Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie 171bc5da88805bff · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 881Wijziging van het voorstel van wet tot wijzigingvan de Algemene wet bestuursrecht, deHuisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 6 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 23 februari 2026 Met belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag dat de vastecommissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over hetvoorstel van wet tot wijziging van het wetsvoorstel versterking regievolkshuisvesting (de novelle) heeft uitgebracht. Ik ben de leden van defracties erkentelijk voor de voortvarendheid waarmee de Kamer naindiening van het de novelle het verslag heeft uitgebracht. In het belangvan de voortgang van deze novelle, worden de vragen van het verslaghierbij zo zorgvuldig mogelijk en met urgentie beantwoord. Ik streefernaar om de novelle en het wetsvoorstel Versterking regie volkshuis-vesting (hierna: het wetsvoorstel) per 1 juli 2026 in werking te latentreden. Tijdige vaststelling van het wettelijk kader is immers van grootbelang voor de grote volkshuisvestingsopgave die er ligt en het halen vande mijlpaal in het kader van het Herstel en Veerkrachtfonds. Het niet(tijdig) behalen van deze mijlpaal kan leiden tot kortingen op de totalevoor Nederland beschikbare middelen, oplopend tot € 600 miljoen. Ik blijfmij daarom inspannen voor een spoedige inwerkingtreding van hetwetsvoorstel, de novelle, het bijbehorende besluit en de bijbehorenderegeling.Op dit moment is ook het Ontwerpbesluit versterking regie volks-huisvesting (hierna: ontwerpbesluit) in voorhang bij uw Kamer en deEerste Kamer. U heeft mij per brief van 28 januari 2026 verzocht tenaanzien van het ontwerpbesluit geen onomkeerbare stappen te zetten. Hetverslag heeft uw Kamer inmiddels ingebracht.1De leden van de fracties hebben diverse vragen gesteld over deuitwerking van een bij amendement Grinwis2 gewijzigd onderdeel van hetwetsvoorstel. Dit onderdeel ziet op het toevoegen van dakloze gezinnenmet minderjarige kinderen aan de verplichte categorieën van urgent1Kamerstukken II, 2025/26, 28 325, nr. 301.2Kamerstukken II 2023/24, 36512, nr, 93. kst-36881-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 61 woningzoekenden. Dit onderdeel wordt uitgewerkt in de Ontwerpre-geling versterking regie volkshuisvesting (hierna: ontwerpregeling).De gewijzigde onderdelen van de regeling zijn op maandag 16 februari2026 in consultatie gegaan.3In deze nota zijn vragen van gelijke strekking waar mogelijk op één plekbeantwoord of wordt verwezen naar het antwoord op de eerste vraag vandie gelijke strekking. Verder is bij de beantwoording zo veel mogelijk devolgorde en paragraafindeling van het verslag aangehouden en zijn devragen cursief gedrukt en genummerd.Tot slot merk ik op dat ik gelijktijdig een nota van wijziging aanbied dievoorziet in een wetstechnische reparatie die nodig is in verband metsamenloop met het wetsvoorstel tot wijziging van diverse wetten inverband met het overzetten van bepalingen uit de VangnetregelingOmgevingswet naar de wet in formele zin.4InhoudsopgaveBlz.I.Algemene toelichting21.Inleiding22.Inhoudelijke toelichting32.1.Vervallen absoluut verbod op urgentie voor alle vreemdelingen(onderdeel A, Huisvestingswet 2014)62.2.Vervallen regeling voor overgang van bevoegdheid totvergunningverlening voor de technische bouwactiviteit nafatale termijn (onderdeel B, onderdeel 1, Omgevingswet)82.3.Aanpassing regeling voorkeursrecht (onderdeel B, onderdelen2 en 3, Omgevingswet)133.Adviezen en internetconsultatie143.1.Ongedaan maken van de regeling voor overgang vanbevoegdheid tot vergunningverlening voor de technischebouwactiviteit na fatale termijn143.2.Amendement schrappen beroepsmogelijkheid tegen woning-bouwplannen van een andere gemeente153.3.Amendement urgentie aan dakloze gezinnen met kinderen163.4.Amendementen inzake procedurele versnellingen en verhoginggriffierechten20II.Artikelsgewijze toelichting20Onderdeel A (Vervallen verbod op voorrang in Huisvestingswet 2014)20Onderdeel C (Overgangsrecht)21 3https://www.internetconsultatie.nl/regelingregie.4Kamerstukken II 2025/26, 36 824, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 62 I. Algemene toelichting 1. Inleiding Vraag 1De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de novelle ten aanzien van de Wet versterking regie volkshuis-vesting. Deze leden betreuren dat deze novelle nodig was als gevolg vanhet willens en wetens aannemen door de Tweede Kamer van eendiscriminerend amendement én benadrukken het belang van een snellebehandeling van deze novelle, zodat de Wet versterking regie volkshuis-vesting per 1 juli 2026 in werking kan treden. Zij vragen wat de uiterstedatum is dat deze wet in de Eerste Kamer moet worden behandeld c.q.aangenomen om dit mogelijk te maken.Het is van belang dat het wetsvoorstel tijdig in werking treedt in verbandmet de volkshuisvestingsopgave en het halen van de mijlpaal in het kadervan het Herstel en Veerkrachtfonds. Inwerkingtreding per 1 juli 2026betekent dat het wetsvoorstel én de novelle voor die dag bekrachtigd doorde Koning en gepubliceerd moeten zijn. Uitgaande van een redelijketermijn tussen publicatie en inwerkingtreding van het wetsvoorstel en denovelle is het van belang dat dat het wetsvoorstel zo spoedig mogelijkwordt aangenomen door de Eerste Kamer. Dit vergt voortvarendheid vanalle betrokken partijen in het proces tot vaststelling van het wetsvoorstel.Het wetsvoorstel wordt op een aantal onderwerpen nader uitgewerkt inhet ontwerpbesluit en de ontwerpregeling. Onder meer de regels overbetaalbaar bouwen en de inhoud van het volkshuisvestingsprogrammaworden in het ontwerpbesluit uitgewerkt. Voorspoedige afronding van devoorhang in de Tweede en Eerste Kamer is van groot belang om voor deuit te werken onderwerpen doelmatig gebruik te kunnen maken van demogelijkheden van het wetsvoorstel. Het ontwerpbesluit wordt naafronding van de voorhang in het parlement voor advisering naar de Raadvan State gezonden.2. Inhoudelijke toelichting Vraag 2De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat onderhavigewet, ook na het aannemen van deze novelle, nog niet af is. Deze ledenmerken op dat er nog steeds geen waarborg is opgenomen die ervoorzorgt dat er genoeg betaalbare woningen worden gebouwd. De plichtvoor iedere gemeente om te groeien naar 30% sociale huur is veranderdin een vrijblijvende doelstelling per regio. Op basis waarvan denkt deregering toch te kunnen garanderen dat er genoeg sociale huurwoningenbijgebouwd gaan worden? Hoe reageert zij in dat licht op de oproep dieAedes opnieuw doet om 30% sociaal per gemeente vast te leggen?Waarom denkt de regering dat gemeenten onder deze vrijblijvendheidineens gaan zorgen voor de programmering van meer betaalbarehuurwoningen terwijl de afgelopen jaren het aandeel sociale huur in devoorraad alleen maar is gedaald? Welke andere mogelijkheden ziet deregering om te garanderen dat er de komende jaren genoeg betaalbarewoningen worden geprogrammeerd in harde plannen?Met het ontwerpbesluit is de balans gezocht tussen enerzijds hetwaarborgen van het halen van de doelstellingen over voldoendebetaalbare woning en anderzijds voldoende ruimte voor maatwerk op hetschaalniveau waar dat het meest nodig is: het lokale niveau. De woning-behoefte en de woonvoorraad is immers niet in elke gemeente hetzelfde.Daarom acht de regering het niet verstandig elke gemeente dezelfdeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 63 instructie te geven voor de gehele lokale opgave aan betaalbarewoningen. Om die reden zijn de doelstellingen van twee derde betaalbarewoningen en 30% sociale huurwoningen niet geregeld op het niveau vaneen gemeente, project of wijk, maar op regionaal, provinciaal en landelijkniveau. Deze doelstelling is wettelijk verankerd in het ontwerpbesluit. Omdeze regionale doelstelling te realiseren worden met de gemeenten onderregie van de provincie afspraken gemaakt over het aandeel betaalbarewoningen dat iedere gemeente realiseert. Gemeenten moeten vervolgenszorgen voor voldoende woningbouwlocaties in harde plannen voor hetafgesproken aandeel betaalbare woningen. De in het ontwerpbesluitwettelijke geborgde doelstelling om regionaal, provinciaal en landelijk30% sociale huurwoningen te realiseren, sluit ook aan bij wat metgemeenten en corporaties is afgesproken in de Nationale prestatieaf-spraken 2024. Daarbij is geconstateerd dat met de realisatie van 30%sociale huurwoningen de sociale huurvoorraad in absolute zin zal groeien.Bovenstaande verplichtingen zijn niet vrijblijvend. Op een aantal manierenis in het ontwerpbesluit gewaarborgd dat iedere gemeente moetbijdragen aan de doelstelling om voldoende betaalbare woningen terealiseren. Allereerst moeten gemeenten een extra stap zetten in de bouwvan woningen in het segment dat ondervertegenwoordigd is in dewoonvoorraad. Juist gemeenten met minder sociale huurwoningen danhet landelijke gemiddelde, moeten in ieder geval 30% sociale huurwo-ningen realiseren. Daarnaast moeten alle gemeenten gezamenlijkbijdragen aan de realisatie van twee derde betaalbare woningen, 30%sociale huurwoningen in de regio. Op grond van de Omgevingswetkunnen provincie of Rijk via instructies interveniëren richting achterblij-vende gemeenten. Zo dragen het wetsvoorstel en ontwerpbesluit bij aaneen fair share-verdeling van de bouw van voldoende betaalbare woningenover de woningbouwregio.Vraag 3De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat meerderegemeenten recent hebben aangegeven zich zorgen te maken overartikel 2.1.b.2 van de concept-ministeriële regeling van het wetsvoorstelVersterking Regie op de Volkshuisvesting. Deze leden vragen de regeringwaarom er niet voor is gekozen om huisvesting van mensen dieuitstromen uit voorzieningen onder te brengen bij de regio waar dezemensen vandaan komen. Hoe kijkt de regering naar het signaal datgemeenten geven ten aanzien van de druk die met dit beleidsvoornemenwordt gelegd op de toekomstige totstandkomingen van bovenregionalevoorzieningen? Hoe voorkomt de regering dat er een nog grotere drukontstaat op regio’s met veel voorzieningen met betrekking tot deuitstroom en huisvesting van bijzondere doelgroepen? Zij vragen deregering of ze bereid is mogelijkheden te onderzoeken om de gemeentendie zich hierover zorgen maken tegemoet te komen. Is de regering bereidom dit onderdeel van nog te wijzigen zodat er een eerlijke spreiding overregio’s komt?Het wetsvoorstel verplicht gemeenten om afspraken te maken over eenevenwichtige regionale verdeling van urgent woningzoekenden. Hetuitgangspunt van de afspraken is dat deze voldoen aan de woonbehoeftevan de urgent woningzoekenden in de betreffende regio.Naar aanleiding van het signaal van gemeenten dat druk wordt gelegd bijgemeenten met bovenregionale voorzieningen, is gesproken met de VNG.Dit heeft geleid tot een aanpassing van de ontwerpregeling versterkingregie volkshuisvesting ten opzichte van de eerder geconsulteerde versie.Hiermee is een lid toegevoegd aan de criteria van de uitwerking van hetbegrip «maatschappelijke binding». Hierdoor is het mogelijk voor urgentTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 64 woningzoekenden om binding te behouden met de woningmarktregio vanherkomst, ondanks langer verblijf in een instelling in een andere regio. Zowordt geborgd dat elke woningzoekende zich zal kunnen wenden tot deregio van herkomst voor een aanvraag voor een urgentie; ook eenwoningzoekende die uitstroomt uit een instelling in een andere regio.Hiermee wordt voorkomen dat een woningzoekende niet tussen wal enschip kan vallen en in geen enkele regio in aanmerking komt voorurgentie.Vraag 4De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom de regering te vragen naar de uitwerking van de wet in het Besluitversterking regie volkshuisvesting. Gemeenten met grote justitiëleinstellingen vrezen de onevenredige opgave die zij krijgen omex-gedetineerden te huisvesten, in de gemeente waar zij gedetineerdhebben gezeten. Klopt het dat deze verplichting volgt uit het Besluit, zoalsnu geformuleerd? Herkent de regering dat dit voor een grote belastingvan een aantal gemeenten zal zorgen? Daarnaast menen deze leden dathet vanuit het oogpunt van re-integratie in de samenleving niet de meestlogische stap is om ex-gedetineerden te huisvesten in de gemeente waarzij gedetineerd zijn geweest, in plaats van hen voorrang te geven in degemeente waar zij binding mee hebben. Zij erkennen dat er gevallen zijnwaarin het juist niet wenselijk is als de ex-gedetineerde naar hun laatstewoongemeente gaan, vanwege bijvoorbeeld de risico’s op ronselen ofbanden met oude criminele netwerken. Voor deze mensen dient natuurlijkeen uitzondering mogelijk te zijn. Wat is de reactie van de regering opdeze afwegingen? Is het nodig dat het Besluit wordt aangepast als deKamer dit zo wenst te regelen dat gemeenten waar de ex-gedetineerdelaatst ingezetene was deze verplichting krijgen? Is de regering daartoebereid?Het onderdeel waar de leden van de fractie van de ChristenUnie aanrefereren wordt niet geregeld in het ontwerpbesluit, maar in de ontwerp-regeling. In de ontwerpregeling wordt nader bepaald wanneer eenwoningzoekende maatschappelijke binding heeft met een regio.Voor een goede re-integratie is de aanwezigheid van een goed pro-sociaalnetwerk van grote meerwaarde. Daarom is in de ontwerpregelingrekening gehouden met de mogelijkheid dat elke woningzoekende dieuitstroomt uit een instelling, zich zal kunnen wenden tot de regio vanherkomst voor een aanvraag voor urgentie. Er kunnen echter zwaarwe-gende redenen zijn juist niet terug te keren naar de regio van herkomst,bijvoorbeeld vanwege de belangen van slachtoffers of de aanwezigheidvan een crimineel netwerk. Gemeenten en woningmarktregio’s kunnenafspraken maken over de wijze waarop een overdracht van urgentwoningzoekenden plaatsvindt. Daarmee kan maatwerk worden geleverd,dat blijft met de ontwerpregeling mogelijk.Vraag 5De leden van de ChristenUnie-fractie betreuren het dat de regering degelegenheid van de novelle niet heeft aangegrepen om de doelstellingvan twee derde betaalbaar en 30% sociale huur als doelstelling pergemeente te realiseren. Deze leden blijven ervan overtuigd dat dit debeste manier zal zijn om voldoende betaalbare huizen te realiseren. Zijvragen of de regering bereid is deze doelstelling per gemeente in hetOntwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting op te nemen teneindePoolse landdagen te voorkomen. En zo nee, hoe borgt de regering dan desolidariteit tussen gemeenten en dat elke gemeente in de regio haar fairshare op zich neemt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 65 In het ontwerpbesluit is gezocht naar ruimte voor maatwerk op hetschaalniveau waarop de verschillen het grootst zijn, namelijk het lokaleniveau. De woningbehoefte en het aandeel sociale huurwoningen enwoningen voor middeninkomens zijn immers niet in elke gemeentehetzelfde. Daarom acht ik het niet verstandig elke gemeente een identiekedoelstelling op te leggen voor de lokale gehele opgave aan betaalbarewoningen. Een doelstelling van twee derde betaalbare woningen, 30%sociale huur per gemeente, betekent daarnaast dat er niet wordt gestuurdop de bouw van voldoende woningen voor huishoudens met eenmiddeninkomen. Ook huishoudens met een middeninkomen vallen op ditmoment tussen wal en schip. Voorts wordt verwezen naar het antwoordop vraag 2.Vraag 6De leden van de SP-fractie vinden het onacceptabel dat in tijden vanwoningnood woningen leegstaan, terwijl mensen jarenlang op eenwachtlijst staan of noodgedwongen in een opvang, auto of vakantieparkbelanden. Deze leden merken op dat in de memorie van toelichting (MvT)wordt gesproken over instrumenten om leegstand tegen te gaan, maardat deze paragraaf niet actueel is en dat de leegstandheffing ontbreekt alsexpliciet instrument. Zij vragen de regering waarom de leegstandheffingniet wordt benoemd als onderdeel van het gemeentelijk instrumentarium.De leden van de SP-fractie vragen de regering of zij bereid is om ditinstrument expliciet op te nemen in de MvT, zodat gemeenten helderheidhebben over de mogelijkheden om leegstand aan te pakken.In de Gemeentewet is door middel van het amendement Stultiens c.s. opde Fiscale verzamelwet 2026 de grondslag opgenomen voor gemeentenom een leegstandheffing in te voeren.5 Dit onderdeel van de Fiscaleverzamelwet 2026 treedt op korte termijn in werking bij koninklijk besluit.Aanpassing van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is nietmeer mogelijk omdat deze in procedure is bij de Eerste Kamer. De VNGzal een modelbelastingverordening opstellen en deze onder de aandachtbrengen bij gemeenten zodat duidelijk wordt dat zij ook dit middel tot hunbeschikking hebben om leegstand te bestrijden. Verder wordt opgemerktdat het amendement verwijst naar de definitie van wat een woning is enwanneer een woning leegstaat in de Leegstandwet. Gewerkt wordt aaneen aanscherping van deze definitie in de Wet aanpak leegstand zodatduidelijk is voor welke vormen van leegstand er belasting geheven magworden.2.1. Vervallen absoluut verbod op urgentie voor alle vreemdelingen(onderdeel A, Huisvestingswet 2014) Vraag 7De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 2 van de MvT dat onder-scheid toegestaan kan zijn, indien het een legitiem doel dient en daarvooreen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Daarna staatopgetekend dat het doel van het benoemde onderscheid in zichzelfdiscriminerend is, omdat het met opzet niet-Nederlanders uitsluit, endaarom niet legitiem. Een discriminerend doel kan volgens de regeringnooit gerechtvaardigd worden. Deze leden willen de regering vragen watontbreekt inzake «legitiem doel» en «redelijke rechtvaardiging» om allesin het werk te stellen om Nederlandse woningzoekenden (die geboren engetogen zijn in Nederland en vaak al vele jaren wachten op een socialehuurwoning) op geen enkele manier mogelijk achter te stellen opstatushouders.5Kamerstukken II 2025/26, 36 735, nr. 14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 66 Het in het wetsvoorstel geamendeerde onderdeel dat ziet op een absoluutverbod op voorrang voor vergunninghouders maakt het onmogelijk omvreemdelingen, die op basis van een verblijfsvergunning rechtmatig inNederland verblijven, in aanmerking te laten komen voor elke vorm vanurgentie.Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om chronische ziekte, het moetenverlaten van een woning vanwege stadsrenovatie, of verblijf in eenopvang wegens huiselijk geweld of mensenhandel. Dit verbod treft dusvergunninghouders en ook vreemdelingen met een verblijfsvergunningdie reeds lang in Nederland verblijven. Het verbod op urgentie voor allevreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning is verleend, leidt ertoe datdeze personen in geen enkel geval meer urgentie kan worden verleend,ook niet indien woningzoekenden met de Nederlandse nationaliteit welurgentie zouden krijgen. Een dergelijk verbod is in strijd met artikel 1 vande Grondwet omdat het een onderscheid maakt tussen woningzoekendenmet hoofdzakelijk de Nederlandse nationaliteit6 en personen die recht-matig in Nederland verblijven op basis van een verblijfsvergunning, ook albevinden ze zich in dezelfde situatie. Voor het absoluut uitsluiten van allevreemdelingen met een verblijfsvergunning in alle situaties, waardoor inde praktijk ongelijke behandeling ontstaat, geldt dat dit geen legitiem doeldient en niet redelijkerwijs te rechtvaardigen is.Vraag 8Daarnaast willen de leden van de PVV-fractie de regering vragen wat zijheeft ondernomen om in ieder geval te onderzoeken wat in de geest vanhet amendement Mooiman eventueel wel mogelijk zou zijn.Het amendement Mooiman is in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Omdie reden is het schrappen van het amendement voor dit wetsvoorstel deenige optie.Daarnaast wordt verwezen naar het wetsvoorstel nieuwe regels inzakehuisvesting vergunninghouders. Hierin schetst de regering hoe zijinvulling geeft aan een verbod op voorrang voor vergunninghouders. Metdit wetsvoorstel wordt voorgesteld dat vergunninghouders geen voorrangmeer mogen krijgen, voor zover het voorrang betreft op basis van het feitdat ze vergunninghouder zijn. Zij komen wel op de dezelfde wijze inaanmerking voor voorrang als die voorrang geldt voor andere woningzoe-kenden. Om die reden is niet gekeken naar ander alternatief voor hetamendement Mooiman.Vraag 9De leden van de CDA-fractie hebben eerder inbreng geleverd op deWijziging van de Huisvestingswet 2014 inzake het verbod op voorrangvoor vergunninghouders (Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergun-ninghouders). Deze leden hebben daarbij onder andere aangegeven datgemeenten binnen landelijke kaders de ruimte moeten behouden omafgewogen keuzes te maken over de verdeling van schaarse woonruimte.Dat geldt voor mensen met lokale binding, voor mensen die uit zorg ofopvang uitstromen, voor de aanpak van dakloosheid en het bieden vanpassende huisvesting aan daklozen, en ook voor statushouders.Vertrouwen in gemeenten en ruimte voor maatwerk zijn volgens de ledenvan de CDA-fractie onmisbaar voor een rechtvaardig en effectief6Meer precies gaat het hier om woningzoekenden die de Nederlandse nationaliteit bezitten of opgrond van een wettelijke bepaling als Nederlander worden behandeld, evenals vreemdelingendie rechtmatig verblijf hebben in Nederland, waarbij de rechtmatigheid van het verblijf nietberust op een verblijfsvergunning, zoals het geval is bij onderdanen van landen uit deEuropese Unie of de Europese Economische Ruimte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 67 woonbeleid. De vraag aan de regering is op welke manier gemeenteninstrumenten in handen gegeven kan worden om deze groepen snellereen huis te kunnen bieden, naast de urgentieregeling.Op basis van de Huisvestingswet 2014 hebben gemeenten reedsverschillende instrumenten tot hun beschikking om bepaalde groepensneller aan een woonruimte helpen. Zo kunnen gemeenten voormaximaal de helft van de toewijzingen voorrang geven aan woningzoe-kenden met maatschappelijke of economische binding aan de regio,gemeente of deel van de gemeente.7 Daarnaast kunnen gemeentenvoorrang geven op basis van passendheid.8 Ook hiermee kunnengemeenten aan bepaalde groepen sneller een woning toewijzen. Dit staatlos van de verplichte categorieën van urgent woningzoekenden dieworden geïntroduceerd met het wetsvoorstel.Vraag 10De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe zijervoor zorgt dat gemeenten met dit onderdeel weer ruimte hebben voormaatwerk en een uitvoerbaar urgentiebeleid, zonder groepen woningzoe-kenden tegen elkaar uit te spelen.Gemeenten zijn, als lokaal bestuur, vaak het beste in staat om afwegingente maken ten aanzien van de lokale situatie. Op dit moment is het zo datvergunninghouders een woning toegewezen krijgen, omdat zij vergun-ninghouder zijn. Verwezen wordt naar het wetsvoorstel nieuwe regelsinzake huisvesting vergunninghouders. Hierin schetst de regering hoe zijinvulling geeft aan een verbod op voorrang voor vergunninghouders. Metdit wetsvoorstel behouden gemeente de lokale ruimte om voorrang tegeven aan vergunninghouders op dezelfde gronden als andere woning-zoekenden. Bijvoorbeeld op medische gronden, of bij stadsvernieuwing.Hiermee wordt de positie van vergunninghouders genormaliseerd tenopzichte van andere woningzoekenden.2.2. Vervallen regeling voor overgang van bevoegdheid tot vergunning-verlening voor de technische bouwactiviteit na fatale termijn (onderdeelB, onderdeel 1, Omgevingswet) Vraag 11De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 3 van de MvT dat minderdan vijf procent van de aanvragen voor een (technische) bouwactiviteitwoningbouwprojecten betreft. Deze leden willen een nadere toelichtingvan de regering inzake dit percentage, alsmede een inschatting of ditpercentage de komende jaren niet kan gaan stijgen.De vergunningplicht voor een «technische» bouwactiviteit heeft nietalleen betrekking op woningbouw maar ook op een groot aantal anderebouwactiviteiten zoals het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten,vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk. Bijvoorbeeldverbouw van een kantoor met gevolgen voor de draagconstructie ofbrandcompartimentering. Daarnaast is er voor woningbouwprojectenveelal geen omgevingsvergunning voor een technische bouwactiviteitnodig door de Wet kwaliteitsborging bouwen. Voor gestapeldewoningbouw (zoals appartementen) geldt nog wel een vergunningplicht,voor grondgebonden woningbouw volstaat meestal een melding.Daarnaast zal één aanvraag meestal de bouw van meerdere woningenbetreffen. Om die reden heeft slechts 5% van alle vergunningaanvragenvoor een «technische» bouwactiviteit betrekking op woningbouw. De7Artikel 14, tweede lid van de Huisvestingswet 2014.8Artikel 11 van de Huisvestingswet 2014.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 68 verwachting is dat ook bij toename van de bouw van woningen,woningbouw een relatief klein percentage blijft van alle vergunningaan-vragen om een «technische» bouwactiviteit.Het percentage van 5% is gebaseerd op de Uitvoeringstoets DecentraleOverheden (UDO) die is uitgevoerd in verband met onder meer hetamendement Welzijn c.s.9 Bij deze UDO is onderzoek gedaan bij eenaantal grote, middelgrote en kleinere gemeenten uit diverse delen van hetland. Er zijn namelijk geen landelijke data over het aandeel woningbouwbinnen de aanvragen voor een «technische» bouwactiviteit.Vraag 12Tevens staat op bladzijde 3 van de MvT dat bij de behandeling vanbetreffende aanvragen zelden sprake is van termijnoverschrijding alsalleen een vergunning voor een (technische) bouwactiviteit voorwoningbouw wordt aangevraagd. De leden van de PVV-fractie willen deregering vragen wat het beeld is als er gelijktijdig andere vergunningenworden aangevraagd.Uit de in het vorige antwoord aangehaalde UDO komt het beeld naarvoren dat wanneer de aanvraag meerdere activiteiten omvat, er vakersprake is van overschrijding van de beslistermijn. Veelal gaat het daarbijom een aanvraag waarin naast een «technische» bouwactiviteit ook eenvergunning wordt gevraagd voor de ruimtelijke bouwactiviteit (deomgevingsplanactiviteit).Bij de «technische» bouwactiviteit wordt beoordeeld of de te bouwenwoning voldoet aan de landelijke bouwtechnische regelgeving in hetBesluit bouwwerken leefomgeving. Bij de ruimtelijke bouwactiviteit wordtbeoordeeld of de te bouwen woning(en) gebouwd kunnen worden op deaangevraagde locatie. De beoordeling van een ruimtelijke bouwactiviteitis veelal complexer en meer tijdrovend omdat vaak een beoordeling moetworden gemaakt van alle betrokken belangen voor de fysieke leefom-geving. Zoals de effecten voor omwonenden, mobiliteit, water en bodem,geluid, externe veiligheid, bescherming van monumentale waarden,benodigde voorzieningen zoals scholen, etc. Deze beoordeling kan bijuitstek het beste op lokaal niveau gemaakt worden.Vraag 13Op dezelfde bladzijde valt ook te lezen dat intensieve samenwerkingtussen marktpartijen en overheden belangrijk is voor versnelling in devoorfase. De regering geeft aan dat wordt ingezet op structureleversterking van de uitvoeringscapaciteit van gemeenten. De leden van dePVV-fractie willen de regering vragen waar nog eventueel extra ruimte isinzake beschikbare middelen, als de inzet onvoldoende blijkt te zijn om tekomen tot structurele versterking van de uitvoeringscapaciteit vangemeenten.Om de woningbouw te versnellen is ook versterking van de uitvoerings-kracht bij gemeenten belangrijk. Daarom is bij de Woontop 2024afgesproken om de uitvoeringskracht van medeoverheden te versterkenen is daarvoor gewerkt aan een interbestuurlijk programma. Hetprogramma is een samenwerkingsverband van overheden, private enpublieke kennisinstellingen, zoals Platform 31, met betrokkenheid van(markt)partijen zoals corporaties en projectontwikkelaars. Doel is dat dezesamenwerking continuïteit biedt voor versterking van de uitvoeringscapa-9Deze UDO is gelijktijdig met de nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel op15 oktober jl. verzonden aan de Eerste Kamer en op 24 november 2025 aan de Tweede Kamer.Kamerstukken I 2024/25, 36 512, nr. G en 2025Z19117.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 69 citeit voor de lange termijn. Zo starten VNG en Platform 31 een onafhan-kelijk expertisecentrum waarbij een bijdrage wordt geleverd aan hetversterken van de uitvoeringskracht bij gemeenten door het delen van(praktijk-)kennis, het toepassen van beproefde werkwijzen en het opleidenen trainen van professionals. Voor de versterking van de uitvoeringskrachtzijn rijksmiddelen beschikbaar als onderdeel van de Realisatiestimulans,met cofinanciering door provincies voor de versterking van capaciteit.Vraag 14De leden van de PVV-fractie vragen of de uitvoeringscapaciteit vanNederlandse gemeenten ook wat verbeterd zou kunnen worden, als voorpersoneel wordt geworven in en/of samengewerkt wordt met Vlaamsegemeenten (Vlaanderen telt immers 285 gemeenten)?Is daar ooit onderzoek naar gedaan?Ik onderschrijf dat bij de versterking van uitvoeringscapaciteit hetbelangrijk is om creatief te denken en waardeer daarom de suggestie omook te kijken naar andere mogelijkheden zoals samenwerking metVlaamse gemeenten. De aanpak om de uitvoeringskracht te versterkenricht zich vooral op vergroten en beter, slimmer benutten van de capaciteiten kennis. Bijvoorbeeld door kennis te delen, mensen op te leiden enbeproefde werkwijzen breder toe te passen. Bijvoorbeeld met de inzet vande werkwijze parallel plannen. De verwachting is dat daarmee metdezelfde capaciteit de uitvoeringskracht van medeoverheden kan wordenverbeterd. Daarnaast is een deel van de benodigde kennis ook specifiekingericht op de regelgeving en versnelling van de plan- en besluitvormingin Nederland. Dat vergt veel kennis van de Nederlandse regels en van delokale omstandigheden. Om die reden is samenwerking met Vlaamsegemeenten in deze fase niet onderzocht.Vraag 15Op bladzijde 3 valt ook te lezen dat het Ministerie van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening geen capaciteit en expertise voorhanden heeft omals bevoegd gezag termijnoverschrijding van meervoudige aanvragen aante pakken en er geen financiële middelen zijn om deze capaciteit enexpertise op te bouwen.De leden van de PVV-fractie zouden de regering willen vragen om eeninschatting te geven van de kosten en tijd die nodig zijn om genoemdecapaciteit op te kunnen bouwen.In de in vraag 11 genoemde UDO is de inschatting gemaakt dat afhankelijkvan de invulling van het amendement de benodigde capaciteit voor hetRijk maximaal 200 fte is. De geschatte kosten daarbij zijn maximaal ca.€ 31,9 miljoen euro per jaar. Kosten voor implementatie zoals hetinrichten van organisatie en digitale systemen zijn daarbij nog nietinbegrepen. Standaard implementatiekosten bedragen in de praktijkeenmalig 33%-50% van de structurele personeelskosten.10 Aangezien dezekennis en capaciteit niet aanwezig is, moet personeel worden aange-trokken in een bijzonder krappe arbeidsmarkt voor de benodigdeexpertise. Het zal daarom tijd kosten om voldoende personeel aan tetrekken, in concurrentie met gemeenten. Daarnaast is ook tijd nodig voorhet inrichten van processen en digitale systemen. Op dit moment iszonder nadere analyse geen goede inschatting te maken van de voorbe-reidingstijd hiervan.10Standaard implementatiekosten, Andersson Elffers Felix.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 610 Vraag 16De leden van de CDA-fractie vinden het van belang dat het Rijk regie kannemen als de vergunningverlening bij decentrale overheden vastloopt. DeCrisis- en herstelwet gaf het Rijk een aantal instrumenten in handen omvastgelopen besluitvorming los te trekken. Het gebruik van fataletermijnen zoals uitgewerkt in het betreffende amendement, is nietuitvoerbaar. Deze leden vragen op welke wijze de verschillende instru-menten uit de Crisis- en herstelwet wel ingezet kunnen worden onder dewet Versterking regie volkshuisvesting.Het instrumentarium van de voormalige Crisis- en herstelwet (Chw) isgrotendeels in de Omgevingswet opgegaan en kan nu al op verschillendemanieren een bijdrage leveren aan het versnellen van de realisatie van degrootschalige woningbouwlocaties. In bijlage 1 is een overzichtopgenomen van hoe de instrumenten uit de Chw zijn overgegaan in deOmgevingswet. De bestuursrechtelijke versnellingen uit de Chw zijnovergenomen in de projectprocedure onder de Omgevingswet. Via hetwetsvoorstel en het ontwerpbesluit zullen besluiten voor woningbouw-projecten vanaf één woning ook onder de procedurele versnellingenworden gebracht die in de Omgevingswet zijn opgenomen ten aanzienvan het projectbesluit. Dat betekent onder meer dat voor woningbouwpro-jecten meteen beroep openstaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak vande Raad van State (beroep in één instantie) en er een uitspraaktermijn vanzes maanden geldt.Het wetsvoorstel voegt daarnaast een aantal nieuwe versnellingen toevoor woningbouwprojecten bestaande uit ten minste één woning. Eénvan deze versnellingen houdt in dat de gemeente geen beroep kaninstellen tegen een andere gemeente als een besluit betrekking heeft opde bouw van een of meer woningen. Dit heeft enige gelijkenis met devoormalige regeling in artikel 1.4 van de Chw waarin decentraleoverheden niet in beroep konden gaan tegen besluiten van de centraleoverheid. Daarnaast wordt nog een aantal andere versnellingen geïntro-duceerd zoals het vereenvoudigen van rechtstreeks beroep, het doen vaneen verkorte uitspraak (zonder motivering) en het overslaan van eentweede zitting als het beroep al een keer ter zitting is behandeld. Daarmeeworden er verschillende aanvullende maatregelen getroffen om degerechtelijke procedures te versnellen en om te voorkomen dat woning-bouwprojecten vastlopen in juridische trajecten en plannen snellerdefinitief worden.Vraag 17De leden van de SGP-fractie merken op dat de regering het meestingrijpende middel inzet, namelijk het schrappen van het amendement uitde wet. Tegelijk is dit amendement wel met meerderheid aangenomen.Deze leden begrijpen dat ook dit amendement uitvoerbaar moet zijn, ende broodnodige woningbouw niet moet tegenwerken. Welke alternatievenzijn overwogen om het doel van het amendement, namelijk het verkortenvan procedures, te bereiken? Is het volledig schrappen van hetamendement het meest geëigende middel, of zijn er minder ingrijpendeaanpassingen mogelijk?Ik heb gekeken of reparatie op AMvB-niveau mogelijk is, via beperkingvan de aanwijzing van gevallen waarvoor verschuiving van bevoegdgezag geldt. Op basis van de UDO is echter de conclusie dat ookverschuiving van het bevoegd gezag bij termijnoverschrijding niet totversnelling van de vergunningverlening zal leiden, terwijl er wel signifi-cante gevolgen zijn voor de uitvoeringspraktijk en het disproportioneelingrijpt in de bestuurlijke verhoudingen. Zie ook het antwoord op vraag15. Om die reden is geconcludeerd dat op dit onderdeel het wetsvoorstelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 611 reparatie behoeft door het volledig schrappen van dit geamendeerdeonderdeel.Daarnaast is naar aanleiding van het advies van de adviesgroep STOER,gekeken naar de invoering van de zogenaamde vergunning vanrechtswege (lex silencio positivo). Bij de kabinetsreactie op dit advies isgeconcludeerd dat de vergunning van rechtswege voor de «technische»bouwactiviteit niet leidt tot versnelling voor woningbouw omdat in veelgevallen er geen vergunning meer vereist is voor de «technische»bouwactiviteit voor nieuwbouw van woningen.11 Voor onder meercomplexe projecten is er nog wel een omgevingsvergunning voor een«technische» bouwactiviteit nodig, denk daarbij aan niet grondgebondenwoningen, zoals appartementencomplexen. Voor deze projecten is eenvergunning van rechtswege zonder voorafgaande toetsing aan detechnische eisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving risicovol.Bovendien brengt een van rechtswege verleende vergunning deaanvrager lang niet altijd de gewenste zekerheid en snelheid voor deinitiatiefnemer. Ook tegen een van rechtswege verleende vergunning staatnamelijk bezwaar en beroep open. Gezien de bovenstaande kantteke-ningen ziet het kabinet de lex silencio positivo in deze vorm op ditmoment niet als een geschikt en effectief instrument om de vergunning-verlening in de woningbouw te versnellen.Op een aantal manieren zet ik in op versnelling in alle fases van deprocedure. Publiek-private samenwerking met goed zicht op de voortgangen zoeken naar werkbare oplossingen, zorgt voor versnelling in devoorfase doordat projecten zo snel worden losgetrokken. Daarnaast zet ikin op versterking van de uitvoeringskracht bij gemeenten door extrafinanciële middelen en versterking van kennis. Het wetsvoorstel voorzietin versnelling van de beroepsprocedure voor onder meer woningbouw-projecten onder meer doordat meteen beroep openstaat bij de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State (beroep in één instantie) meteen uitspraaktermijn van zes maanden. Ook voorziet het ontwerpbesluit inhet schrappen van de Ladder voor duurzame verstedelijking voor nieuwewoningbouwlocaties en in de vergunningvrije mantelzorg- en familie-woning.Vraag 18De leden van de SGP-fractie onderschrijven de noodzaak van hetstructureel versterken van de uitvoeringscapaciteit van gemeenten. Hoe isdit structureel geborgd? Zijn hier structureel middelen voor?Het Rijk heeft met het IPO en VNG gewerkt aan een programmatischeaanpak om de uitvoeringscapaciteit bij medeoverheden te versterken.Doel is dat vanaf 2030 sprake is van een vaste uitvoeringsaanpak diecontinuïteit biedt voor de lange termijn. Hiervoor zijn Rijksmiddelenbeschikbaar gesteld voor de periode 2026–2029. Zie ook het antwoord opvraag 13.Vraag 19De Minister schrapt het aangenomen amendement Welzijn. De leden vande ChristenUnie-fractie constateren een blijvend visieverschil tussen deindiener en de regering op de werking van het amendement. Dedoelstelling van het amendement was om gemeenten binnen acht wekengewoon te laten beslissen over een technische bouwactiviteit, zoals vangemeenten mag worden verwacht, en dat er consequenties komen zodragemeenten de voor hen gestelde termijnen overschrijden. Op basis vanwelke argumenten kan de regering niet uit de voeten met de haar11Kamerstukken II 2025/26, 32 847, nr. 1383.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 612 toebedeelde doorzettingsmacht in het amendement? Zij hoeft op basisvan dit amendement toch niet zelf de vergunningen te gaan verlenen? Enwaarom stelt de regering er niets voor in de plaats, zo vragen deze leden.De adviesgroep STOER adviseert in haar eindrapport de Lex silenciopositivo (vergunning automatisch verleend bij overschrijding termijn)opnieuw in te voeren voor regulier voorbereide omgevingsvergunningenvoor met name woningbouwprojecten. Deze mogelijkheid is met deintroductie van de Omgevingswet afgeschaft. Waarom omarmt deregering dit advies niet? Daarmee zorgt de regering toch voor onnodigevertraging bij de zo noodzakelijke woningbouw? En meer fundamenteel:acht de regering de balans in de Omgevingswet niet te veel doorgeslagenin het voordeel van het bestuursorgaan en dus in het nadeel van deaanvrager, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wordt op basisvan het amendement bij overschrijding van de beslistermijn voor deaangewezen gevallen bevoegd gezag voor de aanvraag om «technische»bouwvergunning. Dat betekent dat de Minister op basis van hetamendement dus daadwerkelijk zelf de vergunningen verleent. Daarnaastwordt de Minister als bevoegd gezag belast met het afhandelen vanbezwaar en beroep en met het toezicht op de naleving van de vergunning.Op basis van de eerdergenoemde UDO komt naar voren dat gemeentenbij de «technische» bouwvergunning in 95% van de gevallen binnen debeslistermijn de vergunning verlenen. Daarnaast wordt in de UDOgeconcludeerd dat verschuiving van het bevoegd gezag bij termijnover-schrijding niet tot versnelling van de vergunningverlening zal leiden. Ditterwijl er wel significante gevolgen zijn voor de uitvoeringspraktijk en hetdisproportioneel ingrijpt in de bestuurlijke verhoudingen.Om die reden is geconcludeerd dat op dit onderdeel het wetsvoorstelreparatie behoeft door het volledig schrappen van dit onderdeel.In het antwoord op vraag 17 heb ik beschreven waarom het amendementgeheel is geschrapt en waarom de vergunning van rechtswege geenalternatief is dat leidt tot versnelling.Ik zie overigens geen tegenstelling in het belang van het bestuursorgaandat regelgeving uitvoerbaar moet zijn en het belang van de aanvrager.Goed uitvoerbare regelgeving is immers noodzakelijk om tot versnellingvan woningbouw te komen. Het doel van het amendement om totversnelling te komen wordt uiteraard volledig onderschreven. Om diereden wordt ingezet op effectieve en uitvoerbare maatregelen om tebouwen met meer tempo met versnelling in alle fases (zie ook hetantwoord op vraag 17). Ik heb ook geen signalen ontvangen vanuit demonitoring en evaluatie van de Omgevingswet dat de balans in deOmgevingswet te veel doorslaat in het voordeel van het bestuursorgaanen dus in het nadeel van de aanvrager.2.3. Aanpassing regeling voorkeursrecht (onderdeel B, onderdelen 2 en 3,Omgevingswet) Vraag 20De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat dat degeamendeerde verruiming van het voorkeursrecht met deze novelleverder wordt ingeperkt dan nodig. De regering stelt dat de geest van hetamendement intact blijft, terwijl de wijzigingen die het strategischverwerven van grond vergemakkelijken worden teruggedraaid. Juist dat isvolgens deze leden cruciaal. Is de verruiming van de termijn van hetvoorkeursrecht van drie naar vijf jaar de maximale ruimte binnen hetgeldende eigendomsrecht? Welke andere opties om tegemoet te komenaan de wensen van de indieners zijn er overwogen? Op welke manierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 613 zorgt de regering ervoor dat gemeenten vaker strategisch grond kunnenverwerven?De bedoeling van de indieners van het amendement is de mogelijkheid tebieden om een voorkeursrecht in een vroegere fase van planvorming tekunnen vestigen. Op die manier kan grond worden verworven op hetmoment dat er nog geen concrete woningbouwplannen zijn. Zo kanspeculatieve waardestijging bij onder meer grondposities voorwoningbouw worden voorkomen. Conform het amendement voorziet ookde novelle hierin doordat een voorkeursrecht dat wordt gevestigd in eenvroege fase maximaal vijf jaar geldt in plaats van drie jaar in het huidigerecht. Door vaststelling van een omgevingsvisie of programma wordtdeze termijn met nog eens met maximaal vijf jaar in plaats van drie jaarverlengd. Met deze verruiming van de vervaltermijn in de vroege fase vanzes naar tien jaar voorziet de novelle dus in meer tijd om grondenstrategisch te verwerven. Op dit punt is de regeling in de novelle conformhet amendement. Ook wordt hiermee tegemoetgekomen aan de wensvanuit de uitvoeringspraktijk om de termijn om een omgevingsplan vastte stellen te verlengen. De geldingsduur van een voorkeursrecht navaststelling van een omgevingsplan blijft maximaal tien jaar, met dienverstande dat de maximale totale geldingsduur van het voorkeursrechtnooit meer dan zestien jaar kan bedragen. Deze termijn heeft namelijk inde rechtspraktijk de toets doorstaan dat sprake is van een proportioneleinbreuk op het eigendomsrecht in verhouding tot het algemene belangvan de ontwikkeling. De regeling is daarnaast ook meer flexibel: wanneerer aan de voorkant minder tijd nodig is om een omgevingsplan vast testellen resteert er meer tijd nadat het omgevingsplan is vastgesteld.In de geconsulteerde novelle was een alternatieve regeling opgenomenmet een geldingsduur van tien jaar voorafgaand aan vaststelling van hetomgevingsplan (conform het amendement) en een geldingsduur vanmaximaal tien jaar na vaststelling van het omgevingsplan (conform hethuidige recht). Daarmee zou de totale geldingsduur ten opzichte van hethuidige recht verlengd worden van zestien naar twintig jaar. De noodzaakvan een totale geldingsduur van twintig jaar kon echter onvoldoendeworden onderbouwd en is ook niet getoetst in de rechtspraktijk. Daarmeeis het onzeker of een termijn van twintig jaar de toets kan doorstaan vaneen proportionele inbreuk van het eigendomsrecht. Ook het Adviescollegetoetsing regeldruk had hierover een negatief advies ingebracht. Om diereden is naar aanleiding van de consultatie de novelle op dit puntaangepast.De met deze novelle voorgestelde verruiming van de termijnen maakteerdere en langere vestiging van het voorkeursrecht in een vroege fasevan planvorming mogelijk. Dit gebeurt met een flexibele regeling binnende kaders van de in de rechtspraktijk beproefde maximale termijn vanzestien jaar. Dit komt ook tegemoet aan de behoefte aan meer flexibiliteitin de uitvoeringspraktijk. De regeling in de novelle kan dan ook op steunrekenen van de VNG.3. Adviezen en internetconsultatie 3.1. Ongedaan maken van de regeling voor overgang van bevoegdheid totvergunningverlening voor de technische bouwactiviteit na fatale termijn Vraag 21De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 7 van de MvT dat deregelingen (Flexpoolregeling en Expertteam Woningbouw) door 207gemeenten in 2024 en 166 gemeenten in 2023 zijn benut. Deze ledenwillen de regering vragen of zij misschien al cijfers heeft voor dit jaar enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 614 wat zij heeft ondernomen, alsmede gaat ondernemen om deze regelingenzoveel mogelijk aan te prijzen bij alle gemeenten.Ook in 2025 is het Expertteam Woningbouw veelvuldig benut. In totaal zijn202 gemeenten door het Expertteam ondersteund. De Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO) brengt het expertteam zelf onder deaandacht, maar het expertteam wordt bijvoorbeeld ook in de gesprekkentussen gemeenten, provincies en Rijk onder de aandacht gebracht,bijvoorbeeld aan de regionale versnellingstafels.De provincies hebben zich in 2024 ingeschreven op de flexpoolregeling,alle provincies hebben vanuit deze regeling een bijdrage ontvangen. In2025 hebben de provincies aangegeven op welke wijze zij deze middelengaan besteden in de jaren 2025 en 2026 met een uitloop naar 2027.Provincies nemen vervolgens contact op met de gemeenten om tebepalen op welke manier de flexpoolmiddelen worden ingezet.3.2. Amendement schrappen beroepsmogelijkheid tegen woningbouw-plannen van een andere gemeente Vraag 22De leden van de D66-fractie vragen de regering uiteen te zetten hoe vaakeen gemeente beroep heeft ingesteld tegen een besluit van een anderegemeente over woningbouw in de afgelopen jaren.Er zijn van de afgelopen jaren geen cijfers bekend over in hoeveelgevallen een gemeente tegen een besluit over woningbouw van eenandere gemeente in beroep ging. Van de bij amendement van het lidWijen-Nass12 ingevoegde bepaling gaat, naast het verbod, de signaal-werking uit dat gemeenten over woningbouw niet tegen elkaar dienen teprocederen. Via overleg en afstemming moeten zij er in het voorberei-dingstraject met elkaar uitkomen, ook om onnodige vertraging in dewoningbouw te voorkomen. Bij het bepalen van een nieuwe woning-bouwlocatie moet een gemeente nadrukkelijk kijken naar de effecten voornaburige gemeenten. Dit is ook het uitgangspunt van de Omgevingswet,die diverse bepalingen bevat over bestuurlijk overleg en samenwerkingtussen overheden. Waar een gemeente onvoldoende rekening houdt metde belangen van andere gemeenten kan de provincie haar coördinerenderol vervullen om tot een bestuurlijke oplossing te komen.Vraag 23De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 8 van de MvT dat degedeputeerde staten kunnen besluiten dat een onderdeel van het besluittot vaststelling of wijziging van het omgevingsplan geen deel blijftuitmaken van dat besluit, als dit nodig is voor een evenwichtige toedelingvan functies aan locaties en als het besluit in strijd is met een provinciaalbelang. Deze leden vragen de regering of dit betekent dat provincieswoningbouwplannen kunnen belemmeren voor bijvoorbeeld activiteitenten bate van natuuropgaven of de energietransitie.Het ontwerpbesluit bevat de verplichting voor provincies om te zorgenvoor voldoende woningbouwlocaties in hun provincie voor de provincialewoningbouwopgave (130% plancapaciteit). Om zoveel mogelijk belemme-ringen vanuit provincies weg te nemen, wordt in het ontwerpbesluit ookde Ladder voor duurzame verstedelijking voor nieuwe woningbouwlo-caties uitgezet. De provincies hebben daarnaast de verantwoordelijkheidom te zorgen voor voldoende ruimte voor onder andere bereikbaarheid,energie, economie, landbouw, natuur, water en bodem. Om die belangen12Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 101.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 615 te beschermen kan de provincie in een beleidsdocument (onder andereomgevingsvisie of programma) haar provinciale belangen beschrijven enhierover regels in de omgevingsverordening stellen. Wanneer eengemeente in strijd met een openbaar kenbaar gemaakt provinciaal belangregels stelt, heeft de provincie een reactieve interventiemogelijkheid. Deprovincie kan daarmee het deel van het omgevingsplan dat strijdig is methet provinciaal beleid schrappen. Deze bevoegdheid in de Omgevingswetvervangt de eerdere bevoegdheid van een reactieve aanwijzing op grondvan de Wet ruimtelijke ordening. Die bevoegdheid fungeert in de praktijkvaak als een stok achter de deur en wordt beperkt ingezet. Voorafgaandmoet een escalatieladder worden gevolgd, waaronder bestuurlijkvooroverleg. Naast een reactief interventiebesluit kan het provinciebe-stuur ook een instructie geven om een omgevingsplan aan te passen omaan een provinciaal belang te voldoen.Als er in provinciaal beleid of regels in de provinciale omgevingsveror-dening toch belemmeringen staan waardoor afgesproken woningbouw-projecten niet kunnen worden gerealiseerd, dan heeft de Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ook de bevoegdheid om meteen instructiebesluit provinciale staten op te dragen de regels in deomgevingsverordening aan te passen.Rijk en provincie werken zo veel mogelijk samen om het beleid op elkaaraf te stemmen. Daarmee wordt voorkomen dat het beleid van de provinciezo restrictief is dat er onvoldoende ruimte wordt geboden voor deafgesproken woningbouwprojecten.3.3. Amendement urgentie aan dakloze gezinnen met kinderen Vraag 24De leden van de D66-fractie verzoeken de regering aan te geven op welketermijn zij voornemens is de regeling Versterking regie volkshuisvesting inconsultatie te brengen.De tweede consultatie van de Regeling versterking regie volkshuisvesting,onder andere naar aanleiding van de uitwerking van de bij amendementtoegevoegde categorie van urgent woningzoekende, zijnde daklozengezinnen met minderjarige kinderen, is op maandag 16 februari aange-vangen en loopt tot en met 30 maart. De eerste consultatie heeft reedsplaatsgevonden in het vroege voorjaar van 2024.Vraag 25Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie de regering uiteen te zettenwelke omvang van de nieuwe urgentiecategorie «dakloze gezinnen metminderjarige kinderen» de regering voorziet. Kan de regering aangevenwaar zij deze inschatting op baseert?In verband met deze nieuwe urgentiecategorie is een UDO uitgevoerd dieingaat op het amendement dat voorziet in urgentie voor dakloze gezinnenmet kinderen.13 In deze UDO is tot een inschatting gekomen van deomvang van de groep woningzoekenden die behoren tot urgentiecate-gorie dakloze gezinnen met minderjarige kinderen op basis van het CBSen uitgevoerde ETHOS-tellingen. Deze inschatting gaat uit van eenbandbreedte van tussen de ca 4.400 en 4.900 huishoudens in het eerstejaar en een mogelijke toename van de groep jaarlijks van eveneens tussende 4.400 en 4.900 huishoudens. Zonder toevoeging van deze urgentiecate-13Deze UDO is gelijktijdig met de nota naar aanleiding van het verslag over het wetsvoorstel op15 oktober jl. verzonden aan de Eerste Kamer en op 24 november 2025 aan de Tweede Kamer.Kamerstukken I 2024/25, 36 512, nr. G en 2025Z19117.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 616 gorie zouden er totaal circa 21.500 tot 24.000 huishoudens in aanmerkingkomen voor urgentie.Vraag 26De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over depositie van dakloze gezinnen met minderjarige kinderen. De regering heeftaangegeven deze urgentiecategorie zo veel mogelijk te willen beperkenper ministeriële regeling. Deze leden zijn van mening dat dit indruist tegende doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid en hetInternationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Kan de regeringhierop reageren? Heeft de regering de kinderrechtentoets gebruikt bij detotstandkoming van deze novelle? Zo ja, wat kwam daaruit? Zo niet,waarom niet? Hoe draagt deze wet, met uitgeklede urgentie voor dezegezinnen, volgens de regering bij aan het realiseren van de doelstellingenvan het Nationaal Actieplan Dakloosheid? Hoe gaat de regering alsnogzorgen voor een einde aan dakloosheid in 2030? Is zij bereid de inperkingvan de urgentie voor deze gezinnen daartoe te heroverwegen?Ik onderschrijf de doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheiden het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Oprijksniveau ligt hier een gedeelde verantwoordelijkheid voor het Ministerievan Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor opvang, zorg en begeleiding,het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor preventie enzorgen voor een bestaansminimum en voor de Minister van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening om te zorgen voor voldoende, geschikteen betaalbare woningen. De Minister van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening zet daarbij in op de beschikbaarheid van meer betaalbarewoningen door nieuwbouw en het beter benutten van de bestaandevoorraad door splitsen, optoppen, transformatie en stimuleren vanhospitaverhuur. Daarvoor worden rijksmiddelen ingezet zoals deRealisatiestimulans, de Woningbouwimpuls en de Regeling HuisvestingAandachtsgroepen. Door diverse (kwetsbare en minder draagkrachtige)aandachtsgroepen te ondersteunen bij het vinden van een woning, wordtdakloosheid voorkomen. Er wordt gestreefd naar het uitbannen vandakloosheid richting 2030, maar «de praktijk van het leven zal dit niet altijdlaten lukken».De regering heeft geen gebruik gemaakt van de kinderrechtentoets bij detotstandkoming van deze novelle. Deze novelle werkt immers hetamendement Grinwis, Ceder en Welzijn14 niet verder uit. Dat gemeente-raden in hun urgentieregeling verplicht de urgentiecategorie daklozegezinnen met minderjarige kinderen moeten opnemen is een uitbreidingten opzichte van de huidige situatie, waarin een dergelijke verplichtingniet bestaat.In de toelichting bij de ontwerpregeling wordt aangegeven dat het kabinetonderschrijft dat het van groot belang is om de belangen van kinderen bijbeslissingen rondom huisvesting mee te wegen en dat het gebruik van dedoor de Kinderombudsman ontwikkelde handreiking «Het beste besluitvoor het kind bij huisvestingsproblemen» daarbij een goed hulpmiddelwordt geacht.Het kabinet ziet de voorgestelde afbakening in de ontwerpregeling alsnoodzakelijk om ervoor te zorgen dat de landelijke urgentieregeling opeenduidige wijze kan worden uitgevoerd door gemeenten. Op die manierwordt voorkomen dat de landelijke regeling door gemeenten verschillendwordt toegepast. Daarnaast is de inkadering nodig om te voorkomen dateen beroep kan worden gedaan op urgentie door huishoudens voor wie14Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 93.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 617 de regeling niet is bedoeld. Op die manier blijft de urgentieregelingbeschikbaar voor urgent woningzoekenden en wordt voorkomen dat hetsysteem vastloopt. Daarnaast is deze inkadering ook belangrijk met hetoog op het belang van andere woningzoekenden. Ook zij wachten vaak aljarenlang op een woning en ook hun situatie kan zeer knellend zijn. Hoegroter de groep van woningzoekenden die voor urgentie in aanmerkingkomen wordt, hoe minder woningen er overblijven voor andere woning-zoekenden die niet zelden jaren wachten op een passende woning. Alsuitgangspunt van de voorwaarden voor indeling in deze urgentiecategorie is de toelichting van het amendement gebruikt waarin werdgesproken over de leefsituaties onder de ETHOS-light definities.Vraag 27De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 8 van de MvT dat deregering van mening is dat nadere afbakening van de groep daklozegezinnen met minderjarige kinderen binnen de gegeven wettelijkebepaling nodig is met het oog op het verbeteren van de uitvoerbaarheidvan het amendement Grinwis. Het voornemen is om deze nadereafbakening op te nemen in de Regeling versterking regie volkshuisvesting.In dat licht zouden deze leden aan de regering willen vragen hoe groot degroep van gescheiden Nederlandse ouders met kinderen is. En alsgescheiden ouders met minderjarige kinderen worden opgenomen in deregeling, wat is dan de kijk van de regering op mogelijke risico’s dat eroneigenlijk gebruik wordt gemaakt van deze urgentiecategorie doorgemeenten? Wat kan worden ondernomen om misbruik tegen te gaan?Met de ministeriële regeling beoog ik duidelijke, uitvoerbare regels testellen voor gemeenten, voor alle landelijke urgentiecategorieën, en nietalleen voor de urgentiecategorie dakloze gezinnen met minderjarigekinderen. De ontwerpregeling is zodanig opgesteld dat het risico vanoneigenlijk gebruik wordt geminimaliseerd. Daarbij wordt aangesloten bijde werkwijze in de praktijk van gemeenten die al een urgentieregelinghebben. Een voorbeeld is het uitsluiten van urgentie voor situaties waarindakloosheid had kunnen worden voorkomen door bijvoorbeeld geplanderemigratie naar Nederland zonder eerst te voorzien in woonruimte.In verband met deze nieuwe urgentiecategorie is een UDO uitgevoerd.Deze is aan uw Kamer toegezonden als bijlage bij de nota naar aanleidingvan het verslag15 bij het wetsvoorstel. In deze UDO is, op basis van deschatting van het CBS en uitgevoerde ETHOS-tellingen, tot eeninschatting van de omvang van de groep woningzoekenden die behorentot urgentiecategorie dakloze gezinnen met minderjarige kinderen. Dezeinschatting is uitgekomen op een bandbreedte van tussen de ca 4.400 en4.900 huishoudens in het eerste jaar en een mogelijke toename van degroep jaarlijks van eveneens tussen de 4.400 en 4.900 huishoudens diebehoren tot de verplichte urgentiecategorie voor dakloze gezinnen metminderjarige kinderen. Vanwege de beperkte informatie die over dezegroep voorhanden is, is het ook niet goed mogelijk om binnen dezebandbreedte een uitsplitsing naar gescheiden Nederlandse ouders temaken. Zonder deze urgentiecategorie zouden er totaal circa 21.500 tot24.000 huishoudens in aanmerking komen voor urgentie op een jaarlijksevrijkomend aantal sociale huurwoningen van 154.000.Vraag 28De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel vande regering om het amendement, dat beoogt urgentie te verlenen aandakloze gezinnen met kinderen, in te kaderen. Deze leden vragen of deregering precies kan aangeven hoe deze inkadering eruit gaat zien? Zij zijn15Kamerstukken I 2025/26, 36 512, G.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 618 voorstander van het verlenen van urgentie aan dakloze gezinnen metkinderen, en geven de regering in overweging om de groep niet onnodigte beperken.Daarnaast vragen de leden van de SGP-fractie of de regering eeninschatting kan geven van het aantal gezinnen dat, na inkadering,aanspraak kan maken op deze urgentie. En om hoeveel gezinnen zou hetnaar verwachting gaan als het amendement niet ingekaderd zou worden?De voorgenomen ministeriële regeling is niet gericht op beperking van degroep urgenten waarvoor de urgentieregeling is bedoeld. Wel is dezeministeriële regeling erop gericht om duidelijke, landelijk uitvoerbareregels te stellen zodat alle gemeenten op dezelfde wijze omgaan met deuitvoering van alle landelijke urgentiecategorieën, niet alleen de urgentie-categorie daklozen gezinnen met minderjarige kinderen. Daarnaast is deregeling ook bedoeld om te voorkomen dat een beroep kan wordengedaan op de urgentieregeling in gevallen waarvoor de regeling niet isbedoeld (zie ook het antwoord op bovenstaande vraag).In verband met de nieuwe urgentiecategorie dakloze gezinnen metkinderen is een UDO uitgevoerd.16 In deze UDO kunt u lezen dat tot eeninschatting is gekomen op basis van het CBS en uitgevoerde ETHOS-tellingen. Deze inschatting is uitgekomen op een bandbreedte van tussende ca 4.400 en 4.900 huishoudens in het eerste jaar en een mogelijketoename van de groep jaarlijks van eveneens tussen de 4.400 en 4.900huishoudens.Vraag 29De leden van de ChristenUnie-fractie kijken uit naar de uitwerking van hetamendement Grinwis c.s. (Kamerstuk 36 512 nr. 93) per regeling. Dezeleden rekenen op een uitwerking die recht doet aan de doelstelling vanhet amendement zoals ook is verwoord in de toelichting op hetamendement, die tegelijk ook werkbaar is voor gemeenten. Wanneerverwacht de regering deze naar de Kamer te sturen?De ontwerpregeling is op maandag 16 februari ter consultatie is gegaan.Zie hierover ook vraag 24.Vraag 30De leden van de SP-fractie vinden het onacceptabel dat kinderen inNederland dakloos zijn.De regering heeft haar handtekening gezet onder het Lissabon-akkoord enafgesproken dat ze dakloosheid voor 2030 wil uitbannen. Deze ledenvragen de regering hoe ze haar verantwoordelijkheid neemt om dedoelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheid te realiseren. Hoeverhoudt zich dat tot de voorgenomen beperking van het recht opurgentie voor dakloze gezinnen via een ministeriële regeling? De ledenvan de SP-fractie vragen de regering hoe ze wil waarborgen dat dezegroep woningzoekenden daadwerkelijk perspectief op huisvestingbehoudt, indien hun rechten via de beoogde ministeriële regeling wordeningeperkt.Het kabinet onderschrijft het Lissabon-akkoord en neemt zijn verantwoor-delijkheid om de doelstellingen van het Nationaal Actieplan Dakloosheidte realiseren. Het recht op urgentie voor dakloze gezinnen met minder-jarige kinderen wordt nader ingevuld met de nog vast te stellen ontwerp-regeling. Anders dan de leden van de SP-fractie in hun vraag stellen, is16Kamerstukken I 2025/26, 36 512, G.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 619 deze ministeriële regeling er niet op gericht dit recht op urgentie in teperken voor de groep waarvoor de regeling is bedoeld. Wel is dezeontwerpregeling erop gericht om duidelijke, uitvoerbare regels te stellenvoor gemeenten. Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 26.3.4. Amendementen inzake procedurele versnellingen en verhoginggriffierechten Vraag 31De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de inperking van deberoepsprocedures door gemeenten. In het Wet versterking regievolkshuisvesting is nu geregeld dat gemeenten geen beroep kunneninstellen tegen bijvoorbeeld woningbouwplannen van andere gemeenten.Deze leden zijn hier zeer kritisch op, omdat dit een fundamenteleinperking is van de rechtspositie van gemeenten. Welk probleem lost ditprecies op? Kan de regering duidelijk maken in hoeverre dit voorstelconcreet de woningbouwopgave versneld? Is de regering het met deleden van de SGP-fractie eens dat woningbouwprojecten, zeker aan derand van gemeentegrenzen, grote gevolgen kunnen hebben voornaburige gemeenten? Denk aan gevolgen voor mobiliteit en voorzie-ningen. Kan de regering precies onderbouwen waarom deze funda-mentele inperking nodig is om de woningbouwopgave te versnellen enwaarom het proportioneel is?Ik ben het met de leden van de SGP-fractie eens dat woningbouwpro-jecten aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor andere gemeenten. Omdie reden is in de Omgevingswet ook vastgelegd dat bestuursorganen,waaronder gemeenten, bij de uitoefening van hun taken en bevoegd-heden rekening houden met de effecten daarvan op andere overheden(artikel 2.2 Omgevingswet). Daarover dient voorafgaand afstemmingplaats te vinden. Dit is het uitgangspunt van de Omgevingswet, diediverse bepalingen bevat over bestuurlijk overleg en samenwerkingtussen overheden. Het bij amendement ingevoegde onderdeel van hetwetsvoorstel dat het verbod voor gemeenten om onderling te procederentegen woningbouwprojecten bevat, sluit bij dit uitgangspunt aan. Ik sluitdaarbij de ogen niet voor de realiteit dat in de praktijk sprake kan zijn vanbotsende belangen, of dat een gemeente soms onvoldoende rekeninghoudt met deze belangen. Dergelijk verschil van inzicht moet bij voorkeurbestuurlijk worden opgelost. In sommige gevallen kan de provincieinterveniëren of een knoop doorhakken. De Omgevingswet bevatdaarvoor de nodige instrumenten zoals een instructie en een reactieveinterventie.II. Artikelsgewijze toelichting Onderdeel A (Vervallen verbod op voorrang in Huisvestingswet2014) Vraag 32De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij bekend is dat op veelvlakken in onze maatschappij onderscheid wordt gemaakt tussenNederlandse staatsburgers enerzijds en niet-Nederlanders (zoals toeristenen arbeidsmigranten) anderzijds. Kan de regering in het verlengde hiervanaanvullend toelichten waarom het in onderdeel A van de Huisvestingswet2014 opgenomen absolute verbod inzake urgentie op een socialehuurwoning aan statushouders strijdig is met de Grondwet en hoe danmoet worden gekeken naar de praktijk waarbij op veel vlakken onder-scheid wordt gemaakt tussen Nederlandse staatsburgers enniet-Nederlanders?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 620 Het gelijkheidsbeginsel houdt in de eerste plaats in dat gelijke gevallengelijk behandeld moeten worden. Uit het gelijkheidsbeginsel vloeit nietvoort dat er nooit sprake mag zijn van een verschil in behandeling. Welmoet er bij een gemaakt onderscheid sprake zijn van een redelijkerechtvaardiging. In de beantwoording van vraag 7 heb ik toegelichtwaarom het verbod op voorrang zoals bij amendement opgenomen in hetwetsvoorstel in strijd is met artikel 1 van de Grondwet. Voor een dergelijkverbod is immers geen sprake van een objectieve en redelijke rechtvaar-diging. Dit betekent echter niet dat in algemene zin zou kunnen wordengesteld dat het maken van onderscheid in andere gevallen niet terechtvaardigen zou zijn. Dit is aan de orde wanneer de wet het toestaat.Tevens betekent het gebod op gelijke behandeling niet dat er altijd eengelijke uitkomst is.Vraag 33De leden van de PVV-fractie zouden ook aan de regering willen vragenhoe zij kijkt naar het gegeven dat als het in onderdeel A van de Huisves-tingswet 2014 opgenomen absolute verbod inzake urgentie op een socialehuurwoning aan statushouders op basis van «discriminatie» wordtgeschrapt, dan ook de wetswijziging die de voorrang van statushoudersop sociale huurwoningen schrapt het risico loopt om het niet te haleno.b.v. dezelfde gedachtegang.Het wetsvoorstel nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders,bevat geen absoluut verbod op voorrang, enkel een verbod op voorrangop grond van het feit dat men vergunninghouder is. Het doel van datwetsvoorstel is om de positie van vergunninghouders ten opzichte vanreguliere woningzoekenden te normaliseren. In de memorie vantoelichting en het nader rapport is onderbouwd waarom dat wetsvoorstelin lijn is met het discriminatieverbod.17 De nota naar aanleiding van hetverslag bij dat wetsvoorstel heeft u inmiddels bereikt.Vraag 34De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoegemeenten voldoende ruimte houden om via de huisvestingsverordeningmaatwerk te leveren bij urgente situaties.Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 10.Onderdeel C (Overgangsrecht) Vraag 35De leden van de SP-fractie vragen of de regering kan toelichten hoe wordtvoorkomen dat lopende gebiedsontwikkelingen en grondproceduresvertraging oplopen door onduidelijkheden in het overgangsrecht.Het wetsvoorstel voorziet in artikel VII in helder overgangsrecht meteerbiedigende werking voor bestaande gevallen. De wijzigingen metbetrekking tot de regeling voor het voorkeursrecht in de Omgevingswetgelden alleen voor nieuwe vestigingen van het voorkeursrecht. Op reedsgevestigde voorkeursrechten blijft het oude recht van toepassing, zodatlopende gebiedsontwikkelingen en grondprocedures, voor zover daarin algebruik is gemaakt van de mogelijkheid om een voorkeursrecht te17Stcrt. 2025, 34863.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 621 vestigen, niet worden geraakt door de nieuwe regeling. Hierdoor wordtvoorkomen dat deze ontwikkelingen door onduidelijkheden vertragingoplopen.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 622 OVERZICHT VAN BEPALINGEN UIT DE CRISIS- EN HERSTELWETIN DE OMGEVINGSWET (ZOALS DIE WORDT AANGEPAST MET DEWET VERSTERKING REGIE VOLKSHUISVESTING)Overzicht artikelen Crisis- en herstelwet1Onderwerp /HoofdstukArtikelChwArtikelOwToelichtingProcedurele versnellingen (H1. Bijzondere bepalingen over projecten)Vergewisplicht vooradviezen1.3–Deze uitbreiding van de vergewisplicht uit de Awb (artikel 3:9) is niet overgenomen in deOmgevingswet.Uitsluiting beroeps-recht decentraleoverheden1.4–De beperking van het beroepsrecht voor een niet tot het Rijk behorende rechtspersoon of tot hetRijk behorend bestuursorgaan tegen een besluit van een tot het Rijk behorend bestuursorgaan isniet overgenomen in de Omgevingswet. Wel is in de Wvrv geregeld2 dat beroep door anderegemeenten tegen gemeentelijke besluiten niet mogelijk is als het gaat om besluiten overwoningbouwprojecten van ten minste één woning.Verbod op pro formaberoepen1.616.86Deze twee onderdelen van de Chw-regeling voor versnelde behandeling van (hoger) beroepworden in de Omgevingswet gecontinueerd voor het beroep tegen projectbesluiten. In de Wvrvis daarnaast opgenomen dat deze regeling ook geldt beroepen tegen besluiten die zien opwoningbouwprojecten (deze worden bij AMvB aangewezen).Geen aanvullingberoepsgronden naverstrijken beroeps-termijn1.6aVersnelde behande-ling beroep en hogerberoep, en uitspra-kentermijn van zesmaanden door debestuursrechter1.61.71.81.9a16.87In artikel 16.87 van de Omgevingswet is de zes maanden termijn uit de Chw overgenomen voorprojectbesluiten. In de Wvrv is daarnaast opgenomen dat deze regeling ook geldt voor procedu-res en besluiten die zien op woningbouwprojecten van ten minste één woning.Opnieuw gebruikeneerdere onderzoeks-gegevens1.1016.5Deze specifieke regeling voor hergebruik van onderzoeksgegevens voor het opstellen van eennieuw besluit na vernietiging van een besluit door de bestuursrechter is niet expliciet overgeno-men in de Omgevingswet. Impliciet komt deze regeling namelijk al terug in artikel 16.5 Omge-vingswet.H2. Bijzondere voorzieningenAfdeling 1 Ontwikke-lingsgebieden2.12.22.3–De specifieke Chw-regeling voor ontwikkelingsgebieden keert niet terug in de Omgevingswet.Aan een dergelijke specifieke regeling bestaat niet langer behoefte, omdat het reguliereinstrumentarium van de Omgevingswet voorziet in de mogelijkheden die deze regeling biedtdoor flexibiliteit in omgevingswaarden en instructieregels. Een voorbeeld daarvan is eeninstructieregel waarin een afwijking wordt toegestaan, mits het bestuursorgaan een programmaopstelt dat erop gericht is de overschrijding binnen een bepaalde periode ongedaan te maken(vergelijkbaar met de aanpak in ontwikkelingsgebieden onder de Chw).2.3a–Afdeling 2 Innovatie(experimenteerbepa-ling)2.423.3Net als de Chw kent de Omgevingswet een AMvB-grondslag voor experimenten. Alle wettenwaarvan met de Chw kon worden afgeweken zijn opgenomen in de experimenteerbepaling vande Omgevingswet.De uitbreidingsmogelijkheid van het toepassingsbereik (waar het experiment kan wordentoegepast) van experimenten was aanvankelijk niet overgenomen in de Omgevingswet, maarwordt met de Wvrv geherintroduceerd. Ook nu is er nog behoefte om sneller en flexibelernieuwe gebieden aan bestaande experimenten toe te voegen.Afdeling 6 Versneldeuitvoering vanbouwprojecten2.9 t/m2.17–De specifieke regeling voor het projectuitvoeringsbesluit keert niet terug in de Omgevingswet.Aan een dergelijke specifieke regeling bestaat niet langer behoefte, omdat het reguliereinstrumentarium van de Omgevingswet voorziet in de mogelijkheden die deze regeling biedt.Gemeenten beschikken via de omgevingsvergunning en het wijzigen van het omgevingsplanover adequate middelen voor ontwikkeling en beheer van de fysieke leefomgeving.BIJLAGE 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 623 Overzicht artikelen Crisis- en herstelwet1Afdeling 7 Versneldeuitvoering van lokaleen (boven)regionaleprojecten metnationale betekenis2.18 t/m2.23–Ook deze specifieke regeling keert niet terug in de Omgevingswet. Aan een dergelijke specifiekeregeling bestaat niet langer behoefte, omdat het reguliere instrumentarium van de Omgevings-wet voorziet in de mogelijkheden die deze regeling biedt. Zo zou versnelde uitvoering van eenbestuurlijk gecompliceerde gebiedsontwikkeling kunnen worden bewerkstelligd door vaststellingvan een programma voor het te ontwikkelen gebied in combinatie met eenbestuursovereenkomst.1 Overzicht is opgesteld aan de hand van de transponeringstabel in de MvT bij de Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2017/18, 34 986,nr. 3, p. 552–554).2 Dit artikel (16.83b) is bij amendement van het lid Wijen-Nass ingevoegd, zie Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 101. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 624
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.