Verslag van een schriftelijk overleg over de internationale inzet van Nederlandse militairen, civiele experts en politiefunctionarissen 2025 - 2028 (Kamerstuk 29521-493)
Brontekst
Versie a33811122e488cf2 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 521Nederlandse deelname aan vredesmissiesNr. 497 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 23 mei 2025 De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over debrief van 4 april 2025 over Internationale inzet van Nederlandse militairen,civiele experts en politiefunctionarissen 2025–2028 (Kamerstuk 29 521,nr. 493).De vragen en opmerkingen zijn op 23 april 2025 aan de Minister vanBuitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 23 mei 2025 zijn de vragen,voorzien van een inleiding beantwoord.De voorzitter van de commissie,KlaverAdjunct-griffier van de commissie,Blom kst-29521-497ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4971 Inhoudsopgaveblz.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de bewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enreactie van de bewindspersoon3Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie enreactie van de bewindspersoon6Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie en reactievan de bewindspersoon8Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie enreactie van de bewindspersoon11Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie enreactie van de bewindspersoon14 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoonInleidingMet verwijzing naar de inbreng met kenmerk 29 521, nr. 473/2025D1863die door de verschillende fracties is gedaan naar aanleiding van de op4 april jl. door de Ministers van Buitenlandse Zaken, van Defensie, vanJustitie en Veiligheid en van Buitenlandse Handel en OntwikkelingshulpKamerbrief: Internationale inzet van Nederlandse militairen, civieleexperts en politiefunctionarissen 2025–2028 (Kamerstuk 29 521, nr. 493),bied ik u hierbij de beantwoording aan. Bij de volgorde van de beant-woording is de volgorde van de inbreng van het schriftelijk overlegaangehouden.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de bewindspersoonDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van debrief van het kabinet inzake de internationale inzet van Nederlandsemilitairen, civiele experts en politiefunctionarissen 2025–2028. Zij stellendaar graag enkele vragen aan de Minister over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet anders omwil gaan met de Nederlandse bijdragen aan missies en operaties vanwegede focus op hoofdtaak 1 van de krijgsmacht en dat het kabinet hierbij steltdat deze eerst en vooral moeten bijdragen aan de Nederlandse veilig-heidsbelangen. Kan het kabinet zo gedetailleerd mogelijk het nieuwetoetsingskader van deze veiligheidsbelangen toelichten? Hoe zal dit kaderverschillen t.o.v. het beleid vóór de wijziging? Wat is het kabinet concreetvan plan om anders te doen met de inzet van de krijgsmacht? Wat valt erbijvoorbeeld weg en wat gaat de krijgsmacht juist meer doen in het kadervan de Nederlandse veiligheidsbelangen?1.Antwoord van het kabinet:Het kabinet heeft in de Kamerbrief over internationale inzet vanNederlandse militairen, civiel experts en politiefunctionarissen2025–2028 een aantal uitgangspunten geformuleerd, waaronder:bijdragen aan missies en operaties zullen eerst en vooral moetenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4972 bijdragen aan de Nederlandse (veiligheids)belangen.1 De keuzewaarom wel of niet wordt bijgedragen aan internationale missiesen operaties zal voortaan duidelijker te herleiden zijn naar een ofmeer van de door het kabinet in betreffende brief beschrevenNederlandse belangen. Het kabinet kiest daarbij, ingegeven doorde veranderende wereld om ons heen en de druk op de Europeseen Nederlandse veiligheid, voor minder grootschalige enlangdurige bijdragen ver weg.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het kabinet zesNederlandse belangen onderscheidt bij de beoordeling van missies enoperaties. Het kabinet schrijft dat het «zich sterk maakt om migratie engrensbeheer, waar relevant, in toekomstige mandaten op te nemen.» Kanhet kabinet zo gedetailleerd mogelijk toelichten welke rol zij weggelegdziet voor missies onder de vlag van het Europees gemeenschappelijkveiligheid- en defensiebeleid (GVDB) om irreguliere migratie tegen tegaan? Heeft het kabinet hier al voorstellen over rondgestuurd in Brussel ofin Europese hoofdsteden? Zo ja, kan het kabinet deze met de Kamerdelen?2.Antwoord van het kabinet:(Civiele) Gemeenschappelijk Veiligheid- en Defensiebeleid (GVDB)missies met een grensbeheercomponent zijn reeds onderdeel vanhet meerjarig strategisch beleid ten aanzien van Europeesgeïntegreerd grensbeheer. Een concreet voorbeeld van een missiemet een dergelijke grensbeheercomponent, waar Nederlandtevens al jarenlang een personele bijdrage aan levert, is deEuropean Union Border Assistance Mission (EUBAM) Libya. Hetkabinet is voornemens bij toekomstige (Europese) onderhande-lingen over mandaten van bestaande missies en bij onderhande-lingen over de totstandkoming van nieuwe missies zich sterk temaken voor het opnemen van een grens-, mensensmokkel- ofanderszins migratiecomponent in de mandaten van deze missies,mits er een migratierelatie bestaat tussen het desbetreffendeuitzendgebied en Nederland en Europa en de inschatting is dateen missie daar daadwerkelijk een realistische bijdrage aan kanleveren.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de VVD-fractie vinden het van belang dat Nederland enEuropese landen zelfstandig (kleinschalige) missies kunnen uitvoeren.Voor het uitvoeren van bepaalde competenties binnen missies is op hetmoment steun uit de Verenigde Staten (VS) vereist. Deze leden vragen hetkabinet in hoeverre Nederland en Europese landen afhankelijk zijn van deVS voor het opzetten van missies. Concreet willen zij weten op welkecompetenties Europese landen nog niet zelfstandig zijn.3.Antwoord van het kabinet:Dit is sterk afhankelijk van de inhoud van het mandaat en delocatie van de missie. Een aantal missies is door de VS – als leidervan een Coalition of the Willing – opgezet, andere missies inhetzelfde land of regio maken hierbij om redenen van doelma-tigheid gebruik van de reeds aanwezige militaire middelen van deVS. Een voorbeeld hiervan is de samenwerking tussen de missies1Kamerstuk 29 521, nr. 493.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4973 Operation Inherent Resolve (OIR) en de NAVO-missie in Irak (NMI).Bij omvangrijke, logistiek lastig bereikbare of complexe missieszijn er een paar gebieden waarbij de samenwerking met de VSnoodzakelijk of wenselijk is, zoals bijvoorbeeld: command encontrol, inlichtingen en strategisch transport. Europa is op ditmoment niet in staat om in elk type missie en missiegebiedzelfstandig op te treden en werkt aan het vergroten van de eigenslagkracht en het eigen voortzettingsvermogen. Daarnaast is deEU wel in staat om andersoortige type missies zelfstandig uit tevoeren. Zie ook antwoord 4.Deze leden vragen het kabinet of er recente voorbeelden zijn van missieswaarbij Europese landen zelfstandig hebben kunnen opereren. Wat voormissies kunnen wel of niet zelfstandig uitgevoerd worden?4.Antwoord van het kabinet:Voorbeelden zijn de anti-piraterijmissie EUNAVFOR Atalanta ende recente beëindigde Europese missie in de Straat van Hormuz(EMASoH). Maar ook bijvoorbeeld trainingsmissies zoals EUMAMworden zelfstandig door de EU en Europese landen uitgevoerd.Deze leden vragen of het kabinet dezelfde inzet deelt om kleinschaligemissies en operatie volledig zelfstandig uit te voeren. Zo nee, waaromniet? Zo ja, wat is de inzet om dit te bewerkstelligen en wat zijn demogelijke hindernissen hiertoe?5.Antwoord van het kabinet:Het volledig zelfstandig kunnen uitvoeren van kleinschaligemissies en operaties is geen doel op zich. Het heeft zelfs devoorkeur om missies en operaties gezamenlijk uit te voerenomdat dit interoperabiliteit en internationale samenwerkingbevorderd. Voor een aantal zaken zal Nederland altijd partner-landen nodig hebben, denk aan inlichtingen. Zoals benoemd in dekabinetsreactie op het rapport van de commissie Sorgdrager ishet voor een individueel land als Nederland onmogelijk omwereldwijd een ad hoc zelfstandige inlichtingenpositie teverwerven.De leden van de VVD-fractie zijn benieuwd of de veranderende rol van deVS wereldwijd leidt tot een veranderende houding van Nederland enEuropese landen bij het opzetten van missies en operaties. Deze ledenvragen het kabinet of zij een veranderende rol van de VS verwacht bijmissies in Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)-verband, welkescenario’s ziet het kabinet voor zich? Ook vragen deze leden hoe hetkabinet erop inzet om blijvend goed samen te werken met de Amerikanenbij missies en operaties.6.Antwoord van het kabinet:Voorop staat dat de VS een cruciale partner is voor onzeveiligheid en welvaart, en dat de veiligheidsbelangen van de VSen Europese landen overlappen. De samenwerking met de VSbinnen de verschillende NAVO-missies en -operaties, aan bijvoor-beeld de Oostflank van het NAVO-verdragsgebied of in Irak enKosovo, is onverminderd nauw en goed. De Amerikaanse regeringonder leiding van president Trump heeft daarbij aangegeven datzij gecommitteerd blijft aan de NAVO. Het kabinet wil nietspeculeren over de manier waarop de VS deze betrokkenheid bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4974 de NAVO in de toekomst zal vormgeven, bij missies ofanderszins. Duidelijk is wel dat de Europese bondgenoten meerverantwoordelijkheid moeten nemen om de Euro-Atlantischeveiligheid te waarborgen. In dat licht zullen Europese landen eengrotere inzet moeten plegen in de nabije omgeving van hetEuropese continent ten behoeve van bijvoorbeeld contra-terrorisme en stabiliteitsinzet. Het kabinet blijft daarbij strevennaar samenwerking met de VS. Hiertoe werkt het kabinetdoorlopend aan het borgen van de bestaande, goede (veilig-heids)samenwerking met de VS via allerlei verbanden en opverschillende niveaus.De leden van de VVD-fractie zien de geopolitieke verhoudingenwereldwijd veranderen, hierdoor vragen zij zich af of het niet tijd is voorhernieuwde partnerschappen. Bij missies en operaties bestaat veelsamenwerking met de VS, deze leden vragen het kabinet of er geenaanvullende partners buiten de Europese Unie (EU) zijn om militairesamenwerking bij missies en operaties verder mee uit te breiden. Hieromvragen deze leden het kabinet of zij nog kansen ziet om militaire samen-werking bij missies en operaties uit te breiden.7.Antwoord van het kabinet:Zoals het kabinet in het Regeerprogramma heeft verwoord, zijnde NAVO en de EU de twee belangrijkste samenwerkingsver-banden voor onze internationale veiligheid. Nederland heeftdaarmee een belang bij een sterke NAVO en een sterke EU.Proportionele bijdragen aan deze organisaties zijn daarom vanbelang. Daarnaast zijn ook bijdragen aan andere multilateraleverbanden zoals de VN van belang. Het kabinet is ookvoorstander van het uitvoeren van missies in multilateraleverbanden, omdat dit de coördinatie, integratie en effectiviteitvan de inspanningen ten goede komt. Indien een missie binnenbestaande multilaterale kaders niet haalbaar is, worden gelegen-heidsverbanden overwogen. Het kabinet beziet weloverwogenmet welke capaciteit, in welke omvang en in welk samenwer-kingsverband een Nederlandse bijdrage of interventie het meesteffectief kan zijn. Nederland werkt binnen Europa nauw samenmet verschillende lidstaten en bondgenoten, waarbij ookintensief wordt samengewerkt met partners van buiten Europazoals de IP4 (Australië, Nieuw Zeeland, Japan en Zuid-Korea).De leden van de VVD-fractie kijken daarnaast met grote zorg naar deontwikkelingen in de Westelijke Balkan. In hoeverre staan Nederland enandere Europese landen paraat om ook daar een grotere bijdrage televeren aan stabiliteit en vrede, indien de onrust in Servië en Bosnië enHerzegovina groter blijft worden?8.Antwoord van het kabinet:Het kabinet hecht belang aan veiligheid en stabiliteit in deWestelijke Balkan. Het kabinet heeft u middels een artikel 100-brief geïnformeerd over het besluit tot een nieuwe bijdrage aande EU-geleide vredesmissie EUFOR Althea (Kamerstuk 29 521nr. 494, d.d. 25 april jl.). In absolute termen levert Nederlandhiermee een bescheiden doch betekenisvolle bijdrage aan hetbehoud van stabiliteit in Bosnië en Herzegovina. Bij een verslech-terende veiligheidssituatie kan EUFOR Althea snel beschikkenover reserve-eenheden. Nederland pleit daarnaast, samen metDuitsland, in EU-verband voor de mogelijkheid om de EU RapidTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4975 Deployment Capacity (RDC) in te zetten in Bosnië en Herzegovinain geval van ernstige escalatie.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de NSC-fractie hebben met interesse kennisgenomen van destukken bijgaand dit schriftelijk overleg. Deze leden verwelkomen de inzetvan het kabinet om zich bij deelname aan missies te laten leiden doorNederlandse (veiligheids-)belangen. Zij kunnen zich dan ook goed in deuiteengezette beleidskeuzes vinden. Deze leden verwelkomen vooral ookdat het kabinet voor civiele, politieke en militaire inzet in de directe ringom Europa kiest, om instabiliteit aan de grenzen van Europa tevoorkomen. Op basis van de uiteengezette kaders hebben de leden van deNSC-fractie nog enkele vragen.Europa (Westelijke Balkan, Moldavië en Zuidelijke Kaukasus)Het kabinet verkent de mogelijkheid om een infanteriecompagnie aan demilitaire operatie EUFOR Althea te leveren, zo lezen de leden van deNSC-fractie. Zij vragen welke concrete taken een dergelijke compagniebinnen EUFOR op zich zou moeten nemen.9.Antwoord van het kabinet:Zoals beschreven in de artikel 100-brief van de Nederlandsebijdrage aan EUFOR Althea (Kamerstuk 29 521, nr. 494, d.d.25 april jl.) vormt de infanteriecompagnie onderdeel van hetmultinationaal bataljon. Om de operationele doelen te bereikenheeft het multinationaal bataljon verschillende taken: zorgdragenvoor force protection van EUFOR Althea, optreden als QuickReaction Force, ondersteunen van gecombineerde trainingen metde strijdkrachten van Bosnië en Herzegovina, uitvoeren van PeaceSupport Operations, waaronder patrouilles door geheel Bosnië enHerzegovina om zichtbaarheid te tonen en af te schrikken, enCrowd & Riot Control.Midden-OostenDe leden van de NSC-fractie vragen of er ook nagedacht wordt over eentoekomstige bijdrage van Nederland aan het transitieproces in Syrië in devorm van bijvoorbeeld het sturen van adviseurs, trainers en liaisons, zoalsin Irak gebeurd is om de veiligheidssector te ondersteunen.Deze leden zijn van mening dat er waardevolle kennis is opgedaangedurende diverse missies in Irak, die in Syrië benut zouden kunnenworden.10.Antwoord van het kabinet:Het kabinet volgt het transitieproces in Syrië op de voet. Hetbredere beleid ten aanzien van Syrië is erop gericht bij te dragenaan stabilisatie, de bescherming van minderheden en hetwaarborgen van mensenrechten. Het sturen van adviseurs,trainers of liaisons is daarbij op dit moment niet aan de orde.Rode ZeeDe inzet van de Nederlandse Marine voor het bevorderen en waarborgenvan maritieme veiligheid lijkt de leden van de NSC-fractie uitstekend bij deexpertise van de Nederlandse Marine te passen. Kan de Minister delenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4976 van welke factoren het zou afhangen of Nederland in 2025 met luchttan-kercapaciteit zal bijdragen?11.Antwoord van het kabinet:In algemene zin zijn wenselijkheid van de bijdrage aan de handvan de eerder genoemde nationale belangen en haalbaarheid intermen van uitvoerbaarheid, naast de juridische en financiëlekaders, de twee voornaamste factoren waarop het kabinetmilitaire inzet afweegt. Deze factoren worden standaard bezienwanneer inzet wordt overwogen.Het kabinet informeerde uw Kamer via de Kamerbrief interna-tionale inzet militairen, civiel experts en politiefunctionarissen2025–2028 over het onderzoek naar het bijdragen aan operatiesin de Rode Zee met luchttankercapaciteit. Via deze weg kunnenwij uw Kamer mededelen dat het onderzoek naar deze mogelijkeinzet heeft uitgewezen dat inzet niet haalbaar wordt geacht.Zoals vermeld in de brief «De staat van de Oorlog in Oekraïne»(Kamerstuk 36 045, nr. 190, d.d. 17 februari jl.), zal Nederland in2025 met de inzet van luchtverdedigingscapaciteit bijdragen aanNATO Security Assistance and Training For Ukraine (NSATU).Onderdeel van deze inzet is het beschikbaar stellen van Neder-landse MRTT-capaciteit. Dit is niet te combineren met een inzetop afroep in het Rode Zeegebied.Per abuis is in de Kamerbrief «internationale inzet van Neder-landse militairen, civiel experts en politiefunctionarissen2025–2028» (Kamerstuk 29 521, nr. 493) opgenomen dat hetnationaal kader voor Aspides van circa 10 functionarissenverlengd wordt tot en met eind mei 2025. Dit moet zijn tot enmet eind juni 2028, gelijk aan de overige nationale kaders in debrief. Tevens is per abuis is in deze brief opgenomen dat deNederlandse bijdrage aan OPA van één niet-operationele stafof-ficier verlengd wordt tot en met eind mei 2025. De Nederlandsebijdrage is eerder verlengd tot 9 juli 2025 onder de voorwaardedat de operatie aan de in de eerdere Kamerbrief van 12 januari jl.benoemde rechtsbasis en voorwaarden blijft voldoen. Uw Kameris hierover geïnformeerd via het RBZ verslag van 20 december jl.Kleinschalige bijdragen: Israël-Palestijnse gebieden-LibanonGezien de actuele situatie in de regio zouden de leden van de NSC-fractiegraag meer willen weten over het mandaat en de omvang van het Officeof Security Coordination for Israel and the Palestinian Authority (OSC),European Union Police Coordinating Office for Palestinian Police Support(EUPOL COPPS) en United Nations Truce Supervision Organization(UNTSO) en de specifiek Nederlandse rol hierin. Ook zouden deze ledengraag de inzichten van de Minister over de rol van Nederland bij toekom-stige missies rond vredeshandhaving en -monitoring in de regio willenkennen.12.Antwoord van het kabinet:De Office of the Security Coordinator (OSC) is een door de VSgecoördineerd samenwerkingsverband met deelname vanBulgarije, Canada, Griekenland, Italië, Nederland, Polen, Turkije,het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Duitsland en Frankrijk. Intotaal telt de missie ongeveer 70 medewerkers. De missie richtzich op het professionaliseren van de Palestijnse veiligheids-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4977 sector. Daarnaast vervult OSC een coördinerende taak tussen dePalestijnse en Israëlische veiligheidsdiensten. De Nederlandsebijdrage aan OSC bestaat uit zeven personen: vier militairen,twee civiel experts en één politiefunctionaris, die verschillende(advies)functies vervullen binnen de missie. Het Nederlandspersoneel maakt deel uit van de teams in Jeruzalem en Ramallah,gericht op training, advisering en mentoren van Palestijnseveiligheidstroepen.EU Coordinating Office for Palestinian Police Support (EUPOLCOPPS) heeft als mandaat het ondersteunen en hervormen vanhet Palestijnse Ministerie van Binnenlandse Zaken en de Pales-tinian Civil Police (PCP), naast het ondersteunen van de Pales-tijnse rechtsketen. Sinds 2008 levert Nederland een personelebijdrage aan deze missie. In totaal telt de missie 106medewerkers. Nederland heeft momenteel een nationaal kadervan vijf personen: twee civiel experts en drie politiefunctiona-rissen. De Nederlandse bijdrage richt zich op training enadvisering van de Palestijnse politie en detentieketen.OSC en EUPOL COPPS hebben als achterliggend strategisch doelde levensvatbaarheid van een toekomstige Palestijnse staat enhet bevorderen van een tweestatenoplossing. Daarnaast is ookIsraël voor haar veiligheid gebaat bij een stabiele Palestijnseveiligheidssector.De United Nations Truce Supervision Organisation (UNTSO) houdttoezicht op de bestanden tussen Israël en de omringende landen.Daartoe werkt de missie nauw samen met UNIFIL en UNDOF.Nederland draagt sinds 1956 met militaire waarnemers bij aanUNTSO. Het sinds 1948 doorlopende VN-mandaat heeft eenregionale invalshoek en stelt de missie in staat de UNTSO-waarnemers flexibel in te zetten. In totaal telt de missie 388medewerkers, waarvan 159 militairen. Nederland levert 11militairen die werkzaam zijn als United Nations Military Observerof stafofficier binnen de verschillende Observer Groups (Tiberias,Damascus en Libanon), het hoofdkwartier in Jeruzalem en hetLiaison Office in Cairo. Met deze bijdrage behoudt Nederland eenwaardevolle informatiepositie in het gebied en levert het eenbijdrage aan burden sharing in VN-verband.Op dit moment voorziet het kabinet geen additionele inzet voor(toekomstige) missies rond vredeshandhaving en -monitoring inde regio. Tegelijkertijd houdt het kabinet daarbij wel ruimte omhier een ander standpunt over in te nemen, bijvoorbeeld vanwegeeen bondgenootschappelijk verzoek of om in te spelen opontwikkelingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de D66-fractie lezen dat de NAVO een grotere militairebijdrage vraagt van bondgenoten vanwege toenemende veiligheidsdrei-gingen voor Nederland en de rest van Europa. In het licht daarvan vragendeze leden waarom het kabinet in de Voorjaarsnota niet heeft gekozenvoor een serieuze stap richting een hogere NAVO-norm. Staat het kabinetniet meer achter de uitspraak van de Minister van Buitenlandse Zaken, datwachten op de NAVO-top wegens urgente veiligheidsdreigingen nietwenselijk is, zo vragen zij.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4978 13.Antwoord van het kabinet:Het kabinet erkent de veiligheidsdreigingen en de urgentie onzeafschrikking en verdediging hiertegen te versterken. Met deVoorjaarsnota zet het kabinet een eerste stap hierin. Het kabinetzal de komende tijd de Nederlandse inzet formuleren rond eenhogere NAVO-norm voor defensie-uitgaven en uw Kamer hieroverinformeren.Daarnaast vragen de leden van de D66-fractie of de Minister een updatekan delen over de gesprekken binnen de «Coalition of the Willing» overeventuele inzet in Oekraïne na een vredesbestand. Is het kabinet bereidFrankrijk en het Verenigd Koninkrijk te steunen in hun opbouw van eenafschrikkingsmacht die primair gestoeld is op Europese inzet?14.Antwoord van het kabinet:Nederland steunt Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk in huninitiatief om de Europese rol in het vormgeven van de veiligheidvan Oekraïne en Europa te versterken. Nederland is met militaireplanners betrokken bij de Coalition of the Willing om in kaart tebrengen wat nodig is om Oekraïne te ondersteunen. Eventueleinzet hangt samen met de uitkomst van internationale bespre-kingen over een staakt-het-vuren. Op dit moment is er nog geenzicht op een staakt-het-vuren of de daadwerkelijke ontplooiingvan een Coalition of the Willing. Nederland stelt zich constructiefop in de discussies, maar draagt ook internationaal uit datnationale besluitvorming nog niet heeft plaatsgevonden.Voorts lezen de leden van de D66-fractie dat het kabinet «kiest voorminder grootschalige en langdurige bijdragen ver weg.» Zij vragen deMinister deze keuze toe te lichten en aan te geven wat dat betekent voorlopende bijdragen wereldwijd.15.Antwoord van het kabinet:Zie antwoord 1. Het kabinet kiest ervoor om Nederlandsebelangen centraal te zetten in de vormgeving van de Nederlandseinzet binnen missies en operaties. Daarnaast wordt deze focusook ingegeven door de veranderende wereld om ons heen en dedruk op de Europese en Nederlandse veiligheid, dichterbij huis.Dit betekent niet dat Nederland überhaupt niet deelneemt of inde toekomst niet zal deelnemen aan missies en operaties ingebieden buiten (de directe omgeving van) Europa.Midden-OostenKan de Minister toelichten waarom niet wordt gekozen voor hernieuwdegrootschalige Nederlandse militaire presentie in Irak, zo vragen de ledenvan de D66-fractie. Zeker in het licht van de ontwikkelingen in de regio,bijvoorbeeld in Syrië, Israël en Gaza, zouden deze leden nut zien in hetvoortzetten van de aanwezigheid van Nederland.16.Antwoord van het kabinet:Zie antwoord 15. Daarnaast heeft Nederland recent een aanzien-lijke bijdrage geleverd in Irak met Force Command, ForceProtection en een helikopterdetachement. Nederland heeftdaarmee verantwoordelijkheid genomen; het is aan anderen dezerol over te nemen. Tegelijkertijd blijven we met het leveren vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 4979 adviseurs voor NMI en OIR wel betrokken. Daarmee kiest hetkabinet op dit moment dus niet voor een grootschalige Neder-landse militaire presentie in Irak en de bredere regio. Het kabinethoudt ruimte om hier een ander standpunt over in te nemen,bijvoorbeeld in geval van een bondgenootschappelijk verzoek ofom in te spelen op (onvoorziene) ontwikkelingen in de regio. Alsontwikkelingen in de regio tot heroverweging nopen, wordt uwKamer hieromtrent geïnformeerd.Rode ZeeDe leden van de D66-fractie vragen de Minister wanneer hij het onderzoekover de vraag of het kabinet in 2025 met luchttankercapaciteit kanbijdragen aan operaties in de Rode Zee verwacht af te ronden.17.Antwoord van het kabinet:Zie ook antwoord 11. Het kabinet zal geen MRTT ontplooien tenbehoeve van operaties in de Rode Zee. Vrije doorvaart enmaritieme veiligheid blijven voor dit kabinet belangrijke Neder-landse belangen. Het kabinet blijft bijdragen aan de interna-tionale inspanningen om de vrije doorvaart in de Rode Zee tebevorderen. Zoals benoemd in de Kamerbrief, is het kabinetvoornemens dat onder meer te doen middels de inzet van eenmarineschip op de langere termijn als de context daar om vraagt.Uw Kamer wordt daar te zijner tijd separaat nader over geïnfor-meerd. Op dit moment draagt Nederland bij met stafofficieren opde operationele hoofdkwartieren van Combined Maritime Forces,Apides en Atalanta.Indo-PacificDe leden van de D66-fractie zijn verheugd over de inzet van het kabinet inde Indo-Pacific. De toegenomen dreiging van China en zijn constanteescalatie baart deze leden tot zorgen. Zij begrijpen dat niet alles in deopenbaarheid kan worden gedeeld, maar ze vragen de Minister om– eventueel vertrouwelijk – meer informatie over de inzet in deze regio.18.Antwoord van het kabinet:Zoals beschreven in de Kamerbrief Internationale inzet vanNederlandse militairen, civiele experts en politiefunctionarissen2025–2028, is het kabinet voornemens elke twee jaar eenmaritieme presentie te realiseren zoals eerder in 2021 en 2024,met een eerstvolgende presentie in 2026. De mogelijkhedenhiervoor worden momenteel verder uitgewerkt. Op het moment ishet te vroeg daar verdere informatie over te kunnen delen metuw Kamer. Zodra dat mogelijk is zal de Kamer op gepaste wijzeworden geïnformeerd.Kleinschalige bijdragenMiddellandse Zee regio – LibiëDe leden van de D66-fractie delen met het kabinet dat samenwerking metlanden buiten de EU belangrijk is in het tegengaan van irregulieremigratie. Tegelijkertijd hebben zij grote zorgen over de samenwerking metLibië, gezien de manier waarop het Libische regime met migrantenomgaat. Deze leden hebben ook vernomen dat het kabinet voornemens isde ambassade in Libië te sluiten als gevolg van de grote bezuinigingen diemoeten worden doorgevoerd op het postennet. Kan de Minister toelichtenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49710 hoe hij denkt effectief te kunnen toezien op de naleving van mensen-rechten, als Nederland geen diplomatieke aanwezigheid meer heeft in hetland, zo vragen zij.19.Antwoord van het kabinet:Het kabinet heeft, in lijn met de bredere bezuinigingsmaatregelenop het postennet, besloten om de ambassade in Libië te sluiten.Dit zware besluit is genomen na zorgvuldige afweging vanverschillende factoren, waaronder de operationele kosten van deambassade inclusief de hoge kosten voor beveiligingsmaatre-gelen ter bescherming van ons personeel.De situatie in Libië op het gebied van migratie en veiligheid blijftvoor Nederland van groot belang. Het kabinet erkent bovendiende zorgen over de mensenrechtensituatie in het land, waaronderde behandeling van migranten. Hoewel de diplomatieke aanwe-zigheid in Libië wordt beëindigd, behoudt Nederland de diploma-tieke betrekkingen en samenwerking, en blijven we ons ookzonder permanente diplomatieke presentie in Tripoli inzetten omNederlandse belangen te behartigen en zorgen te adresseren. Deprecieze invulling van deze samenwerking wordt op dit momentverder uitgewerkt.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief «Internationale inzet Nederlandse militairen, civiele experts enpolitiefunctionarissen 2025–2028». Hieruit komt naar voren dat erweloverwogen keuzes zijn gemaakt omtrent de Nederlandse strategischeinzet, waar deze te doen, met welk doel en daarbij rekening houdend metde nabije toekomst.Uit rondetafelgesprekken bij de vaste commissie voor Defensie begrepende leden van de BBB-fractie dat er wellicht nog meer dan verwacht grotekeuzes gemaakt moeten worden. Er is niet genoeg materieel en personeelom overal alle Nederlandse belangen en die van de bondgenoten tebehartigen. Deze leden vragen naar aanleiding daarvan hoe het kabinetdeze keuzes gaat maken als er (al dan niet plotseling en onverwacht)enerzijds gekozen moet worden voor bijvoorbeeld de NAVO of anderzijdsde verdediging van de overzeese delen van het Koninkrijk. Is er rekeninggehouden met een reserve of marge in zo’n geval?20.Antwoord van het kabinet:Nederland beschikt over één krijgsmacht – we kunnen onzemensen maar op een plek tegelijk inzetten. Tegelijkertijd neemtde dreiging toe en is dus ook de behoefte aan inzet groot. Nietalles is mogelijk en keuzes zijn daardoor nodig. Het kabinet richtzich vooral op de primaire taak van verdediging van het Neder-landse en bondgenootschappelijk grondgebied door de krijgs-macht. Ten aanzien van inzet in missies en operaties beziet hetkabinet steeds weloverwogen met welke capaciteit, in welkeomvang en in welk samenwerkingsverband een Nederlandsebijdrage of interventie het meest effectief kan zijn. Soms is dateen missie of operatie van significante omvang, maar somskunnen juist doelgerichte, kleinschalige bijdragen of anderszinstijdelijke activiteiten zoals training of capaciteitsopbouw demeest effectieve én haalbare vorm zijn om een doel te bereiken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49711 In uiterste gevallen kan met inzetten geschoven worden. HetNATO Force Model maakt onderscheid wat betreft de paraatheidvan troepen.De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister voorbeelden kan gevenwanneer het Nederlandse belang bij dergelijke afwegingen omtrent inzeten opschaling van materieel zwaarder weegt dan de NAVO-verzoeken ofverzoeken van andere bondgenoten. Deze leden zouden graag meerinzicht willen in de afwegingen waartoe de herprioritering van de militairecapaciteiten op dit moment leidt en met welke minder voor de handliggende scenario’s daarbij rekening wordt gehouden.21.Antwoord van het kabinet:Het kabinet richt zich vooral op de primaire taak van verdedigingvan het Nederlandse en bondgenootschappelijk grondgebied doorde krijgsmacht, maar ook conflicten en oorlogen buiten hetNAVO-verdragsgebied kunnen onze veiligheid en welvaart en dievan onze bondgenoten bedreigen. Deelname aan missies enoperaties blijven daarom van belang. Het kabinet weegt elkemogelijke bijdrage aan de hand van de in de Kamerbriefbeschreven nationale belangen. Zo draagt in Bosnië de missieEUFOR Althea bij aan stabiliteit en laten de operaties in de RodeZee zien dat aanvallen op de vrije zeevaart niet onbeantwoordblijven. In de Sahel en West-Afrika kiest het kabinet voor eenbeperkte aanwezigheid vanwege het Nederlandse belang in hettegengaan van irreguliere migratie, het versterken van grens-beheer en het bestrijden van grensoverschrijdende criminaliteiten terrorisme in deze regio.De leden van de BBB-fractie begrijpen het belang van een weloverwogendeelname aan missies en inzet binnen en buiten Europa. Dat is binnen decoalitie ook zo afgesproken en daar houden deze leden zich uiteraard ookaan. Gezien de schaarse middelen is het daarbij voor deze leden wel vanbelang om de Nederlandse belangen centraal te houden en versnipperingvan inzet te voorkomen. Is er volgens de Minister een verdere optimali-satie mogelijk van onze inzet aan de hand van de huidige dynamiek in degeopolitiek en kunnen daarbij ook andere bondgenoten worden gevondenom mee samen te werken, buiten de vertrouwde bondgenoten?22.Antwoord van het kabinet:Het kabinet vindt het belangrijk om in verschillende regio’s, aldan niet met bescheiden omvang, aanwezig te zijn om op diemanier een informatiepositie te hebben om ontwikkelingen invoor Nederland belangrijke regio’s te volgen. Het kabinet ziet ditniet als versnippering maar als een manier om met beperktecapaciteit een vinger aan de pols te houden, bij te dragen aanmissies van organisaties waaraan Nederland zich verbonden heeft(zie het antwoord op vraag 27), of te helpen voorkomen dat eensituatie ontstaat waarin onze belangen kunnen worden bedreigd.Het kabinet werkt hierbij samen met bondgenoten en partners opbasis van overlappende belangen (zie ook het antwoord opvraag 7).Deze leden willen daarbij graag benadrukken dat de samenwerking mettraditionele bondgenoten uiteraard moet worden behouden. Hoe kijkt deMinister hier tegenaan, hoe wordt de VS binnenboord gehouden, zonderdaarbij de realiteitszin te verliezen? Is er een Plan B, dat parallel kan lopenmet toenadering?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49712 23.Antwoord van het kabinet:De VS vormt de belangrijkste veiligheidspartner voor Nederlanden Europa. Het is wenselijk stevig in te blijven zetten opmaximale Amerikaanse betrokkenheid bij veiligheidsvraag-stukken – dichtbij en ver weg van huis. Het kabinet werkt danook doorlopend aan de al bestaande, goede (veiligheids)samen-werking met de VS via allerlei bilaterale, multinationale enmultilaterale verbanden en op verschillende niveaus – zoweldiplomatiek als militair. De samenwerking binnen missies enoperaties verloopt goed.Het kabinet is zich daarbij zeer bewust van de noodzaak datEuropa, ook Nederland, meer verantwoordelijkheid neemt voor deveiligheid in de eigen omgeving. De NAVO en de VS vragen datook zeer nadrukkelijk. Het nemen van meer verantwoordelijkheidis daarmee zowel van belang voor de kracht en eenheid van hetbondgenootschap als voor onze eigen veiligheid.De leden van de BBB-fractie stellen dat solidariteit en «burden sharing»nobele uitgangspunten zijn, maar vragen of Nederland zich dat in dezetijden nog kan veroorloven. Of moet Nederland zich ook op dat vlak, netals veel andere landen, heroriënteren zonder daarbij haar eigen doelen uithet oog te verliezen? Hoe reflecteert de Minister hierop en zou hij dezeleden kunnen aangeven welke missies en deelnames van groot tot kleinbelang voor Nederland zijn, om aan de hand daarvan de juiste allocatie-keuzen te kunnen maken? Dit heeft immers grote invloed op inzet vanmiddelen, materieel en personeel, waar het hier over gaat.24.Antwoord van het kabinet:Burden sharing binnen de bondgenootschappen waar Nederlanddeel van uitmaakt is altijd in het Nederlandse belang. Nederlandis onderdeel van die bondgenootschappen om de veiligheid vanNederlandse burgers te waarborgen. Vanuit die grondhoudingheeft het kabinet bezien waar met inzet van de Nederlandsekrijgsmacht een relevante bijdrage geleverd kan worden waarbij –bij voorkeur – meerdere doelstellingen worden gerealiseerd, zoalsbijvoorbeeld bij de vervulling van het Force Command van deNAVO-missie in Irak (NMI), de (beoogde) bijdrage aan EU-operatieEUFOR Althea of de (maritieme) inzet in de Rode Zee en deIndo-Pacific. Deze keuzes zijn in de Kamerbrief «internationaleinzet militairen, civiel experts en politiefunctionarissen2025–2028» toegelicht.De leden van de BBB-fractie zijn daarbij ook benieuwd naar de landen enregio’s die bij die afweging de laatste tijd een steeds grotere of juist eensteeds kleinere rol zijn gaan spelen. Zijn er landen en regio’s die wellichtdoor alle focus op het Midden-Oosten en Oekraïne vs. Rusland minderworden gevolgd en nog niet voorkomen in de brief? Deze kunnen immersin de nabije toekomst relevant worden en dan is het goed om daaropvoorbereid te zijn.25.Antwoord van het kabinet:Het is evident dat meer aandacht uitgaat naar de veiligheidsdrei-gingen in de directe Nederlandse en Europese omgeving, zoalsaan de NAVO-Oostflank, op de Westelijke Balkan en in Moldaviëen de Zuidelijke Kaukasus. Dit is ook terug te zien in deversterking van de Nederlandse bijdragen aan onder andere deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49713 civiele missies in de Oost-Europese regio, maar ook in de recentaangekondigde, beoogde Nederlandse bijdrage aan EUFOR Altheain Bosnië en Herzegovina met onder andere een infanteriecom-pagnie. Daarnaast vergt het NATO Force Model stevige(re)beschikbaarheid van de Nederlandse krijgsmacht.Een voorbeeld van een regio waar het kabinet in de komendeperiode in beperkte(re) mate bijdraagt aan missies en operaties isWest-Afrika en de Sahel. Zoals omschreven in de Samenhangbriefkiest het kabinet voor een beperkte aanwezigheid in deze regio’s,met name vanwege het Nederlandse belang bij het tegengaan vanirreguliere migratie, het versterken van grensbeheer en hetbestrijden van grensoverschrijdende criminaliteit en terrorisme.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de SGP-fractie danken de Minister voor het toezenden vande brief en hebben enkele vragen en opmerkingen hierbij.De leden van de SGP-fractie waarderen het overzicht van de missies envoorziene wijzigingen en de prioriteiten en keuzes die het kabinet daarbijmaakt. Voorgenoemde leden hechten aan zowel het overzicht als hetindividueel beoordelen van de artikel-100 missies. Het uitzenden vanmilitaire- en politiefunctionarissen en civiele experts naar conflictgebiedenen instabiele regio’s is een grote verantwoordelijkheid van de regering enStaten-Generaal. De leden van de SGP-fractie nemen die verantwoorde-lijkheid serieus en benadrukken het belang om dat zorgvuldig af te wegen.Ook bedanken de voorgenoemde leden alle militairen, politiefunctiona-rissen en civiele experts die in het buitenland ingezet zijn voor hunbelangrijke werk en bijdrage.De leden van de SGP-fractie lezen in de brief een korte passage over demogelijkheid dat Nederland in de nabije toekomst om een bijdragegevraagd zal worden voor veiligheidsgaranties voor Oekraïne. Voorge-noemde leden zijn daar voorzichtig positief over, maar benadrukken weldat er een helder mandaat moet zijn, een goede afweging van deomstandigheden waar Nederlandse troepen gestationeerd worden en ofde taak en de middelen bij elkaar passen. Kan de Minister toelichten doorwie de bijdrage gevraagd zou worden en wie de echte mandaatverlenerzou zijn? Gaat dit dan met een uitnodiging van de Oekraïense overheid alsmandaat?26.Antwoord van het kabinet:Op dit moment zijn de gesprekken binnen de Coalition of theWilling, waar Nederland bij betrokken is, nog gaande. De vorm eninhoud van een mogelijke bijdrage zullen afhangen van deuitkomst van de onderhandelingen over een staakt-het-vuren. Hetkabinet schaart zich achter het belang van een helder mandaat eneen adequate afweging. Nederland stelt zich constructief op in dediscussies, maar draagt ook internationaal uit dat nationalebesluitvorming nog niet heeft plaatsgevonden.De leden van de SGP-fractie lezen dat het kabinet kiest voor mindergrootschalige en langdurige bijdragen ver weg. Deze leden kunnen zichhier iets bij voorstellen maar hebben toch nog enkele vragen bij dezekeuze en vragen naar een nadere motivatie. Welk aandeel hiervan is eenargument voor de prioriteiten van het kabinet en het meer in lijn brengenmet het eigen belang waar Nederland op willen inzetten? Welk aandeelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49714 hiervan is een argument voor de capaciteit en het afwegen tussen waaringezet kan worden? Ook deze leden zien een rol voor militaire en politiëlebijdrages dichter bij Europa die meer bijdragen aan onze stabiliteit als eenoptie, en wegen nadrukkelijk hoeveel militaire capaciteit voor welkehoofdtaak kan worden ingezet, met toenemend belang van hoofdtaak 1.27.Antwoord van het kabinet:Zie antwoord 1 en 15.De leden van de SGP-fractie lezen met interesse de verschillendebijdragen die het kabinet handhaaft, afschaalt of waar een opschaling ofnieuwe inzet wordt verkend. Daarbij valt de bijdrage aan EUFOR Althea opmet onder andere een infanteriecompagnie en een Field Human intelli-gence (HUMINT)-team. Kan het kabinet toelichten wat deze inzettenbetekenen voor de totale capaciteit aan Field HUMINT die Nederland heeften hoeveel daarvan klaar moet staan voor het New Force Model (NFM)van de NAVO? Kan het kabinet voorts noemen of deze infanteriecom-pagnie naast de compagnieën in gereedheid voor het NFM zou zijn of dater een afweging tussen beperkte capaciteiten plaatsvindt? Deze ledenverzoeken het kabinet waar mogelijk deze afwegingen ook duidelijk in eenartikel-100 brief te vermelden.28.Antwoord van het kabinet:Er vindt voortdurend weging plaats tussen de diverse (inter)na-tionale belangen bij de inzet van de verschillende krijgsmachton-derdelen. Er wordt in de regel geen informatie verstrekt overbenodigde operationele capaciteiten. Voort verwijst het kabinetnaar de betreffende artikel 100-brief (Kamerstuk 29 521, nr. 494,d.d. 25 april jl.).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 521, nr. 49715
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.