KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beantwoording resterende vragen gesteld tijdens het wetgevingsoverleg, gehouden op 19 januari 2026, over Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (kamerstuk 36748) en appreciatie van de ingediende moties en amendementen

22 jan 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 3a32462fb6a1baed · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 748Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om werkelijke inkomsten uit bezittingen enschulden in box 3 te belasten (Wet werkelijkrendement box 3)Nr. 28 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 22 januari 2026Afgelopen maandag 19 januari vond het wetgevingsoverleg over hetwetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 plaats. Als bijlage bij dezebrief stuur ik u een appreciatie van de ingediende moties en amende-menten. Daarnaast zal ik hieronder de resterende vragen beantwoordenmet het oog op de voortzetting van dit wetgevingsoverleg.Ook wil ik ingaan op het ingediende amendement van het lid Grinwis, ombij schenking of vererving van gebouwde eigendommen opNSW-landgoederen onder voorwaarden geen vermogenswinstbelastingte heffen. Zoals ik in het debat heb aangegeven, begrijp ik deze wens. Hetamendement maakt echter niet duidelijk hoe de heffing plaatsvindt. DeBelastingdienst geeft aan dat de uitvoerbaarheid niet op deze termijn isvast te stellen en dat hiervoor een uitvoeringstoets nodig zou zijn. Ook ishet amendement niet voorzien van een budgettaire dekking. Daarom moetik het amendement ontraden.Omdat ik de achtergrond van het amendement goed begrijp, zal ik degevolgen van de Wet werkelijk rendement box 3 in kaart brengen voorgebouwde eigendommen op NSW-landgoederen en mogelijkhedenschetsen om te voorkomen dat het voortbestaan van NSW-landgoederenals gevolg van het nieuwe box 3-stelsel onder druk komt te staan.Waaronder de mogelijkheid dat bij vererving of schenking geen vervreem-dingsvoordelen in box 3 worden belast zolang de NSW-status gedurendeten minste 25 jaar wordt behouden. Ik zal dit uitwerken zodat een volgendkabinet hier desgewenst een regeling voor kan opnemen bij een volgendbelastingplan.Antwoord op resterende vragenHet lid Grinwis vraagt welke parameters van het wetsvoorstel nog tijdigaangepast kunnen worden. Parameters zijn bestaande bedragen en kst-36748-28ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 281 percentages in de systemen van de Belastingdienst. In het wetsvoorstelzijn dit het bedrag van het heffingsvrije resultaat, de hoogte van devastgoedbijtelling en het tarief. Meer fiscaaltechnische aanpassingen vanmaatregelen in het wetsvoorstel leiden veelal tot een structuurwijzigingen zijn om deze reden niet meer tijdig aan te passen in het wetsvoorstel.Het lid Stultiens vraagt op welke termijn het mogelijk is een toptarief,oftewel tweede schijf, te implementeren. Als eerst wil ik opmerken dat deaanvullende 900 fte’s waar het Kamerlid Stultiens tijdens het wetgevings-overleg aan refereerde door de Belastingdienst worden ingezet voordoeleinden zoals de communicatie en interactie met burgers, en hettoezicht en handhaving. Er is geen sprake van de werving vanICT-programmeurs.Het toevoegen van een tweede schijf is een grote structuurwijziging. Alsde Kamer structuurwijzigingen wenst door te voeren in de Wet werkelijkrendement box 3, dan moeten deze worden afgewogen ten opzichte vanandere wensen in de keten Inkomensheffingen. Afhankelijk van deomvang en prioriteit van de wijziging is er ruimte in de keten Inkomens-heffingen voor nieuw beleid per belastingjaar 2029. Er zijn al een aantalpotentiële wetswijzigingen en procesverbeteringen in voorbereiding, zoalseen verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen ende digitalisering van het berichtenverkeer met burgers en bedrijven. Het isdaarom nu niet mogelijk om een invoeringsdatum te noemen voorstructuurwijzigingen op de Wet werkelijk rendement box 3.Het lid Oosterhuis vraagt naar de uitvoerbaarheid van een heffingskortingvoor groen beleggen. Ook het lid Van Eijk heeft hiernaar gevraagd.Het herintroduceren van de heffingskorting groen beleggen is eenstructuurwijziging en is daarom niet uitvoerbaar per 1 januari 2028. Hetmaakt daarbij niet uit dat de heffingskorting voor groen beleggen nog isopgenomen in de huidige wetgeving, aangezien het nieuwe stelsel alsgeheel moet worden geïmplementeerd in de software van de Belasting-dienst. Daarbij is tot nu toe uitgegaan van de situatie in het wetsvoorsteldat geen sprake meer is van de heffingskorting groen beleggen. Zoals ikhierboven ook heb toegelicht bij het antwoord op de vraag over detweede schijf van het lid Stultiens, is het nu niet mogelijk om eeninvoeringsdatum te noemen voor structuurwijzigingen op de Wetwerkelijk rendement box 3.Het lid Vlottes vraagt wat de gevolgen van het arrest over de te hoge rentein de vennootschapsbelasting zijn voor de planning van de implementatievan het wetsvoorstel. Het arrest van de Hoge Raad over de toepassing vanbelastingrente voor de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 is niet vaninvloed op de tijdige implementatie van het wetsvoorstel. De redenhiervoor is dat dit arrest geen gevolgen heeft voor de keten Inkomenshef-fingen.Het lid Stultiens vraagt welke budgettaire effecten optreden bij de keuzevoor een volledige vermogenswinstbelasting of vermogensaanwasbe-lasting in plaats van het hybride stelsel dat nu in het wetsvoorstel isopgenomen. In het hybride stelsel wordt beleggen als hoofdregel via eenvermogensaanwasbelasting belast, en worden vastgoed en aandelen instartup en scale-ups via een vermogenswinstbelasting belast. Een stelselop basis van een volledige vermogensaanwasbelasting kent bij gelijkblij-vende parameters (tarief en heffingsvrije resultaat) een incidentelemeeropbrengst van circa € 23 miljard in de eerste 10 jaar. Het kabinetheeft zich echter steeds ten doel gesteld dat de hervorming van box 3budgettair neutraal uitpakt. Een stelsel op basis van een volledigevermogenswinstbelasting levert in de eerste 5 jaar cumulatief circaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 282 € 5 miljard minder op in vergelijking met het hybride stelsel. Dit loopt inde daaropvolgende jaren verder op. De derving bij een volledigevermogenswinstbelasting wordt veroorzaakt door het ingroeien van devermogenswinstbelasting. Structureel (in 2060) levert het hybride stelselper jaar evenveel op als een stelsel op basis van volledige vermogens-winstbelasting of een stelsel op basis van volledige vermogensaanwasbe-lasting. Het budgettaire verschil dat tot aan 2060 ontstaat bij een volledigevermogenswinstbelasting wordt in de jaren daarna niet meer ingelopen.In het hypothetische geval dat zou worden besloten om box 3 af teschaffen en tot één groot finaal afrekenmoment zou worden besloten,komt de opbrengst cumulatief op hetzelfde uit. Dit is echter niet aan deorde.Op lange termijn leidt een volledige vermogenswinstbelasting ook niet totmeer opbrengsten per jaar dan een hybride stelsel of een stelsel op basisvan volledige vermogensaanwas. Deze misvatting wil ik graag rechtzetten.In de raming die is gemaakt door het ministerie en is gecertificeerd doorhet CPB, leveren een vermogenswinstbelasting en een vermogensaan-wasbelasting in de toekomst structureel evenveel op. Nadat de vermo-genswinstbelasting en eventuele verliesverrekening zijn ingegroeid is degrondslag immers gelijk. In de raming wordt conform de ramingsregelsde grondslag vastgezet op jaar van invoering. Ten opzichte van vermo-gensaanwas wordt in een vermogenswinststelsel op een later momentbelasting betaald. Belastinguitstel kan de staat nooit extra geld opleveren.Het lid Grinwis impliceerde in het debat dat bij een volledige vermogens-winstbelasting het geïnvesteerd bedrag harder kan groeien dan bij eenvermogensaanwasbelasting. Dat is mechanisch juist, want bij eenvermogensaanwas belast je tussentijds waardoor je een rente-op-renteeffect misloopt. Het klopt echter niet dat dit tot meer welvaart, investe-ringen of economische groei leidt. De welvaart van de tussentijdsebelastingopbrengst in een vermogensaanwasbelasting is namelijk nietgelijk aan 0. Het geld verplaatst zich van de burger naar de overheid. Deoverheid kan deze middelen vervolgens inzetten om (op een andere wijze)welvaart te creëren. Een andere manier om dit te bezien, is dat deoverheid geld moet lenen voor de gemiste opbrengst die ontstaat bij eenkeuze voor een vermogenswinstbelasting. Dit leidt tot een hogere schuldbij de overheid, wat tot hogere rentelasten leidt en mogelijk tot hogerelasten. Dat is het spiegelbeeld van het rente-op-rente argument. Ombovenstaande redenen zal ik de motie die het lid Grinwis hieromtrentheeft ingediend, ontraden.Het lid Stultiens vraagt of er al enige duidelijkheid is op welke termijn ereen analyse naar de Kamer kan worden gestuurd over de CRS-data overwelk buitenlands vermogen van huishoudens in Nederland onterecht nietis opgegeven. Het doel is om de analyse voor de komende zomer gereedte hebben. Het nieuwe kabinet kan dan zodra deze analyse gereed is, dezenaar de Tweede Kamer sturen.Het lid Grinwis vraagt of het redelijk is de leegwaarderatio te verdiscon-teren bij de beginwaarde van een woning bij inwerkingtreding van hetnieuwe box 3-stelsel. De leegwaarderatio zorgt ervoor dat de waarde vaneen verhuurde woning waarvoor huurbescherming bestaat, zo goedmogelijk wordt bepaald. De WOZ-waarde gaat immers uit van de waardein vrij opleverbare staat, waarbij geen rekening wordt gehouden met hetfeit dat de verhuurde staat gevolgen heeft of kan hebben voor de waarde.De leegwaarderatio geldt onder omstandigheden eveneens voor eenpachtovereenkomst die voor ten minste twaalf jaar is aangegaan. Volgenshet kabinet is het dan ook redelijk de leegwaarderatio in aanmerking tenemen bij het bepalen van de inbrengwaarde bij inwerkingtreding van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 283 nieuwe box 3-stelsel. Bij verkoop van de woning zal de verhuur ook vaninvloed zijn op de verkoopprijs doordat deze doorgaans een waarde-drukkend effect heeft.Het lid Van Eijk vraagt of ik bereid ben om de effecten van de keuzere-geling voor de partiële buitenlandse belastingplicht opnieuw te wegen enuw Kamer hierover te informeren.Het keuzerecht voor partiële buitenlandse belastingplicht1 gaf houdersvan een goedkeuring voor toepassing van de expatregeling demogelijkheid om er voor te kiezen om voor box 2 en box 3 te wordenbehandeld als buitenlands belastingplichtige waardoor zij geen belastingbetalen over hun inkomsten uit buitenlands vermogen en ondernemings-kapitaal. Doordat vaak in het buitenland ook geen belasting verschuldigdwas hierover, leidde dit tot een dubbele niet-heffing. Echter, voorwerknemers afkomstig uit specifieke landen (met name de VS) voorkwamde partiële buitenlandse belastingplicht dat er dubbele heffing plaatsvondover box 2 en box 3 inkomensbestanddelen.In de evaluatie van de partiële buitenlandse belastingplicht2 die in 2024 isuitgevoerd concluderen de onderzoekers dat de partiële buitenlandsebelastingplicht niet doeltreffend en niet doelmatig was. Zij concluderendat het afschaffen van de partiële buitenlandse belastingplicht deinstroom van kenniswerkers vrijwel niet beperkt. Een uitzondering geldtwaarschijnlijk voor een zeer beperkte groep hoog-vermogendewerknemers. Voor deze groep levert de regeling naar verwachting wel eenbelangrijke bijdrage aan de beslissing om in Nederland te komen werken.Grote werkgevers geven aan dat het uitdagend is om mensen uit dezecategorie (bijvoorbeeld RvB-leden afkomstig uit de VS) te werven om inNederland te komen werken.Het keuzerecht voor de partiële buitenlandse belastingplicht is met ingangvan 1 januari 2025 afgeschaft.3 Deze afschaffing is geregeld door het inuw kamer aangenomen amendement Grinwis c.s.4 en was daarmee geenkeuze van het kabinet.Een eventuele nieuwe weging van de afschaffing van het keuzerechtpartiële buitenlandse belastingplicht zou, naar de mening van het kabinet,beperkt moeten blijven tot het voorkomen van dubbele heffing en nietweer tot dubbele niet-heffing moeten leiden. De mogelijkheden van eendergelijk beperkte herintroductie van het keuzerecht partiële buitenlandsebelastingplicht zouden nader onderzocht moeten worden, waarbij ook deuitvoeringsgevolgen betrokken moeten worden. De vraag of een dergelijkonderzoek moet starten laat ik echter over aan een volgend kabinet.Het lid Van Eijk vraagt of er voor de juridische houdbaarheid eentegenbewijsregeling nodig is bij onderdelen in het wetsvoorstel waarforfaits worden toegepast. Er is in het wetsvoorstel maar één forfaitopgenomen. Dat betreft de vastgoedbijtelling. Volgens de jurisprudentievan de Hoge Raad is het voor de juridische houdbaarheid van forfaits vanbelang, dat het forfait in de regel het werkelijke rendement benadert. Bijde hoogte van dit forfait is een zeer ruime voorzichtigheidsmargeingebouwd. Bovendien is bij de economische huurwaarde van onroe-rende zaken in mindere mate sprake van een spreiding in het werkelijke1Voor 2025 geregeld in artikel 2.6 Wet inkomstenbelasting 20012Kunde, Kosten en Keuzes, Evaluatie 30%-regeling, extraterritoriale kostenregeling & partiëlebuitenlandse belastingplicht 2016–2022, SEO Economisch Onderzoek, Amsterdam, juni 20243Er is in overgangsrecht tot uiterlijk 31 december 2026 voorzien voor werknemers die in hetlaatste loontijdvak van 2023 de expatregeling toepasten.4Kamerstukken II 2023/24, 36 418, nr. 69Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 284 rendement, zoals wel het geval bij het huidige forfaitaire stelsel waar ooksprake kan zijn van beleggers met grote verliezen. Daarom is eentegenbewijsregeling in dit kader niet nodig. Bij het vaststellen van dehoogte van de vastgoedbijtelling is gekozen voor een brutohuurwaardedie behoort bij het 10e percentiel. Dit betekent dat 90% van de woningeneen hogere huurwaarde heeft dan de vastgoedbijtelling.Het lid Oosterhuis vraagt waarom er bij een huwelijk in een beperktegemeenschap van goederen moet worden afgerekend, terwijl bijvoor-beeld het vakantiehuisje niet eens onderdeel wordt van de gemeenschap.Hier is sprake van een misverstand. Als de onroerende zaak geenonderdeel wordt van de gemeenschap van goederen, dan leidt eenhuwelijk niet tot een realisatiemoment en hoeft er dus niet te wordenafgerekend. Het is mogelijk om te trouwen in beperkte gemeenschap vangoederen en tegelijkertijd af te spreken dat een onroerende zaak wélonderdeel wordt van de gemeenschap. Er is dan toch sprake van eenbeperkte gemeenschap, omdat bijvoorbeeld ander vermogen buiten degemeenschap blijft. Mogelijk is hierdoor wat verwarring ontstaan. Maarhet staat buiten kijf dat er geen heffingsmoment is, als de onroerendezaak buiten de gemeenschap van goederen blijft.Het lid Hoogeveen vraagt naar de uitvoerbaarheid van zijn amende-menten over het introduceren van een doorschuiffaciliteit in het huwelijks-vermogensrecht en de achterwaartse verliesverrekening en ook waaromhij eerder een quickscan heeft ontvangen waarin andere informatie overde uitvoerbaarheid was opgenomen. De amendementenservice van hetMinisterie van Financiën biedt ambtelijke ondersteuning bij het voorbe-reiden van amendementen. In dat kader worden ook quickscans verstrekt.De aan Kamerleden verstrekte informatie hierover wordt niet openbaargemaakt of met mij gedeeld. De Belastingdienst heeft mij geïnformeerddat het lid Hoogeveen naar aanleiding van zijn conceptamendement perabuis een incorrecte quickscan heeft ontvangen. Om deze reden is opmaandag 19 januari 2026 een aangepaste quickscan verstuurd. Dequickscans op amendementen is een snel proces waarmee ruim 70quickscans per jaar worden gemaakt. Ik begrijp dat het voor het lidHoogeveen vervelend is dat in dit geval de informatie in eerste instantieniet correct was. Na indiening van de amendementen op wetsvoorstellenworden de bijbehorende quickscans per brief aan de Kamer gestuurd. Alsbijlage bij deze brief zijn de afgeronde quickscans op de tot nog toeingediende amendementen bijgevoegd.Het opnemen van een doorschuifregeling bij trouwen en scheiden doormiddel van een ICT-aanpassing is een structuurwijziging. Binnen hettijdpad van de quickscan heeft de Belastingdienst niet kunnen vaststellenof invoering mogelijk zou zijn zonder structuurwijziging, bijvoorbeeld viaeen aanpassing in de toelichting. Daarmee is dit amendement nietuitvoerbaar per 1 januari 2028.Daarnaast vraagt het lid Hoogeveen naar zijn amendement voor hetinpassen van de mogelijkheid van een achterwaartse verliesverrekening(carry back). Dit is een grote, ingrijpende structuurwijziging.Zoals ik hierboven heb aangegeven in het antwoord aan het lid Stultiens,moeten structuurwijzigingen in de Wet werkelijk rendement box 3afgewogen worden tegen andere wensen in de keten Inkomensheffingen.Het is daarom nu niet mogelijk om een invoeringsdatum te noemen voorstructuurwijzigingen op de Wet werkelijk rendement box 3.De heer Hoogeveen vraagt welke budgettaire effecten optreden bij deinvoering van een carry back van 1 jaar. Daarnaast is de heer HoogeveenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 285 benieuwd of hier rekening is gehouden met de al bestaande eeuwigdu-rende carry forward. Tot slot vraagt de heer Hoogeveen naar de struc-turele derving van de carry back. In de raming voor het invoeren van eencarry back van één jaar is ook rekening gehouden met de eeuwigdurendecarry forward. Het huidige voorgestelde stelsel bevat een eeuwigdurendecarry forward. Daarmee kunnen verliezen uit het verleden onbeperktworden verrekend met rendementen uit de toekomst. Deze mogelijkheidtot verliesverrekening zorgt voor minder budgettaire opbrengsten in hetstelsel. In de eerste jaren van het nieuwe stelsel is het budgettaire effectvan deze voorwaartse verliesverrekening beperkt. Immers is het aantalmogelijke verlieslatende jaren uit het verleden ook nog beperkt. In 2028zijn er helemaal geen mogelijke verliesjaren om te verrekenen.Bij een carry back van één jaar mogen rendementen van een jaar ook metde eventuele verliezen van enkel het opvolgende jaar worden verre-kenend. Hierbij kan een rendement van 2028 wél worden verrekend meteen verlies in 2029. Omdat het effect van de carry forward in de eerderejaren nog beperkt is, zorgt de invoering van een carry back vooral in deeerste jaren voor een grote derving. De omvang van de derving neemtlangzaam af vanwege de eeuwigdurende carry forward. Op de zeer langetermijn betekent dit dat de maatregel geen derving meer veroorzaakt.Consistent met andere ramingen binnen box 3 is 2060 het jaar waarin destructurele opbrengst wordt gerapporteerd. De afname van de dervingvan de carry back groeit echter zeer langzaam in en in 2060 kent demaatregel nog een kleine derving van € 12 miljoen.Tot slotIk kijk er naar uit om het wetgevingsoverleg op korte termijn met uwKamer te kunnen voortzetten.De Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 286

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8fa8e2392be197bd

14 okt 2026 · 3c839bdf86ac6829

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.