Verslag van een schriftelijk overleg over Onderhandelaarsakkoord Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en voortgang Integraal Zorgakkoord (IZA), inclusief verscheidene moties (Kamerstuk 31765-937)
Brontekst
Versie 7cd79d757a6ccfad · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 765Kwaliteit van zorgNr. 950 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 3 november 2025 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 3 juli 2025 inzake Onderhan-delaarsakkoord Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) envoortgang Integraal Zorgakkoord (IZA), inclusief verscheidene moties(Kamerstuk 31 765, nr. 937).De vragen en opmerkingen zijn op 18 september 2025 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 3 november2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Sjerp kst-31765-950ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9501 Inhoudsopgaveblz.I.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie8Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie9Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie11Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie12II.Reactie van de Minister15 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakehet «Onderhandelaarsakkoord, Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord(AZWA) en voortgang Integraal Zorgakkoord (IZA), inclusief verscheidenemoties» en hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.Zoals bekend is zal de vraag naar zorg en ondersteuning de komendejaren blijven stijgen en zal het aanbod aan professionals niet meegroeien.Genoemde leden hebben kennisgenomen van de maatregelen diegenomen worden om de arbeidsmarkttekorten af te wenden, maar missenhier nog een aantal essentiële zaken.De loonkloof in de zorg bestaat immers nog steeds en er wordt niet actiefaan gewerkt om deze weg te werken. Wat gaat de inzet van de Ministerzijn ten aanzien van deze loonkloof? De leden van de PVV-fractie zien dater geïnvesteerd wordt in het opleiden van medisch specialisten via desubsidieregeling strategisch opleiden in de zorg en bijvoorbeeld hetinvesteringsakkoord opleiden wijkverpleging (IOW) maar de uitwerkinghiervan gaat met name naar medisch specialisten, niet naar verpleegkun-digen, verzorgenden en helpenden, die daadwerkelijk de zorg aan het bedof in de wijk leveren. En hoe zit het met het personeel in de gehandicap-tenzorg, daaromtrent is het akelig stil. Hoe rijmt de Minister dit met desituatie in de praktijk, waar vooral een schaarste is in laatstgenoemdefunctiegroepen? In het AZWA staat bijvoorbeeld geschreven «aandacht isnodig voor de verzorgende IG en opleiden van de praktijkondersteuner»,wat houdt die «aandacht» exact in? Want dit is toch niets nieuws? Al jarenis bekend dat er grote tekorten zijn aan deze functiegroepen, wat zijn deconcrete acties om de capaciteit in bovengenoemde functiegroepen zospoedig mogelijk te vergroten? In het AZWA, onder [B3, g] valt te lezen:«Partijen spreken af om aanvullende opleidingsplekken aan te bieden(waar nu geen ruimte voor is).» En ook «Partijen stellen in 2025 een lijstop welke vervolg -en strategische opleidingen dit precies betreft.»Genoemde leden vragen waarom dit nu pas gebeurt. En een lijstopstellen? We weten inmiddels toch waar de knelpunten zitten? Maargoed, wanneer kan de Kamer deze «lijst» dan verwachten? Genoemdeleden zijn daarnaast vooral ook benieuwd naar welke zaken er zijnstopgezet of afgeschaald ten behoeve van de vermindering van deadministratieve lasten, kan hier een overzicht van worden gemaakt? Metdaarnaast de opbrengst van tijd en middelen?Het betreurt de leden van de PVV-fractie dat er vanaf 1 juli jl. al geenaanvragen meer gedaan kunnen worden voor nieuwe snelle toetsen. Is erbij de toekenning ervan gekeken naar de meest essentiële en noodzake-lijke, en naar diegene die de meeste impact zullen hebben?Genoemdeleden vragen de Minister om bij de plannen die nog niet zijn goedgekeurdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9502 vanwege de uitputting van middelen, de meeste impact volle alsnog goedte keuren en een dekking te vinden. Immers moet men eerst zaaien, wilmen kunnen oogsten.De leden van de PVV-fractie zijn blij met de inspanning om de eerste-lijnszorg te versterken en de toegang tot geneesmiddelen te willenverbeteren, maar willen wel benadrukken dat het realiseren van de extrainspanningen die van apothekers en andere zorgverleners wordengevraagd, alleen mogelijk is als het personeelstekort en de medicijnte-korten daadwerkelijk worden teruggedrongen. Zonder voldoendegekwalificeerd personeel en een betrouwbare beschikbaarheid vangeneesmiddelen, komt de uitvoering van de afspraken onder druk testaan. Wil en gaat de Minister hier prioriteit aan geven?Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel belangstellingkennisgenomen van het onderhandelaarsakkoord van het AanvullendZorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en de voortgang van het IntegraalZorgakkoord (IZA). Zij vinden het een goede zaak dat er, na lang onder-handelen, eindelijk een akkoord op tafel ligt waar zorgpartijen zich inkunnen vinden.Allereerst hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een aantalvragen over het onderhandelaarsakkoord van het AZWA. Naar aanleidingvan het onderdeel «Afwenden van het arbeidsmarkttekort» stellen zij devolgende vragen. Deze leden vinden het toenemende arbeidsmarkttekortin de sector zorg en welzijn zeer zorgelijk. Genoemde leden lezen dat hetdoel van de AZWA is dat de administratietijd van een zorgverlener nogmaximaal 20% van de werktijd is. Zij lezen dat het ontlasten vanmedewerkers door verscheidene doorbraakprojecten die regeldrukverminderen op te schalen onderdeel is van het verminderen van deadministratietijd. Zijn er al pilots geweest met deze verschillendedoorbraakprojecten waaruit blijkt dat deze projecten daadwerkelijkbijdragen aan de afname van administratietijd?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat ArtificialIntelligence (AI) een toegevoegde waarde kan zijn wanneer het dekwaliteit van zorg verbetert en zorgverleners ontlast. Voor genoemdeleden staan privacy en veiligheid in dit vraagstuk voorop en mag het niettot het vervangen van menselijk contact leiden als dat wel gewenst is.Deze leden lezen dat het ministerie verantwoordelijk is om de overkoepe-lende aanpak AI te ontwikkelen. Worden hier kaders in opgenomenwaarbij privacy en veiligheid van de patiënt en zorgverlener centraalstaan? Wordt er ook in opgenomen dat het geen menselijk contact magvervangen als menselijk contact gewenst is?De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn ook benieuwd hoe hetafwenden van het arbeidsmarkttekort samengaat met de keuze van ditkabinet om het stagefonds te schrappen? Dit soort fondsen warenbedoeld om jonge mensen en zij-instromers ervaring te laten opdoen inde zorg. Welke alternatieven zullen hiervoor komen? En worden deverschillende sectoren betrokken bij het bedenken van dit soort alterna-tieven, zoals bijvoorbeeld ook de gehandicaptensector en de jeugdzorg-sector? Genoemde leden krijgen namelijk signalen dat de zeggenschapover de opleidingsgelden nu bij andere zorgbranches worden belegd. Ditterwijl de gehandicaptenzorg en de jeugdzorg beiden ook sectoren zijnmet grote uitdagingen op het terrein van arbeidsmarkt en opleidingen.Krijgen deze sectoren ook de mogelijkheid om gelijkwaardig enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9503 volwaardig deel te nemen aan gesprekken over de arbeidsmarkt en meete delen in de middelen? Want er worden middelen vrijgemaakt voor hetopleiden van zorgpersoneel, de aanpak van zorgfraude en een stevigeresamenwerking met het sociaal domein, allemaal zaken die ook relevantzijn voor de gehandicaptensector en de jeugdzorg. Graag een reactie vande Minister op deze punten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het AZWA wil inzettenop domein overstijgend indiceren. Genoemde leden delen de achterlig-gende gedachte van dit voorstel. Wel vragen zij of dit niet tot extrawerkdruk leidt voor wijkverpleegkundigen. Zijn deze voorstellen in goedoverleg met verpleegkundigen zelf tot stand gekomen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de met het AZWA deinzet van arbeidsbesparende medische technologie wordt bevorderd. Zijlezen dat er meer aandacht nodig is voor de behoeften bij het ontwik-kelen, implementeren en opschalen van arbeidsbesparende technologie(digitalisering, AI en medtech), zodat dit daadwerkelijk leidt tot arbeidsbe-sparing, meer werkplezier en verhoogde arbeidsproductiviteit en deervaren kwaliteit van zorg en leven van de patiënt. Ook hier gelden voordeze leden dat privacy en veiligheid in dit vraagstuk voorop staan en hetniet mag leiden tot het vervangen van menselijk contact als dat welgewenst is. Worden hier kaders in opgenomen waarbij privacy enveiligheid van de patiënt en zorgverlener centraal staan? Wordt er ook inopgenomen dat het geen menselijk contact mag vervangen als menselijkcontact gewenst is?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van cruciaal belangdat zorgmedewerkers niet van bovenaf allemaal nieuwe regels gedicteerdkrijgen, maar dat zij meer zeggenschap krijgen in hun werk. Kan bij elkvan de punten [A1, 2, 3, 4, 5, en B1, 2, 3] worden toegelicht hoe zorgmede-werkers zijn meegenomen in deze afspraken en in hoeverre deze wordenonderschreven door zorgmedewerkers?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat een doel is hetverstevigen samen de instroom, om vroege uitval te voorkomen.Genoemde leden lezen echter niks over verbeterde arbeidsvoorwaardenvoor zorgmedewerkers, terwijl er een loonkloof bestaat tussen de zorg enwelzijn sector en andere sectoren. Waarom is het verbeteren van dearbeidsvoorwaarden van zorgmedewerkers geen onderdeel van hetAZWA?Naar aanleiding van het onderdeel «Gelijkwaardige toegang tot zorg»stellen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Zijonderschrijven de inzet op het gebied van gelijkwaardigere toegang totzorg. Zij achten het van groot belang dat de toegang tot zorg vooriedereen gelijk is, ongeacht iemands opleidingsniveau of in welke matediegene de wegen binnen ons zorgsysteem kent. Het is wat deze ledenbetreft van belang dat in opdracht van de Nederlandse Federatie vanUniversitair Medische Centra (NFU) wordt onderzocht welke elementen enmaatregelen bijdragen aan een gelijkwaardige toegang tot zorg, waarbijonder andere onderzoek wordt gedaan binnen de subgroep van mensendie zorg mijden. Het mag wat deze leden betreft echter niet bij eenonderzoek blijven. Welke maatregelen en concrete acties gaat de Minister,los van het onderzoek en het afwachten van de resultaten daarvan, nemendie de gelijkwaardige toegang tot zorg verbeteren, met name voormensen met een kleine portemonnee? Kan de Minister concreet aangevenper maatregel en afspraak in het AZWA hoe deze daaraan bijdragen enwelke doelstellingen eraan gekoppeld zijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9504 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het belang vande specifieke aandacht in het onderzoek naar de toegang tot zorg voormensen met een lage sociaaleconomische positie (SEP)/sociaaleconomische status (SES). Hoe worden juist deze groepen,waaronder zorgmijders die lastiger te bereiken zijn, benaderd enbetrokken bij het onderzoek? Hoe wordt ervoor gezorgd dat er een goederepresentatie van deze groepen wordt meegenomen in het onderzoek?Daarnaast lezen betreffende leden dat de zorgvraag door de halvering vanhet verplichte eigen risico naar verwachting zal groeien. Wat zijn deverwachte effecten voor groepen die nu zorg mijden of een lage SEP ofSES hebben?Daarnaast lezen deze leden in de paragraaf over het landelijk dekkendnetwerk voor digitale zorgondersteuning dat op dit moment veel mensenmoeite hebben om mee te komen met de digitale transformatie, waardoorzij drempels ervaren bij het gebruik van digitale en hybridezorg en-ondersteuning. Dit belemmert de volledige benutting van de kansen diedigitalisering in de zorg biedt en zet de toegang tot zorg onder druk. Inhoeverre beïnvloedt dit de verwachtingen rondom digitalisering en AI enhet terugdringen van de arbeidstekorten in de zorg? En wat zijn daarnaastde verwachte effecten van de uitgezette acties en afspraken op het gebiedvan wachttijden in de medisch specialistische zorg (C3b) en op het gebiedvan het verbeteren van de normen voor maximaal aanvaardbarewachttijden? Op welke termijn worden hier de eerste positieve effectenvan verwacht?De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn positief over de afsprakendie zijn gemaakt om het inzicht in de wachtlijsten van de ggz te verbeterenom op die manier ook zorgbemiddeling mogelijk te maken. Wel vragen zijwaarom de afspraken hiertoe zo lang op zich hebben laten wachten. Aljaren stellen deze leden vragen over betere wachtlijstinformatie enzorgbemiddeling, zeker omdat dit laatste gewoon een taak is van dezorgverzekeraar. Ook via het Integraal Zorgakkoord zou informatie beter inbeeld komen, is dit onvoldoende van de grond gekomen? Hoe gaat ergezorgd worden dat dit bij het AZWA wel van de grond komt? Hetzelfdegeldt voor de bijbehorende ambitie. In het IZA werd nog als doel gestelddat eind 2026 de gemiddelde wachttijd voor iedere zorgvraagtypering 5weken (één tot twee weken voor de intake en drie tot vier weken tot startbehandeling). Genoemde leden constateren dat deze ambitie bij lange naniet is gehaald. Nu lezen zij in het AZWA dat in 2028 iedereen hulp moetkrijgen binnen de afgesproken wachttijd in de ggz. Dat is minderambitieus dan het IZA, maar nog steeds een forse opgave. Wordt dezeambitie wel realistisch geacht? Zo ja, hoe gaat de Minister daarvoorzorgen? En is de Minister ook bereid om tussentijds op te schakelen als deambitie uit beeld lijkt te raken? Want deze leden vinden ambities goed,maar als deze telkens niet gehaald worden, dan is het ook de vraagwaarom deze steeds zo hoog worden gesteld en of er voldoende urgentiewordt gegeven aan het halen van de ambitie.Naar aanleiding van het onderdeel «Beweging naar de voorkant» stellende leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Genoemdeleden onderschrijven ten zeerste de noodzaak van het versterken van deeerstelijnszorg en het waarborgen van een duurzame continuïteit van dehuisartsenzorg. Zij zijn van mening dat het van cruciaal belang is dat meerhuisartsen met een vaste patiëntenpopulatie werken. Dat kan bij eenpraktijkhouder, maar ook bij een huisarts in loondienst. Ziet de Ministerhier ook een rol weggelegd voor gezondheidscentra, waarbinnenhuisartsen in loondienst samen kunnen werken met een vaste patiënten-populatie? Zo ja, hoe is dit opgenomen in het AZWA? En welke rol ziet deMinister weggelegd voor de oprichting van gezondheidscentra voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9505 zorgverzekeraars, die immers hun zorgplicht moeten naleven en hier ookbaat bij hebben? Daarnaast vragen deze leden hoe het staat met de opzetvan het landelijk systeem waarmee inzicht ontstaat welke huisartsenprak-tijken plek hebben voor nieuwe patiënten, zodat de bijna 1 miljoenNederlanders die op zoek is naar een (nieuwe) huisarts makkelijkerkunnen wisselen van praktijk. Zal dit systeem inderdaad eind 2025operationeel zijn?Ook vragen genoemde leden hoe maatwerk per regio, waarin partijenafspraken maken over financieel maatwerk om continuïteit van huisart-senzorg te borgen, zich verhoudt tot de steun van zorgverzekeraars aanhuisartsen bij de oprichting van nieuwe praktijken die volgend jaarstructureel wordt. Hoe kunnen beiden elkaar versterken? En wat doet deMinister nog meer om de huisvestingsproblematiek op te lossen? Is deMinister bereid opnieuw te kijken naar de rol van gemeenten enprovincies, die bij nieuwbouwplannen bijvoorbeeld ruimte kunnen makenvoor zorgvoorzieningen, iets waar ook huisartsenverenigingen voorpleiten in aanvulling op de andere maatregelen die worden genomen? Inde initiatiefnota «Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voortoekomstbestendige huisartsenzorg» van het lid Bushoff zijn zestienactiepunten geformuleerd voor een toekomstbestendige huisartsenzorg.Uw voorganger, voormalig Minister Agema, gaf aan voor twaalf van dezestien punten overeenstemming te zien en mee te nemen in het AZWA.Kan voor deze twaalf punten uiteen worden gezet hoe deze preciesworden meegenomen en waar deze leden dit kunnen vinden in hetakkoord?Voorts willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie graag weten inhoeverre de Minister bereid is commercialisering verder terug te dringenin de huisartsenzorg. De speerpunten in het AZWA, waaronder duurzamecontinuïteit van huisartsenzorg, huisartsen met een vaste patiëntenpopu-latie en voldoende participatie voor de invulling van avond-, nacht- enweekenddiensten (ANW-diensten), staan immers haaks op diverseervaringen met commerciële partijen die puur gericht waren op winst endaarmee zorg op de tweede plek zetten. Zo onttrokken partijen als Co-Medzich bijvoorbeeld volledig aan de verantwoordelijkheid voor het verdelenvan ANW-diensten en sluiten commerciële partijen zich vaak niet aan bijeen huisartsenpost. Hoe kijkt de Minister hiernaar en hoe komt dit terug inhet AZWA zodat de duurzame continuering van de huisartsenzorgdaadwerkelijk geborgd kan worden?Het stemt deze leden tevreden dat er geld vrij wordt gemaakt voor hetgordelroosvaccin, zodat minder patiënten last hebben van deze ziekte ende toegankelijkheid van het vaccin niet meer afhankelijk is van de diktevan je portemonnee. Kan de Minister nader toelichten hoe er invullingwordt gegeven aan dit programma? Welke leeftijdsgroepen komenprecies in aanmerking voor het gordelroosvaccin?Naar aanleiding van het onderdeel «Passende zorg» stellen de leden vande GroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Genoemde leden lezendat het AZWA bijdraagt aan impactvolle passende zorg door opschalingen contractering. Daarnaast lezen zij dat onderdeel van het AZWA is datgecontracteerde zorg wordt gestimuleerd en niet-gecontracteerde zorgwordt ontmoedigd. Kan nader worden toegelicht wat het AZWA bekentvoor de vrije artsenkeuze voor patiënten? Kan ook nader wordentoegelicht hoe deze specifieke afspraken bijdragen aan het verminderenvan het arbeidsmarkttekort?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9506 De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden de medicijntekorten inNederland schrijnend. Genoemde leden onderschrijven dan ook het doelom de toegang van bestaande geneesmiddelen voor patiënten teverbeteren. In het AZWA lezen zij dat alle betrokken partijen gezamenlijkgedragen bestuurlijke afspraken maken die gericht zijn op beterebeschikbaarheid van geneesmiddelen. Wie neemt hier de regio en hoewordt gemonitord of partijen zich aan de afspraken houden? En wat wordter, naast de afspraken in het AZWA die vooral bestuurlijk en procedureelvan aard zijn, gedaan om de grondoorzaak van de geneesmiddelente-korten aan te pakken, waaronder het tekort aan grondstoffen?De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden het schokkend en zeerzorgelijk dat de schatting is dat er voor € 10 miljard wordt gefraudeerd inde zorg. Dit is publiek geld waar mensen keihard misbruik van maken. Alsdeze € 10 miljard goed besteed zou worden, kunnen we bijvoorbeeld dezorgpremie terugbrengen naar honderd euro en tandartsbehandelingen inhet basispakket opnemen. Het is dan ook goed dat het aanpakken vanfraude onderdeel is van het AZWA. Echter, er zijn nog grote te stappen tezetten om fraude in de zorg echt aan te pakken. In het AZWA ligt veelfocus op signalering en meldingen van fraude. Kan worden toegelicht hoehet AZWA hieraan gaat bijdragen? Hoe draagt het AZWA bij dat mensendie eerder gefraudeerd hebben in de zorg in de toekomst uit de zorgworden geweerd?Naar aanleiding van het onderdeel «Financiën» stellen de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Genoemde lezen dat in hetHoofdlijnenakkoord is opgenomen dat «aan het verlengen van hetzorgakkoord een extra besparing gekoppeld van € 250 miljoen in 2027 en€ 590 miljoen in 2028.» Kan de Minister nader toelichten waar dezebesparing precies terecht komt? Genoemde leden lezen dat voor hetopvangen van de extra zorgvraag als gevolg van het verlagen van heteigen risico € 2,3 miljard is vrijgemaakt. Hoeveel geld is beschikbaar voormiddelen om de extra zorg te betalen? Is dat voldoende voor prognosesvan de extra zorgvraag? In hoeverre dragen de doorbraakmiddelen enmiddelen om de beweging aan de voorkant te stimuleren om deze extrakosten te remmen?Naar aanleiding van het onderdeel «Voortgang Integraal Zorgakkoord(IZA)» stellen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de volgendevragen. Allereerst hebben zij vragen over een actuele kwestie, namelijkhet recente bericht1 dat per 12 september er geen transformatiemiddelenIZA meer beschikbaar zijn voor transformatieplannen die nog nietgoedgekeurd zijn. Deze leden begrijpen dat dit nieuws bij zorgorganisatieshard is binnengekomen, omdat zij soms al jaren plannen aan het makenwaren met verschillende partijen samen en nu waarschijnlijk achter hetnet vissen, waardoor deze plannen geen doorgang kunnen vinden. Hoekijkt de Minister hiernaar? Is bekend hoeveel plannen geen doorgangmeer kunnen vinden? Wanneer was bekend dat het einde van de pottransformatiemiddelen in zicht was? Wanneer is dit gecommuniceerd methet zorgveld? Wat betekent dit voor de plannen die wel door zorgorgani-saties zijn gemaakt, maar nu niet zijn goedgekeurd? Zijn er nog eventuelealternatieve routes hiervoor?De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn ook benieuwd wat dezeuitputting van de middelen doet voor de beweging van het IZA? Zekergezien de conclusie van de demissionaire regering bij de uitkomsten vande zogenaamde mid-term review, die naar de Kamer is gestuurd: «De1De juiste zorg op de juiste plek, 15 september 2025, https://www.dejuistezorgopdejuisteplek.nl/actueel/nieuws/Transformatiemiddelen%20volledig%20benut/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9507 uitkomsten van de MTR bevestigden dat verandering een proces is van delange adem. Het tempo van de transformatie van zorg en welzijn moetfors omhoog, de samenhang moet worden versterkt en de focus wordenverbreed»2. Als het tempo van de transformatie omhoog moet, hoe gaatdit samen met de uitputting van de transformatiemiddelen, waardoorplannen niet door kunnen gaan?Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkelevragen over de beleidsimpactanalyse van het KPMG over de aanvullendeIZA- en GALA-afspraken. Hoe beziet de Minister het feit dat het effect vanveel maatregelen, waaronder het beperken van administratieve lasten ende invloed van technologische innovatie en AI, door KPMG moeilijk in teschatten is omdat voor een groot deel nog onduidelijk is hoe hier invullingaan gegeven zal worden? Hoe beoordeelt de Minister de negatieveeffecten en risico’s die door KPMG benoemd worden bij technologischeinnovatie en AI, waaronder de tijdelijke toename van werkdruk en hetrisico op verminderde sociale interactie met de patiënt? Deelt de Ministerde zorgen over de kwaliteit van onze zorg wanneer persoonlijke zorgmo-menten vervangen worden door beeldschermzorg? Kan de Ministergaranderen dat menselijk contact, indien nodig en gewenst, leidend blijft?Hoe wordt daarnaast het risico op onbetrouwbaarheid van apparatuur ensystemen ondervangen, waaronder de risico’s op storingen of defecten,die immers veel effect kunnen hebben op de continuïteit van zorg enveiligheid voor patiënten? En hoe gaat gewaarborgd worden dat patiëntendie geen volledige toegang tot technologie hebben, of dat nou vanwegehet ontbreken van financiële middelen of door het ontbreken van digitalevaardigheden is, niet zullen leiden tot ongelijkheid in de toegang tot zorgwaardoor deze groepen uiteindelijk slechter af zijn?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan deze brief en bijlagen. Ze hebben nog de volgende vragen enopmerkingen.De leden van de VVD-fractie hebben vernomen dat inmiddels hetdefinitieve Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord ondertekend is. Kan deMinister aangeven hoe het onderhandelaarsakkoord en deze definitieveversie zich tot elkaar verhouden? Zijn er inhoudelijke of andersoortigeverschillen tussen beide versies?De leden van de VVD-fractie lezen dat er inmiddels 168 acties zijnafgerond, 231 acties op schema lopen, 25 acties achterlopen en 20 actiesnog niet zijn gestart. Dit klinkt alsof er (grotendeels) voortvarend te werkwordt gegaan. Tegelijkertijd vernemen deze leden kritiek op het IntegraalZorgakkoord, te weten dat er weinig concrete punten behaald worden. Isde Minister het met deze kritiek eens? Zo ja, wat bent u van plan omervoor te zorgen dat het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord welconcrete vruchten afwerpt? Zo nee, kan de Minister toelichten waarom hijdeze kritiek niet deelt? Kan de Minister toelichten op welke manier hijvoornemens is om bij het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord devoortgang wel effectief te monitoren?De leden van de VVD-fractie lezen dat er inmiddels € 3 miljard aantransformatiemiddelen is aangevraagd, van de beschikbare € 2,4 miljard.Kan de Minister inzicht geven hoeveel van deze aanvragen daadwerkelijktoe worden gekend? Denkt de Minister met de huidige aanvragen de2Kamerstuk 31 765, nr. 941. Kamerbrief resultaten monitoring Integraal Zorgakkoord | Kamerstuk| Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9508 beschikbare € 2,4 miljard uit te putten? Is er toezicht waar de toegekendetransformatiemiddelen daadwerkelijk aan worden uitgegeven, door dezorgverzekeraar of een andere instantie?De leden van de VVD-fractie lezen dat het relatief hoge ziekteverzuim in desector een aandachtspunt blijft. Welke specifieke menselijke factorenspelen er mee die gereduceerd kunnen worden om uitval vanmedewerkers te voorkomen? Ook lezen deze leden dat 30% van devrouwen gehinderd wordt door vrouwspecifieke aandoeningen, metsubstantiële gevolgen voor werk en ziekteverzuim. Genoemde ledenvragen op welke specifieke manier er samenhang is tussen het AZWA ende nationale strategie vrouwengezondheid als het aankomt op ziekte-verzuim en vitaliteit van de zorgprofessionals.De leden van de VVD-fractie lezen dat er in 2027 en in 2028 eenmalig€ 400 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor projecten die zorg- enwelzijnsorganisaties ontlasten. Genoemde leden zien kansen in hetversterken van het sociaal domein om de zorg te ontlasten. Zij zijn daaromblij dat het kabinet deze stap durft te zetten. Kan de Minister verduide-lijken wat voor soort projecten dit zijn? En kan de Minister wellicht eenvoorbeeld noemen van een goedlopend project die professionals in zorgen welzijn ondersteunt en ontlast?De leden van de VVD-fractie lezen dat er structureel € 185 miljoenbeschikbaar wordt gesteld voor het opleiden en ontwikkelen van zorg- enwelzijnsprofessionals buiten het ziekenhuis. Genoemde leden zijn vaninzicht dat het investeren in de ontwikkeling van de extramurale zorg enondersteuning noodzakelijk is om de zorg toegankelijk te houden, enerkennen dat deze ontwikkeling begint bij professionals. Opleiding- enontwikkelprogramma’s blijken echter fraudegevoelig. Deze leden willendat dit geld ten goede komt aan zorg- en welzijnsprofessionals en niet inde zakken van zorgcriminelen terecht komt. Welke maatregelen neemt deMinister om criminelen, die worden aangetrokken door deze extrafinanciële middelen, te weren?De leden van de VVD-fractie merken op dat de aanpak van fraude eenbelangrijk aspect is van het AZWA. Zij zijn verheugd dat dit probleemextra aandacht krijgt. Het delen van signalen van fraude met het informa-tieknooppunt zorgfraude (IKZ) is sinds 1 januari 2025 operationeel. Watzijn de ervaringen in de eerste paar maanden sinds het operationeelworden van het gegevens delen met stichting IKZ? Wat zijn de knelpuntenen hoe worden deze knelpunten weggenomen zodat op 1 januari 2026 hetdelen van gegevens met stichting IKZ volledig functioneel is?De hoeveelheid administratieve handelingen in de zorg is groot. De ledenvan de VVD-fractie steunen het kabinet in reducering van de regeldruk.Genoemde leden lezen over het opschalen van het transitieprogrammaggz. Zij vragen wanneer hier de eerste resultaten van verwacht worden.Tot slot lezen de leden van de VVD-fractie dat de speciaal gezant passendezorg aanraadt «doelen te expliciteren op politieke koer». Houdt dit in datde politiek meer sturing moet aanbrengen in het proces? Graag eentoelichting.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie zijn blij dat er een Aanvullend Zorg- enWelzijnsakkoord (AZWA) is gesloten. Samenwerking is van essentieelbelang in deze tijden van schaarste van zorgpersoneel en om tijdig deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 9509 juiste passende zorg te geven. Wel hebben deze leden een aantal vragenover met name het AZWA zelf.Genoemde leden lezen in het AZWA over de inzet van informele zorg. Hoewordt voorkomen dat de informele zorg overbelast wordt? Daarnaast zijnjuist professionele zorgverleners vaak ook mantelzorger, hoe wordtvoorkomen dat professionele zorgverleners minder gaan werken zodat zijook hun mantelzorgtaken kunnen vervullen?De leden van de NSC-fractie lezen dat een doel van het AZWA is om100.000 zorgverleners te besparen. Wat is de huidige stand van zaken vandiverse functies van zorgverleners. Hoeveel zorgverleners werken achterhet bureau en geven geen direct zorg? Op welke functies van zorgver-leners zou bezuinigd moeten worden?De leden van de NSC-fractie lezen vele voornemens voor passende zorg.Maar de prikkel voor financiering per behandeling is niet weggenomen.Inkomsten van medisch specialisten en ziekenhuizen worden minder alser passende zorg wordt gegeven, blijkt uit ervaringen van ziekenhuizenBernhoven en Rivas. Is de Minister ook van plan om de financiering aan tepakken zodat de prikkel tot onnodige behandelingen en diagnostiek wordtvoorkomen? Is de Minister tevens van plan dat medisch specialisten inloondienst worden genomen zodat de prikkel voor behandelen weg is?Genoemde leden lezen een groot aantal afspraken met heldere taken.Toch zijn de doelen niet specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch entijdgebonden (SMART) geformuleerd. Kunnen er aanvullingen komen opde ambities met SMART doelen? Wie controleert of de ambities wordenuitgevoerd? Is daar een onafhankelijke commissie voor?De leden van de NSC-fractie lezen dat AI wordt ingezet voor verminderenvan tijd die medewerkers kwijt zijn aan diagnostiek. Genoemde ledenvermoeden dat er ook veel dubbele en onnodige diagnostiek is. Kan deMinister toelichten hoe op verminderen van diagnostiek wordt ingezet?De leden van NSC-fractie lezen met interesse in het AZWA dat deregeldruk wordt verminderd. Er zijn echter al jarenlang projecten om deregeldruk te verminderen, die tot nu toe niet zijn gelukt. Is er een analysewaarom het tot nu toe niet is gelukt de regeldruk te verminderen?Waarom denkt de Minister dat het nu wel gaat lukken? Ook lezen dezeleden dat niet ingezet wordt op het verminderen van kwaliteitsregistraties,waarom wordt daar niet op ingezet? Ook lezen genoemde leden niet datde zorgverzekeraars hier een rol in hebben, waarom wordt hun rol entaakstelling niet meegenomen?De leden van de NSC-fractie lezen dat partijen afgesproken hebben om«wachtlijstgegevens accuraat en transparant inzichtelijk te maken voorzorgverzekeraars, verzekerden/patiënten en verwijzers, zodat reëel inzichtverkregen wordt in wie waar op de wachtlijst staat en hoe lang. Dit inzichtin de vraag naar zorg in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) wordtverkregen door de retrospectieve wachttijden af te lezen vanuit hetdeclaratiebericht en de prospectieve wachttijden (actueel wachtenden) afte lezen vanuit de verwijsgegevens. Ook wordt er gewerkt aan hetinzichtelijk maken van het beschikbare aanbod/capaciteit van de zorgaan-bieders en het beter inzichtelijk maken van de hulpvraag (klachtenprofiel).Deze gegevens worden bij elkaar gebracht in een digitale tool, wat hetvoor partijen mogelijk maakt om te komen tot matching van vraag enaanbod.» Met het recente datalek bij bevolkingsonderzoek (BVO) nog ingedachten, hoe gaat de Minister deze privacygevoelige data beschermen?Specifiek met betrekking tot het verlenen van inzage in het klachtenprofielTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95010 van zorgvragers aan zorgverleners, vragen genoemde leden of dit geeninbreuk is op de privacy van patiënten.Op pagina 50 lezen de leden van de NSC-fractie dat de normen voor dewachttijden geactualiseerd zullen worden. Kan dit betekenen dat inzorgdomeinen waar de wachtlijsten momenteel erg lang zijn, zoals de ggz,dit een versoepeling ten opzichte van de Treeknormen kan betekenen?Op pagina 50 lezen de leden van de NSC-fractie tevens dat gedifferen-tieerd zal worden tussen cruciale ggz en overige ggz. Hier kunnen dezeleden zich in vinden. Zij willen echter wel graag meer weten over hoe decruciale ggz gedifferentieerd zal worden? Is dit op basis van het typementale stoornis, of wordt hierbij ook het behandelverleden meegenomenen de ervaren lijdensdruk en het risico op suïcide?Op pagina 58 lezen de leden van de NSC-fractie over de doelstelling datzorgverleners vroegtijdig het gesprek met patiënten aangaan over delaatste fase van het leven. Genoemde leden zijn het hiermee eens. Zijwillen echter wel graag voorkomen dat hierin een glijdende schaalontstaat en hebben daarom nog enkele vragen. Hoe kan de Ministervoorkomen dat ouderen door dit type gesprek zichzelf als last gaan zien ofop andere wijze enige vorm van druk ervaren om een behandeling testaken, dan wel om euthanasie te vragen? Hoe wil de Minister voorkomendat deze gesprekken ertoe zullen leiden dat mogelijk relevante behande-lingen niet meer gedaan worden bij ouderen vanuit het oogpunt vankostenbesparing? Hoe kan de Minister voorkomen dat de curatieve zorg tevroeg gestopt wordt bij met name ouderen in het kader van levenseindegesprekken?In het AZWA lezen de leden van de NSC-fractie over remgelden (pagina93). Dit is een nieuw begrip. Wat bedoelt de Minister hier precies mee?Zoals deze leden het begrijpen zijn dit eigen bijdragen van patiënten voorde zorg die zij ontvangen, is dit correct? Zo ja, worden deze remgeldendan in mindering gebracht op het eigen risico van patiënten of komt hetdaar nog bovenop? Veel geld wordt ingezet voor de remgelden diebedoeld zijn om de toenemende zorgvraag in te perken. Graag vernemende genoemde leden van de Minister voorbeelden van elke sector op welkemanieren de remgelden worden ingezet. Hoe wordt gegarandeerd datremgelden op korte termijn bezuinigingen opleveren?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieMet interesse hebben de leden van de D66-fractie van D66 kennisge-nomen van de brief van de Minister over de kwaliteit van zorg, het AZWAen de voortgang van het IZA. Daartoe hebben deze leden verdere vragen.De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat het AZWA rond is,en dat er een aantal mooie voorstellen in staan zoals de gordelroosvacci-natie en de MRI-screening voor vrouwen met dicht borstweefsel. Echterhadden deze leden graag meer van deze toekomstgerichte en doortas-tende maatregelen gezien in het AZWA, met veel meer focus op enaandacht voor preventie. Dit is ontzettend hard nodig in het belang vaneen houdbare zorg.De intensivering van de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg(ASG) is een mooie stap, zo zien ook de leden van de D66-fractie. Echterontstaat er voor 2026 een tekort van € 5 miljoen, wat grote problemenvoor de GGD’en veroorzaakt. Voor de recent bekendgemaakte begrotingvan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is er € 3 miljoenextra vrijgemaakt voor de SPUK-gezondheidszorg, waarmee dit probleemTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95011 deels opgelost kan worden. Echter blijft er hierdoor een gat bestaan van€ 2 miljoen, wat problemen voor de GGD veroorzaakt. Zij zullen hierdoormoeten stoppen of sterk minderen met het leveren van bepaaldediensten, om deze vanaf 2027 weer op te starten als de financiering weergerepareerd wordt. Dit is natuurlijk ontzettend inefficiënt, en ook zekernegatief als we het hebben over goede gezondheidszorg en het belangvan preventie. De leden van de D66-fractie vragen of het correct is dat erin de begroting eenmalig € 3 miljoen extra vrij is gemaakt, waardoor ereen tekort van € 2 miljoen overblijft in 2026. Zo ja, dan vragen de ledenvan de D66-fractie waarom ervoor gekozen is om het gat van € 5 miljoenmaar deels te vullen. Daarnaast vragen zij of het kabinet dan bereid is omte zoeken naar aanvullende financiering van € 2 miljoen om dit gatvolledig te vullen en de Kamer daarover te informeren voorafgaand aande behandeling van de VWS-begroting.In de brief van 17 september jl. (Kamerstuk 29 389, nr. 158) met de reactieop onderzoek herintroductie verzorgingshuizen geeft de Staatssecretarisaan dat er middelen oplopend tot € 470 miljoen beschikbaar zullen zijn,waarmee gekeken gaat worden naar de invulling van extra zorg enondersteuning, de stimulering van de bouwopgave en de ontwikkelingvan zorgzame gemeenschappen. Daartoe vragen de leden van deD66-fractie of dit financiële consequenties zal hebben voor de ambities diegesteld zijn in het AZWA.De leden van de D66-fractie achten het van groot belang dat de afsprakendie gemaakt zijn in het AZWA en de daadwerkelijke uitwerking hiervanvoldoende gemonitord zullen worden. Daartoe vragen deze leden opwelke wijze de monitoring van het AZWA concreet ingericht zal worden.Daarnaast vragen genoemde leden op welke wijze de resultaten van demonitoring teruggekoppeld zullen worden naar de Kamer en naarbetrokkenen zoals patiënten en cliënten.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het «Onderhan-delaarsakkoord Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en devoortgangsrapportage van het Integraal Zorgakkoord (IZA)». Deze ledenhebben de volgende vragen aan de Minister.Om te beginnen willen de leden van de BBB-fractie stilstaan bij deeffectiviteit van het IZA. Ondanks de goede intenties en de inzet vanmiljarden euro’s aan transformatie en doorbraakmiddelen, blijkt uit devoortgangsrapportage dat veel middelen blijven hangen in papier,overlegstructuren en monitoring. De werkdruk in de praktijk blijft hoog,het personeelstekort neemt toe en wachttijden blijven boven de norm.Kan de Minister inzichtelijk maken hoeveel van de middelen uit het IZA enhet Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) daadwerkelijk zijn terechtge-komen bij concrete projecten in de zorgpraktijk, en hoeveel is uitgegevenaan overleg, monitoring en administratie? Welke lessen trekt de Ministeruit het feit dat eerdere akkoorden onvoldoende tastbare resultaten hebbenopgeleverd voor patiënten en zorgverleners? Is de Minister bereid om eengroter deel van de beschikbare middelen van akkoorden direct teinvesteren in projecten die de zorgpraktijk versterken, zoals regionaleziekenhuizen, innovatief personeelsbeleid, voorzieningen en samen-werking?Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de administratievelasten in de zorg nog steeds hoog zijn, ondanks de afspraken in het IZAover het terugdringen van regeldruk. Hoe wordt geborgd dat nieuweafspraken uit het AZWA daadwerkelijk leiden tot minder regeldruk enmeer tijd voor de patiënt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95012 Verder zien genoemde leden dat de inzet van zorgprofessionals voor hetbedienen van regionale aanmeldportalen fors lijkt te zijn, met een directeimpact op de beschikbare zorgcapaciteit. Kan de Minister aangevenhoeveel fte aan zorgprofessionals momenteel structureel wordt ingezetvoor het bedienen van regionale aanmeldportalen, en hoeveel directezorgcapaciteit hierdoor feitelijk verdampt?De leden van de BBB-fractie constateren dat de digitale aanmeldportalenzijn bedoeld om het proces te stroomlijnen, maar uit de praktijk blijkt datslechts een zeer klein percentage van de aanvragen niet direct werdopgepakt, terwijl nu 100% via een portaal moet lopen. Hoe weegt deMinister de meerwaarde van deze digitale aanmeldportalen, gegeven datuit de praktijk blijkt dat slechts een klein percentage van de aanvragen nietdirect werd opgepakt, terwijl nu 100% van de aanvragen via een portaalmoeten lopen?Ook wijst de Internationale literatuur op de productivity paradox: digitaleinnovaties kunnen leiden tot hogere administratieve lasten en lagereproductiviteit. Is de Minister bekend met de internationale literatuur overde productivity paradox (Brynjolfsson, 1993), waarin digitale innovatiesvaak leiden tot hogere administratieve lasten en lagere productiviteit? Hoeverhoudt dit zich tot de invoering van aanmeldportalen in de wijkver-pleging?Daarnaast werken beleidsinstrumenten die de autonomie van professi-onals beperken vaak contraproductief, aldus Lipsky (1980). Deelt deMinister de analyse van Lipsky (1980) dat beleidsinstrumenten die deautonomie van professionals beperken, vaak contraproductief uitwerken?Hoe borgt de Minister dat digitale systemen zoals aanmeldportalen dehandelingsruimte van wijkverpleegkundigen niet verder inperken?Verder ontvangen de leden van de BBB-fractie signalen vanuit de praktijkdat de invoering van regionale aanmeldportalen de zeggenschap enautonomie van wijkverpleegkundigen verkleint, doordat zij hun professi-onele oordeel moeten inleveren bij een geautomatiseerd systeem. Kan deMinister bevestigen dat de invoering van regionale aanmeldportalen dezeggenschap en autonomie van wijkverpleegkundigen verkleint, doordatzij steeds vaker hun professionele oordeel moeten inleveren bij eengeautomatiseerd plaatsingssysteem? Hoe verhoudt dit zich tot deIZA-doelstelling om juist het vakmanschap van de professional teversterken?De leden van de BBB-fractie weten dat het doel van het IZA en AZWAdomeinoverstijgende samenwerking is, maar in de praktijk leidt deveelheid aan regionale aanmeldportalen tot fragmentatie en extrabureaucratie. Hoe rijmt de Minister het doel van het IZA en het AanvullendZorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), het bevorderen van domeinoverstij-gende samenwerking, met de praktijk dat er inmiddels een bonteverzameling aanmeldportalen per regio is ontstaan, wat juist leidt totfragmentatie en extra bureaucratie?Verder veroorzaakt een kleine groep complexe zorgvragen momenteelgrootschalige administratieve lasten voor alle aanvragen. Welke alterna-tieven ziet de Minister om de kleine groep complexe zorgvragen die nietdirect worden opgepakt beter te adresseren, zonder dat dit leidt totgrootschalige administratieve lasten en verlies van zorgcapaciteit?Ook is het van belang om de effecten van digitale aanmeldportalen opzorgcapaciteit, toegankelijkheid en professionele autonomie goed temonitoren. Op welke wijze monitort het ministerie de effecten van digitaleTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95013 aanmeldportalen op de feitelijke zorgcapaciteit, toegankelijkheid en deprofessionele autonomie? Is de Minister bereid om dit onafhankelijk telaten evalueren en de Kamer hierover te informeren?Verder hechten de leden van de BBB-fractie aan regionale zeggenschap endirecte investeringen in de zorg. Kan de Minister aangeven hoe regionalesamenwerking concreet wordt gefaciliteerd en gefinancierd, en hoe wordtvoorkomen dat regio’s met minder zorgvoorzieningen achterblijven?Ook vinden de leden van de BBB-fractie dat zorggeld vooral besteed moetworden aan de zorg tussen patiënt en professional zelf, en niet aanmanagementlagen, overleggen en administratie. Daarnaast vinden dezeleden dat zorgverzekeraars hun winst weer zoveel mogelijk moeteninvesteren in de zorg. Kan de Minister aangeven welk percentage van hetzorgbudget op dit moment besteed wordt aan management, overlegtafelsen administratie, en welk deel daadwerkelijk terechtkomt bij zorgverlenersen patiënten? Is de Minister bereid om een norm in te voeren voor demaximale hoeveelheid tijd gestoken in management/overheid zonderdirecte zorgtaken? Wordt er binnen het AZWA en IZA actief gestuurd ophet terugdringen van functies die «aan de zorg» werken in plaats van «inde zorg»? Zo ja, hoe wordt dit gemonitord en gerapporteerd? Is deMinister bereid om wettelijk vast te leggen dat minimaal 50% van degereserveerde winsten van zorgverzekeraars wordt ingezet voor onvoor-ziene omstandigheden, zoals acute wachttijdproblematiek?Dan de arbeidsvoorwaarden. De leden van de BBB-fractie willen in ditschriftelijk overleg ook aandacht vragen voor de arbeidsvoorwaardepensioen. Nederland kent een van de grootste pensioenverschillen tussenmannen en vrouwen in Europa: gemiddeld 40 tot 45 procent. Dit verschilis deels te verklaren door deeltijdwerk, maar ook werken vrouwen vaker inlager betaalde beroepen en laten onderzoeken zien dat vrouwen ook als zeexact hetzelfde werk doen als hun mannelijke collega’s, gemiddeld minderverdienen. Juist in de sector zorg en welzijn, waar ruim 80% van dewerknemers vrouw is, is dit ook een vraagstuk dat aandacht verdient. Kande Minister aangeven hoe groot de pensioenkloof tussen mannen envrouwen is in de sector zorg en welzijn? Is de Minister bereid om bij deuitwerking van het AZWA expliciet aandacht te besteden aan de pensioen-kloof tussen mannen en vrouwen in zorg en welzijn? Wordt er binnen hetAZWA ingezet op maatregelen die het makkelijker maken voor vrouwenom meer uren te werken als zij dat willen, aangezien deeltijdwerken ookvan grote invloed is op de pensioenopbouw? Kan de Minister toezeggendat bij toekomstige arbeidsmarktafspraken binnen AZWA en IZA ook depensioenkloof wordt meegenomen als indicator voor gelijkwaardigheid enbestaanszekerheid?Tot slot willen de leden van de BBB-fractie dat de Minister reflecteert opde governance en sturing binnen het IZA en AZWA. Uit het rapport«Pionieren in niemandsland» blijkt dat structurele samenwerking tussenhet sociaal en medisch domein moeizaam tot stand komt door gebrek aanregie, versnipperde financiering en onvoldoende gelijkwaardigheid. Is deMinister bereid om regionale tafels met gezamenlijke regiobudgetten in terichten, zoals aanbevolen in het rapport «Pionieren in niemandsland»?Wordt er gewerkt aan een leerstructuur en kennisdeling tussen regio’s,zodat succesvolle domeinoverstijgende initiatieven kunnen wordenopgeschaald en niet iedere regio steeds opnieuw het wiel hoeft uit tevinden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95014 II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakehet «Onderhandelaarsakkoord, Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord(AZWA) en voortgang Integraal Zorgakkoord (IZA), inclusief verscheidenemoties» en hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.Zoals bekend is zal de vraag naar zorg en ondersteuning de komendejaren blijven stijgen en zal het aanbod aan professionals niet meegroeien.Genoemde leden hebben kennisgenomen van de maatregelen diegenomen worden om de arbeidsmarkttekorten af te wenden, maar missenhier nog een aantal essentiële zaken.De loonkloof in de zorg bestaat immers nog steeds en er wordt niet actiefaan gewerkt om deze weg te werken. Wat gaat de inzet van de Ministerzijn ten aanzien van deze loonkloof?Uit onderzoeken blijkt dat het gemiddelde uurloon van zorgmedewerkersredelijk vergelijkbaar is met de vergelijkbare medewerkers in de markt-sector. Wel verschilt de marktconformiteit van het salaris tussen verschil-lende zorgbranches en ook tussen verschillende groepen binnen dezelfdebranche. Zo ligt bijvoorbeeld de beloning binnen de umc’s ruim bovenmarktconform. Maar er zijn ook groepen zorgmedewerkers die een salarisverdienen wat lager ligt dan vergelijkbare groepen buiten de zorg. Diesalarissen optrekken kost al snel enkele miljarden euro’s. Vanwege destaat van de overheidsfinanciën en de demissionaire status van hetkabinet zie ik geen ruimte om boven op de jaarlijkse overheidsbijdrage inde arbeidskostenontwikkeling die dit kabinet al beschikbaar stelt, nogextra middelen vrij te maken.Tot slot wil ik erop wijzen dat er binnen de sector zorg en welzijn geen ofslechts in zeer beperkte mate een relatie lijkt te zijn tussen enerzijds demarktconformiteit van het salaris binnen branches en anderzijds depersoneelstekorten binnen die branches. Zo hebben de umc’s – waar hetsalaris ruim boven marktconform ligt – in ongeveer dezelfde mate temaken met personeelstekorten als de andere branches binnen zorg enwelzijn. Dit is aanleiding om te vermoeden dat het beschikbaar stellen vanextra middelen voor hogere lonen in de zorg geen (kosten-)effectievemaatregel is, als het gaat om het oplossen van de arbeidsmarkttekortenbinnen zorg en welzijn.De leden van de PVV-fractie zien dat er geïnvesteerd wordt in het opleidenvan medisch specialisten via de subsidieregeling strategisch opleiden inde zorg en bijvoorbeeld het investeringsakkoord opleiden wijkverpleging(IOW) maar de uitwerking hiervan gaat met name naar medisch specia-listen, niet naar verpleegkundigen, verzorgenden en helpenden, diedaadwerkelijk de zorg aan het bed of in de wijk leveren. En hoe zit het methet personeel in de gehandicaptenzorg, daaromtrent is het akelig stil. Hoerijmt de Minister dit met de situatie in de praktijk, waar vooral eenschaarste is in laatstgenoemde functiegroepen? In het AZWA staatbijvoorbeeld geschreven «aandacht is nodig voor de verzorgende IG enopleiden van de praktijkondersteuner», wat houdt die «aandacht» exactin? Want dit is toch niets nieuws? Al jaren is bekend dat er grote tekortenzijn aan deze functiegroepen, wat zijn de concrete acties om de capaciteitin bovengenoemde functiegroepen zo spoedig mogelijk te vergroten?Het Investeringsakkoord Opleiden Wijkverpleging richt zich op zorg die inde wijk wordt geleverd. Per 2025 is structureel € 60 miljoen beschikbaarvoor het opleiden in de wijkverpleging. Ik zal dit najaar publiceren hoeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95015 deze middelen beschikbaar gesteld gaan worden. Mijn voorganger heeftonlangs de subsidieregeling Inrichten Opleidingsstructuur Helpenden,Verzorgenden en Verpleegkundigen geopend, om zorg- welzijn- enonderwijsinstellingen te stimuleren om te komen tot meer, samen enanders opleiden. Dit draagt bij aan de beweging die we met AanvullendZorg- en Welzijnsakkoord AZWA willen maken: verschuiving vanzorgverlening naar het voorkomen van zorgvraag.In het AZWA zijn afspraken gemaakt over opleiding en scholing, daar waarde tekorten het grootst zijn. De focus ligt dus op sectoren buiten hetziekenhuis. Er is hiervoor € 83 miljoen voor 2027 beschikbaar,€ 129 miljoen voor 2028 en € 185 miljoen per 2029. De gehandicap-tenzorg is geen ondertekenaar van het AZWA, maar afgesproken is datdeze sector aanspraak kan maken op de AZWA middelen voor 2026. Het isgoed om te zien dat sectoren nauw met elkaar samenwerken als het gaatom arbeidsmarkt en opleiden. Hoe er extra aandacht besteed gaat wordenaan het opleiden van de Verzorgende IG en de praktijkondersteuner wordtnog uitgewerkt. Gesprekken tussen betrokken partijen over het uitvoerenvan de AZWA afspraken rond opleiden zijn inmiddels opgestart.In het AZWA, onder [B3, g] valt te lezen: «Partijen spreken af om aanvul-lende opleidingsplekken aan te bieden (waar nu geen ruimte voor is).» Enook «Partijen stellen in 2025 een lijst op welke vervolg -en strategischeopleidingen dit precies betreft.» Genoemde leden vragen waarom dit nupas gebeurt. En een lijst opstellen? We weten inmiddels toch waar deknelpunten zitten? Maar goed, wanneer kan de Kamer deze «lijst» danverwachten?Om de AZWA beweging te maken naar het voorkomen van de zorgvraagis het belangrijk dat er voldoende loopbaanperspectief is voor professi-onals buiten het ziekenhuis. Bijvoorbeeld via specialisaties, of beroependie bijdragen aan de beweging naar de medische, verpleegkundige ensociale voorkant. Voor de ziekenhuizen staat een transparante stevigeinfrastructuur voor de (medische) vervolgopleidingen. Buiten hetziekenhuis nog niet. Het opleidingslandschap voor vervolgopleidingen enspecialisaties voor buiten het ziekenhuis is nu niet overzichtelijk voorzowel zorgverleners als werkgevers. Een lijst welke aanvullende oplei-dingsplekken van vervolgopleidingen buiten het ziekenhuis nodig zijn zaldaarom dit najaar worden opgesteld door betrokken partijen van hetAZWA. Ik houd uw Kamer op de hoogte van de voortgang van de AZWAafspraken over opleiden in de AZWA voortgangsbrief.Genoemde leden zijn daarnaast vooral ook benieuwd naar welke zaken erzijn stopgezet of afgeschaald ten behoeve van de vermindering van deadministratieve lasten, kan hier een overzicht van worden gemaakt? Metdaarnaast de opbrengst van tijd en middelen?Een volledige opsomming van alle afgeschafte regels is niet te gevenomdat het voor een groot deel regels, werkwijzes en procedures binnenzorgaanbieders zelf betreft. Van verschillende van deze organisaties zijnde aanpak en de opbrengst die zij behaald hebben terug te vinden in deartikelen op www.ordz.nl. De monitoringscijfers laten al een langereperiode een stabiel beeld zien met een administratieve tijdsbesteding vanongeveer 31 procent van de werktijd. Binnen de Regiegroep AanpakRegeldruk werkt het ministerie, samen met alle IZA partners en enkeleaanvullende leden, aan het uitvoeren van de gezamenlijke werkagendaom de administratietijd in 2030 naar maximaal 20 procent te brengen. Heteerste doel van het IZA is 2 uur per zorgverlener per week minderadministratietijd per eind 2025. Met het recent ondertekende AZWA is ookveel aandacht voor regeldrukvermindering en wordt aanvullend op deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95016 reeds lopende activiteiten een versnelling gegeven op een aantal thema’s,waaronder het opschalen van succesvolle doorbraakprojecten en hetversnellen van gegevensuitwisseling.Het betreurt de leden van de PVV-fractie dat er vanaf 1 juli jl. al geenaanvragen meer gedaan kunnen worden voor nieuwe snelle toetsen. Is erbij de toekenning ervan gekeken naar de meest essentiële en noodzake-lijke, en naar diegene die de meeste impact zullen hebben?Genoemdeleden vragen de Minister om bij de plannen die nog niet zijn goedgekeurdvanwege de uitputting van middelen, de meeste impact volle alsnog goedte keuren en een dekking te vinden. Immers moet men eerst zaaien, wilmen kunnen oogsten.Bij het afsluiten van het Integraal Zorgakkoord (IZA) in 2022 zijn transfor-matiemiddelen beschikbaar gesteld om de in het IZA beoogde beweging,waarin een belangrijke rol voor de regio is weggelegd, een extra impuls tegeven. Afgesproken is dat hiervoor transitieplannen ingediend kunnenworden, die op hun eigen waarde beoordeeld worden. Het principe «wiehet eerst komt, wie het eerst maalt» is hierin leidend. Elk plan is daarmeezelfstandig, aan de hand van het vastgestelde BeoordelingskaderImpactvolle Zorgtransformaties, beoordeeld. Plannen zijn hierbij niettegen elkaar afgewogen. Voor de financiering van deze plannen is eengemaximeerd bedrag aan transformatiemiddelen beschikbaar. Als ermiddelen vrijvallen, bijvoorbeeld omdat goedgekeurde plannengoedkoper uitvallen en/of omdat beschreven doelstellingen niet wordenbehaald, dan vloeien deze middelen terug naar de «algemene pot».Goedgekeurde transformatieplannen waar geen transformatiemiddelenmeer voor beschikbaar zijn, worden op een wachtrij geplaatst. Dezeplannen komen in aanmerking voor de middelen uit de «algemene pot»,op volgorde van goedkeuring. Er zijn geen aanvullende transformatiemid-delen beschikbaar om impactvolle plannen te dekken. Als alle betrokkenpartijen ervan overtuigd zijn dat het een goed plan is, met een positievebusiness case, dan zijn er mogelijk ook andere manieren om het plan tefinancieren. Hierover kan bijvoorbeeld het gesprek gevoerd worden in debilaterale contractering, door inzet van eigen middelen, door samen-werking met het bedrijfsleven of financiële instellingen of door hetopknippen van plannen.De leden van de PVV-fractie zijn blij met de inspanning om de eerste-lijnszorg te versterken en de toegang tot geneesmiddelen te willenverbeteren, maar willen wel benadrukken dat het realiseren van de extrainspanningen die van apothekers en andere zorgverleners wordengevraagd, alleen mogelijk is als het personeelstekort en de medicijnte-korten daadwerkelijk worden teruggedrongen. Zonder voldoendegekwalificeerd personeel en een betrouwbare beschikbaarheid vangeneesmiddelen, komt de uitvoering van de afspraken onder druk testaan. Wil en gaat de Minister hier prioriteit aan geven?Ja, zowel de beschikbaarheid van voldoende gekwalificeerd personeel alsde beschikbaarheid van bestaande geneesmiddelen hebben mijn volleaandacht. Naast alle inspanningen die op het terrein van de arbeidsmarktin de zorg in brede zin worden gedaan, ga ik voor de apotheeksectorspecifiek in gesprek over de toekomst van de apotheekzorg, eenuitvloeisel uit de onderhandelingen voor de CAO Apotheken. Wat erallemaal gebeurt om de beschikbaarheid van geneesmiddelen teverbeteren is te vinden in de Kamerbrief van juni 20253.3Kamerstukken II, 2024–2025, 29 477 nr. 939Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95017 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel belangstellingkennisgenomen van het onderhandelaarsakkoord van het AanvullendZorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en de voortgang van het IntegraalZorgakkoord (IZA). Zij vinden het een goede zaak dat er, na lang onder-handelen, eindelijk een akkoord op tafel ligt waar zorgpartijen zich inkunnen vinden.Allereerst hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een aantalvragen over het onderhandelaarsakkoord van het AZWA. Naar aanleidingvan het onderdeel «Afwenden van het arbeidsmarkttekort» stellen zij devolgende vragen. Deze leden vinden het toenemende arbeidsmarkttekortin de sector zorg en welzijn zeer zorgelijk. Genoemde leden lezen dat hetdoel van de AZWA is dat de administratietijd van een zorgverlener nogmaximaal 20% van de werktijd is. Zij lezen dat het ontlasten vanmedewerkers door verscheidene doorbraakprojecten die regeldrukverminderen op te schalen onderdeel is van het verminderen van deadministratietijd. Zijn er al pilots geweest met deze verschillendedoorbraakprojecten waaruit blijkt dat deze projecten daadwerkelijkbijdragen aan de afname van administratietijd?Verschillende doorbraakprojecten hebben hun waarde in de praktijk albewezen. Zo heeft het project Zinvolle Registratie (ZIRE) op de IC’s van deregio Oost Nederland geleid tot een halvering van de registratietijd perdienst, van 60 naar 30 minuten voor artsen én verpleegkundigen4. Ookmet vernieuwend verantwoorden, de voorloper van zinnig en simpelverantwoorden, zijn er positieve ervaringen. Een zorginstelling in degehandicaptenzorg heeft het invoeren van een regelarm clientdossieropgeleverd dat de zorgmedewerker per dag gemiddeld 23 minutenminder tijd kwijt is aan registratie. Deze werkwijze wordt in vervolg hieropgeïmplementeerd bij zes zorgaanbieders in de langdurige zorg. Het doelvan zinnig en simpel verantwoorden is om de administratieve belastingvan het verantwoordingsproces te verminderen. En ook de veldbevragingdie mijn voorganger voor de zomer naar de Tweede Kamer heeft gestuurdheeft laten zien dat zorgprofessionals het haalbaar achten om deadministratietijd te halveren naar maximaal 20 procent, en ook concretevoorstellen aandragen om dit te realiseren. Tot slot zijn ook de koplopersuit het Actie Leer Netwerk allemaal goede voorbeelden van ontregelpro-jecten die zich in de praktijk al bewezen hebben. Deze zijn te vinden opactieleernetwerk.nl/inspiratieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat ArtificialIntelligence (AI) een toegevoegde waarde kan zijn wanneer het dekwaliteit van zorg verbetert en zorgverleners ontlast. Voor genoemdeleden staan privacy en veiligheid in dit vraagstuk voorop en mag het niettot het vervangen van menselijk contact leiden als dat wel gewenst is.Deze leden lezen dat het ministerie verantwoordelijk is om de overkoepe-lende aanpak AI te ontwikkelen. Worden hier kaders in opgenomenwaarbij privacy en veiligheid van de patiënt en zorgverlener centraalstaan? Wordt er ook in opgenomen dat het geen menselijk contact magvervangen als menselijk contact gewenst is?In het AZWA zijn er afspraken gemaakt over doelmatige en veilige inzetvan AI. Het uitgangspunt hierin is dat zorg mensenwerk is en AI zalworden ingezet ter ondersteuning van de zorgverlener om het werk voorprofessionals plezieriger en efficiënter te maken. Het Ministerie van VWS4Factsheet Experiment ZInvolle REgistratie in de regio - november 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95018 heeft samen met het veld afgesproken dat er kaders zullen wordenvastgesteld waaraan AI-toepassingen moeten voldoen. De uitgangs-punten voor deze kaders zijn o.a. gebruiksvriendelijkheid, interoperabi-liteit, waarborgen van veiligheid en privacy en passend in zorgprocessen.Daarnaast is er in de AZWA specifiek afgesproken dat patiënten, cliëntenen inwoners worden voorgelicht over AI en dat zij zullen wordenbetrokken bij de inzet van AI in de zorg- en welzijnscontext. Naast dezeafspraken en kaders, zijn er ook reeds bestaande verplichtingen voorprivacy en productveiligheid vanuit de Europese verordening voormedische hulpmiddelen (MDR), de Europese AI-verordening en deAlgemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn ook benieuwd hoe hetafwenden van het arbeidsmarkttekort samengaat met de keuze van ditkabinet om het stagefonds te schrappen? Dit soort fondsen warenbedoeld om jonge mensen en zij-instromers ervaring te laten opdoen inde zorg. Welke alternatieven zullen hiervoor komen? En worden deverschillende sectoren betrokken bij het bedenken van dit soort alterna-tieven, zoals bijvoorbeeld ook de gehandicaptensector en de jeugdzorg-sector? Genoemde leden krijgen namelijk signalen dat de zeggenschapover de opleidingsgelden nu bij andere zorgbranches worden belegd. Ditterwijl de gehandicaptenzorg en de jeugdzorg beiden ook sectoren zijnmet grote uitdagingen op het terrein van arbeidsmarkt en opleidingen.Krijgen deze sectoren ook de mogelijkheid om gelijkwaardig envolwaardig deel te nemen aan gesprekken over de arbeidsmarkt en meete delen in de middelen? Want er worden middelen vrijgemaakt voor hetopleiden van zorgpersoneel, de aanpak van zorgfraude en een stevigeresamenwerking met het sociaal domein, allemaal zaken die ook relevantzijn voor de gehandicaptensector en de jeugdzorg. Graag een reactie vande Minister op deze punten.Ik ben met u van mening dat goede stages van groot belang zijn. HetStagefonds biedt sinds 2008 een tegemoetkoming in de kosten vanstagebegeleiding in de zorg. Maar de Algemene Rekenkamer heeft in 2022gesteld dat het Stagefonds ondoelmatig is. De Algemene Rekenkamerstelt dat onvoldoende bewezen is, dat het beschikbaar stellen van geldvoor stagebegeleiding een direct verband heeft tot het verkrijgen vanmeer stageplekken. Het tekort aan begeleidingscapaciteit als gevolg vanbredere arbeidsmarktproblematiek is daarin een belangrijk knelpunt.In het AZWA zijn afspraken gemaakt over opleiding en scholing, daar waarde tekorten het grootst zijn. De focus ligt op sectoren buiten hetziekenhuis. Er is hiervoor € 83 miljoen voor 2027 beschikbaar,€ 129 miljoen voor 2028 en € 185 miljoen per 2029. Met de AZWA-partijenwordt verkend hoe AZWA-middelen doelmatig kunnen worden ingezetvoor (vernieuwend) opleiden buiten het ziekenhuis, waar voldoendebegeleidingscapaciteit een randvoorwaarde is. De gehandicaptenzorg ende jeugdzorg zijn geen ondertekenaars van het AZWA, maar zij nemen weldeel aan deze gesprekken. Afgesproken is dat deze beide sectorenaanspraak kunnen maken op de AZWA-middelen voor 2026. Het is goedom te zien dat de sectoren nauw met elkaar samenwerken als het gaat omarbeidsmarkt en opleiden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het AZWA wil inzettenop domein overstijgend indiceren. Genoemde leden delen de achterlig-gende gedachte van dit voorstel. Wel vragen zij of dit niet tot extrawerkdruk leidt voor wijkverpleegkundigen. Zijn deze voorstellen in goedoverleg met verpleegkundigen zelf tot stand gekomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95019 Ja, deze afspraak is in goed overleg met de vertegenwoordiging van deverpleegkundigen tot stand gekomen. De afspraak in het AZWA isnamelijk tot stand gekomen in nauw overleg met de AZWA partijen,waaronder ook met V&VN en ActiZ. Er zijn in de praktijk al meerderevoorbeelden waarbij de wijkverpleegkundige ook ondersteuning vanuit deWmo meeneemt in de indicatiestelling. Daar zijn alle betrokkenen(client/inwoner, verpleegkundige en Wmo-consulenten) heel enthousiastover deze werkwijze. De verwachting is dat de inzet van wijkverplegingjuist voorkomen of verminderd kan worden door domeinoverstijgend tegaan indiceren. Doordat de wijkverpleegkundige ook indiceert voor deWmo-voorziening, kunnen bijvoorbeeld hulpmiddelen of dagbestedingmakkelijker en sneller worden ingezet. Hierdoor is de inwoner snellergeholpen en hoeft er door de wijkverpleegkundige geen vervangendeactiviteiten te worden georganiseerd in de tussentijd. Uit de voorbeeldenin de praktijk blijkt dat de extra tijd voor het starten van de Wmo-aanvraagvoor de wijkverpleegkundige beperkt blijft, doordat de wijkverpleeg-kundige de cliënt en diens situatie al goed kent.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de met het AZWA deinzet van arbeidsbesparende medische technologie wordt bevorderd. Zijlezen dat er meer aandacht nodig is voor de behoeften bij het ontwik-kelen, implementeren en opschalen van arbeidsbesparende technologie(digitalisering, AI en medtech), zodat dit daadwerkelijk leidt tot arbeidsbe-sparing, meer werkplezier en verhoogde arbeidsproductiviteit en deervaren kwaliteit van zorg en leven van de patiënt. Ook hier gelden voordeze leden dat privacy en veiligheid in dit vraagstuk voorop staan en hetniet mag leiden tot het vervangen van menselijk contact als dat welgewenst is. Worden hier kaders in opgenomen waarbij privacy enveiligheid van de patiënt en zorgverlener centraal staan? Wordt er ook inopgenomen dat het geen menselijk contact mag vervangen als menselijkcontact gewenst is?In het AZWA zijn afspraken gemaakt over het bevorderen van arbeidsbe-sparende medische technologie. Hierbij is er onder andere aandacht voorhet faciliteren en ondersteunen van opschaling van dit soort technolo-gieën, waarover zorgprofessionals, patiënt(vertegenwoordigers),aanbieders en financiers (gemeenten, zorgverzekeraars en zorgkantoren)afspraken zullen maken. De komende periode werken de AZWA partijenaan de verdere invulling van deze afspraken. Naast deze afspraken zijn erreeds bestaande verplichtingen voor privacy en productveiligheid vanuitde Europese verordening voor medische hulpmiddelen (MDR), deEuropese AI-verordening en de Algemene Verordening Gegevensbe-scherming (AVG).In het AZWA zijn daarnaast ook afspraken gemaakt over doelmatige enveilige inzet van AI. Het uitgangspunt hierin is dat zorg mensenwerk is enAI zal worden ingezet ter ondersteuning van de zorgverlener om het werkvoor professionals plezieriger en efficiënter te maken. Het Ministerie vanVWS heeft samen met het veld afgesproken dat er kaders zullen wordenvastgesteld waaraan AI-toepassingen moeten voldoen. De uitgangs-punten voor deze kaders zijn o.a. gebruiksvriendelijkheid, interoperabi-liteit, waarborgen van veiligheid en privacy en passend in zorgprocessen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van cruciaal belangdat zorgmedewerkers niet van bovenaf allemaal nieuwe regels gedicteerdkrijgen, maar dat zij meer zeggenschap krijgen in hun werk. Kan bij elkvan de punten [A1, 2, 3, 4, 5, en B1, 2, 3] worden toegelicht hoe zorgmede-werkers zijn meegenomen in deze afspraken en in hoeverre deze wordenonderschreven door zorgmedewerkers?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95020 De genoemde afspraken zijn in goed overleg met de vertegenwoordigingvan zorgmedewerkers tot stand gekomen. Namelijk, alle afspraken in hetAZWA zijn tot stand gekomen in nauw overleg met de AZWA partijen;waarvan onder andere V&VN, FMS, LHV, NVZ en Actiz.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat een doel is hetverstevigen samen de instroom, om vroege uitval te voorkomen.Genoemde leden lezen echter niks over verbeterde arbeidsvoorwaardenvoor zorgmedewerkers, terwijl er een loonkloof bestaat tussen de zorg enwelzijn sector en andere sectoren. Waarom is het verbeteren van dearbeidsvoorwaarden van zorgmedewerkers geen onderdeel van hetAZWA?Uit onderzoeken blijkt dat het gemiddelde uurloon van zorgmedewerkersredelijk vergelijkbaar is met de vergelijkbare medewerkers in de markt-sector. Wel verschilt de marktconformiteit van de salarissen tussenverschillende zorgbranches en ook tussen verschillende groepen binnendezelfde branche. Zo liggen bijvoorbeeld de salarissen binnen de umc’sruim boven marktconform. Maar er zijn ook groepen zorgmedewerkersdie een salaris verdienen wat lager ligt dan vergelijkbare groepen buitende zorg. Die salarissen optrekken kost al snel enkele miljarden euro’s.Vanwege de staat van de overheidsfinanciën en de demissionaire statusvan het kabinet zie ik geen ruimte om, boven op de jaarlijkse overheidsbij-drage in de arbeidskostenontwikkeling die dit kabinet al beschikbaar stelt,nog extra middelen vrij te maken.Tot slot wil ik erop wijzen dat uit onderzoek blijkt dat arbeidsvoorwaardenniet één van de belangrijkste redenen is om de sector te verlaten. Uitonderzoek blijkt dat bijvoorbeeld loopbaan- en ontwikkelingsmogelijk-heden een veel grotere factor spelen bij de keuze om al dan niet in desector te blijven werken. Met het AZWA zetten we via verschillendeafspraken nadrukkelijk in op het vergroten van deze mogelijkheden.Naar aanleiding van het onderdeel «Gelijkwaardige toegang tot zorg»stellen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Zijonderschrijven de inzet op het gebied van gelijkwaardigere toegang totzorg. Zij achten het van groot belang dat de toegang tot zorg vooriedereen gelijk is, ongeacht iemands opleidingsniveau of in welke matediegene de wegen binnen ons zorgsysteem kent. Het is wat deze ledenbetreft van belang dat in opdracht van de Nederlandse Federatie vanUniversitair Medische Centra (NFU) wordt onderzocht welke elementen enmaatregelen bijdragen aan een gelijkwaardige toegang tot zorg, waarbijonder andere onderzoek wordt gedaan binnen de subgroep van mensendie zorg mijden. Het mag wat deze leden betreft echter niet bij eenonderzoek blijven. Welke maatregelen en concrete acties gaat de Minister,los van het onderzoek en het afwachten van de resultaten daarvan, nemendie de gelijkwaardige toegang tot zorg verbeteren, met name voormensen met een kleine portemonnee? Kan de Minister concreet aangevenper maatregel en afspraak in het AZWA hoe deze daaraan bijdragen enwelke doelstellingen eraan gekoppeld zijn?In het AZWA zijn diverse afspraken gemaakt om de toegankelijkheid vanzorg te vergroten, bijvoorbeeld als het gaat om wachtlijstbemiddeling enhet pakket van ggz maatregelen waardoor de toegang voor mensen meternstige klachten beter wordt. Daarnaast is in het Hoofdlijnenakkoordafgesproken dat het eigen risico vanaf 2027 wordt verlaagd naar € 165 perjaar en getrancheerd op € 50 per behandelprestatie in de medisch-specialistische zorg. Deze maatregelen zijn specifiek bedoeld om dedrempel tot zorg te verlagen, zodat mensen niet om financiële redenenvan zorg af hoeven te zien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95021 In het AZWA is niet op het niveau van individuele afspraken eendoelstelling met betrekking tot toegankelijkheid afgesproken.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het belang vande specifieke aandacht in het onderzoek naar de toegang tot zorg voormensen met een lage sociaaleconomische positie (SEP)/sociaaleconomische status (SES). Hoe worden juist deze groepen,waaronder zorgmijders die lastiger te bereiken zijn, benaderd enbetrokken bij het onderzoek? Hoe wordt ervoor gezorgd dat er een goederepresentatie van deze groepen wordt meegenomen in het onderzoek?Daarnaast lezen betreffende leden dat de zorgvraag door de halvering vanhet verplichte eigen risico naar verwachting zal groeien. Wat zijn deverwachte effecten voor groepen die nu zorg mijden of een lage SEP ofSES hebben?Op dit moment wordt het onderzoeksvoorstel door de NederlandseFederatie van Universitair Medische Centra (NFU) nader uitgewerkt. In ditvoorstel zal tevens worden ingegaan op de wijze waarop dezedoelgroepen, waaronder moeilijk te bereiken groepen, worden betrokken.De uitwerking van het onderzoeksvoorstel kan worden toegelicht in eenvolgende voortgangsbrief.Het wordt verwacht dat door de verlaging van het eigen risico mindermensen om financiële redenen zorg uitstellen of mijden. Verdiependonderzoek door het Nivel5 laat zien dat kwetsbare groepen mensen, zoalsmensen met een laag inkomen, lage gezondheidsvaardigheden en/of eenslechtere gezondheid, vaker om financiële redenen afzien van zorg. Eenforse verlaging van het verplicht eigen risico zal dus naar verwachtingzorgmijding verminderen. Ik kan op voorhand niet aangeven voor hoeveelmensen dit verschil gaat maken, dat zal de tijd uitwijzenDaarnaast lezen deze leden in de paragraaf over het landelijk dekkendnetwerk voor digitale zorgondersteuning dat op dit moment veel mensenmoeite hebben om mee te komen met de digitale transformatie, waardoorzij drempels ervaren bij het gebruik van digitale en hybridezorg en-ondersteuning. Dit belemmert de volledige benutting van de kansen diedigitalisering in de zorg biedt en zet de toegang tot zorg onder druk. Inhoeverre beïnvloedt dit de verwachtingen rondom digitalisering en AI enhet terugdringen van de arbeidstekorten in de zorg?Dit is zeker een factor van belang als het gaat om de verwachtingen bijpassende inzet van digitalisering en AI voor het terugdringen van dearbeidstekorten in de zorg. In de Monitor Digitale Zorg (2024) staat dat deinzet van digitale toepassingen in de zorg toe neemt en dat de houdingvan zorgprofessionals tegenover digitalisering positiever wordt. Digitalezorg en AI worden gezien als veelbelovende hulpmiddelen in hetverminderen van arbeidstekort maar daarin is toegankelijkheid voor zowelprofessional als zorggebruiker inderdaad een belangrijk uitgangspunt.Goede toegankelijkheid van digitale zorg voor zorggebruikers is essen-tieel, zodat zoveel mogelijk mensen kunnen profiteren van de kansen diedigitalisering biedt. Digitale vaardigheden zijn daarbij een belangrijke5Rapport «Kennisvraag: Kenmerken van mensen die afzien van zorg om financiële redenen»,Nivel, 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95022 basisvoorwaarde. Dat vraagt om gerichte inzet op ondersteuning, iets watook is vastgelegd in de afspraken van het Integraal Zorg Akkoord6 7.Gelukkig is er steeds meer aandacht voor de mogelijkheden en ondersteu-ningsbehoefte en kunnen mensen sneller doorverwezen worden naarpassende hulp en ondersteuning bij vragen over digitale zorg. Ook binnenhet IZA en het AZWA is hiervoor veel aandacht. Via verschillende routesworden mensen ondersteund in het gebruik van digitale zorg. Denkbijvoorbeeld aan initiatieven van Alliantie Digitaal Samenleven, dePatiëntenfederatie, Digitaal mee in de zorg van het Citroenfonds enPharos die zich inzet om gezondheidsverschillen in het gebruik vandigitale zorg te verkleinen. De Helpdesk Digitale Zorg ondersteuntgebruikers direct en verzamelt waardevolle inzichten over waar mensenvastlopen en hebben daarnaast een goede verbinding met lokaalondersteuningsaanbod. Op deze manier zorgen wij ervoor dat digitali-sering in de zorg toegankelijk blijft voor zoveel mogelijk mensen.Daarnaast is het van belang dat patiënten en zorgverleners samen eenbewuste keuze maken over de vorm van zorg en contact, zodat dit goedaansluit bij de mogelijkheden en de behoefte van zorggebruikers. Vaakzijn juist de mensen met lagere gezondheids- en digitale vaardighedenmeer aangewezen op zorg en welzijn, terwijl dit juist vaak de groep is diehet meeste drempels ervaart met digitale zorg. Daarom is het belangrijkom samen met patiënt/client of mantelzorger te beslissen over passendeinzet van digitale zorg waar dat wenselijk is, dit staat ook opgenomen ineen andere IZA afspraak over Samen Beslissen8.Ook moet er altijd een mogelijkheid blijven om zorg niet digitaal teontvangen, omdat er altijd een groep mensen zal zijn voor wie het lastigzal blijven of omdat zij niet beschikken over de juiste middelen zoals eengoedwerkende smartphone of internet.Tenslotte is er ook veel winst te behalen uit het gebruiksvriendelijkermaken van digitale en AI toepassingen bijvoorbeeld door in de ontwik-keling goed rekening te houden met de vaardigheden van de gebruikersen dit met de doelgroep te testen.En wat zijn daarnaast de verwachte effecten van de uitgezette acties enafspraken op het gebied van wachttijden in de medisch specialistischezorg (C3b) en op het gebied van het verbeteren van de normen voormaximaal aanvaardbare wachttijden? Op welke termijn worden hier deeerste positieve effecten van verwacht?De genoemde afspraken zijn onderdeel van een verzameling afspraken diegezamenlijk de toegang tot medisch specialistische zorg verbeteren engelijkwaardiger maken. Het verwachte effect is dat de wachttijden voor6Voor burgers/patiënten/cliënten:IZA: Partijen informeren burgers/patiënten/cliënten hierover enbetrekken hen bij de communicatie, het aanbod en de inzet en hebben daarbij aandacht voorgebruikersvriendelijkheid in het algemeen en specifiek voor mensen met lage gezondheids- endigitale vaardigheden. Om te bevorderen dat burgers, cliënten, en patiënten mee kunnen gaanin de toenemende digitalisering van gezondheidszorg wordt voor hen ondersteuningsmateriaalontwikkeld en vanaf 2025 aangeboden.7Per 2025 vormen veranderkundige en digitale vaardigheden een integraal onderdeel van hetonderwijs voor zorg en welzijn en zorgen werkgevers ervoor dat deze een integraal onderdeelvan een leven lang ontwikkelen van medewerkers zijn. Het verhogen van de digitale vaardig-heden kan gefinancierd worden uit de transitiemiddelen.8IZA afspraak: Veldpartijen zorgen dat de hybride zorg toegankelijk is voor mensen en bevor-deren inclusiviteit van deze zorg. Hierbij is het uitgangspunt «digitaal als het kan» en beslissenpatiënt en zorgverlener samen over of de zorg inderdaad digitaal/hybride kan worden geleverdgegeven de specifieke situatie van de patiënt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95023 patiënten korter worden. De positieve effecten worden verwacht na hetafronden van de acties op de afgesproken data.De afspraken over «Transparantie wachttijden en proactieve bemiddelingmsz» (C3b) gaan over proactieve bemiddeling en adequate wachtlijstinfor-matie. Door proactieve zorgbemiddeling kan de zorgcapaciteit beter benutworden en dit voorkomt verdere stijging van de wachtlijsten. Ook rakenpatiënten beter bekend met de mogelijkheid van zorgbemiddeling.Partijen streven ernaar om per 1 januari 2026 proactieve zorgbemiddelingmogelijk te maken. Wachtenden zullen vanaf 2026 effect kunnen merkendoordat zij zelf proactief benaderd worden. Daarnaast zorgen zorgaan-bieders ervoor dat de wachttijdinformatie actueel en accuraat is. Ook steltde Nederlandse Zorgautoriteit een werkagenda op voor het genereren vangoede wachtlijstinformatie. De verwachting is dat de wachtlijstinformatieper 2026 verbeterd is.De afspraken over «Normeren/differentiëren: normen voor maximaalaanvaardbare wachttijden verbeteren» (C4) dragen naar verwachting bijaan een verbeterde en gelijkwaardigere toegang tot passende zorg. Deverwachting is dat deze nieuwe normen gereed zijn op 1 juli 2026. Deverwachte effecten kunnen pas ingeschat worden als de geactualiseerdenormen vastgesteld zijn.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn positief over de afsprakendie zijn gemaakt om het inzicht in de wachtlijsten van de ggz te verbeterenom op die manier ook zorgbemiddeling mogelijk te maken. Wel vragen zijwaarom de afspraken hiertoe zo lang op zich hebben laten wachten. Aljaren stellen deze leden vragen over betere wachtlijstinformatie enzorgbemiddeling, zeker omdat dit laatste gewoon een taak is van dezorgverzekeraar. Ook via het Integraal Zorgakkoord zou informatie beter inbeeld komen, is dit onvoldoende van de grond gekomen? Hoe gaat ergezorgd worden dat dit bij het AZWA wel van de grond komt? Hetzelfdegeldt voor de bijbehorende ambitie. In het IZA werd nog als doel gestelddat eind 2026 de gemiddelde wachttijd voor iedere zorgvraagtypering 5weken (één tot twee weken voor de intake en drie tot vier weken tot startbehandeling). Genoemde leden constateren dat deze ambitie bij lange naniet is gehaald. Nu lezen zij in het AZWA dat in 2028 iedereen hulp moetkrijgen binnen de afgesproken wachttijd in de ggz. Dat is minderambitieus dan het IZA, maar nog steeds een forse opgave. Wordt dezeambitie wel realistisch geacht? Zo ja, hoe gaat de Minister daarvoorzorgen? En is de Minister ook bereid om tussentijds op te schakelen als deambitie uit beeld lijkt te raken? Want deze leden vinden ambities goed,maar als deze telkens niet gehaald worden, dan is het ook de vraagwaarom deze steeds zo hoog worden gesteld en of er voldoende urgentiewordt gegeven aan het halen van de ambitie.In de afgelopen jaren is door de IZA-partijen gewerkt aan het verbeterenvan inzicht in wachttijdinformatie en daarmee aan het verkorten van dewachttijden in de ggz. Dit gebeurt door zowel de kwaliteit van bestaande(retrospectieve) data te verbeteren, als door beter inzicht te krijgen inactuele (prospectieve) wachttijdinformatie. Deze inspanningen gaanonverminderd door.De meest recente informatie van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) overwachttijden en wachtplekken in de ggz laat zien dat de IZA-ambitie rondwachttijden in de ggz helaas nog ver weg is. Om die reden zijn er in hetAZWA aanvullende afspraken gemaakt om de toegankelijkheid van de ggzte verbeteren, onder andere over het versterken van de samenwerkingtussen zorg en sociaal domein, het vergroten van de behandelcapaciteit inde ggz en het schrappen van exclusiecriteria bij ggz-aanbieders. Ook zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95024 afspraken gemaakt over het realiseren van proactieve zorgbemiddeling.Hierdoor kunnen zorgverzekeraars hun verzekerden die op een langewachtlijst staan proactief helpen om een zorgverlener te vinden met eenkortere wachttijd. Overigens is zorgbemiddeling op dit moment ook almogelijk, maar dan als reactieve dienst. Verzekerden kunnen nu zelfcontact opnemen met hun zorgverzekeraar voor zorgbemiddeling, of hunzorgverlener toestemming geven om dat te doen.Bij de aanvullende afspraken om de wachttijden in de ggz naar beneden tekrijgen, hoort een doel dat realistischer is en toch ook ambitieus: metelkaar streven we ernaar dat in 2028 alle patiënten binnen de Treeknormgeestelijke gezondheidszorg ontvangen. In het AZWA is explicietopgenomen dat de effecten van de IZA- en AZWA-afspraken voor de ggzworden gemonitord en worden getoetst op de uitwerking op dit doel. Deuitkomsten hiervan blijven onderwerp van periodieke gesprekken opbestuurlijk niveau, evenals hetgeen nodig is om het doel te bereiken.Naar aanleiding van het onderdeel «Beweging naar de voorkant» stellende leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Genoemdeleden onderschrijven ten zeerste de noodzaak van het versterken van deeerstelijnszorg en het waarborgen van een duurzame continuïteit van dehuisartsenzorg. Zij zijn van mening dat het van cruciaal belang is dat meerhuisartsen met een vaste patiëntenpopulatie werken. Dat kan bij eenpraktijkhouder, maar ook bij een huisarts in loondienst. Ziet de Ministerhier ook een rol weggelegd voor gezondheidscentra, waarbinnenhuisartsen in loondienst samen kunnen werken met een vaste patiënten-populatie? Zo ja, hoe is dit opgenomen in het AZWA? En welke rol ziet deMinister weggelegd voor de oprichting van gezondheidscentra voorzorgverzekeraars, die immers hun zorgplicht moeten naleven en hier ookbaat bij hebben?Net zoals de leden van de fractie GroenLinks-PvdA, vind ik het belangrijkdat iedere inwoner een vaste huisarts heeft. Hierbij is het van belang dathuisartsen werken met een vaste patiëntenpopulatie. Dit kan in verschil-lende vormen, bijvoorbeeld als praktijkhoudend huisarts, maar ook inloondienst bij een andere huisarts of bij een gezondheidscentrum.Zorgverzekeraars hebben een belangrijke rol bij het toegankelijk houdenvan de huisartsenzorg. Vrijwel alle zorgverzekeraars hebben inmiddelsmodules in het inkoopbeleid opgenomen om startende praktijken (ditkunnen ook gezondheidscentra zijn) financieel te ondersteunen. In hetAZWA heb ik met partijen afgesproken om deze beweging te versterkenddoor meer ruimte te bieden voor (financieel) maatwerk door de zorgverze-keraar als de continuïteit of toegankelijkheid van de huisartsenzorg in eenregio onder druk staat. Dit maatwerk kan op verschillende manierenworden toegepast. Het stimuleren huisartsen in loondienst bij gezond-heidscentra kan hier een onderdeel van zijn. Partijen stellen de komendeperiode een leidraad op die regio’s helpt bij het vormgeven van ditmaatwerk. Ik zal, zoals mijn voorganger heeft toegezegd in haar reactie opde initiatiefnota van het lid Bushoff9, de mogelijkheid van het oprichten ofhet tijdelijk onder beheer nemen van gezondheidscentra door zorgverze-keraars (en/of RHO’s) ook extra onder de aandacht brengen van departijen bij het opstellen van de leidraad voor regionaal (financieel)maatwerk.Daarnaast vragen deze leden hoe het staat met de opzet van het landelijksysteem waarmee inzicht ontstaat welke huisartsenpraktijken plek hebbenvoor nieuwe patiënten, zodat de bijna 1 miljoen Nederlanders die op zoek9Kamerstukken II, 2024/25, 36 666, nr. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95025 is naar een (nieuwe) huisarts makkelijker kunnen wisselen van praktijk. Zaldit systeem inderdaad eind 2025 operationeel zijn?Op 22 september jl. heb ik met de betrokken partijen en mensen uit depraktijk en de wetenschap een startbijeenkomst georganiseerd over deuitvoering van AZWA-afspraken over de huisartsenzorg, waaronder hetlandelijke ruil- en inschrijfsysteem. Er zijn al veel lokale en landelijkeinitiatieven die werken aan ruil- en inschrijfsystemen. Mijn insteek is danook om niet het wiel opnieuw uit te vinden, maar om kritisch te kijken water nodig is om zo snel mogelijk een goed landelijke dekkend systeem opte tuigen. Ik zet mij er samen met partijen voor in om het systeem zospoedig mogelijk operationeel te krijgen. Begin 2026 zal ik de TweedeKamer nader informeren over de voortgang.Ook vragen genoemde leden hoe maatwerk per regio, waarin partijenafspraken maken over financieel maatwerk om continuïteit van huisart-senzorg te borgen, zich verhoudt tot de steun van zorgverzekeraars aanhuisartsen bij de oprichting van nieuwe praktijken die volgend jaarstructureel wordt. Hoe kunnen beiden elkaar versterken?Zorgverzekeraars hebben op dit moment al de mogelijkheid om regionaalmaatwerk in te zetten als de continuïteit of toegankelijkheid van dehuisartsenzorg onder druk staat. Een deel van hen heeft inmiddels eenmodule ten behoeve van toegankelijke huisartsenzorg opgenomen in huninkoopbeleid. Hiermee helpen zorgverzekeraars huisartsen die een praktijkwillen overnemen of een nieuwe praktijk willen beginnen10.Tegelijkertijd zie ik ook dat niet overal waar het nodig is, maatwerk wordtingezet ten behoeve van het borgen van de toegankelijkheid van dehuisartsenzorg. Met het opstellen van een landelijke leidraad ten behoevevan regionaal maatwerk, beoog ik met de partijen meer duidelijkheid tecreëren over de inzet van regionaal (financieel) maatwerk en dit mindervrijblijvend te maken bij (dreigende) discontinuïteit van huisartsenzorg.Daarnaast borgen we met deze leidraad ook dat het maatwerk daarterecht komt waar dit het meeste nodig is. Hiermee is er een versterkendeffect tussen de AZWA-afspraak over financieel maatwerk en de stap dieveel zorgverzekeraars het afgelopen jaar hebben gezet elkaar, zoals defractie GroenLinks-PvdA ook constateert.En wat doet de Minister nog meer om de huisvestingsproblematiek op telossen? Is de Minister bereid opnieuw te kijken naar de rol van gemeentenen provincies, die bij nieuwbouwplannen bijvoorbeeld ruimte kunnenmaken voor zorgvoorzieningen, iets waar ook huisartsenverenigingenvoor pleiten in aanvulling op de andere maatregelen die wordengenomen?Passende huisvesting is een belangrijke randvoorwaarde in het borgenvan toegankelijke huisartsenzorg. Ongeveer gelijktijdig publiceer ik met debetrokken (AZWA-)partijen11 een nieuwe, uitgebreide versie van dehandreiking Huisvestingsproblematiek huisartsen en gezondheidscentra.In deze handreiking zijn afspraken gemaakt over het oplossen van definanciële knelpunten die huisartsen en gezondheidscentra kunnenervaren in hun zoektocht naar passende huisvesting. Daarnaast heb ik metde partijen afgesproken dat hun leden zullen werken volgens het principe10https://nos.nl/artikel/2580847-zorgverzekeraars-gaan-huisartsen-helpen-bij-openen-van-nieuwe-praktijken11Bestaande uit de Landelijke Huisartsen Vereniging, InEen, Zorgverzekeraars Nederland,Vereniging Nederlandse Gemeenten, Nederlandse Zorgautoriteit, Ministerie van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening en Ministerie van VWSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95026 «pas de handreiking toe, of leg uit». Voor gemeenten houdt dat ondermeer in dat zij bij nieuwbouwplannen waar nodig rekening houden metruimte voor eerstelijnszorgvoorzieningen.In de initiatiefnota «Stop de commercie, steun de huisarts. Een plan voortoekomstbestendige huisartsenzorg» van het lid Bushoff zijn zestienactiepunten geformuleerd voor een toekomstbestendige huisartsenzorg.Uw voorganger, voormalig Minister Agema, gaf aan voor twaalf van dezestien punten overeenstemming te zien en mee te nemen in het AZWA.Kan voor deze twaalf punten uiteen worden gezet hoe deze preciesworden meegenomen en waar deze leden dit kunnen vinden in hetakkoord?De voorstellen van het lid Bushoff kwamen grotendeels overeen met delijn van het AZWA. Mijn ambtsvoorganger heeft in haar uitgebreidereactie toegelicht hoe zij de twaalf voorstellen van het lid Bushoff meeheeft genomen in de afspraken over de huisartsenzorg in het AZWA. Indeze reactie heeft mijn voorganger ook toegelicht in welke afspraak elkvoorstel wordt meegenomen. Ik verwijs de leden van de fractieGroenLinks-PvdA voor een uitgebreid antwoord op deze vraag dus naarde brief van mijn voorganger12.Voorts willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie graag weten inhoeverre de Minister bereid is commercialisering verder terug te dringenin de huisartsenzorg. De speerpunten in het AZWA, waaronder duurzamecontinuïteit van huisartsenzorg, huisartsen met een vaste patiëntenpopu-latie en voldoende participatie voor de invulling van avond-, nacht- enweekenddiensten (ANW-diensten), staan immers haaks op diverseervaringen met commerciële partijen die puur gericht waren op winst endaarmee zorg op de tweede plek zetten. Zo onttrokken partijen als Co-Medzich bijvoorbeeld volledig aan de verantwoordelijkheid voor het verdelenvan ANW-diensten en sluiten commerciële partijen zich vaak niet aan bijeen huisartsenpost. Hoe kijkt de Minister hiernaar en hoe komt dit terug inhet AZWA zodat de duurzame continuering van de huisartsenzorgdaadwerkelijk geborgd kan worden?Duurzame continuïteit van de huisartsenzorg is in het belang van depatiënt, maar ook in die van de huisarts. Alle aanbieders van huisart-senzorg dienen te voldoen aan de kernwaarden van de huisartsenzorg:continu, medisch-generalistisch, persoonsgericht en gezamenlijk. Devoorbeelden in de vraag van GroenLinks-PvdA passen daar niet in. Het isdus belangrijk dat (nieuwe) aanbieders van huisartsenzorg door dezorgverzekeraar en waar nodig de toezichthouder kunnen worden getoetstop het voldoen aan deze kernwaarden. In het AZWA heb ik daarom met de(huisartsen)partijen afgesproken om opvolging te geven aan de aanbeve-lingen van de IGJ en NZa over ketenvorming in de huisartsenzorg door teverkennen of de kernwaarden van de huisartsenzorg kunnen wordenvertaald naar werkbare en toetsbare normen of uitgangspunten voorzorgverzekeraars en toezichthouders. Naar verwachting kan ik de TweedeKamer eind 2025 nader informeren over de uitkomsten van dit traject.Het stemt deze leden tevreden dat er geld vrij wordt gemaakt voor hetgordelroosvaccin, zodat minder patiënten last hebben van deze ziekte ende toegankelijkheid van het vaccin niet meer afhankelijk is van de diktevan je portemonnee. Kan de Minister nader toelichten hoe er invullingwordt gegeven aan dit programma? Welke leeftijdsgroepen komenprecies in aanmerking voor het gordelroosvaccin?12Kamerstukken II, 2024/25, 36 666, nr. 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95027 Het budget voor een vaccinatiecampagne tegen gordelroos is vanaf 2027beschikbaar. Dit budget is niet voldoende om alle 60-jarigen en allemensen ouder dan 60 jaar een vaccinatie tegen gordelroos aan te bieden,zoals de Gezondheidsraad heeft geadviseerd. Ik heb het RIVM daaromgevraagd om – gegeven het budget dat beschikbaar is – te adviseren overwelke leeftijdsgroep(en) als eerste in aanmerking moeten komen voor eenvaccinatie en welke leeftijdsgroep(en) daarna. Ik verwacht dit advies nogdit jaar en zal uw Kamer daarover – conform mijn toezegging op 9 oktoberjl. in het Commissiedebat Publieke Gezondheid – rond Kerst informeren.Naar aanleiding van het onderdeel «Passende zorg» stellen de leden vande GroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Genoemde leden lezendat het AZWA bijdraagt aan impactvolle passende zorg door opschalingen contractering. Daarnaast lezen zij dat onderdeel van het AZWA is datgecontracteerde zorg wordt gestimuleerd en niet-gecontracteerde zorgwordt ontmoedigd. Kan nader worden toegelicht wat het AZWA bekentvoor de vrije artsenkeuze voor patiënten? Kan ook nader wordentoegelicht hoe deze specifieke afspraken bijdragen aan het verminderenvan het arbeidsmarkttekort?Het doel van deze afspraak is om te zorgen dat aanbieders een eerlijkebijdrage leveren aan de maatschappelijke opgave en daar ook een eerlijkevergoeding voor krijgen. Op die manier zorgen we ervoor dat het schaarsepersoneel daadwerkelijk wordt ingezet waar het nodig is. Daar waaraanbieders zich onttrekken aan redelijke voorwaarden om die opgave terealiseren, wil ik dat ontmoedigen. Daartoe worden verschillendemaatregelen onderzocht. Het streven is om op basis van feiten over hethuidige speelveld in de ggz, msz en wijkverpleging, met een samen-hangend pakket aan maatregelen te komen om te zorgen dat aanbiederseen eerlijke bijdrage leveren aan de maatschappelijke opgave. Eenpositieve impact op de verzekerden is hierbij het uitgangspunt. Ikverwacht uw Kamer op zijn vroegst in het eerste kwartaal van 2026 tekunnen informeren over de resultaten van dit traject.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden de medicijntekorten inNederland schrijnend. Genoemde leden onderschrijven dan ook het doelom de toegang van bestaande geneesmiddelen voor patiënten teverbeteren. In het AZWA lezen zij dat alle betrokken partijen gezamenlijkgedragen bestuurlijke afspraken maken die gericht zijn op beterebeschikbaarheid van geneesmiddelen. Wie neemt hier de regio en hoewordt gemonitord of partijen zich aan de afspraken houden? En wat wordter, naast de afspraken in het AZWA die vooral bestuurlijk en procedureelvan aard zijn, gedaan om de grondoorzaak van de geneesmiddelente-korten aan te pakken, waaronder het tekort aan grondstoffen?Het Ministerie van VWS heeft de regie en werkt nu samen met debetrokken veldpartijen de genoemde afspraken uit tot een werkagendavoor de komende jaren. Ik verwacht dat de werkagenda in het voorjaarvan 2026 af is. De monitoring maakt deel uit van de uitwerking. HetBestuurlijk Overleg Farmacie, dat bestaat uit veldpartijen, zal een rolspelen in monitoren van de afspraken in de werkagenda.In de Kamerbrief van juni 202513 heeft mijn voorganger het beleid op debeschikbaarheid van geneesmiddelen toegelicht. Een van de pijlers vandit beleid is het voorkomen van tekorten, deze richt zich onder andere ophet aanpakken van de oorzaken van tekorten.13Kamerstukken II, 2024–2025, 29 477, nr. 939Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95028 De leden van de GroenLinks-PvdA fractie vinden het schokkend en zeerzorgelijk dat de schatting is dat er voor € 10 miljard wordt gefraudeerd inde zorg. Dit is publiek geld waar mensen keihard misbruik van maken. Alsdeze € 10 miljard goed besteed zou worden, kunnen we bijvoorbeeld dezorgpremie terugbrengen naar honderd euro en tandartsbehandelingen inhet basispakket opnemen. Het is dan ook goed dat het aanpakken vanfraude onderdeel is van het AZWA. Echter, er zijn nog grote te stappen tezetten om fraude in de zorg echt aan te pakken. In het AZWA ligt veelfocus op signalering en meldingen van fraude. Kan worden toegelicht hoehet AZWA hieraan gaat bijdragen? Hoe draagt het AZWA bij dat mensendie eerder gefraudeerd hebben in de zorg in de toekomst uit de zorgworden geweerd?Zoals eerder aangegeven is de genoemde tien miljard een schatting; erligt geen sluitende berekening onder. Helaas is wel zeker duidelijk dat hetom veel geld gaat. In het AZWA committeren alle betrokken partijen zichaan de uitvoering van afspraken om fraude in de zorg te voorkomen, op tesporen, te stoppen en te bestraffen. De maatregelen hebben betrekking opde gehele keten, van tijdig signaleren en delen van vermoedens vanmisstanden tot een betere screening van potentiële malafide aanbiederstot extra capaciteit voor bestuursrechtelijke en strafrechtelijkehandhaving. Met het AZWA zijn structurele middelen beschikbaargekomen om de aanpak van zorgfraude daadwerkelijk te verstevigen.Deze extra middelen zijn vanaf 2027 beschikbaar en lopen op tot€ 50 miljoen per jaar vanaf 2030.Diverse maatregelen zijn erop gericht om mensen die eerder in de zorghebben gefraudeerd uit de zorg te weren, zoals het beter benutten van demogelijkheden die de Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door hetopenbaar bestuur (Wet Bibob) biedt en het verkennen van mogelijkeaanvullende voorwaarden aan de vergunningverlening. Samen metbetrokken partijen worden de maatregelen verder uitgewerkt.Naar aanleiding van het onderdeel «Financiën» stellen de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie de volgende vragen. Genoemde lezen dat in hetHoofdlijnenakkoord is opgenomen dat «aan het verlengen van hetzorgakkoord een extra besparing gekoppeld van € 250 miljoen in 2027 en€ 590 miljoen in 2028.» Kan de Minister nader toelichten waar dezebesparing precies terecht komt? Genoemde leden lezen dat voor hetopvangen van de extra zorgvraag als gevolg van het verlagen van heteigen risico € 2,3 miljard is vrijgemaakt. Hoeveel geld is beschikbaar voormiddelen om de extra zorg te betalen? Is dat voldoende voor prognosesvan de extra zorgvraag? In hoeverre dragen de doorbraakmiddelen enmiddelen om de beweging aan de voorkant te stimuleren om deze extrakosten te remmen?In het Hoofdlijnenakkoord is besloten om voor de IZA-sectoren degroeipercentages van het Integraal Zorgakkoord door te trekken, op hetniveau van het laatste jaar. De beschikbare groei voor het AZWA isdaarmee lager dan de beleidsarme groei zoals die wordt geraamd doorhet CPB aan de start van de kabinetsperiode. Deze lagere groei leidt tot degenoemde besparing. Deze besparing is niet specifiek toegewezen; hetgeheel van het AZWA afspraken moet leiden tot de totale besparing.Gezien de beperkte groei in de MSZ (0%) en GGZ (0,4%) kan wel wordengesteld dat de besparing met name daar plaats moet vinden.De financiële prognose van de gestegen zorgvraag als gevolg van hetverlagen van het eigen risico wordt berekend door het CPB. Dit noemenwe het remgeld. Het kabinet neemt deze raming over. Deze ramingbedraagt € 2,1 miljard in 2027, oplopend naar € 2,3 miljard in 2029.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95029 Hiervan is een deel toebedeeld aan sectoren waarmee geen financiëleafspraken zijn gemaakt in het AZWA (ruim € 400 mln. in 2028) om de extrazorgvraag op te vangen. Aan de sectoren van het AZWA is ruim€ 1 miljard toegevoegd aan de kaders om de extra zorgvraag op tevangen. De resterende middelen zijn grotendeels ingezet voor investe-ringen die moeten helpen om de zorgvraag in de Zvw te dempen. Er is is€ 400 miljoen van de remgeldmiddelen gereserveerd voor doorbraakpro-jecten die de stijgende zorgvraag moeten afremmen. Er worden afsprakengemaakt met de partijen die moeten borgen dat deze projecten voldoendeimpact hebben. Van de remgelden wordt € 230 miljoen ingezet voor eenaantal financiële afspraken in het AZWA op het terrein van o.a. preventie,sociaal domein en arbeidsmarkt. Circa € 100 miljoen is in 2028 ingezet omte voorkomen dat de sectoren minder volumegroei zouden krijgen, alsgevolg van een lagere CPB raming (technische boeking).Naar aanleiding van het onderdeel «Voortgang Integraal Zorgakkoord(IZA)» stellen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie de volgendevragen. Allereerst hebben zij vragen over een actuele kwestie, namelijkhet recente bericht14 dat per 12 september er geen transformatiemiddelenIZA meer beschikbaar zijn voor transformatieplannen die nog nietgoedgekeurd zijn. Deze leden begrijpen dat dit nieuws bij zorgorganisatieshard is binnengekomen, omdat zij soms al jaren plannen aan het makenwaren met verschillende partijen samen en nu waarschijnlijk achter hetnet vissen, waardoor deze plannen geen doorgang kunnen vinden. Hoekijkt de Minister hiernaar? Is bekend hoeveel plannen geen doorgangmeer kunnen vinden? Wanneer was bekend dat het einde van de pottransformatiemiddelen in zicht was? Wanneer is dit gecommuniceerd methet zorgveld? Wat betekent dit voor de plannen die wel door zorgorgani-saties zijn gemaakt, maar nu niet zijn goedgekeurd? Zijn er nog eventuelealternatieve routes hiervoor?In het IZA is afgesproken dat er tijdelijk financiële middelen beschikbaarkomen om de transformatie naar passende zorg een extra stimulans tegeven. Zorgaanbieders kunnen hiervoor transformatieplannen indienendie beoordeeld worden door de coördinerende zorgverzekeraars. Bijplannen die betrekking hebben op het sociaal domein, moet de betref-fende gemeente/de mandaatgemeente expliciet goedkeuring geven voorde onderdelen die toezien op het sociaal domein. Bij de beoordeling geldt:wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Voor de financiering van dezeplannen was een vast bedrag aan zogenaamde transformatiemiddelenbeschikbaar. Iedereen wist echter dat een moment zou komen dat dezemiddelen op zouden zijn. Op 12 september 2025 bleek dit het geval te zijn.In 2024 maakte mijn voorganger zich zorgen over het tempo waarintransformatieplannen werden ontwikkeld en is er geïnvesteerd inverduidelijking van het beoordelingskader met een aanvullende werkin-structie. De afgelopen maanden is er een duidelijke inhaalslag geweest.De grote hoeveelheid transformatieplannen die werd ingediend, leiddeertoe dat het beschikbare bedrag in 2025 snel werd besteed.Op 1 juli 2025 is naar buiten gebracht dat er geen nieuwe plannen meerkonden worden ingediend omdat voor een veel groter bedrag wasaangevraagd dan dat er middelen beschikbaar waren. Op 5 september2025 is door het BO IZA besloten om een deel van de nog resterendemiddelen te reserveren voor plannen voor mentale gezondheidsnet-werken, zorg coördinatie en spreiding en concentratie. Hiertoe is beslotenomdat deze thema’s van groot belang zijn voor de IZA-beweging en nog14De juiste zorg op de juiste plek, 15 september 2025, https://www.dejuistezorgopdejuisteplek.nl/actueel/nieuws/Transformatiemiddelen%20volledig%20benut/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95030 onvoldoende naar voren kwamen in eerdere toekenning van middelen.Half september 2025 was vervolgens het moment bereikt dat alletransformatiemiddelen waren toegekend dan wel gereserveerd voor dezethema’s.Dat alle transformatiemiddelen zijn toegekend of gereserveerd betekentdat in alle regio’s een versnelling in de beweging naar passende zorg isingezet. Helaas zijn er minder middelen beschikbaar dan dat er plannenzijn ingediend, waardoor een aantal plannen niet meer gefinancierdkunnen worden via de transformatiemiddelen. Echter, dit is wat mij betreftgeen verloren energie. Als alle betrokken partijen ervan overtuigd zijn dathet een goed plan is, met een positieve business case, dan zijn er mogelijkook andere manieren om het plan te financieren. Hierover kan bijvoor-beeld het gesprek gevoerd worden in de bilaterale contractering, doorinzet van eigen middelen, door samenwerking met het bedrijfsleven offinanciële instellingen of door het opknippen van plannen.De goedgekeurde plannen, waar geen geld meer voor beschikbaar is,worden op een wachtrij geplaatst. Als er middelen vrijvallen, bijvoorbeeldomdat goedgekeurde plannen goedkoper uitvallen en/of omdatbeschreven doelstellingen niet worden behaald, dan vloeien dezemiddelen terug naar de «algemene pot». Goedgekeurde transformatie-plannen in de wachtrij komen hier vervolgens voor in aanmerking, opvolgorde van goedkeuring.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie zijn ook benieuwd wat dezeuitputting van de middelen doet voor de beweging van het IZA? Zekergezien de conclusie van de demissionaire regering bij de uitkomsten vande zogenaamde mid-term review, die naar de Kamer is gestuurd: «Deuitkomsten van de MTR bevestigden dat verandering een proces is van delange adem. Het tempo van de transformatie van zorg en welzijn moetfors omhoog, de samenhang moet worden versterkt en de focus wordenverbreed»15. Als het tempo van de transformatie omhoog moet, hoe gaatdit samen met de uitputting van de transformatiemiddelen, waardoorplannen niet door kunnen gaan?De noodzaak om de transformatie van de zorg fors te versnellen, blijftbestaan. Alle partijen in het zorgveld moeten hier een bijdrage aanle-veren. Lang niet alle mogelijkheden hiertoe kost (veel) geld. Zo kanbijvoorbeeld het versterken van de samenhang en een beter samen-werken zelfs snel geld opleveren. Daar waar wel eerste geïnvesteerd moetworden, roep ik zorgverzekeraars en zorgaanbieders om samen teonderzoeken welke mogelijkheden daarvoor zijn.In het AZWA zijn er aanvullend op de transformatiemiddelen doorbraak-middelen beschikbaar gesteld voor impactvolle transformaties, Voor dejaren 2027 en 2028 is hiervoor € 400 miljoen per jaar beschikbaar. Deprecieze governance wordt nog uitgewerkt en vastgesteld. Hierbij wordt inieder geval bezien welke spelregels er moeten gelden, zodat de meesteimpact op de transitiedoelen wordt gerealiseerd. Partijen hebben in hetAZWA met elkaar afgesproken dat de lat wanneer een doorbraakdaadwerkelijk impactvol is verhoogd moet worden, waarbij de impact opfte (arbeidsbesparing) leidend is.Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog enkelevragen over de beleidsimpactanalyse van het KPMG over de aanvullendeIZA- en GALA-afspraken. Hoe beziet de Minister het feit dat het effect van15Kamerstuk 31 765, nr. 941. Kamerbrief resultaten monitoring Integraal Zorgakkoord |Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95031 veel maatregelen, waaronder het beperken van administratieve lasten ende invloed van technologische innovatie en AI, door KPMG moeilijk in teschatten is omdat voor een groot deel nog onduidelijk is hoe hier invullingaan gegeven zal worden? Hoe beoordeelt de Minister de negatieveeffecten en risico’s die door KPMG benoemd worden bij technologischeinnovatie en AI, waaronder de tijdelijke toename van werkdruk en hetrisico op verminderde sociale interactie met de patiënt?In het kader van het eerste transitiedoel AZWA – om het stijgendearbeidsmarkttekort lager uit te laten komen – hebben partijen tijdens deonderhandelingen afgesproken om conceptafspraken in wording teanalyseren op de verwachte impact en potentie. Dit omdat alle partijenhet belangrijk vinden om voldoende impact te realiseren met de afsprakendie ze maken. Het definitieve akkoord is niet geanalyseerd. De analyseszijn bedoeld als inzicht in de potentiële arbeidsbesparing en hebben bij deuitwerking van de afspraken als referentiepunt gediend.Het klopt dat KPMG in de analyse ook heeft gekeken naar wat mogelijkeneveneffecten kunnen zijn, zoals een initiële stijging van de werkdruk ofweerstand tegen veranderingen. Bij elke verandering of implementatievan iets nieuws kunnen dit soort effecten optreden. Deze analyses voorafhelpen juist om tijdens implementatie van afspraken maatregelen tenemen om dit zoveel mogelijk tegen te gaan.Het is een bestuurlijke ambitie van alle partijen om de impact, beschrevenin de transitiedoelen, met de afspraken uit het akkoord maken.Gezamenlijk sturen we op realisatie van deze ambitie, en de invulling vande randvoorwaarden om dit mogelijk te maken.Deelt de Minister de zorgen over de kwaliteit van onze zorg wanneerpersoonlijke zorgmomenten vervangen worden door beeldschermzorg?Kan de Minister garanderen dat menselijk contact, indien nodig engewenst, leidend blijft? Hoe wordt daarnaast het risico op onbetrouw-baarheid van apparatuur en systemen ondervangen, waaronder derisico’s op storingen of defecten, die immers veel effect kunnen hebbenop de continuïteit van zorg en veiligheid voor patiënten? En hoe gaatgewaarborgd worden dat patiënten die geen volledige toegang tottechnologie hebben, of dat nou vanwege het ontbreken van financiëlemiddelen of door het ontbreken van digitale vaardigheden is, niet zullenleiden tot ongelijkheid in de toegang tot zorg waardoor deze groepenuiteindelijk slechter af zijn?Ik deel die zorgen niet.Beeldschermzorg wordt door veel mensen gewaardeerd als een vorm vanpersoonlijk contact. Ook omdat ze zelf het moment van contact kunnenbepalen en in situaties als er geen professional fysiek aanwezig is of kanzijn. Daarnaast vergroot het de autonomie van mensen omdat ze doorbeeldschermcontact minder afhankelijk zijn van vervoer, reistijd en vannaasten of mantelzorgers. Dit maakt zorg toegankelijker en flexibeler.Patiënten geven in het recente onderzoek Bijdragen aan de Zorg16 van dePatiëntenfederatie Nederland aan, meer digitale vormen van zorg enondersteuning te willen ontvangen. Maar ook bij deze vorm van digitalezorg geldt het principe samen beslissen waar dat kan.16Patiëntenfederatie Nederland | Onderzoek naar het bijdragen aan de zorgTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95032 In het IZA zijn hierover eerder afspraken gemaakt over digitaal als het kan,op basis van samen beslissen tussen zorggebruikers en zorgprofessi-onals17.Over inclusiviteit en samen beslissen bij digitale en hybride zorg zijnafspraken in IZA18 en AZWA gemaakt. En doordat veel mensen digitaalprefereren ontstaat er juist meer ruimte voor fysieke zorg en aandachtvoor mensen die dat willen of nodig hebben.Dit moet eraan bijdragen dat de zorg gelijkwaardig toegankelijk blijft voorpatiënten die geen volledige toegang tot technologie hebben, of dat nouvanwege het ontbreken van financiële middelen of door het ontbrekenvan digitale vaardigheden is, ook bij toenemende schaarste aan professi-onals.Risico’s van defecte of onbetrouwbare apparatuur en systemen wordenondervangen door een combinatie van strenge toelatingseisen, toezichtgedurende de hele levenscyclus, wettelijke verplichtingen voor zorginstel-lingen m.b.t. veilig gebruik en onderhoud, incidentmeldingssystemen,oefenen met verstoringen, en bestuurlijke verantwoordelijkheid. Zo wordtde continuïteit van zorg – en daarmee de veiligheid voor patiënten –zoveel mogelijk geborgd.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan deze brief en bijlagen. Ze hebben nog de volgende vragen enopmerkingen.De leden van de VVD-fractie hebben vernomen dat inmiddels hetdefinitieve Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord ondertekend is. Kan deMinister aangeven hoe het onderhandelaarsakkoord en deze definitieveversie zich tot elkaar verhouden? Zijn er inhoudelijke of andersoortigeverschillen tussen beide versies?Er zijn geen inhoudelijke wijzigingen gedaan aan de afspraken van hetonderhandelaarsakkoord naar aanleiding van de achterbanconsultatie.De leden van de VVD-fractie lezen dat er inmiddels 168 acties zijnafgerond, 231 acties op schema lopen, 25 acties achterlopen en 20 actiesnog niet zijn gestart. Dit klinkt alsof er (grotendeels) voortvarend te werkwordt gegaan. Tegelijkertijd vernemen deze leden kritiek op het IntegraalZorgakkoord, te weten dat er weinig concrete punten behaald worden. Isde Minister het met deze kritiek eens? Zo ja, wat bent u van plan omervoor te zorgen dat het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord welconcrete vruchten afwerpt? Zo nee, kan de Minister toelichten waarom hijdeze kritiek niet deelt? Kan de Minister toelichten op welke manier hijvoornemens is om bij het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord devoortgang wel effectief te monitoren?Met het IZA en AZWA gaat het om een grote transitie in de zorg over eenlangere periode. Dat is niet van de een op de andere dag gerealiseerd, datkost tijd. Daarnaast zijn er het IZA al heel veel concrete punten behaald.17IZA doelstelling: Veldpartijen zorgen dat de hybride zorg toegankelijk is voor mensen enbevorderen inclusiviteit van deze zorg. Overheidspartijen faciliteren deze ontwikkeling.18IZA afspraak: Veldpartijen zorgen dat de hybride zorg toegankelijk is voor mensen enbevorderen inclusiviteit van deze zorg. Hierbij is het uitgangspunt «digitaal als het kan» enbeslissen patiënt en zorgverlener samen over of de zorg inderdaad digitaal/hybride kanworden geleverd gegeven de specifieke situatie van de patiënt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95033 Een aantal voorbeelden zijn; de afspraken die zijn gemaakt over volumen-ormen in de medisch specialistische zorg, de implementatie op het gebiedvan zorgcoördinatie in de acute zorg, de implementatie van de visieeerstelijns zorg, de goedgekeurde transformatieplannen die volop inuitvoering zijn, structurele bekostig «meer tijd voor de patiënt» in dehuisartsenzorg, de realisatie van een domeinoverstijgende betaaltitel, hetverkennend gesprek in het basispakket. Dit is slechts een greep vanconcrete resultaten. Daarnaast wil ik niet ongenoemd laten het resultaatvan samenwerking die tot stand komt in de regio’s, voortkomend uit hetIZA en in het AZWA verder geconcretiseerd. We hebben het dan overdomeinoverstijdende samenwerkingsverbanden, waar over disciplinesheen in de regio’s plannen en afspraken gemaakt worden om de zorgtoegankelijk te houden.De leden van de VVD-fractie lezen dat er inmiddels € 3 miljard aantransformatiemiddelen is aangevraagd, van de beschikbare € 2,4 miljard.Kan de Minister inzicht geven hoeveel van deze aanvragen daadwerkelijktoe worden gekend? Denkt de Minister met de huidige aanvragen debeschikbare € 2,4 miljard uit te putten? Is er toezicht waar de toegekendetransformatiemiddelen daadwerkelijk aan worden uitgegeven, door dezorgverzekeraar of een andere instantie?Als onderdeel van het AZWA hebben partijen een aantal aanvullendefinanciële afspraken gemaakt ten aanzien van de transformatiemiddelen.Voor een bedrag van € 346 miljoen worden afspraken uit het AZWAgedekt vanuit het beschikbare budget transformatiemiddelen. Hettotaalbedrag aan transformatiemiddelen dat daardoor beschikbaar blijftvia zorgverzekeraars en voor het sociaal domein via de specifiekeuitkering transformatiemiddelen IZA, wordt met genoemd bedragverlaagd en bedraagt € 1.961 miljoen.Deze middelen zijn inmiddels toegekend of gereserveerd voor plannen dietoezien op plannen voor mentale gezondheidsnetwerken, zorg coördinatieen spreiding en concentratie. De goedgekeurde plannen, waar geen geldmeer voor beschikbaar is, worden op een wachtrij geplaatst. Als ermiddelen vrijvallen, bijvoorbeeld omdat goedgekeurde plannengoedkoper uitvallen en/of omdat beschreven doelstellingen niet wordenbehaald, dan vloeien deze middelen terug naar de «algemene pot».Goedgekeurde transformatieplannen in de wachtrij komen hiervervolgens voor in aanmerking, op volgorde van goedkeuring. Ik verwachtdat begin volgend jaar de beschikbare middelen volledig zijn beschikt.De onderdelen van de plannen die toezien op de Zvw/Wlz worden betaaldbasis van de realisatie van deze transformatieafspraken. Daarnaastworden er niet meer kosten dan de werkelijke kosten van de transformatievergoed. Er kan geen winst worden gemaakt worden. De NZa heeft eenverantwoordingskader opgesteld voor de transformatiemiddelen omtrentde controle door de zorgverzekeraars op de plausibiliteit van hun kostenvoor transformaties. De NZa toetst die plausibiliteit als onderdeel van haarrechtmatigheidstoezicht op de zorgverzekeraars.Dit verantwoordingskader is van toepassing voor transformatiemiddelendie worden uitbetaald via de Zvw-betaaltitel en de Wlz-betaaltitel. Voor degemeenten is een ander regime van toepassing.Als gemeenten of aanbieders van maatschappelijke ondersteuning ofwelzijn onderdeel zijn van het transformatieplan geldt een apart regime.Dit komt doordat het voor zorgverzekeraars – op grond van de vigerendewet- en regelgeving – niet mogelijk is om rechtmatig middelen teverstrekken aan gemeenten. Als door de twee marktleidende zorgverzeke-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95034 raars een akkoord is gegeven op het plan is voor de gemeentelijkeuitvoeringspraktijk een proces op maat ingericht. De middelen wordenverstrekt aan de gemeente die een aanvraag doet voor de SPUK IZATransformatiemiddelen. Gemeenten leggen over de besteding van demiddelen verantwoording af aan de gemeenteraad. Daarnaast is ercontrole van de gemeentelijk accountant. De verantwoording voor debesteding van de specifieke uitkering verloopt op grond van artikel 17avan de Financiële-verhoudingswet via de jaarrekening van de gemeenteen de systematiek van «single information, single audit» (SISA-systematiek)19.De leden van de VVD-fractie lezen dat het relatief hoge ziekteverzuim in desector een aandachtspunt blijft. Welke specifieke menselijke factorenspelen er mee die gereduceerd kunnen worden om uitval vanmedewerkers te voorkomen? Ook lezen deze leden dat 30% van devrouwen gehinderd wordt door vrouwspecifieke aandoeningen, metsubstantiële gevolgen voor werk en ziekteverzuim. Genoemde ledenvragen op welke specifieke manier er samenhang is tussen het AZWA ende nationale strategie vrouwengezondheid als het aankomt op ziekte-verzuim en vitaliteit van de zorgprofessionals.Er zijn tal van factoren die meespelen bij verzuim. Bijvoorbeeld een griepoplopen, fysieke of psychosociale arbeidsbelasting, maar ook privéom-standigheden kunnen een rol spelen. Binnen het Preventieplan Zorg enWelzijn is gekeken naar de factoren die verzuim beïnvloeden. Uit hetonderzoek blijkt dat «energieslurpers» zoals te zware emotionele enfysieke belasting een rol spelen. Deze zijn vooral gerelateerd aanwerkdruk. Uit het onderzoek blijkt ook dat «energiebronnen» invloedhebben op de ervaren werkdruk en verzuim. Energiebronnen zijnbijvoorbeeld een gezond en veilig werkklimaat, een leidinggevende diemensen in hun kracht zet, autonomie, zeggenschap.Om een veilige werk- en leeromgeving te creëren is zichtbaar leiderschapen daadwerkelijke aandacht voor werkplezier van groot belang – van Raadvan bestuur tot teamleiders. Om verzuim aan te pakken benoemt hetpreventieplan het volgende: gebruik data om inzichtelijk te krijgen waarhet verzuim zich voordoet; praat met en luister naar de medewerkers:waar lopen zij tegen, wat moet er anders en hoe; ga vervolgens ookdaadwerkelijk aan de slag met die knelpunten en oplossingen.Op dit moment wordt nog gewerkt aan het eindrapport van het preven-tieplan. De verwachting is dat dit in oktober openbaar gemaakt zalworden. Daarna zullen de initiatiefnemers (Stichting IZZ, FWG Progres-sional People en PGGM) de inzichten en handvatten die het preventieplanheeft opgeleverd breed verspreiden, zodat zoveel mogelijk organisaties inZorg en Welzijn hier gebruik van kunnen maken. De Minister van VWSondersteunt hen hierbij.De inzet van de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–2030 is omervoor te zorgen dat vrouwen tijdig passende zorg en ondersteuningkrijgen voor hun gezondheidsproblemen. De doelen van deze strategiezijn om de kennis over vrouwspecifieke gezondheidsproblemen tevergroten maar ook het gebruik van die kennis te vergroten; passendezorg en ondersteuning te faciliteren en netwerkvorming rondom vrouwen-gezondheid te stimuleren.19wetten.nl - Regeling - Regeling specifieke uitkering transformatiemiddelen IZA 2024-2027 -BWBR0049737Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95035 Er is geen directe link tussen de nationale strategie vrouwengezondheiden het AZWA. Wel raken de onderwerpen die hierin staan elkaar. Door dekennis over vrouwengezondheid te vergroten en door passende zorg enondersteuning te faciliteren kunnen organisaties daar ook (meer) gebruikvan maken in hun verzuimbeleid.De leden van de VVD-fractie lezen dat er in 2027 en in 2028 eenmalig€ 400 miljoen beschikbaar wordt gesteld voor projecten die zorg- enwelzijnsorganisaties ontlasten. Genoemde leden zien kansen in hetversterken van het sociaal domein om de zorg te ontlasten. Zij zijn daaromblij dat het kabinet deze stap durft te zetten. Kan de Minister verduide-lijken wat voor soort projecten dit zijn? En kan de Minister wellicht eenvoorbeeld noemen van een goedlopend project die professionals in zorgen welzijn ondersteunt en ontlast?In het AZWA is afgesproken dat in 2027 en 2028 € 400 miljoenbeschikbaar komt voor projecten die zorg- en welzijnsverleners ontlasten.De leden van de VVD fractie vragen welk soort projecten uit dezemiddelen worden gefinancierd.De doorbraakmiddelen zijn bedoeld om impuls te geven aan projecten diebijdragen aan arbeidsbesparing. Dit kan door het opschalen van succes-volle trajecten die bijdragen aan het verhogen van de arbeidsproducti-viteit door bijvoorbeeld het inzetten van AI maar ook door projecten ophet verlagen van de instroom door substitutie, waardoor zorgprofessi-onals voor minder mensen hoeven te zorgen.Een deel van de doorbraakmiddelen (100 mln in 2027 en in 2028) wordtgericht ingezet om de implementatie van de landelijke dekking van debasisfunctionaliteiten te versnellen. Met als doel substitutie van zorg naarwelzijn. Over de inzet van de resterende middelen worden nog aanvul-lende afspreken gemaakt, onder andere over de criteria waar plannen aanmoeten voldoen, de sturing en de bijbehorende governance.De leden van de VVD-fractie lezen dat er structureel € 185 miljoenbeschikbaar wordt gesteld voor het opleiden en ontwikkelen van zorg- enwelzijnsprofessionals buiten het ziekenhuis. Genoemde leden zijn vaninzicht dat het investeren in de ontwikkeling van de extramurale zorg enondersteuning noodzakelijk is om de zorg toegankelijk te houden, enerkennen dat deze ontwikkeling begint bij professionals. Opleiding- enontwikkelprogramma’s blijken echter fraudegevoelig.Deze leden willen dat dit geld ten goede komt aan zorg- en welzijnsprofes-sionals en niet in de zakken van zorgcriminelen terecht komt. Welkemaatregelen neemt de Minister om criminelen, die worden aangetrokkendoor deze extra financiële middelen, te weren?Het tegengaan van fraude en criminaliteit in de zorg heeft voor mij enmijn collega-bewindspersonen een hoge prioriteit. De aanpak richt zich opde hele keten, van het opleiden van professionals tot het verlenen vanzorg en het opsporen en vervolgen van criminelen. Ministeries van VWS,OCW, JenV en SZW zetten zich, in samenwerking met gemeenten enandere instanties zoals de inspecties, gezamenlijk in om dit probleem aante pakken. Bij het bepalen van de wijze van verdeling van de 185 miljoenvoor opleiden en ontwikkelen van zorg- en welzijnsprofessionals buitenhet ziekenhuis wordt rekening gehouden met het risico op bijvoorbeeldEVC-fraude en stagefraude. We minimaliseren deze risico’s en kijkenwelke lopende maatregelen rond zorgfraude daarbij helpend zijn, of welkespecifieke aanvullende maatregelen nodig zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95036 De leden van de VVD-fractie merken op dat de aanpak van fraude eenbelangrijk aspect is van het AZWA. Zij zijn verheugd dat dit probleemextra aandacht krijgt. Het delen van signalen van fraude met het informa-tieknooppunt zorgfraude (IKZ) is sinds 1 januari 2025 operationeel. Watzijn de ervaringen in de eerste paar maanden sinds het operationeelworden van het gegevens delen met stichting IKZ? Wat zijn de knelpuntenen hoe worden deze knelpunten weggenomen zodat op 1 januari 2026 hetdelen van gegevens met stichting IKZ volledig functioneel is?De Stichting Informatieknooppunt Zorgfraude (hierna: St. IKZ) is per1 januari 2025 operationeel geworden. Conform de gemaakte afsprakendienen alle deelnemende partijen, waaronder zorgverzekeraars, zorgkan-toren en gemeenten, uiterlijk 1 januari 2026 signalen van fraude in de zorgaan St. IKZ te melden, in lijn met de vereisten van de Wet bevorderensamenwerking en rechtmatige zorg (Wbsrz). Nog niet alle gemeenten zijnbij de St. IKZ aangesloten. De St. IKZ geeft aan dat tot op heden bemoedi-gende resultaten zichtbaar zijn. Inmiddels is ruim de helft van het totaalaantal gemeenten bij de St. IKZ aangesloten, en dit aantal blijft toenemen.De aansluiting gaat niet vanzelf, dit moet bijvoorbeeld met eeneHerkenning. De St. IKZ schrijft gemeenten aan en geeft voorlichting omde aansluiting te vergemakkelijken.De hoeveelheid administratieve handelingen in de zorg is groot. De ledenvan de VVD-fractie steunen het kabinet in reducering van de regeldruk.Genoemde leden lezen over het opschalen van het transitieprogrammaggz. Zij vragen wanneer hier de eerste resultaten van verwacht worden.Bij het transitieprogramma ggz zijn systeempartijen zoals zorgverzeke-raars, NZa, VWS, IGJ en ggz-aanbieders Arkin, Altrecht, Parnassia, GGZDelfland en deNLggz als brancheorganisatie betrokken. Het programmaricht zich op het verminderen van regeldruk en het bevorderen vanduurzame zorgvernieuwing. Als start is tussen maart en september van ditjaar bij 16 afdelingen van vier ggz-organisaties onderzoek gedaan naarervaren regeldruk, verspreid over diverse zorgvormen zoals outreachendezorg, kliniek, poli, jeugd, forensische zorg, topreferente ggz en Wmo.Zowel zorgprofessionals als backoffice-medewerkers zijn hierbijbetrokken.Sinds maart wordt binnen het samenwerkingsverband gewerkt aan deuitvoering van het programma. In eerste instantie zijn enkele hardnekkigeonderwerpen opgepakt waar al jarenlang pogingen tot regeldrukvermin-dering op zijn gedaan, helaas zonder succes. Aangezien het een complexetransitie betreft op een hardnekkig onderwerp neemt het nog geruime tijdin beslagom echt een verschil te maken voor de gehele sector ggz. Naasthet transitieprogramma ggz hebben andere sectoren ook een eigenwerkagenda binnen de Regiegroep Aanpak Regeldruk. Relevantevoortgang en resultaten worden onderling gedeeld en breder gecommu-niceerd.Tot slot lezen de leden van de VVD-fractie dat de speciaal gezant passendezorg aanraadt «doelen te expliciteren op politieke koer». Houdt dit in datde politiek meer sturing moet aanbrengen in het proces? Graag eentoelichting.In 2024 heet de speciaal gezant passende zorg geadviseerd concretedoelen te expliciteren. Deze zijn, in overleg met partijen en de speciaalgezant, in het akkoord geformuleerd als transitiedoelen. De transitie-doelen gaan over het afwenden van het arbeidsmarkttekort en degelijkwaardigere toegang tot zorg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95037 Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie zijn blij dat er een Aanvullend Zorg- enWelzijnsakkoord (AZWA) is gesloten. Samenwerking is van essentieelbelang in deze tijden van schaarste van zorgpersoneel en om tijdig dejuiste passende zorg te geven. Wel hebben deze leden een aantal vragenover met name het AZWA zelf.Genoemde leden lezen in het AZWA over de inzet van informele zorg. Hoewordt voorkomen dat de informele zorg overbelast wordt? Daarnaast zijnjuist professionele zorgverleners vaak ook mantelzorger, hoe wordtvoorkomen dat professionele zorgverleners minder gaan werken zodat zijook hun mantelzorgtaken kunnen vervullen?Ik vind mantelzorgers en vrijwilligers van onschatbare waarde voor desamenleving. Door de vergrijzing en de druk op zorg bestaat inderdaadhet risico op overbelasting. Daarom zijn in het AZWA en het Hoofdlijnen-akkoord Ouderenzorg afspraken gemaakt over de basisinfrastructuur ingemeenten, meer toegankelijke respijtzorg en extra ondersteuning voormantelzorgers door gemeenten. Deze maatregelen worden op dit momentuitgewerkt. Het combineren van een baan met zorgen voor een naaste kaneen hele uitdaging zijn, zeker als er veel op mensen afkomt en als ersprake is van wat intensievere of langdurige zorg. Er zijn relatief veelzorgprofessionals die ook mantelzorg verlenen, met een oververtegen-woordiging van vrouwen. Mijn ambtsvoorganger heeft de SER om adviesgevraagd naar oplossingsrichtingen en ingrepen in het stelsel voor eengoede balans in de combinatie van werk en mantelzorg. Naar verwachtingvolgt begin 2026 publicatie van het SER-advies. Het is aan het volgendekabinet om te bepalen op welke wijze hier uitvoering aan wordt gegeven.De leden van de NSC-fractie lezen dat een doel van het AZWA is om100.000 zorgverleners te besparen. Wat is de huidige stand van zaken vandiverse functies van zorgverleners. Hoeveel zorgverleners werken achterhet bureau en geven geen direct zorg? Op welke functies van zorgver-leners zou bezuinigd moeten worden?Eén van de twee transitiedoelen van het AZWA betreft het streven om hetarbeidsmarkttekort 100 duizend lager uit te laten komen, door de groeivan de arbeidsvraag binnen de sector zorg en welzijn af te remmen. Dittransitiedoel hangt niet samen met en is niet gericht op het realiseren vaneen bezuiniging. Het gaat hier om een ambitie die ik samen met partijenheb geformuleerd met het oog het toegankelijk houden van goede zorg enondersteuning. Hiervoor is het noodzakelijk om de alsmaar groeiendebehoefte aan extra arbeidskrachten vanuit de zorg af te remmen (mindermeer). Enerzijds omdat de verwachting is dat dit personeel er – gezien dezeer krappe arbeidsmarkt – niet is en anderzijds omdat er ook voldoendepersoneel over moet blijven voor het realiseren van andere maatschappe-lijke opgaven zoals de energietransitie en in andere publieke sectorenzoals onderwijs, politie en defensie. Om in de toekomst ook goede zorg enondersteuning te kunnen blijven leveren zijn in het akkoord diverseafspraken gemaakt onder meer over het anders inrichten van het werk –bijvoorbeeld via de inzet van kunstmatige intelligentie, medischetechnologie of het verminderen van administratieve lasten – en de inzetop passende zorg.De leden van de NSC-fractie lezen vele voornemens voor passende zorg.Maar de prikkel voor financiering per behandeling is niet weggenomen.Inkomsten van medisch specialisten en ziekenhuizen worden minder alser passende zorg wordt gegeven, blijkt uit ervaringen van ziekenhuizenBernhoven en Rivas. Is de Minister ook van plan om de financiering aan teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95038 pakken zodat de prikkel tot onnodige behandelingen en diagnostiek wordtvoorkomen? Is de Minister tevens van plan dat medisch specialisten inloondienst worden genomen zodat de prikkel voor behandelen weg is?Zoals toegezegd tijdens het debat over de begrotingsbehandeling20 is deinzet voor het in loondienst brengen van medisch specialisten gericht ophet vervolgonderzoek dat nodig is om een afweging te maken overregelgeving die een overgang naar loondienst verplicht. Dit vraagstuk isgeen gemakkelijke opgave, zoals mijn voorgangers eerder ook hebbentoegelicht, omdat een verplichting om medisch specialisten in loondienstte brengen raakt aan het eigendomsrecht en de juridische waarborgen diedaarvoor gelden.Onderdeel van het vervolgonderzoek is de monitor van de NZa diegedurende twee jaar de financiële prikkels binnen een medisch specialis-tisch bedrijf (msb) volgt, alsmede de positie van de msb’s in relatie tot debestuurbaarheid van ziekenhuizen. Eerder heb ik u geïnformeerd dat demonitor van de NZa eind 2025 beschikbaar zou zijn. De NZa heeft mij latenweten dat zij meer tijd nodig heeft voor het uitvoeren van de analyses tenbehoeve van een kwalitatief goede monitor. Dit betekent dat de monitor inmaart 2026 opgeleverd zal worden. Daarna kan bezien worden of hetverbeterpotentieel behaald is.Genoemde leden lezen een groot aantal afspraken met heldere taken.Toch zijn de doelen niet specifiek, meetbaar, acceptabel, realistisch entijdgebonden (SMART) geformuleerd. Kunnen er aanvullingen komen opde ambities met SMART doelen? Wie controleert of de ambities wordenuitgevoerd? Is daar een onafhankelijke commissie voor?Bij de transitiedoelen uit het AZWA gaat het om een ambitie die ik samenmet partijen heb geformuleerd met het oog op het toegankelijk houdenvan goede zorg en ondersteuning. Eén van de twee transitiedoelen betrefthet streven om het arbeidsmarkttekort 100 duizend lager uit te latenkomen, door de groei van de arbeidsvraag binnen de sector zorg enwelzijn af te remmen. Samen met partijen aan de bestuurlijke tafel ben ikin gesprek over hoe we de voortgang op het bereiken van de ambitie(geformuleerd in de transitiedoelen) het best in kaart kunnen brengen.Daarnaast wordt met regelmaat een reguliere voortgangsrapportage IZAgemaakt, die ik deel met uw kamer. Hierin is concreet te zien hoe ver hetstaat met de uitvoering. De AZWA afspraken worden hier in de toekomstook in opgenomen. Uiteraard volg en bespreek ik met partijen aan debestuurlijke tafel de voortgang en realisatie van de afspraken gemaakt inhet IZA en AZWA.De leden van de NSC-fractie lezen dat AI wordt ingezet voor verminderenvan tijd die medewerkers kwijt zijn aan diagnostiek. Genoemde ledenvermoeden dat er ook veel dubbele en onnodige diagnostiek is. Kan deMinister toelichten hoe op verminderen van diagnostiek wordt ingezet?Ik zet in op het verminderen van diagnostiek door passende zorg toe tepassen. Passende zorg is de juiste zorg op de juiste plek bieden gericht opde patiënt. Een van de afspraken die ik in het AZWA heb gemaakt is hetaanpassen van de richtlijnen. Dit zal leiden tot het verminderen vanonnodige diagnostiek en het toepassen van passende zorg.De leden van NSC-fractie lezen met interesse in het AZWA dat deregeldruk wordt verminderd. Er zijn echter al jarenlang projecten om deregeldruk te verminderen, die tot nu toe niet zijn gelukt. Is er een analyse20Kamerstukken II, 2024/2025, 36 600 XVITweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95039 waarom het tot nu toe niet is gelukt de regeldruk te verminderen?Waarom denkt de Minister dat het nu wel gaat lukken? Ook lezen dezeleden dat niet ingezet wordt op het verminderen van kwaliteitsregistraties,waarom wordt daar niet op ingezet? Ook lezen genoemde leden niet datde zorgverzekeraars hier een rol in hebben, waarom wordt hun rol entaakstelling niet meegenomen?Regeldruk is een veelkoppig monster. Het is geen kwestie meer vansimpelweg schrappen van regels, omdat regels met elkaar samenhangenen ontstaan op allerlei niveaus: van wet- en regelgeving, naar kwaliteits-kaders en beroepsnormen en werkprocessen op de werkvloer. In hetverleden is er een evaluatie uitgevoerd van het programma [Ont]Regel deZorg21, waarin in kaart is gebracht wat er goed ging en wat er beter konaan de manier waarop VWS het vraagstuk heeft opgepakt. De geleerdelessen uit de evaluatie zijn verwerkt in het huidige programma. Hierop isonder andere het lokaal aanpakken en implementeren van regeldruk alsbelangrijke pijler naar voren gekomen.Ook het rapport van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS)«Is dit wel verantwoord?» is sturend geweest voor de aanpak vanregeldruk, mede hierdoor zijn twee speciaal gezanten regeldruk en deRegiegroep Aanpak Regeldruk ingesteld. Regeldruk kan immers alleendoor alle relevante partijen in samenwerking met elkaar écht aangepaktkan worden. Regeldruk wordt immers ook door verschillende partijen inde zorg veroorzaakt, van wetgever tot zorginstelling zelf. Het AZWA geefteen belangrijke volgende impuls, omdat er een versnelling op onderdelenvan de ontregelaanpak is afgesproken, naast alle andere acties die al ingang waren gezet. Alle ondertekenaars van het AZWA nemen hierbij hunverantwoordelijkheid, waaronder ook de zorgverzekeraars die zich hebbengecommitteerd om jaarlijks de inkoop- en verantwoordingseisen enmachtigingen en aanvullende verklaringen kritisch onder de loep tenemen om de regeldruk te verminderen.Het doel van het wetsvoorstel kwaliteitsregistraties zorg (een wijzigingvan de Wkkgz) is om de kwaliteitsregistraties in de medisch specialistischezorg te beheersen. Het wetsvoorstel bevat verschillende manieren om deadministratieve lasten te beteugelen. Bijvoorbeeld door kwaliteitsregis-traties te toetsen op noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit,waarbij kwaliteitsregistraties die negatief worden getoetst ophouden tebestaan. Ook wordt het verplicht dat kwaliteitsregistraties op eengestandaardiseerde en geautomatiseerde wijze met data uit het primairezorgproces wordt verzameld en worden de kwaliteitsregistraties getoetstop draagvlak bij zorgaanbieders, zorgverleners, zorgverzekeraars enpatiënten. Daarmee wordt de registratielast van kwaliteitsregistratieslager, terwijl geen afbreuk wordt gedaan aan het doel om de kwaliteit vanzorg in Nederland te verbeteren.De leden van de NSC-fractie lezen dat partijen afgesproken hebben om«wachtlijstgegevens accuraat en transparant inzichtelijk te maken voorzorgverzekeraars, verzekerden/patiënten en verwijzers, zodat reëel inzichtverkregen wordt in wie waar op de wachtlijst staat en hoe lang. Dit inzichtin de vraag naar zorg in de geestelijke gezondheidszorg (ggz) wordtverkregen door de retrospectieve wachttijden af te lezen vanuit hetdeclaratiebericht en de prospectieve wachttijden (actueel wachtenden) afte lezen vanuit de verwijsgegevens. Ook wordt er gewerkt aan hetinzichtelijk maken van het beschikbare aanbod/capaciteit van de zorgaan-bieders en het beter inzichtelijk maken van de hulpvraag (klachtenprofiel).Deze gegevens worden bij elkaar gebracht in een digitale tool, wat het21Eerste Kamer der Staten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95040 voor partijen mogelijk maakt om te komen tot matching van vraag enaanbod.» Met het recente datalek bij bevolkingsonderzoek (BVO) nog ingedachten, hoe gaat de Minister deze privacygevoelige data beschermen?Specifiek met betrekking tot het verlenen van inzage in het klachtenprofielvan zorgvragers aan zorgverleners, vragen genoemde leden of dit geeninbreuk is op de privacy van patiënten.In algemene zin benadruk ik het grote belang dat bij de verwerking vanbijzondere persoonsgegevens – zoals medische persoonsgegevens – aande wettelijke vereisten moet worden voldaan. Hieronder vallen debeginselen die zijn neergelegd in artikel 5 AVG: rechtmatigheid, transpa-rantie, doelbinding en het principe van dataminimalisatie. Daarnaastgelden aanvullende normen met betrekking tot informatiebeveiliging. Opgrond van de AVG dient de beheerder van het nieuwe dataplatformdaarom ook de organisatorische en technische maatregelen te treffen omdeze persoonsgegevens te beveiligen. De invulling van het instrument ominzicht te krijgen in wachtlijstgegevens in de ggz is nog in ontwikkeling,waarbij het voldoen aan de heersende standaarden op het gebied vandata-uitwisseling (o.a. NEN-normen), veiligheid en privacy van patiëntenexpliciet in de randvoorwaarden zijn meegenomen. Daarbij is het goedom te benadrukken dat de ontwikkeling van de retrospectieve enprospectieve sporen los staan van elkaar en dat de data uit de sporen nietzullen worden gekoppeld.Op pagina 50 lezen de leden van de NSC-fractie dat de normen voor dewachttijden geactualiseerd zullen worden. Kan dit betekenen dat inzorgdomeinen waar de wachtlijsten momenteel erg lang zijn, zoals de ggz,dit een versoepeling ten opzichte van de Treeknormen kan betekenen?Op pagina 50 lezen de leden van de NSC-fractie tevens dat gedifferen-tieerd zal worden tussen cruciale ggz en overige ggz. Hier kunnen dezeleden zich in vinden. Zij willen echter wel graag meer weten over hoe decruciale ggz gedifferentieerd zal worden? Is dit op basis van het typementale stoornis, of wordt hierbij ook het behandelverleden meegenomenen de ervaren lijdensdruk en het risico op suïcide?Een van de hoofddoelen van het AZWA is betere en gelijkwaardigeretoegang tot passende zorg. De huidige normen voor de maximaalaanvaarbare wachttijd in de zorg – de zgn. Treeknormen – gaan vooralover toegang tot zorg. Ze zijn niet gemaakt als normen voor gelijkwaar-digere toegang tot passende zorg; dat wordt met het actualiseren endifferentiëren van normen wel beoogd.De Treeknormen zijn veldnormen: zorgaanbieders en zorgverzekeraars zijndeze normen gezamenlijk overeengekomen. In het AZWA is dan ookafgesproken dat de veldpartijen tripartiet (zorgaanbieders, zorgverzeke-raars en patiënten/cliënten) de normen voor wachttijden tot passendezorg actualiseren en waar nodig ontwikkelen.Dit proces moet nog worden opgestart, en begint met het in kaart brengenen evalueren van de bestaande normen. De planning is dat er medio 2026een nieuwe set aan normen ligt. Specifiek voor de ggz is in het AZWAafgesproken dat de wachttijden gedifferentieerd zullen gaan wordentussen cruciale ggz en overige ggz. Het gesprek over het actualiseren vande veldnormen moet nog starten. Het is nu nog onduidelijk of en hoedifferentiatie vorm kan krijgen, maar versoepeling is geen beoogd doel.Op pagina 58 lezen de leden van de NSC-fractie over de doelstelling datzorgverleners vroegtijdig het gesprek met patiënten aangaan over delaatste fase van het leven. Genoemde leden zijn het hiermee eens. ZijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95041 willen echter wel graag voorkomen dat hierin een glijdende schaalontstaat en hebben daarom nog enkele vragen. Hoe kan de Ministervoorkomen dat ouderen door dit type gesprek zichzelf als last gaan zien ofop andere wijze enige vorm van druk ervaren om een behandeling testaken, dan wel om euthanasie te vragen? Hoe wil de Minister voorkomendat deze gesprekken ertoe zullen leiden dat mogelijk relevante behande-lingen niet meer gedaan worden bij ouderen vanuit het oogpunt vankostenbesparing? Hoe kan de Minister voorkomen dat de curatieve zorg tevroeg gestopt wordt bij met name ouderen in het kader van levenseindegesprekken?Levenseinde gesprekken of proactieve zorgplanning is het proces van ingesprek gaan, vooruitdenken, plannen en organiseren van zorg enondersteuning in de palliatieve fase die aansluit bij de wensen, waardenen behoeften van mensen in de laatste levensfase en hun naasten. Diestaan bij deze gesprekken centraal. Om goede en passende ondersteuningen zorg te bieden is het namelijk belangrijk op tijd te weten wat iemandwel of juist niet wil aan zorg en ondersteuning. Door gezamenlijk dewaarden, wensen en behoeften en de daaruit voortvloeiende behandel-wensen en -grenzen te bespreken en vast te leggen kan hierop geantici-peerd worden. Zorgverleners en ondersteuners stemmen onderling af wiehet initiatief neemt tot het starten van proactieve zorgplanning. Bijvoorkeur is dat iemand die een goede relatie/ verstandhouding heeft metde persoon om wie het gaat en voldoende kennis heeft van de ziekte(ge-schiedenis), persoonlijke omstandigheden, ondersteuningsvoorkeuren enbehandelopties. Proactieve zorgplanning is dus een continu en dynamischproces van gesprekken over huidige en toekomstige levensdoelen enkeuzes en welke zorg en ondersteuning daar nu en in de toekomst bij pasten omvat zowel de fysieke, de psychische, de sociale als de zingevingsdi-mensie. In dit cyclische proces zitten dus voldoende waarborgen om dedoor u genoemde glijdende schaal of eventuele druk op mensen in delaatste levensfase te voorkomen.In het AZWA lezen de leden van de NSC-fractie over remgelden (pagina93). Dit is een nieuw begrip. Wat bedoelt de Minister hier precies mee?Zoals deze leden het begrijpen zijn dit eigen bijdragen van patiënten voorde zorg die zij ontvangen, is dit correct? Zo ja, worden deze remgeldendan in mindering gebracht op het eigen risico van patiënten of komt hetdaar nog bovenop? Veel geld wordt ingezet voor de remgelden diebedoeld zijn om de toenemende zorgvraag in te perken. Graag vernemende genoemde leden van de Minister voorbeelden van elke sector op welkemanieren de remgelden worden ingezet. Hoe wordt gegarandeerd datremgelden op korte termijn bezuinigingen opleveren?Eigen bijdragen worden inderdaad soms aangeduid als remgeld. Dat isspecifiek in België het geval. Dat is echter niet wat hier met remgeld wordtbedoeld. Hier wordt het volgende bedoeld:Het verlagen van het eigen risico heeft twee effecten: lagere ontvangsten(financieringseffect) en een hogere zorgvraag (gedragseffect). Hetfinancieringseffect houdt in dat door het lagere eigen risico zorgverzeke-raars minder geld vanuit verzekerden ontvangen. Het gedragseffect wordtook wel het remgeldeffect genoemd. Dit remgeldeffect houdt in dat doorhet verlagen van het verplicht eigen risico sommige verzekerden meerzorg zullen gebruiken, wat leidt tot een toename van de zorguitgaven. Omdie toename te kunnen betalen zijn extra middelen toegevoegd aan hetZvw-kader. We duiden die extra middelen aan met de term remgeld. Hetgrootste deel van het remgeld is evenredig verdeeld over de individueleZvw-sectoren (IZA en niet-IZA). Een klein deel wordt ingezet voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95042 financiering van afspraken in het AZWA om de stijgende zorgvraag teaccommoderen.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieMet interesse hebben de leden van de D66-fractie van D66 kennisge-nomen van de brief van de Minister over de kwaliteit van zorg, het AZWAen de voortgang van het IZA. Daartoe hebben deze leden verdere vragen.De leden van de D66-fractie vinden het belangrijk dat het AZWA rond is,en dat er een aantal mooie voorstellen in staan zoals de gordelroosvacci-natie en de MRI-screening voor vrouwen met dicht borstweefsel. Echterhadden deze leden graag meer van deze toekomstgerichte en doortas-tende maatregelen gezien in het AZWA, met veel meer focus op enaandacht voor preventie. Dit is ontzettend hard nodig in het belang vaneen houdbare zorg.De intensivering van de Regeling Aanvullende Seksuele Gezondheidszorg(ASG) is een mooie stap, zo zien ook de leden van de D66-fractie. Echterontstaat er voor 2026 een tekort van € 5 miljoen, wat grote problemenvoor de GGD’en veroorzaakt. Voor de recent bekendgemaakte begrotingvan het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is er € 3 miljoenextra vrijgemaakt voor de SPUK-gezondheidszorg, waarmee dit probleemdeels opgelost kan worden. Echter blijft er hierdoor een gat bestaan van€ 2 miljoen, wat problemen voor de GGD veroorzaakt. Zij zullen hierdoormoeten stoppen of sterk minderen met het leveren van bepaaldediensten, om deze vanaf 2027 weer op te starten als de financiering weergerepareerd wordt. Dit is natuurlijk ontzettend inefficiënt, en ook zekernegatief als we het hebben over goede gezondheidszorg en het belangvan preventie. De leden van de D66-fractie vragen of het correct is dat erin de begroting eenmalig € 3 miljoen extra vrij is gemaakt, waardoor ereen tekort van € 2 miljoen overblijft in 2026. Zo ja, dan vragen de ledenvan de D66-fractie waarom ervoor gekozen is om het gat van € 5 miljoenmaar deels te vullen. Daarnaast vragen zij of het kabinet dan bereid is omte zoeken naar aanvullende financiering van € 2 miljoen om dit gatvolledig te vullen en de Kamer daarover te informeren voorafgaand aande behandeling van de VWS-begroting.Er is hard gezocht naar manieren om het financiële gat in de RegelingAanvullende Seksuele Gezondheidszorg (ASG) voor het jaar 2026 tedempen. Het is gelukkig gelukt om hiervoor éénmalig € 3 miljoen vrij temaken. Het is helaas niet gelukt om de volledige € 5 miljoen op tevangen. Hiervoor was geen financiële ruimte. Die ruimte zie ik nog steedsniet. Ik kan uw Kamer dan ook niet toezeggen om de resterende€ 2 miljoen beschikbaar te stellen.In de brief van 17 september jl. met de reactie op onderzoek herintro-ductie verzorgingshuizen geeft de Staatssecretaris aan dat er middelenoplopend tot € 470 miljoen beschikbaar zullen zijn, waarmee gekeken gaatworden naar de invulling van extra zorg en ondersteuning, de stimuleringvan de bouwopgave en de ontwikkeling van zorgzame gemeenschappen.Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of dit financiële consequentieszal hebben voor de ambities die gesteld zijn in het AZWA.De Staatssecretaris van Langdurige en Maatschappelijke Zorg gaat dekomende maanden in het kader van de herintroductie van het verzor-gingshuis in gesprek met het veld over de mogelijke invulling van de extrazorg en ondersteuning, de stimulering van de bouwopgave en deontwikkeling van zorgzame gemeenschappen. In totaal zijn hiervoormiddelen beschikbaar oplopend tot € 470 miljoen euro vanaf 2030 vanuitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95043 de reservering op de aanvullende post die het kabinet in het Hoofdlijnen-akkoord heeft afgesproken voor de kwaliteit van de ouderenzorg. Deherintroductie van de verzorgingshuizen heeft geen financiële conse-quenties voor het AZWA.De leden van de D66-fractie achten het van groot belang dat de afsprakendie gemaakt zijn in het AZWA en de daadwerkelijke uitwerking hiervanvoldoende gemonitord zullen worden. Daartoe vragen deze leden opwelke wijze de monitoring van het AZWA concreet ingericht zal worden.Daarnaast vragen genoemde leden op welke wijze de resultaten van demonitoring teruggekoppeld zullen worden naar de Kamer en naarbetrokkenen zoals patiënten en cliënten.Voor de monitoring van het AZWA sluiten we aan bij de reeds bestaandemonitoring van het IZA. Gedurende de komende periode werk ik samenmet partijen aan de concrete uitwerking hiervan. Net als bij het IZA zal ikde kamer regelmatig informeren over de voortgang.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het «Onderhan-delaarsakkoord Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) en devoortgangsrapportage van het Integraal Zorgakkoord (IZA)». Deze ledenhebben de volgende vragen aan de Minister.Om te beginnen willen de leden van de BBB-fractie stilstaan bij deeffectiviteit van het IZA. Ondanks de goede intenties en de inzet vanmiljarden euro’s aan transformatie en doorbraakmiddelen, blijkt uit devoortgangsrapportage dat veel middelen blijven hangen in papier,overlegstructuren en monitoring. De werkdruk in de praktijk blijft hoog,het personeelstekort neemt toe en wachttijden blijven boven de norm.Kan de Minister inzichtelijk maken hoeveel van de middelen uit het IZA enhet Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA) daadwerkelijk zijn terechtge-komen bij concrete projecten in de zorgpraktijk, en hoeveel is uitgegevenaan overleg, monitoring en administratie?Met gemeenten zijn a.d.h.v. het GALA en een specifieke uitkeringafspraken gemaakt over welke activiteiten uitgevoerd moeten worden.Daarbij is getracht de administratieve lasten die gepaard gaan met deverantwoording beperkt te houden. Gemeenten hoeven zich niet teverantwoorden over welke concrete projecten geld ingekocht worden ofhoeveel geld besteed wordt aan de daarbij behorende activiteiten zoalsoverleg, monitoring en administratie, zodat er zoveel mogelijk middelennaar de concrete activiteiten kunnen die bijdragen aan een gezond enactief leven.Welke lessen trekt de Minister uit het feit dat eerdere akkoorden onvol-doende tastbare resultaten hebben opgeleverd voor patiënten enzorgverleners? Is de Minister bereid om een groter deel van debeschikbare middelen van akkoorden direct te investeren in projecten diede zorgpraktijk versterken, zoals regionale ziekenhuizen, innovatiefpersoneelsbeleid, voorzieningen en samenwerking?Zowel in het IZA als in het AZWA zijn afspraken gemaakt met veldpartijenover middelen die aangevraagd kunnen worden voor projecten die dezorgpraktijk direct versteken en regionale samenwerking stimuleren.Zowel met de transformatiemiddelen IZA als met de doorbraakmiddelendie beschikbaar komen voor arbeidsbesparende maatregelen (zoals medtech en AI) vanaf 2026 voor het AZWA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95044 Ook zijn er met de SPUK IZA regeling middelen beschikbaar gesteld zodatgemeenten activiteiten in een samenwerkingsregio kunnen uitvoeren diebehoren bij de ambities en doelen uit het IZA. Eveneens zijn er via ZonMwsubsidies beschikt voor het (door)ontwikkelen en verstevigen van deregionale samenwerkingsstructuur. Hiermee wordt er vanuit de afsprakenvoortkomend uit de akkoorden direct geïnvesteerd in projecten die dezorgpraktijk versterken, zoals regionale ziekenhuizen, innovatiefpersoneelsbeleid, voorzieningen en samenwerking.Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat de administratievelasten in de zorg nog steeds hoog zijn, ondanks de afspraken in het IZAover het terugdringen van regeldruk. Hoe wordt geborgd dat nieuweafspraken uit het AZWA daadwerkelijk leiden tot minder regeldruk enmeer tijd voor de patiënt?Regeldruk is een veelkoppig monster. Het is geen kwestie meer vansimpelweg schrappen van regels, omdat regels met elkaar samenhangenen ontstaan op allerlei niveaus: van wet- en regelgeving, naar kwaliteits-kaders en beroepsnormen en werkprocessen op de werkvloer. In hetverleden is er een evaluatie uitgevoerd van het programma [Ont]Regel deZorg22, waarin in kaart is gebracht wat er goed ging en wat er beter konaan de manier waarop VWS het vraagstuk heeft opgepakt. De geleerdelessen uit de evaluatie zijn verwerkt in het huidige programma. Hierop isonder andere het lokaal aanpakken en implementeren van regeldruk alsbelangrijke pijler naar voren gekomen.Ook het rapport van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS)«Is dit wel verantwoord?» is sturend geweest voor de aanpak vanregeldruk, mede hierdoor zijn twee speciaal gezanten regeldruk en deRegiegroep Aanpak Regeldruk ingesteld. Regeldruk kan immers alleendoor alle relevante partijen in samenwerking met elkaar écht aangepaktkan worden. Regeldruk wordt immers ook door verschillende partijen inde zorg veroorzaakt, van wetgever tot zorginstelling zelf.Het AZWA geeft een belangrijke volgende impuls, omdat er eenversnelling op onderdelen van de ontregelaanpak is afgesproken, naastalle andere acties die al in gang waren gezet. Alle ondertekenaars van hetAZWA nemen hierbij hun verantwoordelijkheid, waaronder ook dezorgverzekeraars die zich hebben gecommitteerd om jaarlijks de inkoop-en verantwoordingseisen en machtigingen en aanvullende verklaringenkritisch onder de loep te nemen om de regeldruk te verminderen.Verder zien genoemde leden dat de inzet van zorgprofessionals voor hetbedienen van regionale aanmeldportalen fors lijkt te zijn, met een directeimpact op de beschikbare zorgcapaciteit. Kan de Minister aangevenhoeveel fte aan zorgprofessionals momenteel structureel wordt ingezetvoor het bedienen van regionale aanmeldportalen, en hoeveel directezorgcapaciteit hierdoor feitelijk verdampt?De leden van de BBB-fractie constateren dat de digitale aanmeldportalenzijn bedoeld om het proces te stroomlijnen, maar uit de praktijk blijkt datslechts een zeer klein percentage van de aanvragen niet direct werdopgepakt, terwijl nu 100% via een portaal moet lopen. Hoe weegt deMinister de meerwaarde van deze digitale aanmeldportalen, gegeven datuit de praktijk blijkt dat slechts een klein percentage van de aanvragen nietdirect werd opgepakt, terwijl nu 100% van de aanvragen via een portaalmoeten lopen?22Eerste Kamer der Staten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95045 Ook wijst de Internationale literatuur op de productivity paradox: digitaleinnovaties kunnen leiden tot hogere administratieve lasten en lagereproductiviteit. Is de Minister bekend met de internationale literatuur overde productivity paradox (Brynjolfsson, 1993), waarin digitale innovatiesvaak leiden tot hogere administratieve lasten en lagere productiviteit? Hoeverhoudt dit zich tot de invoering van aanmeldportalen in de wijkver-pleging?Daarnaast werken beleidsinstrumenten die de autonomie van professi-onals beperken vaak contraproductief, aldus Lipsky (1980). Deelt deMinister de analyse van Lipsky (1980) dat beleidsinstrumenten die deautonomie van professionals beperken, vaak contraproductief uitwerken?Hoe borgt de Minister dat digitale systemen zoals aanmeldportalen dehandelingsruimte van wijkverpleegkundigen niet verder inperken?Verder ontvangen de leden van de BBB-fractie signalen vanuit de praktijkdat de invoering van regionale aanmeldportalen de zeggenschap enautonomie van wijkverpleegkundigen verkleint, doordat zij hun professi-onele oordeel moeten inleveren bij een geautomatiseerd systeem. Kan deMinister bevestigen dat de invoering van regionale aanmeldportalen dezeggenschap en autonomie van wijkverpleegkundigen verkleint, doordatzij steeds vaker hun professionele oordeel moeten inleveren bij eengeautomatiseerd plaatsingssysteem? Hoe verhoudt dit zich tot deIZA-doelstelling om juist het vakmanschap van de professional teversterken?De leden van de BBB-fractie weten dat het doel van het IZA en AZWAdomeinoverstijgende samenwerking is, maar in de praktijk leidt deveelheid aan regionale aanmeldportalen tot fragmentatie en extrabureaucratie. Hoe rijmt de Minister het doel van het IZA en het AanvullendZorg- en Welzijnsakkoord (AZWA), het bevorderen van domeinoverstij-gende samenwerking, met de praktijk dat er inmiddels een bonteverzameling aanmeldportalen per regio is ontstaan, wat juist leidt totfragmentatie en extra bureaucratie?Verder veroorzaakt een kleine groep complexe zorgvragen momenteelgrootschalige administratieve lasten voor alle aanvragen. Welke alterna-tieven ziet de Minister om de kleine groep complexe zorgvragen die nietdirect worden opgepakt beter te adresseren, zonder dat dit leidt totgrootschalige administratieve lasten en verlies van zorgcapaciteit?Ook is het van belang om de effecten van digitale aanmeldportalen opzorgcapaciteit, toegankelijkheid en professionele autonomie goed temonitoren. Op welke wijze monitort het ministerie de effecten van digitaleaanmeldportalen op de feitelijke zorgcapaciteit, toegankelijkheid en deprofessionele autonomie? Is de Minister bereid om dit onafhankelijk telaten evalueren en de Kamer hierover te informeren?De leden van de BBB-fractie hebben verschillende vragen gesteld overaanmeldportalen binnen de wijkverpleging. Omdat deze vragen nauw metelkaar samenhangen, geef ik een integrale reactie.Zoals tijdens het commissiedebat wijkverpleging van 3 september 2025aangegeven, werk ik samen met betrokken partijen23 aan het herkenbaaren aanspreekbaar organiseren van de wijkverpleging. Uit onderzoek blijktdat het voor cliënten, mantelzorgers en zorgverleners het soms veelmoeite kost om wijkverpleging tijdig te organiseren24. Huisartsen23Partijen die zijn aangesloten bij de visie eerstelijnszorg 203024Equalis (2024): clientvolgend onderzoek in de wijkverpleging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95046 besteden bijvoorbeeld regelmatig veel tijd aan het zoeken en rondbellenvoor beschikbare wijkverpleegkundige zorg. Daarnaast is er een kleinegroep cliënten met complexe zorgvragen waarvoor het snel organiserenvan toegang tot wijkverpleging niet altijd lukt25. Ik vind het belangrijk datcliënten, mantelzorgers en verwijzers ongeacht het tijdstip snel terechtkunnen voor wijkverpleegkundige zorg.In de visie eerstelijnszorg 2030 en het IZA is daarom vastgelegd datwijkverpleging zich herkenbaar en aanspreekbaar moet organiseren. Ditstelt cliënten en verwijzers in staat om snel en duidelijk te weten waar zijterechtkunnen met een zorgvraag. Daarnaast draagt het bij aan hetverbeteren en standaardiseren van de zorg. Door betere afstemmingtussen wijkverpleegkundigen van verschillende aanbieders ontstaatruimte voor informatie-uitwisseling en samenwerking. De wijkverpleeg-kundige blijft daarin professioneel autonoom bij het stellen van deindicatie en leveren van zorg. Het versterken van deze samenwerkingbinnen de wijkverpleging is bovendien nodig om goed aan te sluiten bijsamenwerkingsverbanden met huisartsen, apothekers en het sociaaldomein, zoals beschreven in de visie eerstelijnszorg.Een deel van deze samenwerkingsafspraken is reeds vastgelegd in deLeidraad Herkenbare en Aanspreekbare Wijkverpleging, opgesteld doorActiZ, Patiëntenfederatie Nederland, V&VN, VNG, VWS, ZN en Zorgt-huisNL26. Het eindrapport van maart 2024 van het Rijksinstituut voorVolksgezondheid en Milieu (RIVM) laat zien dat er beweging op gang isgekomen en dat er succesvolle voorbeelden zijn. Landelijke opschaling isechter uitgebleven, onder andere door onduidelijkheid over de verant-woordelijkheden van betrokken partijen. Daarom heeft mijn voorgangerbegin 2025 met landelijke eerstelijnspartijen afgesproken om de rollen enverantwoordelijkheden met de partijen te verduidelijken om boven-staande samenwerking en coördinatie van zorgvragen te stimuleren enversterken.27 Op dit moment rond ik de uitwerking van deze afsprakenmet het veld af. Uw Kamer wordt hierover in het eerste kwartaal van 2026geïnformeerd.Ik vind het belangrijk dat de wijkverpleging in elke regio en wijkherkenbaar en aanspreekbaar georganiseerd is voor cliënt, mantelzorgeren verwijzer. Hoe die samenwerking vorm krijgt, is aan partijen in deregio. Ik kies bewust voor het laten van deze ruimte, vanwege regionaleverschillen en verschillende behoeften binnen het veld. De behoefte aanlokaal en regionaal maatwerk bleek ook uit de rondgang die ik metpartijen langs regionale (goede) voorbeelden heb gemaakt. Daaromleggen we landelijk geen vast samenwerkingsmodel op of eenverplichting dat elke zorgvraag via een bepaalde route moet wordenbehandeld. Wel leggen we duidelijke uitgangspunten, rollen en verant-woordelijkheden vast die eraan bij moeten dragen dat regio’s en wijkensamenwerking op een effectieve en doelgerichte manier kunnen invoeren.Aanmeldportalen zijn een instrument om het doel van toegankelijke zorgvoor iedereen te bereiken, maar geen doel op zich. Indien partijenconstateren dat aanmeldportalen niet effectief zijn of ongewenste effectenhebben ligt het bij de betrokken partijen zelf om dit te adresseren en teverbeteren, dan wel voor een alternatieve werkwijze te kiezen. Ik heb dusook niet in beeld hoeveel regio’s op dit moment met zo’n portaal werkenen hoeveel fte hiermee gemoeid is.25Equalis (2024): clientvolgend onderzoek in de wijkverpleging.26Leidraad herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging_2020.pdf27Eindrapport Herkenbare en Aanspreekbare wijkverpleging Ontwikkelingen en lessen 2021 -2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95047 Uw zorgen over administratieve lasten, vermindering van handelings-ruimte en vakmanschap van wijkverpleegkundigen en de mogelijkecontraproductieve effecten van aanmeldportalen neem ik serieus. Het kaninderdaad zo zijn dat goed bedoelde innovaties uiteindelijk averechtsuitpakken en dat wil ik, net als alle betrokkenen, uiteraard voorkomen.Mijn speerpunt is om in de samenwerking effectieve korte lijnen tussenhuisartsen en wijkverpleging te behouden. Uw zorgen breng ik actiefonder de aandacht bij partijen waarmee ik momenteel de uitwerking vande landelijke afspraken afrond. Zoals aangegeven, leren we daarbij actiefvan regio’s waar de samenwerking al succesvol verloopt. Ik zal delandelijke opschaling van herkenbare en aanspreekbare wijkverplegingnauwgezet blijven volgen, onder andere middels de IZA-monitoring. In heteerste kwartaal van 2026 informeer ik uw Kamer over de landelijkeafspraken die ik heb gemaakt en zal ik, zoals toegezegd in het commissie-debat wijkverpleging, specifiek ingaan op ervaringen met aanmeldpor-talen.Verder hechten de leden van de BBB-fractie aan regionale zeggenschap endirecte investeringen in de zorg. Kan de Minister aangeven hoe regionalesamenwerking concreet wordt gefaciliteerd en gefinancierd, en hoe wordtvoorkomen dat regio’s met minder zorgvoorzieningen achterblijven?Zoals ook beschreven in de werkagenda van team overheid behorende bijhet AZWA ontstaan transformaties niet van de ene op de andere dag envragen deze veel inspanning van de betrokken partijen. Als overheidsturen we hierop, maar willen we ook naast (regionale) partijen staan enis het bieden van ondersteuning cruciaal. Hiervoor worden verschillendeinstrumenten ingezet. Het gaat hierbij zowel om financiële ondersteuning(zoals de transformatiemiddelen, SPUKs en verschillende subsidies viaZonMw), als het delen van beschikbare data (via regiobeeld.nl) eninformatie (via bijvoorbeeld www.zorgakkoorden.nl en bijeenkomsten).Ook biedt de overheid hulplijnen aan, bijvoorbeeld via de VliegendeBrigade en het Platform Sociaal Domein.Ook vinden de leden van de BBB-fractie dat zorggeld vooral besteed moetworden aan de zorg tussen patiënt en professional zelf, en niet aanmanagementlagen, overleggen en administratie. Daarnaast vinden dezeleden dat zorgverzekeraars hun winst weer zoveel mogelijk moeteninvesteren in de zorg. Kan de Minister aangeven welk percentage van hetzorgbudget op dit moment besteed wordt aan management, overlegtafelsen administratie, en welk deel daadwerkelijk terechtkomt bij zorgverlenersen patiënten?Nee, dat kan ik niet.Is de Minister bereid om een norm in te voeren voor de maximalehoeveelheid tijd gestoken in management/overheid zonder directezorgtaken? Wordt er binnen het AZWA en IZA actief gestuurd op hetterugdringen van functies die «aan de zorg» werken in plaats van «in dezorg»? Zo ja, hoe wordt dit gemonitord en gerapporteerd?Nee, er komt geen norm. Met het AZWA werken we nu gezamenlijk toenaar maximaal 20% administratie tijd voor medewerkers in de zorg metdirect patiëntencontact. Waarbij het uitgangspunt is dat deze werkzaam-heden niet verschuiven naar de «back-office».Is de Minister bereid om wettelijk vast te leggen dat minimaal 50% van degereserveerde winsten van zorgverzekeraars wordt ingezet voor onvoor-ziene omstandigheden, zoals acute wachttijdproblematiek?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95048 Ik vind dit inhoudelijk geen goed voorstel. Zorgkosten moeten betaaldworden uit premiegelden die zorgverzekeraars ontvangen. Zorgverzeke-raars hebben beschikking over hun premiegelden om de kosten van deacute én niet-acute zorg voor hun verzekerden te vergoeden. Alszorgverzekeraars aan het einde van het jaar geld overhouden, dangebruiken zorgverzekeraars dat om de premie van het daaropvolgendejaar te dempen (het geld gaat dan terug naar de verzekerden) of om dereserves aan te vullen (waar de Nederlandsche Bank toezicht op houdt).Ook juridisch gezien vind ik dit geen goed voorstel. Ik ga als Minister nietover de winst van zorgverzekeraars omdat dit private rechtspersonen zijn.Dan de arbeidsvoorwaarden. De leden van de BBB-fractie willen in ditschriftelijk overleg ook aandacht vragen voor de arbeidsvoorwaardepensioen. Nederland kent een van de grootste pensioenverschillen tussenmannen en vrouwen in Europa: gemiddeld 40 tot 45 procent. Dit verschilis deels te verklaren door deeltijdwerk, maar ook werken vrouwen vaker inlager betaalde beroepen en laten onderzoeken zien dat vrouwen ook als zeexact hetzelfde werk doen als hun mannelijke collega’s, gemiddeld minderverdienen. Juist in de sector zorg en welzijn, waar ruim 80% van dewerknemers vrouw is, is dit ook een vraagstuk dat aandacht verdient. Kande Minister aangeven hoe groot de pensioenkloof tussen mannen envrouwen is in de sector zorg en welzijn? Is de Minister bereid om bij deuitwerking van het AZWA expliciet aandacht te besteden aan de pensioen-kloof tussen mannen en vrouwen in zorg en welzijn? Wordt er binnen hetAZWA ingezet op maatregelen die het makkelijker maken voor vrouwenom meer uren te werken als zij dat willen, aangezien deeltijdwerken ookvan grote invloed is op de pensioenopbouw? Kan de Minister toezeggendat bij toekomstige arbeidsmarktafspraken binnen AZWA en IZA ook depensioenkloof wordt meegenomen als indicator voor gelijkwaardigheid enbestaanszekerheid?Gegevens over de omvang van de pensioenkloof tussen mannen envrouwen specifiek in de sector zorg en welzijn zijn niet voor handen. VoorNederland als geheel bedroeg de pensioenkloof tussen mannen envrouwen in 2022 circa 40%28. Daarbij is sprake van een dalende trend, in2009 bedroeg de pensioenkloof nog 46,1%. De huidige pensioenkloof is inde afgelopen decennia ontstaan door een verschil in pensioenopbouw.Belangrijke oorzaken van het verschil in pensioenopbouw zijn het verschilin arbeidsparticipatie, arbeidsduur en beloning tussen mannen envrouwen.Pensioen is een onderwerp op het beleidsterrein van het Ministerie vanSZW en heeft geen direct inhoudelijk relatief met het AZWA of IZA. Depensioenkloof meenemen binnen de verdere uitwerking van het AZWA ofIZA vind ik dan ook niet logisch.Wel vind ik het belangrijk dat als werknemers binnen zorg en welzijn meeruren willen werken, ze dit ook kunnen doen. Dit kan ook indirect bijdragenaan het verkleinen van de pensioenkloof, omdat er relatief veel vrouwenbinnen zorg en welzijn in deeltijd werken. Werkgevers spelen eenbelangrijke rol in de mogelijkheden om meer uren te werken. Onderzoekvan Berenschot heeft aangetoond dat zo’n 60% van de werkgevers nogniet het gesprek heeft gevoerd met zijn/haar werknemer over contractuit-breiding29. Ook maatregelen zoals betere roostering en werk-privébalanszijn effectief voor meer uren werken en kunnen door een werkgeveropgepakt worden.28Het gaat hierbij om het pensioen van mensen van 65 tot 79 jaar.29Rapport Onderzoek meerurenbonus Zorg en Welzijn | Tweede Kamer der Staten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95049 De afgelopen jaren is Stichting Het Potentieel Pakken (HPP) door VWS(financieel) ondersteund in hun missie om via verandertrajecten belem-meringen om meer uren werken weg te nemen. Kennis en inzichten diezijn opgedaan zijn openbaar toegankelijk gemaakt door HPP via eendigitaal platform waardoor werkgevers er zelf mee aan de slag kunnen:www.groterecontractenindezorg.nlDaarnaast werkt SZW samen met de Universiteit Utrecht aan het project«Meer uren werkt!», onderdeel van het groeifondsprogramma. Dit projectricht zich op het wegnemen van zichtbare en onzichtbare drempels in desociale omgeving, bij arbeidsorganisaties en bij deeltijders zelf, zodat zijmeer uren kunnen gaan werken. Het project brengt vijf bewezen inter-venties in de praktijk bij deelnemende organisaties in de sectorenonderwijs, zorg en kinderopvang.Tot slot willen de leden van de BBB-fractie dat de Minister reflecteert opde governance en sturing binnen het IZA en AZWA. Uit het rapport«Pionieren in niemandsland» blijkt dat structurele samenwerking tussenhet sociaal en medisch domein moeizaam tot stand komt door gebrek aanregie, versnipperde financiering en onvoldoende gelijkwaardigheid. Is deMinister bereid om regionale tafels met gezamenlijke regiobudgetten in terichten, zoals aanbevolen in het rapport «Pionieren in niemandsland»?Om de toegang tot zorg en ondersteuning te borgen en om het hoofd tekunnen bieden aan domeinoverstijgende opgaven is samenwerkingtussen het medisch en sociaal domein nodig. In het AZWA zijn daaromafspraken gemaakt die gericht zijn op het versterken van deze samen-werking. Verder zijn de regionale partijen zelf hard aan de slag met hetvormgeven van hun governance. Ik vind dit een belangrijke ontwikkeling,die ik ook financieel ondersteun. Als regio’s zich beter organiseren, zorgtdit voor meer continuïteit en stabiliteit in de samenwerking tussen zorg-en welzijnspartijen in de regio. Hierdoor kunnen de benodigde plannenom de zorg en ondersteuning toegankelijk, betaalbaar en van goedekwaliteit te behouden, goed en tijdig worden opgepakt en uitgevoerd.Vanuit de visie op zorg, ondersteuning en domeinoverstijgende opgavendie regio’s opstellen volgt vervolgens een gesprek over financiëlemiddelen. Veel regio’s krijgen momenteel ook al financiële middelen vooruitvoering van hun regioplannen en transformatieplannen, waar desamenwerking tussen het medisch en sociaal domein ook onderdeel vanuitmaakt. Ook vanuit het AZWA zal er geld beschikbaar komen.Wordt er gewerkt aan een leerstructuur en kennisdeling tussen regio’s,zodat succesvolle domeinoverstijgende initiatieven kunnen wordenopgeschaald en niet iedere regio steeds opnieuw het wiel hoeft uit tevinden?Graag bevestig ik het belang van een gedegen leerstructuur en anderevormen van een landelijke infrastructuur waarlangs opgebouwde kennis(bijvoorbeeld over succesvolle domein-overstijgende initiatieven) tussenregio’s beter gedeeld en benut kan worden. Over deze geïntegreerdekennis infrastructuur en lerend netwerk zijn we onder andere met hetRIVM, ZonMw en regionale netwerken/s/samenwerkingsverbanden ingesprek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 765, nr. 95050
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.