerkingtredingwellicht een gespreksonderwerp zijn tijdens een gesprek tussen debevoegde inspecteur en een werkgever. Daarnaast zou een werkgeverervoor kunnen kiezen om het al dan niet van toepassing zijn van de24De bijtelling van nihil is niet alleen geregeld in de Wet LB 1964, maar ook in de Wet IB 2001.Waar bij deze maatregel wordt verwezen naar de gevolgen voor de loonheffingen, ziet dit ookop de inkomensheffing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1621 bijtelling van nihil tijdens een vooroverleg af te stemmen met deBelastingdienst.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of een werkgevereen deelfietsabonnement onbelast mag vergoeden, waarna de werknemerde deelfiets ook privé kan gebruiken. Deze leden vragen het kabinet om ditnader toe te lichten. Ik ga ervan uit dat een deelfietsabonnement demogelijkheid bevat om voor een vast bedrag per maand, ongelimiteerd(indien beschikbaar) gebruik te kunnen maken van deelfietsen van eenbepaalde organisatie. Als een werkgever ervoor kiest om een deelfiets-abonnement volledig te vergoeden, neemt de werkgever de kosten van dedeelfiets voor haar rekening. In dat geval stelt de werkgever de deelfiets infeite ter beschikking aan de werknemer. De voorgestelde maatregel zorgtervoor dat als de werknemer de deelfietsen die via het abonnementworden gebruikt niet meer dan bijkomstig stalt bij het woon- of verblijf-adres, er een bijtelling geldt van nihil. Het is gelet op voorgaande mogelijkvoor werkgevers om een deelfietsabonnement te verstrekken dat onbelastis voor de loonheffingen.Als de werknemer de fiets wel meer dan bijkomstig bij het woon- ofverblijfadres stalt, is de werknemer een bijtelling verschuldigd vanwegehet privégebruik van de deelfiets. Die bijtelling is beperkt tot 7% van dewaarde van de fiets. Als een fiets een waarde heeft van bijvoorbeeld€ 2.000, betekent dat een te belasten voordeel van € 12 per maand.Mogelijk is deze bijtelling nog lager, als blijkt dat de werknemer niet teallen tijde over deze fiets kan beschikken. De werkgever kan er ook voorkiezen de bijtelling ten laste te brengen van de vrije ruimte. Als eenwerkgever daarvoor kiest, is het via gebruik van de vrije ruimte ookmogelijk om een deelfietsabonnement onbelast aan de werknemer tevergoeden. Stel dat een werkgever niet de volledige kosten van hetdeelfietsabonnement voor haar rekening neemt kan er geen sprake zijnvan ter beschikking stellen van een deelfiets. In die situatie geldt voor dekostenvergoeding een gerichte vrijstelling van € 0,23 per zakelijkekilometer (inclusief woon-werkverkeer). Een hogere kostenvergoeding kanook onbelast zijn als de werkgever dit deel ten laste brengt van de vrijeruimte.De leden van de fractie van de VVD vragen of het voorstel hetuitgangspunt van administratieve eenvoud onder druk zet. Dit is niet hetgeval. Het voorstel is een verduidelijking en maakt de bijtellingsregelsvoor de fiets juist eenvoudiger en voorkomt administratieve lasten voorde werkgever doordat incidenteel privégebruik niet direct tot bijtellingleidt en bewijslast minder zwaar wordt. Op dit moment is sprake vanonduidelijkheid over de behandeling van met name hubfietsen, ov-fietsenen andere deelfietsen. Deze onduidelijkheid wordt weggenomen. Defiscale behandeling van een reguliere ter beschikking gestelde fiets wordtniet gewijzigd. In de praktijk zullen er hoofdzakelijk twee soorten fietsenter beschikking worden gesteld.1.De fiets die een werknemer (of IB-ondernemer) altijd tot zijnbeschikking heeft en die hij gebruikt voor woon-werkverkeer. Voordeze fiets wijzigt er niets en geldt de reguliere bijtelling van 7% vande waarde van de fiets.2.De fiets die de werknemer (of IB-ondernemer) niet altijd tot zijnbeschikking heeft. Voor deze fiets zal de bijtelling van nihil gelden. Ditis alleen anders als de fiets regelmatig (meer dan bijkomstig) meenaar huis wordt genomen.Het eenmalig mee naar huis nemen van een ov-fiets, bijvoorbeeldvanwege een lekke band, leidt dus niet direct tot een bijtelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1622 De leden van de fractie van de VVD en de leden van de fractie van NSCvragen verder of een schriftelijke afspraak tussen werkgever enwerknemer, waarin wordt vastgelegd dat een ter beschikking gesteldefiets niet mee naar huis mag worden genomen, voldoende is omaannemelijk te maken dat de bijtelling terecht achterwege blijft, ook als dewerkgever daarop niet actief controleert. De leden van de fractie van NSCvragen verder naar hoe de Belastingdienst zal handhaven. Een schriftelijkeafspraak tussen werkgever en werknemer, waarin wordt vastgelegd dateen ter beschikking gestelde fiets niet mee naar huis mag wordengenomen, is in principe voldoende om aannemelijk te maken dat eenbijtelling van nihil van toepassing is. De werkgever en, bij controles, deBelastingdienst hoeven in deze gevallen enkel te controleren of eraanwijzingen zijn dat dergelijke afspraken door werknemers niet wordenopgevolgd en of er andere bijzondere omstandigheden zijn die een naderetoetsing noodzakelijk maken. Het kabinet verwacht dat een naderetoetsing enkel in uitzonderingssituaties nodig is. Mocht er toch twijfelbestaan, dan kan de werkgever er ook altijd voor kiezen de bijtelling – dieslechts 7% van de waarde van de fiets bedraagt – toe te passen. Dewerkgever kan, indien gewenst, de bijtelling ten laste brengen van de vrijeruimte (werkkostenregeling). De werkgever heeft een ruime mate vanvrijheid om zelf te bepalen hoe de vrije ruimte wordt ingezet. Zo zou hetook mogelijk zijn om de werknemer via de vrije ruimte te compenserenvoor de belastingheffing over de bijtelling die de werknemer verschuldigdis.De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet ruimte ziet om meeruniformiteit te brengen in de fiscale behandeling van verschillendevormen van deelmobiliteit. Ook vragen de leden van de fractie van D66 ofhet kabinet bereid is om een bredere visie op de fiscale behandeling vandeelmobiliteit te ontwikkelen.Het kabinet heeft een bredere visie op de loon- en inkomensheffingen metbetrekking tot deelmobiliteit en ziet geen aanleiding om deze visie aan tepassen. De Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB 1964) regelt (soms bijbenadering) dat een voordeel dat voortvloeit uit de dienstbetrekking,kwalificeert als belast loon. Als sprake is van een zakelijke kostenver-goeding, verstrekking of ter beschikkingstelling, regelt de Wet LB 1964 inwelke gevallen en onder welke voorwaarden hierover geen loonheffingenverschuldigd is. Voorgaande heeft tot gevolg dat niet alleen het maande-lijks te ontvangen salaris belast is, maar ook andere voordelen (in natura)kwalificeren als belast loon. Voor het belasten van loon in natura wordt zonauw mogelijk aansluiting gezocht bij de daadwerkelijke waarde(factuurwaarde of waarde in het economische verkeer), maar soms is erom doelmatigheidsredenen voor gekozen om de waarde van loon innatura anders vast te stellen. Dat is het doel geweest van de bijtellingsre-geling die geldt voor ter beschikking gestelde fietsen. De huidigebijtellingsregeling bevat omwille van eenvoud en uitvoerbaarheid eenfictie dat als de fiets wordt gebruikt voor woon-werkverkeer ervanuit kanworden gegaan dat de fiets voor privédoeleinden ter beschikking wordtgesteld. Deze fictie leidt ertoe dat deelfietsen die alleen voorwoon-werkverkeer worden gebruikt wel belast worden via de bijtellingsre-geling. Dat sluit niet aan bij de gedachte dat een verstrekking die alleenzakelijk wordt gebruikt, in principe onbelast blijft in de loonheffingen.Daarom wordt met dit voorstel geregeld dat voor deelfietsen in principegeen bijtelling geldt, tenzij ze meer dan bijkomstig bij het woon- ofverblijfadres worden gestald.Voor een andere vorm van deelmobiliteit, namelijk deelauto’s, heeft deBelastingdienst helder uiteengezet wat de fiscale gevolgen zijn als eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1623 werkgever deelauto’s ter beschikking stelt aan werknemers.25 Zoalsgezegd ziet het kabinet geen reden om diens visie op de fiscale behan-deling van deelmobiliteit aan te passen, mede gelet op haar demissionairestatus.De leden van de fractie van ChristenUnie vragen waarom het kabinetervoor heeft gekozen dat werkgevers die hun werknemers een fietsplanaanbieden, geen mogelijkheid hebben om een fiscaal gefaciliteerdekilometervergoeding te betalen.Een fietsplan kan op verschillende manieren worden vormgegeven. In hetlicht van de voorgestelde bepaling, ga ik ervan uit dat met deze vraagwordt verwezen naar het ter beschikking stellen van een fiets. Als eenwerkgever een fiets ter beschikking stelt, regelt de werkgever het vervoervan een werknemer en neemt de gerelateerde kosten voor eigen rekening.Als daarnaast ook nog gericht vrijgesteld een reiskostenvergoeding van€ 0,23 per woon-werkkilometer mag worden betaald, zou de overheiddaarmee een verstrekking dubbel fiscaal faciliteren. De werkkostenre-geling kent een generieke vrijstelling, de vrije ruimte, die een werkgeverkan inzetten om ook een kilometervergoeding uit te betalen zonder dat dewerknemer hierover loonheffing verschuldigd is. Een fietsplan kan ookanders zijn vormgegeven. Bijvoorbeeld in de vorm van het ontvangen vaneen voor de werknemer onbelaste vergoeding voor de aanschaf van eenfiets (via de vrije ruimte). In dat geval is het wel mogelijk om een gerichtvrijgestelde kilometervergoeding te betalen. Datzelfde geldt als dewerkgever een renteloze lening verstrekt aan de werknemer om daarmeeeen fiets aan te schaffen.De leden van de fractie van ChristenUnie vragen of het kabinet herkent datwerknemers toch geneigd zullen zijn met de auto naar werk te gaan als zijmogen kiezen tussen een elektrische fiets (met een hoge aanschafprijs) ofeen auto. Het kabinet herkent dit niet, omdat er verschillende mogelijk-heden zijn voor werkgevers om een fiets te faciliteren en daarnaast ooknog een onbelaste reiskostenvergoeding te geven (zie voorgaandereactie). Daarnaast kunnen er meerdere afwegingen spelen voorwerknemers om met de fiets, het ov of de auto naar hun werk te gaan.Maatregelen lucratiefbelangregelingDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet bereidis over te gaan tot afschaffing van de aanmerkelijkbelangvariant als deuitspraak in een lopende rechtszaak dat toelaat, omdat het dan duidelijkzou zijn of afschaffing juridisch houdbaar is.Op dit moment is het vanwege een lopende rechtszaak26 nog onzeker ofonder de belastingverdragen de heffing over voordelen uit lucratiefbelang in box 1 geëffectueerd kan worden. In deze procedure neemt deBelastingdienst het standpunt in dat Nederland een heffing over eenverkregen voordeel bij de verkoop van en dividenduitkering op eenlucratief (aandelen)belang bij een buitenlands belastingplichtige onder hetbelastingverdrag met Duitsland in box 1 kan effectueren, door het artikelover inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid toe te passen. Volgens derechtbank is dit artikel niet van toepassing en mag Nederland niet heffen,maar daartegen heeft de Belastingdienst hoger beroep aangetekend.Zolang de gerechtelijke procedure nog loopt, bestaat daarom nog geenvolledige zekerheid over het effectueren van dit heffingsrecht onderbelastingverdragen in box 1.25KG:204:2025:3 Gebruik deelauto’s door werknemers | Kennisgroepen.26Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 maart 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:1503.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1624 Naast dat er geen volledige zekerheid is over het effectueren van hetheffingsrecht onder belastingverdragen in box 1, zijn er nog andereaandachtpunten bij het eventueel afschaffen van de aanmerkelijkbelang-variant. Zo is bij een dergelijke fundamentele wijziging van de regelingovergangsrecht noodzakelijk. Bovendien volgt uit het onderzoek dat op13 februari 2025 naar uw Kamer is verzonden27 dat het afschaffen van deaanmerkelijkbelangvariant naar verwachting zal leiden tot een verstoringvan de goedlopende, op samenwerking gerichte uitvoeringspraktijk, metforse uitvoeringsgevolgen. Bij het schrappen van de aanmerkelijkbelang-variant in de lucratiefbelangregeling zullen – zeker zolang het huidigeforfaitaire stelsel in box 3 bestaat – veel meer arbeidsintensieve encomplexe discussies ontstaan. Deze discussies zullen onder andere gaanover de kwalificatie van de voordelen als arbeids- dan wel als beleggings-bestanddeel en over de hoogte van de (loon)voordelen op het momentvan toekenning van de vermogensbestanddelen. Hierbij is van belang datin het huidige box 3-stelsel een heffing plaatsvindt op basis van eenforfaitair rendement, terwijl de werkelijke voordelen uit lucratievebelangen doorgaans hoger zullen zijn dan dit forfaitair rendement. Bij dehuidige aanmerkelijkbelangvariant in de lucratiefbelangregeling vindt debelastingheffing wel over het werkelijk gerealiseerde rendement plaats.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of er geen discussiesmeer zullen zijn als het forfaitaire stelsel in box 3 niet meer bestaat.Met de huidige vormgeving van de lucratiefbelangregeling is in wezen dediscussie beslecht of de voordelen uit lucratief belang in box 1 of box 3zijn belast. Er is gekozen voor een tussenoplossing in de vorm van deaanmerkelijkbelangvariant met een verplichting. Het is van belang teonderkennen dat de discussie in het verleden ging over de toepassing vaneen progressieve heffing in box 1 tegenover een forfaitaire heffing van(toen nog) 4% vermenigvuldigd met het box 3-tarief van 30%. Dit kon eeneffectieve heffing van 1,2% opleveren over de waarde van het lucratiefbelang die bovendien gedurende de looptijd tot aan de realisatiedoorgaans nominaal bleef. Verder bleven vermogenswinsten in box 3onbelast. Met de invoering van het thans bij uw Kamer aanhangigewetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is het denkbaar dat devoordelen zwaarder of in gelijke mate worden belast dan de voordelen uiteen middellijk gehouden lucratief belang waarbij de aanmerkelijkbelang-variant wordt toegepast met de voorgestelde multiplier-maatregel. Nainvoering van het nieuwe box 3-stelsel zou een volgend kabinet kunnenbezien of de lucratiefbelangregeling – vooral de aanmerkelijkbelangva-riant – in de huidige vorm nog passend is. Daarbij moet ook niet uit hetoog worden verloren dat als uitgangspunt nog steeds geldt dat devoordelen onder de huidige regeling abeidsgerelateerd zijn en daarom alals hoofdregel in box 1 worden belast als resultaat uit overige werkzaam-heden.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het kabinetaankijkt tegen het voorstel om een discussie vanwege het verschil intarieven tussen de boxen te voorkomen door het inkomen in box 3 op tetellen bij het inkomen in box 1 en het geheel progressief te belasten.Het voorstel dat deze leden doen, zou een grote wijziging van het huidigebelastingstelsel tot gevolg hebben die niet op korte termijn uitvoerbaar is.Of een dergelijke wijziging discussies kan voorkomen, is afhankelijk vande vormgeving van deze wijziging. Een belastingheffing in uitsluitend box1 of tegen een progressief tarief, vergelijkbaar met de tarieven in box 1,zal overigens mogelijk niet effectueerbaar zijn onder belastingverdragen(vanwege de lopende procedure). Daar komt bij dat discussies zullenontstaan over bijvoorbeeld de fiscale behandeling van de voordelen uit27Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 225.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1625 lucratief belang voor de vennootschapsbelasting. De voordelen die belastzijn onder de huidige lucratiefbelangregeling zijn voor de vennootschaps-belasting namelijk doorgaans vrijgesteld onder de deelnemingsvrijstellingen daarmee dus niet aftrekbaar. Als – afhankelijk van de uiteindelijkevormgeving – zou worden gekozen voor een alternatief waarbij devoordelen uit lucratief belang vanwege het arbeidskarakter worden belastin box 1 van de inkomstenbelasting, dan moet worden beoordeeld of debehandeling in de vennootschapsbelasting nog evenwichtig is. De fiscalebehandeling van voordelen uit lucratief belang kan bijvoorbeeld uit de pasgaan lopen met de fiscale behandeling van een bonus die in het kader vande dienstbetrekking wordt verstrekt en (onder voorwaarden) aftrekbaar isvoor de vennootschapsbelasting.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom hetvoorliggende voorstel niet of minder tot discussie zou leiden dan hetschrappen van de aanmerkelijkbelangvariant. Hierbij geven deze ledenaan dat door het invoeren van een grondslagverbredende multiplier hetimmers ook voordeliger kan worden om gebruik te maken van het forfaitin box 3 in plaats van belasting over het werkelijke rendement in box 2 tebetalen.Met de grondslagverbredende multiplier bedraagt de heffing overvoordelen uit middellijk gehouden lucratieve belangen maximaal 36%.Hiermee wordt de facto voor de hoogte van de belastingdruk op dezevoordelen aangesloten bij het tarief in box 3. Het kan voorkomen datbelastingplichtigen hun structuren gaan aanpassen en het standpuntinnemen dat het belang tot de rendementsgrondslag in box 3 behoort.Binnen de huidige aanmerkelijkbelangvariant komt deze discussienauwelijks voor, omdat men dan het risico loopt dat het voordeel in box 1zal worden belast. Veel belastingplichtigen kiezen dan ook voor hetcompromis dat de heffing op basis van de aanmerkelijkbelangvariant inbox 2 plaatsvindt. Een deel van de belastingplichtigen zal mogelijk doorhet verhogen van de belastingdruk in box 2 wel bovengenoemd risicoaccepteren. Dit betekent dat de multiplier tot enige discussie tussen debelastingplichtigen en de Belastingdienst zal kunnen leiden, maar inmindere mate dan het geval zal zijn als de aanmerkelijkbelangvariantkomt te vervallen. In het laatste geval zullen discussies over de vraag ofsprake is van een lucratief belang naar verwachting verscherpen, omdathet verschil in belastingdruk tussen box 1 en box 3 groter is dan hetverschil in belastingdruk tussen box 2 met toepassing van de multiplier enbox 3. Daarnaast is het denkbaar dat belastingplichtigen structuren zoinrichten dat er minder vaak sprake is van een lucratief belang.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet heteens is met het standpunt in de reacties op de internetconsultatie over hetvoorstel dat «het van belang is dat Nederland, in vergelijking met de onsomringende landen, niet uit de pas zou moeten lopen voor wat betreft debelastingheffing over lucratieve belangen». Deze leden vragen in ditverband ook of het kabinet bang is dat private-equitymanagers uitwijkennaar andere landen als zij meer belasting moeten betalen en zo ja, of hetkabinet dit problematisch vindt en wat de gevolgen voor de Nederlandseeconomie zouden zijn als dit zou gebeuren. Ook de leden van de fractievan de VVD vragen hoe reëel het kabinet het risico acht dat een hogereNederlandse belastingdruk leidt tot minder vestigingsbereidheid vaninternationale fondsen en ondernemingen of zelfs tot verplaatsing vaninvesteringsactiviteiten naar het buitenland.Het kabinet is van mening dat het toepasselijke tarief voor middellijkgehouden lucratieve belangen in box 2 niet te ver uit de pas moet lopen invergelijking tot de ons omringende landen. Als Nederland te veel afwijktvan de regelingen in andere landen kan dit van invloed zijn op hetvestigingsklimaat. Een sterk ondernemingsklimaat is onmisbaar voor eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1626 stabiele Nederlandse economie en gezonde bedrijven, waarvan iedereenmeeprofiteert. Daarbij hoort ook dat internationaal opererende bedrijvenzich in Nederland willen vestigen. Dat geldt ook ten aanzien van private-equity(managers).Als het toepasselijke tarief voor middellijk gehouden lucratieve belangenin vergelijking tot de ons omringende landen te veel uit de pas zou lopen,zullen private-equitybedrijven er minder snel voor kiezen om in Neder-landse bedrijven te investeren. Private-equitybedrijven zullen namelijk eenzwaardere heffing voor voordelen uit lucratief belang meenemen bij hunoverweging om in Nederlandse bedrijven te investeren. Voor reedsbestaande structuren kan het tot gevolg hebben dat private-equitybedrijven deze investeringen zullen verkopen en minder sneleenzelfde investering zullen doen. Ook kan een verhoogde heffing oplucratieve belangen de prikkel vergroten om via een persoonlijkehoudstervennootschap in het buitenland (in plaats van Nederland) teparticiperen, gelet op het internationale karakter van de private-equitymarkt, terwijl het risico bestaat dat deze hogere heffing in diegevallen niet (geheel) geëffectueerd kan worden onder de Nederlandsebelastingverdragen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet vindtdat private-equitymanagers minder belasting zouden moeten betalen danwerknemers of zelfstandigen.In de praktijk ontvangen (fonds)managers met name binnen de private-equity- en managementparticipatiepraktijk als onderdeel van hunbeloningsstructuur vermogensbestanddelen waarmee zij hoge rende-menten kunnen behalen. Als de manager een werknemer betreft, moet ophet moment van verwerving van de vermogensbestanddelen beoordeeldworden of er sprake is van loon uit dienstbetrekking die is belast tegen deprogressieve tarieven in box 1. De lucratiefbelangregeling is vantoepassing op de voordelen uit deze vermogensbestanddelen na deverkrijging ervan. Deze voordelen hebben doorgaans een hybridekarakter, ze hebben namelijk feitelijk kenmerken van zowel arbeidsin-komen (box 1) als van een beleggingsopbrengst op geïnvesteerd kapitaal(box 3). Aangezien de beloningsstructuren in de private-equitysectorcomplex zijn, zijn deze elementen vaak niet afzonderlijk aan te wijzen.Gezien het hybride karakter vindt het kabinet het gerechtvaardigd dat dezevoordelen op dit moment onder de huidige regeling als hoofdregel belastworden als resultaat uit overige werkzaamheden in box 1 waarbij dezeheffing onder voorwaarden achterwege blijft als de aanmerkelijkbelangva-riant wordt toegepast.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet kantoelichten in hoeverre er sprake is van heffing van vennootschapsbe-lasting over lucratieve belangen in de aanmerkelijkbelangvariant en hoehet kan dat voordelen uit lucratief belang niet onderhevig zouden zijn aanvennootschapsbelasting in de aanmerkelijkbelangvariant. Ook de ledenvan de fractie van de VVD vragen hoe de maatregel zich verhoudt tot deeffectieve belastingdruk op ondernemingswinsten in de vennootschaps-belasting, of cumulatie-effecten voldoende zijn meegewogen en vragentevens om inzicht in de totale gecombineerde heffing na toepassing vande multiplier.Bij een reguliere directeur-grootaandeelhouder streeft het kabinet ernaardat de gecombineerde heffing van box 2 en vennootschapsbelasting inglobaal evenwicht is met de belastingheffing bij een ondernemer voor deinkomstenbelasting in box 1. Bij de vormgeving van de aanmerkelijkbe-langvariant is een dergelijke gecombineerde heffing (inkomstenbelastingin box 2 en vennootschapsbelasting) geen expliciete overwegingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1627 geweest.28 In veel gevallen zal vanwege de vormgeving van een middellijkgehouden lucratief belang waarbij de vermogensbestanddelen zijnondergebracht in een (houdster)vennootschap de deelnemingsvrijstellingin de vennootschapsbelasting van toepassing zijn.De multipliermaatregel leidt er in 2026 toe dat de effectieve belastingdruk28,45% bedraagt voor voordelen uit lucratief belang voor zover dezebelast zijn in de eerste tariefschijf van box 2 en 36% voor voordelen uitlucratief belang voor zover deze belast zijn in de tweede tariefschijf vanbox 2. Als de deelnemingsvrijstelling bij de uitkering van de voordelen uitlucratief belang geen toepassing heeft gevonden, bedraagt de gecombi-neerde belastingdruk (vennootschapsbelasting en box 2-heffing mettoepassing van de multiplier) minimaal 42,05% bij een winst in devennootschap tot € 200.000 en een voordeel in box 2 in de eerste schijf tot€ 68.843 en oplopend tot maximaal 52,51% bij een winst in de vennoot-schap hoger dan € 200.000 en een voordeel in box 2 dat in de tweedeschijf boven het bedrag van € 68.843 uitkomt.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de SGP lezen in deuitvoeringstoets dat de maatregel niet fraudebestendig en complexiteits-verhogend is en dat het risico op procesverstoringen groot is. Deze ledenvragen het kabinet om uit te leggen op welke manier de lucratiefbelangregeling fraudegevoeliger wordt door de voorgestelde maatregelen hoe die fraude er in de praktijk uitziet. Daarnaast vragen de leden vande fractie van de SGP in hoeverre dat komt doordat de maatregel lastiginpasbaar is in het IV-portfolio, op welke wijze de uitvoering kan wordenverbeterd en of er zicht is op verbeteringen in de uitvoering, bijvoorbeelddoor het doorvoeren van systeemwijzigingen.De multipliermaatregel zorgt ervoor dat de lucratiefbelangregelingcomplexer wordt doordat op de voordelen uit lucratief belang eenmultiplier moet worden toegepast. De gehanteerde structuren rond delucratiefbelangregeling zijn complex en de belangen zijn relatief groot.Door deze maatregel worden de voordelen uit lucratief belang (in deaanmerkelijkbelangvariant) zwaarder belast en is de verwachting datbelastingplichtigen – gelet op de grote belangen – scherpere standpunteninnemen, mogelijk deels buiten het zicht van de Belastingdienst om,bijvoorbeeld door niet langer in vooroverleg te treden. De maatregelbrengt risico’s ten aanzien van de handhaafbaarheid met zich mee, omdatde voordelen uit de lucratiefbelangregeling niet als zodanig afzonderlijkkunnen worden geregistreerd in de aangifte inkomstenbelasting. Door hetontbreken van IV-ondersteuning wordt de belastingplichtige geacht uiteigen beweging de multiplier toe te passen op de voordelen uit lucratiefbelang. De Belastingdienst heeft beperkt toegang tot contra-informatie enkan daardoor minder goed de juistheid van het opgegeven inkomentoetsen. Ook is het toezicht bewerkelijk en lastig vanwege de gegevens dieals gevolg van het multipliereffect niet een-op-een te relateren zijn aan deingehouden dividendbelasting. Een aanpassing van de aangifte inkom-stenbelasting, door de voordelen uit lucratief belang expliciet uit tevragen, zou de Belastingdienst helpen in het toezicht en de handhavingvan de maatregel. Adequate ondersteuning vereist een structuurwijzigingin de aangifte inkomensheffingen. Vanwege het volle IV-portfolio in deketen inkomensheffingen is dergelijke ondersteuning voorlopig nietinpasbaar. Op het moment dat er ruimte ontstaat in het portfolio, zalbeoordeeld moeten worden of de benodigde systeemwijzigingen ingepastkunnen worden.De leden van de fractie van de VVD vragen of het verstandig is om reedsper 2026 een aanpassing in de lucratiefbelangregeling door te voeren,28Handelingen II 3 september 2008, nr. 107, p. 7871 en 7872.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1628 terwijl op korte termijn vanwege andere lopende trajecten van fiscaleherziening, waaronder het toekomstige box 3-stelsel, een brederestelselherziening kan volgen. Ook de leden van de fractie van het CDAvragen of het niet beter is om te wachten tot het uitsluitsel in de gerechte-lijke procedure of tot het nieuwe box 3-stelsel wordt ingevoerd, omdat zijin de uitvoeringstoets een rode vlag zien bij de multipliermaatregel.Daarnaast vragen de leden van de fractie van de VVD ook of het kabinetkan toelichten waarom niet is gekozen voor uitstel van deze wijziging totna de definitieve invoering van het nieuwe box 3-stelsel, zodat eenintegrale afweging kan plaatsvinden.Tijdens het dertigledendebat op 4 april 2024 over extra belasting voorextreem rijken heeft de Tweede Kamer de motie-Idsinga c.s. aange-nomen.29 Deze motie roept het kabinet onder andere op om de huidigelucratiefbelangregeling zo aan te passen dat lucratieve belangen wordenbelast naar het progressieve tarief in box 1. Naar aanleiding van dezemotie heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de huidige lucratiefbe-langregeling. Het onderzoeksrapport is op 13 februari 2025 naar deTweede Kamer verzonden.30 In lijn met de aanbeveling uit het onderzoeks-rapport is er in de reacties op de internetconsultatie voor gepleit om bijeen voorgenomen wijziging eerst de invoering van het nieuwe box3-stelsel af te wachten. Op 4 juli 2025 is in de Tweede Kamer een tweedemotie-Idsinga over de lucratiefbelangregeling aangenomen.31 Deze motieverzoekt het kabinet om, als onderdeel van het Belastingplan 2026, eenwetsvoorstel in te dienen dat voordelen, behaald door private-equitymanagers, zwaarder in box 2 belast en daarmee recht doet aan destrekking van de eerdere hiervoor genoemde motie-Idsinga c.s. Hetkabinet geeft met de multipliermaatregel uitvoering aan deze moties.Uit de uitvoeringstoets blijkt dat de maatregel voor de Belastingdienstuitvoerbaar is. De Belastingdienst kan deze maatregel technisch zonderIV-ondersteuning invoeren per 1 januari 2026. De handhaving door deBelastingdienst is wel gebaat bij een goede IV-ondersteuning.IV-ondersteuning is echter niet vóór 1 januari 2029 te realiseren, gelet ophet volle IV-portfolio van de keten inkomensheffingen bij de Belasting-dienst. Het kabinet is voornemens om de maatregel van een goedeIV-ondersteuning te voorzien, zodra de IV-portfolio dit toelaat.Na invoering van het nieuwe box 3-stelsel zou een volgend kabinetkunnen bezien of de lucratiefbelangregeling – vooral de aanmerkelijkbe-langvariant – in de huidige vorm nog passend is. De noodzaak en devormgeving van de lucratiefbelangregeling inclusief de voorgesteldemultipliermaatregel zullen geëvalueerd worden in het jaar na invoeringvan het nieuwe box 3-stelsel vanwege de inhoudelijke samenhangdaarmee.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan aangevenhoe het gecombineerde Nederlandse effectieve tarief met de multiplierzich verhoudt tot de belastingdruk op vergelijkbare inkomsten in landenals Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk.Zoals vermeld, zullen voordelen uit een middellijk gehouden lucratiefbelang belast zijn in box 2 van de inkomstenbelasting met een belas-tingdruk van maximaal 36%.32 De voordelen worden pas belast wanneer29Kamerstukken II 2023/24, 25 087, nr. 335.30Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 225.31Kamerstukken II 2024/25, 36 725, nr. 12.32Ervan uitgaande dat het middellijk gehouden lucratief belang is ondergebracht in een(houdster)vennootschap waarbij ook de deelnemingsvrijstelling voor de vennootschapsbe-lasting kan worden toegepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1629 deze worden gerealiseerd.33 Uit een in 2023 verschenen artikel «Carriedinterest taxation: the European landscape» in Taxjournal volgt dat debelastingheffing op carried interest in landen zoals het VerenigdKoninkrijk, Spanje, Italië en Duitsland tussen de 25% en 30% ligt. Tervergelijking van de belastingdruk in de ons omringende landen wijst hetkabinet op de ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk. Carried interest isdaar op dit moment belast met een capital gains tax (dus op het momentdat de voordelen worden uitgekeerd of vervreemd). In april 2025 heeft deBritse regering het tarief echter verhoogd van 28% naar 32%.34 Op 21 juli2025 heeft de Britse regering wederom enkele wijzigingen aangekondigdbij de belastingheffing van carried interest vanaf april 2026.35 Onder meerwordt voorgesteld om carried interest vanaf dan te belasten als «tradingprofits» in de inkomstenbelasting (inclusief sociale verzekeringspremies)tegen een tarief van maximaal 47%. Voor zogenoemd «qualifying carriedinterest» worden de voordelen met een multiplier van 72,5% verlaagdwaardoor effectief een belastingheffing van ongeveer 34% resteert. Hetkabinet is van mening dat de belastingdruk voor middellijk gehoudenlucratieve belangen hiervan niet substantieel verschilt.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom het kabinet vanmening is dat belastingplichtigen met een lucratief belang een extrabelastingverhoging via een multiplier zouden moeten dragen, terwijl zij alondernemingsrisico lopen en bijdragen aan de economische groei eninnovatie. In dat kader vragen zij ook samen met de leden van de fractievan het CDA hoe de maatregel zich tot de beleidsdoelstelling omondernemerschap en MKB-financiering te stimuleren, verhoudt. Ookhebben de leden van de fractie van de VVD gevraagd of is overwogen omeventuele ongewenste constructies aan te pakken via gerichte antimis-bruikbepalingen, in plaats van via een algemene verhoging van debelastingdruk.De lucratiefbelangregeling heeft kort gezegd betrekking op opbrengstenuit vermogensbestanddelen waarbij kenmerkend is dat er rendementenkunnen worden behaald die in geen verhouding staan tot het geïnves-teerde kapitaal en/of het feitelijk op de investering gelopen risico. Veelalzijn er «hefboom-mechanismen» ingebouwd, waardoor zeer hogerendementen kunnen worden behaald.36 Het disproportionele gedeeltevan het rendement is dan in feite een beloning voor arbeid en niet voorhet geïnvesteerde kapitaal. Omdat de voordelen vaak feitelijk kenmerkenhebben van zowel arbeidsinkomen (box 1) als van een beleggingsop-brengst op geïnvesteerd kapitaal (box 3) en beloningsstructuren in deprivate-equitysector complex zijn, zijn deze elementen vaak niet afzon-derlijk aan te wijzen. Dat is de reden dat onder de lucratiefbelangregelingde voordelen onder voorwaarden in box 2 worden belast. De belas-tingdruk in box 2 over dergelijke voordelen wordt op verzoek van uwKamer (beperkt) verhoogd tot maximaal het box 3-tarief van 36%. Hetkabinet houdt daardoor rekening met het genoemde hybride karakter.Daarnaast zet het kabinet zich altijd in om ongewenste structuren tevoorkomen. Zo wordt in het Belastingplan 2026 ook een maatregelvoorgesteld om een onwenselijke structuur te kunnen tegengaan in delucratiefbelangregeling.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het ermee eensis dat de huidige lucratiefbelangregeling private-equitymanagers en33In dat geval moeten de voordelen voor ten minste 95% worden doorgestoten naar privé omop die manier de aanmerkelijkbelangvariant te kunnen toepassen.34The tax treatment of carried interest – «A call for evidence», 29 juli 2024, HM Revenue &Customs.35Reform of the tax treatment of carried interest, 21 juli 2025, HM Revenue & Customs.36Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1630 co-investeerders verplicht tot substantiële eigen risico-inbreng («skin inthe game»). In het verlengde daarvan vragen deze leden hoe wordtvoorkomen dat de voorgestelde tariefsverhoging dit evenwicht verstoort,waardoor fondsmanagers juist minder eigen kapitaal inbrengen en deverantwoordelijkheid voor risico’s verschuift.Zoals aangegeven in de beantwoording van de Kamervragen van het lidIdsinga op 7 mei 2025, moet bij een fondsmanager die kwalificeert alswerknemer op het moment van de verwerving van de vermogensbestand-delen beoordeeld worden of sprake is van loon uit dienstbetrekking.37 Alsde werknemer vermogensbestanddelen verwerft zonder dat daar eenzakelijke prijs (eigen inleg) voor wordt betaald, kan dit loon in naturavormen. Als sprake is van loon, moet de hoogte van het loon wordenbepaald. Dit is de waarde in het economische verkeer verminderd met hetinvesteringsbedrag. Er is geen sprake van loon uit dienstbetrekking als dewerknemer een zakelijke prijs betaalt voor de vermogensbestanddelen. Delucratiefbelangregeling is pas van toepassing na de verkrijging van devermogensbestanddelen. Daarbij moet wel voldaan zijn aan devoorwaarden zoals opgenomen in de wet, dat sprake moet zijn van eenbepaalde hefboom en een beloningsoogmerk. De lucratiefbelangregelingen de voorgestelde multiplier hebben daarmee geen invloed op debeoordeling of sprake is van loon uit dienstbetrekking en het door dewerknemer in te brengen eigen kapitaal.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen of het klopt dat devoorgestelde tariefsverhoging niet uitsluitend private-equitymanagerstreft, maar bijvoorbeeld ook scale-ups, directies van snelgroeiendebedrijven en MKB-investeerders. In dat kader vragen de leden van defractie van de VVD ook of het kabinet het wenselijk acht dat ook dezegroepen worden geraakt door een maatregel die oorspronkelijk bedoeldleek om excessieve beloningen te beperken.De voorgestelde multipliermaatregel is niet beperkt tot private-equitymanagers met een middellijk gehouden lucratief belang. Hetkabinet sluit aan bij de bestaande afbakening van lucratieve belangen. Opbasis van de huidige regeling verkeren alle belastingplichtigen met eenlucratief belang in een vergelijkbare positie, ondanks dat sommigemanagers actief zijn in de private-equitysector en anderen niet. Bij allelucratiefbelanghouders is ten aanzien van het lucratieve belang sprakevan een zekere hefboom en is bij de verkrijging ervan voldaan aan hetbeloningsoogmerk. Door geen onderscheid te maken tussen bepaaldegroepen wordt juist zuiver bij de doelstelling van de lucratiefbelangre-geling aangesloten. Afhankelijk van de vormgeving is een verdergaandonderscheid in sectoren of het type belang niet juridisch houdbaar is en/ofzeer complex. Bij de totstandkoming van de huidige lucratiefbelangre-geling is ook aangegeven dat een verdergaande precisering van hetonderscheid tussen normaal en excessief rendement niet mogelijk is,mede omdat dit zou leiden tot ontwijkgedrag door belanghebbenden38. Indat geval zou immers op betrekkelijk eenvoudige wijze de grens kunnenworden opgezocht van het gedefinieerde normaal rendement. Verdermoet bedacht worden dat situaties waarin wordt gewerkt met carriedinterest en carried interestachtige beloningen vaak uiterst ingewikkeld zijnvormgegeven. Het is om die reden ook ondoenlijk een juiste, sluitende enuitvoerbare definitie van normaal rendement of excessief rendement tegeven waarop de lucratiefbelangregeling zou moeten zien. Uiteindelijkkomt het aan op het feitencomplex van een concrete situatie die moetworden beoordeeld.37Brief Staatssecretaris van Financiën, 7 mei 2025, kenmerk 2025-000011448.38Kamerstukken II 2007/08, 31 459, nr. 9, p. 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1631 De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is teerkennen dat de voorgestelde maatregel innovatieve ondernemers enMKB-investeerders kan ontmoedigen om risico te nemen of nieuwkapitaal te investeren. Daarbij vragen deze leden hoe het kabinetvoorkomt dat deze verhoging van de belastingdruk leidt tot een daling vanhet aantal ondernemingen in Nederland, terwijl juist start- en scale-upsessentieel zijn voor innovatieve en economische groei.Met de voorgestelde multipliermaatregel wordt de belastingdruk voorvoordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang beperkt verhoogdin box 2 van maximaal 31% tot maximaal 36%. Met deze beperkteverhoging van de belastingdruk houdt het kabinet nog steeds rekeningmet het eerdergenoemde hybride karakter van voordelen uit belonings-structuren die onder het bereik van de lucratiefbelangregeling vallen,alsmede de belastingdruk in het buitenland over dergelijke voordelen. Hetkabinet heeft geen aanwijzingen dat de voorgestelde maatregel onder-nemers en investeerders ontmoedigt om te investeren in Nederlandseondernemingen.Verder vragen de leden van de fractie van de VVD welke lessen hetkabinet trekt uit eerdere fiscale maatregelen waarbij marktpartijen hunstructuren massaal hebben aangepast om lastenverzwaring te vermijden.Daarbij vragen deze leden of het kabinet erkent dat een vergelijkbaareffect zich ook hier kan voordoen, waardoor de beoogde opbrengst van demaatregel afneemt en tegelijkertijd de complexiteit en administratievedruk voor ondernemers juist toeneemt.Niet valt uit te sluiten dat beloningsstructuren gelet op de toegenomenbelastingdruk voor middellijk gehouden lucratieve belangen op anderewijze vormgegeven zullen worden. Het staat belastingplichtigen vrij omhun structuur zo in te richten zoals zij dat wensen, uiteraard binnen degrenzen die de wet- en regelgeving daaraan stelt. Dat geldt eveneens alsde wet- of regelgeving wordt aangepast.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe het kabinet het invoerenvan een maatregel verantwoordt die naar verwachting leidt tot herstructu-reringen, geschillen en interpretatieverschillen, terwijl de uitvoeringsorga-nisatie al zwaar wordt belast.Deze leden vragen ook of het kabinet een kwantitatieve inschatting kangeven van de extra uitvoeringskosten die deze maatregel met zichmeebrengt en of de kosten in redelijke verhouding tot de verwachtebudgettaire opbrengst van circa 45 miljoen euro per jaar staan.Het kabinet heeft ter uitvoering van de motie-Idsinga c.s. gekozen vooreen maatregel die op korte termijn zowel wetstechnisch als uitvoerings-technisch het minst ingewikkeld is te realiseren, namelijk een heffing meteen multiplier in box 2 voor middellijk gehouden lucratieve belangen.Uit de uitvoeringstoets blijkt dat de maatregel voor de Belastingdienstuitvoerbaar is. De Belastingdienst kan deze maatregel technisch zonderIV-ondersteuning invoeren per 1 januari 2026. De handhaving door deBelastingdienst is wel gebaat bij een goede IV-ondersteuning.IV-ondersteuning is echter niet vóór 1 januari 2029 te realiseren, gelet ophet volle IV-portfolio van de keten inkomensheffingen bij de Belasting-dienst. Het kabinet is voornemens om de maatregel van een goedeIV-ondersteuning te voorzien, zodra de IV-portfolio dit toelaat. Tot slotstaan de kosten die op dit moment geraamd zijn naar het oordeel van hetkabinet in verhouding tot de verwachte budgettaire opbrengst van € 45miljoen euro per jaar. Uit de uitvoeringstoets blijkt dat de incidentelehandhavingskosten € 270.000 bedragen. De structurele handhavings-kosten bedragen € 850.000. De incidentele automatiseringskotenbedragen € 180.000. Verder vergt het voorstel de incidentele inzet van0,65 fte van 2026 tot en met 2028 (bij elkaar ca. 2 fte) en de structureleinzet van 6 fte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1632 De leden van de fractie van de VVD hebben vragen gesteld of voorbeeld 2in de memorie van toelichting over de voorgestelde multiplier wel juist isweergegeven.In het voorbeeld bezit belastingplichtige X een middellijk gehoudenlucratief belang in bv Y. Het lucratieve belang in bv Y is ondergebracht inHolding bv X. In het voorbeeld wordt verder aangegeven dat X mettoepassing van de aanmerkelijkbelangvariant € 100.000 aan voordelen inbox 2 ontvangt. Holding bv X heeft 95% van deze gerealiseerde voordelenten aanzien van het lucratieve belang in bv Y met toepassing van deaanmerkelijkbelangvariant aan X uitgekeerd. Hiermee wordt bedoeld dathet bedrag van € 100.000 dat X ontvangt, gelijk is aan 95% van degerealiseerde voordelen uit het lucratieve belang in bv Y. Het totalebedrag aan gerealiseerde voordelen in dat voorbeeld bedraagt € 105.263.Voor de toepassing van de aanmerkelijk belangvariant van artikel 3.95b,vijfde lid, Wet IB 2001 moet dan ten minste € 100.000 worden uitgekeerdaan X. Over dit bedrag moet vervolgens de voorgestelde multipliermaat-regel worden toegepast. Het resterend gerealiseerde voordeel van € 5.263mag achterblijven in Holding bv X. Wel ben ik het met de leden van defractie van de VVD eens dat het voorbeeld op dit punt duidelijker hadgekund.Ik maak graag van deze gelegenheid gebruik om ook de fiscale gevolgenvan de wijze waarop de leden van de fractie van de VVD het voorbeeldhadden geïnterpreteerd toe te lichten. Als de feiten in voorbeeld 2 zoworden aangepast dat Holding bv X 95% van de € 100.000 had uitgedeeldaan belastingplichtige X, dan vindt de heffing op basis van de multiplierdan plaats over (95% x € 100.000) x 36/31 = € 110.322. Daarnaast geniet Xnog een dividend van € 200.000 uit bv Z, waarin X ook een aanmerkelijkbelang houdt. Het totale inkomen uit aanmerkelijk belang van X bedraagtdan € 310.322.De leden van de fractie van de VVD vragen om eerbiedigende werkingvoor bestaande gevallen omdat belastingplichtigen de hoogte van hetgeïnvesteerde bedrag veelal vooraf met de Belastingdienst in eenvaststellingsovereenkomst (VSO) is afgestemd. Voor de desbetreffendebelastingplichtigen en hun werkgevers was het veelal een afweging om of(A) akkoord te gaan met de voorwaarden van de VSO en een investeringte doen voor de aankoop van het lucratieve belang zodat zij bij positieverendementen in aanmerking komen voor toepassing van het box 2-tarief,of (B) een bonusafspraak te maken waarvoor geen risicodragendeinvestering is vereist, maar waarbij de eventuele bonus wordt belast inbox 1 (en aftrekbaar is voor de werkgever). Zo nee, dan vragen de ledenvan de fractie van de VVD om in te gaan op de (on)mogelijkheid of(on)wenselijkheid van eerbiedigende werking voor enkel bestaandegevallen waarmee een VSO is gesloten.Het uitgangspunt bij wijzigingen van de fiscale wetgeving is onmiddellijkewerking voor nieuwe en bestaande gevallen, zodat van eerbiedigendewerking doorgaans geen sprake zal zijn. Dus ook bij deze aanpassing vande lucratiefbelangregeling is sprake van onmiddellijke werking voornieuwe en bestaande gevallen. De aanmerkelijkbelangvariant leidt ertoedat de voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang ondervoorwaarden in box 2 worden belast. Het tarief in box 2 kan wordenaangepast en dit heeft sinds de invoering van de lucratiefbelangregelingook meerdere malen plaatsgevonden. Een maatregel waarbij devoordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang tegen een hogertarief in box 2 belast werden, bleek op korte termijn niet gemakkelijk terealiseren. De voorgestelde multipliermaatregel betreft in feite eenbeperkte verhoging van de belastingdruk voor een middellijk gehoudenlucratief belang in box 2. Beoogd is om zo veel als mogelijk aansluiting tezoeken bij maatregelen die fungeren als beperkte tariefsverhoging. Dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1633 voorgestelde verhoging van de belastingdruk enkel ziet op voordelen uitmiddellijk gehouden lucratieve belangen en niet op alle voordelen uitaanmerkelijk belang doet hier niet aan af. Het kabinet ziet dan ook geenaanleiding om te voorzien in een overgangsregeling waarbij de huidigebelastingdruk in box 2 wordt geëerbiedigd voor bestaande gevallen al danniet met een vaststellingsovereenkomst. Het is in algemene zin doorgaansonwenselijk en ondoenlijk om wijzigingen in de fiscale wet- en regel-geving, waaronder tariefsaanpassingen, van overgangsrecht te voorzien.De leden van de fractie van het NSC vragen of het kabinet kan bevestigendat met deze wijziging de intentie van de motie volledig wordt gereali-seerd en dat ontwijkingsmogelijkheden worden voorkomen.Met de voorgestelde maatregel wordt tegemoetgekomen aan demoties-Idsinga. Het kabinet kan geen garantie geven dat belastingplich-tigen niet op zoek gaan naar een alternatieve vormgeving of structuur. Hetkabinet zet zich altijd in om ongewenste structuren te voorkomen. Zowordt in het Belastingplan 2026 ook een maatregel voorgesteld om eenonwenselijke structuur te kunnen tegengaan in de lucratiefbelangregeling.De leden van de fractie van het NSC vragen hoe het kabinet de uitvoer-baarheid en handhaafbaarheid van deze aanpassing waarborgt.De Belastingdienst heeft een uitvoeringstoets gedaan op het voorstel.Daaruit blijkt dat het voorstel uitvoerbaar is, hoewel er veel druk op dehandhaving komt te liggen omdat deze maatregel voorlopig niet metautomatisering wordt ondersteund. Een aanpassing van de aangifteinkomstenbelasting, door de voordelen uit lucratief belang expliciet uit tevragen, zou de Belastingdienst helpen in het toezicht en de handhavingvan de maatregel. Voorlopig is de gewenste IV-ondersteuning nietmogelijk gezien het volle IV-portfolio. Op het moment dat er ruimteontstaat in het portfolio, zal beoordeeld moeten worden of de benodigdesysteemwijzigingen ingepast kunnen worden.De leden van de fractie van het CDA vragen of het de bedoeling is omwerknemersparticipatie te raken met deze regeling, en of de gevolgen nieteerst in kaart moeten worden gebracht, in plaats van pas bij uitwerkingvan de regeling voor startups en scale ups.Het is mogelijk dat de toepassing van de lucratiefbelangregeling eensamenloop kent met de bij de Voorjaarsnota 2025 aangekondigdemaatregel voor aandelenopties in startups en scale-ups. Het gaat danspecifiek om de situatie dat de belastingheffing voor medewerkers vanstartups en scale-ups wordt gewijzigd, in die zin dat de belastingdrukhiervoor wordt verlaagd. Aangezien de motie-Idsinga vraagt om devoordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang zwaarder tebelasten, kan ervoor worden gekozen om de maatregel voor aandelen-opties in startups en scale-ups niet door te laten werken naar participatiesdie tegelijkertijd kwalificeren als lucratief belang. Dit wordt bij deuitwerking van de in de Voorjaarsnota 2025 aangekondigde maatregelvoor aandelenopties in startups en scale-ups nader bezien, aangezien danhet beste zicht bestaat op die maatregel.De leden van fractie van het CDA vragen of het kabinet heeft gekeken naarde gevolgen van deze maatregel voor de Nederlandse concurrentiepositie,omdat bijvoorbeeld België recent een apart tarief voor carried interestheeft aangekondigd.België heeft inderdaad onlangs aangegeven dat het voornemens is eenregime in te voeren voor de belastingheffing op carried interest. Tot voorkort bestond een dergelijke regeling niet in België. Het tarief op devoordelen uit carried interestbelangen bedraagt 25%. De multipliermaat-regel leidt voor Nederland er in 2026 toe dat de effectieve belastingdruk28,45% bedraagt voor voordelen uit lucratief belang voor zover dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1634 belast zijn in de eerste tariefschijf van box 2 en 36% voor voordelen uitlucratief belang voor zover deze belast zijn in de tweede tariefschijf vanbox 2. Als Nederland te veel afwijkt van de regelingen in andere landenkan dit van invloed zijn op ons vestigingsklimaat. Zoals hiervóór in dezenota al aangegeven, is het kabinet van mening dat de belastingdruk voormiddellijk gehouden lucratieve belangen niet substantieel verschilt van deons omringende landen.Aanpassingen box 3De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, het CDA en de SGP vragenof meer mensen gebruik zullen maken van de tegenbewijsregeling alsgevolg van de verhoging van het forfait op overige bezittingen. Daarnaastvragen de leden van de fractie van de SGP of het extra aantal tegenbe-wijzen gevolgen heeft voor de budgettaire opbrengst van de maatregel.Het aantal tegenbewijzen zal naar verwachting toenemen met 40% alsgevolg van het verhogen van het forfait op overige bezittingen. Dezetoename is meegenomen in de raming van de maatregel en zal dus nietleiden tot een extra derving. Mijn ambtsvoorganger heeft eerder aan uwKamer toegezegd de uitvoeringstoets van de Belastingdienst bij de Wettegenbewijsregeling box 3 aan het einde van 2025 te herijken. Ook heteffect op de uitvoering van de verhoging van het forfait voor overigebezittingen zal worden meegenomen in de herijking. Omdat het massaleproces voor het verwerken van de herstelaanvragen in het laatste kwartaalvan 2025 start, zijn er niet genoeg ervaringscijfers voor een volledigeherijking van de uitvoeringstoets eind 2025. De Belastingdienst zal deherijking daarom uiterlijk in de eerste helft van 2026 uitvoeren, zodra ereen completer beeld is van de ervaringen met de tegenbewijsregeling.Deze herijking zend ik vervolgens naar uw Kamer.De leden van de fractie van het CDA vragen hoeveel mensen met alleenspaargeld vanwege de verlaging van het heffingvrije vermogen belastinggaan betalen. De verlaging van het heffingvrije vermogen leidt totongeveer 300.000 extra belastingplichtigen die in box 3 belasting gaanbetalen. Ongeveer 180.000 mensen hiervan hebben alleen spaargeld.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de motieStultiens/Vijlbrief39, die constateert dat het onwenselijk is om geld teherverdelen van werkende mensen naar de grootste vermogens en dieverzoekt om deze onrechtvaardigheid bij het Belastingplan zo veelmogelijk te herstellen. Deze leden vragen hoe het kabinet deze motie heeftuitgevoerd of gaat uitvoeren en welke gevolgen het kabinet denkt dat ditheeft voor het draagvlak voor het Belastingplan 2026. Het huidige en hetvoorgaande kabinet zijn op diverse momenten geconfronteerd metbudgettaire derving als gevolg van de verschillende Hoge Raad arrestenover box 3. Deze derving is dan ook op verschillende momentenbetrokken in budgettaire besluitvorming. In de regel kijkt het kabinet bijdeze besluitvormingsmomenten naar het geheel van mee- en tegenvallersen beleidswensen op dat moment. Voor de meest recente budgettairederving in box 3 van cumulatief € 2,55 miljard is gekozen voor eendekking geheel binnen box 3, in lijn met de motie Stultiens/Vijlbrief.Daartoe is in het Belastingplan 2026 een verhoging van het forfait vooroverige bezittingen en een verlaging van het heffingvrije vermogen in box3 voorgesteld. Daarmee is uitvoering gegeven aan de genoemde motie.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het klopt datvoordelen als gevolg van eigen gebruik niet worden meegenomen bij hetbepalen van het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling en of39Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1635 daardoor een verschil ontstaat tussen het forfaitaire stelsel en detegenbewijsregeling. Er ontstaat geen verschil tussen het forfaitaire stelselen de tegenbewijsregeling. In de Wet tegenbewijsregeling box 3 is eenwettelijke regeling opgenomen om voor de jaren vanaf 2026 het voordeelals gevolg van eigen gebruik van een onroerende zaak vast te stellen.Deze voordelen worden dus vanaf dat moment wel meegenomen bij hetbepalen van het werkelijke rendement in de tegenbewijsregeling.De leden van de fractie van de VVD vragen op welke manier uitvoering isgegeven aan de motie-Van Eijk/Stoffer40, waarin wordt verzocht om deeffecten van de verhoging van het forfait voor bepaalde groepenbelastingplichtigen in kaart te brengen en met deze groepen in overleg tetreden. Daarnaast vragen deze leden of de Kamer zo spoedig mogelijkgeïnformeerd kan worden over de uitvoering van de motie-Van Eijk/Peterde Groot41 om opties in kaart te brengen voor het verlagen van de box3-heffing voor woningen in 2026 en 2027.De motie Van Eijk/Stoffer roept op tot overleg over het voorgenomen box3-beleid met particuliere verhuurders, bezitters van tweede of vakantiewo-ningen, eigenaren van rijksmonumenten en Natuurschoonwet-goederen.Over de rijksmonumenten is ook het Ministerie van Onderwijs Cultuur enWetenschap (OCW) betrokken en heeft overleg met de betrokkenbelangenorganisaties plaatsgevonden. Over de onder de Natuur-schoonwet 1928 gerangschikte landgoederen (NSW-landgoederen) wasmijn ambtsvoorganger vorig jaar al in gesprek met de betreffendebelangenbehartigers. Over de situatie van particuliere verhuurders issamen met het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening(VRO) regelmatig overleg met koepelorganisaties en andere belangenver-tegenwoordigers. Daarnaast is er contact met bezitters van tweedewoningen en vakantiewoningen. De zorgen van deze groepen vanbelastingplichtigen zijn duidelijk. Het kabinet ziet er echter op dit momentgeen mogelijkheden voor tegemoetkomingen. In de brief waarmee dezenota naar aanleiding van het verslag naar uw Kamer wordt gestuurd,wordt naar aanleiding van de motie Van Eijk/Peter de Groot uitgebreidingegaan op de achtergrond van de verhoging van het forfait voor overigebezittingen met 1,78%-punt in 2026 en 2027 en op mogelijke andereopties. Het kabinet heeft de voorgestelde maatregelen integraal gewogenen ervoor gekozen om voor de budgettaire derving in box 3 dekking tezoeken binnen box 3. Deze dekking komt terecht bij belastingplichtigenmet hogere rendementen die geen beroep gaan doen op de tegenbewijs-regeling omdat het forfaitaire stelsel voor hen gunstiger is. Belastingplich-tigen met een lager werkelijk rendement dan het forfait kunnen welgebruikmaken van de tegenbewijsregeling. De gesignaleerde knelpuntenvoor de genoemde groepen van belastingplichtigen zullen met deinvoering van het nieuwe stelsel in box 3 per 1 januari 2028 opgelostworden. Het kabinet vindt het daarom van groot belang dat de datum van1 januari 2028 wordt gehaald en blijft zich daarvoor inspannen. Dezeplanning is haalbaar, indien het thans aanhangige wetsvoorstel Wetwerkelijk rendement box 3 uiterlijk 15 maart 2026 is aangenomen door deTweede Kamer.De leden van de fractie van de VVD vragen naar de stappen die zijngenomen om de vertraging van de invoering van de Wet werkelijkrendement box 3 te voorkomen. Verder vragen deze leden om in hetIV-portfolio van de Belastingdienst niet alleen te prioriteren maar ook teversnellen. De introductie van de tegenbewijsregeling box 3 heeft geleidtot herprioritering binnen de ICT-portfolio, waardoor de uitfasering van40Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr. 14.41Kamerstukken II 2024/25, 36 800-IX, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1636 Cool:Gen binnen de keten Inkomensheffingen een jaar vertraagd is.Hierdoor loopt ook de invoering van een nieuw stelsel box 3 op basis vanwerkelijk rendement vertraging op. Mijn ambtsvoorganger heeft uwKamer geïnformeerd dat er alternatieve invoeringsopties zijn onderzochtom invoering van een nieuw stelsel per belastingjaar 2027 toch mogelijkte maken.42 Deze bleken uiteindelijk niet wenselijk of haalbaar te zijn.Het kabinet zet zich in om een extra vertraging te voorkomen. Debestaande mogelijkheden om de modernisering zo snel mogelijk uit tevoeren worden benut. Binnen de ICT-portfolio wordt invoering van hetbox 3-stelsel op basis van werkelijk rendement geprioriteerd, in lijn metde door uw Kamer aangenomen motie Van Eijk.43 De beoogde inwerking-tredingsdatum van de Wet werkelijk rendement box 3 is 1 januari 2028.Deze inwerkingtredingsdatum is – gelet op de benodigde implementatie-termijn – mogelijk, als het wetsvoorstel uiterlijk op 15 maart 2026 wordtaangenomen door de Tweede Kamer.De leden van de fracties van de VVD en van het CDA vragen hoe deaanpassing van de berekening van het forfait voor overige bezittingen zichverhoudt tot de vermogensrendementsheffing zoals deze in 2001 isingevoerd waarbij ervan werd uitgegaan dat het forfaitaire rendementlager was dan het nettorendement dat de belastingplichtige geacht werdaltijd te kunnen behalen. Bij de invoering van box 3 in 2001 gold eenforfait van 4% voor alle vermogensbestanddelen waarbij verondersteldwerd dat belastingplichtigen dit in de praktijk, indien dit over een langereperiode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonderdat zij daar (veel) risico voor hoefden te nemen. Het forfaitaire stelsel inbox 3 is echter sinds 2016 verschillende malen gewijzigd. Inmiddels issprake van een afzonderlijk forfait voor de categorieën spaargeld, overigebezittingen en schulden. Met de berekeningsmethode van de verschil-lende forfaits wordt beoogd zo goed mogelijk aan te sluiten bij derendementen die gemiddeld worden behaald met die vermogenscatego-rieën. Belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement kunnengebruik maken van de tegenbewijsregeling. Als het werkelijke rendementover het gehele vermogen lager is dan het forfaitaire rendement, danwordt alleen belasting geheven over het werkelijke rendement.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen hoe het voorstelom de brutohuurwaarde toe te voegen aan de berekening van het forfaitvoor overige bezittingen zich verhoudt tot een eerdere passage in dewetsgeschiedenis waarbij werd aangenomen dat huuropbrengsten enkosten van bezit per saldo tegen elkaar wegvallen.44 Deze leden vragen ofwordt gekozen voor een nieuw regime voor het belasten van bruto-inkomsten. De leden van de fractie van de VVD vragen of is meegewogendat kosten bij onroerende zaken gemiddeld hoger zijn dan bij anderevermogensbestanddelen. De leden van de fractie van de SGP vragenwaarom kosten van onroerende zaken niet worden meegenomen. Dezeleden vragen of het rekening houden met kosten door middel van eenlager forfait enkel een parameterwijziging zou zijn.Kosten vormen geen onderdeel van het huidige rendementsbegrip in box3, terwijl huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik welonderdeel vormen van het huidige rendementsbegrip in box 3. Dit volgtook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad.45 Het kabinet kiest ervoor omin de aanloop naar een nieuw box 3-stelsel het rendementsbegrip bij hetforfaitaire box 3-stelsel niet aan te passen. Wel wordt voorgesteld de42Kamerstuk II 2024/25, 35 572, nr. 17.43Kamerstuk II 2024/25, 36 706, nr. 15.44Kamerstukken II 2020/21, 31 066, nr. 794.45HR 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:704, r.o. 5.4.8 en r.o. 5.4.9 en HR 20 december 2024,ECLI:NL:HR:2024:1788, r.o. 5.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1637 berekeningswijze van het forfait aan te passen zodat daarin beter hethuidige rendementsbegrip in box 3 tot uitdrukking komt. Voor hetlangjarige gemiddelde rendement op onroerende zaken is tot nu toeimpliciet en voorzichtigheidshalve aangenomen dat de huizenprijsontwik-keling indicatief is voor het totale rendement van onroerende zaken in box3, inclusief de huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen gebruikvan die onroerende zaken. Hiermee is echter sprake van een onder-schatting van het langjarige gemiddelde rendement op onroerende zaken,aangezien huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen gebruik eensignificant onderdeel zijn van het rendement uit onroerende zaken.Daarom wordt voorgesteld om deze voordelen te incorporeren in deberekeningswijze van het langjarige gemiddelde rendement op onroe-rende zaken. Daarbij is gekozen voor een percentage voor de brutohuur-waarde waarbij 90% van de woningen een hogere brutohuurwaarde heeft.Het aanpassen van het rendementsbegrip bij het huidige forfaitaire stelseldoor kostenaftrek toe te voegen, zou ook aanleiding geven tot aanpassingvan de tegenbewijsregeling in box 3. De Hoge Raad heeft immersaangegeven dat bij het bepalen van het werkelijke rendement in detegenbewijsregeling zoveel mogelijk moet worden aangesloten bij hetrendementsbegrip uit het forfaitaire stelsel. Een aanpassing van het forfaitis daardoor niet enkel een parameterwijziging maar in geval van verdis-conteren van kosten in het forfait onlosmakelijk verbonden met deintroductie van kostenaftrek in de tegenbewijsregeling. Dit zou tot meerwerk voor de Belastingdienst leiden en daarmee tot aanzienlijkevertraging van de hersteloperatie box 3. Bovendien zou dit tot verderevertraging van de invoering van het nieuwe box 3-stelsel leiden.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen hoe het voorstelvoor aanpassing van het forfait voor overige bezittingen zich verhoudt tothet eigendomsrecht. Het kabinet ziet geen risico op schending van heteigendomsrecht. Met de voorgestelde aanpassing komt het huidigerendementsbegrip in box 3 beter tot uitdrukking in de berekeningswijzevan het forfait. Dit rendementsbegrip volgt ook uit de jurisprudentie vande Hoge Raad. Daarbij is van belang dat belastingplichtigen die wordengeconfronteerd met een box 3-heffing over een forfaitair rendement dathoger is dan het werkelijke rendement over hun gehele vermogen demogelijkheid hebben om tegenbewijs te leveren. Als dat werkelijkerendement lager is dan het forfaitaire rendement, dan wordt alleenbelasting geheven over het werkelijke rendement.De leden van de fractie van het NSC vragen waarom is gekozen om hetheffingvrije vermogen te verlagen en waarom niet is gekozen voordekking uit de algemene middelen. De leden van de fractie van D66vragen hoe rechtvaardig het kabinet het acht dat hiermee een nieuwegroep belastingplichtigen worden geraakt, die tot nu toe onder hetheffingvrije vermogen vielen. Deze leden vragen waarom niet is gekozenom de bestaande groep belastingplichtigen in box 3 zwaarder te belasten.Ook de leden van de fractie van de SGP vragen waarom is gekozen omhet heffingvrije vermogen te verlagen. Het kabinet heeft ervoor gekozenom de derving van € 2,55 miljard die is ontstaan in box 3 binnen box 3 tedekken, in lijn met de motie Stultiens/Vijlbrief.46 Het merendeel van dezedekking bestaat uit de aanpassing van het forfait voor overige bezittingen.Met deze maatregel wordt de dekking opgebracht door belastingplich-tigen met hogere rendementen in box 3. Belastingplichtigen met een lagerwerkelijk rendement over hun gehele vermogen dan het forfait kunnentegenbewijs leveren. De verlaging van het heffingvrije vermogen bij eenverhoogd forfait zorgt voor een opbrengst van cumulatief € 322 miljoen.De verlaging van het heffingvrije vermogen slaat neer bij alle box46Kamerstukken II 2024/25, 36 706, nr.18.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1638 3-belastingplichtigen. Per belastingplichtige is het effect hiervan beperkt.Ter indicatie, een spaarder met € 57.683 spaargeld (net onder het huidigeheffingvrije vermogen), zal bij een spaarrente van 1,5% in 2026 € 865rente ontvangen en daarover naar verwachting € 32 belasting betalen inbox 3.47 Het kabinet wijst er verder op dat het heffingvrije vermogen deafgelopen jaren in meerdere stappen fors is verhoogd, van € 25.000 in2017 tot € 57.684 in 2025. Gegeven de dekkingsopgave in box 3 vindt hetkabinet een beperkte verlaging van het heffingvrije vermogen te recht-vaardigen.De leden van de fractie van het NSC wijzen erop dat uiteenlopendevermogensbestanddelen in de categorie overige bezittingen vallen envragen of is overwogen om deze categorieën verder op te splitsen. Hetklopt inderdaad dat de categorie overige bezittingen uiteenlopendevermogensbestanddelen bevat met in potentie uiteenlopende rende-menten. In de Kamerbrief van 23 april 2023 zijn verschillende verfijningenaan het forfaitaire stelsel uitgewerkt om beter bij het werkelijke rendementaan te sluiten, waaronder een verdere uitsplitsing van de categorieoverige bezittingen.48 Daarbij werd geconstateerd dat dit voor de meestvoorkomende vermogensbestanddelen, effecten en onroerende zaken,weinig verschil zou maken. Het geraamde forfait voor de gehele categorieoverige bezittingen kwam destijds voor 2024 uit op 6,04%. Voor effectenzou het geraamde langjarige gemiddelde rendement uitkomen op 5,84%.Voor onroerende zaken op 6,21%. Belastingplichtigen die over hun gehelevermogen een lager werkelijk rendement behalen dan het forfaitairerendement kunnen inmiddels tegenbewijs leveren, waardoor voor diebelastingplichtigen al goed wordt aangesloten bij het werkelijkerendement.De leden van de fractie van het CDA vragen naar de impact van demaatregelen in box 3 op de huurmarkt. Deze leden vragen in hoeverrewordt verwacht dat de komende twee jaar het huuraanbod krimpt en ofhet kabinet een gezamenlijke analyse vanuit de fiscaliteit en de woning-markt kan geven. Hoe aantrekkelijk het verhuren van woningen is wordtbepaald door een combinatie van huur- en woningmarktbeleid, fiscaliteiten door macro-economische factoren. De voorgestelde verhoging van hetforfait voor overige bezittingen zal zorgen voor een stijging van delastendruk van particuliere vastgoedbeleggers met een werkelijkrendement dat gelijk is of hoger dan het forfaitaire rendement. Voorparticuliere vastgoedbeleggers die over hun gehele vermogen een lagerrendement behalen dan het forfaitaire rendement staat de tegenbewijsre-geling open. Naar de inschatting van het kabinet is het voor verhuurdersaantrekkelijk als het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 zo snel mogelijk in werking treedt. Daardoor wordtkostenaftrek mogelijk en wordt voor onroerende zaken de waardeontwik-keling pas belast bij realisatie. De verwachting is dat het exploitatiere-sultaat na belastingen sterk zal verbeteren door invoering van het nieuwestelsel.49 Het kabinet zet in op zo snel mogelijke invoering van het nieuwebox 3-stelsel. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de Wet werkelijkrendement box 3 is 1 januari 2028. Deze inwerkingtredingsdatum is – geletop de benodigde implementatietermijn – mogelijk, als het wetsvoorsteluiterlijk op 15 maart 2026 wordt aangenomen door de Tweede Kamer.47De definitieve forfaitaire rendementspercentages voor banktegoeden worden pas na afloopvan het betreffende kalenderjaar vastgesteld.48Kamerstukken II 2022/23, 32 140, nr. 153.49https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/09/01/rapport-investeringsklimaat-middenhuurTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1639 Overigens heeft het kabinet een aantal concrete aanpassingen voorge-steld om met name particuliere verhuurders meer ruimte te geven om teblijven verhuren.50De leden van de fractie van het CDA vragen op welke objectieve data destelling is gebaseerd dat sprake is van een onderschatting van degemiddelde langjarige rendementen op onroerende zaken en hoe hetvoorgestelde forfaitaire rendement passend is. In de huidige berekenings-methode voor het forfait voor overige bezittingen wordt voor hetgemiddelde rendement op onroerende zaken aangesloten bij delangjarige huizenprijsontwikkeling zoals gerapporteerd door het CBS.Hiernaast vormen huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigengebruik een significant onderdeel van het rendement uit onroerendezaken. Daarom wordt voorgesteld om een percentage van 3,35% van deWOZ-waarde te incorporeren in de berekeningswijze van het langjarigegemiddelde rendement op onroerende zaken. Uit onderzoek van StichtingEconomisch Onderzoek (SEO) volgt dat bij dit percentage 90% van dewoningen een hogere brutohuurwaarde heeft.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar het verschiltussen het percentage van het eigenwoningforfait, en het percentage voorde brutohuurwaarde dat wordt gehanteerd bij de aanpassing van hetforfait voor overige bezittingen. Deze leden vragen of het niet voor dehand ligt om hierin consistentie aan te brengen.Bij de vormgeving van het eigenwoningforfait wordt er rekening meegehouden dat bij de eigen woning sprake is van een bestedingsaspect,terwijl bij bezittingen in box 3 sprake is van een belegging. Dit betekentdat de systematiek van box 3 niet op voorhand aansluit bij de eigenwoning in box 1. De hoogte van het eigenwoningforfait werd bij invoeringin 1993 bepaald aan de hand van het brutohuurwaardeforfait gecorrigeerdmet een bestedingsaspect en (forfaitair bepaalde) aftrekposten om tot eennettohuurwaardeforfait te komen. De onderbouwing van dit forfait is voorhet laatst in 1997 geactualiseerd, zoals ook is aangegeven in het rapportvan de Algemene Rekenkamer in 2019. Sindsdien is het forfait jaarlijksbijgesteld door middel van het bijstellingsmechanisme, maar de schijvenvan het eigenwoningforfait worden niet bijgesteld. Daarbij komt dat heteigenwoningforfait in de periode 2020 tot en met 2022 beleidsmatig isverlaagd. Recent zijn op ambtelijk niveau twee onderzoeken gestart naartwee onderdelen van de eigenwoningregeling. Naast een ambtelijkonderzoek naar de houdbaarheid van de 30-jaarstermijn wordt ook denoodzaak tot actualisatie van het eigenwoningforfait onderzocht. UwKamer zal over de uitkomsten van beide onderzoeken worden geïnfor-meerd.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om nadere onder-bouwing bij het percentage van 1,78%-punt. Deze leden vragen verderwaarom is gekozen voor het tiende percentiel en hoe de maatregel zouuitvallen als was gekozen voor het gemiddelde. De leden van de fractievan de SGP vragen naar de verhouding met andere bezittingen in decategorie overige bezittingen en waarop bij die belastingplichtigen destijging van het forfaitaire rendement is gebaseerd. Het forfait vooroverige bezittingen geldt inderdaad voor veel verschillende typen50De Minister van VRO heeft vier aanpassingen in regelgeving van middenhuurwoningen naarde Eerste en Tweede Kamer gestuurd. Deze aanpassingen moeten met name particuliereverhuurders in grote steden op korte termijn meer ruimte geven, waardoor zij hun woningenniet verkopen. In het woningwaarderingsstelsel (WWS) komt een WOZ-prijsopslag, gaat deWOZ-waarde van kleine rijksmonumenten zwaarder meetellen in de huurprijs en levert hetontbreken van buitenruimte geen minpunten meer op. Daarnaast krijgen alle studenten demogelijkheid om een tijdelijk huurcontract af te sluiten. https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2025/10/01/maatregelen-voor-behoud-middenhuurwoningen-naar-beide-kamersTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1640 vermogensbestanddelen. Het forfait beoogt gemiddeld genomen een zogoed mogelijke benadering te geven van het rendement dat met deoverige bezittingen gezamenlijk wordt behaald. Daarbij is gebruikgemaakt van gemiddelde rendementspercentages die op de lange termijnworden behaald met de meest voorkomende typen overige bezittingen.Hierbij is het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingenvoor 53% gebaseerd op het langjarige gemiddelde rendement oponroerende zaken. Door het toevoegen van een percentage van 3,35% aande berekeningswijze van het langjarige gemiddelde rendement oponroerende zaken stijgt het forfait voor overige bezittingen voor 2026 met1,78%-punt. Uit onderzoek van SEO volgt dat bij dit percentage 90% vande woningen een hogere brutohuurwaarde heeft. Hiermee komt hetrendementsbegrip in box 3, waar huurinkomsten en voordelen uit eigengebruik toe behoren, beter tot uitdrukking in het forfait voor overigebezittingen. Belastingplichtigen met een lager werkelijk rendement overhun gehele vermogen kunnen gebruikmaken van de tegenbewijsregeling.De gemiddelde brutohuurwaarde bedraagt volgens het onderzoek vanSEO 5,06% van de WOZ-waarde. Als dit percentage gebruikt zou worden,dan zou het forfait voor overige bezittingen stijgen met 2,68%.De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben verscheidene vragenover de positie van NSW-landgoederen in het nieuwe box 3-stelsel. Dezeleden vragen of het klopt dat erfgenamen bij vererving en schenkingworden belast op basis van een niet verzilverde waardestijging en wathiervan het gevolg is voor instandhouding van deze landgoederen. Hoeverhoudt zich dit tot het doel van de Natuurschoonwet 1928 (NSW) enoverweegt het kabinet ook flankerend beleid om negatieve gevolgenteniet te doen, zo vragen deze leden. Het nieuwe box 3-stelsel isopgenomen in het bij uw Kamer aanhangige wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3. Dat wetsvoorstel maakt geen onderdeel uit van hetBelastingplanpakket, maar het kabinet zal hieronder kort ingaan op devragen hierover. NSW-landgoederen zijn op dit moment vrijgesteld in box3, met uitzondering van gebouwde eigendommen op het NSW-landgoed.Deze vrijstelling zal ongewijzigd worden voortgezet in het nieuwe stelsel.Voor onroerende zaken, waaronder de gebouwde eigendommen op eenNSW-landgoed, is een vermogenswinstbelasting voorgesteld. Dit leverteen liquiditeitsvoordeel op ten opzichte van het huidige forfaitaire stelselmet tegenbewijsregeling. In het huidige stelsel wordt jaarlijks devermogensaanwas forfaitair in de heffing betrokken, terwijl in hetvoorgestelde stelsel een eventuele vermogenswinst pas bij vervreemding,zoals verkoop, schenking of overlijden, wordt belast. Tegenover eenmogelijk hogere verschuldigde belasting in box 3 bij vervreemding staatdus dat in alle voorafgaande jaren geen belasting meer wordt gehevenover de vermogensaanwas. Bovendien worden in het nieuwe stelsel dedaadwerkelijke onderhouds- en verbeteringskosten in de heffingbetrokken doordat kostenaftrek mogelijk zal worden gemaakt. Daarmee ishet voorgestelde nieuwe stelsel in lijn met de doelen van de NSW en ziethet kabinet geen aanleiding voor flankerend beleid.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de VVD, NSC en deChristenUnie vragen naar de recent in het Weekblad Fiscaal Recht (WFR2025/228) beschreven ontwijkingsmogelijkheden in box 3, zoals demogelijkheid om rentebetalingen zo veel mogelijk in één jaar uit te latenbetalen en de mogelijkheid om de huur van enkele jaren te cederen.Hierover zijn zowel door het lid Inge van Dijk (CDA)51 als door het lidStultiens (GroenLinks-PvdA)52 Kamervragen gesteld. In de beantwoordingvan deze Kamervragen zal uitgebreid op dit onderwerp worden ingegaan.512025Z17851.522025Z18294.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1641 De leden van de fractie van de SGP constateren dat voor de reparatie inde box 3-tegenbewijsregeling de terugwerkende kracht doorwerkt tot hetpersbericht van 25 augustus 2025. Deze leden vragen waarom hiervoorgekozen is en wat de risico’s hiervan zijn. Als hoofdregel wordt geenterugwerkende kracht toegekend aan maatregelen die ongunstig kunnenuitwerken voor belastingplichtigen. Dit is uitsluitend mogelijk onderbijzondere omstandigheden die kunnen worden gevormd door aanmerke-lijke aankondigingseffecten of een omvangrijk oneigenlijk gebruik ofmisbruik van een wettelijke voorziening.53 Bij de reparatie van detegenbewijsregeling voor box 3 wordt terugwerkende kracht voorgesteldvanwege het voorkomen van omvangrijk oneigenlijk gebruik van eenwettelijke voorziening. Aanleiding voor de voorgestelde wijziging zijnpublicaties54 waarin is gewezen op een mogelijkheid om de heffing in box3 in een kalenderjaar geheel of gedeeltelijk te ontwijken door de aankoopvan obligaties met aangegroeide rente. Het aankopen van obligaties iseen eenvoudige handeling. Daarnaast is brede bekendheid gegeven aande ontwijkingsmogelijkheid, wat de populariteit en waarschijnlijk hetgebruik van deze mogelijkheid zal vergroten. Zonder terugwerkendekracht kan het bestaan van de ontwijkingsmogelijkheid in 2025 leiden toteen gemiste opbrengst van per saldo ongeveer € 100 miljoen.55 Daaromis gekozen voor een zo spoedig mogelijke reparatie. Terugwerkende krachtis alleen mogelijk tot en met het tijdstip dat de wijziging kenbaar is voorbelastingplichtigen. Aan dit kenbaarheidsvereiste kan worden voldaandoor middel van een persbericht, indien de inhoud van de voorgenomenwetswijziging in het persbericht voldoende duidelijk wordt weerge-geven.56 Daarom is na behandeling van het wetsvoorstel Belastingplan2026 in de ministerraad op 25 augustus 2025, 16.00 uur, een persberichtuitgestuurd om de wijziging kenbaar te maken. In dit persbericht wordt devoorgenomen wetswijziging duidelijk omschreven.57 Terugwerkendekracht is daardoor mogelijk tot en met dat tijdstip. Aangezien de terugwer-kende kracht is vormgegeven met inachtneming van het daarvoorgeldende juridische kader ziet het kabinet hierin geen juridische risico’s.Uitsluiten niet-marktconform handelende gelieerde partijen vantoepassing leegwaarderatioDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of met de voorge-stelde maatregel in de regeling leegwaarderatio nog steeds een routebestaat om de te betalen erf- of schenkbelasting te verminderen. Dezeleden vragen of het bijvoorbeeld mogelijk is om een woning op papier teverhuren aan een toekomstige erfgenaam en de huurinkomsten terug teschenken voor zover deze onder de schenkingsvrijstelling vallen,waardoor bij de daadwerkelijke overdracht van de erfenis een lagerewaarde kan worden gehanteerd voor de erfbelasting. Als daarvan sprakeis, vragen deze leden of het kabinet mogelijkheden ziet om deze routetegen te gaan. Het voorbeeld dat deze leden schetsen, begrijp ik zo datdan sprake is van een betaling van een marktconforme huur door dehuurder aan de verhuurder en dat de verhuurder een schenking doet aande huurder. In principe is hier sprake van twee rechtshandelingen, teweten het verhuren van een woning (waarvoor de huurder huurbe-scherming geniet) en het doen van een schenking. Wanneer sprake zou53Kamerstukken II 1996/97, 25 212, nr. 2 en Kamerstukken I 2009/10, 25 212, A.54Eric van Uunen, 7 juli 2025, Wilt u geen box 3-heffing betalen? Zie de omissies in de tegenbe-wijsregeling, Taxlive, https://www.taxlive.nl/nl/documenten/opinie/columns/wilt-u-geen-box-3-heffing-betalen-zie-de-omissies-in-de-tegenbewijsregeling/ en Laurens Berentsen, 10 juli 2025,Belasting box 3 eenvoudig te omzeilen met tegenbewijsregeling, Financieel Dagblad, p. 1.55Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3, p. 30.56Hoge Raad, 2 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1892.57https://www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2025/08/25/kabinet-dicht-belastinglek-in-box-3-bij-obligaties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1642 zijn van voldoende samenhang tussen beide rechtshandelingen waardoorde huurtermijnen niet drukken op de huurder, kan dat fiscale gevolgenhebben. Bij een dergelijke samenhang is echter geen sprake van eenmarktconforme huur bij gelieerde partijen en kan de leegwaarderatio nietworden toegepast. Wanneer van een zodanige samenhang geen sprake is,geldt het volgende. Voor de toepassing van de leegwaarderatio is vereistdat sprake is van een marktconforme huurprijs. Op basis van dezemarktconforme huurprijs wordt de waarde van de woning in verhuurdestaat berekend. De schenking doet daar niet aan af en kan voor toepassingvan de leegwaarderatio ook niet in mindering worden gebracht op demarktconforme huurprijs. Vooralsnog voorzie ik dan ook geen noodzaakom hier een maatregel te treffen.De leden van de fractie van de VVD vragen naar de definitie van«gelieerde partijen», of het juist is dat deze definitie in de wet ontbreekt enzo ja, of het begrip alsnog in de wet kan worden gedefinieerd. Ook deleden van de fractie van NSC vragen om duidelijkheid over de afbakeningvan het begrip «gelieerde partijen» en of daarvoor wordt aangesloten bijbestaande definities in de fiscale wetgeving. Met «gelieerde partijen»worden partijen bedoeld die in een zodanige rechtsverhouding tot elkaarstaan dat de huurprijs (of pachtprijs) die is overeengekomen, zodanig kanzijn dat deze tussen willekeurige derden niet overeengekomen zou zijn. Bijgelieerde partijen gaat het met name om ouders die een woning verhurenaan hun kind(eren). Het gaat kortweg om alle situaties waarbij sprake is ofkan zijn van een niet-marktconforme (te lage) huurprijs. Met «gelieerdepartijen» wordt aangesloten bij genoemde rechtsverhoudingen en nietzozeer bij dergelijke of soortgelijke definities in andere wetsbepalingen.Op dit moment is deze bedoeling van het begrip «gelieerde partijen»– partijen die in een zodanige rechtsverhouding tot elkaar staan dat dehuurprijs (of pachtprijs) die is overeengekomen, zodanig kan zijn dat dezetussen willekeurige derden niet overeengekomen zou zijn – zowel in hetUitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 200158 als in het UitvoeringsbesluitSuccessiewet 195659 opgenomen. Als gevolg van de voorgesteldemaatregel in het Belastingplan 2026 zal deze omschrijving vanaf 1 januari2026 zijn opgenomen in zowel de Wet inkomstenbelasting 200160 als deSuccessiewet 195661. Volgens het kabinet is een concretere afbakeningvan het begrip «gelieerde partijen» in de wetgeving dan ook niet nodig.Aanpassingen groen beleggenDe leden van de fractie van de VVD vragen waarom het oorspronkelijkeamendement Van Eijk/Vermeer dat is aangenomen bij de behandeling vanhet Belastingplan 2025 in de Tweede Kamer niet uitvoerbaar is. Met ditamendement wordt geregeld dat zowel de box 3-vrijstelling voor groenebeleggingen als de heffingskorting voor groene beleggingen vervalt per1 januari 2027. Het afschaffen van deze regelingen vergt een structuurwij-ziging en die is voor het belastingjaar 2027 niet inpasbaar in hetIV-portfolio. In de uitvoeringstoets over dit wetsvoorstel is uw Kamerhierover geïnformeerd.62De leden van de fractie van D66 constateren dat uit eerder onderzoek vande RVO bleek dat verlagingen van de vrijstelling groene beleggingenkunnen leiden tot een rem op (nieuwe) groene financieringen en eenverminderde betrouwbaarheid van de overheid. Deze leden vragen58Artikel 17a, derde lid, tweede zin, Uitvoeringsbesluit IB 2001.59Artikel 10a, derde lid, tweede zin, Uitvoeringsbesluit SW 1956.60Artikel 5.20, vijfde lid, Wet IB 2001 (nieuw).61Artikel 21, zestiende lid, SW 1956 (nieuw).62Bijlage bij Kamerstukken II 2025/2026, 36 602, nr. 166.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1643 waarom het kabinet deze overwegingen niet opnieuw heeft gewogen toenbleek dat het amendement Van Eijk-Vermeer63 niet uitvoerbaar is per1 januari 2027. Het afschaffen van de fiscale voordelen voor groenbeleggen is per amendement toegevoegd aan het Belastingplan 2025 enis daarmee geen voorstel vanuit het kabinet. Bij de behandeling van ditBelastingplan 2025 in de Eerste Kamer in december 2024 heeft mijnambtsvoorganger opgemerkt dat het huidige kabinet vooralsnog nietvoornemens is een alternatief voorstel over de fiscale voordelen voorgroen beleggen op te nemen in het Belastingplan voor 2026. Het huidigekabinet is inmiddels demissionair. Het is aan het volgende kabinet ompolitieke keuzes te maken en eventueel maatregelen voor te stellen die ineen wetsvoorstel kunnen worden opgenomen.De leden van de fractie van D66 vragen naar het effect van het voorstel opde verwachte rem op groene financieringen en de verminderde betrouw-baarheid van de overheid. Eerder heeft mijn ambtsvoorganger al degevolgen van het amendement in kaart gebracht en naar uw Kamer ennaar de Eerste Kamer verzonden.64 Het doel van de voorgesteldemaatregel is om het amendement Van Eijk/Vermeer65 per 2027 uitvoerbaarte maken voor de Belastingdienst. Daarom is gekozen voor een zo laagmogelijke vrijstelling groene beleggingen in box 3 en heffingskortinggroene beleggingen voor het jaar 2027 om recht te doen aan de doel enstrekking van het amendement. Daarmee zijn de regelingen de facto welreeds per 1 januari 2027 afgeschaft. Het kabinet verwacht dan ook niet datde voorgestelde maatregel ten opzichte van het amendement effect zalhebben op de rem op groene financieringen. Hiermee worden ook groteschommelingen in het beleid die kunnen leiden tot een verminderdebetrouwbaarheid van de overheid voorkomen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de kosten voorhet handhaven van het fiscale voordeel voor groene beleggingen. Dekosten voor het doortrekken van de versoberde regeling uit 2025 en 2026bedragen € 48 miljoen. Vanaf 2028 kan een fiscale regeling voor groenebeleggingen worden toegevoegd aan het nieuwe box 3-stelsel met eenvergelijkbaar budgettair beslag.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of een regeling voorgroen beleggen is overwogen met betrekking tot het nieuwe box 3-stelselen hoe die eruit zou kunnen zien als de huidige regeling voor groenbeleggen niet zou zijn afgeschaft. Bij de overgang naar een box 3-stelselop basis van werkelijk rendement is het uitgangspunt dat de huidigevrijstellingen zo veel mogelijk worden gehandhaafd. Dat is anders als deovergang naar werkelijk rendement aanleiding geeft om een vrijstellinganders vorm te geven of af te schaffen. In het wetsvoorstel Wet werkelijkrendement box 3 zijn voor groene beleggingen geen vrijstelling enheffingskorting opgenomen aangezien deze op grond van het Belas-tingplan 2025 al zijn vervallen bij inwerkingtreding van genoemde wet.Aanvankelijk was het de bedoeling om de vrijstelling voor groenebeleggingen in box 3 af te schaffen en dit na een nog te starten evaluatie-onderzoek eventueel te compenseren met een hogere heffingskortinggroene beleggingen. Dan zou alleen een heffingskorting voor groenebeleggingen worden opgenomen in het nieuwe box 3-stelsel. Eenheffingskorting past beter in het nieuwe box 3-stelsel dan een vrijstellingomdat het nieuwe box 3-stelsel werkelijk inkomen belast in plaats van eenforfaitair rendement. Ook is het van belang dat de heffingskorting in63Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 93.64Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 149 en Kamerstukken I 2024/25, 36 602, X.65Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 93.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1644 mindering kan worden gebracht op de verschuldigde inkomstenbelastingin de andere boxen.Akkoord «gezond naar het pensioen»De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen waarom demaatregelen met betrekking tot de RVU-drempelvrijstelling niet zijnopgenomen in een apart wetsvoorstel.Het kabinet heeft het wetsvoorstel Belastingplan 2026 zoveel mogelijkbeperkt tot noodzakelijke maatregelen. Dit zijn voornamelijk maatregelenwaar een wezenlijk budgettair belang mee gemoeid is of met ingang van1 januari van het volgende kalenderjaar in werking moeten treden. Devoorgestelde wijziging van de RVU-drempelvrijstelling rechtvaardigtzowel qua inhoud als qua omvang niet een zelfstandig wetsvoorstel. Hetis daarbij wel van belang dat deze maatregelen per 1 januari 2026 inwerking treden en daarom is ervoor gekozen om deze maatregelen in hetwetsvoorstel Belastingplan 2026 op te nemen. In een Kamerbrief heeft hetkabinet dit eerder toegelicht.66 Deze brief is besproken tijdens deprocedurevergadering van de vaste commissie voor Financiën van 28 mei2025. De commissie heeft daarop besloten niet om een afzonderlijkwetsvoorstel te verzoeken.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de hoogte vande RVU-drempelvrijstelling per 2026.Het bedrag van de RVU-drempelvrijstelling is momenteel nog niet preciesbekend. Het bedrag van de RVU-drempelvrijstelling van een jaar isgekoppeld aan de AOW-uitkering voor een ongehuwde per 1 januari vandat jaar. De AOW-uitkering per 1 januari 2026 is nog niet bekend. Voor hetjaar 2025 bedraagt de RVU-drempelvrijstelling € 2.273 per maand. Per1 januari 2026 stijgt dat bedrag met de indexering van de AOW-uitkering.Daarnaast wordt de RVU-drempelvrijstelling per 1 januari 2026 met de inhet Belastingplan 2026 voorgestelde maatregelen verhoogd met € 300 permaand. De RVU-drempelvrijstelling zal daardoor naar verwachting(inclusief de extra fiscale ruimte) op ongeveer € 2.600 – € 2.700 permaand uitkomen (dit is nog afhankelijk van de precieze indexering van deAOW-uitkering). De extra fiscale ruimte van € 300 is bedoeld voor mensenin knellende situaties. Cao-partijen maken de afweging of hiervan gebruikwordt gemaakt.De leden van de fractie van de VVD vragen in welke sectoren (publiek/privaat) RVU’s worden aangeboden.Op 28 mei 2025 is de Kamer geïnformeerd over de uitwerking van hetakkoord «Gezond naar het pensioen».67 Daarbij is ook informatiemeegezonden over het aantal RVU-deelnemers en inzicht gegeven insectoren met de hoogste RVU-instroom. In 2024 kwam het grootste deelvan de instroom in RVU-regelingen voor in de sectoren Rijk, Gemeenten,Verpleging verzorging thuiszorg en jeugdgezondheidszorg, Socialewerkvoorziening, Politie, Bouw en Infra, Defensie, Metaal en Techniek enBeroepsgoederenvervoer. Dit zijn sectoren met meer dan 500 nieuweRVU-deelnemers in 2024. We zien RVU-deelname dus zowel in publiekesectoren als private sectoren.De leden van de fractie van de VVD vragen of de RVU-drempelvrijstellinggeldt ongeacht de vraag of de werknemer die gebruikmaakt van een RVUtot de doelgroep van werknemers met zwaar werk behoort. De leden vande fractie van NSC stellen een vergelijkbare vraag.66Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 158.67Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1645 De RVU-drempelvrijstelling zoals opgenomen in artikel 32ba, zevende lid,Wet LB 1964 is een generieke drempelvrijstelling. Voor toepassing van deRVU-drempelvrijstelling zijn geen wettelijke voorwaarden gesteld metbetrekking tot zwaar werk. Wel is in overleg met sociale partnersafgesproken in het akkoord «Gezond naar het pensioen» deRVU-drempelvrijstelling gericht en beheerst in te zetten voor werknemersdie door zwaar werk niet gezond kunnen doorwerken tot deAOW-gerechtigde leeftijd. Kabinet en sociale partners houden viajaarlijkse monitoring en driejaarlijkse ijkmomenten gezamenlijk de vingeraan de pols of de feitelijke vormgeving van (collectieve) RVU-afspraken ende ontwikkeling van RVU’s aansluit bij de afspraken uit het akkoord.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet overgangsrechtwil treffen voor het verhogen van het eindheffingstarief van 52% naar57,7% in 2026, 64% in 2027 en 65% in 2028.Het tarief van de pseudo-eindheffing wordt verhoogd voor uitkeringen dieboven de RVU-drempelvrijstelling uitkomen of die meer dan drie jaar voorde AOW-gerechtigde leeftijd worden uitgekeerd. De meeste uitkeringenblijven binnen deze kaders en zijn vrijgesteld van de pseudo-eindheffing.Werkgevers die een hogere uitkering nodig achten voor werknemers inknellende situaties kunnen vanaf 2026 gebruikmaken van de extra fiscaleruimte in de drempelvrijstelling van € 300 per maand. Het opnemen vanovergangsrecht zou een budgettaire derving betekenen. Daarnaast zorgtdit voor extra complexiteit in de uitvoering. Het kabinet ziet dan ook geenaanleiding om met aanvullend overgangsrecht te komen.De leden van de fractie van NSC vragen of er in de praktijk al voorbeeldenzijn van sectoren of werkgevers die aantoonbaar richting geven aan eengerichte toepassing van de RVU-drempelvrijstelling en de eventueleervaringen die zijn opgedaan.In het akkoord «Gezond naar het pensioen» tussen het kabinet en socialepartners is afgesproken dat RVU-regelingen gericht worden ingezet voorwerknemers die door zwaar werk niet gezond kunnen doorwerken tot deAOW-gerechtigde leeftijd. Het is de ervaring dat sectoren en bedrijvenzich bewust zijn van de nieuwe afspraken over een gerichtere toepassingvan RVU-regelingen. Het verschilt per sector en bedrijf hoever zij zijn methet onderzoeken of zij een RVU-regeling willen voortzetten of startenvanaf 2026, en zo ja, voor welke doelgroep. Er zijn sectoren die alafspraken hebben gemaakt over een voortzetting van de RVU-regeling,zoals de Politie. In deze cao-afspraak is rekenschap gegeven van deafspraken uit het akkoord, waaronder de rol van TNO die als derde partijadviseert over de RVU-afbakening. Het Ministerie van SZW blijft samenmet sociale partners in de Stichting van de Arbeid werken aan deuitvoering van de afspraken. Voor de zomer van 2026 vindt het jaarlijksemonitoringsmoment plaats, waarbij de Kamer wordt geïnformeerd overde voortgang van de afspraken uit het akkoord. Dan is ook meer infor-matie beschikbaar over de gerichtheid van RVU-regelingen en deervaringen van TNO als derde partij.De leden van de fractie van D66 vragen in welke sectoren vooral gebruikzal worden gemaakt van de verhoging van de RVU-drempelvrijstelling enhoe het kabinet verwacht dat deze verhoging in cao’s op sectoraal niveauzal worden meegenomen.In veel gevallen is het basis RVU-bedrag (in netto termen gelijk aan eennetto AOW-uitkering), vaak in combinatie met het naar voren halen vanhet aanvullend pensioen, voldoende om eerder te stoppen met werken.De € 300 bruto per maand extra fiscale ruimte boven het basisRVU-bedrag is bedoeld voor mensen in knellende situaties. Dat kunnenbijvoorbeeld werknemers zijn met een laag inkomen of weinig aanvullendpensioen. Cao-partijen maken zelf de afweging of ze hiervan gebruik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1646 maken. In welke sectoren en voor welke werknemers dit wordt benut, isniet op voorhand te zeggen. Dit hangt af van de beslissingen vandecentrale cao-partijen. De extra fiscale ruimte bovenop het basisRVU-bedrag is bedoeld voor knellende gevallen. De toepassing van deextra fiscale ruimte is dus geen vanzelfsprekendheid. Het is daarom deverwachting dat cao-partijen onderbouwen waarom en hoe zij gebruikmaken van de extra fiscale ruimte. Het gebruik en de onderbouwing vande extra ruimte in het drempelbedrag is onderdeel van de jaarlijksemonitoring en driejaarlijkse ijking.De leden van de fractie van D66 vragen naar de doelmatigheid van deRVU-drempelvrijstelling en wat dit zegt over de wenselijkheid van hetstructureel maken van de RVU-drempelvrijstelling.Het gebruik van de tijdelijke fiscale RVU-drempelvrijstelling uit hetPensioenakkoord van 2019 is de afgelopen jaren gemonitord. Daarmee isinformatie beschikbaar over RVU-deelnemers. Hierover is de Kamer in mei2025 geïnformeerd.68 Als verschillende kenmerken van RVU-deelnemersworden vergeleken met alle oudere werknemers in Nederland, blijkt datmensen die gebruikmaken van een RVU vaker man zijn en vaker voltijdwerken. Verder zijn RVU-deelnemers vaker lager of middelbaar opgeleiden hebben zij vaker een (hoog) middeninkomen. Daarnaast biedt demonitoring en evaluatie van de Maatwerkregeling Duurzame Inzet-baarheid en Eerder Uittreden (MDIEU) informatie over gesubsidieerdeRVU’s.In april 2025 is de Kamer geïnformeerd over de derde voortgangsrap-portage.69 Hieruit blijkt onder meer dat de zwaarte van het werk en degezondheid voor respectievelijk de helft en een derde van de deelnemerseen reden zijn om met RVU te gaan. Respondenten noemen ook andereredenen, met name dat men wil genieten van het pensioen of dat menvindt lang genoeg te hebben gewerkt. Als gekeken wordt naar het profielvan RVU-deelnemers is te zien dat zij relatief vaak een voltijdsbaanhebben met een modaal uurloon. Een partner met inkomen en het hebbenvan een koophuis spelen tevens een belangrijke rol. De monitoring van deMDIEU laat eveneens zien dat RVU-deelnemers niet vaak hoogopgeleidzijn. Als onderdeel van de jaarlijkse monitoring wordt inzicht gegeven inde profielen van RVU-deelnemers.Het doel van de voortzetting van de RVU-drempelvrijstelling vanaf 2026 isdat werkgevers en werknemers gerichte afspraken kunnen maken overeerder uittreden voor werknemers die door zwaar werk niet gezondkunnen doorwerken tot de AOW-gerechtigde leeftijd. De ervaringen metde tijdelijke RVU-drempelvrijstelling en de subsidieregeling MDIEU latenzien dat werkgevers en werknemers die ruimte benutten en sommigegroepen goed worden bereikt, zoals werknemers met een lagere ofmiddelbare opleiding. Tegelijk tonen de ervaringen dat er ruimte is voorbetere gerichtheid van RVU-regelingen. Daarom zijn hierover afsprakengemaakt in het akkoord «Gezond naar het pensioen». In het wetsvoorstelvoor het structureel voortzetten van de RVU-drempelvrijstelling, watonderdeel is van het Belastingplan 2026, is de afgesproken systematiekvan jaarlijks monitoren en driejaarlijks ijken vastgelegd. Bij de monitoring-en ijkmomenten wordt onder meer gekeken naar de gerichtheid van deRVU-maatregel.De leden van de fractie van D66 geven aan onderstrepen dat zij willentoewerken naar een fiscaal- en pensioenstelsel dat gemoderniseerd is enwaarin werknemers in zware beroepen de mogelijkheid hebben omgezond hun pensioenleeftijd te halen. Deze leden geven aan het eerderstoppen met werken als uiterste noodoplossing te zien en vinden dat de68Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685.69Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 525.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1647 echte oplossing zit in preventie en tijdig om- en bijscholen en vragen hoehet kabinet dit ziet.Het kabinet deelt de mening dat het belangrijk is dat zoveel mogelijkmensen gezond werkend hun pensioen moeten kunnen bereiken. Daaromis in het akkoord met sociale partners afgesproken om tot een gezamen-lijke agenda voor duurzame inzetbaarheid te komen. In mei 2025 is deKamer hierover geïnformeerd.70 Speerpunten van deze agenda zijn hetvoorkomen of verlichten van zwaar werk, zo veel mogelijk bij de bron, enwaar mogelijk een tijdige overgang van zwaar naar lichter werk. Dezespeerpunten sluiten aan bij de oplossingen zoals benoemd door de ledenvan de fractie van D66. Op dit moment werkt het Ministerie van SZWsamen met sociale partners in de Stichting van de Arbeid aan de nadereuitwerking van deze agenda. Uiterlijk voor de zomer van 2026 wordt deKamer hierover nader geïnformeerd.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de onderlig-gende analyse van welke personen gebruik maken van deRVU-drempelvrijstelling, of dat aansluit bij de beoogde doelgroep van hetkabinet en de Kamer, of het klopt dat vooral mensen met een hooginkomen gebruik kunnen maken van de RVU en welke andere beleids-opties zijn overwogen.Sociale partners bepalen, vaak per cao, wie voor een RVU-regeling inaanmerking komt. Ook kunnen een werkgever en werknemer op indivi-dueel niveau afspraken maken over eerder uittreden. In mei 2025 is deKamer geïnformeerd over de RVU-deelname en profielen vanRVU-deelnemers.71 Hier komt een genuanceerd beeld naar voren vanRVU-deelnemers. RVU-deelnemers hebben bijvoorbeeld vaak een (hoog)middeninkomen en zijn vaak middelbaar opgeleid. Daarnaast is informatiebeschikbaar over deelnemers met een RVU die is gesubsidieerd vanuit desubsidieregeling MDIEU. Bij gesubsidieerde RVU’s speelt de zwaarte vanhet werk en gezondheidsproblemen bij een aanzienlijk deel van deRVU-deelnemers een rol om met RVU te gaan. Een deel noemt ook andereredenen, zoals dat men wil genieten van het pensioen of dat men vindtlang genoeg te hebben gewerkt. Zonder RVU zouden RVU-deelnemersnaar eigen verwachting twee jaar langer hebben doorgewerkt. Deervaringen met de subsidieregeling MDIEU en de RVU-drempelvrijstellinglaten dus zien dat sommige groepen goed worden bereikt, maar dat erruimte is voor betere gerichtheid. Daarom is een betere gerichtheidafgesproken in het akkoord «Gezond naar het pensioen» en is ditonderdeel van de jaarlijkse monitoring en driejaarlijks ijking.De analyse die in mei 2025 als bijlage bij de Kamerbrief over deuitwerking van het akkoord naar de Kamer is gezonden, toont dat deinkomensverdeling van RVU-deelnemers zich sterker concentreert bij de(hogere) middeninkomens.72 Bij lagere inkomens zijn RVU-deelnemersondervertegenwoordigd ten opzichte van alle werknemers. DeRVU-maatregel is bedoeld voor werknemers die door zwaar werk nietgezond kunnen doorwerken tot de AOW-gerechtigde leeftijd. Om de RVUtoegankelijker te maken voor werknemers met een lager inkomen, kunnenwerkgevers en werknemers de extra fiscale ruimte benutten die hiervoorin het akkoord is afgesproken. Daarnaast kunnen cao-partijen eeninkomensgrens toepassen in hun RVU-regeling, zodat de RVU zoveelmogelijk terecht komt bij werknemers met zwaar werk die niet met eigenmiddelen eerder kunnen stoppen met werken. In de Kamerbrief over hetvraagstuk «Gezond naar het pensioen» heeft het kabinet de optie van eeninkomensgrens benoemd.73 In het akkoord met sociale partners is70Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685.71Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685.72Kamerstukken II 2024/25, 32 043, nr. 685.73Kamerstukken II 2023/24, 32 043, nr. 658.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1648 afgesproken dat cao-partijen de afweging maken om een inkomensgrensin hun RVU-regeling toe te passen. In de jaarlijkse monitoring endriejaarlijkse ijking wordt het gebruik en de hoogte van inkomensgrenzenin RVU-regelingen bijgehouden.De leden van de fractie van de SGP vragen welk budget wordt opgehaaldmet de verhoging van de Aof-premie ter dekking van de aanpassing in deRVU-heffing, welk percentage binnen de Aof-premie precies wordtverhoogd en hoe groot de stijging is.Het deel van de dekking dat in de verhoging van de Aof-premie wordtgevonden bedraagt € 22 miljoen in 2028 en € 34 miljoen jaarlijks vanaf2029 (zie ook de Ramingstoelichtingen bij het Belastingplan 2026, pagina11). Dit is in de geraamde Aof-premietarieven verwerkt als een stijgingvan 0,006 procentpunt in 2028 en een aanvullende stijging van 0,004procentpunt (dus 0,010 procentpunt in totaal) per 2029. Deze stijging geldtvoor zowel het hoge Aof-tarief als het lage Aof-tarief.De leden van de fractie van de SGP vragen of de stijging van het tarief vande pseudo-eindheffing het aanbieden van een RVU niet onaantrekkelijkermaakt voor werknemers met een inkomen boven het drempelbedrag endaarmee de kansen voor oudere werknemers met een middeninkomenom eerder te stoppen met werken niet verslechteren.Het doel van de RVU-drempelvrijstelling zoals verwoord in de memorievan toelichting bij de Wet bedrag ineens, RVU en verlofsparen is om eenoverbrugging te geven voor de AOW-uitkering.74 Werknemers kunnendeze uitkering die ze van de werkgever ontvangen zelf aanvullen,bijvoorbeeld door het eerder laten ingaan van het ouderdomspensioen ofhet inzetten van spaargeld of andere vermogensbestanddelen. Door het(in netto termen) gelijkstellen van de RVU-uitkering aan eenAOW-uitkering wordt hiermee voor de werknemer de situatie van eeneerdere AOW-uitkering nagebootst. De pseudo-eindheffing is bedoeld omhogere uitkeringen dan het RVU-drempelbedrag te ontmoedigen.De leden van de fractie van de SGP vragen naar de maximale belas-tingdruk van iemand die in 2028 gebruikmaakt van een RVU.De pseudo-eindheffing is een heffing die is verschuldigd door dewerkgever. Deze heffing drukt niet op de werknemer. Voor een werknemerdie een RVU-uitkering ontvangt gelden de reguliere belastingtarieven. Depseudo-eindheffing leidt niet tot een inhouding bij de werknemer.Tot slot vragen de leden van de fractie van de SGP of is overwogen om dedekking voor de RVU-maatregelen te vinden in het verkorten van determijn waarin gebruik kan worden gemaakt van deRVU-drempelvrijstelling.In het akkoord «Gezond naar het pensioen» hebben kabinet en socialepartners afgesproken de RVU-drempelvrijstelling een structureel karakterte geven waarbij het gebruik wordt gemonitord en er ijkmomenten zijn. Eris niet gekozen voor het verkorten van de termijn van 36 maanden voor deAOW-gerechtigde leeftijd waarin gebruikgemaakt kan worden van deRVU-drempelvrijstelling.Versoberen ETK-regelingDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA constateren dat deETK-regeling vooral wordt gebruikt in de uitzendsector en de landbouw.Deze leden vragen het kabinet of het kabinet het wenselijk vindt dat hetaantrekkelijker wordt voor buitenlandse arbeidskrachten om in Nederlandin deze sectoren te komen werken en zo ja, waarom.74Kamerstukken II 2019/20, 35 555, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1649 De leden van de fractie van NSC vragen of het kabinet verwacht dat deversobering van de ETK-regeling gebruik terugdringt en of verderebeperking of afschaffing wordt overwogen.De leden van de fractie van D66 vragen hoeveel daling aan arbeidsmi-gratie precies wordt verwacht als gevolg van de versobering van deETK-regeling en of wordt verwacht dat er vooral minder lageloonarbeids-migranten komen, of dat ook het aantal kennismigranten zal dalen.In haar rapport Kunde, Kosten en Keuzes75 dat de bevindingen, conclusiesen aanbevelingen naar aanleiding van de evaluatie van onder meer deETK-regeling bevat, concludeert SEO Economisch Onderzoek dat hetstimulerend effect van de ETK-regeling op arbeidsmigratie beperkt isdoordat arbeidsmigranten ook zonder de ETK-regeling de kenmerken vanhet werk in Nederland (zoals hoog minimumloon en gunstige anderearbeidsvoorwaarden) voldoende aantrekkelijk vinden. Daarnaast biedt hetpremievoordeel voor de werkgever, als gevolg van de toepassing van deETK-regeling, onvoldoende verlaging van de kostprijs om alle lasten terechtvaardigen om deze doelgroep te werven. Het aantal extra arbeidsmi-granten in Nederland door de ETK-regeling is volgens SEO daarmee zeerbeperkt. Oftewel, zonder deze regeling zijn er naar verwachting ongeveerevenveel arbeidsmigranten in Nederland.76 Aan de andere kant kan devoorgestelde versobering wel tot een lager nettoloon leiden en kan hetpremievoordeel voor werkgevers door toepassing van de ETK-regelingiets lager worden. De voorgestelde versobering van de ETK-regeling zalnaar verwachting de aantrekkelijkheid van het (blijven) werken inNederland daarmee indirect verkleinen. Het kabinet heeft, conform hetHoofdlijnenakkoord, met de voorgestelde maatregelen de ETK-regelingversoberd, zonder de juridische houdbaarheid van de expatregeling aan tetasten. Hiermee sluit de ETK-regeling beter aan bij het doel van deregeling, namelijk het creëren van een fiscaal gelijk speelveld tussenwerknemers die ETK maken en werknemers die deze kosten niet maken.Het huidige demissionaire kabinet heeft geen plannen voor verdereversobering van de ETK-regeling. Zie voor een nadere toelichting op ditpunt ook mijn brief hierover van 3 oktober 2025.77Kennismigranten die voldoen aan de voorwaarden van de expatregelingmaken over het algemeen gebruik van de expatregeling en ontvangen eenforfaitaire vergoeding voor hun ETK. De voorgestelde versobering van deETK-regeling heeft geen directe invloed op de maximale hoogte van deforfaitaire expatvergoeding, los van de vorig jaar reeds aangekondigdeverlaging van de expatvergoeding van 30% naar 27% per 2027. Dezelaatste versobering kan, volgens SEO, wel gevolgen hebben voor deaantrekkelijkheid van Nederland als werkland voor kennismigranten.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet dekostensoorten dubbele huisvesting en reiskosten van en naar het land vanherkomst, binnen de ETK wil behouden om te voorkomen dat hetforfaitaire percentage van 27 procent in gevaar komt.De ETK-regeling biedt inhoudingsplichtigen (werkgevers), door middelvan een gerichte vrijstelling, de mogelijkheid om inkomende en uitgaandewerknemers een onbelaste vergoeding toe te kennen voor de extra kostendie zij maken omdat zij werken buiten het land van herkomst. Dit zijnkosten die rechtstreeks samenhangen met de dienstbetrekking (zakelijkekosten). Het past binnen het systeem van de Nederlandse loonbelastingdat een inhoudingsplichtige dergelijke zakelijke kosten onbelast kanvergoeden aan zijn werknemer. Uit Nederland afkomstige werknemers diein Nederland wonen en werken hebben dergelijke kosten niet. De75Kunde, Kosten en Keuzes, Evaluatie 30%-regeling, extraterritoriale kostenregeling & partiëlebuitenlandse belastingplicht 2016–2022, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, juni 2024.76Kunde, Kosten en Keuzes, pag. 7.77Kamerstukken II 2025/2026 36 812, nr. 13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1650 ETK-regeling zorgt daarmee voor een gelijk speelveld tussen inkomendewerknemers en lokale Nederlandse werknemers. Op basis van deETK-regeling kunnen alleen daadwerkelijke ETK onbelast vergoed worden.Het moet aannemelijk zijn dat de werknemer daadwerkelijk kosten heeftgemaakt. Kosten van dubbele huisvesting en reiskosten van en naar hetland van herkomst zijn duidelijk extra kosten die een werknemer maaktomdat hij buiten zijn land van herkomst werkt en die Nederlandsewerknemers niet maken in het kader van hun dienstbetrekking. Hetkabinet ziet dan ook geen reden om deze kosten uit te sluiten van hetbegrip ETK.Omdat de expatregeling een forfaitaire variant is van de ETK-regeling gaatde expatregeling uit van hetzelfde begrip ETK; uitsluiting van bepaaldekostensoorten van de ETK-regeling heeft daarmee directe gevolgen voorde (juridische houdbaarheid van de) expatregeling. Een verdere uitlegkunt u vinden in mijn brief hierover van 3 oktober 2025.78De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet hetermee eens is dat het problematisch is als er in de praktijk helemaal geensprake is van dubbele huisvestingskosten, maar werkgevers welhuisvesting in Nederland als ETK op kunnen voeren.Zoals hiervoor aangegeven is het voor het onbelast kunnen vergoedenvan kosten op basis van de ETK-regeling noodzakelijk dat aannemelijkgemaakt wordt dat de kosten ook daadwerkelijk gemaakt worden. Opbasis van de ETK-regeling is het dus niet mogelijk om kosten als ETK op tevoeren die niet daadwerkelijk gemaakt worden.De leden van de fractie van de VVD begrijpen dat de bedoeling is deversobering uitsluitend toe te passen op ingekomen werknemers en nietop uitgezonden werknemers. Zij vragen het kabinet of dit inderdaad debedoeling is.De versobering van de ETK-regeling is op basis van het voorstel alleenvan toepassing als de werknemer in Nederland arbeid verricht dan wel inNederland verblijft en in een ander land arbeid verricht. De versoberingvan de ETK-regeling heeft aldus geen betrekking op uitgaandewerknemers. Of het wenselijk is om de mogelijkheid van het onbelastvergoeden van de extra kosten van levensonderhoud en de gespreks-kosten voor privédoeleinden met het land van herkomst ook vooruitgezonden werknemers te versoberen, zal nog afzonderlijk onderzochtmoeten worden.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet het wenselijkacht om de zinsnede «dan wel in Nederland verblijft en in een ander landarbeid verricht» te laten vervallen, aangezien deze ook kan wordenuitgelegd als betrekking hebbend op uitgezonden werknemers, waarvoorde versobering niet is bedoeld.De uitgezonden werknemer zal over het algemeen tijdens de uitvoeringvan zijn werkzaamheden niet in Nederland verblijven. Deze zinsnede zaldus over het algemeen geen invloed hebben op de mogelijkheden omuitgezonden werknemers een onbelaste vergoeding voor ETK toe tekennen. Voor zover uitgezonden werknemers tijdens hun uitzending nogwel in Nederland verblijven, zal er over het algemeen ook geen aanleidingbestaan om hen een vergoeding voor hogere kosten van levenson-derhoud in het werkland toe te kennen. De door de leden van de fractievan de VVD aangehaalde zinsnede heeft betrekking op uit het buitenlandafkomstige werknemers die in Nederland verblijven en (een deel van) hunwerk (net) over de grens uitvoeren. Indien aan deze werknemers wel eenonbelaste vergoeding voor de kosten van levensonderhoud en/ofgesprekskosten kan worden toegekend, zou dit een ongelijke behandelingkunnen opleveren ten opzichte van de werknemers die hun arbeid78Kamerstukken II 2025/2026 36 812, nr. 13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1651 volledig in Nederland uitvoeren. Om deze ongelijke behandeling tevoorkomen is de genoemde zinsnede opgenomen.De leden van de fractie van D66 vragen of het klopt dat de ETK-regelingvooral relevant is voor arbeidsmigranten met een relatief laag loon.SEO constateert in haar rapport Kunde, Kosten en Keuzes dat hetovergrote deel van de ETK-gebruikers een loon tot 140 procent van hetminimumloon heeft.79De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet aanvullendemaatregelen heeft overwogen om Nederland aantrekkelijk te houden voorinternationaal talent, bijvoorbeeld via een snellere verblijfsprocedure,lagere administratieve lasten of gerichtere ondersteuning voor sectorenmet een groot tekort aan kenniswerkers.Dergelijke maatregelen maken onderdeel uit van het IBO arbeidsmigratie.Een kabinetsreactie op het IBO Arbeidsmigratie volgt.80De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het klopt dat deforfaitaire expatregeling (30%-regeling) doorgaans gebruikt wordt alsalternatief voor de ETK-regeling.Gebruikmaking van de expatregeling is mogelijk voor ingekomenwerknemers die beschikken over een specifieke deskundigheid die niet ofschaars aanwezig is op de Nederlandse arbeidsmarkt en die in meer dantwee derde van de periode van 24 maanden voorafgaand aan detewerkstelling in Nederland op meer dan 150 kilometer hemelsbreed vande Nederlandse grens woonachtig waren. Werknemers die aan dezevoorwaarden voldoen en een beschikking hebben, maken gedurende delooptijd van deze beschikking over het algemeen gebruik van de expatre-geling. Werknemers die niet aan de voorwaarden van de expatregelingvoldoen, kunnen in beginsel gebruikmaken van de ETK-regeling en op diemanier alsnog hun daadwerkelijke ETK onbelast vergoed krijgen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de recenteversobering van de forfaitaire regeling leidt tot meer gebruik van deregeling op basis van werkelijke kosten.Effecten van recente versoberingen zijn momenteel nog niet te zien in dedata. De regeling is in het verleden ingekort van acht naar vijf jaar.Hiervan is het effect lastig te meten, aangezien het aantal mensen datgebruikmaakt van de regeling in die tijd is gestegen (op coronajaren 2020en 2021 na). Verder geldt sinds 2024 een maximumgrondslag van denorm uit de Wet normering topinkomens. Aangezien dit met eenovergangsregeling werkt, zijn er nog nauwelijks effecten te zien. Deversobering van de maximumvergoeding van 30% naar 27% van het loonen de verhoogde salarisnorm gaan pas in vanaf 2027 en de effectendaarvan zijn daarom ook nog niet beschikbaar.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet heeftoverwogen beide regelingen in het geheel af te bouwen. Zij vragen watdaar de verwachte gevolgen van zouden zijn.De expatregeling is in de eerste helft van 2024 geëvalueerd door SEOEconomisch Onderzoek (SEO), samen met de ETK-regeling en de partiëlebuitenlandse belastingplicht. SEO beoordeelt de expatregeling in hetrapport Kunde, Kosten en Keuzes81 als een doeltreffende en deelsdoelmatige regeling. SEO trekt daarbij de volgende conclusies ten aanzienvan de expatregeling82:79Kunde, Kosten en Keuzes, pag. 6.80Kamerstukken II 2024/2025 29 861, nr. 164.81Kunde, Kosten en Keuzes, Evaluatie 30%-regeling, extraterritoriale kostenregeling & partiëlebuitenlandse belastingplicht 2016–2022, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, juni 2024.82Zie ook de kabinetsreactie op het rapport Kunde, Kosten en Keuzes, meegestuurd als bijlagebij Kamerstukken II 2024–2025, 32 140, nr. 267.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1652 •De expatregeling is van belang voor Nederlandse bedrijven en andereorganisaties voor het kunnen aantrekken van talenten in concurrentieop de internationale arbeidsmarkt. Deze talenten heeft Nederlandnodig voor de kenniseconomie die we willen zijn en de uitdagingenwaarvoor we staan, zoals de energietransitie en de overgang naar eencirculaire economie. Werkgevers verwachten hun vraag naar dienoodzakelijke kenniswerkers niet in te kunnen vullen met binnenlandsaanbod.•Een verdere versobering van de expatregeling zal een negatief effecthebben op het investeringsniveau van bedrijven in Nederland.•Qua belastingdruk op kennisintensieve arbeid na toepassing van deexpatregeling, bevindt Nederland zich internationaal in de midden-moot. Een verdere versobering van de expatregeling zal Nederland opdit punt verder op achterstand zetten ten opzichte van concurrerendelanden.•Uit berekeningen van SEO blijkt dat de expatregeling Nederland persaldo meer belastingopbrengsten oplevert dan dat de regeling kost.Gemiddeld is de expatregeling jaarlijks goed voor € 128,5 miljoennetto belastingopbrengsten. In deze berekening is nog geen rekeninggehouden met indirecte effecten, zoals meer omzetbelasting doorbestedingen van expats, meer werkgelegenheid in Nederland door eengrotere vraag naar diensten en hogere lonen voor andere werknemersdoor kennis-spill-overs. Hierbij hoort de kanttekening dat eenverhoging van de salarisnorm (die plaatsvindt per 2027) gunstig kanzijn voor de per saldo overheidsinkomsten, gegeven dat de hoogsteinkomensgroep sterker op deze wijziging reageert dan de lagereinkomensgroepen.83 Dit hindert wel de continuïteit en stabiliteit van deexpatregeling.Bovengenoemde belangrijke rol van de expatregeling voor de Neder-landse economie en rekening houdende met de door het Nederlandsebedrijfsleven gevraagde continuïteit en stabiliteit rondom de expatre-geling (de expatregeling is de afgelopen jaren immers al diverse malenaangepast, bijvoorbeeld oor het inkorten van de looptijd, het aftoppen opde WNT-norm en het verhogen van de salarisnorm), is voor het kabinetreden om geen voorstellen voor verdere aanpassingen in de expatre-geling te doen, ook niet voor zover het betreft het terugdraaien van deversobering van 30% naar 27% per 2027. Verdere versobering van deexpatregeling zal de belangrijke rol van deze regeling voor de Neder-landse kenniseconomie fikse schade toebrengen, temeer daar vrijwel alleons omringende landen een vorm van een expatregeling kennen. WaarNederland ooit een voorloper was op dit gebied hebben vele landen onsop dit terrein inmiddels ingehaald, hetgeen deels ook wordt veroorzaaktdoordat Nederland één van de zeer weinige landen is die zijn expatre-geling de afgelopen jaren heeft, terwijl andere landen juist (overwegenom) een expatregeling (te) introduceren of een bestaande regelinguitbreiden; zo wordt er in België gewerkt aan een ophoging van debestaande 30%-regeling naar 35%, afschaffing van het geldende plafond-bedrag en verlaging van de salarisnorm. Om belastingconcurrentiebinnen de EU tegen te gaan zou het wel wenselijk zijn om op de langetermijn EU-breed te kijken of expatregelingen voor EU-burgersgezamenlijk versoberd kunnen worden, zoals ook benoemd in het IBOarbeidsmigratie.83SEO Economisch onderzoek (2025c). Then only Two Wise Men came from the East: aReduction in the Tax Subsidy for High-skilled Immigrants.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1653 Fiscale normering markt voor voertuigen gericht op personen-vervoerDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de voorgesteldepseudo-eindheffing ook gevolgen heeft voor werkgevers die een fossielepersonenauto ter beschikking stellen aan hun werknemer, zonder dat dewerknemer deze privé gebruikt. Deze leden vragen daarnaast of het kloptdat de pseudo-eindheffing niet wordt geheven als de auto alleen gebruiktwordt voor zakelijk verkeer en dat woon-werkverkeer hierbij als privége-bruik wordt gezien. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragenvoorts voor hoeveel procent van de auto’s die werkgevers aanwerknemers ter beschikking stellen geldt dat zij alleen zakelijk wordengebruikt. Tot slot vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA wathet verwachte effect van de voorgestelde maatregel is en of het kabinetverwacht dat deze maatregel grofweg hetzelfde effect heeft als een directverbod op het ter beschikking stellen van fossiele auto’s aan werknemersvoor privégebruik.Het kabinet stelt via de pseudo-eindheffing de norm dat vanaf 2027 allepersonenauto’s die voor het eerst door de werkgever ook voor privédoel-einden ter beschikking worden gesteld aan de werknemer, volledigemissievrij zijn. De maatvoering van de pseudo-eindheffing is daarom zogekozen dat naar verwachting het grootste deel van de werkgevers ervoorzal kiezen om alleen nog een emissievrije personenauto’s aan werknemerster beschikking te stellen. Tegelijkertijd behoudt de werkgever keuze-vrijheid en geldt er geen harde wettelijke verplichting. Een dergelijkeverplichting is naar verwachting juridisch niet mogelijk, vanwegeEuropese regelgeving omtrent de interne markt. In de raming van depseudo-eindheffing wordt uitgegaan van een zeer groot gedragseffect. Erwordt verondersteld dat 80% van de werkgevers een elektrische variantverplicht gaan stellen als ze een personenauto aan de werknemeraanbieden voor privédoeleinden. In het basispad ligt dit aandeel op 18%.Van het deel werknemers die een vrije keuze houden, zal naar verwachtingook een deel voor elektrisch kiezen. In totaal komt het aandeel vanelektrische personenauto’s in de nieuwverkoop van zakelijke personen-auto’s hierdoor naar verwachting uit op circa 95% in 2030. Met privédoel-einden wordt onder de pseudo-eindheffing ook het afleggen vanwoon-werkkilometers door de werknemer verstaan. Anders zou dedoelgroep kleiner uitvallen wat voor een lager beleidseffect zorgt. Hetkabinet bevestigt dat de pseudo-eindheffing niet van toepassing is als defossiele personenauto niet ter beschikking wordt gesteld voor privédoel-einden en alleen zakelijk (niet zijnde woon-werkverkeer) wordt gebruikt.Het is verstandig om een dergelijk verbod vast te leggen. Als de fossielepersonenauto’s aan werknemers voor privédoeleinden ter beschikkingworden gesteld, dan is de pseudo-eindheffing van toepassing, ook alswerknemers hier geen gebruik van maken. In de praktijk zal vaak al sprakezijn van een dergelijk verbod, omdat het ook van belang is voor hetvoorkomen van bijtelling voor privégebruik van de auto bij de werknemer.De inschatting is dat 7% van het totaal aan zakelijke ter beschikkinggestelde personenauto’s niet privé wordt gebruikt. Daarnaast vallenbijvoorbeeld ook personenauto’s van ZZP’ers (niet zijnde een DGA) ofpersonenauto’s van verhuurbedrijven (die niet aan werknemers terbeschikking worden gesteld) niet onder de pseudo-eindheffing. De totaledoelgroep van de pseudo-eindheffing is daarom ingeschat op circa925.000 personenauto’s. Hierbij geldt dat van deze groep alleen voorpersonenauto’s die niet emissievrij zijn pseudo-eindheffing verschuldigdis, door de veronderstelling van een zeer groot gedragseffect zal dezegroep naar verwachting aanmerkelijk kleiner zijn. In de raming wordtuitgegaan van circa 20.000 fossiele personenauto’s die in 2030 pseudo-eindheffing verschuldigd zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1654 De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet toe te lichtenwaarom ervoor is gekozen om vergroening te stimuleren via een nieuwepseudo-eindheffing binnen de loonbelasting, in plaats van via eenbijtelling bij de werknemer, zoals tot nu toe gebruikelijk is bij het belastenvan autogebruik. De leden van de fractie van de VVD vragen daarnaastwaarom is gekozen voor fiscale normering van de markt voor voertuigengericht op personenvervoer (fiscaal instrumentalisme) in plaats van anderingrijpen in de markt. Deze leden vragen hierbij om nader in te gaan ophoe deze afweging is gemaakt, gelet op het advies van de Afdeling omjuist aan te sluiten bij de gebruiker van de auto: de werknemer. De ledenvan de fractie van de VVD vragen voorts waarom het kabinet niet heeftgekozen voor eenvoudigere alternatieven die directer bij de gebruikeraansluiten, zoals een verhoogde bijtelling voor fossiele auto’s of eenbijtelling voor woon-werkverkeer. Deze leden vragen ook of is overwogenom de vervuiler zelf te laten betalen via de reguliere loonheffing bij dewerknemer, in plaats van via een aparte werkgeversheffing. Tot slotvragen de leden van de fractie van de VVD hoe het kabinet dit alternatiefafweegt tegen het gekozen systeem, mede gezien het advies van deAfdeling en de opmerkingen van deskundigen hierover.Het ter beschikking stellen van een personenauto voor privédoeleinden(inclusief woon-werkkilometers) behoort tot de arbeidsvoorwaarden diede werkgever een werknemer kan aanbieden. Als een werkgever hiervoorkiest, is het aan de werkgever om een keuze te maken welke personen-auto’s worden aangeboden. Met de pseudo-eindheffing stelt het kabineteen norm voor werkgevers, dat vanaf 2027 alleen volledig emissievrijepersonenauto’s (voor het eerst) ter beschikking worden gesteld aanwerknemers, zodat een bijdrage wordt geleverd aan de transitie naar eenduurzaam mobiliteitssysteem en het halen van de klimaatdoelen. Het isom die reden ook niet toegestaan om de pseudo-eindheffing door tebelasten aan de werknemer. Naast het stellen van een norm voor dezakelijke markt heeft het kabinet ook andere maatregelen overwogen.Binnen het bestaande stelsel van autobelastingen kan de aanschaf vannieuwe fossiele personenauto’s bijvoorbeeld ook duurder wordengemaakt, door de op CO2-uitstoot gebaseerde bpm-tarieven te verhogen.Dit zou echter ook de privémarkt raken, terwijl in het zakelijke wagenparkgemiddeld genomen meer handelingsperspectief is om over te stappenop een elektrische personenauto. Binnen de zakelijke markt heeft hetkabinet ook gekeken naar een aanpassing van het tarief voor de bijtelling.Een hoger tarief voor fossiele auto’s is juridisch echter kwetsbaar en ligtvanuit een fiscaal perspectief niet voor de hand, omdat op basis vanforfaitaire rekenregels wordt vastgesteld dat het loon in natura benaderdkan worden door 22% van de cataloguswaarde van de auto nemen.Bovendien zou met een hoger bijtellingstarief de verantwoordelijkheid bijde werknemer worden gelegd, terwijl het kabinet met de pseudo-eindheffing nadrukkelijk de werkgevers aanspoort om ook vanuit hunverantwoordelijkheid bij het stellen van de arbeidsvoorwaarden, bij tedragen aan de transitie naar een duurzaam mobiliteitssysteem en hethalen van de klimaatdoelen. Tot slot heeft het kabinet ook een korting inde bijtelling voor emissievrije auto’s overwogen. Deze maatregel is echterminder effectief (duurder per vermeden uitstoot) om de ingroei vanelektrische auto’s te versnellen dan de pseudo-eindheffing. Als flankerendbeleid naast de pseudo-eindheffing heeft het kabinet deze maatregel weloverwogen, maar uiteindelijk niet toe besloten vanwege de budgettaireconsequenties.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan bevestigendat elke vorm van aanschafbelasting voor nieuwe auto’s in de weg kanstaan bij het verduurzamen van het personenwagenpark door te sturen opde nieuwverkoop.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1655 Deze stelling klopt niet. In de Keuzewijzer autobelastingen84 is een analysegemaakt van de CO2-besparing die kan worden bereikt door te sturen opeen verjonging van het wagenpark, door de instroom van nieuwe en jonggebruikte auto’s te vergroten. Uit deze analyse bleek dat de CO2-winst vaneen verjonging van het wagenpark relatief beperkt is. Veel bepalender ishoe schoon de nieuw instromende auto’s zijn. In Nederland wordt daaromvia een aanschafbelasting (de bpm) de verkoop van nieuwe fossiele auto’sduurder gemaakt. Een elektrische personenauto wordt hierdoor relatiefgoedkoper en wordt naar verwachting vaker verkocht.De leden van de fractie van de VVD vragen of de administratieve enfinanciële lasten voor werkgevers toenemen vanwege de pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s en hoe deze lasten zich verhoudenmet het uitgangspunt van lastenverlichting voor werkgevers dat ditkabinet ook nastreeft. Ook de leden van de fractie van D66 vragen naar deadministratieve lasten van de maatregel voor met name kleinereondernemingen en of er nog gedacht wordt aan gerichte voorlichting,vereenvoudiging van administratieve druk of speciale overgangsrege-lingen voor kleine werkgevers.Als werkgevers ervoor kiezen om geen fossiele personenauto’s meer voorprivédoeleinden ter beschikking te stellen aan hun personeel, dan is geensprake van een toename van administratieve en financiële lasten. Met depseudo-eindheffing stelt het kabinet een norm voor werkgevers, dat vanaf2027 alleen volledig emissievrije personenauto’s (voor het eerst) terbeschikking worden gesteld aan werknemers. Als werkgevers wel fossielepersonenauto’s ter beschikking willen blijven stellen, is de pseudo-eindheffing verschuldigd als deze auto’s privé worden gebruikt, inclusiefwoon-werkverkeer. De pseudo-eindheffing brengt een administratieve enfinanciële last met zich mee. Deze lasten gelden alleen voor fossielepersonenauto’s die privé worden gebruikt en dus niet voor fossielepersonenauto’s die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering en die nietprivé worden gebruikt. Hierbij is de heffing zo vormgegeven dat deadministratieve last zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Zo is hetmogelijk om de heffing ineens na afloop van het jaar af te dragen. Voorpersonenauto’s die het hele jaar ter beschikking zijn gesteld is het dan eenrelatief eenvoudige berekening. Met het kenteken is de cataloguswaardevoor auto’s die niet ouder zijn dan 25 jaar sinds 2005 eenvoudig teachterhalen via de website van RDW. Vervolgens dient over deze waarde12% pseudo-eindheffing te worden afgedragen. Voor auto’s ouder dan25 jaar geldt de waarde in het economische verkeer als grondslag.Werkgevers kunnen er ook voor kiezen de te betalen pseudo-eindheffingover het jaar te verdelen. Bij een loonaangiftetijdvak van een maand kandan elke maand 1/12e van het bedrag over een jaar worden afgedragen.De communicatie over het wetsvoorstel zal via de gebruikelijke kanalenvan de Belastingdienst verlopen, te weten via de jaarlijkse Nieuwsbriefloonheffingen, het Handboek Loonheffingen en de website van deBelastingdienst. Tot slot is sprake van een ruime overgangstermijn waar ikverderop in deze nota uitgebreider op inga. Het kabinet acht het daaromniet nodig kleine werkgevers anders te behandelen dan overigewerkgevers.De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet te erkennen dat deinvoering van deze pseudo-eindheffing leidt tot een structurele lastenver-zwaring voor werkgevers, zonder dat daar compensatie tegenover staat.Deze leden vragen hoe groot het kabinet de loonkostenstijging verwacht84Keuzewijzer autobelastingen. 2021. https://www.eerstekamer.nl/overig/20210409/achtergrondrapport_keuzewijzer/document.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1656 voor werkgevers die fossiele personenauto’s aanbieden, mede gelet ophet feit dat de heffing niet verhaalbaar is op werknemers.Het kabinet stelt een norm en verwacht van werkgevers dat zij vanaf 2027zoveel mogelijk alleen nog elektrische personenauto’s aanbieden als zevoor het eerst een personenauto voor privédoeleinden ter beschikkingstellen aan de werknemer. Voor de werkgever is een elektrische perso-nenauto in de situatie zonder pseudo-eindheffing vaak al goedkoper omaan te bieden aan de werknemer, dan een fossiele personenauto. Eenelektrische auto is namelijk weliswaar duurder in aanschaf, maar hierstaan onder andere lagere onderhoudskosten en brandstofkostentegenover. Als een werkgever de door het kabinet aangegeven normvolgt, dan is er dus geen sprake van extra kosten. In het geval eenwerkgever vanaf 2027 toch een fossiele personenauto wil aanbieden, danbedragen de extra kosten 12% van de cataloguswaarde van die auto. Deexacte relatieve loonkostenstijging hangt af van de specifieke situatie,zoals de overige loonkosten voor die specifieke werknemer en decataloguswaarde van de auto.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan toelichtenhoe de pseudo-eindheffing zich verhoudt tot de wens om het MKB enwerkgeverschap te stimuleren.Voor werkgevers is het in de huidige situatie (zonder pseudo-eindheffing)vaak al goedkoper om een elektrische auto aan te bieden aan eenwerknemer, dan een fossiele personenauto. Als een werkgever de doorhet kabinet aangegeven norm volgt, dan hoeft het niet te leiden tot extrakosten voor de werkgever. De introductie van de pseudo-eindheffing doetdan ook niets af aan de wens om het MKB en het werkgeverschap testimuleren.De leden van de fractie van de VVD vragen of wordt overwogen om eencompensatieregeling of overgangsregeling te treffen voor kleinerewerkgevers die onvoldoende alternatieven hebben, wegens beperktelaadinfrastructuur of contractuele leaseverplichtingen.Een compensatieregeling of overgangsregeling voor kleinere werkgeversdie onvoldoende alternatieven hebben wordt niet overwogen, want dat isjuridisch kwetsbaar. Het is namelijk lastig, zo niet ondoenlijk, om op basisvan objectieve criteria vast te stellen of een specifieke werkgever échtgeen mogelijkheden heeft of bijvoorbeeld te laat heeft geanticipeerd opveranderende regelgeving. Het kabinet wijst er wel op, dat de voorge-stelde pseudo-eindheffing reeds een ruime overgangstermijn bevat. Per2027 geldt de pseudo-eindheffing namelijk alleen voor fossiele personen-auto’s die dan voor het eerst ter beschikking worden gesteld. Voorbestaande gevallen, zoals lopende leasecontracten, hoeven werkgeverstot 17 september 2030 geen pseudo-eindheffing te betalen. Hiermeekrijgen werkgevers een ruime mogelijkheid om zich voor te bereiden. Inaanvulling op de overgangstermijn is in het wetsvoorstel een evaluatiebe-paling opgenomen. De maatregel wordt na drie jaar geëvalueerd en danzal ook het handelingsperspectief voor werkgevers om over te stappen ophet ter beschikking stellen van elektrische auto’s worden meegenomen.Qua laadinfrastructuur is het niet per definitie nodig om dit te faciliterenvanuit de werkgever. Juist omdat de pseudo-eindheffing de auto’s betreftdie privé worden gebruikt is niet altijd nodig dat de auto’s op het terreinvan de werkgever kunnen laden. Werkgevers die niet de mogelijkheidhebben om op eigen terrein (tijdig) private laadvoorzieningen te kunnenrealiseren hebben daarnaast een goed alternatief. Nederland heeftnamelijk een bestaand en groeiend netwerk met voldoende publieke(snel)laders. Er zijn daarmee voldoende alternatieven voorhanden ommedewerkers elektrisch te kunnen laten rijden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1657 De leden van de fractie van de VVD vragen of de werkgever indirect depseudo-eindheffing kan verhalen op de werknemer door een hogere eigenbijdrage overeen te komen en of de heffing daardoor niet effectief is. Ookde leden van de fractie van het CDA vragen of het mogelijk is de heffingdoor te belasten naar werknemers in de vorm van een eigen bijdrage voorprivégebruik of een inhouding op het salaris.Het is niet toegestaan om de pseudo-eindheffing direct of indirect teverhalen op de werknemer. Als een werkgever dat wel doet, is dat eenhandeling in strijd met de wet. Een eigen bijdrage kan bij een werknemeralleen in mindering komen op de bijtelling als het een eigen bijdragebetreft die ziet op het privégebruik van een auto (niet zijndewoon-werkverkeer). Hiervan is geen sprake als de eigen bijdrageonrechtmatig wordt gebruikt om een heffing die de werkgeververschuldigd is in te verdisconteren. Indien bij controles of signalen wordtgeconstateerd dat handelingen in strijd met de wet worden verricht, zalhierop worden gehandhaafd.De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet of de loonbelastingin toenemende mate wordt ingezet voor beleidsdoelen die geen directerelatie hebben met het loonbegrip. De leden van de fractie van de VVDvragen welke waarborgen er bestaan om te voorkomen dat de loonheffingverandert in een algemeen beleidsinstrument, waardoor eenvoud entransparantie van het belastingstelsel verder onder druk komen te staan.Het kabinet erkent dat met de voorgestelde pseudo-eindheffing de Wet LB1964 wordt ingezet voor beleidsdoelen die geen directe relatie hebbenmet het loonbegrip, zoals ook de WBSO en de korting op de bijtelling. Hetkabinet heeft als doelstelling om maatregelen te treffen die eraanbijdragen om de klimaatdoelen te behalen. Hiervoor is het beleidskompasgevolgd. Er zijn verschillende opties in beeld gebracht om het doel terealiseren, ook mogelijkheden buiten de fiscale wet- en regelgeving(bijvoorbeeld een verbod op het ter beschikking stellen van fossieleauto’s). De gevolgen van deze opties zijn in beeld gebracht, waar devoorgestelde maatregel als voorkeursoptie uitkwam. Daarom heeft hetkabinet besloten om deze voorkeursoptie, de introductie van eenpseudo-eindheffing als een fossiele personenauto ter beschikking wordtgesteld, in het wetsvoorstel Belastingplan 2026 op te nemen.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan bevestigendat binnen de Wet LB 1964 het begrip woon-werkverkeer en het begripyoungtimers consistent wordt uitgelegd. Ook vragen deze leden naar hetaanmerken van woon-werkverkeer als privégebruik hetgeen afwijkend isvan hoe woon-werkverkeer wordt aangemerkt voor de bijtelling van deauto van de zaak, ook vragen zij naar de juridische houdbaarheid en deuitvoerbaarheid hiervan.Het begrip youngtimer verwijst naar de bijtelling voor privégebruik vaneen auto van de zaak voor auto’s van 15 jaar en ouder. Voor deze groepauto’s vormt niet de cataloguswaarde de grondslag, maar de waarde inhet economische verkeer. Voor deze grondslag is gekozen om bijbenadering het privévoordeel van het ter beschikking stellen van een autovan 15 jaar of ouder bij de werknemer te belasten. Voor de pseudo-eindheffing geldt echter een heel andere doelstelling en daar past ook eenandere afbakening bij. Het is de verwachting dat werkgevers over hetalgemeen relatief jonge auto’s ter beschikking zullen stellen aan hunwerknemers, waardoor niet de waarde in het economische verkeer maarde cataloguswaarde als uitgangspunt dient voor de pseudo-eindheffing.Mede gelet hierop is voor de pseudo-eindheffing voorgesteld om decataloguswaarde te hanteren voor auto’s die niet ouder zijn dan 25 jaar.De cataloguswaarde kan eenvoudig worden vastgesteld. De enige redenom hiervan af te wijken voor auto’s van 25 jaar of ouder, is omdat voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1658 sommige van deze personenauto’s de cataloguswaarde niet (eenvoudig)beschikbaar is. De waarde in het economisch verkeer als grondslag van depseudo-eindheffing zal gezien het voorgaande ook slechts in uitzonde-ringssituaties van toepassing zijn, namelijk bij het ter beschikking stellenvan een fossiele personenauto voor privédoeleinden van ouder dan25 jaar.Ook voor woon-werkverkeer wordt voor de toepassing van de pseudo-eindheffing voor een andere uitleg gekozen dan elders in de Wet LB 1964.Woon-werkverkeer wordt bijvoorbeeld voor de bijtelling van de auto vande zaak geacht plaats te vinden vanwege zakelijke doeleinden. Voor depseudo-eindheffing geldt woon-werkverkeer echter als privégebruik. Ditwijkt dus van elkaar af. Eerder was het uitgangspunt voor de pseudo-eindheffing ook dat woon-werkverkeer als zakelijkverkeer gezien zouworden. Hier is in de uiteindelijke vormgeving van het wetsvoorstel echtervan afgeweken, omdat het gewenste effect van deze regeling nietvoldoende zou worden bewerkstelligd. In de omzetbelasting wordtwoon-werkverkeer, net als voor de pseudo-eindheffing, geacht voorprivédoeleinden plaats te vinden. Voor de uitleg van het begripwoon-werkverkeer wordt daarom nauw aangesloten bij de definitie diewordt gehanteerd voor de omzetbelasting: het (heen en/of terug) reizenvan de woon- of verblijfplaats naar de in het kader van een overeenkomsttot het verrichten van arbeid overeengekomen vaste werkplaats(en) waarmen (één of meerdere dagen) zijn werkzaamheden verricht, met dienverstande dat een plek waar de inhoudingsplichtige is gevestigd ookkwalificeert als vaste werkplaats. Deze uitleg sluit naar de mening van hetkabinet aan bij de maatschappelijke beleving van woon-werkverkeer. In demeeste situaties is overigens de toets of sprake is van woon-werkverkeerniet nodig. De pseudo-eindheffing zal over het algemeen gelden als eenwerkgever een personenauto ter beschikking stelt voor privégebruik.Slechts als sprake is van een fossiele personenauto die uitsluitend zakelijkwordt gebruikt en waarbij een enkele keer sprake is van een rit waarbijmogelijk sprake is van woon-werkverkeer dient aan deze uitleg getoetst teworden. In de uitvoeringstoets van de Belastingdienst is aangegeven dathet gebruiken van een afwijkend begrip voor woon-werkverkeer totdiscussie kan leiden. Gelet daarop kiest het kabinet ervoor om dit begripwettelijk te verankeren, hiervoor wordt een nota van wijziging voorge-steld.De leden van de fractie van de VVD en de leden van de fractie van de BBBvragen naar de toepassing van de pseudo-eindheffing voor werkgeversvan rijinstructeurs en voor werkgevers in de auto-transportbranche ofautoverhuurbranche, voor zogenaamde hikers. Ook vragen de leden vande fractie van de BBB naar het aansluiten voor deze heffing bij hetbestaande hiker convenant.Voor beide type werkgevers gelden de regels zoals die voor allewerkgevers gelden. Als een rijinstructeur aan het einde van zijn werkdagvanuit een klant naar huis rijdt en de volgende morgen vanuit huis naarweer naar een klant rijdt, dan is geen sprake van woon-werkverkeer. Hetkabinet verwacht hierdoor dat rijschoolhouders niet te maken hoeven tekrijgen met de pseudo-eindheffing, tenzij ze besluiten om de lesauto ookvoor privégebruik in te zetten. Om die reden heeft het kabinet niet nodiggeacht om een vrijstelling in het voorstel op te nemen voor lesauto’s. Voorhikers geldt ook dat zolang zij niet vanuit hun vaste werkplek of hetvestigingsadres van de werkgever naar hun woon- of verblijfadres reizenof andersom, er geen sprake is van woon-werkverkeer. Als dezewerknemers in een hele kalendermaand geen enkele privérit rijden meteen auto van de zaak en dus geen enkele woon-werkrit maken, is depseudo-eindheffing voor die kalendermaand niet verschuldigd. Devoorbeeldovereenkomst die op de website van de Belastingdienst staat isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1659 bruikbaar voor werkgevers van hikers.85 In deze voorbeeldovereenkomststaat een verbod opgenomen voor privégebruik en woon-werkverkeer.Zolang werknemers zich houden aan deze overeenkomst en de daarbijbehorende toelichting, is de pseudo-eindheffing niet van toepassing.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe de pseudo-eindheffinguitvoerbaar en handhaafbaar zal zijn, gezien de bestaande druk op decapaciteit van de Belastingdienst. De leden van de fractie van de VVDvragen voorts welke gevolgen het kabinet verwacht voor de uitvoerings-kosten, de complexiteit van de aangiften en de handhavingscapaciteit.Ook vragen de leden van de fractie van de VVD of de uitvoeringskosten inverhouding staan tot de verwachte jaarlijkse opbrengst van circa € 45miljoen.De pseudo-eindheffing heeft niet als primaire doel om een budgettaireopbrengst te genereren, maar om de ingroei van elektrische auto’s teversnellen. Met het oog op het halen van de klimaatdoelen, is dit eenbelangrijke maatregel. De uitvoeringstoets van de Belastingdienst op devoorgestelde pseudo-eindheffing wordt met de nota naar aanleiding vanhet verslag met uw Kamer gedeeld. Uit de uitvoeringstoets van deBelastingdienst blijkt dat de verwachte uitvoeringskosten aan de zijde vande Belastingdienst € 6,49 miljoen incidenteel bedragen en € 0,15 miljoenstructureel. Qua capaciteit wordt een inspanning verwacht van incidenteel49 fte, verspreid over vijf jaar, en 1 fte structureel. De complexiteit van deloonaangifte als zodanig neemt niet sterk toe, nu er één rubriek wordttoegevoegd aan de loonaangifte. De maatregel leidt echter wel tot eentoename van complexiteit in de loonheffingen. Voor de uitvoering vandeze maatregel is vereist dat er een nieuwe rubriek in het collectieve deelvan de aangifte loonheffingen komt voor deze pseudo-eindheffing. Uit deuitvoeringstoets blijkt dat deze maatregel technisch maakbaar is. Eenwerkgever die fossiele personenauto’s ter beschikking stelt, dient hieroverper 2027 (tenzij overgangsrecht van toepassing is) via de nieuwe rubriekde pseudo-eindheffing aan te geven. Als de werkgever geen fossielepersonenauto’s ter beschikking stelt, is deze rubriek niet van toepassing.Voor de toevoeging van een nieuwe rubriek moeten de systemen van deBelastingdienst worden aangepast om de aangifte loonheffingen met dezenieuwe rubriek te kunnen ontvangen en verwerken. Hiervoor zijn extrawerkzaamheden nodig. Het wetsvoorstel veroorzaakt een vertraging in demodernisering van de systemen (uitfasering Cool:Gen) in de LH-keten vande Belastingdienst. Het kabinet heeft ervoor gekozen deze maatregelvoorrang te geven ten opzichte van de modernisering van de systemenvan de Belastingdienst. Ook blijkt uit de uitvoeringstoets dat de maatregelrisico’s kent ten aanzien van de handhaafbaarheid. Dit komt doordat deBelastingdienst geen automatisch toezicht in kan richten op deze rubriek.Handhaving is daarmee beperkt tot reguliere controles, waaronder viabedrijfsgesprekken en boekenonderzoeken. Dit gaat gepaard met eenincidentele personele inzet. Voorts stelt de Belastingdienst in voorko-mende gevallen dat discussie kan ontstaan over de definitie vanwoon-werkverkeer, nu deze niet in het wetsvoorstel is opgenomen. Medegezien de omvang van de doelgroep leidt dit tot extra benodigdecapaciteit bij de Belastingdienst. Gelet daarop kiest het kabinet ervoor omdit begrip wettelijk te verankeren. Hiervoor wordt een nota van wijzigingvoorgesteld. De Belastingdienst geeft ook aan dat de pseudo-eindheffingdoor werkgevers dient te worden aangegeven in de aangifte loonhef-fingen en als dit niet plaatsvindt is dit, net als voor de overige loonhef-fingen zonder controle niet zichtbaar voor de Belastingdienst. DeBelastingdienst heeft via de gegevens die via de aangifte loonheffingenbinnenkomen geen directe informatie over het aantal fossiele voertuigen85Voorbeeldovereenkomst verbod op privégebruik en gebruik woon-werkverkeer ter beschikkinggestelde personenauto’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1660 dat een werkgever ook voor privédoeleinden ter beschikking stelt. Hoewelde verwachting is dat de meeste auto’s die door een werkgever terbeschikking worden gesteld jonger zijn dan 25 jaar, benoemt de Belasting-dienst ook dat – ten behoeve van auto’s die ouder zijn dan 25 jaar – invoorkomende gevallen discussie kan ontstaan over de waarde in heteconomisch verkeer. Zowel bij Belastingdienst als inhoudingsplichtigen isnog geen ervaring met de maatregel, en de maatregel bevat nieuwedefinities en vereist additionele administratie.De leden van de fractie van de VVD vragen of de pseudo-eindheffingtijdsevenredig wordt toegepast vanaf de eerste dag van terbeschikking-stelling en niet voor de gehele kalendermaand, bijvoorbeeld wanneer dieterbeschikkingstelling pas halverwege de maand aanvangt.De pseudo-eindheffing vindt plaats over de gehele kalendermaand als defossiele personenauto in die betreffende maand privé is gebruikt. Dit isook het geval als de fossiele auto in die betreffende maand slechts eendag privé is gebruikt. De pseudo-eindheffing wordt gekoppeld aan defossiele personenauto en het feit dat deze in een kalendermaand terbeschikking is gesteld. Het is voor de heffing niet van belang aan welkewerknemer de personenauto ter beschikking is gesteld en of dezewerknemer de hele kalendermaand al in dienst is bij de werkgever. Bijfossiele poolauto’s, die steeds door verschillende werknemers wordengebruikt, zal dus steeds over de gehele kalendermaand pseudo-eindheffing verschuldigd zijn.De leden van de fractie van de VVD vragen voorts waarom het overgangs-recht wordt gekoppeld aan de auto in plaats van aan de werknemer. Dezeleden vragen of het kabinet bereid is om het overgangsrecht te verruimenvoor auto’s die vóór 17 september 2025 zijn besteld maar pas latergeleverd worden, zodat de overgangstermijn van vijf jaar aansluit bij dedatum van eerste terbeschikkingstelling.In het overgangsrecht van de pseudo-eindheffing wordt aangesloten bijde auto, omdat werkgevers (al dan niet via een leasemaatschappij)regelmatig gebruikmaken van poolauto’s die opeenvolgend aan verschil-lende werknemers ter beschikking worden gesteld. Indien het overgangs-recht zou worden gekoppeld aan de werknemer, zou dit als gevolg hebbendat een poolauto die een werkgever vanaf 2026 ter beschikking stelt aanverschillende werknemers al voor 2030 onder de pseudo-eindheffing gaatvallen als die fossiele personenauto na 2027 ter beschikking wordt gesteldaan een volgende werknemer. Met de voorgestelde overgangstermijn tot17 september 2030 acht het kabinet een goede balans te hebbengevonden tussen enerzijds de wens om werkgevers voldoende tijd tegeven om zich voor te bereiden en anderzijds de benodigde CO2-reductievoor het halen van de klimaatdoelen. Fossiele personenauto’s die voor17 september 2025 worden besteld, worden naar verwachting ruim voor1 januari 2027 geleverd en kunnen dus nog een behoorlijk aantal jaargebruik maken van het overgangsrecht tot 17 september 2030. Bovendienvindt het kabinet de periode tot 17 september 2030 voldoende om fossielepersonenauto’s uit te faseren en is het in veel situaties ook een keuze vande werkgever om de terbeschikkingstelling voor 17 september 2030 tebeëindigen.Gerelateerd aan deze vraag, vragen ook de leden van de fractie van deSGP waarom er niet voor is gekozen om alle contracten voor17 september 2025 te eerbiedigen, ongeacht hun looptijd. Deze ledenvragen voorts wat de praktische bezwaren en budgettaire consequentieshiervan zijn.Het kabinet stelt als norm dat werkgevers alleen nog emissievrijepersonenauto’s aanbieden, als ze een personenauto voor privédoeleindenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1661 ter beschikking stellen aan een werknemer. Om de klimaatdoelen te halenis het van belang dat het hele zakelijke wagenpark de overstap maakt naareen emissievrije variant. Tegelijkertijd vindt het kabinet het belangrijk datwerkgevers en werknemers voldoende tijd krijgen om zich voor tebereiden. In het voorstel voor de pseudo-eindheffing is daarom een ruimeovergangstermijn ingebouwd, waarbij vanaf 2027 de pseudo-eindheffingeerst alleen voor nieuwe gevallen geldt en vanaf 17 september 2030 ookvoor bestaande gevallen. Het voor altijd blijven uitzonderen vancontracten van voor 17 september 2025, zou haaks staan op de beoogdenormstelling van het kabinet dat alle personenauto’s die werkgevers voorprivédoeleinden ter beschikking stellen aan hun werknemers, emissievrijmoeten worden. Deze vrijstelling maakt de uitvoering daarnaastcomplexer en zal het naarmate de tijd vordert, steeds moeilijker wordenom na te gaan of een auto al voor 17 september 2025 ter beschikking isgesteld voor privédoeleinden. Ook vanuit uitvoeringsperspectief is hetdaarom wenselijk om op een gegeven moment de overgangstermijn tebeëindigen. De gemiddelde duur van een leasecontract is tussen de vieren vijf jaar. Met de overgangstermijn wordt in de budgettaire ramingverondersteld dat in 2032 een groot deel van de betreffende personen-auto’s van vóór 2027 het zakelijke wagenpark uitgestroomd zal zijn. Als ergeen einddatum van het overgangsrecht is en de pseudo-eindheffing nietvan toepassing is voor fossiele personenauto’s die vóór 2027 terbeschikking zijn gesteld, dan is de verwachting dat men hierop zalanticiperen door langer lopende leasecontracten af te sluiten om depseudo-eindheffing te ontwijken. De budgettaire gevolgen zullen naarverwachting echter beperkt zijn omdat de uitwijk in dat geval vanemissievrije personenauto’s naar onder het overgangsrecht vallendefossiele personenauto’s plaatsvindt en beide categorieën geen pseudo-eindheffing betalen. De ingroei van emissievrije personenauto’s zal echterlager uitvallen, waardoor er minder derving in de bpm en accijns teverwachten valt. Indien gekozen wordt voor een andere vormgeving vanhet overgangsrecht, zal er een nieuwe budgettaire raming moeten wordenopgesteld.De leden van de fractie van de VVD merken op dat zowel werkgevers alswerknemers momenteel te maken hebben met beperkingen in laadinfra-structuur en netcapaciteit. Deze leden vragen daarom of het kabinet erkentdat invoering per 1 januari 2027 voor veel werkgevers praktisch niethaalbaar is, mede gezien langlopende leasecontracten en installatieter-mijnen.Het kabinet herkent de signalen niet dat het praktisch onhaalbaar is voorwerkgevers om per 2027 voor een deel van de personenauto’s die ze terbeschikking stellen aan hun werknemer over te stappen op een elektrischevariant. Juist omdat de pseudo-eindheffing de auto’s betreft die privéworden gebruikt is niet altijd nodig dat de auto’s op het terrein van dewerkgever kunnen laden. Werkgevers die niet de mogelijkheid hebben omop eigen terrein (tijdig) private laadvoorzieningen te kunnen realiserenhebben daarnaast een goed alternatief. Nederland heeft namelijk eenbestaand en groeiend netwerk met voldoende publieke (snel)laders. Erzijn daarmee voldoende alternatieven voorhanden om medewerkerselektrisch te kunnen laten rijden. Wanneer er wel de wens is om op hetterrein van de werkgever te laden is er daarnaast, als gevolg vannetcongestie met mitigerende maatregelen vaak nog veel mogelijk omprivate laadvoorzieningen binnen de bestaande netaansluiting terealiseren zoals bijvoorbeeld met loadbalancing en/of batterijoplossingen.Werkgevers krijgen daarnaast ruim de tijd om zich voor te bereiden op depseudo-eindheffing. De maatregel is aangekondigd in april 2025 en treedtpas in werking per 2027. Aan werkgevers wordt daarmee een ruimevoorbereidingstijd geboden door te werken met een overgangstermijn.Daarnaast is besloten om de maatregel op te nemen in het wetsvoorstelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1662 Belastingplan 2026, terwijl de maatregel pas in 2027 in werking treedt. Naafronding van het wetgevingsproces hebben werkgevers dus nog een jaarom zich voor te bereiden. Bovendien geldt een ruime overgangstermijn,wat betekent dat de pseudo-eindheffing in 2027 nog niet gaat gelden voorbijvoorbeeld lopende leasecontracten. Per 2027 hoeft alleen pseudo-eindheffing te worden betaald als het gaat om een fossiele personenautodie dan voor het eerst voor privédoeleinden ter beschikking wordt gesteldaan een werknemer. Voor bestaande gevallen geldt een overgangstermijntot 17 september 2030. Vanaf dan pas geldt de pseudo-eindheffing vooralle fossiele personenauto’s die voor privédoeleinden aan de werknemerter beschikking worden gesteld.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is om deinvoeringsdatum te verschuiven naar 1 januari 2028, om werkgevers meertijd te geven om hun wagenpark en infrastructuur aan te passen.De introductie van de pseudo-eindheffing per 1 januari 2027 levert eenbelangrijke bijdrage aan het halen van de afgesproken klimaatdoelen. Hetopschuiven van de invoeringstermijn naar 2028 zou het wettelijkklimaatdoel van 55% emissiereductie in 2030 verder buiten bereikbrengen. In de voorgestelde pseudo-eindheffing is bovendien een ruimeovergangstermijn opgenomen, waarbij alleen voor fossiele personen-auto’s die voor het eerst voor privédoeleinden per 2027 ter beschikkingworden gesteld, een pseudo-eindheffing moet worden betaald. Datbetekent dat in 2027 een groot deel van de personenauto’s die werkgeversvoor privédoeleinden ter beschikking stellen nog niet onder de pseudo-eindheffing vallen. Hiermee biedt het kabinet een ruime mogelijkheid aanwerkgevers om zich aan te passen. Vanwege de afgesproken klimaat-doelen en de reeds ruime overgangstermijn is het kabinet niet bereid omde ingangsdatum van de pseudo-eindheffing op te schuiven van 2027naar 2028.De leden van de fractie van de VVD vragen naar een verduidelijking vande loonbelastinggevolgen die samenhangen met het opladen vanelektrische auto’s. Ter illustratie vragen de leden van de fractie van de VVDhoe het zit met het ter beschikking stellen of vergoeden van een laadpaalbij de werkplek en/of de woning en het verstrekken van energie of hetvergoeden van de oplaadkosten. De leden van de fractie van de VVDvragen of het kabinet bereid is om voordat de pseudo-eindheffing inwerking treedt een handleiding te publiceren waarin de fiscale gevolgenvan het opladen van elektrische auto’s, het plaatsen van laadpunten bijwerkplek en woning en het vergoeden van energieverbruik duidelijkworden uiteengezet.De Belastingdienst ontvangt regelmatig vragen hierover en heeft hier viade publicatie van een aantal standpunten van de kennisgroep loonheffingalgemeen ook informatie over gedeeld.86 Om de informatievoorzieninghierover te verbeteren heeft de Belastingdienst er ook enkele passagesover opgenomen in het handboek loonheffingen.87Een werkgever kan een laadpaal bij de werkplek en/of de woningfaciliteren, waarmee de werknemer vervolgens diens elektrische autooplaadt. Als sprake is van een ter beschikking gestelde auto van de zaak,heeft het vergoeden van de kosten of het verstrekken van het gebruik vande laadpaal geen gevolgen voor de loonheffingen. Het loonvoordeel van86KG:204:2024:13 Vergoeding laadkosten auto van de zaak | Kennisgroepen – vergoedinglaadkosten auto van de zaak, KG:204:2024:14 Opladen auto van de zaak | Kennisgroepen –Gevolgen opladen auto van de zaak, KG:204:2022:5 Terugeisen laadpaal auto van de zaak |Kennisgroepen – Gevolgen niet terugeisen laadpaal ivm auto van de zaak en KG:204:2022:40Opladen privéauto aan laadpaal werkgever | Kennisgroepen – opladen privéauto aan laadpaalwerkgever.87Paragraaf 23.1.6 (eigen elektrische auto) en paragraaf 23.3.9 (laadpaal, elektra bij terbeschikking gestelde auto) van het Handboek loonheffingen (editie oktober 2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1663 een werknemer, wordt via de toepassing van een eventuele bijtellingbelast in de loonheffingen. De werkgever kan hierbij de integrale kostprijsvan elektriciteit onbelast vergoeden aan een werknemer. Het betreft dande kosten die een werknemer zelf betaalt aan diens energieleveranciervanwege het laden van de auto van de zaak. Als de werknemer delaadpaal gebruikt om een eigen auto op te laden, is het vergoeden van dekosten van de laadpaal en het opladen onbelast zolang dat past binnen deonbelaste vergoeding en verstrekking van maximaal € 0,23 per kilometervoor met deze auto gereden zakelijke kilometers. Indien de werkgevermeer vergoedt, kan deze er ook nog voor kiezen om de vrije ruimte binnende werkkostenregeling te benutten, mits wordt voldaan aan de gebruike-lijkheidstoets.De leden van de fractie van de VVD constateren dat de voorgesteldepseudo-eindheffing een inbreuk maakt op de rechtsvormneutraliteit,doordat deze niet van toepassing is op een eenmanszaak, maar wel vantoepassing is op DGA-ondernemer. Deze leden vragen of de inbreuk op derechtsvormneutraliteit kan worden hersteld middels het uitzonderen vanDGA-ondernemers van de pseudo-eindheffing en wat het effect hiervanop de doelmatigheid en doeltreffendheid van de pseudo-eindheffing zouzijn.In het huidige fiscale stelsel worden verschillende rechtsvormen reedsverschillend belast. Als sprake is van een directeur-grootaandeelhouder(DGA) kwalificeert het lichaam waarin de DGA een aanmerkelijk belangheeft als inhoudingsplichtige voor de loonheffing en kan daardoor depseudo-eindheffing van toepassing worden. Daar staan andere fiscalevoordelen voor DGA’s ten opzichte van een eenmanszaak tegenover. Hetuitzonderen van DGA’s van de pseudo-eindheffing verkleint de reikwijdte,waardoor het klimaateffect kleiner wordt. Hierbij gaat het om circa 120.000DGA’s met een auto van de zaak. Het kabinet vindt het bovendien nietgoed uitlegbaar richting andere werkgevers waarom zij wel pseudo-eindheffing zouden moeten betalen en (inhoudingsplichtigen van) DGA’s –die onder de loonheffingen ook kwalificeren als werknemer – niet.De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet om nader toe telichten hoe zij is gekomen tot het voorgestelde tarief van 12 procent voorde pseudo-eindheffing en op basis van welke gedragsverwachtingen eneconomische doorrekeningen dit percentage is vastgesteld. Deze ledenvragen tot slot welke overwegingen het kabinet vervolgens heeft gemaaktom tot dit percentage en tot de CO2-reductie van 0,4 Mton in 2030 tekomen.Het kabinet stelt via de pseudo-eindheffing een norm waarmee zijverwacht van werkgevers dat vanaf 2027 alleen nog elektrische personen-auto’s voor privédoeleinden ter beschikking worden gesteld aanwerknemers, en geen fossiele personenauto’s meer. Om van de pseudo-eindheffing een normerende werking uit te laten gaan, is het van belangdat het tarief hoog genoeg is. Op basis van onder andere een kwantita-tieve analyse van mogelijke uitwijkeffecten en de huidige kosten voorwerkgevers om een fossiele personenauto ter beschikking te stellen,verwacht het kabinet dat een tarief van 12% voldoende hoog is voor debeoogde normerende werking. In reactie op deze maatregel verwacht hetkabinet dat 80% van de werkgevers het gebruik van elektrische perso-nenauto verplicht gaan stellen. Voor het deel van de werkgevers die dekeuze aan de werknemer laat, kan de werknemer ook nog steeds kiezenvoor een elektrische auto. Deze gedragseffecten worden integraaldoorgerekend in het autowagenparkmodel SPARK, dat door hetPlanbureau voor de Leefomgeving (PBL) en Rijkswaterstaat is ontwikkeld.Op basis van deze doorrekening komt het kabinet tot een verwachteCO2-reductie van circa 0,4 Mton in 2030. Het PBL komt in de Klimaat- enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1664 Energieverkenning 2025 met 0,2 tot 0,4 Mton CO2-reductie tot eensoortgelijk gedragseffect. Echter was ten tijde van de doorrekening vanhet PBL voor de KEV2025 de exacte vormgeving van de pseudo-eindheffing nog niet bekend. Deze is pas bekend gemaakt in het Belas-tingplan 2026. Het Centraal Planbureau heeft de budgettaire raming vande pseudo-eindheffing gecertificeerd.De leden van de fractie van de BBB vragen of het kabinet kan aangevenhoeveel demonstratievoertuigen in Nederland rondrijden. Het kabinetheeft geen informatie over hoeveel demonstratievoertuigen in Nederlandrondrijden. Dit wordt namelijk niet centraal geregistreerd.De leden van de fractie van de BBB vragen het kabinet of het klopt dat hetuitzonderen van demonstratievoertuigen van de pseudo-eindheffing geenaanvullende dekking vraagt omdat het kabinet niet langer inkomsten uitaccijns en BPM mist.De budgettaire reeks van de pseudo-eindheffing is een combinatie vanverschillende effecten. Zo is een deel van de budgettaire opbrengst teverklaren als gevolg van het feit dat een aantal werkgevers de pseudo-eindheffing toch gaan betalen. Ook wordt een meeropbrengst verwacht inde energiebelasting en motorrijtuigbelasting door de extra ingroei vanelektrische auto’s. Daarnaast wordt er een budgettaire derving verwacht,doordat de grondslagerosie in de bpm en brandstofaccijnzen toeneemtdoor de afname van fossiele auto’s. Voor de maatregel als geheel leidt ditper saldo tot een structurele derving. Het is niet op voorhand te zeggen ofeen uitzondering voor fossiele demonstratiepersonenauto’s niet omaanvullende dekking vraagt. Indien de veronderstelling in de voorgaandevraag klopt dat de pseudo-eindheffing voor fossiele demonstratieperso-nenauto’s onvermijdelijk is, dan leidt een uitzondering naar verwachtingtot een budgettaire derving die moet worden gedekt. In hoeverre depseudo-eindheffing bij fossiele demonstratiepersonenauto’s onvermij-delijk is, zal mede afhangen van de mogelijkheid om afspraken metautofabrikanten te maken om fossiele demonstratiepersonenauto’s alleenvoor zakelijke ritten in te zetten en niet meer voor privéritten. Het kabinethecht er daarnaast aan te benadrukken dat zij een uitzondering voorfossiele demonstratiepersonenauto’s onwenselijk vindt. Demonstratie-voertuigen zijn ervoor bedoeld om de aankoop van dat type voertuig testimuleren. Het voorstel van het kabinet is er juist op gericht om deaankoop van fossiele personenauto’s te ontmoedigen. Daarom ligt hetniet in de rede om demonstratiepersonenauto’s uit te zonderen van depseudo-eindheffing.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet aankijkt tegende zorg van auto- en milieuorganisaties dat de pseudo-eindheffingnegatieve effecten heeft op verduurzaming van het wagenpark, onderandere omdat gebruik zal worden gemaakt van uitwijkmogelijkheden doorwerknemers een mobiliteitsbudget te geven of de kosten vanwoon-werkverkeer te vergoeden, waardoor werknemers vaker eengoedkopere, tweedehandsauto met verbrandingsmotor zullen kopenwaardoor de CO2-uitstoot stijgt. De leden van de fractie van het CDAvragen voorts hoe het kabinet kijkt naar de oproep tot een meer geleide-lijke ingroei van normeren en beprijzen. De leden van de fractie van deChristenUnie vragen hoe groot het kabinet het substitutie-effect inschat,waardoor werkgevers en werknemers ervoor kiezen om te werken metbijvoorbeeld een reiskostenvergoeding. Deze leden vragen voorts of ditniet juist de doelstelling van het kabinet ondermijnt. De leden van defractie van de ChristenUnie wijzen er tot slot op dat het op dit moment optamelijk grote schaal voorkomt dat werknemers niet kiezen voor eenemissievrije leaseauto, maar een (onbelaste) reiskostenvergoeding perTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1665 kilometer, en deze kilometers vervolgens met een eigen fossiele autoafleggen. Deze leden vragen het kabinet om hierop te reflecteren endaarbij ook aan te geven wat de eerste en tweede orde uitwijkeffecten vande voorgestelde pseudo-eindheffing zijn.De pseudo-eindheffing wordt via de ruime overgangstermijn tot17 september 2030 reeds gefaseerd ingevoerd. Vanaf 2027 geldt depseudo-eindheffing namelijk alleen voor fossiele personenauto’s die vanafdat moment voor het eerst voor privédoeleinden ter beschikking wordengesteld aan de werknemer. Voor bestaande gevallen, zoals lopendeleasecontracten, geldt een overgangstermijn tot 17 september 2030. Ditbiedt flexibiliteit aan zowel de werkgever als werknemer, om zich voor tebereiden op de overstap naar elektrisch rijden. Het kabinet heeft demogelijke uitwijkopties en de bijbehorende consequenties voor dewerkgevers en werknemers nader in kaart laten brengen. Dit onderzoek isals bijlage bij het Belastingplan 2026 meegestuurd naar uw Kamer. Uit dekwantitatieve analyse blijkt dat het voor een werkgever veel duurder is omvia een mobiliteitsbudget (in combinatie met onbelaste reiskostenver-goeding) de werknemer een soortgelijke nieuwe auto privé te latenaanschaffen. Op basis van deze analyse acht het kabinet het niet plausibeldat dergelijke uitwijkeffecten op grote schaal plaatsvinden. De uitge-voerde enquêtes onder werkgevers en werknemers laten namelijk zien datnaast financiële overwegingen ook andere elementen een rol spelen in dekeuze om een elektrische auto te gaan rijden, zoals praktische punten alsactieradius en mogelijkheid om op te laden.De leden van de fractie van het CDA vragen of werkgevers die eenemissievrije bedrijfsauto willen aanschaffen, die ter beschikking wordtgesteld aan een werknemer, deels ook voor privégebruik, deze automogen aanschaffen met toepassing van de energie-investeringsaftrek ofmilieu investeringsaftrek.De bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor de energie-investeringsaftrek of de milieu-investeringsaftrek staan op respectievelijkde Energielijst en Milieulijst. Deze lijsten worden ieder jaar aangescherpt,waarbij technieken die inmiddels een korte terugverdientijd hebbengekregen of meer gangbaar zijn geworden, op de lijst worden ingeruildvoor nieuwere, innovatievere technieken. Op dit moment staat deelektrische personen- en bestelauto (met accupakket) niet meer op deMilieulijst of Energielijst.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welk flankerend beleidhet kabinet naast de pseudo-eindheffing wil plaatsen. De leden van defractie van de ChristenUnie vragen voorts of is overwogen om nog eenjaar langer, dus ook in 2026, te werken met een lagere bijtelling van17 procent in plaats van 22 procent. Deze leden vragen welke opties hetkabinet hiertoe ziet en of het kabinet kan ingaan op het eventueelversoberen van de youngtimerregeling als dekking hiervan.De huidige korting in de bijtelling voor elektrische auto’s loopt per1 januari 2026 af. Zonder korting zijn elektrische auto’s voor werknemersin de bijtelling vanaf 2026 vaak duurder door de hogere cataloguswaarde,wat voor auto’s jonger dan 15 jaar de grondslag in de bijtelling is. Eenverlaagd bijtellingstarief van 18 procent (in plaats van 22 procent) voorelektrische auto’s tot een cataloguswaarde van € 45.000 zou voldoendezijn om het kostennadeel voor elektrische auto’s in het A, B en C segmentten opzichte van vergelijkbare fossiele auto’s weg te nemen. Door tewerken met een harde cap van een cataloguswaarde tot € 45.000, kanbovendien worden voorkomen dat grote, dure elektrische auto’s ookbelastingvoordeel krijgen terwijl ze dit niet meer nodig hebben. Debudgettaire derving bedraagt circa € 23 miljoen in de eerste jaren en€ 14 miljoen structureel. Een versobering in de youngtimerregeling zouTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1666 kunnen zijn een aanpassing van de leeftijdsgrens in de youngtimerre-geling van 15 naar 25 jaar. Dit leidt tot een budgettaire opbrengst van € 35miljoen structureel, die gebruikt zou kunnen worden voor dekking van eennieuwe korting in de bijtelling. In de praktijk blijkt de youngtimerregelingin de bijtelling uit te pakken als een fiscale stimulans om zakelijk eenpersonenauto van 15 jaar of ouder te gaan rijden, terwijl het is bedoeldom het loon in natura zo goed mogelijk vast te stellen. Met het ophogenvan de leeftijdsgrens van 15 naar 25 jaar kan dit (deels) worden gecorri-geerd. Tegelijkertijd leidt dit tot een lastenverhoging voor een specifiekegroep, wat moet worden gewogen. Vanwege het dekkingsvraagstuk heefthet kabinet in het Belastingplan 2026 geen verlengde bijtellingskortingvoor emissievrije personenauto’s opgenomen.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het niet logischer isom de MRB-korting voor elektrische auto’s onverkort voort te zetten, ookna 2029.Het kabinet heeft in het Belastingplan 2026 een eerste stap gezet door detariefkorting voor emissievrije personenauto’s in de motorrijtuigenbe-lasting tijdelijk te verhogen van 25% naar 30%. Na 2029 loopt de tarief-korting af. De inrichting van de autobelastingen op de middellangetermijn vraagt om een fundamentelere aanpak op stelselniveau. Hetkabinet heeft voor het zomerreces daarom een contourenbrief over dehervorming van de autobelastingen naar uw Kamer gestuurd. In dezebrief zet het kabinet verschillende denkrichtingen uiteen, waaronder deomvorming van de grondslag in de motorrijtuigenbelasting van gewichtnaar voertuigoppervlakte. Op deze manier wordt een elektrische auto inde toekomst niet meer zwaarder belast dan een vergelijkbare fossielepersonenauto. Besluitvorming hierover is in beginsel aan een volgendkabinet.De leden van de fractie van de SGP vragen waarom het kabinet nietervoor heeft gekozen om de pseudo-eindheffing eerst op leggen op demeest vervuilende auto’s (op basis van bijvoorbeeld CO2-uitstoot) enhybride auto’s voorlopig nog uit te sluiten van de heffing.Het kabinet beoogt met de introductie van de pseudo-eindheffing om deafgesproken klimaatdoelen dichterbij te brengen. De CO2-winst van eenhybride fossiele auto ten opzichte van een conventionele fossiele auto isin de praktijk beperkt en onvoldoende voor het halen van de klimaat-doelen. Specifiek voor plug-in hybrides geldt dat ze als verbrandings-motor duurder in het gebruik zijn dan een traditioneel verbrandingsmotor-voertuig en ze zijn als elektrisch voertuig veel minder efficiënt dan eenvolledig batterij-elektrisch voertuig. De grootste CO2-winst wordt behaaldmet de overstap van een fossiele personenauto op een volledig emissie-vrije auto. Onder de pseudo-eindheffing zijn daarom alleen volledigemissievrije personenauto’s vrijgesteld.Voorstel ongelijke breukdelen bij een huwelijksgoederengemeen-schapDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA lezen dat de voorgesteldemaatregel niet met terugwerkende kracht geldt en vragen of het doel vande maatregel niet juist het effectueren van heffing is in plaats van heffingin de toekomst voorkomen. Verder vragen deze leden om een toelichtingwaarom het kabinet het ongewenst acht dat echtgenoten die eerder omniet-fiscale redenen een ongelijk breukdeel in de huwelijksgoederenge-meenschap zijn overeengekomen niet onder de voorgestelde maatregelvallen. Ook vragen deze leden waarom echtgenoten nog de kans zoudenmoeten krijgen om heffing te voorkomen. Verder vragen deze leden of hetjuridisch houdbaar zou zijn om het overgangsrecht achterwege te laten.Het doel van de voorgestelde maatregel is het tegengaan van onbelasteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1667 vermogensovergangen tussen echtgenoten door middel van een ongelijkebreukdelengemeenschap.88 Er is overgangsrecht voorgesteld dat inhoudtdat de maatregel niet van toepassing is in geval van huwelijksevoorwaarden waarin reeds een ongelijke breukdelengemeenschap of eenverrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen voor16 september 2025, 16:00 uur. Zonder overgangsrecht zou de maatregelook van toepassing zijn in de situaties dat echtgenoten in hun huwelijksevoorwaarden ongelijke breukdelen zijn overeengekomen, op het momentdat zij nog geen rekening konden houden met deze maatregel. Dergelijkematerieel terugwerkende kracht vraagt om de nodige voorzichtigheid,aangezien de rechtszekerheid hiermee in het geding komt. Nog afgezienvan de juridische houdbaarheid acht het kabinet het daarom onwenselijkom het overgangsrecht bij deze maatregel achterwege te laten.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet erkent dat dehuidige formulering ruimer uitpakt dan beoogd en ook situaties treftwaarin géén fiscaal motief speelt, bijvoorbeeld bij huwelijksvoorwaardendie aansluiten bij een bestaande ongelijkheid in vermogen of terbescherming van ondernemingsvermogen. Zij vragen verder of hetkabinet kan aangeven waarom het overeenkomen van ongelijke breuk-delen voor (nagenoeg) uitsluitend civielrechtelijke beweegredenenonwenselijk is. Ook de leden van de fractie van NSC vragen of het kabinetkan toelichten waarom er geen onderscheid wordt gemaakt tussen fiscaalen niet-fiscaal gemotiveerde gevallen. Ook de leden van de fractie van hetCDA vragen of deze maatregel een andere verdeling om niet-fiscaleredenen doorkruist.De huidige formulering pakt niet ruimer uit dan beoogd. Op basis van devoorgestelde maatregel wordt in geval van een ongelijke breukdelenge-meenschap erf- of schenkbelasting geheven over hetgeen een echtgenootbij de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap meer toekomtdan de helft van die gemeenschap, ongeacht de beweegreden voor hetovereenkomen van deze ongelijke breukdelen. Dit stemt overeen met hetbeoogde doel van deze maatregel van het kabinet. Het kabinet acht hetpassend dat aan echtgenoten bij het einde van het huwelijk 50% van dehuwelijksgoederengemeenschap toekomt zonder heffing van erf- ofschenkbelasting. Dit sluit aan bij het uitgangspunt in het BurgerlijkWetboek (BW) op basis waarvan echtgenoten een gelijk aandeel hebbenin de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.89 Het kabinet acht hetechter onwenselijk dat echtgenoten door middel van een ongelijkebreukdelengemeenschap onbeperkt vermogen kunnen doen overgaanzonder heffing van erf- of schenkbelasting. Het is ook niet de bedoelingvan de Successiewet 1956 dat schenkingen en erfenissen tussen echtge-noten in algemene zin zijn vrijgesteld van belasting. Er geldt bijvoorbeeldin de Successiewet 1956 in 2025 een partnervrijstelling van € 804.696.Ongeacht de beweegredenen van echtgenoten voor het aangaan vanongelijke breukdelen, is het ongewenst dat het (bijkomend) effect is datechtgenoten geen of veel minder erf- of schenkbelasting betalen.Wat betreft aansluiten bij een bestaande ongelijkheid in vermogen of terbescherming van ondernemingsvermogen merk ik op dat een ongelijkebreukdelengemeenschap niet of niet de enige manier is om dit tebewerkstelligen. Als immers op het moment van aangaan van hethuwelijk gekozen wordt voor een bepaalde ongelijke verhouding, is nietduidelijk of die verhouding nog recht doet aan de situatie op het momentdat de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden. Met andere woorden: alsde ene aanstaande echtgenoot een vermogen heeft dat negen keer zo88Hieronder wordt naast een huwelijksgoederengemeenschap met een verdeling in ongelijkebreukdelen ook verstaan een verrekenbeding, waarbij het vermogen verrekend wordt opgrond van een verdeling in ongelijke breukdelen.89Artikel 1:100 BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1668 groot is als dat van de andere aanstaande echtgenoot, en zij eenhuwelijksgoederengemeenschap met breukdelen 10%-90%, overeen-komen, is dat ook de verhouding waarin het vermogen aan het einde vanhet huwelijk aan ieder van hen toekomt. Dit terwijl het vermogen van debij aanvang meest vermogende echtgenoot ook kleiner kan zijn geworden,bijvoorbeeld door beleggingen die in waarde zijn gedaald of doordat hetbedrijf van een echtgenoot minder succesvol is dan eerst. Het kan ook netzo goed zijn dat tijdens het bestaan van de huwelijksgoederengemeen-schap het meeste vermogen wordt ingebracht door de aanvankelijk minstvermogende echtgenoot. Ter illustratie verwijs ik naar voorbeeld 10 in dememorie van toelichting bij de maatregel.Indien echtgenoten rekening willen houden met een ongelijke aanbrengvan vermogen, wordt veeleer gekozen een gedeelte van het vermogenbuiten de huwelijksgoederengemeenschap – en dus in privé – te houden.Dit geldt ook voor de bescherming van ondernemingsvermogen. Wanneerhet ondernemingsvermogen tot een huwelijksgoederengemeenschapbehoort, staat dit vermogen bloot aan uitwinning door schuldeisers vanbeide echtgenoten. Ter bescherming van dit vermogen zal de onderne-mende echtgenoot het ondernemingsvermogen in de regel buiten eenhuwelijksgoederengemeenschap houden.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, NSC en CDA vragen naarvoorbeelden van situaties waarin ongelijke breukdelen zijn vastgesteld omniet-fiscale redenen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragenverder welke actie echtgenoten in deze situatie zouden moeten nemen omheffing in de toekomst te voorkomen.Zoals hiervoor toegelicht is het aangaan van een ongelijke breukdelenge-meenschappen niet de meest geëigende manier om rekening te houdenmet een ongelijke verhouding in vermogens bij aanvang van het huwelijk.Ongelijke breukdelengemeenschap komen in de praktijk daaromvermoedelijk niet veel voor. Een mogelijk voorbeeld van een civielrechte-lijke of persoonlijke beweegreden om een huwelijksgoederengemeen-schap met ongelijke breukdelen overeen te komen is het uithollen van delegitieme portie. Deze beweegreden is ook door verschillende organisatiesgenoemd in de internetconsultatie. Dat neemt echter niet weg dat eenbijkomend effect van de overeengekomen ongelijke breukdelen is dathiermee erfbelasting kan worden bespaard. Om die reden acht het kabinethet wenselijk om ook in dergelijke gevallen erfbelasting te heffen, zodatdit belastingbesparende effect wordt weggenomen.De leden van de fractie van de VVD vragen of het klopt dat de meestvermogende echtgenoot met een breukdeel dat groter is dan 50% bij hetoverlijden van de minst vermogende echtgenoot erfbelasting betaalt overdiens eigen vermogen. Ook vragen deze leden op welke wijze dit wordtvoorkomen en of het wetsvoorstel op dit punt kan worden herzien. Dezeleden vragen ook aandacht voor de samenloop met het civiele huwelijks-vermogensrecht en het erfrecht en vragen hoe wordt geborgd dat hetfiscale begrip aansluit bij de civielrechtelijke realiteit. Tot slot vragen deleden van de fractie van NSC hoe wordt voorkomen dat ook zuivercivielrechtelijke of langdurige afspraken worden belast, terwijl feitelijkgeen sprake is van vermogensoverdracht of bevoordeling. Bij het aangaanvan een huwelijksgoederengemeenschap is er geen sprake meer vaneigen vermogen maar gaat het eigen vermogen op in de huwelijksgoeder-engemeenschap van de beide echtgenoten. Het voorgaande geldt nietvoor zover er vermogen buiten het huwelijkse vermogen wordt gelatenomdat er een beperkte gemeenschap van goederen wordt aangegaan. Ditvermogen is en blijft eigen vermogen. Sinds 1 januari 2018 is de wettelijke«standaard» gemeenschap van goederen in het BW een beperktegemeenschap van goederen, waar voorhuwelijkse privévermogen buitenblijft. Voor wat betreft het gezamenlijke huwelijkse vermogen geldt datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1669 beide echtgenoten een aandeel hebben in dit vermogen en dat als opgrond van ongelijke breukdelen meer dan de helft van dit vermogen doorbij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap aan eenechtgenoot toekomt, over dit meerdere schenk-of erfbelasting wordtgeheven. Zoals eerder genoemd hebben echtgenoten ook de mogelijkheidom in hun huwelijkse voorwaarden overeen te komen dat slechts eengedeelte van hun vermogen tot de huwelijksgoederengemeenschap gaatbehoren. Aldus kan worden bewerkstelligd dat de meest vermogendepartner dit vermogen privé houdt. Bij de voorgestelde maatregel wordtniet afgeweken van de civielrechtelijke realiteit. De ongelijke breukdelen-gemeenschap wordt gerespecteerd, maar er wordt bij ontbinding ervanschenk- of erfbelasting geheven als de verkrijging meer bedraagt dan 50%van de huwelijksgoederengemeenschap.De leden van de fractie van de VVD vragen of de voorgestelde maatregelniet een zeer grote inmenging in het privéleven van burgers is en hoe ditzich verhoudt tot artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten vande Mens (EVRM).In dit artikel wordt het recht op eerbiediging van privé, familie- engezinsleven geregeld. Naar de opvatting van het kabinet doet zich geenstrijd voor met artikel 8 EVRM. Genoemd artikel schept niet deverplichting voor de overheid om het mogelijk te maken dat aan echtge-noten op grond van ongelijke breukdelen bij de ontbinding van dehuwelijksgoederengemeenschap meer toekomt dan de helft van diegemeenschap zonder dat schenk- of erfbelasting wordt geheven. Voorzover wordt aangesloten bij het wettelijke uitgangspunt van een gelijkaandeel, vindt de voorgestelde maatregel geen toepassing. Daarnaastblijft het mogelijk om bepaald vermogen buiten de huwelijksgoederenge-meenschap te houden. Er geldt bovendien een ruime overgangsregelingvoor bestaande gevallen. Indien de gemeenschap wordt ontbonden doorhet overlijden van een van de partners geldt bovendien een (ruime)vrijstelling van € 804.696 (in 2025).De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is dereikwijdte van de voorgestelde maatregel te beperken tot de gevallenwaarin de minst vermogende echtgenoot door de wijziging gerechtigdraakt tot meer dan 50% van het gezamenlijke vermogen, conform debenadering uit het wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen 2018 (OFM2018).Het kabinet gaat hier niet toe over. Dat wetsvoorstel regelde dat hetaangaan of het wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijkzou leiden tot heffing van schenkbelasting voor zover het aandeel van deminstvermogende in het totale vermogen hoger zou worden dan 50% ofhet aandeel van de meestvermogende in het totale vermogen zoutoenemen. Het onderhavige voorstel kent een wezenlijk andere insteekdan het voorstel in OFM 2018. Zoals in de toelichting is aangegevenverschilt dit voorstel op twee onderdelen van het voorstel in OFM 2018.Ten eerste werd in dat voorstel voor de heffing aangesloten bij het tijdstipvan het aangaan van het huwelijk of van het wijzigen van huwelijksevoorwaarden. Het huidige voorstel sluit aan bij het tijdstip van ontbindingvan de huwelijksgoederengemeenschap of van de verrekening. Tentweede was niet het huwelijksvermogen (het vermogen van de huwelijks-goederengemeenschap dan wel de op grond van een verrekenbeding teverrekenen vermogens) de grondslag, maar het totale vermogen van deechtgenoten. Er is in dit voorstel expliciet voor gekozen om niet bijaanvang van het huwelijk, maar bij het einde van het huwelijk schenk- oferfbelasting te heffen in het geval van ongelijke breukdelen. Het aangaanvan een huwelijksgoederengemeenschap heeft civielrechtelijk alsuitgangspunt dat beide vermogens worden samengevoegd en datechtgenoten hier een gelijk aandeel in hebben, onder respectering van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1670 aandeel van de ander. Vanaf het moment van het aangaan van eenhuwelijksgoederengemeenschap is er in deze gemeenschap dus geensprake meer van «een minst vermogende» en «meest vermogendeechtgenoot». Vermogensbestanddelen die privé worden gehouden – endus niet tot de huwelijksgoederengemeenschap gaan behoren – blijvenook na ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap van debetreffende echtgenoot zelf of worden verkregen door de erfgenamen. Hetlaatste leidt al tot heffing van erfbelasting. Er is dus geen noodzaak met devoorgestelde maatregel om te toetsen op het gezamenlijke vermogen vanbeide echtgenoten.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet bereid is eentegenbewijsregeling op te nemen waarmee niet-fiscale motieven kunnenworden aangetoond. Ook de leden van de fractie van NSC vragen waaromhier niet voor gekozen is. Daarnaast vragen de leden van de fractie vanNSC of een 180-dagenregeling overwogen is.Het kabinet gaat niet over tot introductie van een tegenbewijsregeling of180-dagenregeling. Tijdens het vormgeven van deze maatregel zijn dedoor de leden genoemde alternatieven onderzocht, maar deze passen nietbij het doel van de voorgestelde maatregel, namelijk het tegengaan vanonbeperkte vermogensovergangen tussen echtgenoten zonder heffingvan erf- of schenkbelasting door middel van een ongelijke breukdelenge-meenschap. Daarnaast zou een tegenbewijsregeling leiden tot lastige, zoniet onmogelijke discussies over het motief van het wijzigen van dehuwelijkse voorwaarden en in welke mate deze fiscaal gedreven zijn. Meteen 180-dagenregel zou de maatregel minder effectief zijn. Het zou dannog steeds mogelijk zijn om onbelast vermogen over te laten gaan, zolangde periode tussen het wijzigen van de huwelijkse voorwaarden en deontbinding van de gemeenschap lang genoeg is. Dit past evenmin bij hetdoel van de voorgestelde maatregel.De leden van de fractie van de VVD vragen om een bevestiging dat deoverledene niet wordt geacht zelf een fictieve verkrijging te hebbenontvangen van de langstlevende echtgenoot. Indien dit bevestigend wordtbeantwoord vragen zij of dit gerepareerd wordt in de wettekst. Ook deleden van de fractie van NSC vragen hiernaar. Ook vragen deze leden ofhet in overeenstemming is met de strekking van het wetsvoorstel dat deheffing bij een langstlevende met het kleinste aandeel in de huwelijksgoe-derengemeenschap niet beperkt blijft tot een heffing over 50 procent vande gemeenschap.Het kabinet kan bevestigen dat de maatregel geen toepassing vindt alsdegene die overlijdt, degene is met het grootste breukdeel. Hoewel nietexpliciet in de wettekst is bepaald door wiens overlijden de huwelijksgoe-derengemeenschap moet zijn ontbonden, volgt uit de systematiek van demaatregel en de toelichting dat de maatregel ingeval van ontbinding ofverrekening bij overlijden, slechts werkt wanneer de echtgenoot met dekleinste gerechtigdheid tot de ontbonden huwelijksgoederengemeen-schap of te verrekenen som overlijdt. Het repareren van de wettekst ishierdoor in de ogen van het kabinet niet nodig. Ten aanzien van heffing bijeen langstlevende met het kleinste aandeel in de huwelijksgoederenge-meenschap, merk ik op dat de nalatenschap van de overleden echtgenootdiens aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap omvat. Als invoorbeeld 8 in het algemeen deel van de memorie van toelichting niet B,maar A overlijdt, betekent het dat de nalatenschap van A, 95% van dehuwelijksgoederengemeenschap omvat. Wie de nalatenschap toekomt, isafhankelijk van de wijze van vererving. Als B enig erfgenaam is van Akomt dit vermogen aan B toe krachtens erfrecht. Over die verkrijgingwordt erfbelasting geheven op grond van hoofdregel van de erfbelasting.De voorgestelde maatregel speelt hier niet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1671 De leden van de fractie van de VVD vragen waarom gekozen is voor dedatum van 16 september 2025 en of het kabinet bereid is de voorgesteldemaatregel in te laten gaan per 1 januari 2026.Het genoemde tijdstip is het tijdstip van publicatie van deze maatregel opPrinsjesdag op 16 september 2025 en beoogt aankondigingseffecten tenaanzien van het overgangsrecht te beperken. Dit is niet ongebruikelijk inhet belastingrecht. Het kabinet eerbiedigt hiermee ook situaties die zijnontstaan voor publicatie van de voorgestelde maatregel en acht ditredelijk. Mede gelet op de genoemde aankondigingseffecten en mogelijkeanticipatie door belastingplichtigen vindt het kabinet het daaromonwenselijk om deze datum te verschuiven naar 1 januari 2026.De leden van de fractie van de VVD vragen of overleg is gevoerd met deKNB en notarissen over de uitvoerbaarheid van de voorgestelde bepalingin de praktijk.In de internetconsultatie hebben de KNB en notarissen kennis kunnennemen van het voorstel en de gelegenheid gehad hierop te reageren. DeKNB, enkele samenwerkingsverbanden van notarissen en afzonderlijkenotarissen hebben ook gereageerd op de internetconsultatie van hetvoorstel. Hun input is ook meegenomen in het nu voorliggende voorstel.Afzonderlijk overleg over de uitvoerbaarheid voor notarissen van devoorgestelde maatregel heeft niet plaatsgevonden.De leden van de fractie van de VVD vragen of de bedrijfsopvolgingsre-geling van artikel 35b Successiewet 1956 van toepassing blijft voor zoverbinnen de fictieve verkrijging ondernemingsvermogen of aanmerkelijkbe-langaandelen zijn begrepen.De bedrijfsopvolgingsregeling kan inderdaad van toepassing zijn op eenfictieve verkrijging zoals die van artikel 11, vierde lid, Successiewet 1956.Wel moet uiteraard aan alle voorwaarden zijn voldaan.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de wetswijzigingper 1 januari 2018 waardoor bij een huwelijk niet meer van rechtswegeeen algehele gemeenschap van goederen geldt wel verstandig was.Tevens vragen deze leden of deze wetswijziging al is geëvalueerd en opwelke wijze aan een evaluatie opvolging is gegeven.De wet waarmee de algehele gemeenschap van goederen in hethuwelijksvermogensrecht is vervangen door een standaard beperktegemeenschap van goederen, is een initiatief geweest van toenmaligeTweede Kamerleden van D66, PvdA en VVD waarover in de Tweede enEerste Kamer uitvoerig is gedebatteerd. Het kabinet zag vanuit wetstech-nisch perspectief geen bezwaar tegen het initiatiefwetsvoorstel en heefthet oordeel over het wetsvoorstel aan de beide Kamers overgelaten.90 Inde wet is geen evaluatiebepaling opgenomen, omdat dit volgens deinitiatiefnemers niet nodig werd geacht.91 De Tweede Kamer noch hetkabinet zag reden om toch een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel op tenemen. Na inwerkingtreding van de wet heeft het kabinet geen signalenontvangen die aanleiding zouden geven om de wetswijziging teevalueren. Overigens kunnen ongelijke breukdelengemeenschappenzowel bij de algehele gemeenschap van goederen als bij de wettelijkbeperkte gemeenschap van goederen spelen.Schenkingen binnen 180 dagen voor overlijdenDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om toe te lichtenwaarom gekozen is voor een 180 dagenfictie en niet voor bijvoorbeeld eenjaar. Het aantal van 180 dagen kwam reeds voor in de Successiewet 185990Handelingen TK 2015/16, nr. 77, item 13, p. 18.91Handelingen TK 2015/16, nr. 77, item 13, p. 16.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1672 (sinds 1926). Bij de parlementaire behandeling van het ontwerp van deSuccessiewet 1956 is gesproken over een andere termijn. Oorspronkelijkwerd in het ontwerp Successiewet 1956 voorgesteld de termijn van180 dagen te verlengen tot vijf jaren. In verband met deze termijnver-lening werd tevens voorgesteld om het schenkingsrecht dat ter zake vande schenking was geheven, te verrekenen met de op grond van onder-havige bepaling verschuldigde erfbelasting. Bij nota van wijziging is devoorgestelde termijn van vijf jaar teruggebracht tot twee jaar. Bijamendement-Van de Wetering is de termijn van twee jaar weer terugge-bracht tot de termijn van 180 dagen. De momenteel voorgesteldeaanpassing heeft tot doel de toepassing van de 180 dagenfictie tevereenvoudigen door schenkingen die zijn gedaan binnen 180 dagen voorhet overlijden van de erflater niet meer als een schenking voor deSW 1956 aan te merken. Met deze (technische) aanpassing wordt detoepassing van de 180 dagenfictie vergemakkelijkt voor de Belastingdiensten belastingplichtigen.Voorts vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hoe devoorgestelde wijziging uitpakt als wel al aangifte schenkbelasting isgedaan. Ook vragen deze leden of het klopt dat de voorgestelde maatregelin dat geval geen gevolgen heeft.De aangiftetermijn voor de schenkbelasting is in beginsel vastgesteld optwee maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de schenkingen zijngedaan. Naar verwachting zal in het gros van de gevallen nog geenaangifte schenkbelasting zijn gedaan voor schenkingen binnen 180 dagenvoor het overlijden van de schenker. Mocht al aangifte schenkbelastingzijn gedaan van een schenking die nadien blijkt te zijn gedaan binnen 180dagen voorafgaand aan het overlijden van de schenker, dan kan dezeaangifte wegens het opgegeven burgerservicenummer van de schenkerna overlijden van de schenker voorafgaand aan het opleggen van deaanslag schenkbelasting automatisch worden uitgeworpen. Daarmeewordt voorkomen dat een aanslag schenkbelasting wordt opgelegd.Mocht er al wel een aanslag schenkbelasting zijn opgelegd, dan zal deze,voorafgaand aan de oplegging van de aanslag erfbelasting geselecteerdmoeten worden en ambtshalve (moeten) worden verminderd.De leden van de fractie van het CDA vragen hoe het kabinet kijkt naar deconstructie van schenken op papier, waarbij bedragen over een langereperiode worden geschonken, maar schuldig worden gebleven, waardoorna overlijden de erfbelasting kan worden ontweken, zonder dat hetvermogen eerder daadwerkelijk is overgegaan. Schenkingen op papier(schuldigerkenningen uit vrijgevigheid) komen vooral voor in de relatieouders-kinderen. Daarmee kan de progressie binnen de schenk- enerfbelasting worden vermeden. Bij een papieren schenking kiest deschenker ervoor het te schenken bedrag niet aan de begiftigde te betalen,maar in plaats daarvan een bedrag schuldig te erkennen dat vaak pas bijoverlijden van de schenker opeisbaar wordt. Deze schuld komt, indien isvoldaan aan een aantal voorwaarden, in mindering op de nalatenschap enverlaagt dus de te betalen erfbelasting. Indien er uitsluitend een fiscaalmotief ten grondslag ligt aan het schenken op papier vindt het kabinet ditonwenselijk. Aangezien het kabinet demissionair is, acht ik het aan eenvolgend kabinet om hier eventueel maatregelen tegen te nemen.Gelijkstelling voor de schenk- en erfbelasting van biologischekinderenDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen om toe te lichtenwaarom het buitenkansbeginsel volgens het kabinet rechtvaardigt dat erin de erf- en schenkbelasting hogere vrijstellingen en lagere tarievengelden voor (klein)kinderen. De hogere vrijstellingen en lagere tarievenvoor (klein)kinderen in de erf- en schenkbelasting worden niet enkelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1673 gerechtvaardigd door het buitenkansbeginsel. De combinatie van hetbuitenkansbeginsel en de verzorgingsgedachte – het goed achterlaten vande partner en (klein)kinderen – rechtvaardigt dat er hogere vrijstellingen(met name in de erfbelasting) en lagere tarieven gelden voor de partneren (klein)kinderen. De tariefstructuur in de schenk- en erfbelasting brengtmet zich mee dat de hoogte van de te betalen belasting niet alleenafhankelijk is van de relatie tussen de schenker, onderscheidenlijk erflater,en de verkrijger, maar ook van de omvang van de verkrijging en dehoogte van de eventuele vrijstellingen. Door de progressie in de tarievenwordt ook aangesloten bij het buitenkansbeginsel.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen voorts om het effectvan de voorgestelde maatregel op kinderen zonder familierechtelijkebetrekking met hun biologische ouder uit te leggen en of het klopt datdeze kinderen geen recht hebben op een erfenis als zij niet zijnopgenomen in een testament. Verder vragen deze leden of het klopt datdeze kinderen door de voorgestelde maatregel recht krijgen op een lagertarief en een hogere vrijstelling. In boek 1 van het BW wordt bepaald wie,juridisch bezien, de moeder en wie de vader van een kind is. Een kind enzijn juridische vader en moeder staan in een familierechtelijke betrekkingtot elkaar. De biologische ouder is echter niet altijd ook een juridischeouder en andersom, bijvoorbeeld doordat het kind buiten het huwelijk isgeboren en nooit is erkend of doordat het kind door het huwelijk van demoeder met een ander tijdens de geboorte automatisch kind van deechtgenoot van de moeder is. De Successiewet 1956 sluit voor de schenk-en erfbelasting voor het begrip «kind» aan bij het BW.Het BW (boek 4) bepaalt ook wie iemands erfgenamen zijn, tenzij deerflater erfgenamen heeft benoemd in een testament. Als een erflater nietanders heeft bepaald, zijn diens erfgenamen in eerste instantie deeventuele echtgenoot en kinderen. Het gaat dan om kinderen in de zin vanBoek 1 BW. Een kind dat niet in een familierechtelijke betrekking staat totde biologische ouder is daarmee niet automatisch erfgenaam en moet dusin het testament van de biologische ouder als erfgenaam zijn aangewezenom te erven. Het klopt dus – deze leden vragen daarnaar – dat dezekinderen geen recht hebben op een erfenis als zij niet zijn opgenomen ineen testament.Door biologische kinderen voor toepassing van de Successiewet 1956gelijk te stellen aan kinderen in de zin van boek 1 BW kunnen biologischekinderen onder andere ook gebruiken maken van het lagere kindtarief ende hogere kindvrijstellingen. Bij biologische kinderen kan het zoals dezeleden vragen inderdaad gaan om kinderen die niet erkend zijn door debiologische ouder.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen in dit verband hoe deschenk- en erfbelasting werkt voor adoptiekinderen. Bij kinderen die zijngeadopteerd zijn de adoptieouders de juridische ouders – in de zin vanboek 1 BW – geworden.Ook vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hoe het kabinethet voorstel om biologische kinderen gelijk te stellen aan juridischekinderen beziet in relatie tot de behandeling van bijvoorbeeld neven ennichten, die in specifieke gevallen een hechtere relatie kunnen hebben danbiologische kinderen. In dit verband vragen deze leden of het kabinet hetermee eens is dat het niet aan de overheid is om de waarde van eenrelatie tussen een erflater of schenker en een erfgenaam of begunstigde tebepalen en al helemaal niet op basis van biologisch verwantschap. Zoalshiervoor is vermeld, wordt voor het bepalen of iemand als kind van eenschenker of erflater kwalificeert, aangesloten bij het familierecht in boek 1van het BW. Om de in het arrest van de Hoge Raad van 6 septemberTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1674 202492 geconstateerde strijd met het discriminatieverbod van het EVRM terepareren, stelt het kabinet de aanpassing voor biologische kinderen voor.Het kabinet onderkent dat ook anderen dan kinderen zoals bijvoorbeeldneven en nichten maar ook bijvoorbeeld vrienden en buren een hechtererelatie kunnen hebben dan biologische kinderen, maar dat is conform degeldende wetgeving niet relevant voor de behandeling in de schenk- enerfbelasting.Ook vragen de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA of het nieteenvoudiger en rechtvaardiger zou zijn om de tarieven en vrijstellingenüberhaupt gelijk te trekken (met uitzondering van de vrijstelling voorpartners), om rechtszaken en discussies hierover in de toekomst tevoorkomen. In de eerste plaats wijs ik erop dat het gemaakte onderscheidin de tariefstructuur en vrijstellingen naar de mate van verwantschapvolgens de rechtspraak niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel (artikel26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politiekerechten), het discriminatieverbod (artikel 14 van het EVRM) en/of het rechtop eigendom (artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM).93 Behalve hethiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024 zijn erde afgelopen periode geen rechtszaken over dit onderscheid geweest. Welkomt geregeld de vraag op, binnen en buiten het parlement, of eenaanpassing van de tarieven en vrijstellingen (met uitzondering van devrijstelling voor partners) wenselijk zou zijn. Dit heeft echter niet geleid toteen aanpassing sinds de herziening van de schenk- en erfbelasting in2010.De leden van de fractie van D66 vragen het kabinet om te onderzoekenwelke aanvullende stappen mogelijk zijn om de Successiewet 1956toekomstbestendig te maken en breder aan te passen aan de maatschap-pelijke realiteit van 2025. Deze leden noemen daarbij moderne vormenvan familierelaties en samenlevingsvormen. Om met dit laatste tebeginnen, voor de heffing van schenk- en erfbelasting is in beginsel hetciviele recht leidend. Voor aanpassing van het civiele recht op familierech-telijk vlak zijn zorgvuldige rechtspolitieke keuzes noodzakelijk. Op10 maart 2025 heeft de Staatssecretaris Rechtsbescherming in dat kadereen brief met onderzoeksresultaten in het kader van meerouderschap naarde Tweede Kamer gestuurd en daarin aangegeven dat er nu geen regelinghiervoor wordt voorbereid.94 Er zijn de afgelopen periode verschillendeonderzoeken verricht in het kader van verbetering van het belastingstelsel.Zo heeft de toenmalige Staatssecretaris van Financiën op 12 februari 2024het ambtelijk rapport «Belastingen in een maatschappelijk perspectief:Bouwstenen voor een beter belastingstelsel» aangeboden aan de TweedeKamer.95 Daarin wordt onder meer een progressievere en neutralereschenk- en erfbelasting voorgesteld: een hogere belasting van grotereerfenissen en gecombineerd met een hogere vrijstelling voor kleinereerfenissen. In plaats van specifieke vrijstellingen voor (klein)kinderen,ouders en overige verkrijgers komt er dan een vrijstelling van erfbelastingvoor alle verkrijgers (desgewenst met behoud van de hoge partnervrij-stelling en de hoge vrijstelling voor een kind met een beperking).Het toekomstbestendig maken van de Successiewet 1956 kan daarnaastvanuit andere invalshoeken worden beschouwd. Zo leveren de viermaatregelen in dit Belastingplan op het vlak van de schenk- en erfbe-lasting naar mijn mening een goede bijdrage aan het toekomstbestendigmaken van deze wet. Twee van deze maatregelen – schenkingen binnen180 dagen voor overlijden en de verlegging van de ingangsdatum van de92HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1130.93HR 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1715.94Kamerstukken II 2024/25, 33 836, nr. 104.95Kamerstukken II 2023/24, 32 140, nr. 180.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1675 belastingrente erfbelasting en de aangiftetermijn erfbelasting – beperkende uitvoeringslasten, vergroten de handhaafbaarheid en bevorderen deeenvoud. Deze twee maatregelen leiden tot een besparing op deuitvoeringslasten. Deze besparing bedraagt € 2,5 miljoen structureel endat is substantieel.96 Zo’n besparing draagt eraan bij om de Successiewet1956 toekomstbestendig te houden.Verlegging ingangsdatum belastingrente erfbelasting en aangifte-termijn erfbelastingDe leden van de fractie van D66 zijn benieuwd waarom de aangiftetermijnvan 8 maanden naar maar liefst 20 maanden wordt verruimd. Deze ledenvragen waarom er niet is gekozen voor bijvoorbeeld 12 of 15 maanden.Voor de erfbelasting geldt in beginsel een aangiftetermijn van 8 maandenna het overlijden. De aangiftetermijn van 8 maanden na overlijden blijkt inde praktijk vaak te kort om juist en volledig aangifte erfbelasting te kunnendoen. De aangifte erfbelasting is onder andere afhankelijk van de aanslagIB van de overledene. De aanslag IB wordt niet eerder dan 8 tot 21maanden na overlijden bekend. Als iemand bijvoorbeeld in mei 2024overlijdt, kan pas vanaf 1 maart 2025 aangifte IB worden gedaan (al danniet tezamen met de fiscaal partner). Na indiening van de aangifte IB zalna verloop van tijd de aanslag IB worden opgelegd. Het gevolg is datbelastingplichtigen conceptaangiften erfbelasting indienen die op eenlater moment worden aangevuld, wat gepaard gaat met veel contact(brieven, e-mails, telefoonverkeer). Belastingplichtigen kunnen verzoekenom uitstel voor het doen van de aangifte erfbelasting voor elke erfgenaam(gezamenlijk of afzonderlijk) tot maximaal 20 maanden. Als na deaangiftetermijn van 8 maanden aangifte erfbelasting wordt gedaan, isbelastingrente (6,5% vanaf 1 januari 2025) verschuldigd, ook als hetgevraagde uitstel voor het indienen van de aangifte erfbelasting isverleend. Dit alles geeft niet alleen veel onbegrip bij belastingplichtigenmaar ook hogere uitvoeringslasten bij de Belastingdienst.Naar verwachting leidt verlenging van de wettelijke aangiftetermijn van 8naar 20 maanden na overlijden tot minder uitstelverzoeken (indicatief nuvoor 30% van de aangiften), kwalitatief betere aangiften en minderbezwaarschriften. Verlenging van de wettelijke aangiftetermijn naar20 maanden lijkt toereikend om de genoemde knelpunten op te lossen.Een verlenging van de wettelijke aangiftetermijn naar bijvoorbeeld 12 of15 maanden zou een minder gunstig effect opleveren voor belasting-plichtige burgers en voor de Belastingdienst. Naar verwachting zoudendan nog steeds uitstelverzoeken worden gedaan, omdat binnen eenperiode van 12 of 15 maanden nog niet altijd de benodigde gegevens omeen juiste en volledige aangifte erfbelasting te kunnen doen voorhandenzullen zijn.Voorts vragen deze leden hoe het kabinet reflecteert op de situatie waarbijer onenigheid bestaat over een erfenis en waarbij iemand de termijn vantwintig maanden kan aangrijpen om het proces extreem te traineren. Bijde huidige wettelijke aangiftetermijn van 8 maanden na overlijden kanook sprake zijn van traineren. Het ligt in de rede, dat de verlenging van deaangiftetermijn naar 20 maanden geen effect hierop heeft.Autonome vergroeningDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de prijsver-schillen in de markt van bijzondere personenauto’s en motorrijwielentussen de emissievrije en fossiel-aangedreven modellen. Deze groepvoertuigen bestaat uit kampeerauto’s, motorfietsen en rolstoelbussen. De96Kamerstukken II 2024/25, 36 812, nr. 3. Paragraaf 12. Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst,Douane en Dienst Toeslagen, tabellen 20 en 21.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1676 markt voor emissievrije motorfietsen is momenteel erg klein. Bij kampeer-auto’s zijn emissievrije varianten veelal omgebouwde emissievrijebestelauto’s. Een goede vergelijking tussen emissievrije en fossiel-aangedreven kampeerauto’s en motorfietsen is daardoor lastig te maken.Voor rolstoelbussen is wél een vergelijking te maken omdat zowelfossiel-aangedreven als emissievrije rolstoelbusjes meestal omgebouwdebestelauto’s zijn. De bruto catalogusprijzen (incl. btw en belasting oppersonenauto’s en motorrijwielen) van emissievrije rolstoelbusjes enfossiel-aangedreven rolstoelbusjes waren in 2024 grosso modo gelijk.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de verwachteprijsverschillen de komende jaren en de verwachte effecten op deverkoopcijfers van de maatregel. Emissievrije voertuigen waren tot 2025vrijgesteld van belasting op personenauto’s en motorrijwielen (bpm).Vanaf 2025 zouden emissievrije bijzondere personenauto’s en motorrij-wielen, net als hun fossiele tegenhanger, bpm moeten betalen op basisvan een percentage van de catalogusprijs van het voertuig. Daardoor zoude netto catalogusprijs voor de betreffende categorie voertuigen naarverwachting stijgen ten opzichte van eerdere jaren. Met deze maatregelwordt de bpm met terugwerkende kracht (vanaf 2025) omgezet naar eenvaste voet van € 667,– voor emissievrije kampeerauto’s en bestelbusjesen € 200,– voor emissievrije motorfietsen. Door deze maatregel zal deverwachte prijsstijging voor deze voertuigen daarmee zeer beperktblijven. Het kabinet verwacht dat de nieuwverkoop van emissievrijevoertuigen in het wagenpark de komende jaren zal toenemen. Er zijnechter geen prognoses opgesteld voor deze specifieke categorieën.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet debpm-tabellen voor de komende jaren kan delen. Daarnaast vragen dezeleden of de wijzigingen naar verwachting effect hebben op de vergroeningvan het wagenpark en zo ja, hoe groot dit effect zal zijn. De leden van defractie van de SGP vragen om een tabel met daarin de hoogte van de bpmin 2025, 2026, 2027 en 2028, als gevolg van de voorgestelde aanpas-singen, bij eenzelfde CO2-uitstoot. Verder vragen deze leden of het kabinetinzicht kan geven in de gevolgen van de aanpassing in de schrijfgrenzenen -tarieven voor de bpm voor de tien meest verkochte conventioneleauto’s. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om met enkelestandaardvoorbeelden te illustreren hoe de voorgestelde wijzigingen debelastingdruk veranderen.Met ingang van dit belastingplan worden de schijven en tarieven in debpm verlaagd respectievelijk verhoogd om de autonome vergroening vanhet fossiele wagenpark budgettair op te vangen. Zo blijft de bpm opfossiele personenauto’s (ceteris paribus) naar verwachting gelijk. Deschijven worden in 2026–2028 respectievelijk 1,55%, 1,46%, 1,38%verlaagd en de tarieven worden in dezelfde periode respectievelijk 1,57%,1,48% en 1,40% verhoogd. Daarnaast zijn de tarieven geïndexeerd met de(voorlopige) tabelcorrectiefactor. In tabel 10, 11, 12 en 13 is weergegevenhoe de bpm-tabel er op basis hiervan uit ziet in 2025, 2026, 2027 en 2028(in lopende prijzen). Hierdoor heeft de hoogte van de bpm ex ante geeneffect op de verdere vergroening van het wagenpark. De verwachting isdat de CO2-uitstoot daalt bij fossiele personenauto’s.Mocht de CO2-uitstoot tegen de huidige verwachting in toch gelijk blijven,dan zal de hoogte van de bpm stijgen. In tabel 14 is de hoogte van de bpmweergegeven in 2025 (in prijzen 2025) en 2026, 2027 en 2028 (in prijzen2026), bij eenzelfde CO2-uitstoot. In tabel 15 is voor de in 2024 tien meestverkochte conventionele personenauto’s de hoogte van de bpm weerge-geven in 2025 (in prijzen 2025) en 2026, 2027 en 2028 (in prijzen 2026), bijeen gelijkblijvende CO2-uitstoot. De verwachting is echter dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1677 CO2-uitstoot van deze auto’s (nieuwe modellen) zal dalen, waarmee dehoogte van de bpm lager uit zal komen dan zoals gepresenteerd in detabel.Tabel 10: bpm-tabel 2025 (in prijzen 2025)Bij een CO2-uitstoot vanafTotbedraagt de belasting het inkolom III vermelde bedrag,vermeerderd met het bedragdat wordt berekend door het inkolom IV vermelde bedrag tevermenigvuldigen met hetaantal gram/km CO2-uitstootdat de in kolom I vermeldeCO2-uitstoot te boven gaatIIIIIIIV0 gram/km79€ 667€ 279 gram/km101€ 825€ 79101 gram/km141€ 2.563€ 173141 gram/km157€ 9.483€ 284157 gram/km–€ 14.027€ 568 Het bedrag van de belasting op grond van de tabel wordt in geval van eenpersonenauto die wordt aangedreven door een motor met een compres-sieontsteking die zijn kracht kan ontlenen aan diesel vermeerderd met eenbedrag van € 109,87 per gram/km CO2-uitstoot boven de 70 gram/kmCO2-uitstoot.Tabel 11: bpm-tabel 2026 (in prijzen 2026)Bij een CO2-uitstoot vanafTotbedraagt de belasting het inkolom III vermelde bedrag,vermeerderd met het bedragdat wordt berekend door het inkolom IV vermelde bedrag tevermenigvuldigen met hetaantal gram/km CO2-uitstootdat de in kolom I vermeldeCO2-uitstoot te boven gaatIIIIIIIV0 gram/km77€ 687€ 277 gram/km100€ 841€ 82100 gram/km139€ 2.727€ 181139 gram/km155€ 9.786€ 297155 gram/km–€ 14.538€ 594 Het bedrag van de belasting op grond van de tabel wordt in geval van eenpersonenauto die wordt aangedreven door een motor met een compres-sieontsteking die zijn kracht kan ontlenen aan diesel vermeerderd met eenbedrag van € 114,83 per gram/km CO2-uitstoot boven de 69 gram/kmCO2-uitstoot.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1678 Tabel 12: bpm-tabel 2027 (in prijzen 2027)Bij een CO2-uitstoot vanafTotbedraagt de belasting het inkolom III vermelde bedrag,vermeerderd met het bedragdat wordt berekend door het inkolom IV vermelde bedrag tevermenigvuldigen met hetaantal gram/km CO2-uitstootdat de in kolom I vermeldeCO2-uitstoot te boven gaatIIIIIIIV0 gram/km76€ 703€ 276 gram/km98€ 855€ 8698 gram/km137€ 2.747€ 188137 gram/km152€ 10.079€ 309152 gram/km–€ 14.714€ 617 Het bedrag van de belasting op grond van de tabel wordt in geval van eenpersonenauto die wordt aangedreven door een motor met een compres-sieontsteking die zijn kracht kan ontlenen aan diesel vermeerderd met eenbedrag van € 119,33 per gram/km CO2-uitstoot boven de 68 gram/kmCO2-uitstoot.Tabel 13: bpm-tabel 2028 (in prijzen 2028)Bij een CO2-uitstoot vanafTotbedraagt de belasting het inkolom III vermelde bedrag,vermeerderd met het bedragdat wordt berekend door het inkolom IV vermelde bedrag tevermenigvuldigen met hetaantal gram/km CO2-uitstootdat de in kolom I vermeldeCO2-uitstoot te boven gaatIIIIIIIV0 gram/km75€ 719€ 275 gram/km97€ 869€ 8997 gram/km135€ 2.827€ 195135 gram/km150€ 10.237€ 320150 gram/km–€ 15.037€ 640 Het bedrag van de belasting op grond van de tabel wordt in geval van eenpersonenauto die wordt aangedreven door een motor met een compres-sieontsteking die zijn kracht kan ontlenen aan diesel vermeerderd met eenbedrag van € 123,66 per gram/km CO2-uitstoot boven de 67 gram/kmCO2-uitstoot.Tabel 14: Hoogte bpm in 2025, 2026, 2027 en 2028 (lopende prijzen) bij verschillendehoogtes van de CO2-uitstoot, in €.CO2-uitstootbpm 2025bpm 2026bpm 2027bpm 2028gr/kmprijzen 2025prijzen 2026prijzen 2027prijzen 2028809041.0871.1991.314901.6941.9072.0592.2041002.4842.7273.1233.4121104.1204.5375.0035.3621205.8506.3476.8837.3121307.5808.1578.7639.2621409.31010.08311.00611.83715012.03913.05314.09615.03716015.73117.50819.65021.43717021.41123.44825.82027.837Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1679 CO2-uitstootbpm 2025bpm 2026bpm 2027bpm 2028gr/kmprijzen 2025prijzen 2026prijzen 2027prijzen 202818027.09129.38831.99034.23719032.77135.32838.16040.63720038.45141.26844.33047.03721044.13147.20850.50053.43722049.81153.14856.67059.83723055.49159.08862.84066.23724061.17165.02869.01072.63725066.85170.96875.18079.037 Tabel 15: De hoogte van de bpm in 2025, 2026, 2027 en 2028 (in lopende prijzen), bij een gelijkblijvende CO2-uitstoot voor de in2024 tien meest verkochte conventionele personenauto’s, in €.AantalCO2-uitstootbpm 2025bpm 2026bpm 2027bpm 2028Merk en modelBrandstofin 2024gr/kmprijzen 2025prijzen 2026prijzen 2027prijzen 2028KIA PICANTOBenzine8.3671134.5685.0065.5675.947TOYOTA AYGO XBenzine7.8531104.0504.4635.0035.362VOLKSWAGEN POLOBenzine6.5401216.0916.6007.0717.507HYUNDAI I10Benzine5.9771114.2184.6405.1915.557TOYOTA YARIS CROSSMild HybridBenzine5.5811043.0013.3663.8754.192TOYOTA YARISMild HybridBenzine5.478901.7291.9432.0592.204TOYOTA COROLLAMild HybridBenzine5.2651104.1554.5735.0035.362KIA NIROMild HybridBenzine4.9771012.5502.8783.3113.607HYUNDAI KONAMild HybridBenzine3.8981063.4603.8474.2514.582FORD FOCUSMild HybridBenzine3.3861236.2886.8057.4477.897 De leden van de fractie van D66 vragen of het huidige bpm-stelsel nogtoereikend is, vanwege de technologische ontwikkelingen in de mobili-teitssector. Zij vragen of het stelsel kan worden vervangen door eenprijsmechanisme dat beter aansluit bij het principe «de vervuiler betaalt»en de ontwikkeling naar duurzaam vervoer beter faciliteert. Deze ledenbenadrukken de voorkeur voor een samenhangend mobiliteitsbeleidwaarin zowel de vervuiler betaalt als wordt betaald naar daadwerkelijkgebruik. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welk beleid inlatere jaren nodig is om de noodzakelijke vergroening van het wagenparkte bewerkstelligen.Het kabinet onderkent dat de belasting van personenauto’s en motorrij-wielen (bpm) in haar huidige vorm op termijn minder toereikend zal zijn.De bpm is immers grotendeels gebaseerd op de CO2-uitstoot vanmotorrijtuigen. Naarmate het Nederlandse wagenpark emissievrij wordt,neemt de grondslag van de bpm af. Dit leidt tot een structureel dalendeopbrengst, de zogenoemde grondslagerosie. In de contourenbrief «Deauto rijdt door» 97 zijn denkrichtingen geformuleerd voor een stabiel,eerlijk en rechtvaardig belastingstelsel waarmee autorijden betaalbaarblijft, de overheidsfinanciën op lange termijn gezond blijven, de klimaat-en energiedoelen worden gehaald en een bijdrage wordt geleverd aan hetbereikbaar houden van Nederland, waarbij ook aandacht wordt besteedaan het uithollen van de belastinggrondslag. Denkrichtingen die in decontourenbrief zijn uitgewerkt omvatten een prijsmechanisme waarbij pergereden kilometer wordt betaald (BNG) met bijvoorbeeld een mogelijkedifferentiatie naar milieukenmerken en de omvorming van de bpm naareen tenaamstellingsbelasting. Het kabinet benadrukt dat met de denkrich-tingen in de contourenbrief, gelet op de demissionaire status van dit97Kamerstukken II 2024/255, 32 800, nr. 89.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1680 kabinet, geen nieuw beleid is aangekondigd. Het is aan het volgendekabinet om samen met de Kamer te besluiten over de toekomstigevormgeving van de autobelastingen.De leden van de fractie van D66 vragen naar de verwachte ontwikkelingvan de bpm-opbrengsten tot 2030 bij ongewijzigd beleid. De verwachteopbrengst van de totale bpm-opbrengst is weergegeven in tabel 16. Ditbetreft de bpm op personen- en bestelauto’s, inclusief de bpm bij importen de teruggave bpm bij export. In deze prognose wordt er vanuit gegaandat per 1 januari 2035 geen fossiele personenauto’s meer verkocht mogenworden en dat de markt hierop in aanloop naar 2035 zal anticiperen.Tabel 16: Verwachte bpm-opbrengst 2025–2029 in € miljoen.20252026202720282029Opbrengst bpm1.4631.7601.3321.2711.212 De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar een onder-bouwing van de raming van de «autonome vergroening» en hoe ditfenomeen zich verhoudt tot het begrip grondslagerosie. De onderbouwingvan de raming is te vinden in de ramingstoelichting. Met de aanpassingvan de bpm-tabel is beoogd om een te voorziene erosie van de belasting-grondslag bij steeds zuinigere fossiele personenauto’s te voorkomen. Deverdere ingroei van volledig elektrische personenauto’s (EV) maakt hiergeen onderdeel van uit. Doordat voor EV’s alleen de vaste voet betaaldwordt zal de bpm-opbrengst als gevolg van de EV-ingroei van personen-auto’s eroderen. De bpm-opbrengst zal daarnaast ook eroderen doorverdere ingroei van elektrische bestelauto’s, waarvoor de grondslag ookde CO2-uitstoot is vanaf 2025.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen wat het uiteindelijkegevolg is als de zogenoemde «autonome vergroening» zich doorzet. Dezeleden vragen of uiteindelijk de laatste koper van een auto de gehelehuidige bpm-belastingopbrengst zal moeten opbrengen.Het is van belang om onderscheid te maken tussen twee vormen vanverduurzaming die impact hebben op de autobelastingen, namelijkautonome vergroening en elektrificatie. Autonome vergroening betekentdat nieuwe fossiele auto’s (benzine of diesel) door technologischeverbeteringen ieder jaar gemiddeld iets minder CO2 uitstoten. Elektrifi-catie betekent dat er steeds meer volledig elektrische (of emissievrije)auto’s bijkomen die helemaal geen CO2 uitstoten.In de bpm wordt de autonome vergroening binnen het fossiele wagenparkgecorrigeerd door jaarlijks de CO2-grenzen te verlagen en de tarieven ietste verhogen. Hierdoor blijft de prikkel om verder te vergroenen in stand endaarmee ook de gemiddelde belastingdruk (binnen de bpm) voor nieuwefossiele personenauto’s per saldo gelijk.In de bpm wordt de elektrificatie van het wagenpark echter niet gecorri-geerd. Dit leidt tot grondslagerosie in de bpm, omdat volledig elektrischepersonenauto’s alleen de vaste voet betalen en elektrische bestelauto’seen nihiltarief. Naarmate het aantal elektrische motorrijtuigen toeneemt,dalen de totale bpm-inkomsten structureel.Het is dus niet zo dat de laatste koper van een fossiele auto de gehelehuidige bpm-opbrengst zal moeten voldoen. De laatste koper van eenfossiele auto zal – bij instandhouding van het huidige stelsel – dezelfdebelastingdruk ervaren als de koper van een vergelijkbare fossiele auto opdit moment.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de voorgesteldetariefkorting in de motorrijtuigenbelasting voldoende is om emissievrijepersonenauto’s en benzineauto’s gelijk te belasten. Zij vragen of kleine enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1681 middelgrote emissievrije personenauto’s iets zwaarder worden belast danvergelijkbare benzineauto’s, en waarom er niet voor is gekozen hetverschil volledig weg te nemen.Emissievrije personenauto’s zijn door het accupakket zwaarder danvergelijkbare benzineauto’s. Zonder tariefkorting zouden zij daardoormeer motorrijtuigenbelasting betalen. Om dit verschil te corrigeren en deingroei van elektrische auto’s in het wagenpark te bevorderen, is gekozenvoor een tariefkorting voor emissievrije personenauto’s. Er is voorgesteldom deze korting in 2026 tot en met 2028 te verhogen van 25% naar 30%.Van belang is dat het accupakket bij kleine auto’s een groter deel van hettotale voertuiggewicht uitmaakt dan bij grote auto’s. Daardoor weegt hetaccugewicht relatief zwaarder mee in de belastinggrondslag voor kleineelektrische auto’s. Als gevolg hiervan leidt de generieke tariefkorting ertoedat grote elektrische auto’s (voertuigcategorie D en E) voortaan ongeveergelijk worden belast als vergelijkbare benzineauto’s. Echter, voor kleine enmiddelgrote auto’s (categorie A tot en met C) worden de verschillenverkleind, maar niet geheel weggenomen.Mede om budgettaire redenen is er niet voor gekozen om de generieketariefkorting voor elektrische personenauto’s verder te verhogen. Dit zouer bovendien toe leiden dat de zware elektrische personenauto’s juistmeer voordeel zouden krijgen ten opzichte van benzineauto’s.Het kabinet heeft binnen haar budgettaire kaders gezocht naar eenevenwichtige en uitvoerbare maatvoering waarbij rekening is gehoudenmet de verschillende voertuigsegmenten in het wagenpark. De voorge-stelde tariefkorting bereikt het doel om emissievrije personenauto’s enbenzineauto’s meer gelijk te belasten. De maatregel draagt zo bij aan eengelijk speelveld in de motorrijtuigenbelasting en aan de verdere elektrifi-catie van het wagenpark.De leden van de fracties van D66 en ChristenUnie vragen waarom detariefkorting in de motorrijtuigenbelasting voor emissievrije motorrij-tuigen tijdelijk wordt toegepast en in 2029 wordt verlaagd, in plaats vandeze voor een langere periode vast te leggen.In wetgeving is op dit moment bepaald dat de tariefkorting 25% bedraagtvan 2026 tot en met 2029. Het kabinet heeft opnieuw beoordeeld of demaatvoering van deze korting voldoende hoog is. Naar aanleidingdaarvan wordt in dit Belastingplan voorgesteld de tariefkorting teverhogen naar 30% in de jaren 2026, 2027 en 2028. In 2029 blijft detariefkorting 25%. De keuze voor een tijdelijke tariefkorting en eentijdelijke verhoging daarvan tot en met 2028 heeft een tweeledig doel. Teneerste biedt dit ruimte aan een volgend kabinet om de maatvoering vande korting te evalueren op doeltreffendheid en doelmatigheid. Het betrefteen fiscale regeling met een horizonbepaling, zodat op basis van deuitkomsten van die evaluatie opnieuw kan worden gewogen of hetvoortzetten van de korting effectief en efficiënt is. Deze weging kanbovendien worden gedaan in het licht van de brede hervormingsopgavein de autobelastingen, zoals is beschreven in de contourenbrief «De autorijdt door»98 . Voortzetting van de tariefkorting en de maatvoering kan danworden gewogen in samenhang met de eventuele invoering van eenstelselwijziging in de motorrijtuigenbelasting. Ten tweede wordt met devoorgestelde maatvoering de budgettaire derving op korte termijnbeperkt.De leden van de fractie van de BBB vragen naar de gevolgen voor degrondslagerosie als de tariefkorting in de mrb voor emissievrije personen-auto’s in zijn geheel zou worden geschrapt. Bij personenauto’s is eengroeiend aandeel van het wagenpark emissievrij. Het kabinet verwacht datdit aandeel de komende jaren zal toenemen. Dit zorgt voor een derving in98Kamerstukken II 2024/255, 32 800, nr. 89.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1682 de accijns, doordat er minder fossiele kilometers worden gereden.Daarnaast zorgt dit ook voor een derving in de belasting op personen-auto’s en motorrijwielen (bpm). De bpm is gebaseerd op de CO2-uitstoot.Door toename van het aantal emissievrije voertuigen neem de grondslagvan de bpm af. Dit leidt tot een structureel dalende opbrengst uit deautobelastingen, hetgeen we grondslagerosie noemen.Daartegenover zorgt de toename van elektrische voertuigen voor eenmeeropbrengst in de motorrijtuigenbelasting (mrb). De mrb heeft gewichtals grondslag en elektrische voertuigen zijn door hun accupakket veelalzwaarder dan hun fossiel-aangedreven tegenhangers. Zonder korting zoude opbrengst van de mrb structureel stijgen door de ingroei vanelektrische voertuigen. Van 2026 tot en met 2029 genieten elektrischeauto’s nog een van korting van 25% in de mrb en het kabinet stelt in ditBelastingplan voor om de korting in 2026 tot en met 2028 te verhogen van25% naar 30%. Door de korting is de verwachte toename van demrb-opbrengsten door elektrische auto’s de komende jaren beperkt. Alsemissievrije personenauto’s vanaf volgend jaar volledig zouden wordenaangeslagen in de mrb zou dit leiden tot een meeropbrengst van circa€ 200 mln. in 2026 oplopend tot € 330 mln. in 2029. De leden van defractie van de BBB vragen of het kabinet daarnaast in kaart kan brengenhoeveel de grondslagerosie in de autobelastingen zou bedragen wanneerelektrische voertuigen geen tariefkorting in de mrb meer ontvangen eneen vorm van bpm zouden moeten betalen op basis van het gemiddeldebpm-bedrag wat nu geldt voor een auto met verbrandingsmotor. Voorpersonenauto’s respectievelijk bestelauto’s zou de opbrengst uit de bpmin de structurele situatie als alle auto’s emissievrij zijn respectievelijk circa€ 1,8 miljard en € 0,9 miljard hoger liggen (prijzen 2025). Hierbij isuitgegaan van een standaardgedragseffect van 20% bij bestelauto’s. Deingroei van emissievrije auto’s zal daardoor wel minder snel plaatsvinden,wat een negatief effect heeft op het halen van de klimaatdoelen. Dederving in de accijns en de toename van de mrb zal dan ook minder snelplaatsvinden (verschuiven in de tijd). Omdat ook dan sprake zal zijn vaneen eindbeeld met een volledige ingroei van emissievrije voertuigen is erin de structurele situatie geen effect op de MRB en accijns. De ingroei vanelektrische voertuigen is niet alleen van belang voor het halen van deklimaatdoelen voor de mobiliteitssector, maar draagt ook bij aan hetverminderen van de stikstofuitstoot.Ophoging en afschaffing heffingsplafond belasting op leiding-waterDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet ookrisico’s ziet aan de voorgestelde grondslagversmalling in de belasting opleidingwater. Het kabinet ziet geen risico’s aan de voorgestelde grondslag-versmalling. De voorgestelde grondslagversmalling naar water vandrinkwaterkwaliteit in combinatie met het schrappen van het heffings-plafond is doelmatig en doeltreffend om de beoogde budgettaireopbrengst te halen, zoals in de memorie van toelichting onderbouwd enondersteunt het principe «het juiste water voor het juiste gebruik». Om tevoorkomen dat het aantal belastingplichtigen sterk toeneemt, isopgenomen dat leveringen via (zeer) kleine collectieve watervoorzie-ningen buiten de heffing vallen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen in hoeverre hetgebruik van water dat niet van drinkwaterkwaliteit is bijvoorbeeld effectheeft op de beschikbaarheid van water dat na zuivering wel van drinkwa-terkwaliteit is. Op het moment dat gebruik gemaakt wordt van water datniet van drinkwaterkwaliteit is voor toepassingen waar drinkwaterkwaliteitook niet vereist is, kan dit de beschikbaarheid van water van drinkwater-kwaliteit vergroten, indien dit een toepassing is waar eerst water vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1683 drinkwaterkwaliteit voor gebruikt werd. Het is aan het bevoegd gezag omte beoordelen of de inname of winning van de alternatieve waterbronpassend is binnen het watersysteem waaruit gewonnen wordt. Ookvragen deze leden in hoeverre er sprake is van een tekort aan water datniet de kwaliteit van drinkwater heeft. Uit de studies die gedaan zijn tenbehoeve van het Deltaprogramma Zoet Water blijkt dat Nederland vaker temaken krijgt met te veel en te weinig water. In alle scenario’s worden deopgaven voor watertekort, wateroverlast en waterveiligheid groter. Opsteeds meer plaatsen ontstaan knelpunten en de wateropgaven stapelenzich meer en meer op.99 Het Deltaprogramma Zoet Water richt zich op deopgaven die gerelateerd zijn aan (toekomstige) zoetwaterbeschikbaarheid.De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet in samenwerkingmet de sector wil verkennen hoe de inzet van hergebruikt of industrieelwater verder kan worden gestimuleerd. Afschaffing van het heffings-plafond in de belasting op leidingwater draagt bij aan de inzet van hetkabinet voor het principe «het juiste water voor het juiste gebruik». MetVNO-NCW en vele andere partners wordt samengewerkt in het NationaalPlan van Aanpak Drinkwaterbesparing gericht op een reductie van hetzakelijk drinkwatergebruik. Het verkennen van mogelijke alternatievenzoals hergebruik wordt hierbij meegenomen.De leden van de fractie van D66 vragen of is onderzocht welke effecten deafschaffing van het plafond heeft op grote maatschappelijke instellingen,zoals ziekenhuizen en onderwijsinstellingen, waar een hoog waterverbruiknoodzakelijk is. Ook vragen deze leden hoe voor deze categorieën wordtvoorkomen dat de lasten onevenredig stijgen. De leden van de fractie vanhet CDA vragen, met verwijzing naar een tabel met grootste waterverbruikende sectoren, zijnde gezondheidszorg, chemie, voedingsmidde-lenindustrie en farmacie, voor welke van deze sectoren ookniet-drinkwater kan worden gebruikt en voor welke niet. Deze ledenvragen het kabinet om nadere cijfermatige onderbouwing, ook per sector,van de bevinding in het voortraject dat zij de kostprijsverhogingen perklant in algemene zin mee vond vallen. Met de afschaffing van het huidigeheffingsplafond geldt een vlak tarief over al het verbruik van water vandrinkwaterkwaliteit. Daarmee is sprake van een evenredige belastingdrukop basis van drinkwaterverbruik. In gevallen waar drinkwaterbesparingniet mogelijk is, kan afschaffing van het heffingsplafond leiden tot eenlastenverhoging, vooral als extra waterbesparing niet of niet economischrendabel kan plaatsvinden. Effecten van beprijzing van water zijn recentonderzocht in het rapport‘Verkenning beprijzen watergebruik» vanWitteveen en Bos. Op basis van berekeningen uit dit onderzoek is voorsectoren waarin veel drinkwater wordt verbruikt, waaronder de gezond-heidszorg, een schatting gemaakt van de lastenstijging bij afschaffing vanhet heffingsplafond. Hierbij is gekeken naar de 25e, 50e 75e en 95epercentielen van drinkwaterverbruikers binnen de betreffende sectoren.Voor de sector gezondheidszorg varieert dit tussen € 2.600 en € 5.000 perjaar voor een grote groep (het 25e en 50e percentiel) van de drinkwater-verbruikers, tot € 39.800 per jaar voor een beperkte groep (het 95epercentiel). Data over de mogelijkheden per sector om ook niet-drinkwaterte gebruiken zijn niet bekend. Bij het huidige tarief van de belasting opleidingwater van 0,425 ct/m3 neemt de prijs boven het huidige heffings-plafond, omgerekend naar prijs per liter, slechts beperkt toe (namelijk:€ 0,0004 per liter). Voor sectoren met het grootste verbruik is niet bekendin hoeverre zij in staat zijn kostprijsverhogingen door te rekenen aanklanten/gebruikers. In het ambtelijk voortraject is ingeschat dat hetafschaffen van het heffingsplafond voor een gemeentelijk zwembad totcirca € 0,03 aan extra lasten per bezoeker leidt. Door de grondslag van de99Kst 27 625 nr. 669.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1684 belasting op leidingwater te beperken tot water van drinkwaterkwaliteitvalt de lastenverhoging in veel gevallen lager uit. Daarbij biedt degeleidelijke afschaffing grootverbruikers waar mogelijk de gelegenheidom verder te investeren in waterbesparende maatregelen en zo lastenver-hoging te beperken.Leden van de fractie van CDA vragen om nadere toelichting op derechtvaardiging van de uitbreiding van de belasting op leidingwater.Hierbij merken deze leden op dat het kabinet de nadruk legt op hetuitgangspunt «het juiste water voor het juiste gebruik», om vervolgens tezeggen dat het heffingsplafond puur om budgettaire redenen wordtafgeschaft. Daarnaast vragen de leden van de fractie van D66 hoe hetkabinet de verwachte waterbesparing monitort, bijvoorbeeld door hetuitvoeren van een evaluatie na de eerste twee jaar om te bezien of deprikkel tegen verspilling daadwerkelijk effect heeft. De voorgesteldemaatregel heeft primair een budgettair doel. Uit onderzoek van Witteveenen Bos100 is namelijk gebleken dat beprijzing van water beperkt tot waterbesparing leidt. Afschaffing van het heffingsplafond levert naarverwachting een hoeveelheid waterbesparing op van 0 tot 25 miljoenkubieke meter water per jaar. Deze maatregel geeft gebruikers die nuprofiteren van het heffingsplafond een beperkte aanvullende prikkel omwaterverspilling tegen te gaan. De doelmatigheid en doeltreffendheid vande maatregel wordt in 2031 geëvalueerd, zoals in de MvT verwoord.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinet eeninschatting kan geven ten aanzien van de gedragsreactie en de gevolgenvoor het vestigingsklimaat. Daarbij wijzen deze leden erop dat de stap vanverhoging en afschaffing van het heffingsplafond in het verleden vaak nietis gezet met het oog op het vestigingsklimaat en het vertrek van bedrijven.De verwachting is dat deze maatregel maar een beperkte gedragsreactieteweeg zal brengen. Uit het rapport van Witteveen en Bos101 blijkt datwater maar een klein aandeel van de totale kostprijs is voor de bedrijvendie geraakt worden door deze maatregel. Hierdoor zal de maatregel maareen zeer beperkt effect hebben op het vestigingsklimaat. Verwachtegevolgen voor een kleine groep grootverbruikers worden beperkt door degrondslag van belasting op leidingwater te beperken tot water vandrinkwaterkwaliteit. te rekenen aan hun klanten/gebruikers.De leden van de fractie van de SGP vragen of het klopt dat de lastenver-zwaring neerslaat bij een beperkt aantal waterverbruikers. Het verhogenvan het heffingsplafond zorgt voor een lastenstijging voor gebruikers meteen verbruik vanaf 300 m3per jaar. Het verbruik van vrijwel allehuishoudens valt al volledig onder het heffingsplafond waardoor dezemaatregel niet zorgt voor een lastenstijging voor huishoudens. Daarnaastzit circa 90% van de bedrijven met een aansluiting al volledig onder hetheffingsplafond waardoor dit voor hen ook niet zal resulteren in eenlastenstijging. Het verhogen van het heffingsplafond raakt daardoor naarverwachting rond de 10% van de bedrijven met een eigen aansluiting. Deuiteindelijke groep gebruikers die geraakt wordt door de verhoging vanhet heffingsplafond is daarmee relatief beperkt. De maatregel raakt weleen brede groep aan sectoren waarbij gedacht kan worden aanzwembaden, autowasstraten, farmaceutische- en voedingsmiddelenin-dustrie en ziekenhuizen. De gemiddelde lastenstijging voor de groepbedrijven die geraakt wordt, ligt rond de € 4.000 per bedrijf per jaar. Hierinzit wel een enorme variatie op basis van het werkelijke gebruik van een100Kamerstukken II, 2024/2025, 27 625 nr. 691, bijlage: Witteveen en Bos, «Verkenning beprijzenwatergebruik».101Kamerstukken II, 2024/2025, 27 625 nr. 691, bijlage: Witteveen en Bos, «Verkenning beprijzenwatergebruik».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1685 bedrijf. Zo is de gemiddelde lastenstijging beperkt tot € 740 per jaar voorde groep bedrijven met een verbruik tussen de 300–10.000 m3per jaar enloopt dit op tot rond de € 152.000 voor bedrijven met een verbruik bovende 120.000 m3 per jaar.Hervormingen afvalstoffenbelastingDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet kantoelichten waarom de polymerenheffing is vervangen met een verhogingvan de afvalstoffenbelasting en in hoeverre druk vanuit de plasticindustriehierbij een rol heeft gespeeld. In het Regeerprogramma is afgesprokenom invoering van de polymerenheffing bij de Voorjaarsnota 2025 tewegen in samenhang met de circulaireplasticnorm, met oog vooreconomische effecten. Onderzoeksbureau Trinomics 102 heeft in opdrachtvan het kabinet de beleidseffecten hiervan in kaart gebracht richting hetvoorjaar van 2025. Het kabinet heeft besloten om de polymerenheffing ende circulaireplasticnorm allebei niet in te voeren vanwege de verwachteweglekeffecten die het rapport van Trinomics laat zien een beperktemilieu-impact bij een lage heffing op verwerking en productie vanpolymeren. Bovendien wordt er beschreven dat, indien het volledigebudgettaire belang ermee zou worden opgehaald, de heffingshoogteaanzienlijk hoger moet worden dan eerder geraamd, vanwege deinteractie met productieverliezen en de afnemende grondslag hierdoor.Ook heeft de sector zorgen geuit over de lastenverzwaring en debijbehorende productieverliezen. Het kabinet verwacht dat afvalverbran-dingsinstallaties (AVI’s) makkelijker dan deze producenten en verwerkersvan polymeren hun kosten kunnen afwentelen via de poorttarieven. Er issprake van een deels mondiale markt bij producenten en verwerkers vanpolymeren, waar dit voor AVI’s niet geldt. Export van brandbaar afval isdaarnaast mogelijk, maar wel aan regels onderhevig van de EuropeseVerordening voor Overbrengen van Afvalstoffen en afvalstoffen vallenonder de grondslag van de afvalstoffenbelasting als ze in een buiten-landse AVI verbrand worden. Dit laat onverlet dat er evenwel sprake is vaneen beperkter weglekrisico bij afvalverbrandingsinstallaties. Het kabinetstelt daarom subsidies ter beschikking om verduurzamingskosten tebeperken en zo het weglekrisico te verkleinen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet deverhoging van de afvalstoffenbelasting een doelmatige maatregel vindtom de circulaire economie te bevorderen. Voorts vragen de leden van hetCDA hoe het kabinet beoordeelt dat een maatregel die tot meer circula-riteit moest leiden, nu wordt ingevuld met alternatieve maatregelen diejuist tot minder circulariteit leiden. Tot slot vragen de leden van de fractievan de VVD of het beeld of de mate waarin de heffingen bijdragen aancirculariteit overeenkomt met het oorspronkelijke doel van de plastic-heffing – namelijk het creëren van een circulaire prikkel in de keten? Zoalsook met Prinsjesdag gecommuniceerd is het merendeel van het maatre-gelenpakket voor de afvalsector (de aanscherping van de CO2-heffing ende afvalstoffenbelasting) onderdeel van een technische invulling. Samenmet de sector wordt via de Werkgroep Afvalsector naar een mogelijkealternatieve invulling gekeken om de beoogde opbrengsten te realiserenwaarbij de circulaire economie meer wordt bevorderd en het pakket ingelijke mate bijdraagt aan CO2-reductie. Het kabinet heeft besloten totdeze technische invulling bij de afvalsector, omdat er op het moment vanbesluitvorming geen budgettair alternatief bekend was dat de circulaireeconomie en verdere CO2-reductie zou ondersteunen en waarvan bekendwas dat het uitvoerbaar zou zijn. Het kabinet deelt de mening niet dat hetpakket zijn geheel tot minder circulariteit leidt. Zo geeft een verhoogd102Bijlage van Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 251.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1686 tarief voor storten-met-ontheffing een positieve prijsprikkel om brandbareafvalstoffen zoveel mogelijk te verbranden in plaats van te storten, dat iswenselijk in het kader van de afvalhiërarchie. Bovendien is het aanne-melijk dat het maatregelenpakket de import van afval naar Nederlandaanzienlijk zal verminderen. Daarnaast zijn er mogelijke risico’s op exportvan Nederlands afval naar het buitenland. Daarnaast beïnvloed het debusinesscase voor zogenaamde «Carbon Capture and Storage» en«Carbon Capture and Utilisation» (CCS/CCU). Enerzijds geeft Trinomicsaan dat de business case voor AVI’s onzekerder wordt, anderzijds kent PBLwel emissiereductie door CCS toe naar aanleiding van het pakket. Dezeeffecten remmen de doelmatigheid en doeltreffendheid van dezemaatregel in het stimuleren van de circulaire economie en het reducerenvan CO2.Aan de andere kant erkent het kabinet dat de maatvoering van demaatregelen een negatief effect kan hebben op recyclingactiviteiten. Ditkomt door de verhoogde kosten van het verbranden van recyclingresidu.Dit effect remt de doelmatigheid en doeltreffendheid van deze maatregelin het stimuleren van de circulaire economie. Mede gezien de zorgenvanuit het kabinet hierover wordt samen met de sector via de WerkgroepAfvalsector naar een mogelijke alternatieve invulling gekeken met als doelom de circulaire economie meer te bevorderen. Onderdeel daarvan is eenverkenning om met faciliterend beleid de business case voor recycling teversterken.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan toelichtenhoe de budgettaire doelmatigheid en doeltreffendheid van deze heffingenzich verhouden tot de klimaat- en circulariteitsdoelstellingen en welkegegevens en criteria zijn gebruikt bij deze afweging, en hoe wordtgemeten of de maatregel daadwerkelijk leidt tot meer recycling en minderCO2-uitstoot. In algemene zin is in de evaluatie van de afvalstoffenbe-lasting geconcludeerd dat de afvalstoffenbelasting zelf zeer doeltreffend isin het genereren van inkomsten voor het Rijk, en een financieel doelmatiginstrument is. De verwachting is dat bij het besluit tot het maatregelen-pakket met aanpassing en aanscherping van de betreffende heffingendoor de maatregelen minder afval in Nederland wordt verbrand,waardoor de grondslag voor de afvalstoffenbelasting daalt. Deverwachting is dat de aanpassingen in de afvalstoffenbelasting resulterenin een reductie van 1,2 Mton verbrand afval en 0,2 Mton gestort afval.Daarnaast wordt in de raming rekening gehouden met een reductie van0,5 Mton verbrand afval richting 2030 door de eerdere aanscherping vande CO2-heffing voor AVI’s. Doordat bij het vaststellen van de tarieven overde verschillende jaren de reductie in grondslag is meegenomen in deraming, is de verwachting dat de maatregel de beoogde opbrengst zalhalen ondanks de afname in de grondslag. De beoogde opbrengstenworden gerealiseerd met slechts een beperkte aanpassing van wet- enregelgeving en een beperkte impact op de uitvoering. Daarmee is dezemaatregel vanuit budgettair perspectief doeltreffend en doelmatig. Naastde afvalstoffenbelasting wordt ook de CO2-heffing aangescherpt. In debudgettaire raming gaat het kabinet ervan uit dat als gevolg van dezemaatregel circa 0,5 Mton fossiele CO2wordt afgevangen in 2030.Tweederde van de broeikasgasemissies van AVI’s zijn van biogeneoorsprong, dus hiermee zou de totale afvang van CO2 in 2030 op 1,5 Mtonuitkomen. Daarnaast gaat het kabinet in de budgettaire raming er vanuitdat vanaf 2035 circa 50 procent van de totale broeikasgasemissies vanAVI’s worden afgevangen. Het Planbureau voor de Leefomgeving raamt inde Klimaat- en Energieverkenning 2025 tevens een extra CO2-reductie alsgevolg van de aangescherpte CO2-reductie voor AVI’s. Naar aanleidingvan zorgen uit de sector over de effecten van het maatregelenpakket enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1687 een impactstudie door Trinomics103, heeft het kabinet besloten om samenmet de sector via de Werkgroep Afvalsector naar een mogelijke alterna-tieve invulling te kijken om de beoogde opbrengsten te realiseren waarbijde circulaire economie meer wordt bevorderd en het pakket in gelijkemate bijdraagt aan CO2-reductie. De maatregelen worden net als anderefiscale maatregelen regulier geëvalueerd, hierbij zal ook gekeken wordennaar doeltreffendheid en doelmatigheid ten aanzien van de circulaire- enklimaatdoelen.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen zich af of de huidigegenerieke verhoging van de afvalstoffenbelasting er met name voor zorgtdat de financiële druk voor gemeenten en inwoners toeneemt, terwijl hetals geïsoleerde maatregel niet bijzonder effectief is voor de transitie naarde circulaire economie. Een lastenstijging is vooropgesteld een inherentonderdeel van belastingheffing. De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’sdeze volledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor40% door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkersterecht komen bij gemeenten. 104 Het kabinet erkent dat een beleidsmixaan maatregelen, die bijdraagt aan afvalreductie en recycling, effectieveris dan een losstaande maatregel.De leden van de fractie GroenLinks-PvdA vragen in hoeverre de verhogingvan de afvalstoffenbelasting wordt doorbelast aan burgers via eenverhoging van de jaarlijkse afvalstoffenheffing. Daarnaast vragen de ledenvan de fractie van D66 naar de gemiddelde lastenstijging per huishoudenuitgaande van een volledige doorberekening in de poorttarieven. Tot slotvragen de leden van de fractie van de VVD of burgers en bedrijven viahogere afvaltarieven uiteindelijk de rekening betalen. Een lastenstijging bijbedrijven of burgers is zoals eerder benoemd een inherent onderdeel vanbelastingheffing. De mate waarin de kosten uiteindelijk worden doorbe-rekend door gemeenten valt niet met zekerheid te zeggen. De budgettaireopbrengst van de verhoging van de afvalstoffenbelasting en deaanscherping van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties zal,indien afvalverbrandingsinstallaties deze volledig doorberekenen in depoorttarieven voor circa 60% via afvalverwerkers terechtkomen bijgemeenten en voor 40% bij bedrijven. Gemeenten kunnen vervolgensweer bepalen in welke mate zij de lastenverzwaring doorberekenen aanburgers via de afvalstoffenheffing. Wanneer gemeenten deze kostenvolledig verwerken in de afvalstoffenheffing resulteert dit in een gemid-delde lastenstijging van € 40 euro per huishouden per jaar. De werkelijkelastenstijging per gemeente loopt erg uiteen op basis van met name dehoeveelheid restafval per inwoner.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat er uit degesprekken met de NVRD is gekomen met betrekking tot de lastenstijgingvoor burgers. Naar aanleiding van de gesprekken met de NVRD is eenanalyse op microniveau uitgevoerd om de lastenstijging voor burgers inverschillende gemeenten in kaart te brengen. Hieruit kwam naar voren datde werkelijke lastenstijging voor huishoudens erg kan verschillen pergemeente op basis van de hoeveelheid afval per inwoner en het aandeelvan dat afval dat wordt verbrand. Tabel 19 van het pakket Belastingplangeeft inzicht in een aantal uitkomsten van deze analyse.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen welke alternatievener allemaal ter sprake zijn gekomen aan de Plastictafel, waarom er nietvoor één of meerdere van deze alternatieve dekkingsvoorstellen gekozenis en waarom er niet voor is gekozen om de plasticproducenten tebelasten? Voorts vragen de leden waarom er niet voor is gekozen om de103Bijlage van Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3.104Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1688 heffing op to-go-verpakkingen om te vormen tot een belasting die tengoede komt aan de schatkist? De Plastictafel heeft diverse alternatievevoorstellen besproken, maar bij de leden van de Plastictafel was geenconsensus om één van deze voorstellen in het advies op te nemen. Er zijnwel interessante voorstellen besproken die door het kabinet verderverkend worden. In het Kamerstuk «Tabel met appreciatie voorstellenPlastictafel»105 is een overzicht gegeven van de verschillende voorstellenen dus ook de budgettaire alternatieven die door de Plastictafel naarvoren zijn gebracht. Er is nog geen besluit over genomen omdat op hetmoment van besluitvorming de uitvoerbaarheid van enkele potentieelkansrijke voorstellen nog niet bekend was en omdat de beleidsmatigeeffecten verder verkend dienen te worden. Vanuit de verschillendeministeries worden momenteel verschillende kansrijke voorstellen dievanuit de Plastictafel en de Werkgroep Afvalsector naar voren zijngebracht verder verkend. Dit is ook nader beschreven in de Kamerbriefcirculair plastic van 26 september jongstleden.106 In het voorjaar kan hiereen besluit over genomen worden, als mogelijke alternatieve invullingvan de technische invulling. Daarnaast is er bij de Voorjaarsbesluit-vorming van dit jaar al besloten om geen polymerenheffing in te voerenvanwege de verwachte weglekeffecten. Voor een heffing op to-goverpakkingen geldt dat een aantal aspecten nader onderzocht dienen teworden.De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre is onderzochtwelke impact de lastenstijging heeft op bedrijven die nu investeren inCO2-afvang, circulaire verwerking en elektrificatie? Voorts vragen de ledenvan de fractie van het CDA wat de verwachte effecten zijn voor investe-ringen van afvalbedrijven in verduurzaming, recycling en CO2-afvang, alsexport aantrekkelijker wordt en wat de gevolgen van deze maatregelenzijn voor het aantal banen in de afvalsector. Tot slot vragen de leden vande fractie van GroenLinks-PvdA of het kabinet kan toelichten wat degevolgen van de verhoging van de CO2-heffing voor AVI’s zijn? DeCO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties wordt aangescherpt viaeen stijging van het tarief tot 295 euro/ton CO2 vanaf 2030 en een verdereafbouw van het aantal dispensatierechten vanaf 2030 naar nul in 2033.Deze aanpassingen aan de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallatiesverstevigen de prijsprikkel om CCS (CO2-afvang) toe te passen, waarmeenaast dekking van de budgettaire derving tevens CO2-reductie werdbeoogd. In de budgettaire raming gaat het kabinet ervan uit dat als gevolgvan deze maatregel circa 0,5 Mton fossiele CO2wordt afgevangen in 2030.Tweederde van de broeikasgasemissies van AVI’s zijn van biogeneoorsprong, dus hiermee zou de totale afvang van CO2 in 2030 op 1,5 Mtonuitkomen. Daarnaast gaat het kabinet in de budgettaire raming ervan uitdat vanaf 2035 circa 80 procent van de totale broeikasgasemissies vanAVI’s worden afgevangen. Ook het Planbureau voor de Leefomgevingraamt in de Klimaat- en Energieverkenning 2025 een extra CO2-reductieals gevolg van de aangescherpte CO2-reductie voor AVI’s. Tegelijkertijdwijst consultancybureau Trinomics in de impactanalyse erop dat hettoepassen van CCS weliswaar rendabeler wordt, maar dat het onzeker isof AVI’s in de praktijk ook daadwerkelijk gaan investeren in CCS. Het totalebeprijzingspakket (inclusief verhoging afvalstoffenbelasting) leidt namelijktot minder afvalverbranding, wat de business case voor AVI’s verslechterten meer investeringsonzekerheid geeft. Daarnaast neemt het risico opexport van Nederlands afval naar het buitenland toe, doordat deCO2-heffing niet geldt over het afval dat wordt geëxporteerd, waar ditvoor de afvalstoffenbelasting wel geldt voor afval dat in buitenlandseAVI’s verbrand wordt. Bij AVI’s die geen CCS (kunnen) toepassen leidt de105Bijlage van Kamerstukken II 2025/26, 33 043, nr. 119.106Kamerbrief over circulair plastic | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1689 aangescherpte CO2-heffing tot een kostenstijging van circa 30 euro perton afval. Hiermee wordt verbranding van afval in Nederland duurder danin de buurlanden. Indien AVI’s wel tijdig (kunnen) investeren in CCS, is delastenstijging als gevolg van de aangescherpte CO2-heffing beperkt.Afhankelijk van het doorberekenen van investeringskosten vanCO2-afvang installaties in de poorttarieven kan de verbranding vanNederlands afval in binnenlandse AVI’s goedkoper uitvallen danverbranding in buitenlandse AVI’s. Zie ook onderstaande figuur. Voorrealisatie van CCS bij AVI’s is het noodzakelijk dat het CO2-opslagprojectAramis operationeel is. Dit is naar verwachting niet eerder dan 2030. Zieook onderstaande figuur. Het effect op werkgelegenheid is niet gekwantifi-ceerd in de onderzoeken. Het kabinet heeft duidelijk de oproep van desector gehoord om te werken aan investeringszekerheid voor afvalver-brandingsinstallaties en erkent de zorgen de mogelijk negatieve effectenop recycling. Zoals in eerdere beantwoording vermeld is een onlangsingestelde Werkgroep Afvalsector daarom verzocht om te komen tot eenafsprakenpakket dat investeringszekerheid biedt voor verduurzaming vanafvalverbranding.De leden van de fractie van Groenlinks-PvdA vragen waarom hetweglekrisico bij AVI’s anders is ingeschat dan bij de andere bedrijvenonder de CO2-heffing industrie. Het kabinet verwacht dat afvalverbran-dingsinstallaties makkelijker dan de overige industriële installaties hunkosten kunnen afwentelen via de poorttarieven. Er is sprake van een deelsmondiale markt bij overige industriële installaties, waar dit voor afvalver-brandingsinstallaties niet geldt. Export van brandbaar afval is mogelijk,maar wel aan regels onderhevig van de Europese Verordening voorOverbrengen van Afvalstoffen. Dit laat onverlet dat er evenwel sprake isvan weglekrisico bij AVI’s, dit wordt ook benoemd in het rapport vanTrinomics. Het kabinet heeft daarom aangegeven bereid te zijn alterna-tieven voor de budgettaire opgave te bekijken en stelt tevens subsidies terbeschikking om verduurzamingskosten te beperken en zo het weglekrisicote verkleinen.De leden van de fractie van de VVD vragen te bevestigen dat dezeheffingen leiden tot een structurele lastenverzwaring van 567 miljoen europer jaar en om toe te lichten hoe dit zich verhoudt tot het kabinetsstrevennaar lastenverlichting voor het bedrijfsleven. In het Regeerprogrammastaat dat er lastenverlichtingen doorgevoerd worden die op macroecono-misch niveau gunstig uitvallen voor het bedrijfsleven, hierbij ook rekeninghoudend met de lastenverzwaringen in het Hoofdlijnenakkoord. In hetHoofdlijnenakkoord is tegelijkertijd een lastenverzwaring in het circulairedomein afgesproken van 567 mln. vanaf 2028. Vanwege de groteweglekeffecten bij de in het Hoofdlijnenakkoord afgesproken polymeren-Figuur 6: Kosten van verbranding Nederlands afval in Nederland en buitenlandseinstallaties (bron: Trinomics 2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1690 heffing, stelt het kabinet – als technische invulling – voor om dit in tevullen via een beprijzingspakket in het afvaldomein.De leden van de fractie van de VVD vragen in hoeverre de randvoor-waarden voor verduurzaming op orde zijn voor AVI’s, en wat de verwachtegevolgen zijn van eventuele weglek van afvalstromen voor hetCCS-project Aramis. AVI’s kunnen met uitsortering van plastics en CCShun fossiele emissie-intensiteit verlagen, en zo CO2-heffing vermijden.Ook daarvoor geldt dat CCS-infrastructuur, vergunningen en netinfra-structuur tijdig beschikbaar moeten zijn. In het bijzonder zal de tijdigheidvan Aramis belangrijk zijn voor het vermijden van CO2-heffing. De huidigeverwachting is dat Aramis in 2030 gereed zal zijn, mede dankzij de groteinspanning die het kabinet levert voor tijdige realisatie. Echter, de AVI’shebben tot 2030 beperkt handelingsperspectief voor grootschaligeCO2-opslag. In de periode voorafgaand aan de in bedrijfname van Aramisis het afvalweglekrisico groter.De leden van de fracties van de VVD, de BBB en de SGP vragen of hetkabinet erkent dat hogere afvalheffingen en CO2-tarieven het risicovergroten dat afvalstromen naar het buitenland weglekken en welkeanalyse het kabinet gemaakt heeft van de verwachte exporttoename vanafvalstromen en de gevolgen daarvan voor: de CO2-uitstoot in Europa enmondiaal; de Nederlandse verwerkingscapaciteit en strategischeautonomie; de budgettaire opbrengst en de effectiviteit van de maatregel.Voorts vragen de leden van de fractie van de VVD of het kabinet kantoelichten hoe groot de waterbedeffecten zijn als Nederlands afval inandere EU-lidstaten wordt verbrand of gestort, vaak onder minder strengemilieunormen en wat het effect van het pakket op mondiale emissies is.Tot slot vragen de leden van de fractie van de SGP of het kabinet deverwachte klimaateffecten en de effecten op de CO2-uitstoot kan schetsenals gevolg van de grenseffecten. Door Trinomics is onderzoek107 uitge-voerd naar onder andere de mogelijke grenseffecten ten aanzien van deafvalvolumes door het maatregelenpakket en de hieraan gekoppeldeeffecten op emissies en verwerkingscapaciteit. Uit het onderzoek vanTrinomics blijkt dat de importstroom van ongesorteerd restafval voorverbranding naar Nederland volledig weg zal vallen. Een deel van deimportstroom valt naar verwachting al weg door de reeds genomenaanscherping van de CO2-heffing voor afvalverbrandingsinstallaties uitBelastingplan 2025 en de overige importstroom valt naar verwachtingweg na het voorgestelde maatregelenpakket. Dit zorgt voor een afnamevan de hoeveelheid verbrand afval in Nederland met 1,1 Mton en eenreductie in de fossiele CO2-uitstoot met 0,4 Mton. Binnen de afvalstoffen-belasting geldt dat de afvalstoffen die worden geëxporteerd voorverbranding in een AVI buiten Nederland ook worden belast. Voor deCO2-heffing industrie geldt dat export van afval niet belast wordt. Uit hetTrinomics rapport blijkt dat als gevolg van bovenstaande de exportmogelijk toeneemt. De exacte impact is moeilijk te bepalen doordat ermeerdere factoren zijn die het exporteren van afval kunnen beperkenzoals transportkosten, logistieke en operationele complexiteit vanexporteren, een beperkte capaciteit voor afvalverwerking in het buitenlanden een mogelijke toename van CCS in Nederland. Om deze reden is in deraming rekening gehouden met een constante exportstroom waardoor deafvalreductie op basis van de relevante prijselasticiteiten volledig wordttoegerekend aan de afvalstroom die in Nederland wordt verwerkt.Hierdoor neemt de exportstroom in absolute termen niet toe maar relatiefbinnen de totale hoeveelheid afval neemt de exportstroom wel toe. Deeffecten op mondiale emissies en het waterbedeffect zijn niet kwantitatiefonderzocht, maar wel kwalitatief beschreven door Trinomics. Minder107Bijlage van Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1691 afvalverbranding in Nederland leidt tot een lagere directe CO2-uitstoot enminder lokale uitstoot van schadelijke verontreinigende stoffen in delucht, het water en de bodem. Tegelijkertijd kunnen de hogere afvalver-brandingskosten ook tot meer milieuvervuiling leiden door bijvoorbeeldillegale stort en meer zwerfafval. Echter, volgens Trinomics is er in deliteratuur geen bewijs gevonden dat deze effecten zich op grote schaalzullen voordoen. Daarnaast zal het afval dat niet in Nederland maar in hetbuitenland wordt verwerkt de milieueffecten in eigen land weliswaarverminderen, maar de milieueffecten in het buitenland vergroten,bijvoorbeeld als afval naar minder efficiënte AVI’s gaat of wordt gestort.Aan de andere kant kan de wereldwijde CO2-uitstoot ook afnemen.Volgens de onderzoekers kunnen de afvalkosten in de landen diemomenteel afval naar Nederland exporteren namelijk stijgen, hetzij doorde hogere poorttarieven in Nederland, hetzij doordat alternatieveoplossingen voor afvalverwerking gevonden moeten worden die duurderzijn dan de huidige situatie. Dit kan ertoe leiden dat in de exporterendelanden wordt geïnvesteerd in betere scheiding en meer recyclingplaatsvindt, wat weer tot lagere milieueffecten leidt.De leden van de fractie van de VVD vragen hoe realistisch het kabinet deverwachte opbrengst van € 567 miljoen per jaar acht, gezien de aanneme-lijke uitholling van de belastinggrondslag door export van afval.Daarnaast vragen de leden van de fractie van de SGP naar de robuustheidvan de opbrengst van de afvalstoffenbelasting en een mogelijkeverkleining van de grondslag. Tot slot vragen de leden van de fractie vande VVD met welk tariefpad het kabinet rekent om de opbrengst op peil tehouden in het geval dat de grondslag afneemt. In de budgettaire raming isrekening gehouden met een afname van de belastinggrondslag op basisvan prijselasticiteiten en het onderzoeksrapport van Trinomics108.Daarnaast wordt over geëxporteerd afval ook afvalstoffenbelastingbetaald. In het geval dat export toe zou nemen geldt dat dit niet tot eenlagere belastbare grondslag van de afvalstoffenbelasting leidt. Hettariefpad van de afvalstoffenbelasting ziet er als volgt uit in prijspeil 2025:Tabel 17: Tariefpad afvalstoffenbelasting (Prijspeil 2025)202720282029203020312032203320342035Tariefpad afvalstoffen-belasting39,7190,2192,61120,71109,81102,7198,71106,21113,81 De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan toelichtenwat het exacte mandaat en de opdracht van de Werkgroep Afvalsector is,welke beleidsopties en alternatieven de werkgroep mag onderzoeken enbinnen welke termijn resultaten worden verwacht. Voorts vragen de ledenvan de fracties van de SGP en de VVD naar de stand van zaken van degesprekken met de Werkgroep Afvalsector over een mogelijke alternatieveinvulling van de budgettaire opgave en of er reeds concrete alternatievemaatregelen zijn voorgesteld in dit kader. Daarnaast vragen de leden vande fractie van de VVD of het kabinet bereid is deze voorstellen, inclusieffinanciële opbrengsten, circulaire effecten en uitvoerbaarheid, aan deKamer te doen toekomen, voorzien van een appreciatie en vergelijkingmet de nu gekozen route. Tot slot vragen de leden van de fractie van hetCDA waarom de afvalverbrandingssector nu met oplossingen moetkomen, en niet breder wordt gekeken binnen het circulaire domein. Eenonlangs ingestelde Werkgroep Afvalsector is verzocht om te komen tot1) een schriftelijke overeenkomst die investeringszekerheid biedt voorverduurzaming van afvalverbranding; en 2) een lijst van opties vooruitwerking van (alternatieven voor) de lastenverzwarende maatregelen108Bijlage van Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1692 binnen het domein van afvalverwerking zoals aangekondigd in deVoorjaarsbesluitvorming. Daarnaast onderzoekt het kabinet alternatievebeprijzende maatregelen in het circulaire domein. Er wordt dus niet enkelgefocust op het afvaldomein. Er is reeds een lijst met mogelijke alterna-tieven aangeleverd en besproken in de Werkgroep afvalsector. Hiervanzijn een aantal kansrijke voorstellen geprioriteerd, die verder zullenworden verkend. Het kabinet is voornemens om de appreciatie van dezeverkenning naar kansrijke alternatieven met de Kamer te delen, inclusieffinanciële opbrengsten, circulaire en CO2-effecten en uitvoerbaarheid.Besluitvorming over de alternatieve heffingen is beoogd bij Voorjaarsnota2026.De leden van de fractie van de SGP vragen of het klopt dat geen van devoorgestelde maatregelen al op 1 januari 2026 ingaat. De leden van deVVD en de SGP vragen waarom deze maatregel nu al in het Belastingplanopgenomen wordt, terwijl de invoering pas in 2028 is voorzien en devolledige effecten op recycling, CO2-uitstoot, circulariteit, woningbouw enwerkgelegenheid nog niet zijn onderzocht. Daarnaast vragen de leden vande fractie van de VVD of het kabinet bereid is eerst een uitgebreide effect-en proportionaliteitstoets te laten uitvoeren voordat verdere stappenworden gezet. Het klopt dat geen van de maatregelen ingevoerd wordt per1 januari 2026. De aanscherping van de CO2-heffing industrie gaat in per2027. Voor de hervormingen van de afvalstoffenbelasting, die geenonderdeel van de technische invulling zijn, geldt dat er implementatietijdnodig is voor de invoering, nadat hier over gestemd is bij de parlemen-taire behandeling van dit wetsvoorstel. Er is voor gekozen de afvalmaatre-gelen als geheel in Belastingplan 2026 op te nemen gezien de wens omeen integraal pakket in wetgeving om te zetten, zodat een volgend kabinetniet met een budgettair gat wordt geconfronteerd. De technische invullingbetreft de aanscherping van de afvalstoffenbelasting en de aanscherpingvan de CO2-heffing industrie voor AVI’s. Besluitvorming over mogelijkealternatieve invulling, op basis van adviezen van de Werkgroep afval-sector, is voorzien bij de Voorjaarsnota 2026. Indien hiertoe beslotenwordt kan deze alternatieve invulling in het Belastingplan 2027 wordenopgenomen. Het kabinet is van oordeel dat de effecten van het huidigemaatregelenpakket voldoende in kaart is gebracht, op basis van het recentgepubliceerde onderzoek van Trinomics109.De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet de uiteenlopendeinzichten duidt van het Trinomics-onderzoek van enerzijds een hogerebetaalbereidheid en anderzijds een verhoging van de kostprijs voor derecyclingindustrie. De leden van de fractie van D66 vragen tevens naarmogelijke kostenstijging van gerecyclede producten ten opzichte vanprimair-fossiele producten door de CO2-heffing, en hoe het kabinetaankijkt naar de bevindingen van PwC. Voorts vragen de leden van defracties van D66, de VVD, Groenlinks-PvdA en de SGP zich af wat deverwachte gevolgen zijn van de extra heffingen op de afval- en recycling-sector voor de business case (werkgelegenheid, innovatiekracht,capaciteit en concurrentiepositie) van de Nederlandse recycling- enafvalsector. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen wat het(kwantitatieve) effect is van de maatregelen op de hoeveelheid gerecycledplastic in Nederland en de nationale circulariteitsdoelstelling. Daarnaastvragen de leden van de fractie van Groenlinks-PvdA wat deze maatregelbetekent voor circulaire koplopers als er niet ook maatregelen wordengenomen om de markt voor secundaire materialen te vergroten. Tot slotvragen de leden van de fractie van D66 welke uitdagingen er zoudenkomen kijken als Nederland voor een groter deel afhankelijk wordt van het109PwC:Gevolgen van fiscale maatregelen voor concurrentiepositie afvalverwerkingssector(2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1693 buitenland voor recycling. Het kabinet erkent dat de huidige maatvoeringvan het maatregelenpakket voor de afvalsector een negatief effect kanhebben op onder andere de recyclingactiviteiten, waarvoor de kostenstijgen. Tegelijkertijd ontstaat een hogere betaalbereidheid voor recyclingals verbranden van afval relatief duurder wordt. Het daadwerkelijkegebruik van recycling in Nederland is hierdoor echter niet gegarandeerd,omdat de keuze voor recycling ook van andere factoren afhangt, metname de beschikbaarheid van technologie en de vraag naar de gerecy-clede materialen. De verwachting uit de impactanalyse van Trinomics110 isdat bij deze maatvoering het effect op de recyclingsector netto negatief is:de hogere betaalbereidheid weegt naar verwachting niet op tegen dekostprijsverhoging en de verminderde import van recyclebaar materiaalbij de business case voor recycling in Nederland. Dit effect is nietgekwantificeerd, net als het effect op de nationale circulariteitsdoelstel-lingen, waar ook afvalreductie een rol speelt (hier wordt in eerdereantwoorden op ingegaan). Tevens geeft Trinomics aan dat het maatrege-lenpakket de business case voor recycling van PMD-afval niet significantzal veranderen, omdat de onrendabele top voor recycling van PMD-afvalte groot zal blijven. Voor circulaire koplopers is niet op voorhand tezeggen of de hogere betalingsbereidheid opweegt tegenover deverhoogde kosten van recycling. Daarnaast zet het kabinet in op Europeseverplichtingen voor de toepassing van recyclaat om de markt voorsecundaire materialen te versterken, zoals opgenomen in de Verpakkin-genverordening en zoals de Commissie beoogt voor de aankomendeCircular Economy Act. Het kabinet wenst te voorkomen dat het afhanke-lijker wordt van het buitenland voor recycling en dat recycling afneemt.Samen met de sector wordt via de Werkgroep Afvalsector naar eenmogelijke alternatieve invulling gekeken met als doel om de circulaireeconomie meer te bevorderen. Onderdeel daarvan is een verkenning ommet faciliterend beleid de business case voor recycling te versterken.De leden van de fractie van D66 vragen hoe het kabinet de signalen vanverschillende betrokkenen (gemeenten, ATR en de afval- en recyclings-sector) meeneemt richting het voorjaar van 2026 wanneer alternatievenvoor de invulling worden gewogen. Het kabinet hecht veel belang aan designalen van de verschillende partijen en zal deze signalen meenemen bijeen besluit in het voorjaar over mogelijk faciliterend beleid en eenalternatieve invulling van het maatregelenpakket. Bovendien wordt samenmet de sector via de Werkgroep Afvalsector naar een mogelijke alterna-tieve invulling gekeken met als doel om de circulaire economie meer tebevorderen.De leden van de fractie van het CDA vragen of het de bedoeling van hetkabinet is om een alternatief voor de circulaire plasticheffing in te voerendie eveneens tot weglek kan leiden, of dat het kabinet zich inderdaadalleen beperkt tot de gevolgen voor Nederlandse uitstoot van deverhoging van de afvalstoffenbelasting, zoals verderop in de memorie vantoelichting blijkt. In de memorie van toelichting wordt aandacht besteedaan mogelijke grenseffecten, waaronder de klimaat- en milieuschade diein andere landen kan optreden, en het risico dat afval daar op een mindermilieuvriendelijke manier wordt verwerkt. Het kabinet beperkt zich dusniet alleen tot gevolgen van uitstoot in Nederland. Het effect op dewereldwijde emissies hangt echter ook af van de mate waarin deafvalverwerkingskosten stijgen in de landen die momenteel afval naarNederland exporteren. Dit kan komen door hogere poorttarieven inNederland of doordat er duurdere alternatieven voor afvalverwerkingmoeten worden gevonden. Een stijging van deze kosten kan er op termijntoe leiden dat exporterende landen ervoor kiezen meer afval te storten of110Bijlage van Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1694 elders te laten verbranden, of dat wordt ingezet op betere afvalscheidingen meer recycling op termijn, wat juist weer tot lagere milieueffecten kanleiden. In de memorie van toelichting wordt verder aangegeven dat ditbeleidsmaatregelenpakket tot doel heeft de import, verbranding en hetstorten van afval in Nederland af te remmen. De nadruk ligt bij deze alineain de memorie van toelichting wel specifiek op lokale milieuvervuiling,omdat verwacht wordt dat dit pakket zal leiden tot een afname van lokalemilieuemissies, zoals de uitstoot van fijnstof, met lokale milieu engezondheidsvoordelen. Aan de andere kant kan het pakket mogelijk leidentot een hoger risico op afvaldumping, wat weer mogelijk negatieveeffecten heeft op het lokale milieu.De leden van fractie van het CDA vragen hoe het kabinet beoordeelt datde afvalstoffenheffing aan de burger wordt doorberekend die geenhandelingsperspectief heeft. Voorts vragen dezelfde leden waarop deveronderstelling is gebaseerd dat hogere prijzen zullen leiden tot eenlager aanbod van afval en hoe realistisch het kabinet de aanname vindtdat de hoeveelheid afval per bewoner daalt als er geen individuele prikkelvoor huishoudens is om die hoeveelheid te verminderen, of dat meeralternatief verwerkt wordt door bijvoorbeeld recycling als daarin nietwordt geïnvesteerd. De budgettaire opbrengst zal, indien AVI’s dezevolledig doorberekenen in de poorttarieven, naar verwachting voor 40%door bedrijven betaald worden en voor circa 60% via afvalverwerkersterecht komen bij gemeenten. Gemeenten kunnen deze prijsstijgingdoorbelasten in de afvalstoffenheffing. Hierbij geldt dat bedrijven volgensde evaluatie van de afvalstoffenbelasting een sterkere negatieve gedrags-reactie hebben ten aanzien van het afval dat aangeboden wordt. Dit zorgtop zichzelf al voor een vermindering van de totale hoeveelheid restafvaldat wordt aangeboden voor verbranding, doordat bedrijven bijvoorbeeldbeter afval scheiden. Het effect op de hoeveelheid afval die gemeentenaanbieden hangt af van het inzamelingssysteem per gemeente (wordt erbijvoorbeeld diftar gebruikt of niet).De leden van de fractie van het CDA vragen het kabinet waarom demaatregel additioneel tarief voor storten-met-ontheffing geen onderdeelis van de technische invulling, terwijl een van de redenen waarom dezemaatregel wordt genomen de aanscherping van de CO2-heffing voor AVI’sis, die wel onderdeel is van de technische invulling. Deze leden vragen ofmet deze maatregel storten in het buitenland niet aantrekkelijker wordtdan storten of verbranden in Nederland. Afval mag niet naar hetbuitenland worden geëxporteerd voor stort. In de evaluatie van deafvalstoffenbelasting is gewezen op een perverse prikkel in het systeemals storten vanuit economisch perspectief voordeliger is dan eenhoogwaardigere vorm van verwerking. Deze prikkel wordt verder versterktdoor de CO2-heffing industrie waardoor verbranden relatief duurderwordt. De technische dekking betreft de verhoging van het tarief van deCO2-heffing naar 295 euro/ton in 2030 en de versnelde afbouw van dedispensatierechten tussen 2030 en 2033. Dit zijn de maatregelen die in ditbelastingplan zitten. De CO2-heffing, hoe die in het basispad is, is geenonderdeel van de technische dekking. In het basispad van de CO2-heffingindustrie (conform Belastingplan 2025) zullen de effectieve tariefkostenvoor verbranding van afval al hoger worden dan het tarief voor storten.De aanscherping van de CO2-heffing industrie voor AVI’s is dus op zichzelfgeen aanleiding voor het aparte tarief voor storten-met-ontheffing, denoodzaak was er al doordat de CO2-heffing industrie uit het basispad toteen effectief hoger belastingtarief voor verbranden leidt ten opzichte vanstorten. Hierdoor is het geen onderdeel van de technische invulling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1695 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen welke effecten hetschrappen van de vrijstelling voor zuiveringsslib in de afvalstoffenbe-lasting heeft voor recyclingbedrijven. Recyclingbedrijven, die zich nietbezig houden met zuiveringsslib, worden niet geraakt door dezemaatregel. Zuiveringsslib is het residu dat ontstaat als gevolg vanwaterzuiveringsprocessen. Dit residu kan worden verwerkt door specialeslibverbrandingsinstallaties of worden meegestookt bij afvalverbrandings-installaties. Als gevolg van het schrappen van de vrijstelling voor hetverbranden van zuiveringsslib, wordt het verbranden door afvalverbran-dingsinstallaties belast. Het verwerken van zuiveringsslib in specialeslibverbrandingsinstallaties blijft buiten de reikwijdte van de afvalstoffen-belasting.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de gesprekkenmet betrekking tot het schrappen van de vrijstelling voor zuiveringsslibzijn verlopen met de Unie van Waterschappen, welke zorgen hierbij zijngeuit en of het kabinet hierop kan reflecteren. Naar aanleiding van deevaluatie van de afvalstoffenbelasting, waarin de vrijstelling voor hetverbranden van zuiveringsslib als ondoelmatig en ondoeltreffend isbeoordeeld, hebben meerdere overleggen plaatsgevonden met de Unievan Waterschappen. De Unie heeft hierbij gewezen op het feit dat detechnieken om grondstoffen terug te winnen bij speciale slibverbrandings-installaties nog onvoldoende volwassen zijn om op grote schaal toe tepassen. Vertegenwoordigers van de Unie van Waterschappen en hetMinisterie van Financiën hebben gezamenlijk een bezoek aan eenslibverbrandingsinstallatie gebracht, waarbij dit onderwerp nader isbesproken. Het kabinet heeft meegewogen dat, hoewel op korte termijnweinig milieueffect is te verwachten van de maatregel, de vrijstelling voorhet verbranden van zuiveringsslib een belemmering kan vormen om dezetechnieken in de toekomst breder toe te passen. Ook heeft de Unie vanWaterschappen gewezen op het risico van normopvulling.Dit risico schat het kabinet in als beperkt, gezien de geringe opbrengst vanhet schrappen van de vrijstelling van jaarlijks € 1 miljoen. Het kabinet isvan oordeel dat de vrijstelling voor het verbranden van zuiveringsslib bijde evaluatie terecht het oordeel ondoelmatig en ondoeltreffend heeftgekregen.De leden van de fractie van de SGP hebben gevraagd naar de gevolgenvan de afschaffing van de vrijstelling voor zuiveringsslib en of het kloptdat de vrijstelling wel blijft gelden voor mono-verbranding. Monover-branders vallen niet onder de reikwijdte van de afvalstoffenbelasting enworden niet getroffen door het afschaffen van de vrijstelling voor hetverbranden van zuiveringsslib. Een relatief klein gedeelte van hetzuiveringsslib wordt verbrand in afvalverbrandingsinstallaties en hieroverwordt vanaf 2027 als gevolg van de voorgestelde maatregel afvalstoffen-belasting geheven. Dit betekent een lastenverzwaring van ongeveer€ 1 miljoen per jaar voor de waterschappen.De leden van de fractie van de SGP hebben gevraagd wat dan deeffectiviteit is van het schrappen van de vrijstelling voor zuiveringsslib.Het kabinet verwacht dat het schrappen van de maatregel op korte termijnzeer beperkte effecten heeft, zowel budgettair als vanuit milieuoogpunt.De vrijstelling heeft in de meest recente evaluatie het oordeel ondoel-matig en ondoeltreffend gekregen. Het schrappen van deze vrijstellingbetekent een vereenvoudiging voor de uitvoeringspraktijk en draagt bijaan de doelstelling van het kabinet om fiscale wetgeving te vereenvou-digen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1696 De leden van fractie van de SGP vragen naar de lastenstijging voorburgers ten gevolge van de afschaffing van de vrijstelling voor zuive-ringsslib. Door de beperkte stroom zuiveringsslib die onder de grondslagzal vallen na het schrappen van de vrijstelling is de budgettaire opbrengstgeraamd op € 1 miljoen waardoor de lastenstijging als gevolg van dezemaatregel voor burgers en waterschappen beperkt zal zijn. Het grootstedeel van de stroom zuiveringsslib wordt aangeboden bij monover-branders die buiten de reikwijdte blijven van afvalstoffenbelasting. Van destroom zuiveringsslib die niet wordt aangeboden in binnenlandsemonoverbranders wordt het grootste deel momenteel al geëxporteerdnaar buitenlandse monoverbranders. Ook export naar monoverbrandersblijft buiten de reikwijdte van afvalstoffenbelasting. Alleen voor zoverzuiveringsslib wordt aangeboden bij binnenlandse of buitenlandseafvalverbrandingsinstallaties, moet afvalstoffenbelasting worden betaaldna het vervallen van de vrijstelling. De hoeveelheid zuiveringsslib dat bijafvalverbrandingsinstallaties wordt is erg beperkt. Naar aanleiding vanhet schrappen van de vrijstelling voor het verbranden van zuiveringsslib,is de verwachting dat deze hoeveelheid nog verder afneemt doordat eengroot gedeelte zich zal verplaatsen naar buitenlandse monoverbranders.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet deopvatting deelt dat een generieke tariefsverhoging veel minder effectief isdan als er wordt gewerkt met gedifferentieerde tarieven. Het kabinetbegrijpt de wens om de tarieven in de afvalstoffenbelasting te differen-tiëren aangezien dit de mogelijkheid biedt om gerichter op gedragsef-fecten te sturen en dit ook als optie wordt geschetst in de evaluatie naarde afvalstoffenbelasting. Door een gedifferentieerd tarief wordtverbranding van PMD duurder, waardoor recycling competitiever wordt.Daarnaast moeten echter ook budgettaire aspecten, eventuele nevenef-fecten en de gevolgen voor de uitvoering worden meegewogen. Eengedifferentieerd tarief vereist namelijk dat de hoeveelheid verbrand afvalook per soort (en met name PMD) wordt uitgesplitst, gemeten engemonitord. Bovendien vraagt het om meer handhaving en toezicht op deverwerking van specifieke afvalstromen (compliance). De generieketariefsverhoging in de afvalstoffenbelasting is onderdeel van detechnische dekking voor de budgettaire opgave als gevolg van het nietinvoeren van een polymerenheffing per 2028. Het introduceren vangedifferentieerde tarieven vraagt om aanpassingen in aangifteformulierenen in de systemen van de Belastingdienst en is hierdoor niet haalbaar omper 2028 in te voeren. Daarnaast stelt het kabinet een tariefdifferentiatievoor tussen het storten van afval met ontheffing en het generiekestorttarief. Dit geeft een prikkel om brandbaar afval zo mogelijk teverbranden, waarmee verdere kostenstijging voor afvalstort wordtvermeden.De leden van de fracties van de VVD, BBB en SGP hebben het kabinetgevraagd om nader in te gaan op de gevolgen van de verhoging van deafvalstoffenbelasting voor bodemsanering en woningbouw en hoe dit zichverhoudt tot het kabinetsbeleid om binnenstedelijke woningbouwlocatieste versnellen. Er zijn verschillende vormen van bodemsanering. Inernstige gevallen van verontreiniging kan de grond worden afgegraven enin reinigingsinstallaties worden gewassen of moet die worden gestort. Bijsanering of woningbouwontwikkeling kan grond vrijkomen die door deaanwezige verontreiniging niet zondermeer toegepast kan worden. Diewordt dan gereinigd of gestort. Bij reiniging ontstaat een residu (circa33%) dat moet worden gestort. Zeker voor PFAS is dit een uitdaging,aangezien hier nog niet veel goede reinigingstechnieken zijn en grond albij relatief lage concentraties niet toepasbaar is. Het kabinet verwacht nietdat dit in de weg staat om binnenstedelijke woningbouwlocaties teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1697 versnellen, vanwege de beperkte kostenstijging die dit in totaal met zichmeebrengt.De leden van de fractie van de VVD hebben gevraagd of het kabinet bereidis om de stortbelasting op reinigingsresiduen te beperken of vrij te stellen.Het kabinet heeft geen concreet voornemen om reinigingsresiduen vrij testellen of de heffing erop te beperken. Voor de afvalstoffenbelasting wordtaangesloten bij het moment dat afvalstoffen de inrichting binnenkomen ofverlaten. Reinigingsresidu ontstaat bij het reinigen en opwerken van ruwebodemas. Het reinigen van ruwe bodemas kan zowel op de inrichtingplaatsvinden als op een externe locatie. Bij een verkenning in het voorjaaris gebleken dat aanpassingen in de afvalstoffenbelasting om het reinigenvan bodemas te stimuleren vanuit de afvalstoffenbelasting, ingrijpendegevolgen heeft voor de praktijk. Er konden geen oplossing wordengevonden voor het verschil dat ontstaat in belastingheffing tussen hetreinigen van bodemas op de eigen inrichting en het reinigen vanbodemas op een externe locatie.De leden van de fractie van de SGP vragen aan het kabinet om tereflecteren op de verhoging van de afvalstoffenbelasting voor deasbestsector en opties aan te dragen voor het mitigeren van dezenegatieve effecten. Bij de introductie van de vrijstelling voor asbest in2019 is een horizonbepaling opgenomen. In deze bepaling stondopgenomen dat de vrijstelling geldt voor daken die vóór 2025 zijngesaneerd. Het huidige kabinet heeft hierop geen wijzigingen aange-bracht. De afvalstoffenbelasting is verschuldigd per 1.000 kilogramafvalstoffen. De verhoging van de afvalstoffenbelasting heeft een geringekostenstijging voor het saneren van asbestdaken tot gevolg. Gezien debeperkte impact acht het kabinet het niet nodig om mitigerende maatre-gelen te nemen.Aanpassingen CO2-heffing industrieDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of het kabinet kantoelichten hoeveel inkomsten de rijksoverheid misloopt door deaanpassing van het tarief (jaarlijks vanaf 2025 t/m 2030). Deze ledenvragen voorts waarom er vanaf 2028 nul euro aan inkomsten is ingeboekten of het klopt dat het kabinet na 2028 geen inschatting kan maken van deinkomsten en zo ja, waarom niet. De leden van de fractie vanGroenLinks-PvdA vragen in aanvulling hierop of de derving op eenspecifieke manier is gedekt en zo ja, om welke het gaat. Tot slot vragendeze leden ten koste van welke projecten het gaat als dekking wordtgevonden binnen het Klimaatfonds. In het coalitieakkoord van Rutte IV isafgesproken dat de eventuele opbrengsten van de CO2-heffing industrievia het Klimaatfonds ten goede komen aan de verduurzaming van deindustrie. Aan het begin van de kabinetsperiode is in de Miljoenennota2025 daarom een raming gemaakt van de verwachte inkomsten uit deCO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstallaties. Vanwege de onzekereontwikkeling van de verduurzaming in de industrie is deze raming destijdsalleen voor de looptijd van het inkomstenkader van het huidige kabinet,dus tot en met 2028, gemaakt. De geraamde opbrengsten van deCO2-heffing waren met de Miljoenennota 2025 ingeboekt in het Klimaat-fonds op het perceel Verduurzaming industrie en innovatie mkb. Vanaf2026 wordt de CO2-heffing industrie voor ETS1- en lachgasinstallatiessterk verlaagd, door het tarief te verlagen naar 78,67 euro/ton CO2 en hetaantal dispensatierechten te verruimen. Hierdoor is de verwachting datvanaf 2027 het heffingstarief onder de ETS-prijs komt te liggen en vanafdat jaar geen nationale heffing meer hoeft te worden betaald. In 2026moet er mogelijk wel nog heffing worden betaald, maar dat kan door hetverruimen van de dispensatierechten in toekomstige jaren naarTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1698 verwachting worden verrekend met een toekomstig overschot aandispensatierechten. Per saldo verwacht het kabinet vanaf 2026 geeninkomsten meer uit de CO2-heffing industrie voor ETS1- en lachgasinstal-laties. Dit betekent een derving van € 274 miljoen aan reeds ingeboekteinkomsten (voor de jaren 2026–2028). Deze derving is opgevangen binnenhet perceel VI-MKB (Verduurzaming industrie en innovatie mkb) in hetKlimaatfonds door dit om te buigen bij de NIKI.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of de derving enverminderde prikkel gevolgen hebben voor de verduurzaming van deindustrie. In aanvulling vragen de leden van de fractie van D66 of hetkabinet het negatieve effect van aanpassing van de CO2-heffing op deCO2-emissies nader kan specificeren. Daarnaast vragen deze leden welkerol de impact op de CO2-uitstoot en het behalen van de klimaatdoelenheeft gehad in de totstandkoming van het besluit over verlaging van deCO2-heffing.Ten tijde van de invoering van de CO2-heffing in 2021, was de gedachtedat de industrie alleen over de vermijdbare emissies belasting zou moetenbetalen. Daarnaast werden extra subsidiebudgetten ter beschikkinggesteld om de industrie te helpen verduurzamen. De gedachte was dat alseen industrieel bedrijf op tijd plannen maakt en gebruikmakend van desubsidies verduurzaamt, dat het bedrijf voldoende dispensatierechtenoverhoudt en geen CO2-heffing hoeft te betalen. Als een bedrijf niet op tijdplannen zou maken, dan zou een bedrijf de CO2-heffing moeten betalen.Hiermee vormde de CO2-hefifng een belangrijke stok achter de deur in deinstrumentenmix. In de praktijk blijkt dit anders uit te pakken, door deveranderende internationale concurrentiepositie en randvoorwaarden dieniet op orde zijn door onder andere netcongestie. Het kabinet anticipeerthierop door de CO2-heffing op korte termijn voor ETS1- en lachgasinstal-laties te verlagen. Dit geeft een belangrijke lastenverlichting aan ETS1- enlachgasinstallaties, die zich nu in een lastige positie begeven. In deberekeningen van het Planbureau voor de Leefomgeving leidt deverlaging van de CO2-heffing tot een toename van de CO2-emissies van0 tot 2 Mton in 2030 ten opzichte van de Klimaat- en Energieverkenning2025. Het wordt namelijk goedkoper om CO2 uit te stoten, wat de businesscase van CO2-reductie projecten verslechtert en het aantrekkelijker maaktvoor bedrijven om investeringen uit te stellen. Bovendien wordt hetdoorgaan met business as usual zonder te verduurzamen niet extraontmoedigd (bovenop het ETS). Het is hierbij natuurlijk wel van belangdat er ook daadwerkelijk handelingsperspectief is voor bedrijven om teinvesteren in verduurzaming111. Een preciezere effectinschatting is op ditmoment niet beschikbaar, gezien de grote onzekerheid omtrent deontwikkeling van de broeikasgasemissies in de industrie.Het kabinet erkent dat de verduurzamingsprikkel voor bedrijvenvermindert en vindt het belangrijk dat de klimaatdoelen worden gehaald.Het kabinet heeft voor het (middel) lange termijn beleid daarom eenOverlegtafel CO2-heffing industrie ingesteld – met vertegenwoordigersvan onder andere het Rijk, groene NGO’s en industriële bedrijven – ommet alternatieven of ideeën voor aanpassingen aan het instrumentariumte komen, waaronder borgende instrumenten. Besluitvorming hierover isin beginsel aan een volgend kabinet.De leden van de fractie van de VVD vragen het kabinet om toe te lichtenwaarom het tarief van de industriële CO2-heffing na 2030 weer terugkeertnaar het hogere niveau van het basispad, terwijl algemeen wordtverwacht dat de industrie door externe factoren – zoals beperkte netcapa-111Zie ook de aparte Kamerbrief die hierover is gestuurd: Kamerstukken II 2025/26, 33 043, nr.119.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1699 citeit, vertraging in infrastructuurprojecten en beschikbaarheid vanduurzame energie – niet in staat zal zijn de beoogde emissiereducties terealiseren. Deze leden vragen voorts of het kabinet kan aangeven welkeoverwegingen aan deze keuze ten grondslag liggen en hoe wordtvoorkomen dat deze tariefstijging leidt tot reële weglekrisico’s, metnegatieve gevolgen voor het vestigings- en investeringsklimaat inNederland. Tot slot vragen de leden van de fractie van de VVD of hetkabinet erkent dat een dergelijk tarief, indien niet in lijn met de feitelijkereductiemogelijkheden, nauwelijks bijdraagt aan de mondiale vermin-dering van CO2-uitstoot, maar wel de internationale concurrentiepositievan Nederlandse bedrijven aanzienlijk kan schaden? Het kabinet erkent demoeilijke positie voor ETS1- en lachgasinstallaties en de internationalemarkt waar deze bedrijven zich in begeven. Voor deze installaties wordthet tarief van de CO2-heffing daarom per 1 januari 2026 verlaagd naar€ 78,67 per ton CO2. In het wetsvoorstel blijft het tarief ook na 2030constant € 78,67 per ton CO2(prijspeil 2025), het tarief keert dus in hetwetsvoorstel niet terug naar het basispad. De hoeveelheid dispensatie-rechten wordt daarnaast in 2026 verruimd naar 1,023 en na 2026 constantgehouden, in plaats van verder afgebouwd. Een nationale reductiefactorvan net boven de 1 betekent dat de bedrijven die op of net slechter dan deETS benchmark presteren voor hun gehele uitstoot dispensatierechtenontvangen. Deze verlaging van de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasin-stallaties geeft op korte termijn een lastenverlichting aan deze groepindustriële bedrijven, maar betekent tegelijkertijd ook dat de verduurza-mingsprikkel afneemt. Het kabinet heeft daarom een OverlegtafelCO2-heffing industrie ingesteld – met vertegenwoordigers van onderandere het Rijk, groene NGO’s en industriële bedrijven – om metalternatieven of ideeën voor aanpassingen het instrumentarium te komen,waaronder borgende instrumenten. Onderdeel van deze gesprekken zalook zijn wat het technisch handelingsperspectief voor de industrie is omin Nederland te verduurzamen en met welk borgend beleid dit perspectiefhet best ontsloten kan worden. Het doel is immers verduurzaming van deindustrie, zodat klimaatverandering wordt tegen gegaan. Waarbij het ookvoor het lange termijn concurrentievermogen van de in Nederlandgevestigde industrie belangrijk is dat er tijdig wordt verduurzaamd.Besluitvorming over het alternatief borgend instrumentarium is inbeginsel aan een volgend kabinet.De leden van de fractie van D66 vragen welke alternatieven het kabinetheeft overwogen om bedrijven wel tegemoet te komen in hun kosten,zonder de prikkels van de CO2-heffing industrie ernstig te verzwakken.Middels een aangenomen motie heeft de Kamer het kabinet verzocht omde CO2-heffing industrie zo snel mogelijk af te schaffen. Het kabinet erkentde moeilijke positie waarin de ETS1- en lachgasinstallaties zich bevindenen heeft daarom gepoogd om binnen de grenzen van het Herstel- enVeerkrachtplan zo goed mogelijk uitvoering te geven aan de wens van UwKamer. Daarnaast heeft het kabinet gekeken welke andere maatregelen opkorte termijn mogelijk zijn om gericht de kosten voor de industrie teverlagen. Om die reden is bovendien de Indirecte Kosten Compensatiere-geling (IKC) tot en met 2029 verlengd om bedrijven tegemoet te komen inde hogere elektriciteitskosten.De leden van de fractie van D66 vragen of ze op basis van de beslisnota’sgoed begrijpen dat het kabinet begin dit jaar juist een tweeschijvenstelselheeft uitgewerkt waarmee het tarief CO2-heffing industrie na 2030 wildeverhogen? Deze leden vragen voorts hoe het kabinet dan plots tot eendergelijke ommezwaai gekomen? Het vorige kabinet heeft in het voorjaarvan 2024 besloten om een tweeschijvenstelsel in te voeren binnen deCO2-heffing industrie. Dit besluit heeft het huidige kabinet teruggedraaid.Vervolgens heeft het kabinet, in aanloop naar het voorjaar van 2025,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16100 onderzocht hoe de CO2-heffing kan worden vormgegeven zodat, met oogop beperkt handelingsperspectief, op korte termijn enige verlichting wordtgeboden aan bedrijven terwijl de verduurzamingsprikkel op de langeretermijn juist wordt versterkt zodat de klimaatdoelen binnen bereik blijven.Dit heeft geleid tot het voorstel om op korte termijn verlichting te biedenaan ETS1- en lachgasinstallaties door het reductiedoel van de CO2-heffingte verplaatsen van 2030 naar 2032, en om daarnaast het tarief tussen 2030en 2035 stapsgewijs te laten oplopen naar 216 euro/ton CO2. Hiermeebeoogde het kabinet de industrie meer tijd te geven om te verduurzamen,gegeven de moeilijke omstandigheden en het feit dat de randvoor-waarden met name in de cluster 6 gebieden vaak niet op orde zijn.Tegelijkertijd wilde het kabinet voor de langere termijn – wanneer derandvoorwaarden naar verwachting wel op orde zijn – een extra verduur-zamingsprikkel geven omdat dit nodig is om de afgesproken klimaat-doelen te halen. Het kabinet had hierbij aangegeven over het beleids-pakket voor de (middel) lange termijn in gesprek te willen metvertegenwoordigers van de industrie en groen NGO’s, zodat in hetvoorjaar van 2026 een definitief besluit zou kunnen worden genomen.Vervolgens is door de Kamer een motie aangenomen waarin de regeringis opgeroepen om de CO2-heffing zo snel mogelijk af te schaffen. Hetkabinet erkent de moeilijke positie waarin ETS1- en lachgasinstallaties zichbevinden en heeft gepoogd zo goed mogelijk uitvoering te geven aan dewens van uw Kamer.De leden van de fractie van D66 zijn benieuwd welke bijdrage deCO2-heffing nog levert aan het Nederlands klimaatbeleid als de voorge-stelde aanpassingen worden gedaan.Ook hebben de leden van de fractie van D66 zorgen over de stabiliteit vanhet Nederlandse fiscale beleid. Deze leden vragen daarom het kabinet deinschatting van de NEa deelt dat het Nederlandse klimaat, bedrijfsleven eneconomie gebaat zijn bij meer voorspelbaarheid en stabiliteit? Tot slotvragen de leden van de fractie van D66 of de voorgestelde aanpassingenniet wrang zijn voor bedrijven die juist hard hebben geïnvesteerd inverduurzaming of het kabinet hen tegemoet komt. Met de voorgesteldeverlaging van de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstallaties levert deCO2-heffing voor deze groep bedrijven geen verduurzamingsprikkel meer.Het kabinet erkent dat het wisselende beleid rondom de CO2-heffing nietbijdraagt aan een stabiel en voorspelbaar fiscaal klimaat, terwijl hetbedrijfsleven en het Nederlandse klimaat hier juist wel gebaat bij is. Deverlaging van de CO2-heffing heeft daarnaast een negatief effect op debusiness case van industriële bedrijven die voorop lopen met deverduurzaming, terwijl zij juist hun nek hebben uitgestoken. Tegelijkertijdvraagt de transitie en veranderingen in het investeringsklimaat ons ook bijte sturen waar nodig en daarmee wendbaar te zijn. Het kabinet heeft eenOverlegtafel CO2-heffing industrie ingesteld – met vertegenwoordigersvan onder andere het Rijk (waaronder de NEa), groene NGO’s enindustriële bedrijven – om met alternatieven of ideeën voor aanpassingenaan het bestaand borgend instrumentarium te komen. Op basis hiervankan het volgende kabinet komen tot een nieuw een stabiel en toekomstbe-stendig beleid voor de verduurzaming van de industrie in Nederland, metexpliciet ook aandacht voor de koplopers in verduurzaming.De leden van de fractie van D66 lezen in de beslisnota’s dat het nietvoldoen aan de Klimaatwet grote juridische risico’s geeft en daarmeesamenhangende budgettaire risico’s. Ook lezen deze leden dat beprij-zende maatregelen doorgaans het meest effectief zijn voor CO2-reductieén bijdragen aan overheidsfinanciën. De leden van de fractie van D66vragen daarom het voorliggende voorstel zich verhoudt tot dezepassages. Deze leden vragen voorts of het met het oog op eventuelerechtszaken over het nationale klimaatdoel verstandig is om deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16101 CO2-heffing industrie af te schaffen. Tot slot vragen de leden van de fractievan D66 of het kabinet nader kan toelichten op welke wijze zij zichzelfblootstelt aan rechtszaken door ervoor te kiezen om de heffing af tezwakken? In de nationale Klimaatwet is een reductiedoel voor 2030vastgelegd van 55 procent emissiereductie ten opzichte van 1990. In deKlimaat- en Energieverkenning 2025 heeft het Planbureau voor deLeefomgeving geraamd dat de doelen niet binnen bereik liggen.Afgelopen voorjaar heeft het kabinet daarom allereerst ingezet op hetverbeteren van de randvoorwaarden, omdat deze in veel gevallen nu nogbelemmeren dat mensen thuis en bedrijven de benodigde investeringenkunnen doen waardoor bedrijven die wel willen, vaak niet kúnnenverduurzamen. Daarnaast heeft het kabinet besloten tot een aantalaanvullende klimaatmaatregelen, zoals de aangescherpte CO2-heffingvoor afvalverbrandingsinstallaties en de normering van de zakelijke marktvoor personenauto’s via een pseudo-eindheffing. Middels de aangenomenmotie heeft uw Kamer om die reden verzocht om de CO2-heffing industriezo snel mogelijk af te schaffen. Het kabinet heeft hier binnen de grenzenvan het Herstel- en Veerkrachtplan zo goed mogelijk invulling aanproberen te geven, wetende dat dit een negatief effect heeft op deverduurzamingsprikkel en er een grote opgave ligt om de wettelijkeklimaatdoelen te halen.Het kabinet blijft zich inzetten op het halen van de klimaatdoelen uit deKlimaatwet. In hoeverre er juridische gevolgen zijn als het uiteindelijk nietlukt om dit doel te halen, moet de praktijk uitwijzen. Om de verduur-zaming in de industrie te versnellen, heeft het kabinet een OverlegtafelCO2-heffing industrie ingesteld – met vertegenwoordigers van onderandere het Rijk, groene NGO’s en industriële bedrijven – om metalternatieven of ideeën voor aanpassingen aan het bestaand borgendinstrumentarium te komen. Besluitvorming hierover is in beginsel aan eenvolgend kabinet.Belastingvermindering energiebelastingDe leden van de fractie van D66 vragen het kabinet nader toe te lichtenwaarom het kabinet het doel van het ondersteunen van de koopkracht vanhuishoudens alleen probeert te behalen door middel van aanpassingen inde energiebelasting in plaats van (verdere) aanpassingen aan het stelselvan inkomstenbelastingen en toeslagen.Het klopt dat met inkomstenbelastingen en toeslagen gerichter kanworden gestuurd op de koopkracht van specifieke groepen. In algemenezin geeft de koopkrachtontwikkeling voor huishoudens volgend jaar eenevenwichtig en positief beeld, waardoor het kabinet geen reden ziet omsterk bij te sturen. Naast de algemene koopkrachtontwikkeling, vindt hetkabinet het belangrijk dat de energierekening voor huishoudensbetaalbaar blijft. Een verhoging van de belastingvermindering is de meesteenvoudige manier om de energierekening te verlagen.De leden van de fractie van het CDA merken op dat de verhoging van debelastingvermindering in 2026 feitelijk een korting van € 9,30 betekent. Zijvragen hoe het kabinet deze maatregel beoordeelt als verzachting voor destijgende energierekening. De leden van de fractie van de ChristenUnievragen het kabinet om toe te lichten waarom de voorgenomen verhogingvan de belastingvermindering is gehalveerd van € 200 miljoen naar€ 100 miljoen. De leden van de fractie van de SGP vragen of de maatregelvoor huishoudens neerkomt op een vermindering van € 0,78 per maand.Zij vragen in hoeverre het bedrag per huishouden rechtdoet aan degestegen lasten voor huishoudens. Voorts vragen zij waarom niet voormeer lastenverlichting in de energiebelasting is gekozen.Tijdens de energiecrisis zijn verschillende maatregelen genomen omhuishoudens te compenseren voor de hoge energieprijzen. De prijzen zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16102 niet meer zo hoog als tijdens de energiecrisis. Het is mogelijk omprijsstijgingen te voorkomen door een contract met vaste tarieven af tesluiten. De prijzen op de groothandelsmarkt geven op dit moment geenreden om aan te nemen dat de energieprijzen op korte termijn significantzullen stijgen. Tegelijkertijd is de energierekening voor huishoudens nogaltijd hoger dan voor de energiecrisis en worden huishoudens dekomende jaren geconfronteerd met een verder stijgende energierekeningmede door oplopende nettarieven voor elektriciteit. In eerdere wetswijzi-gingen zijn verlagingen van de belastingvermindering opgenomen dieingaan op 1 januari 2026. Daardoor zou het bedrag van € 524,95 in 2025worden verlaagd naar € 510,50 in 2026.112 Er zit dus een verlaging van€ 14,45 in het basispad. In de jaren na 2026 zou de vermindering ook lagerzijn dan in 2025. In het licht van het voorgaande wil het kabinet deverlaging in het basispad dempen. Daarom heeft het kabinet ervoorgekozen om de vermindering structureel te verhogen met € 100 miljoen.In de voorjaarsbesluitvorming was een verhoging van € 200 miljoenafgesproken. Dit betrof een incidentele verhoging in de periode2026–2028. Omdat de energierekening naar verwachting ook na 2028 blijftoplopen, onder meer door genoemde stijgende nettarieven voorelektriciteit, heeft het kabinet ervoor gekozen om de maatregel eenstructurele aard te geven. Daarnaast neemt het kabinet een aantal gerichtemaatregelen met betrekking tot de energierekening zoals is toegelicht inde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel.113 De verhoging van devermindering met € 100 miljoen leidt in 2026 inderdaad tot een voordeelvan € 9,30 ten opzichte van het basispad, resulterend in een voordeel van€ 0,78 per maand voor alle objecten met een verblijfsfunctie, waaronderwoningen. Huishoudens met een lager inkomen die relatief minderverbruiken hebben naar verhouding meer profijt van een verhoging vande belastingvermindering dan huishoudens met een hoger inkomen dierelatief meer verbruiken.De leden van de fractie van het CDA vragen welke alternatieven erbeschikbaar zijn. Voor wat betreft maatregelen die direct invloed hebbenop de energierekening kan in de energiebelasting ook naar tariefverla-gingen worden gekeken. Bij een tariefverlaging hangt het voordeel af vande hoogte van het verbruik. Hierdoor profiteren gemiddeld genomenhuishoudens met een hoger inkomen die relatief meer verbruiken enbedrijven meer van een tariefverlaging dan huishoudens met een lagerinkomen die relatief minder verbruiken. Ten opzichte van maatregelenbúiten de energiebelasting om huishoudens met een vast bedrag op hunenergierekening te compenseren is een verhoging van de belastingver-mindering een eenvoudig uitvoerbare maatregel.114De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen welke budgettaireomvang ermee is gemoeid als de belastingvermindering wordt toege-spitst op huishoudens. Voorts vragen zij met welk bedrag per huishoudende vermindering door die maatregel kan worden verhoogd.In de beantwoording van de vragen ga ik uit van inwerkingtreding van demaatregel per 1 januari 2029. Als de belastingvermindering danuitsluitend nog wordt toegepast op de energierekening van huishoudens,zou daarmee een budgettaire opbrengst van € 411 miljoen zijn gemoeid.Als die opbrengst wordt aangewend om de belastingvermindering teverhogen, levert dat een voordeel op voor elk huishouden van € 44,10 perjaar. Over de invoeringstermijn merk ik het volgende op. Op 7 oktober jl.heb ik uw Kamer een brief gestuurd naar aanleiding van de motie VanHijum en het amendement van het lid Kouwenhoven inzake de belasting-112De bedragen worden weergegeven exclusief btw.113Kamerstukken II 2025/26, 36 821, nr. 3, p. 99–100.114Zie hierover ook Kamerstukken II 2025/26, 36 821, nr. 3, p. 100–101.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16103 vermindering.115 De motie verzoekt om de belastingvermindering toe tespitsen op huishoudens en het amendement beoogt die maatregel per1 januari 2026 te laten ingaan. Ik heb begrip voor de wens om de motie opzo kort mogelijke termijn om te zetten in een wetswijziging en de wijzigingop zo kort mogelijke termijn te laten ingaan. Zoals ik in de brief hebtoegelicht, zijn wijzigingen in de wet nodig en aanpassingen in deuitvoering van de energiebelasting. Het amendement voorziet niet in degrondslagen voor de verwerking van de benodigde gegevens. Op basisvan de tekst van het amendement is onduidelijk of het doel van hetamendement wordt behaald. Vermoedelijk krijgen bepaalde groepenhuishoudens de vermindering onbedoeld niet meer. Het is niet mogelijkom de noodzakelijke wijzigingen in de wet en uitvoering vóór 1 januari2026 door te voeren. Invoering per 1 januari 2026 zoals wordt voorgesteldin het amendement, leidt tot een onwerkbare situatie. Energieleveranciersen de Belastingdienst kunnen de maatregel dan namelijk niet uitvoeren.Deze situatie zou leiden tot onduidelijkheid en onzekerheid in de praktijk,ook bij klanten van energieleveranciers. Ik heb het amendement daaromin genoemde brief ontraden. In mijn brief heb ik uw Kamer tevens berichtdat de maatregel in elk geval met ingang van 1 januari 2029 kan wordeningevoerd. De uitvoering van de motie is al ter hand genomen. Demaatregel wordt voorbereid voor het pakket Belastingplan 2027. Op dezemanier wordt op een zo kort mogelijke termijn een uitvoerbare regelingvormgegeven en kunnen de betrokken partijen zich adequaat voorbe-reiden op de uitvoering ervan.Aanpassing zuiveldefinitieDe leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vinden het terecht dat deontwijkingsroute binnen de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenonmogelijk wordt gemaakt. Wel vragen zij zich af of de rechtvaardigingvoor de overgebleven uitzonderingscategorieën consistent en houdbaaris. Zuiveldranken en mineraalwater blijven uitgezonderd omdat dezepassen binnen een gezond voedingspatroon, zo stellen de leden. De ledenstellen dat deze redenering ook kan opgaan voor suikervrije frisdrankenen vragen of het kabinet het daarmee eens is. Ook vragen zij of hetargument klopt dat suikervrije frisdranken mensen laten wennen aan eenzoete smaak, en of die stelling kan worden onderbouwd met wetenschap-pelijk bewijs.Het kabinet benadrukt allereerst dat het doel van de voorgesteldewijziging is het tegengaan van omzeiling van de verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken. Deze omzeiling vindt plaats door de toevoeging vaneen vleugje zuivel aan bepaalde alcoholvrije dranken. Om dit tegen tegaan, wordt de vormgeving van de zuiveluitzondering aangepast. Dehuidige zuiveluitzondering ziet alleen op zuivel- en sojadranken. Ook deaangepaste versie van de zuiveluitzondering die het kabinet nu voorstelt,ziet dus alleen op zuivel- en sojadranken. De voorliggende wijzigingvoorziet er niet in om naast zuivel- en sojadranken nieuwe categorieënalcoholvrije dranken van de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenuit te zonderen. Dat past ook niet bij het doel van de wijziging: hettegengaan van omzeiling door de toevoeging van een vleugje zuivel. Hetis niet de bedoeling van het kabinet met deze wijziging verdere gezond-heidseffecten te bewerkstelligen.Bij de vormgeving van de aangepaste zuiveluitzondering worden deRichtlijnen goede voeding in acht genomen.116 Dat betekent dat hetkabinet heeft bekeken ten aanzien van welke zuivel- en sojadranken hetvanuit gezondheidsperspectief logisch is dat zij van de verbruiksbelastingblijven uitgezonderd. Dit betreft magere, halfvolle en volle melk (hierna115Kamerstukken II 2025/26, 36 800, nr. 96.116Gezondheidsraad (2015), Richtlijnen goede voeding 2015 (4 november 2015).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16104 melk) en karnemelk, en sojadranken die wat betreft vet- en eiwitgehalteovereenkomen met melk. Het past niet bij het uitgangspunt van hettegengaan van omzeiling om ook suikervrije frisdranken (of anderecategorieën alcoholvrije dranken dan zuivel- en sojadranken) van deverbruiksbelasting uit te zonderen.Los daarvan geldt dat suikervrije frisdranken in de Richtlijnen goedevoeding niet worden genoemd als passend in een gezond voedingspa-troon. Het zijn dranken die we voor onze gezondheid niet nodig hebben.Wat betreft het wennen aan zoete smaken, waarnaar de leden vragen,geldt dat de World Health Organization (WHO) aanraadt om zoetigheid uitdranken en voeding van jongs af aan te beperken en te focussen opgezonde eetgewoonten. Dit advies ziet zowel op dranken die zoetstoffenbevatten als op dranken die suikers bevatten.117 Als het om een zoetesmaak gaat, hebben onbewerkte voedzame producten zoals fruit devoorkeur. Overigens heeft suikervrije frisdrank, net als suikerhoudendefrisdrank, een negatief effect op de mondgezondheid vanwege deaanwezige zuren die het tandglazuur kunnen aantasten (tanderosie).118De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe het kabinetgezondheids- en milieuoverwegingen weegt als redenen om alcoholvrijedranken al dan niet uit te zonderen van de verbruiksbelasting. Zij wijzenhierbij bijvoorbeeld op de klimaatvoetafdruk van mineraalwater in plasticflessen. De leden vragen of het gezondheidsargument nu consistent wordttoegepast en zo ja, hoe het kabinet dan verklaart dat suikervrijefrisdranken niet zijn uitgezonderd, maar mineraalwater wel.Ook voor de beantwoording van deze vragen is het doel van de voorge-stelde wijziging relevant: het tegengaan van omzeiling van de verbruiks-belasting van alcoholvrije dranken door de toevoeging van een vleugjezuivel. Om te voorkomen dat deze omzeiling plaatsvindt, past het kabinetde zuiveluitzondering aan. Het kabinet stelt voor de zuiveluitzonderingzodanig aan te passen dat de enige zuivel- en sojadranken die onder dezuiveluitzondering blijven vallen – en waarover dus geen verbruiksbe-lasting is verschuldigd – voortaan zijn melk en karnemelk en sojadrankendie wat betreft vet- en eiwitgehalte overeenkomen met melk. Aan deuitzonderingspositie van mineraalwater verandert het kabinet niets.Mineraalwater valt immers niet onder de zuiveluitzondering. Dit geldt ookvoor suikervrije frisdranken. Zoals in het antwoord hiervoor toegelicht,geldt overigens dat er ook geen aanleiding is om suikervrije frisdrankenuit te zonderen als wél naar gezondheidsaspecten wordt gekeken.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel hetbudgettair zou opleveren als de uitzondering voor zuivel- en sojadrankenen mineraalwater binnen de verbruiksbelasting van alcoholvrije drankenkomt te vervallen.Met het laten vervallen van de uitzondering op mineraalwater per 2026119zou € 144 miljoen kunnen worden opgehaald in prijspeil 2025. Met hetlaten vervallen van de uitzondering voor zuivel- en sojadranken per2026120 zou € 239 miljoen kunnen worden opgehaald in prijspeil 2025.Hierbij is rekening gehouden met het aanpassen van de zuiveldefinitie indit Belastingplan (ofwel: met voorliggende wijziging), waardoor deopbrengst van het laten vervallen van de zuiveluitzondering lager uitvalt117WHO publications: https://www.who.int/publications/i/item/9789240073616118Zie https://www.voedingscentrum.nl/encyclopedie/frisdrank.aspx.119Het jaar 2026 is indicatief: uitvoeringstechnisch is het niet mogelijk een dergelijke wijzigingper 2026 te laten ingaan. Wel moment wel mogelijk is, zal moeten blijken uit een Uitvoerings-toets door de Douane (de uitvoerder van de WVAD).120Zie vorige voetnoot.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16105 dan zónder deze wijziging het geval zou zijn.121 Verder geldt dat hetmoment waarop dergelijke wijzigingen zouden kunnen ingaan, afhankelijkis van de uitkomst van een Uitvoeringstoets uitgevoerd door de Douane.De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen of het met hetoog op het gelijkheidsbeginsel houdbaar is dat sojamelk wel is vrijgesteldvan de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken en andere volwaardigezuivelvervangers niet. Ook de leden van de fractie van D66 vragenwaarom andere volwaardige vervangers van zuiveldranken niet onder devoorgestelde uitzondering vallen.De opzet van de zuiveluitzondering wordt aangepast om omzeiling vanverbruiksbelasting door de toevoeging van een vleugje zuivel aanalcoholvrije dranken te voorkomen. De zuiveluitzondering ziet op zuivel-en sojadranken. Bij de vormgeving van de voorgestelde aanpassing is watbetreft zuivel- en sojadranken acht geslagen op de Richtlijnen goedevoeding van de Gezondheidsraad.122 In deze richtlijnen wordt geadviseerdenkele porties zuivel per dag te nemen. Onder zuivel wordt verstaan melk,yoghurt en kaas. Dit heeft ertoe geleid dat het kabinet ervoor kiest ommelk en karnemelk van de verbruiksbelasting te blijven uitzonderen, enzuiveldranken met toevoegingen – zoals chocolade- en frambozenmelk –voortaan wel te belasten. Voor sojadranken die wat betreft vet- eneiwitgehalte overeenkomen met melk geldt dat deze van oudsher van deverbruiksbelasting zijn uitgezonderd.123 Nu de categorie uitgezonderdezuiveldranken wordt beperkt, ligt het voor de hand de categorie uitgezon-derde sojadranken daarop opnieuw af te stemmen. Het zou onlogisch zijnzuiveldranken met bijvoorbeeld toegevoegd suiker voortaan te belastenmet verbruiksbelasting en vergelijkbare sojadranken te blijven uitzon-deren.Met de voorgestelde wijziging komt een eind aan de situatie dat sappenen frisdranken met een vleugje zuivel, zuiveldranken die zijn gezoet ofgearomatiseerd of waaraan smaak- of geurstoffen zijn toegevoegd ensojadranken ongeacht suiker- en/of vetgehalte fiscaal voordeel genietenten opzichte van andere alcoholvrije dranken omdat over deze dranken opgrond van de zuiveluitzondering geen verbruiksbelasting van alcoholvrijedranken is verschuldigd. Door de voorgestelde wijziging worden dezedranken voortaan belast. Hiermee wordt op de markt van alcoholvrijedranken een eerlijker speelveld gecreëerd, ook tussen de genoemdedranken en de (plantaardige) zuivelalternatieven die de leden in hun vraagaanhalen. Voor die (plantaardige) zuivelalternatieven geldt overigensingevolge de Wet op de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken(WVAD) dat over deze dranken alléén verbruiksbelasting is verschuldigdals zij zijn gezoet en gearomatiseerd en er geur- of smaakstoffen zijntoegevoegd. Als dat niet het geval is, vallen zij niet onder de noemer«limonade» en is over deze dranken geen verbruiksbelastingverschuldigd.124Het gelijkheidsbeginsel staat niet in de weg aan de keuze van het kabinetom geen nieuwe categorieën alcoholvrije dranken uit te zonderen. Zoalsgesteld past het kabinet alleen de bestaande zuiveluitzondering aan. Met121Met de voorliggende wijziging vallen er minder alcoholvrije dranken onder de zuiveluitzon-dering, waardoor het laten vervallen van de zuiveluitzondering als geheel ook minderoplevert dan het laten vervallen van de ruimere zuiveluitzondering die tot dit moment geldt.122Gezondheidsraad (2015), Richtlijnen goede voeding 2015 (4 november 2015).123Kamerstukken II 1989/90, 21 368, nr. 3, p.37 en Kamerstukken II 1992/93, 22 843, nr. 3, p. 20 en21.124Artikel 9, eerste lid, WVAD. Opgemerkt wordt dat met het voorliggende wetsvoorstel ookwordt voorgesteld het begrip «limonade» te vervangen door het begrip «overige alcoholvrijedrank». Deze wijziging heeft geen inhoudelijke implicaties en wordt voorgesteld om de WVADbeter te laten aansluiten bij het huidige taalgebruik.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16106 de voorgestelde uitzondering wordt het speelveld gelijkwaardiger dan nuhet geval is. Het bewerkstelligen van eventuele gezondheidseffectenbinnen de verbruiksbelasting van alcoholvrije dranken is aan een nieuwkabinet.De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat de zuiveluitzondering«van oudsher» van toepassing is op zuivel- en sojadranken, en vragenwaarom de geschiedenis van de WVAD een zwaarwegend argument is omgeen andere categorieën alcoholvrije dranken uit te zonderen. Zij vragenof mineraalwater niet onlangs ook is uitgezonderd van de verbruiksbe-lasting. Verder vragen zij waarom het kabinet zich beroept op de demissi-onaire status bij de vraag waarom niet meer categorieën alcoholvrijedrank zouden moeten worden uitgezonderd.Ook voor deze vragen geldt dat het kabinet de zuiveluitzondering aanpastmet als doel het tegengaan van omzeiling van de verbruiksbelasting vanalcoholvrije dranken door de toevoeging van een vleugje zuivel. Hetkabinet heeft niet de intentie om de verbruiksbelasting op dit momentverder aan te passen of om te vormen naar een primaire gezondheidsbe-lasting.Vanuit een primair gezondheidsdoel zou wel kunnen worden overgegaantot de omzetting van de huidige verbruiksbelasting naar een gedifferenti-eerde verbruiksbelasting op basis van het suikergehalte van de drank.Over alle aspecten die bij een dergelijke omzetting komen kijken, zijnverschillende Kamerbrieven verzonden.125 Tot een dergelijke omzetting(stelselwijziging) gaat het kabinet nu niet over. Eerder noemde het kabinethaar demissionaire status hiervoor als reden. Vanwege de nog te makenkeuzes om tot een consistente en houdbare opzet van een dergelijkeverbruiksbelasting te komen en de verscheidenheid in politieke wensenvanuit beide Kamers – uitgaande van de verschillende aangenomenmoties – acht het kabinet het niet passend om een dergelijke omvangrijkestelselwijziging nu zelf voor te stellen. Ook het uitzonderen van nieuwe,extra categorieën alcoholvrije dranken beoogt het kabinet nu niet. Datpast niet bij het doel van de voorliggende wijziging: het tegengaan vanomzeiling. Daarbij zou ten aanzien van iedere extra uit te zonderencategorie dranken moeten worden getoetst of dan nog sprake is van eenhoudbaar en consistent systeem.Wat betreft mineraalwater geldt dat deze categorie dranken per 1 januari2024 van de verbruiksbelasting is uitgezonderd om gezondheidsre-denen.126 Het uitzonderen van mineraalwater gebeurde destijds gelijk-tijdig met het verhogen van het tarief van de verbruiksbelasting.127 Hetkabinet achtte het niet wenselijk om dat verhoogde tarief ook vantoepassing te laten zijn op mineraalwater, en zonderde mineraalwaterdaarom helemaal van de verbruiksbelasting uit.128 Zoals aangegeven ishet doel van de voorliggende wijziging het tegengaan van omzeiling vande verbruiksbelasting. Van het uitzonderen van extra categorieënalcoholvrije dranken – om gezondheidsredenen of andere redenen – is nugeen sprake.De leden van de fractie van de SGP vragen waarom er niet voor isgekozen om het tarief te verlagen, zodat de beoogde opbrengst alsnogwordt behaald.125Kamerstukken II 2023/34, 32 140, nr. 186 en Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 268.126Het kabinet stelde in 2022: «Met het uitzonderen van mineraalwater van de verbruiksbelastingwordt dit gezonde alternatief voor frisdrank relatief goedkoper». Kamerstukken II 2022/23,36 202, nr. 3.127Dit is gerealiseerd via het amendement Inge van Dijk c.s., Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr.87.128Stb. 2022, 532 en Kamerstukken II 2022/23, 36 202, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16107 In het hoofdlijnenakkoord is een taakstelling fiscale regelingen enconstructies afgesproken. Aangezien de voorliggende maatregel ziet ophet tegengaan van een (omzeiling)constructie, is de opbrengst van dezemaatregel (41 miljoen vanaf 2027) gebruikt voor de invulling van (een deelvan) die taakstelling.Verlengen verlaagde accijnstarieven voor ongelode benzine,diesel en LPGDe leden van de fractie van het CDA vragen hoe de maatregelen voor hetstimuleren van elektrisch vervoer stroken met de eenmalige verlengingvan de accijnskorting Deze leden vragen voorts waarom het kabinet erniet voor heeft gekozen de korting gedurende een paar jaar af te bouwen,aangezien ook de dekking meerjarig wordt gevonden.Het kabinet heeft besloten om de accijnskorting met een jaar te verlengen,om te voorkomen dat de prijs aan de pomp per 1 januari sterk zou stijgenen automobilisten te maken krijgen met een forse lastenverzwaring. Hetkabinet acht het in de huidige demissionaire context niet opportuun omvooruit te lopen op deze structurele beslissingen en laat die ruimtenadrukkelijk aan een volgend kabinet. De verlenging van de tijdelijkverlaagde accijnstarieven in 2026 is daarom een beperkte maatregel,bedoeld om abrupte lastenstijgingen te voorkomen. Vanwege het tijdelijkeéénjarige karakter, heeft de verlenging van de accijnskorting geenstructureel negatief effect op het halen van de klimaatdoelen voor 2030 enop de financiële (on) aantrekkelijkheid van emissievrije voertuigen. Om deklimaatdoelen dichterbij te brengen heeft het kabinet wel anderemaatregelen genomen om de ingroei van elektrische auto’s te versnellen,zoals de normering van de zakelijke markt voor personenauto’s via depseudo-eindheffing. Dat neemt niet weg dat er een spanningsveld bestaattussen enerzijds het verlagen van de accijnstarieven om autorijdenbetaalbaar te houden en anderzijds het nemen van extra klimaatmaatre-gelen om de ingroei van elektrische auto’s te versnellen. De afruilentussen deze beleidsopgaven en mogelijke oplossingsrichtingen zijnbeschreven in de contourenbrief «De auto rijdt door»129, die het kabinetvlak voor het zomerreces naar Uw Kamer heeft gestuurd. Deze briefschetst dat voor een oplossing van het spanningsveld in deze beleidsop-gaven een fundamentelere herziening van de autobelastingen en hetaanpalende mobiliteitsbeleid nodig is. Het is aan een volgend kabinet omeen eventuele fundamentele herziening van de autobelastingen nader inte vullen.De leden van de fractie van het CDA vragen of het telkens opschorten vande verhoging van de accijns op brandstof ertoe leidt dat de uiteindelijkegevolgen groter worden, en waarom niet is gekozen voor een meerstructurele of geleidelijke verhoging van de accijns. De leden van defractie van GroenLinks-PvdA vragen of de huidige omstandigheden zijnmeegewogen bij het besluit over de brandstofprijzen. De leden van defractie van D66 vragen het kabinet naar de totstandkoming van hetvoorstel om de accijnsverlaging te verlengen.Zonder de in het Belastingplan 2026 opgenomen maatregel zouden deaccijnstarieven in 2026 met ongeveer 27% stijgen ten opzichte van dehuidige tarieven. Deze stijging is het gevolg van het jaarlijks verlengenvan de lagere tarieven sinds juli 2023, inclusief het achterwege laten vande reguliere indexatie. Bij volledige doorwerking aan de pomp betekentdit een prijsstijging van circa 11% voor benzine, 8% voor diesel en 6%voor LPG. Een dergelijke lastenstijging aan de pomp acht het kabinetonwenselijk. Met de voorgestelde maatregel wil het kabinet voorkomen129Kamerstuk 36 760, nr. 37.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16108 dat fossiele autorijders met een forse prijsstijging worden geconfronteerden zo de betaalbaarheid van mobiliteit vergroten.Een meer structurele of geleidelijke verhoging zou feitelijk neerkomen ophet vastleggen van een meerjarig accijnspad. Gezien de budgettaireimpact, de effecten op klimaat en de demissionaire status van het kabinet,is daarvoor niet gekozen. Zoals toegelicht in de contourenbrief «De autorijdt door»130, vragen de voortgaande ingroei van emissievrije voertuigen,de klimaatdoelen, de bereikbaarheid, de betaalbaarheid van automobiliteiten de toename van grondslagerosie om integrale keuzes over hettoekomstige accijnsbeleid en de bredere hervorming van de autobelas-tingen.Het kabinet acht het in de huidige demissionaire context niet opportuunom vooruit te lopen op deze structurele beslissingen en laat die ruimtenadrukkelijk aan een volgend kabinet. De verlenging van de verlaagdeaccijnstarieven in 2026 is daarom een tijdelijke en beperkte maatregel,bedoeld om abrupte lastenstijgingen te voorkomen.De leden van de fractie van het CDA vragen aan te geven waar debrandstofprijzen op uit zullen komen na afloop van de tariefsverlaging in2027. De leden van de fractie van de VVD vragen om het effect van deverlening van de brandstofkorting op de brandstofprijzen aan de pompinclusief BTW te presenteren.Waar de werkelijke brandstofprijzen op uitkomen in 2027 is niet te bepalenomdat de brandstofprijs – zoals in de analyse ontwikkeling brandstofac-cijns en pompprijzen131 onderzocht – van meer factoren afhankelijk isnaast de hoogte van de accijnstarieven. Bij een volledige doorberekeningvan de accijnsstijging in 2027 in de brandstofprijzen zou de kostprijs voorbenzine toenemen met € 0,23 voor diesel met € 0,15 en voor LPG met€ 0,05, inclusief BTW weergegeven in prijspeil 2025.De leden van de fractie van Groenlinks-PvdA vragen of het klopt dat debrandstofprijzen veel hoger waren toen de verlaging van de accijnsta-rieven in april 2022 werden ingevoerd veel hoger is dan nu. Volgens deWeekly Oil Bulletin132 lagen de gemiddelde brandstofprijzen in april 2022rond de € 2,11 per liter benzine, € 2,02 per liter diesel en € 1,07 per literLPG. In oktober 2025 lagen die prijzen op circa € 1,94 (benzine), € 1,70(diesel) en € 0,77 (LPG). Het prijsverschil bedraagt daarmee circa € 0,17hoger per liter benzine, € 0,32 per liter diesel en € 0,30 per liter LPG.De accijnsverlaging van april 2022 werd ingevoerd naar aanleiding vanabrupte prijsstijgingen in de energiecrisis. De reële prijzen lagen toenboven het trendmatige niveau. De nu voorgestelde maatregel is nietgericht op het verhogen van koopkracht, maar beoogt de betaalbaarheidvan autorijden te vergroten door een lastenstijging aan de pomp in 2026te voorkomen. In die zin zijn de doelstellingen verschillend, terwijl debrandstofprijzen in oktober 2025 inderdaad lager liggen dan in april 2022.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoeveel het zoukosten om de prijzen in het openbaar vervoer volgend jaar gelijk tehouden.Om de verwachte stijging van de NS-tarieven in 2026 volledig tot nulterug te brengen, kost dat circa € 85 miljoen (bij 6%) tot circa € 130miljoen (bij 9%) per jaar (prijspeil 2025). Het voorkomen van de tarief-stijging in het regionaal ov als gevolg van de LTI van 3,86% kost circa € 52miljoen. Het blijvend afwenden van prijsstijgingen kan alleen metstructurele middelen. Als incidentele middelen worden ingezet, wordt detariefstijging niet voorkomen, maar wordt deze met een jaar130Kamerstuk 36 760, nr. 37.131Bijlage bij Kamerstuk 36 760, nr. 37.132https://energy.ec.europa.eu/data-and-analysis/weekly-oil-bulletin_en.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16109 opgeschoven. In het jaar daarop cumuleert de doorgeschoven tarief-stijging met de tariefstijging op dat moment.De leden van de fractie van Groenlinks-PvdA vragen hoe de kosten voorhet gelijk houden van de prijzen in het openbaar vervoer zich verhoudentot de voorgestelde verlening van de verlaagde accijnstarieven.Zowel automobiliteit als openbaar vervoer spelen een belangrijke enonderling aanvullende rol in de bereikbaarheid van Nederland. Onder-zoeken van het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid133 laten zien dat eenverandering van modaliteit van auto naar OV heel beperkt is. Hetopenbaar vervoer wordt relatief veel gebruikt in hoogstedelijke gebieden,terwijl de auto in veel regio’s essentieel is om voorzieningen zoals werk,zorg en onderwijs te bereiken. De kosten van het gelijk houden van deov-tarieven en de verlenging van de verlaagde accijnstarieven laten zichdaarom niet één-op-één vergelijken. Beide maatregelen dienen eenverschillend beleidsdoel en bereiken een andere groep gebruikers. Deverlenging van de verlaagde accijnstarieven is een aanzienlijk groteremaatregel, zowel qua budgettaire omvang als qua doelgroep, omdat zijdirect invloed heeft op de brandstofkosten van miljoenen automobilisten.Het voorkomen van een stijging van de ov-tarieven zou met eenbeperktere budgettaire inzet kunnen worden gerealiseerd, maar zou ookeen kleinere groep reizigers raken.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen of betaalbaremobiliteit voor het kabinet alleen betrekking heeft op autorijden of ook ophet openbaar vervoer, waarom het kabinet kiest voor betaalbare mobiliteitvia lagere brandstofprijzen terwijl de prijzen in het openbaar vervoerstijgen, welk aspect aan autorijden het kabinet prefereert boven hetopenbaar vervoer, en of het wenselijk is dat meer mensen met de autogaan rijden in plaats van met het openbaar vervoer.Zowel automobiliteit als openbaar vervoer spelen een belangrijke enonderling aanvullende rol in de bereikbaarheid van Nederland. Onder-zoeken van het Kennisinstituut voor Mobiliteit134 laten zien dat eenverandering van modaliteit van auto naar OV heel beperkt is. Het OVwordt relatief veel gebruikt in hoogstedelijk gebied, terwijl in regio’s deauto vaak essentieel is om voorzieningen zoals zorg, werk of onderwijs tebereiken. De voorgestelde maatregel richt zich specifiek op de accijnsta-rieven op brandstof, omdat dit een fiscaal instrument betreft waarmee hetkabinet direct invloed kan uitoefenen op de kosten van autorijden. Endaarmee bijdraagt aan het goedkoper maken van het autorijden voor eengrote groep Nederlanders. Het openbaar vervoer wordt op anderemanieren ondersteund. Zo is bijvoorbeeld naar aanleiding van de motieBikker135 een extra bijdrage beschikbaar gesteld voor het regionale OV.Daarnaast bestaan er ook via de loonheffingen verschillende vrijstellingenvoor reizen met het openbaar vervoer of met de fiets. Zo geldt momenteeleen gerichte vrijstelling voor het vergoeden, verstrekken of terbeschikking stellen aan werknemers van een recht op vrij reizen met hetopenbaar vervoer. Hierbij geldt als voorwaarde dat de werknemer ditrecht ook gebruikt voor zakelijke ritten. Het is ook (als alternatief) mogelijkom werknemers die voor hun woon-werkverkeer gebruik maken vanopenbaar vervoer de daadwerkelijke vervoerskosten onbelast tevergoeden, ook als deze meer bedragen dan € 0,23 per kilometer. Aanwerknemers die voor woon-werkverkeer gebruikmaken van hun eigenfiets kan ook de onbelaste vergoeding van € 0,23 per kilometer worden133https://www.kimnet.nl/documenten/2024/04/25/modal-shift-van-auto-naar-de-combinatie-fiets-ov.134https://www.kimnet.nl/documenten/2024/04/25/modal-shift-van-auto-naar-de-combinatie-fiets-ov.135Kamerstuk 36 410 nr. 29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16110 toegekend, terwijl de werkelijke kosten van het gebruik van de fietswaarschijnlijk (veel) lager zullen zijn. Daarnaast wordt via dit wetsvoorstelook verduidelijkt dat deelfietsen (denk aan hubfietsen en dienstfietsen) inprincipe niet meer worden belast, tenzij sprake is van privégebruik. Eenwerkgever kan ook een renteloze lening voor de aankoop van de fietsverstrekken aan diens werknemer. Het niet in aanmerking nemen vanrente, kwalificeert dan niet als loon.De leden van de fractie van Groenlinks-PvdA vragen wat het gevolg vanhet verlengen van de brandstofaccijns is op het gebied van broeikasgas-uitstoot, fijnstofuitstoot, filevorming, beschikbare ruimte in de steden engrondstoffengebruik. In het rapport «Kansrijk mobiliteitsbeleid 2020» vanPBL is ingeschat dat een accijnsverlaging van 10% resulteert in eentoename van het autogebruik met 1,3%, toename van 0,4 Mton CO2,0,5 Kton stikstof, 0,05 Kton fijnstof en 3% meer voertuigverlies uren op hethoofdwegennet in 2030. De huidige accijnskorting bedraagt meer dan 20%waardoor de verwachting is dat de impact boven deze waardes zal liggen.Tegelijkertijd is de maatregel incidenteel van aard, wat het effect verkleint.De precieze impact op bovenstaande factoren is niet bekend. Een groveinschatting is dat het éénjarig doortrekken van de accijnskorting zorgtvoor een incidentele extra CO2-uitstoot van 0,5 Mton in 2026.De leden van de fractie van D66 vragen uiteen te zetten welke inkomens-groepen het meest en het minst profiteren van de accijnsverlaging.Figuur X hieronder geeft een overzicht van de hoeveelheid geredenkilometers per inkomensdeciel. Het aantal gereden kilometers hangt sterksamen met het voordeel van de accijnsverlaging, waarbij wel geldt datook de zuinigheid van de betreffende auto en het rijgedrag van deautomobilist doorwerken in het brandstofverbruik en daarmee hetvoordeel van de accijnsverlaging. Het figuur laat zien dat de huishoudensin de lagere inkomensdecielen minder van de accijnskorting profiterendan de huishoudens in de hogere inkomensdecielen omdat zij vaker nietover een auto beschikken en gemiddeld minder kilometers rijden.Figuur 7: gereden kilometers per inkomensdeciel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16111 De leden van de fractie van D66 vragen toe te lichten waarom hetverlengen van de verlaagde accijnstarieven volgens het kabinet eenefficiënte manier is om fossiele autorijders te bereiken. Deze leden vragenvoorts of de verlaging van de accijnzen een doelmatige manier is omhuishoudens met lage en middeninkomens te ondersteunen, en welkeoverwegingen aan de keuze voor deze maatregel ten grondslag liggen.Ook vragen zij welke alternatieven zijn overwogen om huishoudens opeen kostenefficiëntere wijze te ondersteunen in hun vervoerskosten.De doelmatigheid van de maatregel ligt in de directe werking en eenvoud.De verlaging van de accijnstarieven werkt onmiddellijk door in depompprijzen, waardoor het effect voor fossiele autorijders direct zichtbaaris. De maatregel is daarentegen niet bedoeld en minder geschikt alsalgemene koopkrachtmaatregel voor alle huishoudens, waaronder lage-en middeninkomens. Niet ieder huishouden beschikt immers over eenfossiele auto of rijdt evenveel kilometers. Alternatieven die gericht zijn opeen algemene koopkrachtverbetering, sluiten dan ook niet aan bij het doelom de acute stijging van brandstofkosten te voorkomen.Bij de besluitvorming over de verlenging is rekening gehouden met deaangenomen motie-Eerdmans136 waarin is verzocht om met Prinsjesdagmaatregelen te presenteren die de aangekondigde brandstofprijsstijgingper januari ongedaan maken. De in het Belastingplan 2026 opgenomenverlenging van de verlaagde accijnstarieven komt aan dit verzoektegemoet.Daarbij is overwogen om de verlenging alleen toe te passen voor benzine,maar uiteindelijk is gekozen om geen onderscheid te maken tussenverschillende typen brandstofauto’s.De leden van de fractie van D66 vragen waarom het kabinet geen actieonderneemt om gebruikers van elektrische voertuigen, het openbaarvervoer en de fiets tegemoet te komen in hun vervoerskosten.Het kabinet heeft ervoor gekozen om de accijnskorting in 2026 teverlengen, om te voorkomen dat automobilisten volgend jaar met hogereaccijnstarieven worden geconfronteerd. Daarnaast kan het financieelaantrekkelijk zijn voor een werkgever om reizen met openbaar vervoer ofmet een fiets te compenseren, omdat hiervoor een aantal vrijstellingengelden. Dat licht ik ook toe in een gerelateerde vraag hierover in deze notanaar aanleiding van het verslag. Verder verlaagt het kabinet ook de kostenvoor gebruikers van elektrische personenauto’s door de tariefkorting in demotorrijtuigenbelasting in 2026 tot en met 2028 te verhogen van25 procent naar 30 procent. De bredere ontwikkeling van de vervoers-kosten is aan een volgend kabinet om te wegen.De leden van de fractie van D66 hechten, net als het kabinet, waarde aanstabiel economisch en fiscaal beleid. Deze leden vragen hoe het herhaal-delijk uitstellen van accijnsverhogingen zich verhoudt tot datuitgangspunt. Ook vragen zij hoe het kabinet voorkomt dat de tijdelijkeverlaging van de brandstofaccijnzen een instrument wordt waarmeebudgettaire beslissingen worden doorgeschoven naar een volgendkabinet, en hoe de uitspraak in het voorwoord van de Miljoenennota dathet kabinet geen rekeningen wil doorschuiven moet worden bezien in hetlicht van de voorgestelde maatregel.Door te kiezen voor een tijdelijke verlenging wordt beleidsmatigestabiliteit juist bevorderd. De verlenging voorkomt in 2026 schokeffectenin prijzen en lasten, terwijl de fiscale en beleidsmatige ruimte behoudenblijft voor een volgend kabinet om integrale keuzes te maken over detoekomstige inrichting van het accijnsbeleid en de autobelastingen insamenhang. In de huidige demissionaire context acht het kabinet het nietopportuun om vooruit te lopen op dergelijke structurele beslissingen. De136Bijlage bij Kamerstuk 36 760, nr. 37Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16112 tijdelijke verlenging is daarmee geen structurele beleidswijziging. Deverlenging van de tijdelijke accijnsverlaging is gedekt binnen hetinkomstenkader en het kabinet schuift daarmee dan ook geen rekeningdoor.De leden van de fractie van D66 vragen wat de verwachte CO2-impact vanhet verlengen van de accijnskorting is en of deze impact is meegenomenin de Klimaat- en Energieverkenning. Daarnaast vragen zij of het beeldzoals PBL schetst in de Klimaat- en Energieverkenning in werkelijkheidslechter is als de impact van de accijnskorting niet is meegenomen. Deleden van de fractie ChristenUnie eveneens vragen in te gaan op degedragseffecten van de voorliggende maatregelen en daarbij in elk gevalin te gaan op de gevolgen voor klimaat en CO2-uitstoot en grenseffecten.In het rapport «Kansrijk mobiliteitsbeleid 2020» van PBL is de ingeschatdat een accijnsverlaging van 10% resulteert in een toename van 0,4 MtonCO2. De huidige accijnskorting bedraagt meer dan 20% waardoor deverwachting is dat de toename in CO2-uitstoot boven deze waarde zalliggen. Tegelijkertijd is de maatregel incidenteel van aard, wat het effectverkleint. Een grove inschatting is dat het éénjarig doortrekken van deaccijnskorting zorgt voor een incidentele extra CO2-uitstoot van 0,5 Mtonin 2026.De impact hiervan is niet meegenomen in de Klimaat- enEnergieverkenning 2025 (KEV) omdat deze maatregel is genomengedurende de augustusbesluitvorming. En de KEV kijkt naar beleid metals peildatum 1 mei 2025. Doordat de accijnskorting niet is meegenomenkomt de werkelijke CO2-uitstoot in 2026 naar verwachting hoger uit. Diteffect is incidenteel in 2026 omdat de korting maar voor 1 jaar is doorge-trokken. Met het behouden van de accijnskorting in 2026 wordt naarverwachting een toename van de grenseffecten ten opzichte van de nugeldende tarieven voorkomen.De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet het eens is dat hetkabinet met de voorgestelde verlenging van de accijnskorting hetklimaatplan 2025 – 2035 ondergraaft. Het kabinet heeft ervoor gekozen omde accijnskorting in 2026 te verlengen, om te voorkomen dat automobi-listen volgend jaar met een grote lastenverzwaring worden geconfron-teerd. Vanwege het tijdelijke éénjarige karakter, heeft de verlenging van deaccijnskorting geen structureel negatief effect op het halen van deklimaatdoelen voor 2030 en op de financiële (on) aantrekkelijkheid vanemissievrije voertuigen. Zoals toegelicht in de contourenbrief «De autorijdt door»137, vragen het halen van de klimaatdoelen en de toename vangrondslagerosie om integrale keuzes over het toekomstige accijnsbeleiden de bredere hervorming van de autobelastingen. Dit is aan een volgendkabinet.De leden van de fractie van de SGP zijn positief over het verlengen van deaccijnskorting, maar merken op dat de accijnskorting oorspronkelijkbedoeld was als tijdelijke maatregel en vragen naar de visie van hetkabinet op de brandstofaccijnzen op de lange termijn.De langetermijnvisie op brandstofaccijnzen kan niet los worden gezienvan de ontwikkelingen in de mobiliteit en de energietransitie. De ingroeivan emissievrije voertuigen in het wagenpark, de dalende accijnsop-brengsten uit fossiele brandstoffen en de klimaatdoelstellingen maken hetnoodzakelijk om het gehele stelsel van autobelastingen en accijnzen teherzien. Zoals ook toegelicht in de contourenbrief «De auto rijdt door»138 ,vraagt dit om integrale en meerjarige keuzes over de wijze waaropautobezit en -gebruik in de toekomst fiscaal worden belast.137Kamerstuk 36 760, nr. 37.138Kamerstuk 36 760, nr. 37.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16113 De brandstofaccijnzen maken daarvan een belangrijk onderdeel uit.Naarmate het wagenpark verder verduurzaamt, zullen de opbrengsten uitfossiele brandstoffen afnemen. Dit vraagt om een nieuwe balans tussenbelastingen op aanschaf, bezit en gebruik van voertuigen, waarbij ookandere vormen van gebruiksafhankelijke heffing kunnen wordenoverwogen.Het is aan een volgend kabinet om hierover besluiten te nemen. In datlicht biedt de tijdelijke verlenging in 2026 ruimte om de keuzes zorgvuldigaf te wegen en een toekomstbestendig fiscaal kader voor mobiliteit vormte geven.De leden van de fractie van de SGP plaatsen kanttekeningen bij degekozen dekking van de verlenging van de accijnsverlaging. Zij merken opdat de dekking deels buiten de huidige kabinetsperiode valt en dat sprakelijkt te zijn van een structurele overdekking. Deze leden vragen hoe dit zichverhoudt tot de geldende begrotingsregels.Naast het verlengen van de korting van de brandstofaccijnzen, was er ooksprake van een incidentele derving als gevolg van de uitspraken van deHoge Raad omtrent de liquidatieverliesregeling. Het is met een totaleincidentele derving van dergelijke omvang niet proportioneel om binneneen jaar of twee de belastingen met meerdere miljarden te verhogen omte zorgen voor dekking. Daarom is gekozen om de dekking over meerderejaren te verdelen. Daarmee is een gedekte begroting achtergelaten overde begrotingshorizon.Koopkrachtmaatregel BES-eilandenDe leden van de fractie van de ChristenUnie vragen het kabinet om in tegaan op de gevolgen van de voorgestelde aanpassingen op de koopkrach-tontwikkeling van huishoudens en de armoedecijfers. De uitwerking vanbeleid op de BES eilanden kan in kaart worden gebracht door inkomensef-fecten voor verschillende huishoudcategorieën in beeld te brengen. Hierinworden de te verwachten effecten in kaart gebracht van voorgenomenbeleid. Uw Kamer wordt nog dit jaar geïnformeerd over de te verwachteninkomenseffecten voor huishoudens in 2026 in de beleidsbrief van SZW.Het kabinet beschikt niet over ramingen voor de ontwikkeling vankoopkracht of armoede op de BES eilanden.Tevens vragen deze leden om de koopkracht van de relevante standaard-huishoudens te vergelijken met de minimuminkomens die het NIBUDgeformuleerd heeft voor de BES. In algemene zin geldt dat op dit momentde onderstand (vergelijkbaar met de bijstand in Europees Nederland) enalgemene ouderdomsverzekering (AOV) voor alleenstaanden op Bonaireen Sint Eustatius toereikend zijn om van rond te komen, in geval vansociale huur. Zodra op Saba de huur-inkomenstabel is vastgesteld, zal ookdaar de verhuurdersubsidie in de sociale huursector beter aansluiten opde inkomens. Dit is een belangrijke stap richting de toereikendheid van debedragen. De AOV voor paren is op alle drie de eilanden toereikend omvan rond te komen. Voor paren in de onderstand is dit nog niet het geval.Voor hen is een verdere ontwikkeling van het uitkeringsbedrag afhankelijkvan de verdere ontwikkeling van het minimumloon. Tot slot is duidelijkdat op alle drie de eilanden voor huishoudens met kinderen een aanvul-lende inzet noodzakelijk is om beter recht te doen aan de minimale kostenvoor kinderen. Om die reden onderzoekt het kabinet ook de mogelijkheidvoor een inkomensafhankelijke kindregeling op de BES eilanden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16114 Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen enDouaneDe leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet de ontbrekendeuitvoeringstoetsen met de Tweede Kamer kan delen. De uitvoerings-toetsen waren ten tijde van de indiening van het pakket Belastingplan2026 nog niet afgerond. Inmiddels zijn deze voltooid en als bijlage bij dezenota naar aanleiding van het verslag gevoegd. Hiermee beschikt deTweede Kamer nu over alle uitvoeringstoetsen.OverigIn het kader van de dekking van de budgettaire derving als gevolg van hetarrest van de Hoge Raad over de liquidatieverliesregeling van 21 maart2025 (ECLI:NL:HR:2025:417) vragen de leden van de fractie van de VVDwaarom er niet voor is gekozen om in het Belastingplan 2026 de wet tewijzigen zodat de term «recht geldt op enigerlei tegemoetkoming» binairuitgelegd moet worden. Zij wijzen daarbij op de conclusie van A-G Wattel(ECLI:NL:PHR:2022:361). Voorts vragen de leden van de fractie van de VVDof het kabinet kan bevestigen dat bij een reparatie geen sprake zou zijnvan een structurele derving van 65 miljoen euro per jaar vanaf 2026, maarslechts van een incidentele derving in 2025. Onder de liquidatieverliesre-geling is – als uitzondering op de deelnemingsvrijstelling – een liquidatie-verlies op een deelneming onder voorwaarden aftrekbaar. Het recht ophet in aftrek brengen van een liquidatieverlies vervalt indien rechtenssprake is van enig recht op een tegemoetkoming voor die verliezen. Hetkabinet is van mening dat de liquidatieverliesregeling reeds een binaireuitleg kent. Het liquidatieverlies mag wel of niet in aanmerking wordengenomen, afhankelijk van het antwoord op de vraag of sprake is van«enigerlei tegemoetkoming» in de zin van artikel 13d, veertiende lid,onderdeel a, Wet Vpb 1969. Is het antwoord op die vraag «nee», dan magde belastingplichtige het liquidatieverlies in aftrek brengen, mits aan deoverige voorwaarden wordt voldaan. Is het antwoord op die vraag «ja»,dan mag de belastingplichtige het liquidatieverlies niet in aftrek brengen.De crux zit in het moment waarop wordt getoetst of van enigerleitegemoetkoming sprake is. In casu had de Ierse dochtermaatschappij vande belastingplichtige tijdens haar bestaan gebruikgemaakt van de Iersezogenoemde group-reliefregeling. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat debeoordeling of «geen recht geldt op enigerlei tegemoetkoming» moetworden uitgevoerd naar het tijdstip waarop de vereffening van hetontbonden lichaam is voltooid. De Hoge Raad heeft daarbij geoordeelddat het om die reden niet zo kan zijn dat onder «enigerlei tegemoet-koming» mede de tegemoetkomingen vallen die zijn verkregen of haddenkunnen worden verkregen door toepassing van de Ierse group-reliefregeling voorafgaand aan het moment van liquidatie van dedochtervennootschap. Ten tijde van de ontbinding beschikte de Iersedochtermaatschappij nog over niet-verrekende, en volgens de Iersebelastingdienst verder onverrekenbare, verliezen. De Hoge Raad heeft debelastingplichtige in het gelijk gesteld. Het kabinet merkt voor devolledigheid op dat voor de omvang van het te nemen liquidatieverliesgeen koppeling bestaat met de omvang van de bij de ontbonden dochteronverrekenbare gebleven verliezen. Het liquidatieverlies is het verschiltussen het voor de (in casu Ierse) deelneming opgeofferde bedrag en deliquidatie-uitkering. Het voorgaande leidt er naar de mening van hetkabinet toe dat sprake blijft van een incidentele derving in 2025 en eenstructurele derving vanaf 2026.De leden van de fractie van de VVD vragen waarom het kabinet geendekking zoekt binnen de liquidatieverliesregeling. De liquidatieverliesre-geling is een uitzondering op de deelnemingsvrijstelling en in die zinTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16115 onderdeel daarvan.139 Ter dekking van de budgettaire derving als gevolgvan voornoemd arrest stelt het kabinet voor om de fiscale behandelingvan valutaresultaten die op verzoek onder de deelnemingsvrijstellingkunnen worden gebracht voor de toepassing van de deelnemingsvrij-stelling aan te passen. De reden daarvan is dat ten aanzien van hetafdekkingsinstrument in de regel een aftrekbare last in mindering wordtgebracht op het resultaat. Daartegenover staat een even groot ingeprijsd(dat wil zeggen verwachte) valutawinst op het afdekkingsinstrument.Bedrijfseconomisch vallen deze componenten tegen elkaar weg, terwijlfiscaal het ingeprijsd valutaresultaat kan zijn vrijgesteld door toepassingvan de deelnemingsvrijstelling.De leden van de fractie van de VVD vragen of het kabinet kan bevestigendat indien winsten op valuta-afdekinstrumenten worden belast en nietmeer vrijgesteld zijn, de kosten wel aftrekbaar blijven of dat het kabinetvoornemens is om geen aftrek van de kosten toe te staan. Het kabinet isvoornemens om de toepassing van de deelnemingsvrijstelling met ingangvan 1 januari 2027 te beperken tot uitsluitend niet-ingeprijsde (dat wilzeggen onverwachte) valutaresultaten op afdekkingsinstrumenten terbeperking van het valutarisico dat een belastingplichtige met eendeelneming loopt. Het kabinet is daarom op dit moment niet voornemensde aftrek van kosten in dit kader in aftrek te beperken. Het wetsvoorstel zaleerst ter internetconsultatie worden aangeboden, zodat belangstellendende mogelijkheid hebben te reageren.De leden van de fractie van Groenlinks-PvdA vragen hoe het kabinet kijktnaar de zogenaamde «grondslagleenstructuren» in de EIA en MIA enwaarom daartegen in dit Belastingplan geen maatregel is opgenomen.Volledigheidshalve merk ik op dat in het wetsvoorstel Overige fiscalemaatregelen 2026 een maatregel met betrekking tot de EIA (energie-investeringsaftrek) wordt voorgesteld, die overigens los staat van degenoemde structuren. Die voorgestelde maatregel komt voort uit hetsignaal dat het ontbreken van een samentelbepaling er onbedoeld toeheeft geleid dat belastingplichtigen in voorkomende gevallen de EIAkunnen toepassen over meer dan het maximumbedrag aan energie-investeringen (in 2025 is dat maximum € 151 miljoen). Dit signaal geeftgeen aanleiding om een bepaling te overwegen om zogenaamde«grondslagleenstructuren» tegen te gaan. Voor een uitgebreide weergavevan (met name) de EIA en de milieu-investeringaftrek (MIA), de bewustestructuren en overwegingen rondom eventuele aanpassing van deregelingen, verwijs ik graag naar de eerdere stukken die hierover aan uwKamer zijn gezonden.140De leden van de fracties van de ChristenUnie, de BBB en de SGP hebbenvragen gesteld over de bedrijfsopvolgingsregeling in de schenk- enerfbelasting (BOR). Deze vragen hebben betrekking op het amendementvan de leden Inge van Dijk en Erkens141waarin onder andere wordtgeregeld dat in de BOR een familietoets komt en een verruiming van deverwateringsregeling. Om de vragen in de goede context te kunnenbeantwoorden, ga ik hierna eerst in op die maatregelen en op degebeurtenissen die op dat amendement volgden. Op grond van defamilietoets kunnen ook box 3-belangen kwalificeren voor de BOR als deaandeelhouder samen met zijn familie een belang van ten minste 25%139Kamerstukken II 2020/21, 35 568, 3, p. 3.140Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 86, Aanhangsel handelingen II 2024/25, nr. 933 enKamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 156.141Kamerstukken II 2023/24, 36 421, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16116 heeft in de onderneming.142 Door de formulering van de wettekst ingenoemd amendement heeft die verruiming alleen effect als de onder-neming door de houdstermaatschappij wordt gedreven. In de motieGrinwis143 wordt het kabinet opgeroepen de wetgeving in lijn te brengenmet de bedoeling van het amendement. De familietoets gaat dan ookgelden als de onderneming door een onderliggende werkmaatschappijwordt gedreven. Op grond van de verruiming van de verwateringsre-geling kunnen ook indirecte belangen in een werkmaatschappij vanminder dan 0,5% voor de BOR in aanmerking komen, mits dat belang inde rechte familielijn door vererving, schenking of huwelijksvermogens-recht is verwaterd van een indirect ab naar dat belang van minder 0,5%.Op 16 mei 2024 heeft mijn ambtsvoorganger Van Rij een brief144 naar uwKamer gestuurd waarin staat dat de twee maatregelen naar verwachtingleiden tot ongeoorloofde staatssteun (dit volgt zowel uit een interneanalyse als uit een second opinion), dat die maatregelen alleen kunnenworden uitgevoerd door de Belastingdienst als alle in de uitvoeringstoetsgenoemde beperkingen in de handhaving en fraudebestendigheid enrisico’s worden geaccepteerd en dat de familietoets op gespannen voetstaat met het gelijkheidsbeginsel. Vergelijkbare gevallen worden immers,louter op basis van familiebanden, anders behandeld. Hiervoor bestaatgeen objectieve rechtvaardiging. In het aangenomen wetsvoorstel Wetaanpassing fiscale bedrijfsopvolgingsfaciliteiten 2025 is opgenomen datde twee maatregelen niet per 2025 in werking treden, maar op een bijkoninklijk besluit (KB) te bepalen tijdstip. Dat wetsvoorstel bevat ook eenversobering waardoor de BOR beperkt wordt tot gewone aandelen meteen belang van minimaal 5% van het geplaatste kapitaal. In het aange-nomen amendement Stoffer c.s.145 wordt geregeld dat de beperking vande BOR tot gewone aandelen met een belang van minimaal 5% pas inwerking treedt zodra de twee maatregelen uit het eerdere amendement inwerking treden.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het kabinetmogelijkheden ziet en het voornemen heeft om de familietoets en deverruiming van de verwateringsregeling bij KB in werking te laten treden.Ook de leden van de fractie van de SGP vragen of het kabinet hetvoornemen heeft de maatregelen bij KB in werking te laten treden. Deleden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de uitvoering van demotie Grinwis146 waarin de regering wordt opgeroepen de familietoetsook te laten gelden als de onderneming door een werkmaatschappij wordtgedreven die onder een houdstermaatschappij hangt. De leden van defractie van de SGP vragen naar de opvolging van de motie Stoffer c.s.147waarin wordt verzocht in contact te treden met de agrarische sector overhoe de gevolgen van het uitsluiten lidmaatschapsrechten van de BORzoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Uitvoering van het amendementkent een aanzienlijk risico op (indirecte) staatssteun en lijkt daarmee instrijd met het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. UwKamer is op 14 mei 2025 via een technische briefing vertrouwelijkgeïnformeerd over deze staatssteunrisico’s. Vanwege die risico’s heeft het142Ook belangen die enkel een aanmerkelijk belang (ab) zijn op grond van de meetrekregeling,bedoeld in artikel 4.10 van de Wet IB 2001 kunnen op grond van de familietoets kwalificerenvoor de BOR.143Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 122.144Kamerstukken II 2023/24, 36 421, nr. 12.145Kamerstukken II 2024/25, 36 610, nr. 11.146Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 122.147Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 125.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16117 kabinet het voornemen het KB niet te slaan.148 Dit betekent dat defamilietoets, de uitbreiding van de verwateringsregeling en de beperkingvan de BOR tot gewone aandelen met een belang van minimaal 5% vanhet geplaatste kapitaal niet in werking zullen treden. Doordat de familie-toets niet in werking treedt, hoeft deze niet worden verruimd naarondernemingen die door een werkmaatschappij wordt gedreven dieonder een houdstermaatschappij hangt. Doordat de beperking van deBOR tot gewone aandelen met een belang van minimaal 5% van hetgeplaatste kapitaal niet in werking treedt, kunnen lidmaatschapsrechtenblijven kwalificeren voor de BOR, waardoor overleg hierover met deagrarische sector niet nodig is.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of het klopt dat, alshet KB niet wordt geslagen, fictieve ab’s van minder dan 5% blijvenkwalificeren voor de BOR en dat belangen met een omvang van minderdan 0,5% niet onder de BOR vallen. Omdat het KB niet wordt geslagen,blijven fictieve ab’s van minder dan 5% inderdaad kwalificeren voor deBOR, mits aan de overige voorwaarden voor de BOR wordt voldaan.Directe belangen van minder dan 0,5% kunnen kwalificeren voor de BORals dat belang een fictief ab is. Indirecte belangen van minder dan 0,5%kunnen niet kwalificeren voor de BOR.De leden van de fractie van de BBB vragen of het kabinet de familietoetsals een goede oplossing ziet om familiebedrijven te beschermen. De ledenvan de fractie van de SGP vragen of andere maatregelen wordenoverwogen om hetzelfde doel te bereiken als de familietoets. Het kabinetheeft geen aanwijzingen dat de schenk- en erfbelasting een belemmeringvormen voor de continuïteit van familiebedrijven. Dat komt onder anderedoor de BOR. Een uitbreiding van de BOR met een familietoets, of eenandere maatregel om hetzelfde doel te bereiken, lijkt dus niet nodig omfamiliebedrijven te beschermen. Zoals hiervoor beschreven, kent eenfamilietoets belangrijke nadelen. Alternatieve maatregelen die enkelgericht zijn op familiebedrijven kunnen dezelfde nadelen kennen metbetrekking tot staatssteun en het gelijkheidsbeginsel.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen naar de uitvoeringvan de motie van het lid Stultiens over onderzoek naar Nederlandsvermogen in offshore financial centers.149 De motie verzoekt de regeringallereerst om het Nederlands vermogen in offshore financial centersnader te onderzoeken. In de motie wordt gerefereerd naar onderzoek vanEU Tax Observatory. Het gaat hier om onderzoek waarin over de periode2001–2022 schattingen zijn gemaakt van vermogen in offshore financialcenters en op basis daarvan een schatting gemaakt van het deel van ditoffshore vermogen waarover geen aangifte is gedaan («unreportedoffshore tax»). Het blijkt dat het totale offshore vermogen in de wereld alspercentage van het bruto binnenlands product in de afgelopen tweedecennia redelijk stabiel is gebleken. Het gaat vervolgens om eenschatting van het deel van dit vermogen dat niet wordt aangegeven doorpersonen in de belastingaangifte of waarover belastingdienstenwereldwijd geen informatie hebben, oftewel het verhuld vermogen(«unreported wealth»).148Bij een formeel goedkeuringstraject zal de Europese Commissie een afweging maken, waarbijniet alleen naar de voorgelegde wijziging, maar ook naar de bestaande (delen van de)regeling (in dit geval de BOR) zal worden gekeken. Een formeel (niet kansrijk) goedkeurings-traject kent het risico van een negatief besluit.149Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1470.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16118 De onderzoekers hebben aan de hand van een combinatie van veertiendatabronnen en diverse modelaannamen een inschatting gemaakt van hetwereldwijde vermogen in zogenoemde «offshore financial centers».Vervolgens hebben zij het geschatte wereldwijde offshore vermogen indeze financials centers toegewezen aan individuele landen met behulpvan statistieken over de eigenaren van deposito’s in offshore financialcenters. De onderzoekers schatten op deze manier dat in 2022 Neder-landse huishoudens een vermogen van ca. 12,8% van het bbp houden indeze offshore financial centers.150 Dit bedrag is echter niet per se gelijkaan het totale verhulde vermogen van Nederlandse huishoudens. Sindsde internationale automatische informatie-uitwisseling tussen landen opbasis van de Common Reporting Standard (CRS) is een groot deel van hetoffshore vermogen bekend bij de Belastingdienst en daarmee nietverhuld.De onderzoekers hebben vervolgens op basis van Deense banktransactie-gegevens van Deense banken geanalyseerd dat de CRS-uitwisseling overinternationale banktegoeden nog niet compleet is. Zij stellen dat in 30procent van de bankrekeningen er geen CRS-rapport wordt verzonden.Vervolgens schatten zij op basis van diverse andere aannamen dat 15 tot37 procent van het wereldwijde offshore vermogen verhuld is.151 Zijveronderstellen dezelfde percentages voor Nederland, wat erop neer komtdat tussen de € 18 en € 44 miljard van Nederlandse huishoudens in 2022verhuld zou zijn. Hierbij geldt de kanttekening dat vermogen dat niet viaCRS wordt doorgegeven niet per se betekent dat dit verhuld vermogen is.De belastingplichtige kan immers uit zichzelf aangifte doen in box 3 overhet buitenlands vermogen.Het kabinet ziet de studie als een gedegen studie waarin door deonderzoekers op basis van zo veel mogelijk beschikbare gegevens met zoveel mogelijk redelijke aannamen een zo goed mogelijke inschatting isgemaakt van het verhuld vermogen. Het kabinet is niet van mening dat zijmet andere bronnen of andere aannames een betere of nauwkeurigereinschatting kan maken van de omvang van het verhuld vermogen vanNederlandse huishoudens. Het kabinet zet zich met het programmaVerhuld Vermogen van de Belastingdienst uiteraard blijvend in op eeneffectieve aanpak van verhuld vermogen. Daarnaast stelt Nederland zichin internationale gremia actief om te komen tot een verdere uitbreidingvan de internationale automatische uitwisseling over vermogen.Uitbreiding naar informatie over buitenlandse onroerende zaken isbijvoorbeeld een belangrijke stap. Ten slotte blijft het kabinet werk makenvan het bestrijden van internationale belastingontduiking en -ontwijking.De Tweede Kamer wordt hier over geïnformeerd in de jaarlijkse monito-ringsbrief van de effecten van de aanpak van belastingontwijking, zo ookdit jaar.De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen het kabinet om eenvolledig overzicht te verstrekken van hoe vaak de begrotingsregelscheiding uitgaven en inkomsten is geschonden in de afgelopen vijf jaar,zowel in het eigen kabinetsbeleid als door moties en amendementenvanuit de Kamer «oordeel Kamer» te geven. Indien er sprake is van eenschuif tussen de inkomsten-en uitgavenkant van de begroting, komt dit totuiting als een kadercorrectie binnen het inkomsten- en uitgavenkader. Ditgeldt zowel voor voorstellen vanuit het kabinet, als het uitvoeren vanmoties en amendementen vanuit de Kamer. Voor de beantwoording vande vraag is daarom gekeken naar de daadwerkelijke aanpassingen tusseninkomsten-en uitgavenkaders in de Voorjaarsnota of Miljoenennota in de150The Atlas of the Offshore World (atlas-offshore.world).151Global Tax Evasion Report 2024 (taxobservatory.eu), p. 27–29.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16119 afgelopen vijf jaar. Daarbij is niet apart gekeken naar moties vanuit deKamer die niet hebben geleid tot een aanpassing binnen de begroting,aangezien in dat geval niet kan worden gesproken van een schending vande begrotingsregels.Hoewel het inkomstenkader in principe wordt vastgelegd aan het beginvan de kabinetsperiode, zijn kadercorrecties onder bepaalde voorwaardenmogelijk. Bij een kadercorrectie wordt het inkomstenkader verhoogd ofverlaagd, zodat er meer lastenverzwaring of lastenverlichting plaats kanvinden dan afgesproken bij de Startnota, en het uitgavenkader respectie-velijk verhoogd of verlaagd, zodat meer of minder uitgaven mogelijk zijn.Dit is toegestaan in uitzonderingssituaties waarin inkomsten en uitgavenniet gescheiden zijn. Dit geldt bij grote hervormingen waarin een collectiefarrangement op een andere wijze wordt vormgegeven met mutaties aanzowel uitgaven- als inkomstenzijde. Daarnaast kan er sprake van zijn bijsignificante beleidswijzigingen aan de inkomstenkant, die een (zeer)beperkte doorwerking hebben aan de uitgavenkant (bijvoorbeeld deuitvoeringskosten van belastingmaatregelen). Indien in dat soort gevallenhet inhoudelijk logischer en doelmatiger is om dekking voor diedoorwerking te vinden aan de inkomstenkant, is in de begrotingsregelsopgenomen dat daarvoor een kadercorrectie kan worden toegepast. Eenvoorbeeld hiervan is koopkracht. Omdat het zeer ondoelmatig zou zijn omniet integraal te kijken naar het belasting- en toeslagentstelsel wordenschuiven tussen de twee in het kader van koopkracht niet gezien als eenschending van de scheiding tussen inkomsten en uitgaven. Dit geldt ookvoor een grote hervorming als het invoeren van het nieuwe box 3-stelsel.Omtrent de zorg zijn er eveneens kadercorrecties mogelijk binnen deregels, zodat meevallers kunnen leiden tot lastenverlichting via depremies.Als kadercorrecties vallen onder een van de uitzonderingsgronden in debegrotingsregels, is geen sprake van een schending van de begrotings-regels over de scheiding tussen inkomsten en uitgaven. Deze zijn daarmeeniet opgenomen in onderstaande overzicht. Hetzelfde geld voor schuiventussen inkomsten en uitgaven die zijn besloten tijdens de formatie (ofvoordat de kaders zijn vastgesteld). Ook maatregelen die zijn genomen inhet kader van de koopkrachtbesluitvorming zijn niet opgenomen.De overblijvende kadercorrecties zijn in een aantal categorieën in te delen.Maatregelen naar aanleiding van coronacrisis en energiecrisisIn de Miljoenennota 2023 is naar aanleiding van de energiecrisis beslotentot significante koopkrachtondersteuning (o.a. lastenverlichting) in 2023.Deze lastenverlichting is gedekt in de jaren daarna. Er is toen een integraalgedekt pakket vormgegeven bestaande uit zowel uitgaven- als lastenmaat-regelen.In de Miljoenennota 2021 en 2022, zijn een aantal aanpassingen van hetinkomstenkader gedaan voor maatregelen voor het tegengaan van degevolgen van de coronacrisis.KlimaatIn het kader van klimaatbeleid is de afgelopen jaren een paar keergeschoven met middelen tussen inkomsten en uitgaven. Dit komt voortuit het feit dat er integraal wordt gekeken tijdens klimaatbesluitvorming,om tot een samenhangend pakket te komen. Daarbij kan het zo zijn dattijdens het proces blijkt dat een stimulans beter via de uitgaven- ofinkomstenkant kan worden vormgegeven. Deze kadercorrecties hebbenvooral plaatsgevonden binnen het autodomein, bijvoorbeeld doormiddelen uit het klimaatfonds in te zetten voor fiscale subsidies voorelektrisch rijden, als deze doelmatiger bleken als een alternatief aan deuitgavenkant.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16120 Moties en amendementen najaar 2023Bij de Algemene Politieke Beschouwingen in 2023 en de behandeling vande verschillende begrotingen en het belastingplan, was een groot aantalamendementen en moties aangenomen. Aangezien deze moties enamendementen samen met een aantal aanpassingen aan de uitgavenkant,optelden tot een totaalpakket (met dekking), heeft het toenmaligedemissionair kabinet hiervoor eenmalig het inkomstenkader gecorrigeerd.Aan de uitgavenkant zijn de plafonds verhoogd met het totaal van deuitgavenmaatregelen uit dit pakket. Een overzicht van de maatregelen aande inkomstenkant is te vinden in de Voorjaarsnota 2024 (tabel 22).Overige schuiven tussen inkomsten en uitgavenNaast bovenstaande aanpassingen van de kaders, zijn er nog een beperktaantal andere gevallen waarbij middelen van de inkomstenkant zijngebruikt voor uitgaven, of andersom. In alle gevallen gaat het over eenschuif binnen het hetzelfde domein, waarbij in de meeste gevallenbestaande middelen een andere bestemming hebben gekregen danoorspronkelijk. De uitzondering hierop is de heffing op vapes, die opverzoek van de Kamer is betrokken bij de dekking van de onderwijsbe-groting in het najaar van 2024.Tabel 18: overige kadercorrectiesSociale advocatuurKadercorrectie: middelen voorsociale advocatuur en sociaaldomein, naar aanleiding vansamenvoegbepaling arbeidskortingVoorjaarsnota2025Heffing vapesTer dekking van het schrappen vanenkele bezuinigen op de begrotingvan het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW) van2025 is er een taakstellend bedragingeboekt voor het invoeren vaneen verbruiksbelasting ope-sigaretten (vapes).Najaar 2024Inzet envelop loondoorbetaling bijziekteAls onderdeel van het arbeids-marktpakket is besloten om deenvelop loondoorbetaling bij ziektein te zetten voor lastenverlichtingbedrijven.Miljoenennota2024Dekking heffingsverminderingverhuurderheffing en UrgendaDit is voor een klein deel gedektdoor het inverdieneffect op dehuurtoeslag van de huurverlagingdoor woningcorporaties tevoorhuurders met lage inkomens enhoge huren.Miljoenennota2021Amendemeten Belastingplan 2021De opbrengst van het aanpassenvan de overdrachtsbelasting, isgebruikt voor een woningmarkt-pakket aan de uitgavenkant.Miljoenennota2022Wet betaald ouderschapsverlofDekking kwam voor een deel uit deIACK.Miljoenennota2022 De Raad van State heeft in de meest recente beoordelingen van hetbegrotingsbeleid aangegeven dat de uitgaven en inkomsten gemiddeldgenomen overeenstemmen met de inkomsten- en uitgavenkaders, en datin zijn totaliteit bezien de uitgaven- en lastenkaders zijn gehandhaafd, ende scheiding tussen inkomsten en uitgaven gerespecteerd. Het kabinetsluit zich daarbij aan. De scheiding tussen inkomsten- en uitgaven is overhet algemeen goed gerespecteerd de afgelopen jaren. Het overgrote deelvan de schuiven tussen inkomsten en uitgaven valt binnen de uitzonde-ringsgronden van de begrotingsregels, en het beperkt aantal overigeafwijkingen was goed gemotiveerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16121 Van de gelegenheid wordt gebruikgemaakt een aantal vragen te beant-woorden over het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2026 (FVW 2026) opverzoek van de vaste commissie voor Financiën (kenmerk brief(2025Z15780/0225D41461) naar aanleiding van een door de commissieontvangen brief van 1 september 2025. Aangezien het wetsvoorstel FVW2026 reeds bij de Eerste Kamer ligt ter behandeling wordt deze beant-woording opgenomen in deze nota. Hierna zullen de vragen wordenbeantwoord waarbij de vragen worden geparafraseerd.De vraag wordt gesteld of het met het wetsvoorstel FVW 2026 voorge-stelde artikel 3.100, vierde lid, Wet IB 2001 leidt tot inhoudingsplicht voorde uitvoerder van de betreffende lijfrente. Dat is inderdaad de bedoeling.De delegatiebepaling van artikel 34, eerste lid, onderdeel a, Wet LB 1964biedt de mogelijkheid om de inhoudingsplicht voor termijnen van lijfrenteof andere periodieke uitkeringen of verstrekkingen te bepalen. Dit isuitgewerkt in artikel 11 UBLB 1965 en vindt in beginsel ook toepassing opde niet of niet langer kwalificerende lijfrenten. Het wordt nog naderonderzocht of voor de laatstgenoemde lijfrenten een verduidelijking vanartikel 11 UBLB 1965 noodzakelijk is.In het verlengde van deze vraag wordt de vraag gesteld of bij dezeinhoudingsplicht het reguliere tarief van toepassing is of een tarief van52% op grond van artikel 34, tweede lid, Wet LB 1964. In de in devraagstelling geschetste situatie is het reguliere tarief van toepassing netzoals dat het geval is bij toepassing van artikel 3.100, eerste lid, onderdeelb, Wet IB 2001. Het tarief van 52% is alleen van toepassing bij afkoop(afkoop van lijfrente die niet onder de afkoopregeling voor kleine lijfrentenvalt) als bedoeld in artikel 3.133, tweede lid, onderdeel d, Wet IB 2001.Artikel 44a IW 1990 is in deze situatie niet aan de orde omdat geen sprakeis van de heffing van negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen.Vervolgens wordt de vraag gesteld wat dit wetsvoorstel, en dan concreethet voorgestelde artikel 3.100, vierde lid, Wet IB 2001, betekent voor derenseigneringsverplichting. Op de bestaande renseigneringsverplichtingvoor lijfrenten heeft dit wetsvoorstel geen invloed. Kort gezegd zijn ergeen specifieke renseigneringsverplichtingen van toepassing op een nietof niet langer kwalificerende lijfrente.Ten vierde wordt gevraagd of er geen dubbele heffing kan optreden in desituatie dat er sprake is van een overschrijding van de wettelijke termijn.Dat is niet het geval. Als bij een overschrijding van de wettelijke termijnnegatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen in aanmerking zijngenomen, treedt het voorgestelde artikel 3.100, vierde lid, Wet IB 2001terug. Bij een overschrijding van de wettelijke termijn wordt dus eerstbekeken of er negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen inaanmerking genomen kunnen worden en als dat niet het geval is, wordtalsnog geheven op grond van het voorgestelde artikel 3.100, vierde lid,Wet IB 2001.Tot slot wordt in een voorbeeld gevraagd hoe een uitvoerder moetuitkeren, welke renseigneringsverplichtingen gelden en of dat anders is bijeen periodieke uitkering als een lijfrentekapitaal van € 100.000 een fictiefgenietingsmoment heeft van 31 december 2026 en de gerechtigde begin2028 vraagt om het kapitaal uit te keren. In de beantwoording wordt ervanuitgegaan dat het gaat om een kwalificerende lijfrente en dat wordtbedoeld dat er op 31 december 2026 sprake is van een overschrijding vande wettelijke termijn. Op grond van het met het wetsvoorstel FVW 2026voorgestelde artikel 3.133, derde lid, Wet IB 2001 leidt dit tot een belastefictieve afkoop in 2027. Voor deze fictieve afkoop geldt de renseignerings-verplichting van artikel 22 UBIB 2001. Deze fictieve afkoop leidt totbelastingheffing over – grofweg – de waarde van de lijfrenteaanspraak op31 december 2026 in box 1. In beginsel is daarover dan bovendienrevisierente verschuldigd. Na deze fiscale «afrekening» in box 1 verhuistTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16122 de lijfrente naar box 3. Als de gerechtigde in 2028 vervolgens verzoekt omuitbetaling (uitkering ineens of afkoop) bestaat er geen inhoudingsplichtvoor de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen. Wel rustop de uitvoerder de aansprakelijkheid van artikel 44a IW 1990 ter zake vande in 2026 ontstane belasting- en revisierenteschuld. Uitvoerders kunnenvan deze aansprakelijkheid gevrijwaard worden door middel van een doorde belastinginspecteur af te geven vrijwaringsverklaring. Deze vrijwaringwordt onder voorwaarden verstrekt. Een van de voorwaarden is dat deaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen waarin de fictieveafkoop is opgenomen onherroepelijk is komen vast te staan. Een anderevoorwaarde is dat de aanslag is betaald. De vrijwaringsverklaring is aan tevragen door de belastingplichtige bij de Belastingdienst. Het met hetwetsvoorstel FVW 2026 voorgestelde artikel 3.100, vierde lid, Wet IB 2001is in het geschetste voorbeeld niet van toepassing.De Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 16123
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.