KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kamerbrief over Beleidsvoorstellen ontwerpbegroting 2025 van H22 met CW 31 kaders

17 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e1f49d7bed14c9df · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 XXIIVaststelling van de begrotingsstaat van hetMinisterie van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening (XXII) voor het jaar 2025Nr. 9 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 17 oktober 2024Middels deze brief informeer ik de Kamer over de beleidsvoorstellen uitde Ontwerpbegroting H22 van VRO met significante financiële gevolgen(€ 20 miljoen of meer in enig jaar). Daarbij wordt conform wetsartikel 3.1van de Comptabiliteitswet 2016 per voorstel ingegaan op onder anderedoelen, instrumenten, financiële gevolgen en de verwachte doeltref-fendheid en doelmatigheid. Sinds eind 2021 gebeurt dit Rijksbreed via dewerkwijze «Beleidskeuzes uitgelegd», zie Kamerstuk 31 865, nr. 198.Voor het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zijn indeze brief de volgende onderwerpen opgenomen:Begrotingshoofdstuk 22:•Opschalen woningbouw•Uitvoering woningbouw•Grootschalige woningbouwgebieden•Woningbouwimpuls 2.0 en realisatiestimulans (financiële ondersteu-ning voor betaalbare woningbouw) kst-36600-XXII-9ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 91 1. Opschalen woningbouw Beleidskeuzes uitgelegd1. Doel(en)Het hoofddoel is om 100.000 woningen per jaar te realiseren. Om dit tebehalen moeten we slimmer, innovatiever en met minder menskrachtwoningen bouwen. Om dit te bereiken moeten we aanvullend extramaatregelen nemen (1) op het gebied van het aanjagen van innovatie dooronderzoek, pilots en beleidsmaatregelen (zowel in de opstart- als opscha-lingsfase) om (2) belemmeringen weg te nemen.1. Innovatie heeft betrekking op besparing op menskracht en materiaalinclusief biobased en circulair bouwen. We zetten daarom in op verderekennisdeling innovatie, typegoedkeuring, geluidadaptief bouwen en deintroductie van parallel plannen als nieuwe norm.2. Wegnemen van belemmering met betrekking tot de (ruimtelijke) grenzenvan Nederland: zoals de beperkte ruimte op het elektriciteitsnet maarbijvoorbeeld ook belemmerende regelgeving vanuit Europa. De meervou-dige ruimteclaims dwingen ons om integraler naar ruimtelijke vraagstukkente kijken. Naast de genoemde fysieke aspecten waarmee bij woningbouwrekening moet worden gehouden, is er winst te behalen op het gebied vanprocesmatige efficiëntie. Dit kan door parallel plannen de standaardwerkwijze te maken: hiermee kan de planfase van woningbouw aanzienlijkworden ingekort.2. Beleidsinstru-ment(en)Om de doelen te realiseren en sneller te kunnen opschalen naar debenodigde 100.000 woningen per jaar, worden verschillende beleidsinstru-menten ingezet. Bijvoorbeeld in de vorm van subsidies of directe ondersteu-ning aan innovatieprojecten. Hiermee wordt vanaf 2025 gestart. Het exactebedrag zal per instrument variëren. Hieronder is een niet-limitatieveopsomming weergegeven van de belangrijkste beleidsinstrumenten. Enkelehiervan zijn een vervolg op reeds succesvol ingezette maatregelen. Er wordtingezet op (door middel van subsidies en bijdragen):– Het testen en toepassen van kennis uit experimenten, pilots en ontwerp-wedstrijden in de praktijk voordat het naar beleid vertaald kan worden.– industriële woningbouwproductie– innovatieve oplossingen voor klimaatadaptatie en netcongestie– schonere bouwwijzen waarbij minder emissies vrijkomen– Geluidadaptief bouwen. Een voorbeeld hiervan is de ondersteuning vanhet meerjarig onderzoek naar geluidadaptieve bouw in samenwerking metonder meer de TU Delft en het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.– de aanpak van niet-vitale vakantieparken en de kansen daarbij voorwoonoplossingen.– Daarnaast wordt een bijdrage gedaan aan de Raad van State ten behoevevan aanvullende capaciteit voor zaken rondom woningbouw om dedoorlooptijd te bespoedigen.3. A. Financiëlegevolgen voorhet RijkVan 2025 tot en met 2029 wordt jaarlijks € 25 mln. en cumulatief € 125 mln.beschikbaar gesteld. De middelen worden verantwoord op artikel 1.2Woningbouw van de VRO-begroting.B. Financiëlegevolgen voormaatschappe-lijke sectorenDe financiele gevolgen voor maatschappelijke sectoren is tweeledig.Enerzijds worden kosten bespaard doordat innovaties resulteren ineffectieve(re) bouw- en ontwikkelprocessen. Anderzijds moeten innovatietra-jecten leiden tot sneller meer woningen, doordat er meer ruimte komt voorwoningbouw door het toepassen van innovaties. Dit zorgt voor een groterefinanciele inspanning van maatschappelijke sectoren om die ruimte ookdaadwerkelijkt te benutten en sneller meer woningen te realiseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 92 Beleidskeuzes uitgelegd4. NagestreefdedoeltreffendheidHet voorgestelde instrumentarium is een efficiënte manier om de beoogdeprestaties en effecten te bereiken, omdat we hiermee een eerste zet gevenaan innovatie die de markt vervolgens zelf kan oppakken. Innovatie,experimenteren en pilots brengen kosten met zich mee die projectontwikke-laars of gemeenten niet als enige partij kunnen dragen binnen een specifiekproject. Door als Rijk actief innovatie te stimuleren kan nieuwe kennisopgedaan worden, om vervolgens landelijk te verspreiden. Er zijn over deafgelopen jaren enkele succesvolle voorbeelden geweest, bijvoorbeeldrondom kennisdeling over innovatie, typegoedkeuring, en geluidadaptiefbouwen. Er bestaat een goede samenwerkingsstructuur met medeoverhe-den en marktpartijen, die een effectieve verspreiding hiervan kan bespoedi-gen Deze partijen kunnen deze vervolgens zelf integreren in hun bouwprocesof -product.Door innovatie belemmeringen aan te pakken en te voldoen aan devoorwaarden voor woningbouw ontstaat er ook een financiële prikkel voorbouwers/gemeenten om dit vervolgens in bouwprojecten toe te passen. Erkunnen namelijk kosten mee bespaard worden, nieuwe bouwlocaties meeworden verkregen of de benodigde arbeidstekorten mee worden gemiti-geerd. Het Rijk treedt in deze op als aanjager en stimulator van de innovatie.De structurele toepassing van de opgedane kennis wordt vervolgens waarrelevant overgenomen door de sector. Op deze wijze kan het Rijk efficiënteen structurele verandering in de sector bewerkstelligen, met een incidenteleondersteuning.5. NagestreefdedoelmatigheidHet voorgestelde instrumentarium is een efficiënte manier om de beoogdeprestaties en effecten te bereiken, omdat we hiermee een eerste zet gevenaan innovatie die de markt vervolgens zelf kan oppakken. Innovatie,experimenteren en pilots brengen kosten met zich mee die individueleprojectontwikkelaars of gemeenten niet kunnen dragen binnen een specifiekproject. Door als Rijk actief innovatie te stimuleren in deze specifiekeprojecten kan nieuwe kennis opgedaan worden door de betrokken partijen,om vervolgens landelijk te verspreiden. Er zijn over de afgelopen jarenenkele succesvolle voorbeelden geweest, bijvoorbeeld rondom kennisdelingover innovatie, typegoedkeuring, en geluidadaptief bouwen. Er bestaat eengoede samenwerkingsstructuur met medeoverheden en marktpartijen, dieeen effectieve verspreiding hiervan kan bespoedigen. Deze partijen kunnendeze vervolgens zelf integreren in hun bouwproces of -product.Door innovatie belemmeringen aan te pakken en te voldoen aan devoorwaarden voor woningbouw ontstaat er ook een financiële prikkel voorbouwers/gemeenten om dit vervolgens in bouwprojecten toe te passen. Erkunnen namelijk kosten mee bespaard worden, nieuwe bouwlocaties meeworden verkregen of de benodigde arbeidstekorten mee worden gemiti-geerd. Het Rijk treedt in deze op als aanjager en stimulator van de innovatie.De structurele toepassing van de opgedane kennis wordt vervolgens waarrelevant overgenomen door de sector. Op deze wijze kan het Rijk efficiënteen structurele verandering in de sector bewerkstelligen, met een incidenteleondersteuning.6. Evaluatiepara-graafConform de Regeling periodiek evaluatieonderzoek rapporteert de Ministereens in de vier tot zeven jaar over het opgedane inzicht in de (voorwaardenvoor) de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de maatregelen en overde mogelijkheden om de (kans op) doeltreffendheid en doelmatig van hetbeleid te vergroten. Voor de thema’s Woningmarkt en Woningbouw zal in2028 de volgende periodieke rapportage aan de Kamer worden aangebodenIn dit synthese-onderzoek zal aandacht zijn voor deze financiële impulsvanuit het hoofdlijnenakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 37). Dekomende jaren zullen onderdelen van deze middelen daarom als voorberei-ding op deze periodieke rapportage separaat geëvalueerd worden. Welkeonderdelen dit zijn wordt nog nader bepaald. Op de Strategische EvaluatieAgenda van 2026 wordt hiervoor een eerste concrete evaluatieprogramme-ring opgenomen.Naast dat de financiele impulsen onderdeel zijn van het synthese-onderzoek,is er in de individuele trajecten uitgebreid aandacht voor monitoring enevaluatie. Tijdens een innovatietraject zijn de effecten van betreffendeinnovaties niet altijd goed te voorspellen. Het is daarom belangrijk om dekwaliteit van het innovatieproces en de opbrengsten continu te monitoren ente evalueren. Een duidelijk plan aan het begin van een ontwikkeltraject zorgtdat het mogelijk is om geconstateerde onvolkomenheden te corrigeren ofaan te passen. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 93 2. Uitvoering woningbouw Beleidskeuzes uitgelegd1. Doel(en)Het terugdringen van de woningnood is een topprioriteit van dit kabinet. Hethoofddoel is om 100.000 woningen per jaar te realiseren. Er is jarenlang teweinig gebouwd in verhouding tot de groei van de bevolking en kleinerehuishoudens. Naast dat er meer en sneller gebouwd moet worden, wordt erook gewerkt aan de betaalbaarheid en kwaliteit van woningen en deleefomgeving. Onder meer met het vereenvoudigen van de huurtoeslag, eenaanpak voor funderingsschade, het maken van nieuwe Nationale Prestatieaf-spraken met woningcorporaties (NPA) en de voortzetting van het NationaalProgramma Leefbaarheid en Veiligheid (NPLV). Ook moeten er keuzesworden gemaakt in de Nederlandse schaarse ruimte voor onder anderewonen en werken, landbouw en defensie.Om de kabinetsplannen uit te werken en uit te voeren is er een aparte reeksopgenomen voor uitvoeringskosten.2. Beleidsinstru-ment(en)Bij de uitwerking van de nieuwe woningbouwmaatregelen wordt ook denadere uitwerking van de uitvoeringskosten bezien. Bij de Voorjaarsnota2025 zal de verdere verdeling van deze middelen over de verschillendebegrotingsonderdelen zichtbaar zijn. Het gaat hier om uitvoeringskosten diebetrekking hebben op de verschillende maatregelen die in deze kamerbriefgenoemd worden (zie hiervoor de andere kaders «Beleidskeuzes uitgelegd»).3. A. Financiëlegevolgen voorhet RijkDe uitgaven voor uitvoering woningbouw worden verantwoord op artikel 1.2Woningbouw van de VRO-begroting. Hiervoor is tot en met 2032 cumulatief€ 136 mln. beschikbaar.B. Financiëlegevolgen voormaatschappe-lijke sectorenNiet van toepassing.4. NagestreefdedoeltreffendheidDe middelen zijn bedoeld voor de uitwerking en uitvoering van het beleidvan het Ministerie van VRO. Een doeltreffende besteding van middelen isonderdeel van de uitwerking van het beleid.5. NagestreefdedoelmatigheidDe middelen zijn bedoeld voor de uitwerking en uitvoering van het beleidvan het Ministerie van VRO. Een doeltreffende besteding van middelen isonderdeel van de uitwerking van het beleid.6. Evaluatiepara-graafConform de Regeling periodiek evaluatieonderzoek rapporteert de Ministereens in de vier tot zeven jaar over het opgedane inzicht in de (voorwaardenvoor) de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de maatregelen en overde mogelijkheden om de (kans op) doeltreffendheid en doelmatig van hetbeleid te vergroten. Voor de thema’s Woningmarkt en Woningbouw zal in2028 de volgende periodieke rapportage aan de Kamer worden aangeboden. Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 94 3. Grootschalige woningbouwgebieden Beleidskeuzes uitgelegd1. Doel(en)Grootschalige woningbouwgebieden zijn nodig omdat in een aantalgebieden in Nederland het woningtekort zo groot is, dat alleen kleine enmiddelgrote locaties met goede betaalbare woningen onvoldoende zijn omtoe te groeien naar de realisatie van 100.000 woningen per jaar. Dit isbenoemd als politiek doel in het Hoofdlijnenakkoord en vervolgensuitgewerkt in het regeerprogramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96). Ca.40% van de nieuwe woningen t/m 2033 ligt binnen de grootschaligewoningbouwgebieden. Het gaat om het realiseren van gehele wijken enbuurten, oftewel bredere gebiedsontwikkeling. De ontwikkeling van dezegebieden vraagt – naast private investeringen – ook om publieke investerin-gen.Het doel van deze regeling is om gemeenten in staat te stellen gebiedsmaat-regelen te realiseren die als randvoorwaarden noodzakelijk zijn om dehuidige 17 en toekomstige grootschalige woningbouwgebieden verder teontwikkelen en de bouw van woningen te realiseren. Denk hierbij ook aanhet vinden van een goede balans tussen wonen en werken, bereikbaarheid,een klimaatbestendige inrichting van gebieden en de openbare ruimte.De financiële bijdrage vanuit het Rijk is nodig om een deel van het publieketekort op de gebiedsontwikkeling te dekken en daarmee de realisatie van dewoningen (versneld) tot stand te laten komen. Zonder bijdrage moetenambities zodanig worden bijgesteld dat de scope van het project moetworden aangepast. Deze aanpassing van scope kan leiden tot minderwoningen als de hinderbeperkende maatregelen niet kunnen worden beperktdoor het toepassen van innovaties (zie kader 1) of het nemen van maatrege-len of aanpassingen in de regelgeving om hinder te beperken (dit kader).Ook kan het een (nadelig) effect hebben op het aandeel betaalbare woningenomdat het niet te financieren deel afgewenteld wordt op de prijssegmenten.Daarnaast kan het uitblijven van een rijksbijdrage leiden tot vertragingomdat gemeenten en (markt)partijen door beperkt weerstandsvermogen definanciële risico’s niet kunnen dragen van de gebiedsontwikkeling.Tegelijkertijd wordt op landelijk niveau verder gewerkt aan uitwerking vanhet mogelijke instrumentarium op het gebied van intensievere rijksbetrok-kenheid en actief grondbeleid. Het IBO rapport «Woningbouw en Grond»biedt hiervoor een waardevolle basis. Specifiek heeft de grondfaciliteit alsdoel het stimuleren van actief grondbeleid door gemeenten, bijvoorbeeld hetstrategisch verwerven van grondposities in gebiedsontwikkelingen. Actiefgrondbeleid leidt tot versterking van de publieke regierol en versnelling vande gebiedstransformatie. Financiële deelname van het Rijk via de grondfacili-teit in het gemeentelijke grondbeleid verlaagt het risico van de investeringen de druk op de gemeentefinanciën. Aan een dergelijke bijdrage verbindthet Rijk nadere sturingsafspraken, eventueel in de vorm van intensievererijksbetrokkenheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 95 Beleidskeuzes uitgelegd2. Beleidsinstru-ment(en)1. Met het Gebiedsbudget maakt het rijk schaalspronginvesteringen mogelijkin grootschalige woningbouwgebieden. Dit gaat bijvoorbeeld om investerin-gen in openbare ruimte en het wegnemen van hindergevende bedrijvigheid.Over het aanwenden van de middelen en de te leveren prestaties maken wewederzijds bindende afspraken tussen het Rijk, medeoverheden en anderebetrokken partijen in heel Nederland voor zowel de korte als de langeretermijn. De wederzijds bindende afspraken worden bestuurlijk vastgelegd.We monitoren deze afspraken en spreken elkaar zo nodig aan. In het uiterstegeval kunnen de Rijksmiddelen worden teruggevorderd als er geen realisatieplaatsvindt binnen de afgesproken termijn.De voortgang van de uitvoering van de gebiedsontwikkelingen (en daarbin-nen de gebiedsmaatregelen) is onderwerp van gesprek binnen de gover-nance en/of overlegstructuren die er met de grootschalige woningbouwge-bieden zijn en/of worden ingericht. Bij de verdere uitwerking wordt bezienvia welk instrument de bijdrage het effectiefst naar medeoverheden kanworden gealloceerd.2. Intensiveren rijksbetrokkenheid. Voor een succesvolle realisatie vanwoningbouwplannen spelen overheden, met name gemeenten, eenbelangrijke rol op de grondmarkt. Door het verwerven, ontwikkelen enuitgeven van eigendomsposities kunnen zij invloed uitoefenen op deprogrammering en fasering van woningbouw. Het vroegtijdig opstellen enuitvoeren van een grondstrategie bij woningbouwplannen helpt waardebinnen een gebied houden. Een gemeente vestigt dan bijvoorbeeld eenvoorkeursrecht of verwerft grond zonder dat er al vastomlijnde woning-bouwplannen zijn. Actief grondbeleid van Nederlandse gemeenten is na definanciele crisis van 2008 minder prominent geworden. Veel gemeentenbeschikken niet over de middelen, financiële positie en/of «risk appetite» omde bijkomende risico’s op eigen kracht te dragen en zijn mede daardoorterughoudend in grondaankopen. Conform de aanbeveling uit het IBO wordtonderzocht hoe een rijksgrondfaciliteit gemeenten kan ondersteunen omgrondposities in te nemen, zodat het rijks risico’s deelt met gemeenten.3. A. Financiëlegevolgen voorhet RijkDe uitgaven voor grootschalige woningbouw en grond worden verantwoordop artikel 1.2 Woningbouw van de VRO-begroting. Cumulatief wordt van2025 tot en met 2029 circa € 1,25 mld. beschikbaar gesteld (inclusief btw).Op de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën is daarnaast 5x€ 500 mln. gereserveerd ten behoeve van het Ministerie van IenW voor deontsluiting van woningbouwprojecten. Een deel van deze middelen kan ookvoor de grootschalige woningbouwgebieden worden ingezet.B. Financiëlegevolgen voormaatschappe-lijke sectorenMedeoverheden (zoals provincies, gemeenten en waterschappen) dragenfinancieel bij aan de grootschalige gebiedsontwikkelingen (via cofinancie-ring). Gemeenten wordt gevraagd de overeenkomsten/deals door te vertalennaar afspraken met de markt en corporaties. De overige tekorten wordendoor de gemeente en/of andere partijen gedekt. Hierdoor zal er in vrijwel alleprojecten sprake zijn van cofinanciering. We houden bij of deze afsprakennagekomen worden en spreken elkaar zo nodig aan. In het uiterste gevalkunnen Rijksmiddelen worden teruggevorderd.Financiële deelname van het Rijk via de grondfaciliteit in het gemeentelijkegrondbeleid verlaagt het risicoprofiel van de investering en de druk op degemeentefinanciën. Aan een dergelijke bijdrage verbindt het Rijk naderesturingsafspraken, eventueel in de vorm van intensievere rijksbetrokkenheid.4. NagestreefdedoeltreffendheidDe middelen zijn bedoeld om versneld grootschalige woningbouwgebiedente realiseren. Door meer gebieden rijp te maken voor bouwactiviteiten wordtde aanbodcurve vergroot, wat leidt tot meer betaalbare woningen. DeRijksbijdrage werkt hierbij als een hefboom. Ook het Rebel rapport naar de14 grootschalige gebieden toont aan dat een dekking van de publiekeonrendabele top in deze gebieden een multiplier op de publieke investerin-gen kent.In totaal gaat het om een toename van 70.000 nieuwe woningen in (nieuwe)grootschalige woningbouwgebieden tot en met 2033. Hiermee wordeninclusief de reeds bestaande afspraken ca. 400.000 woningen gerealiseerd ingrootschalige Woningbouwgebieden (40% van het totaal van 1.000.000woningen t/m 2033). Dit is exclusief potentiële woningen binnen de nieuwezoeklocaties.Het IBO-rapport woningbouw en grond «Op grond kun je bouwen» ziet degrondfaciliteit als een kansrijke maatregel om gemeenten te ondersteunenbij het realiseren van grootschalige woningbouw. Een grondfaciliteit kanfinanciele riscio’s delen met gemeenten, waardoor zij wel in staat zijn omactief grondbeleid te voeren en meer invloed hebben op de omvang enhaalbaarheid van woningbouwprojecten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 96 Beleidskeuzes uitgelegd5. NagestreefdedoelmatigheidBij de verdere uitwerking wordt bezien via welk instrument de bijdrage heteffectiefst naar medeoverheden kan worden gealloceerd. Voor het gebieds-budget wordt op dit moment onderzocht hoe gestuurd kan worden op dedoelen en de voorwaarden. Bij de verdeling van de middelen kan bijvoor-beeld getoetst worden op doelmatigheid en doeltreffendheid bij hetbeoordelen van de business cases van de woningbouwlocaties en/of hettoepassen van een afweegkader.Het instrumentarium voor deelname (zoals de grondfaciliteit t.b.v. strategi-sche grondaankopen) wordt nog verder uitgewerkt. Het Rijk wil daar in iedergeval nadere sturingsafspraken aan verbinden.6. Evaluatiepa-ragraafGezien de instrumenten nieuw zijn, wordt er na 1 of 2 jaar een tussentijdseevaluatie uitgevoerd. De verwachting is dat de evaluatie nieuwe inzichtengeeft om de doelmatigheid verder te verbeteren, naarmate er ook meerervaring is met de instrumenten.Voor de inzet van deze middelen en te leveren prestaties maken wewederzijds bindende afspraken met de betrokken partijen. Deze afsprakenvormen de basis voor een jaarlijkse toets op de uitvoering en een evaluatiebij beëindiging/oplevering.Voor de monitoring is een Dashboard ontwikkeld die de voortgang enuitvoering van de grootschalige woningbouwgebieden in beeld brengt. Dezewordt tweemaal per jaar geactualiseerd en is input voor o.a. verantwoordingnaar de Kamer en voor de overleggen en gesprekken die de gebiedsregis-seurs voeren met de locaties.Op de Strategische Evaluatie Agenda is zichtbaar dat in 2027 de periodiekerapportage Woningmarkt en Woningbouw van start gaat. In 2028 wordt dezeaan de Tweede Kamer aangeboden.In dit synthese-onderzoek zal aandacht zijn voor deze financiële impulsvanuit het hoofdlijnenakkoord. De komende jaren zal er in ieder geval eenonafhankelijke evaluatie plaatsvinden naar de gemeentelijke ondersteuningom randvoorwaardelijke gebiedsmaatregelen te kunnen treffen omgrootschalie woningbouwlocaties te ontwikkelen. Ook de financiëledeelname van het Rijk via de grondfaciliteit in het gemeentelijke grondbeleidzal worden geevalueerd. Op de Strategische Evaluatie Agenda van 2026wordt hiervoor een eerste concrete evaluatieprogrammering opgenomen. 4. Woningbouwimpuls 2.0 en realisatiestimulans Beleidskeuzes uitgelegd1. Doel(en)Het hoofddoel is om 100.000 woningen per jaar te realiseren. Met eenRijksbijdrage in de aankomende 5 jaar wordt beoogd de bouwproductiemeerjarig te ondersteunen. De bijdrage is gericht op betaalbare woningendie op korte termijn worden gerealiseerd, maar met het structurele karaktervan de ondersteuning kan ook een lange(re) termijneffect krijgen als er ookstructurele middelen beschikbaar zijn.Met een relatief beperkte bijdrage t.o.v. de totale investering maakt het Rijkimpact op het tempo en de kwaliteit van de woningbouwrealisatie. We gaanmet de Rijksbijdrage de komende jaren inzetten op de volgende doelen:1. Het stimuleren van de realisatie van betaalbare woningen en specifiekewoonvormen:a) ca. 227.500 betaalbare woningen tot 2029, waarvanb) ca. 25.500 zorggeschikte woningen binnen de sociale huursector.c) Ca. 63.500 geclusterde woningen.2. Ruimte geven aan gemeenten om met partijen op een zo efficiëntmogelijke manier plannen vorm te geven, zonder een grote administratievelast op partijen te leggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 97 Beleidskeuzes uitgelegd2. Beleidsinstru-ment(en)Het doel om sneller en meer betaalbare woningen te realiseren wordtbereikt met:1) De realisatiestimulans: Gemeenten ontvangen jaarlijks een bijdrage vanhet rijk op basis van het totaal aantal gerealiseerde betaalbare woningen inhet jaar voorafgaand aan de uitkering. De verdeelsleutel op basis vanrealisatie voorkomt onnodige administratieve lasten. Met de realisatiestimu-lans worden ook kleine en simpele(re) projecten verspreid over heel het landgestimuleerd. Voor specifieke opgaven kunnen aanvullende opslagenworden toegevoegd aan de bijdrage per gemeente, bijvoorbeeld tenbehoeve van de versterking van capaciteit of voor de realisatie vanzorggeschikte woningen.De middelen worden met een generieke verdeelsleutel gealloceerd naar degemeenten. Nadere uitwerking van het instrument moet uitwijzen hoe dathet meest effectief kan.2) Met het voortzetten van de Woningbouwimpuls (Wbi) kunnen ingewik-kelde projecten ondersteund worden waarvoor grote publieke investeringennodig zijn. De Wbi is een uitzonderingsmaatregel die alleen beschikbaar isvoor de ontwikkeling van specifieke locaties met publieke kostenniveaus dieniet uit de grondexploitatie of uit het kostenverhaal te dekken zijn. Het gaatbijvoorbeeld om het uitplaatsen van hinderactiviteiten en het oplossen ofuitkopen van niet meer gewenste functies. Zonder het oplossen van dit soortfysieke knelpunten, is het onmogelijk om op deze locaties woningen terealiseren.Bij de verdere uitwerking wordt bezien via welk instrument de bijdrage heteffectiefst bij medeoverheden kan worden gealloceerd.3. A. Financiëlegevolgen voorhet RijkDe uitgaven voor de Realisatiestimulans en de Woningbouwimpuls wordenverantwoord op artikel 1.2 Woningbouw van de VRO-begroting. Voor deRealisatiestimulans is tot en met 2030 cumulatief circa € 2,5 mld. (inclusiefbtw) beschikbaar en voor de Woningbouwimpuls cumulatief € 470 mln.(inclusief btw).B. Financiëlegevolgen voormaatschappe-lijke sectorenGemeenten kunnen de middelen die zijn ontvangen vanuit de realisatiesti-mulans vrij besteden. Zo kunnen ze de middelen aanwenden passend bij depublieke kosten en knelpunten bij de woningbouwrealisatie in de betref-fende gemeente. Gemeenten hebben zo meer autonomie om invulling tegeven aan de woningbouwopgave zoals dat het beste past voor hungemeente. Deze vrije besteding resulteert in minder rigiditeit en administra-tieve lasten. Hierdoor is er minder capaciteit nodig voor aanvragen enverantwoording, wat financieel ook scheelt. Belangrijk daarbij is dat delagere administratieve lasten nog wel in verhouding moeten staan met dekwaliteit van de verantwoording. De verantwoording dient ten alle tijdendeugdelijk te zijn.Indien projecten rendabel zijn kan het «teveel» aan verkregen Rijksmiddelenworden ingezet voor knelpunten bij andere meer verlieslatende (woning-bouw)projecten. Indien het project niet rendabel is vanwege hoge kostenvoor verwerving, grondsanering of uitplaatsing, dan heeft de gemeente nogde mogelijkheid aanvullend budget aan te vragen vanuit de Wbi. De overigetekorten worden door de gemeente zelf gedekt. Hierdoor zal er in vrijwel alleprojecten sprake zijn van cofinanciering.4. NagestreefdedoeltreffendheidMet deze twee instrumenten heeft het Rijk meer zekerheid aan gemeentenover de financiële bijdrage. Door gemeenten langjarige zekerheid te geven,worden zij op hun beurt een stabielere partij voor marktpartijen, waardoorhet makkelijker wordt om langjarige afspraken te maken over woningbouw-productie. Een dergelijke stimulans kan in een laagconjunctuur bovendienwoningbouw op peil houden, wat de economie ten goede komt. Daarnaastkunnen er met deze twee instrumenten meer woningen in het betaalbaresegment en van de gewenste kwaliteit worden gerealiseerd. Zo hebbenmeer woningzoekenden kans om een woning te vinden die bij hun behoeftepast.De realisatiestimulans wordt pas overgeboekt als de woningen definitiefgerealiseerd worden en geeft gemeenten daarmee een prikkel om resultatente halen en een bijdrage te leveren aan de woningbouwopgaven.De Woningbouwimpuls is een voorschot. De toegekende aanvragen jaarlijksgemonitord. De Minister vraagt tijdens de looptijd van de bijdrage (perio-diek) informatie aan de gemeente over de voortgang van het woningbouw-project en de bijbehorende gebiedsontwikkeling, onder andere met jaarlijksvoortgangsgesprekken. Deze informatiestromen geven inzicht in derealisatie van de doelen van de Woningbouwimpuls en of er aanleiding isvoor bijsturing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 98 Beleidskeuzes uitgelegd5. NagestreefdedoelmatigheidDe middelen voor de realisatiestimulans zijn vrij besteedbaar en zijn dus nietgelabeld. Daardoor kan de bijdrage naar eigen inzcht worden ingezet voorhet oplossen van de knelpunten die specifiek zijn voor de gemeenten. Metdeze vrijheid vloeien de middelen naar de juiste knelpunten, en zijn ze nietgelimiteerd aan de stricte voorwaarde voor eerdere regelingen.Daarnaast worden alleen betaalbare woningen gesubsidieerd. Over hetalgemeen zijn dit type woningen onrendabel(er). Er worden dus geenmiddelen uitgekeerd voor rendabele woningen in het duurde(re) segment.Met een focus op realisatie krijgt elke gemeente een bijdrage, waarbij hetaantal gerealiseerde betaalbare woningen als verdeelsleutel wordtgehanteerd. De verdeelsleutel moet passen binnen de afspraken uit dewoondeals.Wat betreft de Wbi borgen KPI’s en een toets op de businesscases ook hetdoelmatig bereiken van betaalbare woningbouw. Met een selectiekader enbeoordelingskader wordt getoetst op nut en noodzaak van de maatregelen,en in hoeverre sprake is van «lucht» in de onrendabele toppen via planopti-malisatie en de eis van 50% cofinanciering.De afgelopen jaren is met verschillende instrumenten een bijdrage geleverdaan het oplossen van het financieel tekort bij diverse woningbouwprojecten,zoals o.a. met de Woningbouwimpuls. 215 projecten ontvangen eenbijdrage voor de realisatie van 230.000 woningen via deze huidige regeling.De bijdrage per woning vanuit de Woningbouwimpuls in tranche 1–6 wasgemiddeld ca. € 5.900 incl. btw. De gemiddelde bijdrage per woning van derealisatiestimulans ligt lager. De omvang van de bijdrage wordt nog naderuitgewerkt. De Wbi focust nog meer op onrendabele projecten, waardoorhet tekort daar logischerwijs hoger ligt. Belangrijk aandachtspunt bij deaangepaste woningbouwimpuls is niet alleen of de gevraagde bijdragenoodzakelijk, marktconform en realistisch is, maar ook of de plannen welsnel te realiseren zijn. Dat moet voorkomen dat plannen na toekenningvertragen, zoals dat in reeds toegekende plannen wel eens gebeurd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 99 Beleidskeuzes uitgelegd6. Evaluatiepara-graafGezien de instrumenten nieuw zijn, wordt er na 1 of 2 jaar een tussentijdseevaluatie uitgevoerd. De verwachting is dat de evaluatie nieuwe inzichtengeeft om de doelmatigheid verder te verbeteren, naarmate er ook meerervaring is met de instrumenten. Centraal staan de doelen het versnellen enbouwen van meer betaalbare woningen. Een evaluatie wordt gedaan optwee niveaus: een nulmeting en een jaarlijkse toets op de uitvoering.7.1 NulmetingMet de nulmeting wordt de huidige stand van zaken van de woningbouw-aantallen in beeld gebracht (aantal woningen, aandeel en type betaalbaar enfasering). Ook wordt er gekeken naar de capaciteit bij gemeenten en wordter (indien mogelijk) onderzoek gedaan naar de administratieve lasten vangemeenten.7.2 Jaarlijkse monitoringNa de nulmeting start er een jaarlijkse monitoring die de voortgang van dedoelstelling in de gaten houdt. Tevens biedt de monitoring inzicht in dedoelmatigheid en doeltreffendheid van de instrumenten. Het totaalbeeld kanaanleiding zijn om voorwaarden bij te stellen of andere instrumenten in tezetten om de doelstelling te bereiken. Ook als de marktomstandighedenzouden wijzigen zou dat aanleiding kunnen zijn om de bijdragen te updaten.De jaarlijkse monitor kijkt hoofdzakelijk naar de woningbouwrealisatie intermen van aantallen en segmenten. Deze input moet inzicht geven op debruikbaarheid van een Decentrale Uitkering (DU) voor het behalen vanspecifieke doelen. Om van stakeholders te leren zullen we daarnaast ookkwalitatieve vragen stellen, bijvoorbeeld om de achterliggende oorzaak vanmogelijke achterblijvende aantallen te achterhalen. Is de hoogte van debijdrage niet voldoende om het tekort te dekken? Ontbreekt het aan urgentieom de prestatie te bereiken zonder specifieke afspraken? Maar ook of hetmet de DU lukt om het verbeteren van de betaalbaarheid te realiseren.Tevens wordt informatie vergaard inzake de administratieve lasten, zodatinzichtelijk wordt of de aanpassingen ook in de ambtelijke organisatie leidttot efficiëntere administratie.7.3 Periodiek evaluatieonderzoekNaast de tussentijdse evaluatie worden de beide instrumenten ook na eenaantal jaar onafhankelijk geëvalueerd. De precieze evaluatieplanninghiervoor wordt opgenomen op de Strategische Evaluatie Agenda in debegroting 2026. Hierdoor zullen deze instrumenten ook meegenomenworden in de periodieke rapportage Woningmarkt en Woningbouw die in2027 start. In 2028 wordt deze aan de Tweede Kamer aangeboden. De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 910

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 5df7fc877c9808c0

14 okt 2026 · df1216642f72f2f4

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.