Verslag van een schriftelijk overleg over het Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar (Kamerstuk 36800-XVI-17)
Brontekst
Versie 0fb261cae53de095 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XVIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn enSport (XVI) voor het jaar 2026Nr. 187 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 24 maart 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 18 november 2025inzake het Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie late zwanger-schapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van1 tot 12 jaar (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 17).De vragen en opmerkingen zijn op 29 januari 2026 aan de Staatssecretarisvan Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 24 maart2026 zijn de vragen door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn enSport beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Meijerink kst-36800-XVI-187ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1871 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van deChristenUnie-fractie6II.Reactie van de Minister7 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het «Jaarverslag2024 van de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking enlevensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar» en debrief van de regering. Zij lezen dat de twee late zwangerschapsafbre-kingen als zorgvuldig zijn beoordeeld en dat er geen sprake was vanmeldingen over levensbeëindiging bij pasgeborenen of kinderen van 1 tot12 jaar. Deze leden hebben hierover op dit moment geen vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet jaarverslag. Zij hebben geen aanvullende vragen of opmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetjaarverslag van 2024 van de Beoordelingscommissie late zwangerschaps-afbreking en levensbeëindiging bij pasgeboren en kinderen van 1 tot 12jaar. Zij danken de commissie voor haar jaarverslag en werk. Zij hebbenhier verder geen vragen of opmerkingen bij.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie lezen in het «Modelprotocol Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking», 2.6.2: «Het valt te overwegenom de foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat hiertoe[foeticide] wordt overgegaan.» De leden van de PVV-fractie vragen deStaatssecretaris terug te blikken en aan te geven waarom bij de opstellingvan het modelprotocol – goedgekeurd in 2017 – is gekozen voor slechtseen overweging en geen standaard.De leden van de PVV-fractie lezen in het «Jaarverslag 2024 van deBeoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëin-diging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar», op pagina 13:«Naar aanleiding van de ontvangen meldingen is het de commissieopgevallen dat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking nietstandaard verdoving toedienen. Aangezien de beroepsgroep hieroverTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1872 (nog) geen richtlijn heeft opgesteld, zal dit geen invloed hebben op debeoordeling van de zorgvuldigheid van een melding. Desondanks acht decommissie het toedienen van systemische verdoving aan de foetus zeerwenselijk.» De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris wat deredenen van artsen zijn om geen sedatie en pijnstilling toe te passenondanks (1) de overweging in het modelprotocol en (2) het oordeel van debeoordelingscommissie. Zij vragen tevens of de verwachting is dat dit nahet oordeel van de beoordelingscommissie zal veranderen. De leden vande PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris de mening deelt dat sedatievan de foetus en toediening van pijnstilling altijd en in ieder geval plaatsdienen te vinden voordat tot foeticide wordt overgegaan, om elkemogelijke pijnwaarneming door de foetus te allen tijde en volledig uit tesluiten.De leden van de PVV-fractie lezen in de «Concept-Kwaliteitsnorm Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking», 6.6.2: «De foetus dientgesedeerd te worden en pijnstilling toegediend te krijgen voordat hiertoewordt overgegaan.» De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecre-taris wanneer zij verwacht dat deze concept-kwaliteitsnorm wordtgoedgekeurd. Zij vragen tevens of de Staatssecretaris verwacht dat er inde tussentijd – ook met het oordeel van de beoordelingscommissie – welal naar gehandeld zal worden.De Staatssecretaris stelt dat beroepsnormen leidend zijn. De leden van dePVV-fractie vragen of zij ook bindend c.q. afdwingbaar zijn of dat hiervankan worden afgeweken.De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris ertoe bereid isde sedatie van de foetus en toediening van pijnstilling voorafgaand aanfoeticide verplichtend op te nemen in de «Regeling beoordelingscom-missie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgebo-renen en kinderen 1–12 jaar» (of elders in geldende wet-/regelgeving).Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het jaarverslagvan de beoordelingscommissie LZA/LP over 2024. Deze leden erkennenhet belang van deze commissie in het borgen van de zorgvuldigheid bijmedisch uiterst ingrijpende beslissingen. Tegelijkertijd roept het verslagvragen op over de praktische uitvoering van de herziene Regeling en deverbreding ervan naar kinderen van 1 tot 12 jaar.De leden van de CDA-fractie zien dat de reikwijdte van de Regeling per1 februari 2024 is uitgebreid naar levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot12 jaar. In 2024 zijn hierover nog geen meldingen gedaan. Hoe beoordeeltde Staatssecretaris het uitblijven van meldingen in deze nieuwecategorie? Is er naar mening van de Staatssecretaris sprake van terughou-dendheid om te melden? Wordt er vanuit het veld behoefte geuit aanmeer duiding, bijvoorbeeld via medisch-ethische richtlijnen of casuïstiek-besprekingen?De zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12jaar zijn op 2 oktober 2024 voorlopig vastgesteld door de NederlandseVereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). De leden van de CDA-fractievragen wanneer de Staatssecretaris verwacht dat deze eisen formeel in deRegeling kunnen worden opgenomen. Wat gebeurt er als in de praktijkverschillen ontstaan in interpretatie of toepassing van deze eisen? Is ervolgens de Staatssecretaris een risico dat artsen zonder duidelijk juridischkader moeten handelen, wat ook de rechtszekerheid van ouders enkinderen kan ondermijnen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1873 De commissie benoemt dat bij sommige casussen de arts die meldt nietdezelfde is als de arts die de handeling uitvoert. Hoewel dat begrijpelijk isin verband met expertise, kan dit tot verwarring leiden over verantwoor-delijkheid. De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt gewaarborgddat beide artsen het volledige proces kennen en actief betrokken zijn bij debesluitvorming en uitvoering. Is het wenselijk om dit explicieter in deRegeling op te nemen?Sinds 2017 is er slechts één melding geweest van levensbeëindiging bijeen pasgeborene. De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecre-taris het aannemelijk acht dat dit cijfer een volledige weergave is van depraktijk. Wordt overwogen om via de Inspectie of wetenschappelijkonderzoek nader zicht te krijgen op niet-gemelde gevallen?De commissie benoemt dat bij late zwangerschapsafbreking nog nietstandaard verdoving aan de foetus wordt toegediend, maar dat dit wélwenselijk is. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet bereid ishierover in overleg te treden met de beroepsgroepen om tot een helderestandaard te komen. Kan worden overwogen dit als expliciete zorgvuldig-heidseis op te nemen?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het Jaarverslag2024 van de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking enlevensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar). Deleden hebben geen vragen aan de Staatssecretaris.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen vanhet Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie. Zij hebben hieroveral eerder een aantal schriftelijke vragen gesteld die inmiddels zijnbeantwoord door de Staatssecretaris (Aanhangsel Handelingen II 2025/26,nr. 628). Zij danken haar voor de beantwoording. Toch roepen dezeantwoorden bij de leden van de SGP-fractie opnieuw een aantal vragenop.De leden van de SGP-fractie constateren dat het ontbreken van verdovingsinds 2016 acht keer is voorgevallen. Zij vragen of de Staatssecretaris heteens is dat juist de zeldzaamheid van late zwangerschapsafbreking pleitvoor maximale zorgvuldigheid en bescherming van het ongeboren leven.Het valt de leden van de SGP-fractie op dat de Staatssecretaris vooralprocedurele antwoorden geeft. Zij vragen of de Staatssecretaris erkent dathet afbreken van de zwangerschap, zéker als het gaat om een laat stadiumvan de zwangerschap, naar gezondheidsrechtelijke maatstaven geenreguliere medische zorg is, maar een ingreep met een zwaarwegendeethische lading. Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris in haarbeantwoording voornamelijk verwijst naar protocollen van de beroeps-groep en de stand van de wetenschap, terwijl bij medisch-ethischomstreden ingrepen de wetgever en het bestuur een eigen verantwoorde-lijkheid dragen die niet zonder meer kan worden overgelaten aan deberoepsgroep. Dit kan wellicht wel voor normale medische zorg gelden,maar niet wanneer het gaat om het beëindigen van een mensenleven. Deleden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het aanvaardbaaracht dat bij een fundamenteel ethisch vraagstuk als dit de rol van deoverheid beperkt blijft tot het volgen van beroepsrichtlijnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1874 De leden van de SGP-fractie vragen waarom de aanbeveling van debeoordelingscommissie dat systemische verdoving bij late zwanger-schapsafbreking zeer wenselijk is niet zwaarder wordt meegewogen in debeoordeling van goede zorg onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillenzorg (Wkkgz) zolang een formele richtlijn hiervoor ontbreekt. Zij vragenverder of de Staatssecretaris het wenselijk acht dat een praktijk die doorde beoordelingscommissie als «zeer wenselijk» wordt aangemerkt,juridisch gezien voorlopig toch vrijblijvend blijft.Is bekend wanneer de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij latezwangerschapsafbreking definitief zal worden vastgesteld en geïmple-menteerd? Is de verwachting dat de praktijk zich op dit punt al zal voegennaar de concept Kwaliteitsnorm? De leden van de SGP-fractie vragen ofde Staatssecretaris bereid is, vooruitlopend op de definitieve Kwali-teitsnorm, zelf expliciet uit te spreken dat het toedienen van verdoving bijlate zwangerschapsafbreking de norm zou moeten zijn.Nu verdoving inmiddels is opgenomen in de concept Kwaliteitsnormvragen de leden van de SGP-fractie welke betekenis dit heeft voor debeoordeling van eerdere acht gevallen waarin geen sedatie is toegepast.De leden van de SGP-fractie vragen of wordt overwogen om de beoorde-lingscommissie expliciet de mogelijkheid te geven het ontbreken vanpijnbestrijding zwaarder te laten meewegen in haar oordeel.De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het Internati-onaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) concreet betrekt bijhaar overwegingen, in het bijzonder het daarin besloten liggendevoorzorgsbeginsel. Zij constateren dat de Staatssecretaris erkent dat hetwetenschappelijk vaststellen van foetale pijnbeleving lastig is, maarvragen waarom zij vervolgens niet inhoudelijk ingaat op de implicatiesvan deze onzekerheid. Waarom leidt de wetenschappelijke onzekerheidover foetale pijnbeleving niet tot toepassing van het voorzorgsbeginsel,juist gezien het onomkeerbare karakter van foetale levensbeëindiging? Deleden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het eens is datwetenschappelijke onzekerheid over pijnbeleving eerder zou moetenpleiten vóór dan tegen het toepassen van verdoving. Zij vragen deStaatssecretaris om hiervoor zowel in te gaan op de praktijk van abortusals late zwangerschapsafbreking.De leden van de SGP-fractie vragen of in andere medische contextenwaarin onzekerheid bestaat over pijnbeleving eveneens wordt afgezienvan pijnbestrijding, en zo ja, welke contexten dat betreft.De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris verklaart datbij foetale chirurgie, die is gericht op het redden van leven, verdovinggebruikelijk is, terwijl bij foetale levensbeëindiging verdoving tot opheden niet standaard was. Denkt de Staatssecretaris dat dit verschilethisch goed uitlegbaar is aan ouders en aan de samenleving?De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op de«lokale protocollen» voor het toedienen van verdoving aan de foetus doorNederlandse klinieken. Kan de Staatssecretaris uitleggen wat dezeprotocollen behelzen? Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris het dat erblijkbaar «praktijkvariatie» bestaat voor wat betreft het wel of niet gevenvan pijnstilling bij foetale levensbeëindiging? De leden van de SGP-fractievragen hoe wordt voorkomen dat praktijkvariatie op dit punt leidt totongelijkheid of willekeur tussen instellingen en behandelaars.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1875 Overigens valt het de leden van SGP-fractie ook ten aanzien van sedatiebij abortus op dat de Staatssecretaris ook hierbij kiest voor een formalis-tische benadering: zolang het niet expliciet voorgeschreven is in derichtlijn, hoeft het niet. Feit blijft dat bij foetale chirurgie directe pijnstillingover het algemeen wel gegeven wordt en bij abortus over het algemeenniet. Erkent de Staatssecretaris dat? Hoe weegt zij dit verschil vanuitmedisch-ethisch perspectief?De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het moreelrelevant acht dat het risico op pijnbeleving toeneemt naarmate dezwangerschap verder gevorderd is, en zo ja, waarom dit niet leidt totstrengere waarborgen.De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op destelling van de Staatssecretaris dat bij alle vroege abortussen pijnstillingaan de moeder wordt gegeven die via de placenta ook het ongeboren kindbereikt. Indien dit het geval is, vragen zij, waarom dit bij late abortussenkennelijk niet volstaat, gezien het zwaarwegende advies van de commissieom bij alle late abortussen expliciet pijnstilling toe te dienen. Hoeverhoudt dit beleid bij abortus vóór 24 weken zwangerschap zich tot deaanbevelingen van de commissie ten aanzien van late zwangerschap?De leden van de SGP-fractie vragen naar aanleiding van het antwoord opvraag 17 of de Staatssecretaris erkent dat het gelijkheidsbeginsel in ditverband niet ziet op de aard of het doel van de medische verrichting, maarop het ongeboren kind dat een ingreep ondergaat waarbij sprake kan zijnvan pijn. Zij vragen waarom in de beantwoording de vergelijking wordtbetrokken op de (on)gelijkheid van de medische handeling, en niet op depositie van het ongeboren kind en diens mogelijke pijnbeleving. De ledenvan de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris daarom alsnog kaningaan op de vraag hoe het ontbreken van verplichte verdoving bijabortus en late zwangerschapsafbreking zich verhoudt tot hetuitgangspunt dat gelijke belangen, zoals het voorkomen van pijn bijongeboren kinderen, gelijk beschermd zouden moeten worden.Aangezien de bevinding dat verdoving niet standaard is wel werdbenoemd door de beoordelingscommissie, maar de Staatssecretaris ditniet vermeldde in haar brief vragen de leden van de SGP-fractie of deStaatssecretaris voornemens is de Kamer voortaan actief te informerenwanneer de beoordelingscommissie aanbevelingen doet die raken aanethische vraagstukken.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen bij het jaarverslag 2024 van de beoordelingscom-missie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgebo-renen en kinderen van 1 tot 12 jaar.De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het een zeer gevoelig enverdrietig onderwerp waar de beoordelingscommissie zich mee bezighoudt. Sinds 2024 zijn er flinke wijzigingen geweest in de Regeling en inde commissie. Deze leden vragen een reflectie van de Staatssecretaris opdeze veranderingen. Welke meerwaarde heeft het dat de voorzitter eenstrafrechtjurist is? Is de werkwijze nu, met het melden van categorie 1 bijde beroepsgroep van de NVOG, in lijn met de verwachtingen? Nu deregeling is uitgebreid naar kinderen van 1 tot 12 jaar, voelen artsen zichmeer handelingsbekwaam- en bevoegd in dit soort intens moeilijke enverdrietige zaken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1876 Ten aanzien van levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar vragen deleden van de ChristenUnie-fractie naar de ontwikkeling van de zorgvuldig-heidseisen. Deze worden pas in de Regeling opgenomen als er verderenormontwikkeling heeft plaatsgevonden. Tot die tijd wordt gewerkt metde zorgvuldigheidseisen zoals door de Nederlandse Vereniging voorKindergeneeskunde is geaccordeerd. Met de zeer sporadische meldingenvan levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar kan het lang durenvoordat de normontwikkeling plaatsvindt. Vindt de Staatssecretaris hetacceptabel dat tot die tijd de NVK-richtlijn geldt? Deze leden maken zichzorgen dat hierdoor niet de juridische kant wordt meegenomen in dezorgvuldigheidseisen. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?Hoe is de relatie tussen de Beoordelingscommissie en het OpenbaarMinisterie? Is er onderling contact zodat de kloof tussen de medische enjuridische wereld kleiner wordt, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn geschrokken van de bevindingdat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaardverdoving toedienen. Waarom niet, zo vragen deze leden. Wil deStaatssecretaris er bij de beroepsgroep op aandringen dat het zo snelmogelijk in de richtlijn wordt opgenomen dat er standaard verdovingwordt toegepast bij late zwangerschapsafbrekingen? Wat is de richtlijn tenaanzien van verdoving bij vroegere zwangerschapsafbrekingen, zovragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Ziet de Staatssecretarisreden, bijvoorbeeld nieuwe wetenschappelijke inzichten, om hier beleid inte wijzigen? Zo nee, waarom niet?Reactie van de MinisterVragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie lezen in het «Modelprotocol Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking», 2.6.2: «Het valt te overwegenom de foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat hiertoe[foeticide] wordt overgegaan.» De leden van de PVV-fractie vragen deStaatssecretaris terug te blikken en aan te geven waarom bij de opstellingvan het modelprotocol – goedgekeurd in 2017 – is gekozen voor slechtseen overweging en geen standaard.In het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking(2017) heeft de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie(NVOG) normen vastgesteld voor de wijze waarop een late zwanger-schapsafbreking categorie 1 of categorie 2 uitgevoerd dient te worden enin hoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend moet worden.Deze beroepsnormen zijn destijds gebaseerd op de toen geldendemedisch-wetenschappelijke inzichten. Aangezien er ten tijde van hetopstellen van het modelprotocol geen brede wetenschappelijkeconsensus bestond over foetale pijnbeleving is in dit protocol «teroverweging» meegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe tedienen voordat tot foetale levensbeëindiging wordt overgegaan.Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in debeantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven1, heeft deNVOG gesignaleerd dat het veld in beweging is. Er is tegenwoordig meeraandacht voor foetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen vanhet huidige modelprotocol in 2017. De NVOG is om die reden in januari1Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1877 2024 gestart met een revisie van het huidige modelprotocol. Dit heeftgeleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwanger-schapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan delevensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen. Deze kwali-teitsnorm bevindt zich op dit moment in de prefinale fase. De NVOG heeftaangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnormnaar verwachting voor de zomer afgerond is.De leden van de PVV-fractie lezen in het «Jaarverslag 2024 van deBeoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëin-diging bij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar», op pagina 13:«Naar aanleiding van de ontvangen meldingen is het de commissieopgevallen dat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking nietstandaard verdoving toedienen. Aangezien de beroepsgroep hierover(nog) geen richtlijn heeft opgesteld, zal dit geen invloed hebben op debeoordeling van de zorgvuldigheid van een melding. Desondanks acht decommissie het toedienen van systemische verdoving aan de foetus zeerwenselijk.» De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris wat deredenen van artsen zijn om geen sedatie en pijnstilling toe te passenondanks (1) de overweging in het modelprotocol en (2) het oordeel van debeoordelingscommissie.Zoals in het antwoord op de vorige vraag is aangegeven, wordt in hethuidige modelprotocol aan artsen ter overweging meegegeven om defoetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat wordt overgegaantot foetale levensbeëindiging. Het is niet bekend welke redenen artsen inde concrete gevallen hebben gehad om geen sedatie en pijnstilling toe tepassen.Overigens geldt dat onder het huidige Modelprotocol Medisch handelenbij late zwangerschapsafbreking verdoving aan de foetus vaak wordttoegepast bij late zwangerschapsafbreking: van de 34 meldingen die debeoordelingscommissie sinds 2016 heeft ontvangen van een latezwangerschapsafbreking waarbij foetale levensbeëindiging heeftplaatsgevonden, was er in 26 gevallen (76,5%) sprake van voorafgaandeverdoving, in 8 gevallen (23,5%) niet.2Zij vragen tevens of de verwachting is dat dit na het oordeel van debeoordelingscommissie zal veranderen.Tot het moment van accorderen van de nieuwe Kwaliteitsnorm Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking geldt het ModelprotocolMedisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017. In ditmodelprotocol wordt sedatie en pijnstilling ter overweging meegegeven.De NVOG zal toezien op spoedige accordering en implementatie van dekwaliteitsnorm, waarin staat dat voorafgaand aan de levensbeëindigingde foetus gesedeerd dient te worden en pijnstilling toegediend moetkrijgen. Sedatie en pijnstilling bij foetale levensbeëindiging wordtdaarmee dus de medisch-professionele standaard.De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris de mening deeltdat sedatie van de foetus en toediening van pijnstilling altijd en in iedergeval plaats dienen te vinden voordat tot foeticide wordt overgegaan, omelke mogelijke pijnwaarneming door de foetus te allen tijde en volledig uitte sluiten.2Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1878 Het is aan de beroepsgroep om medisch-wetenschappelijke inzichten overfoetale pijnbeleving te interpreteren en waar nodig professionele normenhierop aan te passen. In de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bijlate zwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, ingeval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindigingwordt verricht, gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.De leden van de PVV-fractie lezen in de «Concept-Kwaliteitsnorm Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking», 6.6.2: «De foetus dientgesedeerd te worden en pijnstilling toegediend te krijgen voordat hiertoewordt overgegaan.» De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecre-taris wanneer zij verwacht dat deze concept-kwaliteitsnorm wordtgoedgekeurd.De NVOG heeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van dekwaliteitsnorm naar verwachting voor de zomer afgerond is. De NVOG zalvervolgens zorgdragen voor de implementatie van de nieuwe kwali-teitsnorm door haar leden hierover te informeren.Zij vragen tevens of de Staatssecretaris verwacht dat er in de tussentijd –ook met het oordeel van de beoordelingscommissie – wel al naargehandeld zal worden.Zoals aangegeven op een andere vraag van de leden van de PVV-fractiegeldt tot het moment van accorderen van de nieuwe KwaliteitsnormMedisch handelen bij late zwangerschapsafbreking het huidige Modelpro-tocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking uit 2017. DeNVOG zal in ieder geval toezien op spoedige accordering en implemen-tatie van de kwaliteitsnorm, waarin staat dat voorafgaand aan delevensbeëindiging de foetus gesedeerd dient te worden en pijnstillingtoegediend moet krijgen.De Staatssecretaris stelt dat beroepsnormen leidend zijn. De leden van dePVV-fractie vragen of zij ook bindend c.q. afdwingbaar zijn of dat hiervankan worden afgeweken.Zorgverleners moeten goede zorg aanbieden en daarbij handelen inovereenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid,voortvloeiende uit de professionele standaard, de kwaliteitsstandaardenen de inzichten uit de kwaliteitsregistraties (artikel 2, tweede lid, onder b,Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz)). Beroepsnormen zijneen uitdrukking van deze medisch-professionele standaard en zijn inbeginsel leidend. Onder omstandigheden moet soms van deze beroeps-normen worden afgeweken, omdat dit in het individuele geval in hetbelang van het verlenen van «goede zorg» noodzakelijk is. Een afwijkingmoet uiteraard altijd gemotiveerd worden. Op grond van het tuchtrecht,het strafrecht en het civiele recht kunnen individuele zorgverleners zonodig worden aangesproken.De leden van de PVV-fractie vragen of de Staatssecretaris ertoe bereid isde sedatie van de foetus en toediening van pijnstilling voorafgaand aanfoeticide verplichtend op te nemen in de «Regeling beoordelingscom-missie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgebo-renen en kinderen 1–12 jaar» (of elders in geldende wet-/regelgeving).Op grond van de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsaf-breking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaardient een arts een afbreking van de zwangerschap medisch zorgvuldig uitte voeren (artikel 6, onderdeel f, van de Regeling). Zoals in de toelichtingop de Regeling is aangegeven, is sprake van een medische zorgvuldigeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1879 afbreking van de zwangerschap als deze conform de geldende beroeps-normen wordt uitgevoerd.Het kabinet ziet geen aanleiding om de Regeling op dit punt aan tepassen, omdat het bij uitstek aan de beroepsgroep is om deze normenvast te stellen en aan de individuele zorgverlener om deze normen inconcrete gevallen toe te passen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het jaarverslagvan de beoordelingscommissie LZA/LP over 2024. Deze leden erkennenhet belang van deze commissie in het borgen van de zorgvuldigheid bijmedisch uiterst ingrijpende beslissingen. Tegelijkertijd roept het verslagvragen op over de praktische uitvoering van de herziene Regeling en deverbreding ervan naar kinderen van 1 tot 12 jaar.De leden van de CDA-fractie zien dat de reikwijdte van de Regeling per1 februari 2024 is uitgebreid naar levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot12 jaar. In 2024 zijn hierover nog geen meldingen gedaan. Hoe beoordeeltde Staatssecretaris het uitblijven van meldingen in deze nieuwecategorie? Is er naar mening van de Staatssecretaris sprake van terughou-dendheid om te melden? Wordt er vanuit het veld behoefte geuit aanmeer duiding, bijvoorbeeld via medisch-ethische richtlijnen of casuïstiek-besprekingen?In 2025 heeft de Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking enlevensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar (hierna: decommissie) een eerste melding van levensbeëindiging in de leeftijdsgroep1–12 jaar ontvangen. Al vóór publicatie van de Regeling voorspeldenexperts dat het aantal meldingen zeer beperkt zou blijven (minder dan vijfper jaar), gezien de zeldzaamheid van deze problematiek en de toege-nomen beschikbaarheid en kwaliteit van kinderpalliatieve zorg. Volgens deNederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) bevestigen debevindingen tot nu toe deze inschatting.De NVK laat weten – op basis van signalen uit de praktijk in het eerste jaarvan de Regeling – te concluderen dat de Regeling bijdraagt aan open enzorgvuldige gesprekken over palliatieve zorg en levenseindezorg, zoweltussen ouders en zorgverleners als binnen multidisciplinaire teams. Opbasis hiervan lijkt de betekenis van de Regeling volgens de NVK zich nietalleen te beperken tot een regulerende functie, maar vooral ook eenondersteunende en verhelderende rol te spelen in het besluitvormings-proces van ouders en zorgprofessionals.Zo signaleert de NVK vanuit het veld een duidelijke toename van vragenaan de Kinder Comfort Teams (kinderpalliatieve teams) over actievelevensbeëindiging in de context van palliatieve zorg bij kinderen in deleeftijd van 1 tot 12 jaar. Deze vragen gaan over mogelijke toekomstigesituaties waarin sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden en waarinpalliatieve interventies volgens ouders en behandelaren onvoldoendeverlichting zouden bieden. Voor ouders gaat het hierbij niet primair omhet verzoek tot uitvoering van levensbeëindiging, maar om het besprekenvan deze mogelijkheid als onderdeel van het volledige spectrum aanopties rond levenseindezorg. Ouders geven aan behoefte te hebben aaninformatie over wat de Regeling inhoudt en wat deze in theorie zoukunnen betekenen voor hun kind, zodat zij goed geïnformeerd zijn overalle mogelijke beslissingen aan het levenseinde. Volgens de NVK zijnouders tevreden met de informatie die zij van experts van het KinderComfort Team over de regeling ontvangen. Ouders ervaren het alsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18710 steunend dat zij weten dat de optie van levensbeëindiging – indienrelevant – bespreekbaar is met de behandelend arts.Ook bij het Artsensteunpunt Levenseinde Kinderen wordt een toenamegezien van vragen, van professionals. Deze vragen richten zich met nameop hoe professionals zorgvuldig en professioneel om kunnen gaan metvragen van ouders over actieve levensbeëindiging en hoe zij dezegesprekken met ouders op een goede manier kunnen voeren, binnen hetbestaande juridische en ethische kader.De zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12jaar zijn op 2 oktober 2024 voorlopig vastgesteld door de NederlandseVereniging voor Kindergeneeskunde (NVK). De leden van de CDA-fractievragen wanneer de Staatssecretaris verwacht dat deze eisen formeel in deRegeling kunnen worden opgenomen.In de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking enlevensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaar zijn voor degroep kinderen van 1–12 jaar nog geen zorgvuldigheidseisen opgenomen,omdat in verband met het beperkte aantal casussen eerst verderenormontwikkeling nodig is. De door de NVK ontwikkelde zorgvuldig-heidseisen hebben, zoals de NVK zelf aangeeft, een voorlopig karakteraangezien het nodig kan zijn om ze in de toekomst op basis van voort-gaande ervaring en voortschrijdend inzicht te herzien.3 Zoals in detoelichting op de Regeling is aangegeven, zullen de door de medischeberoepsgroep ontwikkelde zorgvuldigheidseisen pas in de Regelingworden opgenomen als daarover brede consensus bestaat. Er zal dan ookeerst ervaring mee moeten worden opgedaan in de praktijk, zowel doorartsen als door de beoordelingscommissie, het Openbaar Ministerie en deInspectie Gezondheidszorg en Jeugd.Wat gebeurt er als in de praktijk verschillen ontstaan in interpretatie oftoepassing van deze eisen? Is er volgens de Staatssecretaris een risico datartsen zonder duidelijk juridisch kader moeten handelen, wat ook derechtszekerheid van ouders en kinderen kan ondermijnen?Zoals in de toelichting bij de Regeling beoordelingscommissie latezwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen enkinderen 1–12 jaar is aangegeven, betekent het ontbreken van zorgvuldig-heidseisen in de Regeling niet dat artsen geen enkel houvast hebben.Voor de groep kinderen 1–12 jaar geldt als uitgangspunt dat, om hethandelen van de arts als zorgvuldig te kunnen beoordelen, de arts opgrond van heersend medisch inzicht tot de overtuiging moet komen datlevensbeëindiging de enige redelijke oplossing is om het uitzichtloos enondraaglijk lijden van het kind weg te nemen. En dat, voor zover dit ookmaar enigszins mogelijk is, het kind, op een manier die past bij zijnbevattingsvermogen en leeftijd, naar zijn mening wordt gevraagd en datdie mening wordt betrokken bij het besluitvormingsproces. Van levensbe-ëindiging moet in ieder geval worden afgezien als het kind zelf te kennenheeft gegeven zijn actuele situatie te prefereren boven levensbeëindiging.Ook is in de toelichting op de Regeling opgenomen dat de beoordelings-commissie ter verdere normontwikkeling voor levensbeëindiging bijkinderen 1–12 jaar de in de Regeling opgenomen zorgvuldigheidseisen diegelden voor levensbeëindiging bij pasgeborenen (artikel 7) in haarbeoordeling van een casus als vertrekpunt meeneemt.43Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde – Zorgvuldigheidseisen levensbeëindigingkinderen 1–12 jaar en toelichting, 2 oktober 2024.4Staatscourant 2024, nr. 99 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18711 De NVK heeft een uitgebreide toelichting geschreven bij de door haarontwikkelde zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging bij kinderen1–12 jaar. Dit biedt artsen houvast bij de beoordeling van een mogelijkelevensbeëindiging van een kind van 1–12 jaar.De beoordelingscommissie geeft op haar website aan kennis te hebbengenomen van de zorgvuldigheidseisen voor actieve levensbeëindiging bijeen kind in de leeftijd van 1–12 jaar, zoals die op 2 oktober 2024 door hetbestuur van de NVK zijn geaccordeerd. De beoordelingscommissiebenadrukt dat zij bij de beoordeling van een melding in deze categorie eeneigen verantwoordelijkheid heeft, en dat zij deze zorgvuldigheidseisen zalmeewegen in haar beslissing of een arts zorgvuldig heeft gehandeld.5Ten overvloede wordt opgemerkt dat ook indien de zorgvuldigheidseisenin de Regeling zijn opgenomen deze eisen worden toegepast en getoetstin elk concreet geval. Het hangt dan ook altijd van de casuïstiek af of aande zorgvuldigheidseisen wordt voldaan.De commissie benoemt dat bij sommige casussen de arts die meldt nietdezelfde is als de arts die de handeling uitvoert. Hoewel dat begrijpelijk isin verband met expertise, kan dit tot verwarring leiden over verantwoor-delijkheid. De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt gewaarborgddat beide artsen het volledige proces kennen en actief betrokken zijn bij debesluitvorming en uitvoering. Is het wenselijk om dit explicieter in deRegeling op te nemen?In het merendeel van de meldingen is de arts die de moeder/ouders heeftbegeleid bij het traject voorafgaand aan de late zwangerschapsafbrekingde meldend arts, zo blijkt uit de dossierstudie die in 2022 is uitgevoerd inhet kader van de evaluatie van de toenmalige Regeling beoordelingscom-missie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgebo-renen.6Zoals de beoordelingscommissie in haar jaarverslag over 2024 aangeeft,wordt de meldend arts – als de meldend arts door omstandigheden nietde uitvoerend arts is die de handelingen verricht die leiden tot dezwangerschapsafbreking – geacht ook bij de uitvoering aanwezig te zijn.Daarnaast acht de commissie het van groot belang dat beide artsenaanwezig zijn bij het multidisciplinair overleg voorafgaand aan de latezwangerschapsafbreking, zodat de uitvoerend arts de situatie kent en zelfkan beoordelen of aan de zorgvuldigheidseisen uit de Regeling wordtvoldaan. De commissie toetst of de handelingen die leiden tot deafbreking van de zwangerschap én de afbreking zelf zorgvuldig zijnuitgevoerd, en of daarmee voldaan is aan alle zorgvuldigheidseisen uit deRegeling. De commissie toetst het gehele traject. De commissie heeft haarbevindingen en werkwijze besproken met het College van procureurs-generaal (hierna: het college).7Hoewel het college een melding in zijn geheel beoordeelt, is vanuitstrafrechtelijk oogpunt vooral het handelen van de arts relevant dat directheeft geleid tot de zwangerschapsafbreking. Die (uitvoerend) arts krijgtdan bericht over de afdoening van de melding. In het geval dat demeldend arts niet dezelfde arts is als degene die de zwangerschapsaf-5Zie: Zorgvuldigheidseisen bij levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar | LZA-LP&K – Latezwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen6Evaluatie Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindigingbij pasgeborenen, Den Haag, ZonMw, februari 2022, p. 89.7Jaarverslag 2024 Beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindigingbij pasgeborenen en kinderen van 1 tot 12 jaar, p. 13.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18712 breking heeft uitgevoerd, ontvangt ook die arts volledigheidshalve eenafhandelingsbericht van het college.Nu de beoordelingscommissie en het college beide artsen betrekken inhun oordeel is daarmee geborgd dat beide artsen ook actief betrokkenmoeten zijn bij de besluitvorming en uitvoering.Sinds 2017 is er slechts één melding geweest van levensbeëindiging bijeen pasgeborene. De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecre-taris het aannemelijk acht dat dit cijfer een volledige weergave is van depraktijk. Wordt overwogen om via de Inspectie of wetenschappelijkonderzoek nader zicht te krijgen op niet-gemelde gevallen?Zoals in het rapport van de Evaluatie van de Regeling beoordelingscom-missie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgebo-renen uit 2022 wordt aangegeven, zijn er volgens de onderzoekers uit hetuitgevoerde empirische onderzoek geen aanwijzingen naar vorengekomen dat artsen die levensbeëindiging bij een pasgeborene of een latezwangerschapsafbreking uitvoeren, niet bereid zouden zijn dat te melden.Er is dan ook geen indicatie dat er een «kloof» is tussen uitvoeren enmelden, ofwel dat er sprake zou zijn van onderrapportage, aldus deonderzoekers.8 Ook de NVK laat desgevraagd weten niet bekend te zijnmet signalen dat er wél levensbeëindiging bij pasgeborenen wordtuitgevoerd, maar dit niet wordt gemeld.De commissie benoemt dat bij late zwangerschapsafbreking nog nietstandaard verdoving aan de foetus wordt toegediend, maar dat dit wélwenselijk is. De leden van de CDA-fractie vragen of het kabinet bereid ishierover in overleg te treden met de beroepsgroepen om tot een helderestandaard te komen. Kan worden overwogen dit als expliciete zorgvuldig-heidseis op te nemen?Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in debeantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven, is deberoepsgroep al bezig met een aanpassing van de huidige standaardomtrent verdoving aan de foetus bij een late zwangerschapsafbreking.9De normen van de beroepsgroep voor de wijze waarop een late zwanger-schapsafbreking categorie 1 of categorie 2 uitgevoerd dient te worden enin hoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend moet worden,zijn momenteel neergelegd in het Modelprotocol Medisch handelen bijlate zwangerschapsafbreking (2017) van de Nederlandse Vereniging voorObstetrie en Gynaecologie (NVOG). Deze beroepsnormen zijn gebaseerdop de destijds geldende medisch-wetenschappelijke inzichten. Aangeziener ten tijde van het opstellen van het modelprotocol geen brede weten-schappelijke consensus bestond ten aanzien van de pijnbeleving bijongeboren kinderen is in dit protocol «ter overweging» meegegeven omde foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordat tot foetalelevensbeëindiging wordt overgegaan. Overigens geldt dat onder hethuidige Modelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbrekingverdoving aan de foetus vaak wordt toegepast bij late zwangerschapsaf-breking: van de 34 meldingen die de beoordelingscommissie sinds 2016heeft ontvangen van een late zwangerschapsafbreking waarbij foetalelevensbeëindiging heeft plaatsgevonden, was er in 26 gevallen (76,5%)sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%) niet.108Evaluatie Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindigingbij pasgeborenen, Den Haag, ZonMw, februari 2022, p. 92.9Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.10Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18713 De NVOG heeft gesignaleerd dat het veld in beweging is. Er is tegen-woordig meer aandacht voor foetale pijnbeleving dan ten tijde van hetverschijnen van het huidige modelprotocol in 2017. De NVOG is om diereden in januari 2024 gestart met de revisie van het huidige modelpro-tocol. Dit heeft geleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bijlate zwangerschapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aande levensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen. Dezekwaliteitsnorm bevindt zich op dit moment in de prefinale fase. De NVOGheeft aangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwali-teitsnorm naar verwachting voor de zomer afgerond is.Op grond van de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsaf-breking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaardient een arts een afbreking van de zwangerschap medisch zorgvuldig uitte voeren (artikel 6, onderdeel f, van de Regeling). Zoals in de toelichtingop de Regeling is aangegeven, is sprake van een medische zorgvuldigeafbreking van de zwangerschap als deze conform de geldende beroeps-normen wordt uitgevoerd. Het kabinet ziet geen aanleiding om deRegeling op dit punt aan te passen, omdat het bij uitstek aan de beroeps-groep is om deze normen vast te stellen en aan de individuele zorgver-lener om deze normen toe te passen in concrete gevallen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met bezorgdheid kennisgenomen vanhet Jaarverslag 2024 van de Beoordelingscommissie. Zij hebben hieroveral eerder een aantal schriftelijke vragen gesteld die inmiddels zijnbeantwoord door de Staatssecretaris (Aanhangsel Handelingen II 2025/26,nr. 628). Zij danken haar voor de beantwoording. Toch roepen dezeantwoorden bij de leden van de SGP-fractie opnieuw een aantal vragenop.De leden van de SGP-fractie constateren dat het ontbreken van verdovingsinds 2016 acht keer is voorgevallen. Zij vragen of de Staatssecretaris heteens is dat juist de zeldzaamheid van late zwangerschapsafbreking pleitvoor maximale zorgvuldigheid en bescherming van het ongeboren leven.Het kabinet is van mening dat late zwangerschapsafbreking altíjd vraagtom maximale zorgvuldigheid, ongeacht of het zeldzaam is of niet. Zoalsde voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beant-woording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven, zijn normen vande beroepsgroep leidend voor de wijze waarop een late zwangerschapsaf-breking categorie 1 of categorie 2 uitgevoerd dient te worden en inhoeverre daarbij pijnstilling aan de foetus toegediend moet worden.11 Inde concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsaf-breking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bij een latezwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging wordt verricht,gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.Overigens geldt dat onder het huidige Modelprotocol Medisch handelenbij late zwangerschapsafbreking verdoving aan de foetus vaak wordttoegepast bij late zwangerschapsafbreking: van de 34 meldingen die debeoordelingscommissie sinds 2016 heeft ontvangen van een latezwangerschapsafbreking waarbij foetale levensbeëindiging heeftplaatsgevonden, was er in 26 gevallen (76,5%) sprake van voorafgaandeverdoving, in 8 gevallen (23,5%) niet.1211Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.12Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18714 Het valt de leden van de SGP-fractie op dat de Staatssecretaris vooralprocedurele antwoorden geeft. Zij vragen of de Staatssecretaris erkent dathet afbreken van de zwangerschap, zéker als het gaat om een laat stadiumvan de zwangerschap, naar gezondheidsrechtelijke maatstaven geenreguliere medische zorg is, maar een ingreep met een zwaarwegendeethische lading.Het kabinet is van mening dat het bij een zwangerschapsafbreking gaatom medisch handelen waar vanuit medisch-ethisch perspectiefverschillend naar wordt gekeken. Zeker waar het een late zwangerschaps-afbreking betreft, gaat het om een ingreep die maatschappelijk en ethischbeladen is en waarbij verschillende conflicterende waarden een rolspelen.13Deze leden vragen waarom de Staatssecretaris in haar beantwoordingvoornamelijk verwijst naar protocollen van de beroepsgroep en de standvan de wetenschap, terwijl bij medisch-ethisch omstreden ingrepen dewetgever en het bestuur een eigen verantwoordelijkheid dragen die nietzonder meer kan worden overgelaten aan de beroepsgroep. Dit kanwellicht wel voor normale medische zorg gelden, maar niet wanneer hetgaat om het beëindigen van een mensenleven. De leden van deSGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het aanvaardbaar acht dat bijeen fundamenteel ethisch vraagstuk als dit de rol van de overheid beperktblijft tot het volgen van beroepsrichtlijnen.Het kabinet erkent niet, zoals de leden van de SGP-fractie stellen, dat derol van de overheid beperkt blijft tot het volgen van beroepsrichtlijnen.Door de overheid is, zowel voor een zwangerschapsafbreking tot 24weken als voor een late zwangerschapsafbreking, een duidelijk normen-kader vastgesteld waar de beroepsgroep zich aan moet houden.Zo zijn in de Wet afbreking zwangerschap en het Besluit afbrekingzwangerschap verschillende zorgvuldigheidseisen opgenomen die in achtgenomen moeten worden bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken.Deze eisen zien onder andere op zorgvuldige besluitvorming, informatie-voorziening en nazorg. Voor late zwangerschapsafbrekingen heeft deoverheid in de Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsaf-breking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12 jaarzorgvuldigheidseisen neergelegd. Daarnaast gelden algemene wetten ophet gebied van de volksgezondheid, zoals de Wet op de beroepen in deindividuele gezondheidszorg en de Wet kwaliteit, klachten en geschillenzorg. Tezamen vormen deze eisen een door de overheid opgesteld vastnormenkader waar de beroepsgroep zich aan moet houden. De nadereinvulling van deze normen in de praktijk kan door beroepsrichtlijneningevuld worden in het kader van de medisch-professionele autonomievan artsen, zoals dat in het algemeen in de zorg het geval is. De InspectieGezondheidszorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de kwaliteit enveiligheid van deze zorg.De leden van de SGP-fractie vragen waarom de aanbeveling van debeoordelingscommissie dat systemische verdoving bij late zwanger-schapsafbreking zeer wenselijk is niet zwaarder wordt meegewogen in debeoordeling van goede zorg onder de Wet kwaliteit, klachten en geschillenzorg (Wkkgz) zolang een formele richtlijn hiervoor ontbreekt.13Evaluatie Regeling beoordelingscommissie late zwangerschapsafbreking en levensbeëin-diging bij pasgeborenen, Den Haag, ZonMw, februari 2022, p. 27.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18715 Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in debeantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven, moet eenarts op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet kwaliteit, klachten engeschillen zorg (Wkkgz) goede zorg verlenen. Dit betekent onder anderedat de arts de geldende professionele standaard en de kwaliteitsstan-daarden in acht moet nemen. Het is op grond van het huidige protocolaan de arts om te bepalen of pijnstilling en sedatie aan de foetus wordtgegeven. Het is de eigen verantwoordelijkheid van een arts om te bepalenwat in een individueel geval goede zorg is.14Zij vragen verder of de Staatssecretaris het wenselijk acht dat een praktijkdie door de beoordelingscommissie als «zeer wenselijk» wordt aange-merkt, juridisch gezien voorlopig toch vrijblijvend blijft.Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in debeantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven, gaat het omeen aanbeveling van de beoordelingscommissie, in afwachting van dedefinitieve herziening van het geldende protocol van de NVOG.15Zorgverleners moeten goede zorg aanbieden en daarbij handelen inovereenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid,voortvloeiende uit de professionele standaard, de kwaliteitsstandaardenen de inzichten uit de kwaliteitsregistraties (artikel 2, tweede lid, onder b,Wkkgz). Beroepsnormen zijn een uitdrukking van deze medisch-professionele standaard. Wanneer de nieuwe Kwaliteitsnorm Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking definitief is, is deze medische-professionele standaard in beginsel leidend. Het blijft voor een arts echtermogelijk om onder omstandigheden gemotiveerd hiervan af te wijken alsdat in het belang van het verlenen van «goede zorg» wenselijk is. Eenafwijking moet uiteraard altijd door een arts worden gemotiveerd.Is bekend wanneer de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij latezwangerschapsafbreking definitief zal worden vastgesteld en geïmple-menteerd?Is de verwachting dat de praktijk zich op dit punt al zal voegen naar deconcept Kwaliteitsnorm?De concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsaf-breking waarin wordt voorgeschreven dat de foetus voorafgaand aan delevensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen, bevindt zich opdit moment in de prefinale fase. De NVOG heeft aangegeven dat hetproces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm naar verwachtingvoor de zomer afgerond is en dat de NVOG zal toezien op spoedigeaccordering en implementatie van de kwaliteitsnorm. Zoals in antwoordop de vorige vraag is aangegeven, is de kwaliteitsnorm – zodra dezedefinitief is – in beginsel leidend. Het blijft voor een arts echter mogelijkom onder omstandigheden gemotiveerd hiervan af te wijken als dat in hetbelang van het verlenen van «goede zorg» wenselijk is. Een afwijkingmoet uiteraard altijd door een arts worden gemotiveerd.De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is,vooruitlopend op de definitieve Kwaliteitsnorm, zelf expliciet uit tespreken dat het toedienen van verdoving bij late zwangerschapsafbrekingde norm zou moeten zijn.Het is niet aan mij als bewindspersoon, maar aan de beroepsgroep om tebepalen wat de norm ten aanzien van medisch handelen zou moeten zijn.14Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.15Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18716 Nu verdoving inmiddels is opgenomen in de concept Kwaliteitsnormvragen de leden van de SGP-fractie welke betekenis dit heeft voor debeoordeling van eerdere acht gevallen waarin geen sedatie is toegepast.Dit heeft geen betekenis voor de eerdere acht meldingen van latezwangerschapsafbreking waarin geen sedatie is toegepast. Dezemeldingen zijn namelijk al beoordeeld op grond van de op dat momentgeldende beroepsnormen.De leden van de SGP-fractie vragen of wordt overwogen om de beoorde-lingscommissie expliciet de mogelijkheid te geven het ontbreken vanpijnbestrijding zwaarder te laten meewegen in haar oordeel.Nee, dat overweegt het kabinet niet. De Beoordelingscommissie latezwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen enkinderen 1–12 jaar is een onafhankelijke deskundigencommissie. Het isdan ook niet aan het kabinet om bemoeienis te hebben met hetgeen decommissie laat meewegen in de beoordeling van de door haar ontvangenmeldingen.De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris het Internati-onaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) concreet betrekt bijhaar overwegingen, in het bijzonder het daarin besloten liggendevoorzorgsbeginsel.Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in debeantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven16, heeft hetkind ingevolge het Verdrag inzake de Rechten van het Kind vanwege zijnlichamelijke en geestelijke onrijpheid bijzondere bescherming en zorgnodig, zowel vóór als na zijn geboorte. Hierbij moet schade voor degezondheid van het kind zoveel mogelijk worden voorkomen. Het is aande beroepsgroep om wetenschappelijke inzichten over foetale pijnbe-leving te interpreteren en waar nodig professionele standaarden hieropaan te passen.Op grond van het Modelprotocol Medisch handelen bij late zwanger-schapsafbreking (2017) wordt er bij een late zwangerschapsafbrekinggekozen voor de, naar de stand van de wetenschap, meest veilige enminst belastende methode voor moeder en kind, gegeven de individuelemedische achtergrond van de vrouw. Zoals de voormalig StaatssecretarisJeugd, Preventie en Sport in de beantwoording van eerdere Kamervragenheeft aangegeven17, heeft de NVOG gesignaleerd dat het veld inbeweging is. Er is tegenwoordig meer aandacht voor foetale pijnbelevingdan ten tijde van het verschijnen van het huidige modelprotocol in 2017.Om te voorkomen dat de foetus pijn zou kunnen ervaren bij de uitvoeringvan een levensbeëindiging, is in de concept Kwaliteitsnorm Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking opgenomen dat een foetusvooraf sedatie en pijnstilling dient te krijgen.18 De NVOG heeft aange-geven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnorm naarverwachting voor de zomer afgerond is.Bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt altijd gebruikgemaakt van een vorm van pijnbestrijding voor de vrouw, die via deplacenta ook het embryo of de foetus bereikt. Mocht er dus toch sprakezijn van foetale pijn, dan wordt deze tijdens de zwangerschapsafbrekingdoor de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.16Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.17Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.18Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18717 Zij constateren dat de Staatssecretaris erkent dat het wetenschappelijkvaststellen van foetale pijnbeleving lastig is, maar vragen waarom zijvervolgens niet inhoudelijk ingaat op de implicaties van deze onzekerheid.Waarom leidt de wetenschappelijke onzekerheid over foetale pijnbelevingniet tot toepassing van het voorzorgsbeginsel, juist gezien hetonomkeerbare karakter van foetale levensbeëindiging?Zoals aangegeven in antwoord op een andere vraag van de leden van deSGP-fractie is het niet aan mij als bewindspersoon om te bepalen wat denorm ten aanzien van medisch handelen zou moeten zijn. Het is aan deberoepsgroep om medisch-wetenschappelijke inzichten over foetalepijnbeleving te interpreteren en waar nodig professionele normen hieropaan te passen. In de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij latezwangerschapsafbreking wordt voorgeschreven dat de foetus, in geval bijeen late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindiging plaatsvindt,gesedeerd wordt en pijnstilling toegediend krijgt.De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het eens is datwetenschappelijke onzekerheid over pijnbeleving eerder zou moetenpleiten vóór dan tegen het toepassen van verdoving. Zij vragen deStaatssecretaris om hiervoor zowel in te gaan op de praktijk van abortusals late zwangerschapsafbreking.Het is aan de beroepsgroep om medisch-wetenschappelijke inzichten overfoetale pijnbeleving te interpreteren en waar nodig professionele normenhierop aan te passen. Zoals in het antwoord hiervoor is aangegeven,wordt in de nieuwe Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwanger-schapsafbreking sedatie van de foetus en pijnstilling voorgeschreven ingeval bij een late zwangerschapsafbreking foetale levensbeëindigingplaatsvindt, waarmee voorkomen wordt dat de foetus pijn zou kunnenervaren. Bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt altijd gebruikgemaakt van een vorm van pijnbestrijding voor de vrouw, die via deplacenta ook het embryo of de foetus bereikt. Mocht er dus toch sprakezijn van foetale pijn, dan wordt deze tijdens de zwangerschapsafbrekingdoor de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.De leden van de SGP-fractie vragen of in andere medische contextenwaarin onzekerheid bestaat over pijnbeleving eveneens wordt afgezienvan pijnbestrijding, en zo ja, welke contexten dat betreft.De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) laat desge-vraagd weten dat de medische context van de foetus in de baarmoeder ineen aantal opzichten uniek is, ook met betrekking tot pijn en pijnbehan-deling. Onder meer door de complexe fysiologische verwevenheid vanmoeder en foetus is deze medische situatie niet goed vergelijkbaar metandere medische situaties waarin onzekerheid over pijnbeleving bestaat.De leden van de SGP-fractie vragen hoe de Staatssecretaris verklaart datbij foetale chirurgie, die is gericht op het redden van leven, verdovinggebruikelijk is, terwijl bij foetale levensbeëindiging verdoving tot opheden niet standaard was. Denkt de Staatssecretaris dat dit verschilethisch goed uitlegbaar is aan ouders en aan de samenleving?Allereerst wil het kabinet benadrukken, zoals ook de voormalig Staatsse-cretaris Jeugd, Preventie en Sport in de beantwoording van de eerdereKamervragen heeft aangegeven19, dat het om verschillende medischeverrichtingen in verschillende medische situaties gaat. Met betrekking totfoetale chirurgie is er naast pijnstilling ook een technische noodzaak om19Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18718 tot foetale anesthesie te besluiten en soms om ervan af te zien. Voorts ishet toedienen van pijnstilling aan de foetus bij foetale chirurgie nietvoorgeschreven in een richtlijn en wordt het ook niet in alle gevallentoegepast. Overigens geldt – zoals in antwoord op een eerdere vraag vande leden van de SGP-fractie is aangegeven – dat onder het huidigeModelprotocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking ook bijlate zwangerschapsafbreking verdoving aan de foetus vaak wordttoegepast: van de 34 meldingen die de beoordelingscommissie sinds 2016heeft ontvangen van een late zwangerschapsafbreking waarbij foetalelevensbeëindiging heeft plaatsgevonden, was er in 26 gevallen (76,5%)sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%) niet.20De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op de«lokale protocollen» voor het toedienen van verdoving aan de foetus doorNederlandse klinieken. Kan de Staatssecretaris uitleggen wat dezeprotocollen behelzen? Hoe wenselijk vindt de Staatssecretaris het dat erblijkbaar «praktijkvariatie» bestaat voor wat betreft het wel of niet gevenvan pijnstilling bij foetale levensbeëindiging? De leden van de SGP-fractievragen hoe wordt voorkomen dat praktijkvariatie op dit punt leidt totongelijkheid of willekeur tussen instellingen en behandelaars.Navraag bij de NVOG leert dat de lokale protocollen in detail kunnenverschillen, maar dat afhankelijk van de medische situatie pijnstillingwordt gegeven. Volgens de NVOG zal naleving van de nieuwe Kwali-teitsnorm Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking naarverwachting praktijkvariatie tegengaan.Overigens valt het de leden van SGP-fractie ook ten aanzien van sedatiebij abortus op dat de Staatssecretaris ook hierbij kiest voor een formalis-tische benadering: zolang het niet expliciet voorgeschreven is in derichtlijn, hoeft het niet. Feit blijft dat bij foetale chirurgie directe pijnstillingover het algemeen wel gegeven wordt en bij abortus over het algemeenniet. Erkent de Staatssecretaris dat? Hoe weegt zij dit verschil vanuitmedisch-ethisch perspectief?Het is aan zorgprofessionals, zoals abortusartsen en gynaecologen, enniet aan mij als bewindspersoon om de wetenschappelijke inzichten overde mogelijkheid van foetale pijn bij zwangerschapsafbreking en foetalechirurgie te interpreteren, noch om professionele standaarden aan tepassen. Zoals in antwoord op de vorige vraag is aangegeven, is hettoedienen van pijnstilling aan de foetus bij foetalechirurgie niet voorgeschreven in een richtlijn en wordt het ook niet in allegevallen toegepast. Met betrekking tot foetale chirurgie is er naastpijnstilling ook een technische noodzaak om tot foetale anesthesie tebesluiten en soms om ervan af te zien.De leden van de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris het moreelrelevant acht dat het risico op pijnbeleving toeneemt naarmate dezwangerschap verder gevorderd is, en zo ja, waarom dit niet leidt totstrengere waarborgen.Zoals aangegeven in antwoord op een andere vraag van de leden van deSGP-fractie, is het niet aan mij als bewindspersoon, maar aan deberoepsgroep om te bepalen wat de norm ten aanzien van medischhandelen zou moeten zijn.20Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18719 De leden van de SGP-fractie vragen om een nadere toelichting op destelling van de Staatssecretaris dat bij alle vroege abortussen pijnstillingaan de moeder wordt gegeven die via de placenta ook het ongeboren kindbereikt. Indien dit het geval is, vragen zij, waarom dit bij late abortussenkennelijk niet volstaat, gezien het zwaarwegende advies van de commissieom bij alle late abortussen expliciet pijnstilling toe te dienen. Hoeverhoudt dit beleid bij abortus vóór 24 weken zwangerschap zich tot deaanbevelingen van de commissie ten aanzien van late zwangerschap?Naar aanleiding van eerdere Kamervragen over dit onderwerp heeft devoormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport navraag gedaan bijhet Nederlands Genootschap van Abortusartsen (NGvA) over pijnbelevingbij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken.21 Hoewel het niet volledigis uitgesloten dat een foetus vóór 24 weken een vorm van pijnbelevingkan hebben, is dit niet vergelijkbaar met reguliere ervaring van pijn. Als defoetus al iets als een prikkel ervaart, weet het niet waar het vandaan komt,heeft het daar geen emotionele reactie op en vergeet het die prikkel directweer.22 Bij een zwangerschapsafbreking tot 24 weken wordt desalniet-temin altijd gebruik gemaakt van een vorm van pijnbestrijding voor devrouw, die via de placenta ook het embryo of de foetus bereikt. Mocht erdus toch sprake zijn van foetale pijn, dan wordt deze tijdens een zwanger-schapsafbreking door de pijnbestrijding aan de vrouw bestreden.Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in debeantwoording van de eerdere Kamervragen heeft aangegeven23, is debeoordelingscommissie bekend met de concept Kwaliteitsnorm Medischhandelen bij late zwangerschapsafbreking, waarin staat dat voorafgaandaan de levensbeëindiging de foetus gesedeerd dient te worden enpijnstilling toegediend moet krijgen. In afwachting van de definitieveherziening van het protocol van de NVOG zal de commissie volstaan methet doen van een aanbeveling met betrekking tot pijnstilling aan defoetus. Er is tegenwoordig meer aandacht voorfoetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen van het Modelpro-tocol Medisch handelen bij late zwangerschapsafbreking in 2017. DeNVOG is om die reden in januari 2024 gestart met de revisie van hethuidige modelprotocol.Het is aan de beroepsgroepen, en niet aan mij als bewindspersoon ommedisch professionele normen voor zwangerschapsafbreking tot 24weken en late zwangerschapsafbreking vast te stellen en eventueel teherzien. Bij het opstellen en herzien van richtlijnen maken artsen gebruikvan actuele wetenschappelijke kennis, inzichten vanuit anderevakgebieden/beroepsgroepen, en relevante ontwikkelingen.De leden van de SGP-fractie vragen naar aanleiding van het antwoord opvraag 17 of de Staatssecretaris erkent dat het gelijkheidsbeginsel in ditverband niet ziet op de aard of het doel van de medische verrichting, maarop het ongeboren kind dat een ingreep ondergaat waarbij sprake kan zijnvan pijn. Zij vragen waarom in de beantwoording de vergelijking wordtbetrokken op de (on)gelijkheid van de medische handeling, en niet op depositie van het ongeboren kind en diens mogelijke pijnbeleving. De ledenvan de SGP-fractie vragen of de Staatssecretaris daarom alsnog kaningaan op de vraag hoe het ontbreken van verplichte verdoving bij21Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 1680.22Zie ook de uitleg en wetenschappelijke bronnen over foetale pijn op de website van Fiom, dieis opgesteld in samenwerking met het Nederlands Genootschap van Abortusartsen:https://fiom.nl/ongewenst-zwanger/zwanger-wat-nu/realistisch-beeld-zwangerschap-abortus23Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18720 abortus en late zwangerschapsafbreking zich verhoudt tot hetuitgangspunt dat gelijke belangen, zoals het voorkomen van pijn bijongeboren kinderen, gelijk beschermd zouden moeten worden.Het gelijkheidsbeginsel ziet zowel op de aard en het doel van de medischeverrichting als op de moeder en het ongeboren kind die de ingreepondergaan. Zoals in de beantwoording op vraag 17 is aangegeven, gaathet bij foetale therapie, een zwangerschapsafbreking tot 24 weken en eenlate zwangerschapsafbreking om verschillende medische verrichtingen inverschillende medische situaties waar verschillende kwaliteitsnormen enrichtlijnen op van toepassing zijn.24 Met betrekking tot foetale chirurgie iser naast pijnstilling ook een technische noodzaak om tot foetaleanesthesie te besluiten en soms om ervan af te zien. Bij een zwanger-schapsafbreking tot 24 weken wordt altijd gebruik gemaakt van een vormvan pijnbestrijding voor de vrouw, die via de placenta ook het embryo ofde foetus bereikt. Zodra de Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij latezwangerschapsafbreking definitief is, wordt het toedienen van pijnstillingaan de foetus voorgeschreven en is deze medische-professionelestandaard in beginsel leidend.Aangezien de bevinding dat verdoving niet standaard is wel werdbenoemd door de beoordelingscommissie, maar de Staatssecretaris ditniet vermeldde in haar brief vragen de leden van de SGP-fractie of deStaatssecretaris voornemens is de Kamer voortaan actief te informerenwanneer de beoordelingscommissie aanbevelingen doet die raken aanethische vraagstukken.Het kabinet is bereid om de Kamer voortaan bij de aanbieding van hetjaarverslag van de beoordelingscommissie proactief te informeren overaanbevelingen van de beoordelingscommissie die raken aan ethischevraagstukken.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen bij het jaarverslag 2024 van de beoordelingscom-missie late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgebo-renen en kinderen van 1 tot 12 jaar.De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het een zeer gevoelig enverdrietig onderwerp waar de beoordelingscommissie zich mee bezighoudt. Sinds 2024 zijn er flinke wijzigingen geweest in de Regeling en inde commissie. Deze leden vragen een reflectie van de Staatssecretaris opdeze veranderingen. Welke meerwaarde heeft het dat de voorzitter eenstrafrechtjurist is?Zoals in de toelichting op de Regeling beoordelingscommissie latezwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen enkinderen 1–12 jaar is aangegeven, is de meerwaarde dat de voorzitter vande beoordelingscommissie een strafrechtjurist is met affiniteit met deproblematiek hierin gelegen dat het uitgangspunt is dat de beoordelings-commissie geen medische gegevens meer meestuurt aan het College vanprocureurs-generaal en het oordeel van de beoordelingscommissie zwaarweegt.Is de werkwijze nu, met het melden van categorie 1 bij de beroepsgroepvan de NVOG, in lijn met de verwachtingen?24Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18721 Het melden van een late zwangerschapsafbreking categorie 1 bij deberoepsgroep NVOG en het beoordelen door een commissie bij de NVOGwas vóór de inwerkingtreding van de Regeling beoordelingscommissielate zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen op1 februari 2016 al gebruikelijk. Bij de totstandkoming van deze Regeling in2016 is ervoor gekozen om deze categorie 1-gevallen weer op te nemen inde Regeling en te laten beoordelen door de beoordelingscommissie. Uitde evaluatie in 2022 kwam echter naar voren dat er geen reden meer wasom LZA categorie 1-gevallen onder de Regeling te houden. Met deinwerkingtreding van de Regeling beoordelingscommissie late zwanger-schapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderen 1–12jaar op 1 februari 2024 is de beoordeling van LZA categorie 1-gevallenweer aan de beroepsgroep overgelaten. Deze werkwijze verloopt tot nunaar ieders tevredenheid.Nu de regeling is uitgebreid naar kinderen van 1 tot 12 jaar, voelen artsenzich meer handelingsbekwaam- en bevoegd in dit soort intens moeilijkeen verdrietige zaken?De NVK heeft een uitgebreide toelichting geschreven bij de door haarontwikkelde zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging bij kinderen1–12 jaar. Dit biedt artsen houvast bij de beoordeling van een mogelijkelevensbeëindiging van een kind van 1–12 jaar.Navraag bij de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)leert verder dat bij het Artsensteunpunt Levenseinde Kinderen eentoename wordt gezien van vragen van professionals. Deze vragen richtenzich met name op hoe professionals zorgvuldig en professioneel omkunnen gaan met vragen van ouders over actieve levensbeëindiging enhoe zij deze gesprekken goed kunnen voeren binnen het bestaandejuridische en ethische kader. De NVK concludeert op basis van haarbevindingen dat de Regeling bijdraagt aan open en zorgvuldigegesprekken over palliatieve zorg en levenseindezorg, zowel tussen oudersen zorgverleners als binnen multidisciplinaire teams. Volgens de NVK lijktde betekenis van de Regeling zich niet alleen te beperken tot eenregulerende functie, maar vooral ook een ondersteunende en verhelde-rende rol te spelen in het besluitvormingsproces van ouders en zorgpro-fessionals.Ten aanzien van levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar vragen deleden van de ChristenUnie-fractie naar de ontwikkeling van de zorgvuldig-heidseisen. Deze worden pas in de Regeling opgenomen als er verderenormontwikkeling heeft plaatsgevonden. Tot die tijd wordt gewerkt metde zorgvuldigheidseisen zoals door de Nederlandse Vereniging voorKindergeneeskunde is geaccordeerd. Met de zeer sporadische meldingenvan levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar kan het lang durenvoordat de normontwikkeling plaatsvindt. Vindt de Staatssecretaris hetacceptabel dat tot die tijd de NVK-richtlijn geldt? Deze leden maken zichzorgen dat hierdoor niet de juridische kant wordt meegenomen in dezorgvuldigheidseisen. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?Zoals in de toelichting op de Regeling is aangegeven, zullen de door demedische beroepsgroep ontwikkelde zorgvuldigheidseisen pas in deRegeling worden opgenomen als daarover brede consensus bestaat. Erzal dan ook eerst ervaring mee moeten worden opgedaan in de praktijk,zowel door artsen als door de beoordelingscommissie, het OpenbaarMinisterie en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. Het is begrijpelijkdat verdere normontwikkeling tijd nodig heeft. In de toelichting wordtbenadrukt dat het ontbreken van zorgvuldigheidseisen niet betekent datartsen geen enkel houvast hebben. Voor de groep kinderen 1–12 jaar geldtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18722 als uitgangspunt dat, om het handelen van de arts als zorgvuldig tekunnen beoordelen, de arts op grond van heersend medisch inzicht tot deovertuiging moet komen dat levensbeëindiging de enige redelijkeoplossing is om het uitzichtloos en ondraaglijk lijden van het kind weg tenemen. En dat, voor zover dit ook maar enigszins mogelijk is, het kind, opeen manier die past bij zijn bevattingsvermogen en leeftijd, naar zijnmening wordt gevraagd en dat die mening wordt betrokken bij hetbesluitvormingsproces. Van levensbeëindiging moet in ieder gevalworden afgezien als het kind zelf te kennen heeft gegeven zijn actuelesituatie te prefereren boven levensbeëindiging. Ook is in de toelichting opde Regeling opgenomen dat de beoordelingscommissie ter verderenormontwikkeling voor levensbeëindiging bij kinderen 1–12 jaar de in deRegeling opgenomen zorgvuldigheidseisen die gelden voor levensbeëin-diging bij pasgeborenen (artikel 7) in haar beoordeling van een casus alsvertrekpunt meeneemt.25Daarnaast heeft de NVK – zoals ook in het antwoord op de vorige vraag isaangegeven – een uitgebreide toelichting geschreven bij de door haarontwikkelde zorgvuldigheidseisen voor levensbeëindiging bij kinderen1–12 jaar. Dit biedt artsen houvast bij de beoordeling van een mogelijkelevensbeëindiging van een kind van 1–12 jaar.De beoordelingscommissie geeft op haar website aan kennis te hebbengenomen van de zorgvuldigheidseisen voor actieve levensbeëindiging bijeen kind in de leeftijd van 1–12 jaar, zoals die op 2 oktober 2024 door hetbestuur van de NVK zijn geaccordeerd. Zij benadrukt dat de beoordelings-commissie bij de beoordeling van een melding in deze categorie eeneigen verantwoordelijkheid heeft en zal deze zorgvuldigheidseisenmeewegen in haar beslissing of een arts bij een dergelijk handelen ditzorgvuldig heeft gedaan.26Hoe is de relatie tussen de Beoordelingscommissie en het OpenbaarMinisterie? Is er onderling contact zodat de kloof tussen de medische enjuridische wereld kleiner wordt, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.Het Openbaar Ministerie (OM) heeft mij laten weten dat er inderdaadonderling contact is met de beoordelingscommissie. Naast een kennisma-kingsgesprek met de nieuwe voorzitter van de commissie hebben er ookandere (ambtelijke) overleggen plaatsgevonden. Daarbij bestaat er overen weer de bereidheid om vragen die zich voordoen in de toetsings-praktijk constructief met elkaar te bespreken. Ook de beoordelingscom-missie heeft mij laten weten dat het contact tussen de beoordelingscom-missie en het OM constructief is. Zo vindt er jaarlijks overleg plaats tussende voorzitter van de beoordelingscommissie en de voorzitter van hetCollege van procureurs-generaal. Daarnaast is er frequent mailcontacttussen de beoordelingscommissie en het OM.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn geschrokken van de bevindingdat artsen de foetus bij late zwangerschapsafbreking niet standaardverdoving toedienen. Waarom niet, zo vragen deze leden.Op basis van het huidige Modelprotocol Medisch handelen bij latezwangerschapsafbreking uit 2017 wordt aan artsen ter overwegingmeegegeven om de foetus te sederen en pijnstilling toe te dienen voordatwordt overgegaan tot foetale levensbeëindiging. Het is niet bekend welke25Staatscourant 2024, nr. 99 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen.26Zie: Zorgvuldigheidseisen bij levensbeëindiging bij kinderen van 1 tot 12 jaar | LZA-LP&K –Late zwangerschapsafbreking en levensbeëindiging bij pasgeborenen en kinderenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18723 redenen artsen in de concrete gevallen hebben gehad om geen sedatie enpijnstilling toe te passen. Overigens geldt dat onder het huidige model-protocol verdoving aan de foetus vaak wordt toegepast bij late zwanger-schapsafbreking: van de 34 meldingen die de beoordelingscommissiesinds 2016 heeft ontvangen van een late zwangerschapsafbreking waarbijfoetale levensbeëindiging heeft plaatsgevonden, was er in 26 gevallen(76,5%) sprake van voorafgaande verdoving, in 8 gevallen (23,5%) niet.27Wil de Staatssecretaris er bij de beroepsgroep op aandringen dat het zosnel mogelijk in de richtlijn wordt opgenomen dat er standaard verdovingwordt toegepast bij late zwangerschapsafbrekingen?Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in debeantwoording van eerdere Kamervragen heeft aangegeven28, heeft deNVOG gesignaleerd dat het veld in beweging is. Er is tegenwoordig meeraandacht voor foetale pijnbeleving dan ten tijde van het verschijnen vanhet huidige modelprotocol in 2017. De NVOG is om die reden in januari2024 gestart met een revisie van het huidige modelprotocol. Dit heeftgeleid tot de concept Kwaliteitsnorm Medisch handelen bij late zwanger-schapsafbreking. Hierin staat dat een foetus voorafgaand aan delevensbeëindiging sedatie en pijnstilling dient te krijgen. Deze kwali-teitsnorm bevindt zich op dit moment in de prefinale fase. De NVOG heeftaangegeven dat het proces rondom het finaliseren van de kwaliteitsnormnaar verwachting voor de zomer afgerond is. De NVOG zal in ieder gevaltoezien op spoedige accordering en implementatie van de kwaliteitsnorm.Zodra de kwaliteitsnorm definitief is, is deze in beginsel leidend.Wat is de richtlijn ten aanzien van verdoving bij vroegere zwangerschaps-afbrekingen, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Ziet deStaatssecretaris reden, bijvoorbeeld nieuwe wetenschappelijke inzichten,om hier beleid in te wijzigen? Zo nee, waarom niet?Hoewel het niet volledig is uitgesloten dat een foetus vóór 24 weken eenvorm van pijnbeleving kan hebben, zijn die eventuele prikkels nietvergelijkbaar met reguliere ervaring van pijn. Bij zwangerschapsafbrekingtot 24 weken wordt desalniettemin altijd gebruik gemaakt van een vormvan pijnbestrijding voor de vrouw, die via de placenta ook het embryo ofde foetus bereikt. Mocht er sprake zijn van foetale pijn, dan wordt dezetijdens een zwangerschapsafbreking dus door de pijnbestrijding aan devrouw bestreden.Het is aan de beroepsgroep om medisch professionele normen vast testellen en eventueel te herzien.27Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.28Aanhangsel Handelingen II 2025/26, nr. 689.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 18724
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.