KamerkringInloggen
Kamerbrief

Reactie op de gewijzigde motie van het lid Van Kent over een compensatieregeling met kostenoverzicht uitwerken voor zzp'ers met een AOW-gat (Kamerstuk 32043-635)

15 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f717992f40ff36be · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 043Toekomst pensioenstelselNr. 683 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 15 april 2025Op 17 januari 2024 heeft uw Kamer de motie Van Kent (SP) aangenomeninzake een groep zelfstandigen die een private arbeidsongeschiktheidsver-zekering heeft afgesloten en die voor 1 januari 2013 arbeidsongeschikt isgeworden, maar door de verhoging van de AOW-leeftijd een gat heefttussen de duur van de verzekering en de ingang van de AOW (hetAOW-AOV-Hiaat). De motie roept op een regeling uit te werken met eenkostenoverzicht.1In het afgelopen jaar is door mijn departement verkend hoe een (minis-teriële) regeling juridisch en beleidsmatig vormgegeven zou kunnenworden en wat de uitvoeringsimplicaties en kosten hiervan zouden zijn.Uit deze verkenning is gebleken dat er geen objectief criterium bestaat opbasis waarvan de groep arbeidsongeschikte zelfstandigen, waarvoor dezemotie een extra tegemoetkoming beoogt, anders en gunstiger kan wordenbehandeld dan andere groepen in een vergelijkbare situatie. Voordat ik inga op deze beleidsmatige en juridische conclusie, schets ik kort devoorgeschiedenis. Daarna zal ik stilstaan bij de uitvoeringsgevolgen enhet kostenoverzicht, zoals in de motie door uw Kamer is gevraagd.VoorgeschiedenisDe AOW-leeftijd wordt vanaf 2013 geleidelijk verhoogd. Bij dezeverhoging van de AOW-leeftijd was de regering zich er destijds vanbewust dat de verhoging tijdelijke overbruggingsproblemen kan veroor-zaken voor mensen die weinig voorbereidingstijd en weinig mogelijk-heden hadden om een AOW-gat tot aan de opgehoogde pensioenleeftijdte compenseren. Een overbruggingsprobleem deed zich voor bij mensenmet een vroegpensioen regeling (zoals de VUT-regeling of partnerpen-sioen), die eindigde bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar. Om diereden is in 2013 de Tijdelijke Overbruggingsregeling AOW (OBR)1Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 043, nr. 635 kst-32043-683ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6831 getroffen. Deze overbruggingsuitkering beoogde voor mensen die op ofvoor 1 januari 2013 reeds deelnamen aan een vroegpensioenregeling endie zich niet konden voorbereiden op de voor hen geldende verhogingvan de AOW-leeftijd, compensatie te bieden voor inkomensverlies tussenhet einde van de vroegpensioenregeling en de verhoogde AOW-leeftijd.Vanuit het oogpunt van gelijke behandeling zijn destijds ook arbeidsonge-schikten en nabestaanden met een private uitkering die niet doorloopt totde nieuwe AOW-leeftijd, onder de werking van de OBR gebracht.De OBR was een tijdelijke overgangsmaatregel die oorspronkelijk vooreen periode van zes jaar was bedoeld, daarna nog tweemaal verlengd isen per 1 januari 2025 beëindigd is voor nieuwe instroom.Juridische en beleidsmatige implicatiesMet de hierboven genoemde motie Van Kent (SP) wordt de regeringgevraagd een regeling te treffen voor de groep zelfstandigen die per1 januari 2013 een private arbeidsongeschiktheidsuitkering (AOV)ontvangt en door de verhoging van de AOW-leeftijd een gat heeft tussende duur van de verzekering en de ingang van de AOW. In de motie wordtgesteld dat het hier om een duidelijk juridisch afgebakende groep gaatvan ongeveer 5.000 mensen die met een eenmalige passende regelingtegemoetgekomen kan worden zonder precedentwerking.Onderzocht is hoe de groep bedoeld in de motie afgebakend zou kunnenworden. Daarbij is gebleken dat er geen objectief criterium bestaat opbasis waarvan de groep arbeidsongeschikte zelfstandigen, waarvoor dezemotie een extra tegemoetkoming beoogt, anders en gunstiger kan wordenbehandeld dan andere groepen in een vergelijkbare situatie. Ook voorandere groepen kan gelden dat zij een verminderd handelingsperspectiefkunnen hebben bij het overbruggen van hun AOW-gat, bijvoorbeeld doorarbeidsongeschiktheid, leeftijd of beperkt arbeidsverleden. Deverwachting is dat op grond van gelijke behandeling de tegemoetkomingook aan de vergelijkbare groepen hoort toe te komen. In dat kader is ookbezien of het hanteren van een leeftijdsgrens die samenvalt met het eindevan de OBR, waarmee de regeling alleen toe zou komen aan het deel vande groep dat na 1 januari 2025 65 jaar wordt, zou leiden tot een beteruitvoerbaar alternatief. Ook dat is niet het geval, zoals hieronder naderwordt toegelicht.Op 14 juli 2017 heeft de Centrale Raad van Beroep2 geoordeeld dat in deOBR een ongeoorloofd onderscheid werd gemaakt tussen een voormaligzelfstandige enerzijds en werknemers anderzijds. Het ging in dit geval omeen voormalige zelfstandige wiens lijfrente eindigde voor de nieuweAOW-leeftijd. Het daaruit voortvloeiende inkomensverlies werd onterechtbuiten de berekening van de overbruggingsuitkering gelaten, terwijl bijwerknemers wel rekening werd gehouden met het eindigen van verge-lijkbare uitkeringen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat sprakewas van een ongerechtvaardigd onderscheid.Deze uitspraak schetst de juridische kwetsbaarheid van een mogelijkonderscheid tussen OBR-groepen. Een juridisch houdbare ministeriëleregeling zou daarom niet alleen betrekking kunnen hebben op arbeidson-geschikte zzp’ers, maar zou dienen te zien op alle groepen die geconfron-teerd worden met een AOW-hiaat en die voorheen ook onder de werkingvan de OBR vielen. Op grond hiervan kom ik tot de volgende conclusie:een eventuele regeling die voorziet in een eenmalige tegemoetkoming,anders dan de motie stelt, kan niet zonder precedentwerking wordenbeperkt tot de afgebakende groep van circa 5.000 personen met eenprivate AOV, maar zal groter moeten zijn. Dit kunnen bijvoorbeeldnabestaanden zijn met een private uitkering die al liep voor 2013. Zijzouden ook onder een dergelijke tegemoetkomingsregeling moeten2CRvB 15 / 8235 AOW-T R017 97, 14 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2533.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6832 worden gebracht. De precieze omvang van de groep is niet bekend, maarhelder is dat de totale groep substantieel groter is dan 5.000 personen.Daarnaast is in algemene zin van belang dat de AOW-leeftijd geleidelijk isverhoogd en dat mensen in de afgelopen 12 jaar voldoende tijd haddenom zich op het AOW-gat voor te bereiden zelf te voorzien in eenoverbrugging. Om deze reden is de OBR als tijdelijke regeling in 2025 voornieuw instroom beëindigd, nadat deze al twee keer verlengd is door mijnambtsvoorgangers. De motie ziet op een eenmalig bedrag zonderinkomens- of vermogenstoets. Hierdoor zou een tegemoetkoming ooktoekomen aan mensen die het niet nodig hebben. De OBR was wel eenuitkering met inkomens- en vermogenseisen. Op basis van de toeken-ningspercentages van de OBR acht ik het aannemelijk dat binnen debetreffende groepen een meerderheid bestaat uit mensen met voldoendeinkomen of vermogen om het gat zelf te overbruggen.UitvoeringsgevolgenIk heb ook de SVB, als mogelijke uitvoerder voor een dergelijke tegemoet-komingsregeling, betrokken bij deze verkenning. Om te bezien of eenregeling uitvoerbaar zou zijn, heb ik samen met de SVB en UWV onder-zocht of deze doelgroep met een bestandsanalyse op basis van de Polisadministratie inzichtelijk gemaakt kan worden. Dat levert geen bruikbareresultaten op waarmee de SVB mensen ambtshalve zou kunnenaanschrijven. Betrokkenen zouden dan zelf een aanvraag moeten doen.Dit zou de uitvoeringslast disproportioneel vergroten, omdat de SVB daneen onvoldoende afgebakende doelgroep zelf moet gaan benaderen en derisico’s op precedentwerking zullen toenemen. Dit zou leiden tot signi-ficant hogere uitvoeringslasten. De benodigde capaciteit voor eendergelijke regeling is op dit moment niet beschikbaar bij de SVB.KostenoverzichtIn de motie is ook verzocht om een kostenoverzicht. De verwachte totalekosten van een voor een eenmalige tegemoetkoming die toeziet op allegroepen die na 1 januari 2025 de leeftijd van 65 jaar bereiken bedraagtcirca € 73 miljoen exclusief uitvoeringskosten.ConclusieAlles overwegende kom ik tot het oordeel dat er geen objectief criteriumbestaat op basis waarvan de groep arbeidsongeschikte zelfstandigen,waarvoor deze motie een extra tegemoetkoming beoogt, anders engunstiger kan worden behandeld dan andere groepen in een vergelijkbaresituatie. De betreffende groep kan daardoor niet met een eenmaligepassende regeling tegemoetgekomen worden zonder precedentwerking,zoals de motie vraagt. Ik hoop uw Kamer op deze wijze voldoende tehebben geïnformeerd.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6833

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 248220bc1da8991e

14 okt 2026 · 4a27be1153a4657c

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.