KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 19 januari 2026Wet werkelijk rendement box 3

5 mrt 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie e08d0f863fb4c61f · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 748Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001om werkelijke inkomsten uit bezittingen enschulden in box 3 te belasten (Wet werkelijkrendement box 3)Nr. 44 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 5 maart 2026 De vaste commissie voor Financiën heeft op 19 januari 2026 overleggevoerd met de heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdiensten Douane, over:–het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden inbox 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (Kamerstuk36 748).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De fungerend voorzitter van de commissie,Van der LeeDe griffier van de commissie,Weeber kst-36748-44ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 441 Voorzitter: Van der LeeGriffier: LipsAanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Inge van Dijk, Van Eijk,Grinwis, Hoogeveen, Van der Lee, Oosterhuis, Stoffer, Struijs, Stultiens,Vermeer en Vlottes,en de heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.Aanvang 11.30 uur.De voorzitter:Goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste Kamercommissievoor Financiën. Het is een wetgevingsoverleg over box 3 en de toekomstdaarvan. Van harte welkom aan de Staatssecretaris en zijn ondersteuningen aan de leden, die ik zo even ga voorstellen. Voordat ik dat doe, wil iknog even benadrukken dat er twee wetgevingsrapporteurs zijn geweest bijdit wetsvoorstel: mevrouw Van Eijk en de heer Stultiens. De aanwezigeleden zijn de heer Grinwis namens de ChristenUnie, mevrouw Van Eijknamens de VVD, de heer Vlottes namens de PVV, de heer Vermeernamens de BBB – ik zat even te zoeken naar uw naam, en dat terwijl ik deheer Vermeer heel goed ken – de heer Stoffer namens de SGP, de heerStultiens namens GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Oosterhuisnamens D66, mevrouw Inge van Dijk namens het CDA, de heer Struijsnamens 50PLUS en de heer Hoogeveen namens JA21.Het is een wetgevingsoverleg. Er is in principe geen limiet op de inter-rupties, maar ik ga natuurlijk wel een beetje opletten. Ik hoop dat ze korten bondig zijn, want we willen dit wetsvoorstel wel binnen de vastge-stelde tijd behandelen. Ik zoek ook nog even naar een goed lunchmoment.Ik had het al eerder vanochtend met de Staatssecretaris daarover. Wekunnen proberen om de eerste termijn te doen voor de lunch. Maar als erinterrupties bij komen, wordt het toch wel heel krap. Ik denk dat ik op eenbepaald moment, ergens tussen een en twee, even ga schorsen voor delunch, maar dat zult u merken. Er zijn twee leden die mogelijk tijdens devergadering even eruit moeten, omdat er een update over Groenlandwordt gegeven door de Minister. Wij houden daar rekening mee bij desprekersvolgorde als dat nodig is. Dat even ter introductie.Dan gaan we beginnen. Als eerste geef ik het woord aan de heer Grinwis,die zijn inbreng doet namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.De heer Grinwis (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel en goedemorgen allemaal. We hebben er zin in. Wehebben er ook lang op gewacht. Bij de behandeling van de Wet tegenbe-wijsregeling box 3 begon ik mijn bijdrage met een citaat van de aloudekerkvader Augustinus uit de vierde eeuw na Christus: «Zonder gerech-tigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende.» Ik hebhet weleens eerder in de context van box 3 gezegd. Het zal voor niemandals een verrassing komen als ik zeg dat de ChristenUnie niet is opgerichtom de belangen van de vermogenden, de rijken der aarde te verdedigen.In haar politieke prioriteiten zal mijn fractie juist eerder opkomen voor wietekortkomt of wie tekort wordt gedaan, geïnspireerd door dat prachtigegrondmotief dat telkens terugkomt in de Bijbel, bijvoorbeeld in dePsalmen: «Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten enzwakken, bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wiekwaad wil.» Maar toch, ik herhaal de woorden van Augustinus: «Zondergerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende.»Ook als je vindt dat een bepaalde groep niet zielig is in vergelijking metandere groepen, heb je als overheid je toch op gerechtigheid te baseren.Nogal wiedes, zou ik bijna willen zeggen. Of zoals het aan de wijze KoningSalomo toegeschreven Bijbelboek begint: «Heb de gerechtigheid lief,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 442 heersers van de aarde». Met andere woorden, het begin van alle politiek isje beleid te funderen op recht en rechtvaardigheid. Ik zeg het nog maareens: «Zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en eenroversbende.»Over die uitspraak is nog veel meer te zeggen, maar deze woorden zijnzonder meer van toepassing op box 3. Als je het mij vraagt, is degerechtigheid de afgelopen jaren ver te zoeken geweest in het box 3-dossier. In die zin is het goed dat we nu deze wet behandelen. Heel veelslechter dan het huidige overbruggingsstelsel kan het niet. Dan mogen wenog van geluk spreken dat een monsterverbond onder aanvoering van deChristenUniefractie, gesteund door gelukkig genoeg partijen, tegen hetzere been van de beoogde minderheidscoalitie de verdere verhoging vanhet box 3-forfait voor overige bezittingen, met name verhuurde huizen enaandelen, met bijna 30%, van 6 naar 7,78%, heeft kunnen voorkomen.Ik zei het al: heel veel slechter dan nu kan het niet. Toch ligt er nu eenstelsel op tafel dat wat mij betreft nodeloos complex is en door diecomplexiteit in sommige gevallen tot zeer ongewenste uitkomsten leidt.Dat maakt het een lastig debat, vol lastige afwegingen. Slechter dan hetsinds vooral 2017 is kan het dus niet. In die zin is het voorliggendewetsvoorstel een stap vooruit. Tegelijkertijd is het ook geen aanlokkelijkperspectief om hier nu als politicus verantwoordelijkheid voor te nemen.Als je wat wilt veranderen met amendementen, dan wordt al heel snelgeroepen: neenee, dat kan niet, want dan komt de invoering per 1 januari2028 in het gedrang. Of: neenee, dat kan niet, want het moet wel allemaalbudgetneutraal. Dat zit mij wel dwars. Ik kan me niet aan de indrukonttrekken dat het de Staatssecretaris ook dwarszit, maar dat hij van denood een deugd maakt. «Eerst maar eens deze wet doorvoeren per1 januari 2028 en daarna doorschakelen naar een box 3-stelsel dat meerop vermogenswinst is gebaseerd dan het voorliggende voorstel, datuitgaat van vermogensaanwas.»Voorzitter. Nog los van de heffingsgrondslagen en de heffingsmethodendie onder het voorliggende voorstel liggen, nog los van fundamentelediscussies over wel of geen rekening houden met inflatie bij de belasting-heffing over vermogen – daar is door veel burgers de afgelopen jaren eenpunt van gemaakt, wat ik heel goed snap – en nog los van of er belastingmoet worden geheven over vermogensaanwas of vermogenswinst, is ereen ander fundamenteel punt. Is de wet met het nieuwe box 3-stelsel weluitvoerbaar, eenvoudig en begrijpelijk? Mijn antwoord op die vraag is nee.Juist daarom heb ik in het verleden meermaals – een jaar geleden deed ikdat heel expliciet – een pleidooi gevoerd voor een eenvoudige vermo-gensbelasting, desgewenst met een samenloop- c.q. anticumulatiere-geling, zoals we die in het verleden ook hebben gekend. Dat doe ik nietomdat ik de theoretische voordelen van de vermogenswinst- of aanwas-belasting niet zou zien of snappen, maar omdat de pure eenvoud van devermogensbelasting ook wat waard is.Kijk alleen al naar het enorme beslag dat dit nieuwe box 3-stelsel legt opde uitvoering. Alleen al bij de Belastingdienst kost het structureel 877voltijdsbanen en meer dan 112 miljoen euro per jaar om dit nieuwesysteem uit te voeren, zo zegt de Staatssecretaris in antwoord op mijnvragen. En dan hebben we het nog niet eens over al die lasten en al diemoeite bij al die belastingplichtigen, want voor hen gaat het ook meermoeite kosten. Die capaciteit had wat mij betreft beter gestoken kunnenworden in een broodnodige fundamentele hervorming van de inkomsten-belasting en het toeslagenstelsel, een hervorming die cru genoeg door deinvoering van dit ingewikkelde box 3-stelsel nog urgenter wordt. Ik komdaar later in mijn bijdrage op terug. Dat heeft alles te maken metverzamelinkomens, heffingskortingen en toeslagen.Wat ik wil zeggen is: het belang van eenvoudige belastingheffing eneenvoudige stelsels wordt, als er het erop aankomt, onderschat in depolitiek en de ambtenarij. Ik besef heus wel dat ik mijzelf ook niet kanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 443 vrijpleiten van het in stand houden van complexe regelingen. Maar in hetkader van het debat van vandaag moet mij van het hart dat de optie vaneen vermogensbelasting die dicht in de buurt ligt van de oude vermo-gensrendementsheffing van 1,2%, niet serieus genoeg is overwogen doorhet kabinet, of desnoods 1% voor vermogens onder de miljoen en 2%voor die daarboven. Er wordt wat geschermd met de landsadvocaat enmet dat een anticumulatieregeling uitvoeren ook niet alles is, maar u en ikweten dat een niet te hoge vermogensbelasting niet alleen door iedereenbegrepen zou worden, maar ook door zeer veel belastingplichtigen zouworden geaccepteerd als belasting op je vermogen. Omdat heel veelpolitici de afgelopen tig jaar steeds hebben gesmeekt om een belasting opbasis van werkelijk rendement, lijkt de houding een beetje te zijngeworden: whatever it takes. Dat is een risicovolle houding als het gaatom ons belastingstelsel.Ja, ik ken alle tegenwerpingen, inclusief die over dat het rechtvaardig isom belasting te heffen over de daadwerkelijk genoten vruchten en dusniet over de boom. Echter, bij dit alles moeten we wel beseffen: eenvoudis ook rechtvaardigheid. Daar is ons kabinet mijns inziens te gemakkelijkoverheen gewalst. Ziet de Staatssecretaris dat ook zo? Waarom wel ofniet? Geldt hiervoor niet ook die aloude wijsheid dat het betere de vijandvan het goede is? Heeft de Staatssecretaris bijvoorbeeld de fraudegevoe-ligheid die gepaard gaat met het nieuwe stelsel wel voldoende gewogen?Neem bijvoorbeeld de kosten die gemaakt moeten worden bij vastgoed?Hoe is nu goed controleerbaar voor de fiscus dat wat belastingplichtigenopgeven, echt klopt? In welke mate zal dat gecontroleerd worden door die877 fte? Graag een reactie. Ook dit zijn van die overwegingen die zwaar inhet voordeel van een lage, brede vermogensbelasting uitvallen, maar datwas u al duidelijk.Voorzitter. Dan mijn vragen over het voorstel dat voorligt. Ik begin met dealgemene vragen en kom dan bij de specifieke. Het budgettaire belang isvolgens mij leidend geweest bij de vormgeving van het nieuwe stelsel.Dat leidt in mijn ogen tot fundamenteel verkeerde uitgangspunten enmogelijk zelfs tot juridische kwetsbaarheid. De opbrengsten van het oudebox 3-stelsel waren natuurlijk buitengewoon stabiel, met name voordathet gerommel met forfaits begon en de rechter zich roerde. In feite was ersprake van een simpele vermogensbelasting van 1,2% per jaar. Daarmeeweet je ook precies wat de opbrengst per jaar is en dat geeft rust, reinheiden regelmaat. Maar bij een stelsel op basis van werkelijk rendement kandat naar zijn aard eigenlijk niet of in elk geval veel lastiger. Soms zijnrendementen immers negatief. Als je consequent bent, dan zou je ookmoeten werken met negatieve belastingen. Je krijgt dan geld terug bij eenverlies. Dat is macro-economisch bovendien heel wenselijk, omdat dezebelasting werkt als een automatische stabilisator ten tijde van laagcon-junctuur. Maar dit staat natuurlijk op gespannen voet met hetuitgangspunt van een stabiele opbrengst.Daarom is er kort en goed voor gekozen om niet te werken met eenteruggave. Verliezen kunnen enkel met een toekomstig positief resultaatworden verrekend, maar ik zag wel een interessant amendement vancollega Hoogeveen langskomen om daar wat aan te doen. Bij deelementen die onder het vermogenswinstregime vallen is dit probleemminder prominent, maar zeker bij illiquide vermogensbestanddelen ondereen vermogensaanwasbelasting is dit wat mij betreft een kwestieusuitgangspunt. Hoe reflecteert de Staatssecretaris hierop? Kan hij metname ingaan op de eventuele juridische kwetsbaarheden? Anders gezegd:hoe groot is de kans dat iemand bij een verlies naar de rechter stapt enzegt «als we werkelijk rendement belasten, dan geldt dat ook voornegatief werkelijk rendement» en de rechter daar vervolgens in meegaat?Dat budgettaire argument heeft volgens mij ook gespeeld bij de keuzevoor het uitgangspunt van een vermogensaanwasbelasting ten koste vaneen vermogenswinstbelasting. Mijn vraag aan de Staatssecretaris luidt:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 444 klopt het dat de opbrengsten van een vermogensaanwasbelasting op dekorte termijn, in de eerste tien tot vijftien jaar, hoger zijn dan bij eenvermogenswinstbelasting, maar dat de opbrengsten van een vermogens-winstbelasting nadien hoger zijn en dus ook structureel tot hogereinkomsten zullen leiden, bijvoorbeeld vanwege de rente-op-rente-effecten? Bij het voldoen aan een belastingclaim bij vermogensaanwas zulje soms iets moeten verkopen wat niet meer kan renderen. Is dat zo? In dememorie van toelichting en in de uitingen van de Staatssecretaris wordtsteeds gezegd dat het op de lange termijn om het even is. Mijn vraag is ofdat zo is. De logische vervolgvraag is: is een keuze voor een vermogens-aanwasbelasting daarmee op langere termijn niet financieel onver-standig? Ik hoor graag hoe de Staatssecretaris dit ziet en ik wil hemvragen om dit ook te relateren aan zijn opmerking in de krant dat hetwetsvoorstel dat nu voorligt wat hem betreft een tussenstation is.Voorzitter. Mijn vrees is dat nu het nieuwe box 3-stelsel grotendeelsgefundeerd is op het vermogensaanwasprincipe, box 2, dat in feite eenvermogenswinstregime is, veel aantrekkelijker wordt, waardoorboxhoppen ook aantrekkelijker wordt. Ziet de Staatssecretaris dit als eenprobleem of zegt hij «in de afgelopen jaren was box 2 nog aantrekkelijker,dus al dat boxhoppen heeft al plaatsgevonden»? Hoe wordt ditgemonitord en welke opties ziet de Staatssecretaris om hier nu of in detoekomst iets aan te doen?De Staatssecretaris heeft gezegd dat deze wet geen eindstation is. Daarben ik het zeer mee eens. Het is goed om de vinger aan de pols te houdenen om in de komende jaren datgene wat niet of suboptimaal werktgaandeweg aan te passen. Hoe gaat hij dat aanpakken? Welk proces heefthij voor ogen en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken? Dat vraag ik ookomdat een grondige evaluatie pas voor 2033 op de rol staat. Wat doe je inde tussentijd? Is daar nog een voorziening voor nodig in de wet of kunnenwe dat afdoen met een toezegging?Voorzitter. Ik kom op een drietal specifieke punten. Ik besef dat ik veel laatliggen, maar om hier een uur vol te praten, is ook weer zo wat. Een aantalpunten die relevant zijn, zullen mijn collega’s zeker gaan maken. De zaal isniet voor niks zo vol. Ik wil drie punten maken. Het eerste punt gaat overhet verzamelinkomen. Vervolgens ga ik het hebben over vastgoed en tenslotte over onze prachtige NSW-landgoederen.Het eerste punt gaat over het verzamelinkomen. Het nieuwe stelsel heeftinvloed op het verzamelinkomen en daarmee op de heffingskorting. In deschriftelijke ronde gaf ik het voorbeeld van twee huishoudens methetzelfde box 3-inkomen, maar met een verschil in de verdeling van debox 1-inkomsten als gevolg van het feit dat het ene een tweeverdieners-huishouden is en het andere een eenverdienershuishouden. Door dedoorwerking van het box 3-inkomen op het verzamelinkomen komt eeneenverdiener in de situatie terecht waarin de niet-werkende partner dealgemene heffingskorting kan verzilveren. In het voorbeeld dat ik gaf in denota naar aanleiding van het verslag is de belastingdruk op het box 3-inkomen daardoor effectief 0%. Een tweeverdienersgezin met precieshetzelfde box 3-inkomen moet de volle mep aan box 3-belasting betalenen zelfs meer door een verdere afbouw van de algemene heffingskortingals gevolg van een hoger verzamelinkomen. Nu is het natuurlijk volledigterecht dat het bij wijze van uitzondering eens een keer de eenverdiener isdie fiscaal profiteert, maar deze hele situatie onderstreept toch decomplete onuitlegbaarheid en innerlijke tegenstrijdigheid van onsbelastingsysteem. Is de Staatssecretaris dat met me eens?Ergo, het voorliggende voorstel voor een vernieuwde belastingheffing inbox 3 vergroot de noodzaak tot hervorming van box 1 en de toeslagen.Daarmee bedoel ik de regelingen onder de motorkap. Heffingskortingenen toeslagen die inkomensafhankelijk zijn, dienen grotendeels verdwijnen.De progressiviteit van onze inkomstenbelasting zal weer gewoon totuiting moeten komen in de tarieven en wel zo dat het de extremen inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 445 marginale druk uitbant. For the time being kunnen we het ook zo regelendat we box 3-inkomen niet meer meetellen in het verzamelinkomen. Hoekijkt de Staatssecretaris aan tegen dit idee? In de nota naar aanleiding vanhet verslag staat geen compleet antwoord op mijn vragen, dus ikoverweeg een motie op dit punt. Die motie vraagt niet om het box 3-inkomen niet meer mee te tellen in het verzamelinkomen – dat zou weleen hele grote stap zijn – maar om op z’n minst inzicht te krijgen in deconsequenties van zo’n stap voor huishoudens en de overheidsfinanciën.Misschien kan de Staatssecretaris in zijn termijn hier ook nog op ingaan.Dan kom ik op vastgoed. Dat is een heikel punt namelijk: box 3 envastgoed. Dan focus ik met name op vastgoed in de vorm van huizen, aldan niet verhuurd. Nog niet eens zo heel veel jaren geleden was het eenfeestje om verhuurd vastgoed in box 3 te hebben, maar inmiddels is heteen crime. Met de Wet tegenbewijs is dat er niet veel beter op geworden.Helaas is mijn amendement om kostenaftrek daarin mogelijk te makenverworpen. Gelukkig is het andere amendement, om de verhoging van 6%naar 7,78% verondersteld rendement voor onder andere verhuurdehuizen, eind november aangenomen. Maar ook nu deze belastingver-hoging van bijna 30% er niet is gekomen, zijn de uitpondcijfers skyhigh.En ja, dat heeft in de grote steden te maken met de Wet betaalbare huur,maar overall in Nederland heeft het toch vooral te maken met belastingen,met box 3. Een van de belangrijkste redenen om toch maar in te stemmenmet voorliggende wet is juist de verlichting die deze gaat bieden aanparticuliere verhuurders, maar tegelijk zitten er in deze wet nog heel wataddertjes onder het gras.Allereerst het fenomeen van de vastgoedbijtelling van 3,35%. Is die nouwel zo redelijk? Waarom doen we dit wel als iemand een vakantiehuisvoor zichzelf koopt, maar niet als iemand zijn spaargeld omzet in eengoudstaaf? Graag hier een principieel antwoord op, omdat dit toch bestwel een belangrijke kwestie is. In de memorie van toelichting wordtuitgebreid betoogd dat de vastgoedbijtelling heel terughoudend isberekend en zo. Maar is het niet raar dat we vakantiehuizen in Nederlanddie niet worden verhuurd gaan aanslaan met een bijtelling? Dat doen wevoor vakantiehuizen van Nederlanders net over de grens of verder wegook niet. Toch? En andersom: geldt die vastgoedbijtelling dan ook voorvakantiehuizen in Nederland die in buitenlandse handen zijn? Hoe zit datnou precies? Maar oké, als je dan toch iets wilt bijtellen op hetniet-verhuurde vastgoed, waarom dan niet een actueel bijtellingsper-centage? Waarom is in de wet 3,35% gehanteerd op basis van data uit2019, 2020 en 2021? Data uit die jaren zijn namelijk gebruikt door SEO omin 2022 een berekening te maken. Waarom is de bijtelling in hetwetsvoorstel niet geactualiseerd op basis van de jaren 2022–2025?Vastgoed Belang rekende voor dat we met dezelfde methode als SEOheeft gehanteerd nu zouden uitkomen op een bijtelling van 2,80% en dathet raadzaam is deze jaarlijks te actualiseren. Ik heb hierop eenamendement in voorbereiding, maar ik ben ook heel benieuwd naar dereactie van de Staatssecretaris hierop. Ik kan me niet voorstellen dat hij,zoals nu eigenlijk in de stukken staat, tot na 2033, dus tot na de eersteevaluatie, wil wachten met actualisering van een bijtellingspercentage datgebaseerd is op data uit 2019, 2020 en 2021.Voorzitter. Dan ga ik over naar het verhuurde vastgoed. Stel dat je eenhuis verhuurt in een stad waarin de WOZ-waardes flink zijn opgelopen. Jeverhuurt het sociaal, maar bij een huurdersmutatie besluit je tot eenstevige verbouwing. Die verbouwing loopt iets uit, waardoor je onder de90%-eis komt c.q. minder dan 328 dagen van het jaar verhuurt, bijvoor-beeld 300 of 310 of 320, in ieder geval iets minder dan 328. Dat gaat indeze casus, dus van een huis met een lage huurprijs maar met een hogeWOZ-waarde dat sociaal wordt verhuurd, ermee gepaard dat je in éénkeer in het regime komt van de vastgoedbijtelling van 3,35%. Dat looptecht in de papieren. Ik heb wat sommetjes gezien van reële voorbeeldenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 446 van huizen in de grotere steden die, ondanks alle aanleiding om uit teponden, nog steeds sociaal of in ieder geval heel betaalbaar wordenverhuurd. Je hebt dan dus recht op leegwaarderatio’s van 73% tot 79%.Ja, en dan kom je zomaar uit bij minder dan 90% in het vastgoedbijtel-lingsregime. Mijn vraag is dan ook of 90% niet een te scherpe eis is.Waarom geen 300 dagen ofwel 10 maanden als eis om in categorie 1 vanverhuurd vastgoed – er zijn drie categorieën – te worden aangeslagen? Ikheb hiervoor een amendement in voorbereiding, maar voordat ik datindien hoor ik graag de reactie van de Staatssecretaris, waar ik heel ergbenieuwd naar ben. Ik vraag ook of wij dit in de wet moeten regelen, wanthet staat sec in de wet niet zo duidelijk. In artikel 5.15, lid 2, onderdeel a,van de wet staat gewoon «het grootste deel van het kalenderjaar», maarin de memorie van toelichting staat dat hiermee minder dan 90% isbedoeld. Het kan misschien ook met een motie, maar ik hoor de reactiewel. Voor de zekerheid is het amendement in ieder geval in voorbereiding.Het pièce de résistance dat ik bij het vastgoed aan de orde wil stellen, gaatover de inbrengwaarde van verhuurde woningen. In de memorie vantoelichting staat op pagina 27: «Voor de beginwaarde geldt voorverhuurde woningen die in Nederland zijn gelegen en waarvoor dehuurder recht heeft op huurbescherming, de leegwaarderatio. Dit sluit aanbij de huidige systematiek van de leegwaarderatio.» In de nota naaraanleiding van het verslag, pagina 42, staat: «Aangezien de WOZ-waardeervan uitgaat dat de woning, waarvoor de huurders huurbescherminggenieten, niet wordt verhuurd en niet is bezwaard, zorgt de leegwaarde-ratio er juist voor om de waarde van een woning in verhuurde staat zogoed mogelijk te bepalen.» Maar is dat nou wel zo logisch?Stel je verhuurt een woning in een stad waar de prijzen erg hard zijngestegen en de WOZ-waardes hoog zijn. Je verhuurt de woning nogsteeds onder het regime van de huurprijsbescherming; dat is nu dussociaal en midden. Je hebt dus een leegwaarderatiokorting. Als je sociaalverhuurt, is het niet denkbeeldig dat dit zomaar de maximale korting isvan 27%, namelijk 100% minus 73%, op het inbrengmoment in 2028. Eenjaar later besluit je huurder om het huurcontract op te zeggen, en jebesluit de woning te verkopen. Bij een WOZ-waarde van, zeg, vier ton tentijde van het inbrengmoment mag je dan bijna € 40.000 aan belastingextra aftikken, om precies te zijn: € 38.880; dit in vergelijking met eeninbrengwaarde conform de WOZ-waarde zonder leegwaarderatiokorting.De door het kabinet voorgestelde manier van het bepalen van deinbrengwaarde van verhuurd vastgoed heeft als risico dat juist sociaalverhurende particuliere verhuurders, als zij de huidige gure box 3-tijd aloverleven, gaan uitponden voor 2028 of op z’n minst proberen om hunhuis voor 2028 leeg te krijgen, zodat zij het in 2028 met een reguliereWOZ-waarde in kunnen brengen in box 3. Dat leidt tot mijn vraag aan deStaatssecretaris: kunnen we bij de inbrengwaarde van verhuurdewoningen op 1 januari 2028 de leegwaarderatiokorting niet beter gewoonachterwege laten? Hoe kijkt hij daartegen aan? En als we dat zoudenwillen, hoe moeten wij dat dan regelen? Gewoon met een motie, of meteen wet of ... Kan de Staatssecretaris hier iets op toezeggen?Ik kom bij mijn laatste onderwerp.De voorzitter:U bent al wel voorbij de opgegeven spreektijd.De heer Grinwis (ChristenUnie):Is dat zo? Die was zo’n twintig minuten.De voorzitter:Ja. Die heeft u al gebruikt. Ik roep u op om het bondig te houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 447 De heer Grinwis (ChristenUnie):Sorry. Ik ga snel door. Ik hoor dat mijn collega Van Eijk een paar minutenminder heeft. Ik zal snel doorgaan. Ik heb nog één onderwerp, voorzitter,en dan stop ik ermee, voor nu.Box 3 en de NSW-landgoederen: dat is mijn laatste punt. Dit laatste puntbrengt mij bij de prachtige Natuurschoonwet van 1928, die al bijna100 jaar heel veel prachtige natuur, cultuurlandschappen en nationaalerfgoed beschermt door de instandhouding ervan mogelijk te maken, endie al dit moois ook toegankelijk maakt voor het publiek. DezeNSW-landgoederen zijn in particulier bezit. Deze particulieren zorgen voorhet behoud van cultuurhistorisch erfgoed en natuurschoon en maken hetmogelijk dat anderen daarvan kunnen genieten. Dat is geen vetpot, zekernu niet met het extreem hoge veronderstelde rendement voor decategorie overige bezittingen in box 3. Met de komst van de Wet werkelijkrendement zou er weer licht aan de horizon moeten verschijnen, maar hettegendeel is het geval. Donkere wolken pakken zich samen.Dat dit geen fictieve bedreiging is, werd mij wel duidelijk uit degesprekken die ik hier de afgelopen weken over voerde. Ter voorbereidingvan dit debat heb ik de afgelopen week nog wat van die prachtigelandgoederen mogen bezoeken, namelijk Eyckenstein en Prattenburg,beide gelegen in de provincie Utrecht. Ik heb genoten van de schoonheiden van de liefde voor dat landgoed bij de beheerders, bij de eigenaren,maar ook van de Excelsheets, waaruit bleek dat het niet eenvoudig is omal dat moois voor de toekomst te behouden. Dat willen we wel, toch? Alskind heb ik menig voetstap gezet op de wandelpaden van bijvoorbeeldlandgoed Prattenburg, op de grens van Veenendaal en Rhenen. Dat zijnmooie herinneringen. Maar ik weet zeker dat heel veel Nederlanders vandie mooie herinneringen hebben of nog steeds met enige regelmaat eenmooi landgoed of particulier beheerd natuurgebied bezoeken. Lang nietiedereen zal weten dat de instandhouding daarvan afhangt van die aloudeNatuurschoonwet. De waarde van de grond en eventuele gebouwen opdie mooie grond is op papier weliswaar hoog, maar er staat weinigfinancieel rendement tegenover. Als je vervolgens wel belasting moetbetalen over de papieren waardestijging van de grote grondslag, is hetfinancieel natuurlijk snel klaar. Precies daarom is er de Natuurschoonwet,met vrijstellingen in het successierecht en andere belastingen.In het oude box 3-stelsel ging het, voordat er gerommeld werd metverschillende forfaits en box 3 effectief een vermogensbelasting van 1,2%was, voor de meeste NSW-landgoederen net goed. Met een rendement– dat blijkt uit onderzoek – dat doorgaans net onder de 1% uitkwam,rekende het bijna rond. Je hield niks over, maar vooruit. Als je eigenarenspreekt, zeggen ze dat de problemen echt begonnen toen de forfaitsomhooggingen. Maar gelukkig was er dus een lichtpunt, want in detoekomst zou er belasting worden geheven over werkelijk rendement.Daar zijn we nu. Voor zover het gaat over de te betalen belastingen overhet directe rendement, regelt deze wet het op zich prima. Als er bijvoor-beeld sprake is van huurinkomsten, worden deze netjes belast.Het probleem zit echter in de belasting van de waardestijging volgenswinstbelastingsystematiek. Bij overdracht naar de volgende generatieworden vervreemdingsvoordelen – anders gezegd: de toename van deWOZ-waarde – belast. Dit zal in de bijdragen van collega’s vaker terug-komen bij andere punten, maar ik focus nu even op deNSW-landgoederen. Op korte termijn is dat niet zo’n probleem. Het gaatimmers om de waardestijgingen vanaf de ingang van de Wet werkelijkrendement. Maar je kunt je voorstellen dat binnen enkele decennia depapieren waardestijging flink oploopt. Hoe moet je daar bij vererving ofschenking de belasting over voldoen als je het NSW-landgoed in standzou willen houden en geen zaken wilt verkopen om de belasting tevoldoen? Dat is toch de hele essentie van die NSW-landgoederen. Wat mijbetreft is dat echt een fout in deze wet. Waar in het successierecht ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 448 probleem goed ondervangen wordt door de Natuurschoonwet, gaat deWet werkelijk rendement hier ten onrechte tegen de geest van deNatuurschoonwet in. Daarom heb ik samen met de collega’s Stoffer enVermeer een amendement ingediend om dit recht te zetten.Dat was het laatste punt van mijn bijdrage in eerste termijn, voorzitter. Totzover.De voorzitter:Dank u wel. U sprak ongeveer een kwart langer dan uw opgegeven tijd,maar het is ook een belangrijk onderwerp. Mevrouw Van Eijk van de VVDheeft beloofd dat ze dat gaat inhalen. Ik geef haar het woord.Mevrouw Van Eijk (VVD):Dank u wel, voorzitter. We gaan het zien. Vandaag spreken we over de Wetwerkelijk rendement box 3. Dat is een wet die niet op zichzelf staat, maardie het resultaat is van jarenlange discussie, juridische correcties enmaatschappelijke onvrede. Het huidige box 3-stelsel heeft het vertrouwenin ons belastingstelsel ernstig beschadigd. Burgers zijn geconfronteerdmet belastingheffing over rendement dat zij niet hebben behaald, somszelfs in jaren waarin hun vermogen nauwelijks iets opleverde. Dat is nietuit te leggen en niet houdbaar gebleken. De rechter heeft dat vastgesteld,maar belangrijker nog: de samenleving voelt dat al langer zo. De overstapnaar belastingheffing op basis van werkelijk rendement is geenexperiment, maar een noodzakelijke correctie. De vraag waar wij vandaagvoor staan, is niet óf we moeten veranderen, maar hoe we dat op eenverantwoorde manier doen.Voorzitter. Laat ik beginnen met de kern van het VVD-verhaal. De VVDstaat voor een belastingstelsel dat rechtvaardig is, dat economische groeiondersteunt, dat uitvoerbaar is voor de overheid en dat begrijpelijk is voorburgers. Deze wet raakt aan al die uitgangspunten. Met de hervormingvan box 3 kiest de VVD nadrukkelijk niet voor een ideologischeverschuiving in de belastingmix. Het gaat hier niet om het zwaarderbelasten van vermogen of het afstraffen van sparen en beleggen,integendeel. Het gaat om het herstellen van een fundamenteel beginsel:inkomen wordt belast naar wat daadwerkelijk wordt verdiend. Voor deVVD is dat de enige eerlijke manier om vermogen te belasten.Voorzitter. De VVD begrijpt dat het kabinet niet heeft gekozen voor eenallesomvattende risicovolle stelselherziening. In plaats daarvan ligt er eengerichte hervorming die inspeelt op de uitspraken van de rechter en op deuitvoeringsrealiteit. Tegelijkertijd kijkt de VVD verder vooruit. We hebbenaltijd gezegd dat als je echt zuiver wilt belasten naar rendement, devermogenswinstbelasting, heffing bij realisatie, economisch gezien hetmeest voor de hand ligt. Dat biedt ruimte voor vermogensopbouw,voorkomt liquiditeitsproblemen en sluit aan bij de logica van bijvoorbeeldhet pensioenstelsel: eerst laten groeien, daarna belasten. Dat is ook hetmeest eerlijk: geen belasting over rendement dat mogelijk nooit optreedt.Maar wij zijn ook realistisch. Een volledige vermogenswinstbelasting is opkorte termijn niet uitvoerbaar en niet budgettair inpasbaar. Daaromsteunen wij deze wet als een noodzakelijke tussenstap. Ik vraag deStaatssecretaris expliciet of hij bereid is om die ook zo te benoemen: alseen stap op weg naar een toekomstbestendig stelsel, waarbij in dekomende jaren samen met de Kamer wordt verkend welke verderestappen mogelijk zijn zonder de uitvoerbaarheid of stabiliteit van hetstelsel in gevaar te brengen. Een toezegging op dit punt zou voor mijnfractie van groot belang zijn. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe zo’ntransitie eruit zou kunnen zien? Je zou bijvoorbeeld stap voor stapspecifieke categorieën beleggingen onder de vermogenswinstbelastingkunnen brengen.Voorzitter. Een belangrijk liberaal uitgangspunt is beleggingsneutraliteit.De VVD wil dat kapitaal zijn weg vindt naar de meest productieveTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 449 bestemmingen op basis van economische afwegingen, niet op basis vanfiscale prikkels of barrières. Zo kan iedereen zijn geld beleggen zoals hijdat zelf wil. Dat geldt in het bijzonder voor de keuze tussen rechtstreeks,direct, beleggen en collectief beleggen, via een fonds. Collectief beleggenbiedt beleggers schaalvoordelen, risicospreiding, professionele expertiseen toegang tot markten die voor individuele beleggers moeilijk bereikbaarzijn. Daarom is het van groot belang dat het fiscale stelsel deze vorm vanbeleggen niet benadeelt. Nederland kent al jarenlang het uitgangspunt dathet fiscaal geen verschil mag maken of iemand rechtstreeks of via eenfonds belegt. Dat principe is verankerd in onder andere de regimes vanfiscale en vrijgestelde beleggingsinstellingen. De VVD hecht eraan dat dituitgangspunt ook onder het nieuwe box 3-stelsel zo veel mogelijkovereind blijft. Vindt de Staatssecretaris dat de Wet werkelijk rendementbox 3 deze beleggingsneutraliteit respecteert? Kan hij verduidelijken hoewordt voorkomen dat collectieve beleggingen fiscaal ongunstiger wordenbehandeld? Dit is belangrijk voor het vertrouwen van beleggers en voorde consistentie van het stelsel.Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimtebieden aan startende ondernemers.De voorzitter:Een ogenblik graag. U heeft nog een interruptie van de heer Stultiens overhet vorige gedeelte.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik heb een vraag over het punt van de vermogenswinstbelasting. De VVDgeeft aan: we kiezen daar nu niet voor vanwege onder andere debudgettaire inpasbaarheid; het kost gewoon veel geld en dat hebben wenu niet. Dat vind ik een goed argument, maar waarvan denkt de VVD datin de toekomst dan wel te betalen? Mevrouw Van Eijk zegt dat het eentussenstap is, maar waar zal het geld hiervoor in de toekomst dan welgevonden worden?Mevrouw Van Eijk (VVD):Goede vraag. Ik zit hier ook niet om allerlei ramingen ter discussie testellen, maar ik weet wel dat er heel veel onzekerheid is rondom deramingen. Er zijn best wel wat veronderstellingen gedaan voor hoe devermogenswinstbelasting in de toekomst gaat uitpakken en hoe die zichverhoudt tot de vermogensaanwasbelasting. Dat er een periode nodig isom ervoor te zorgen dat je budgettair gezien uiteindelijk uitkomt ophetzelfde niveau of, zoals mijn collega, de heer Grinwis, aangaf, zelfs opeen hoger niveau qua structurele opbrengst, ligt ook vast in de ramingen.Ik denk dat we daar met z’n allen goed naar moeten kijken. Veel belang-rijker is dat die beweging, als je die, al dan niet gefaseerd, gaat maken,juridisch ook houdbaar is. Daar heb ik zelf nog wel twijfels over, omdatiedere uitzondering die we nu hebben gemaakt, kwetsbaar is. Als je het instappen doet en iedere keer een categorie aan de vermogenswinsttoevoegt, is dat ook kwetsbaar. Eigenlijk zou je in één keer om moetengaan. Ik denk dat we daar nog even op moeten puzzelen. Het directeantwoord daarop heb ik dus niet, maar ik denk dat er nog wel heel vragente stellen en antwoorden te geven zijn.De voorzitter:De heer Stultiens, voor een vervolgvraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ja, nog één vervolgvraag. De VVD is inderdaad niet de partij die deramingen de schuld geeft. Het gaat inderdaad geld kosten; de vraag ishoeveel. Hoeveel geld is de VVD bereid om de komende jaren uit tetrekken voor die stap? Mijn partij is daar niet toe bereid; dat is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4410 duidelijk standpunt. Ik denk dat het de samenleving helpt als we hierovereerlijk en duidelijk zijn. Als de VVD hier geen geld voor wil uittrekken,laten we dan geen valse hoop wekken. Of is de VVD wel bereid omcumulatief x-miljard uit te trekken voor de vermogenswinstbelasting?Mevrouw Van Eijk (VVD):Mijn vragen waren in eerste instantie ook gericht aan de Staatssecretaris.Voor een beweging naar volledige vermogenswinst is een bepaaldetransitie nodig. Die zal in stappen moeten verlopen. Daar horen ookramingen bij. Ik wacht het antwoord van de Staatssecretaris even af.De voorzitter:Mevrouw Van Eijk vervolgt haar betoog.Mevrouw Van Eijk (VVD):Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimtebieden aan startende ondernemingen. Start-ups en scale-ups zijn demotor voor onder andere innovatie en digitalisering. Zij zorgen voornieuwe banen, nieuwe producten en nieuwe verdienmodellen. De VVD isdan ook positief over het feit dat het kabinet in deze wet aandacht heeftvoor investeringen in startende ondernemingen.Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de uitwerking. Investeren instart-ups is per definitie risicovol, langdurig en illiquide. Winsten zijn vaakpas na jaren zichtbaar, als er al een exit plaatsvindt. Belastingheffing overeen niet-gerealiseerde waardestijging kan investeerders in een onmoge-lijke positie brengen. Zij kunnen worden geconfronteerd met belasting-aanslagen zonder dat zij de middelen hebben om deze te betalen. Dat kanleiden tot gedwongen verkoop, verlies van toekomstig rendement enuiteindelijk minder investeringen in jonge bedrijven. Kan de Staatssecre-taris bevestigen dat het kabinet het stimuleren van investeringen instart-ups als expliciete doelstelling ziet en dat het nieuwe box 3-stelseldeze investeringen niet mag ontmoedigen?De definitie van start-ups moet dan ook voldoende aansluiten bij depraktijk. In het licht van box 3 zouden de criteria iets moeten zeggen overde daadwerkelijke liquiditeit van aandelen. Veel succesvolle start-upsblijven lang illiquide. Is de Staatssecretaris bereid te erkennen dat eentermijn van tien tot vijftien jaar, gekoppeld aan een daadwerkelijkrealisatiemoment, beter aansluit bij de economische realiteit? Daarnaastroept, zoals ik net ook al zei, elke beperking maar ook elke verbreding inde definitie van start-ups nieuwe vragen op. Hoe verhoudt dit zich tot hetstaatssteunrecht? Het moet immers uitlegbaar zijn waarom aandelen ineen startende onderneming onder het regime van de vermogenswinstvallen en aandelen in het midden- en kleinbedrijf of een familiebedrijfonder het regime van de vermogensaanwas vallen. Hoe wordt voorkomendat buitenlandse start-ups waarin Nederlandse beleggers investeren,buiten de regeling vallen?Voorzitter. Vastgoed vormt het meest complexe onderdeel van ditwetsvoorstel. De VVD steunt het uitgangspunt om vastgoed te belasten opbasis van werkelijk rendement – dat is bijvoorbeeld noodzakelijk om deverhuur van een woning lonend te laten blijven – maar de uitwerkingvraagt om zorgvuldigheid. De vastgoedbijtelling bij leegstand van eenbedrijfspand of een beperkt eigen gebruik van een tweede woning staatop gespannen voet met het uitgangspunt van werkelijk rendement. Wiegeen huur ontvangt, geniet bijvoorbeeld geen rendement. Het forfait van3,35% is blijkbaar gebaseerd op cijfers uit het verleden; mijn collegaGrinwis gaf dit in zijn inbreng al aan. Inmiddels zijn de omstandighedenveranderd. Kan de Staatssecretaris reflecteren op de actualiteit van ditpercentage en wordt overwogen of het mogelijk en/of wenselijk is omjaarlijks of tweejaarlijks te herijken? Wij overwegen op dit punt een motie,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4411 maar ik begrijp dat de heer Grinwis daarop een amendement in voorbe-reiding heeft, dus we gaan wachten op de appreciaties, denk ik.De voorzitter:De heer Grinwis heeft daar ook een interruptie over.De heer Grinwis (ChristenUnie):Daar wilde ik gelijk op doorvragen. Volgens mij zijn we het eens en zienwe hetzelfde probleem. Stel je, even los van de fundamentele discussieover de vastgoedbijtelling, voor dat je die bijtelling toch accepteert en datdie in de wet zit; dan kun je twee dingen doen. De eerste mogelijkheid isdat je inderdaad per motie regelt dat die bijtelling jaarlijks geactualiseerdgaat worden. Nu is namelijk in de stukken gezegd dat dat pas na 2033 enna de evaluatie gebeurt. Tegelijkertijd blijft dan die 3,35% in de wet staan.Hoe zwaar is dit punt dan voor de VVD-fractie? Als het inderdaad debedoeling is dat die vastgoedbijtelling alleen maar een actuele bijtellings-waarde reflecteert, zou dat namelijk in principe ongedekt kunnen. Of vindtcollega Van Eijk dat als je de 3,35% verlaagt naar, zeg, 2,8%, daar eendekking bij hoort? Hoe ziet ze dit?De voorzitter:Helder.Mevrouw Van Eijk (VVD):Het is een belangrijk punt dat we moeten blijven monitoren. Daaromvraag ik ook of je jaarlijks of tweejaarlijks moet herijken. Het hangtnatuurlijk ook af van de ontwikkelingen in de markt hoe urgent zoiets is. Ikheb gezien dat de collega van het CDA een amendement heeft ingediendom de evaluatie in ieder geval naar voren te halen. Ik vind het heel ergbelangrijk om dat tijdig te doen. Ik denk dat als die verschillen groot zijn,we inderdaad moeten kijken naar een aanpassing ten aanzien van debudgettaire dekking. Ten aanzien van de budgettaire dekking ben ik heeleven overvraagd. Ik wil even de reactie van de Staatssecretaris afwachtenen eventueel de appreciatie van het amendement van de heer Grinwis.Maar ik vind wel dat op het moment dat je een robuuste wet wilneerleggen en je noodgedwongen nog steeds afhankelijk bent vanbepaalde forfaits, die forfaits ook in het kader van de eenvoud altijd zoveel mogelijk de werkelijkheid moeten benaderen. Dan is de vraag hoe jedaar het dichtst bij in de buurt komt en wat daarvoor nodig is.De voorzitter:Dat was voldoende voor de heer Grinwis, maar de heer Vermeer heeft eenaanvullende interruptie.De heer Vermeer (BBB):Mijn vraag aan mevrouw Van Eijk is dan: maar dan is het toch niet logischom er een vast percentage in te zetten? Dan moet er in de wet toch alleenmaar een systematiek c.q. een procedure vastgelegd worden?Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik kom hier later in mijn inbreng nog op terug, onder mijn kopje tegenbe-wijsregeling. We hebben namelijk gezien hoe kwetsbaar de huidige wet-en regelgeving is. In de parlementaire behandeling van de vorige wet is erdiverse keren over gesproken of je in de wet al een tegenbewijsregelingzou moeten opnemen. Wat betreft de kwetsbaarheden die in deze wetzitten, zou je op dit specifieke punt, de vastgoedbijtelling en de start-waarde op het moment dat je vastgoed inbrengt, als belastingplichtigenaar mijn mening de mogelijkheid moeten hebben om aan te tonen datdie waarde of dat rendement lager is. Daar ligt een deel van de oplossing,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4412 los van het feit dat je het vooralsnog met een forfait in de wet kanvastleggen.De heer Vermeer (BBB):Maar mevrouw Van Eijk zegt nu eigenlijk: u heeft daarin gelijk, maar hetprobleem moet neergelegd worden bij de belastingplichtige, want diemoet dan maar geconfronteerd worden met de problemen die veroorzaaktworden door vaste percentages c.q. forfaits.Mevrouw Van Eijk (VVD):Dit forfait is niet willekeurig en zomaar gekozen, hè? Ik stel net als de heerGrinwis vragen over de actualiteit, van: kloppen de cijfers nog? Maarkijkend naar het onderzoek dat gedaan is en het percentage dat nugekozen is, denk ik dat daar de benodigde zorgvuldigheid en voorzich-tigheid in vastligt, waarbij je met een aan zekerheid grenzende waarschijn-lijkheid kan zeggen dat een heel groot gedeelte van de vastgoedeigenarenmet dit percentage prima uit de voeten kan en ook niet uitkomt op eenlager rendement. Maar je kunt het actualiseren. In het geval dat jewerkelijk rendement lager is of de startwaarde echt substantieel lager isen de wet daar onvoldoende in voorziet, zie ik wel mogelijkheden vooreen tegenbewijsregeling, zodat dat alsnog aangetoond kan worden. Ikdenk dat dat maar een heel beperkt aantal belastingplichtigen aangaat.De voorzitter:Mevrouw Van Eijk vervolgt haar betoog.Mevrouw Van Eijk (VVD):Wat ik zojuist zei ten aanzien van mogelijk tegenbewijs geldt ook voorbijvoorbeeld de startwaarde van vastgoed. Belastingheffing op basis vaneen waarde die pas achteraf bekend wordt, raakt de rechtszekerheid. Is deStaatssecretaris bereid om te kijken naar een alternatief waarbij er voorafduidelijkheid bestaat voor de belastingplichtige?Tot slot wil ik iets zeggen over de afbakening tussen onderhoud enverbetering. Met de verduurzamingsopgave zullen veel grensgevallenontstaan. Duidelijke praktische richtlijnen zijn essentieel om uitvoerings-problemen te voorkomen. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is: gaan dieer komen?Voorzitter. Bij NSW-landgoederen verschuift onder het nieuwe box 3-stelsel het fiscale knelpunt naar het moment van schenking of vererving,wanneer in één keer vermogensbelasting verschuldigd wordt zonder datdaar liquiditeit tegenover staat. Dat vergroot het risico op gedwongenverkoop en verlies van waardevol natuur- en cultuurerfgoed. Vindt deStaatssecretaris ook dat de systematiek van de Natuurschoonwet 1928ook in box 3 moet worden gerespecteerd? Het amendement-Grinwis biedtwellicht een evenwichtige oplossing en ik ben benieuwd naar deappreciatie van de Staatssecretaris van dit amendement.Voorzitter. Bij oude kapitaalverzekering in box 1 dreigt door het afschaffenvan het overgangsrecht het heffingsmoment naar voren te wordengehaald. Per 1 november ’29 zou dan in één keer belasting wordengeheven over het volledig opgebouwde rendement, terwijl betrokkenendit geld niet liquide hebben. Het gaat om een kleine en overzichtelijkegroep, maar de impact voor deze mensen is groot. De VVD vindt hetonaanvaardbaar dat burgers om reden van uitvoeringseenvoud wordengeconfronteerd met onverwachte en hoge aanslagen. Wij pleiten daaromvoor een oplossing waarbij de belastingclaim wel wordt vastgesteld per1 november 2029, maar pas wordt ingevorderd op het moment dat deverzekering daadwerkelijk tot uitkering komt. Ik vraag de Staatssecretarisof hij bereid is om op dit punt een toezegging te doen.Voorzitter. Een stelsel dat uitgaat van werkelijk rendement moet ook eerlijkomgaan met verliezen. De VVD begrijpt dat uitvoerbaarheid grenzen stelt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4413 Niet alles kan en niet alles moet, maar het risico bestaat dat belasting-plichtigen met fluctuerende rendementen uiteindelijk belasting betalenover een positief rendement, dat zij per saldo nooit hebben gehad. Hoeweegt de Staatssecretaris dit risico? Is hij bereid de effecten van degekozen verliesverrekeningssystematiek actief te monitoren? Kan hijtoezeggen dat, als blijkt dat er structureel onrechtvaardige uitkomstenontstaan, het kabinet bereid is om bij te sturen?Voorzitter. Nederland is een land van spaarders. Dat is op zichzelf eenkracht, maar in een tijd van grote investeringsopgaven, van woningbouwtot energietransitie en strategische autonomie, is het ook wenselijk datmeer particulier vermogen zijn weg vindt naar productieve investeringen.De VVD ziet in de overgang naar een stelsel van werkelijk rendement eenkans om het gesprek te voeren over hoe particulier beleggen fiscaal kanworden gestimuleerd zonder het stelsel ingewikkeld te maken. Eenvoud ishierbij cruciaal. Burgers haken af als regelingen te complex worden.Andere landen laten zien dat eenvoudige instrumenten, zoals eenbeleggingsrekening of vrijstelling voor bepaalde vormen van rendement,effectief kunnen zijn. Ik vraag de Staatssecretaris of hij bereid is om,parallel aan dit wetstraject, met de Kamer te verkennen welke optieskansrijk zijn voor Nederland.Voorzitter. Nederland is een open economie die afhankelijk is vaninternationaal talent. Ons vestigingsklimaat staat onder druk en fiscalevoorspelbaarheid speelt daarbij een grote rol. De combinatie van heffingover niet-gerealiseerde vermogenswinst en het afschaffen van de partiëlebuitenlandse belastingplicht dreigt Nederland internationaal uit de pas telaten lopen. Dit vergroot het risico op dubbele belasting en schaadt hetvertrouwen van internationaal talent. Het budgettaire voordeel van hetafschaffen van de regeling is beperkt, terwijl de economische schadegroot kan zijn. Is de Staatssecretaris bereid om de effecten van dekeuzeregeling voor de partiële buitenlandse belastingplicht opnieuw tewegen en de Kamer hierover te informeren?Voorzitter. Als wij zeggen dat wij belasten naar werkelijk rendement, danmoet er ook ruimte zijn om aan te tonen dat het werkelijk rendement inspecifieke gevallen lager is. Zonder een effectieve en uitvoerbaretegenbewijsregeling ontstaat het risico dat er opnieuw belasting wordtgeheven over inkomen dat niet is genoten, met alle juridische kwetsbaar-heden van dien. Dat geldt nadrukkelijk voor onderdelen waarin forfaitsworden toegepast, zoals vastgoed, leegstand, eigen gebruik en waarde-ringskwesties rondom illiquide vermogensbestanddelen. De VVD begrijptdat niet elk individueel geval maatwerk kan krijgen en dat uitvoerbaarheidgrenzen kent, maar we vinden wel dat de wet een duidelijk begrensde enwerkbare mogelijkheid moet bieden om tegenbewijs te leveren inuitzonderlijke situaties. Ik vraag de Staatssecretaris daarom of hij bereid isom de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling opnieuw te verkennenen te wegen. De reikwijdte daarvan moet zo worden vormgegeven datnieuwe procedures bij de rechter worden voorkomen.Tot slot, voorzitter.De voorzitter:Mevrouw Inge van Dijk heeft eerst nog een interruptie over detegenbewijsregeling.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank je wel, voorzitter. Ik snap het punt van de VVD natuurlijk heel goed,maar ik was een beetje op zoek naar hoe de VVD aankijkt tegen diebegrenzing. Hoe zien zij die en welke voorstellen zouden zij daar zelf voorin het mandje willen leggen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4414 Mevrouw Van Eijk (VVD):Zoals ik aangaf in mijn spreektekst is dat vooral daar waar je forfaitsgebruikt dan wel bepaalde veronderstellingen, percentages, inbouwt,bijvoorbeeld de 3,35%-vastgoedbijtelling en het 90%-criterium waarin dedrie verschillende categorieën zijn onderverdeeld als het om vastgoedgaat. Die vind ik gewoon heel erg kwetsbaar, omdat die zo veel alsmogelijk proberen aan te sluiten bij het werkelijk rendement maar dat nogniet zijn. Ik denk dat daar de punten zitten waarover heel veel discussiekan ontstaan en dat je dat zou kunnen voorkomen als je een belasting-plichtige de mogelijkheid geeft om aan te tonen dat het anders is. Als jehet hebt over de WOZ-wetgeving of als je kijkt naar lagere regelgeving, zieje dat daar best al een aantal ankers in zitten, maar ik vraag me af of wedaarin niet verder moeten gaan en het ook in deze wet op een goedemanier moeten vastleggen. Er komt sowieso nog een aanpassingswet,dus de mogelijkheden om te kijken waar we bij moeten sturen of waar wezoiets zouden moeten toevoegen, zijn er dus nog volop. Vandaar komtmijn vraag aan de Staatssecretaris op dit moment.De voorzitter:Er is een vervolgvraag van de heer Stultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):De uitvoeringstoets bij deze wet is al best zorgwekkend, met vier rodevlaggen en één gele. We waren samen rapporteur en dat was een vanonze grote bezwaren of angsten. Nu lijkt het er eigenlijk op, hoor ik nu bijeen nieuwe suggestie, dat we het nog moeilijker gaan maken, met eentegenbewijsregeling. Ziet mevrouw Van Eijk ook die zorg dat we nu inplaats van 900 fte nóg meer mensen nodig hebben om dit voor elkaar tekrijgen?Mevrouw Van Eijk (VVD):Dat is een dilemma. Enerzijds begrijp ik heel goed dat iedere regeling diewij toevoegen de complexiteit kan verhogen. We hebben echter in deafgelopen tien jaar ook gezien hoe kwetsbaar wet- en regelgeving is als jevasthoudt aan bepaalde percentages en forfaits. Die kwetsbaarheid zou jevolgens mij deels kunnen oplossen door in specifieke gevallen, waarin wedenken dat die kwetsbaarheid heel erg groot is, toch te kijken of je dat ermet een tegenbewijsregeling uit kan halen. Ik zei net richting mevrouwInge van Dijk ook al dat ik denk dat we op heel veel punten daadwerkelijkrendement redelijk goed gaan benaderen. Er is ook voor de nodigevoorzichtigheid gekozen bij het invullen van die percentages. We moetenhier niet van wegkijken. Dit niet regelen in de wet is volgens mij namelijkeen van de fouten geweest die wij in de afgelopen tien jaar hebbengemaakt.De voorzitter:Mevrouw Van Eijk gaat haar afrondende opmerking maken. O, toch nogniet. De heer Grinwis heeft nog een interruptie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik hoorde collega Van Eijk in een keer zomaar opmerken een einde temaken aan een belastingconstructie die in het verleden is aangeraden,namelijk de partiële buitenlandse belastingplicht. Dat is de partiëlebelastingplicht voor buitenlanders die hier een job uitvoeren, bijvoorbeeldCEO’s. We hebben die belastingconstructie met goede redenen omverge-haald. Zo hoeven andere mensen namelijk minder krom te liggen om aldie belasting op te brengen. Wat is nou de portee van haar opmerking?Wil zij het voor bijvoorbeeld Franse CEO’s mogelijk maken om hungoederen in Frankrijk allemaal buiten onze belastingplicht te houden? Watis de portee?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4415 Mevrouw Van Eijk (VVD):Het punt is dat we hier naar een stelselwijziging gaan wat betreft de Wetwerkelijk rendement. Zeker de verschuiving van vermogensaanwas naarvermogenswinst, die om goede redenen is gekozen, maakt dat er opsommige vermogensbestanddelen daadwerkelijk dubbele heffingoptreedt. Ik ben het heel erg met de heer Grinwis eens als het gaat omopmerkelijke belastingconstructies, belastingontwijking en het niet heffenvan belasting over bepaalde vermogensbestanddelen. We slaan hier doornaar de andere kant. Als je een stelselherziening doet in box 3, dan vind ikdat je in ieder geval opnieuw moet kijken naar de intentie die wij bij deafschaffing van die partiële buitenlandse belastingplicht hadden. Werktdie nog zoals bedoeld of slaat het nu door, waardoor er na invoering vandeze wet een onbedoeld effect is opgetreden? Ik denk dat het goed is omdaarnaar te blijven kijken.De voorzitter:Dan nu de slotopmerking van mevrouw Van Eijk.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ja. De VVD hecht groot belang aan invoering per 1 januari 2028. Dat isnoodzakelijk om het huidige stelsel achter ons te laten en om juridischeprocedures en nieuwe budgettaire opgaven te voorkomen. Ik vraag deStaatssecretaris dan ook om volledige transparantie over de uitvoerings-gereedheid. Hoe staat het met de ICT, de uitfasering van oude systemenen de beschikbaarheid van taxateurs en business valuators? Welkewijzigingen zonder risico voor de planning zijn er nog mogelijk? Voor deVVD is het uitgangspunt helder: uitvoerbaarheid en tijdige invoering gaanvoor. Beleidswensen kunnen altijd worden meegenomen in een latereaanpassingswet, maar het fundament moet eerst stevig staan.Afsluitend, voorzitter. De VVD steunt de richting van deze wet. Weerkennen de noodzaak en waarderen de inzet van het kabinet. Wij willendeze hervorming laten slagen. Tegelijkertijd vragen wij op een aantalpunten om toezeggingen en verduidelijking. Dat doen we niet om hetproces te blokkeren, maar om het wetsvoorstel beter, eerlijker entoekomstbestendiger te maken.Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Vlottes. Hij spreektnamens de PVV-fractie.De heer Vlottes (PVV):Voorzitter, veel dank. Daar is ie dan eindelijk, de Wet werkelijk rendementbox 3. De afgelopen jaren konden we hier op fiscaal gebied eigenlijkvrijwel niks doen of box 3 kwam wel om de bocht zeilen. Dat zorgde bij demeesten van ons voor een spreekwoordelijke wegtrekker. Dat is ook welheel goed te verklaren, want er is nogal wat gebeurd. Tijdens het beruchteKerstarrest van 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wijze waarophet inkomen uit sparen en beleggen wordt berekend in strijd is met heteigendomsrecht. Op basis hiervan heeft het toenmalige kabinet de Wetrechtsherstel box 3 en daarna de Overbruggingswet box 3 in het levengeroepen. In het arrest van 2024 oordeelt de Hoge Raad echter dat ookdeze wet in strijd zou zijn met het eigendomsrecht. Er volgden nog enkelearresten en terwijl de oorspronkelijke inwerkingtreding was voorzien voor1 januari 2025, is die nog eens twee keer uitgesteld. Nu moet dit voor15 maart zo specifiek mogelijk zijn behandeld in de Tweede Kamer, andersdreigt er weer vertraging. En dat niet alleen! Ook iedere wijziging in hetvoorliggende wetsvoorstel kan leiden tot vertraging en iedere bijkomendevraag over de heffingsketen of de complexiteit van deze wet zorgt ervoorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4416 dat de inwerkingtreding per 2028 niet meer gehaald kan worden, aldus dememorie van toelichting.Kortom, voorzitter, eigenlijk kan niks. Want laten we wel zijn: op dezemanier is het geen doen. Nu zitten we hier, zogezegd opgejaagd engegijzeld door de Belastingdienst cum suis, en is het eigenlijk tekenen bijhet kruisje. Kan de Staatssecretaris hierop reageren? Hoe beoordeelt hijdit wetstraject? Kan hij aangeven wat er eigenlijk nog wel mogelijk is omde door hem zo verlangde inwerkingtreding van 2028 te halen? Wat zijnbijvoorbeeld de gevolgen voor de planning van het arrest van de HogeRaad van afgelopen vrijdag over de té hoge rente in de vpb? Daar was ditkabinet eerder namelijk erg positief over: het zal allemaal niet zo’n vaartlopen; het valt allemaal wel mee. Nou, dat is dus niet het geval. Sterkernog, ook deze derving loopt in de miljarden. Het enkele aannemen vandeze wet is immers nog geen garantie dat er geen derving of verderevertraging zal ontstaan. Bij de minste of geringste tegenslag kan erzomaar weer vertraging optreden.Voorzitter. Zo ongeveer niemand is blij met dit wetsvoorstel: brancheorga-nisaties niet, vakverenigingen niet, particulieren niet, beleggers niet,ondernemers niet en ook de Raad van State niet. De enige die vast blijfthouden aan deze wet, is het kabinet. Hoewel, in het meest recenteinterview in het FD lezen we dat fiscalist Heijnen de voorkeur geeft aaneen brede vermogensbelasting, terwijl Staatssecretaris Heijnen liever wilvasthouden aan een variant met vermogensaanwas- en vermogenswinst-belasting, als een soort tussenstation, alsof we hier bij een AO over spoorzitten. Kennelijk zou een verdere doorontwikkeling naar zo’n vermogens-winstbelasting wel al mogelijk zijn in 2030 of 2031. Nu kunnen allemaaldingen niet en is het «computer says no», maar over twee jaar ligt defiscale wereld kennelijk aan onze voeten voor wederom een nieuwbox 3-systeem. Ik neem aan dat hier Staatssecretaris Heijnen zit. Kan hijdeze uitspraken ook namens fiscalist Heijnen nader toelichten? Kan hijdaarbij aangeven welke stappen hij al heeft gezet naar dat eindstation, omin spoortermen te blijven? En waarom kan dit eindstation in 2030 kennelijkwel gehaald worden, maar in 2028 nog niet? Graag een reactie.Voorzitter. Desalniettemin zegt het kabinet het wetsvoorstel vooral in lijnmet het arrest van de Hoge Raad te hebben gelegd. Dit is een bekendecirkelredenering. In de arresten zelf verwijst de Hoge Raad namelijk naarde doelstellingen die het kabinet zichzelf heeft opgelegd: uitvoerbaarheiden het op peil houden van de belastingopbrengsten. Zo schrijft de HogeRaad in een arrest van 2024 in rechtsoverweging 5.4.8 dat positieve ennegatieve waardeveranderingen ook tot het werkelijk rendement behorenindien de belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd. Nu komt ie:«Dit vloeit voort uit het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogenheeft gestaan bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel.» Kan deStaatssecretaris hierop reageren? In welke mate is het op peil houden vande belastingopbrengsten leidend geweest bij het vormgeven van de Wetwerkelijk rendement? Hoe verhoudt dit zich tot de proportionaliteitstoets,de vermogensaanwasbelasting, artikel 1 EVRM en het realisatiebeginsel?En klopt het dat de Hoge Raad geen uitspraak heeft gedaan over dejuridische houdbaarheid van een variant van een vermogensaanwasbe-lasting? Ik bedoel een soort papieren rendementsheffing.Voorzitter. Dan het heffingsvrije resultaat. Volgens het kabinet zou ditbeter aansluiten bij de systematiek van werkelijk rendement. In hethuidige stelsel geldt een heffingsvrije voet van ongeveer € 58.000 perbelastingplichtige. Met dit wetsvoorstel vervalt dit en komt er eenheffingsvrij resultaat van € 1.800 in de plaats. Als we dit even heelsimpelweg afzetten tegen een stijging van 12% in de afgelopen vijf jaarvan het aantal mensen dat belegt – het is een maatschappelijke trend –betekent dit dat er nog meer geld gecasht gaat worden door de overheid.Waar mensen thuis eerder nog nooit gehoord hadden van een box 3-heffing, gaan meer mensen box 3-belasting betalen op basis van dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4417 wet. Dan heb ik het niet per se over institutionele beleggers, maar gewoonover normale mensen, die de veel te lage rente van de bank zat zijn, hunpensioen zien verdampen of gewoon willen investeren in hun toekomst.Waarom is er voor dit resultaat gekozen? Waarom worden mensen die aldan niet hobbymatig wat beleggen of dit juist doen als een spaarpotjevoor de toekomst, nu geconfronteerd met een belasting op basis vanpapieren rendement?Voorzitter. Dan de verliesverrekening. In het voorstel is dit ongelimiteerdtoegestaan voor positieve rendementen in toekomstige jaren. Waaromkan dit niet worden toegestaan voor een achterwaartse verliesverre-kening? Volgens de Staatssecretaris is dit omdat het passend is in eenstelsel waarin de mutaties zijn betrokken die nog niet gerealiseerd zijn.Dan verwijs ik toch weer terug naar de overwegingen van de Hoge Raad.Die heeft namelijk overwogen dat de wetgever geen belastingheffingbeoogt waardoor de belastingplichtige moet interen om de belasting tebetalen. Exact dit dreigt nu dus wel te gebeuren. Graag een reactiedaarop.Voorzitter. Dan de vastgoedbijtelling. Eigenlijk is het een huurwaarde-forfait; wederom een forfait. In deze wet is er eigenlijk sprake van eensoort rupsje-nooit-genoeg als het gaat om belastingoptimalisatie. Voorvastgoed zijn we weliswaar af van de papieren werkelijkheid, maar dankomt er toch weer een forfait van 3,35% om de hoek kijken bij eigengebruik van een tweede woning – lees: een vakantiewoning – met eengrens van zo’n 90% indien de woning verhuurd is. Waarom is hiervoorgekozen? Ook belastingadviseurs hebben hier bedenkingen bij. Even heelbasaal: waarom moet iemand die een week zelf gebruikmaakt van eenvakantiewoning evenveel betalen als iemand die meerdere maanden ofieder weekend gebruikmaakt van zijn vakantiewoning? Op deze manieroverstijgt de belastingdruk voor het eigen gebruik het werkelijkrendement. Kan de Staatssecretaris hierop reageren?Voorzitter. Uiteindelijk is het eigenlijk allemaal een kwestie van priori-teiten; ik schetste dat al aan het begin van mijn betoog. Tussen depuinhopen van allerlei herstelwetgeving door is er nu een soort vangewerkt aan een nieuw box 3-stelsel. Maar ook deze staat alweer op dehelling en moet alweer voor verbetering vatbaar zijn. Desondanks moetenwe onder het argument «tijd» tekenen bij het kruisje, ondanks de velebezwaren en rode vlaggen die op dit moment al wapperen. Het is namelijkgeen belasting op basis van werkelijk behaald rendement. De Hoge Raadsprak er in het kerstreces zelf ook nog over dat het over een werkelijkbehaald rendement moet gaan. Geen wonder dat er nu al massaalrechtsgangen zijn aangekondigd en de dagvaardingen zo ongeveer alworden getypt. Met deze wet zijn we vooral slechter af. Je zou bijnaterugverlangen naar een soort forfaitair stelsel.Voorzitter, dank u wel.De voorzitter:U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Eigenlijk zit er aan het einde van het betoog nog een cliffhanger als hetgaat om wat de PVV dan wel wil. Ik geef de heer Vlottes graag de kans omte zeggen voor welke oplossing de PVV precies staat.De heer Vlottes (PVV):Deze wet is bizar slecht. Ik vind het dan heel raar ... De PVV heeft altijdgezegd dat wij voor een belasting op basis van werkelijk gerealiseerdrendement zijn. Dat hebben we eigenlijk altijd al gezegd, en dat heb ik deafgelopen jaren zelf ook gezegd. Dat is waar je naartoe zou moeten. Hetballetje is constant vooruitgeschoven. Nu ligt deze wet er, en moeten weer eigenlijk op basis van het argument «tijd» maar voor zijn, terwijl ik hierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4418 links en rechts hoor dat er nog het nodige aan gesleuteld zou moetenworden.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dat is knap ontweken, maar dat is geen antwoord op de vraag. Een jaargeleden zaten we hier ook. Toen had de PVV hele stoere woorden. Zekondigde aan: we gaan een motie indienen voor een vermogenswinstbe-lasting. Die heb ik nooit gezien. Er kwam een slappe onderzoeksmotie.Vandaag hoor ik weer grote woorden. Wat wil de PVV?De heer Vlottes (PVV):Nogmaals, een vermogenswinstbelasting op basis van daadwerkelijkgerealiseerd rendement. Dat is niet veranderd. Daar is inderdaad ook eenonderzoeksmotie over ingediend.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ja, maar dan is de vraag – die stelde ik een jaar geleden ook, en toen waser geen antwoord – wie er bij de PVV gaat betalen voor de vermogens-winstbelasting. Die gaat de komende jaren miljarden kosten, ten gunstevan beleggers en miljonairs. Wie gaat er bij de PVV betalen voor dit plan?De heer Vlottes (PVV):Dit is werkelijk waar onzin. Er wordt nu naar de vermogensaanwasbe-lasting gegrepen omdat die zogezegd een «budgettaire neutraliteit» zoubewerkstelligen, maar dat is helemaal niet duidelijk. Wij zien bijvoorbeeldbij de Wet tegenbewijsregeling dat de derving mogelijk wel meevalt.Kortom, we weten niet wat nou de feitelijke raming is. Ik heb er toevallignaar gekeken. Kijk bijvoorbeeld naar de beginstadia van deze wet. Dat wasonder toenmalig Staatssecretaris Van Rij; ik verwijs dan terug naarongeveer 2022. Toen was er ook de volgende discussie. «Als je nou eenvermogenswinstbelasting doet,» waar wij voor zijn, nogmaals, «of eenvermogensaanwasbelasting, hoe verhouden die twee zich tot elkaar?» Hetantwoord daarop was eigenlijk heel duidelijk: hoewel in de praktijk dederving niet eenvoudig te ramen is, zal het eenmalig enkele miljardenbedragen. Maar dit is totaal niet duidelijk. Dan zouden we vooral daarnaarmoeten kijken. Dan moet er vooral onderzoek worden gedaan naar hoedie twee zich tot elkaar verhouden. Maar dat die twee op een gegevenmoment dezelfde opbrengst kunnen genereren, staat vast.De voorzitter:De heer Grinwis ...De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Tot slot, voorzitter ...De voorzitter:Tot slot dan echt, ja.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):De heer Vlottes heeft het over «enkele miljarden», maar het zijn erminstens 10. We gaan hopelijk straks horen om hoeveel het precies gaat.De vraag is wel hoe de PVV die «enkele miljarden» gaat betalen. Ik hoornu weer hele grote woorden: «We gaan tegen het voorstel stemmen.» Datmag. De heer Vlottes wil een alternatief. Hoe gaat de PVV die miljardenbetalen?De heer Vlottes (PVV):De miljarden vliegen ons om de oren als het gaat om het rechtsherstelvan box 3. De miljarden vliegen ons om de oren. Er gaat geen jaarvoorbij ... Wij hebben vanaf dag één dat dit speelde – uit mijn hoofd gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4419 we dan terug naar 2017 – al gezegd dat we naar een belasting op basisvan daadwerkelijk gerealiseerd rendement moeten. Jarenlang wordt hetballetje vooruitgeschoven en wordt er niks mee gedaan. De miljardenstapelen zich op, zoals de heer Stultiens ook zegt. We moeten naar diebelasting op basis van werkelijk gerealiseerd rendement. Dan hadden wenu niet in deze puinhoop gezeten van herstelbetalingen en herstelwet-geving.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik zie het dilemma dat collega Vlottes schetst. Dat heb ik zelf ookgeschetst. Maar we moeten zo meteen wel stemmen. Je kunt zeggen: ikstem hiertegen, want dit is superslecht. Maar wat je dan in stand laat, iseen overbruggingsregeling met een tegenbewijsregeling zonder kosten-aftrek, helaas, die vanuit veel perspectieven misschien nog wel slechter is.Hoe weegt de PVV-fractie dat? Je moet je er wel toe verhouden dat watwe nu hebben verschrikkelijk is, en dat wat we krijgen misschien wel ietsminder verschrikkelijk is. Het is nog steeds niet goed, niet leuk, om allegenoemde argumenten, maar dit in stand laten is ook niet je van het.De heer Vlottes (PVV):De PVV was ook voor de kostenaftrek, juist ook bij die tegenbewijsre-geling die ook weer tot allemaal ellende leidde bij de Belastingdienst.Maar ook met deze wet weten we niet waar het eindigt. Ook dit gaatleiden tot procedures. Alles is al aangekondigd. Er staat nota bene al: nou,daar zal de rechter uitspraak over moeten doen. Dit is één grote puinhoop.De PVV heeft een rechte lijn. We hebben altijd gezegd dat we belastingmoeten heffen op basis van werkelijk gerealiseerd rendement. Kennelijkzijn er door wisselende samenstellingen van de Kamer andere keuzesgemaakt. Wij staan voor die oorspronkelijke keuze. Wij hebben namelijkgezegd: we moeten belasting heffen op basis van werkelijk gerealiseerdrendement. Dan moet u mij nu niet opzadelen met de puinhopen die doorandere partijen zijn gecreëerd.De heer Grinwis (ChristenUnie):De Wet tegenbewijs is ingediend door een kabinet waar de PVV in zat.Amendementen om kostenaftrek te regelen, die onder andere door mijzijn ingediend, zijn ontraden door datzelfde kabinet. Maar goed, datterzijde. Feit is, dat op het moment dat je hiertegen stemt, je iets in standhoudt wat voor veel mensen nog veel erger is. We hebben het vandaagbijvoorbeeld veel over vastgoed gehad, specifiek over de vastgoedbij-telling, maar ook over de ontwikkeling op de huurmarkt en de hogeuitpondcijfers. Wil je die zaken voor je kap nemen? Dat vind ik oprecht eendilemma. Wat we nu hebben, kunnen we absoluut niet langer in standhouden. Als we er morgen of vandaag vanaf zouden kunnen, zou ik datgelijk doen. Dit is dan niet ideaal, maar is die weging dan echt zozwart-wit? Zeg je dan echt: «Wat er nu voorligt, is zo slecht dat we daargewoon tegen zijn. Als de kosten van het huidige stelsel dan hoger zijndan die van het nieuwe stelsel, dan zij dat maar zo»? Is het een beetje eentactiek van de verschroeide aarde van de PVV-fractie?De heer Vlottes (PVV):Ik heb geen idee of dat «verschroeide aarde» is. Maar nogmaals: deze wetzorgt alleen maar voor een puinhoop. Ik hoor dat de heer Grinwis deaanname doet dat dit een verbetering zou zijn ten opzichte van depuinhoop die er de afgelopen jaren is geweest, maar daar is dePVV-fractie niet van overtuigd. Hetzelfde geldt voor de ramingen en voorde dervingen die zijn ontstaan. Nogmaals: feitelijk staat vast dat we al 10 à12 miljard hebben vrijgemaakt en besteed voor alleen al rechtsherstel inbox 3. Dan moeten we ook nog maar afwachten wat de opbrengstenhiervan zouden kunnen zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4420 De heer Oosterhuis (D66):Even los van de precieze manier waarop belasting wordt geheven oververmogens, los van vermogenswinsten, vermogensaanwas en rende-menten: hoe kijkt de PVV naar de rol van vermogen in de belastingmix?We belasten arbeid, consumptie en vermogen. Zegt de PVV dat hetbelasten van vermogen op dezelfde manier moet blijven gebeuren, of zoudat ook wat meer of wat minder kunnen zijn? Hoe kijkt de PVV daarnaar?De heer Vlottes (PVV):Ik heb net al gezegd dat vermogen belast moet worden op basis vandaadwerkelijk gerealiseerd rendement. Dat is dan ook mijn antwoord opde vraag van de vertegenwoordiger van D66.De heer Oosterhuis (D66):Maar het gaat me vooral om het niveau waarop die rendementen belastworden, de tarieven. Vindt de heer Vlottes dat die goed zijn zoals die zijn,of vindt hij dat die lager of progressiever kunnen zijn? Heeft de heerVlottes daar een visie op?De heer Vlottes (PVV):Werkelijk waar ... De heer Oosterhuis houdt zich op dit moment bezig methogere tarieven. Het zal werkelijk wel, maar ik kijk naar de voorliggendewet en de voorgeschiedenis van box 3. Iedereen kiest zijn eigen priori-teiten. Ik zie alle problemen met de wet. Die heb ik gepoogd inhoudelijknaar voren te brengen. Dan ga ik me nu niet bezighouden met percen-tages, tarieven en de vraag wie, wat en hoeveel er belast moet worden.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik ga nog een poging wagen. De heer Vlottes en de VVD vinden elkaar alshet gaat om de vraag waar we uiteindelijk uit willen komen. We zitten nuin een situatie die suboptimaal is. We zitten op dit moment ook in eensituatie waarin het voor beleggers en mensen met vermogen een spelzonder nieten is. Je profiteert van de wet op het moment dat je rendementlager is dan je forfaitair rendement – dan kom je met tegenbewijs – maarals jouw rendement hoger is dan het forfaitair rendement, hoef je daar opdit moment geen belasting over te betalen. Maar als we met elkaar eenbeweging willen maken naar het belasten van werkelijk rendement, dan isdeze wet als tussenstap natuurlijk wel een verbetering ten opzichte vanhetgeen we hebben. Ik zou graag de reactie van de heer Vlottes daaropwillen horen.De heer Vlottes (PVV):«Tussenstap?» «Tussenstap?» Er is geen enkele garantie op dietussenstap. De tussenstap of het tussenstation is door de Staatssecretarisnaar voren gebracht, waarvan akte, maar die garantie is er helemaal niet.De enige feitelijke omstandigheid die er nu is, is deze wet. Die ligt hiervoor. We zouden dan met z’n allen maar moeten kijken waar dit eindigt,terwijl alle seinen nu al op rood staan. Zoals ik al zei, worden de dagvaar-dingen zo ongeveer nu al geschreven en wordt de gang naar de rechternu al gemaakt. Dan heb ik het ook over Straatsburg; er moet vanuit daarook nog een oordeel hierover worden gegeven. Die vraag heb ik ookterecht gesteld: hoe verhoudt dit zich tot artikel 1? U heeft het over eentussenstap, maar dit is de wet en we moeten maar aannemen waar diegaat landen.De voorzitter:Nogmaals dank voor de inbreng, meneer Vlottes. Dan gaan we nuluisteren naar de heer Stultiens, die zijn inbreng gaat houden namensGroenLinks-Partij van de Arbeid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4421 De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Dit wetsvoorstel zit vol met gemiste kansen. Het is eengemiste kans dat de enorme vermogensongelijkheid niet wordtaangepakt. Het is een gemiste kans dat de belastingdruk niet wordtverschoven van werk naar vermogen. Het is ook een gemiste kans dat ergeen einde komt aan de vlaktaks in box 3. En dat terwijl we al zo vaakgewaarschuwd zijn: al die ambtelijke rapporten van de afgelopen jaren, destudies van het Centraal Planbureau en vandaag het nieuwe rapport vanOxfam. De belastingen op werk en vermogen zijn niet met elkaar inbalans. Hoe rijker je bent, hoe lager je effectieve belastingdruk, en derijken worden steeds rijker. Op die gemiste kansen kom ik zo meteenterug.Ik ga beginnen met wat er vandaag wél voorligt: een belasting op basisvan daadwerkelijk rendement in plaats van fictief rendement. Dat isinderdaad een stap vooruit. Een belangrijk vraagstuk de afgelopen jarenging over het moment van belasten. Kies je voor een jaarlijkse vermo-gensaanwasbelasting of een belasting op basis van gerealiseerdevermogenswinsten? GroenLinks-PvdA is voorstander van een vermogens-aanwasbelasting. Die is economisch gezien het minst verstorend en beteruitvoerbaar voor de Belastingdienst en voor mensen zelf. Er is minderkans op uitstelgedrag en ja, het leidt niet tot miljarden aan budgettairederving in de komende jaren. We vinden het daarom jammer dat er isgekozen voor een hybride variant.Een onderbelicht aspect in deze discussie is de precieze budgettairederving. Deze discussie speelt al jaren hier in de Kamer, maar de hardebedragen ontbreken. Af en toe hoor je: ja, het kost misschien een paarmiljard de komende jaren en structureel maakt het niks uit. Op dieordegrootte snap ik het, maar het gaat om groot geld. Ik vraag aan deStaatssecretaris heel precies: hoeveel extra geld loopt de overheid nu mis,omdat er wordt gekozen voor een hybride versie versus aanwas? Enhoeveel geld zou het kosten de komende jaren, of de jaren nadat eennieuwe Kamer dat wijzigt, als er voor vermogenswinst wordt gekozen?Want het budgettaire probleem is niet opgelost als we het over een paarjaar alsnog zouden veranderen. Ik vraag namelijk om harde en completecijfers, omdat dat uitmaakt voor het debat hier in de Kamer.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik bemerk bij collega Stultiens een enorme focus op de korte termijn,terwijl in de memorie van toelichting staat dat het op langere termijn nietuitmaakt voor de opbrengsten. Sterker, er werd ook ingebracht dat eenvermogenswinstbelasting structureel weleens meer zou kunnen opleverendan vermogensaanwas, omdat je bij vermogensaanwas wordtgedwongen om bepaalde zaken die renderen te verkopen om belasting tekunnen betalen. Het rente-op-rente-effect zou dus kunnen leiden tot meeropbrengsten aan vermogenswinstbelasting voor de Staat dan bijvermogensaanwas. Hoe weegt collega Stultiens deze verschillendefacetten: korte termijn versus lange termijn, maar ook dat vermogens-winst misschien weleens meer zou kunnen opleveren op langere termijndan vermogensaanwas?De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dank voor deze goede vraag. Laat ik beginnen met de korte termijn. Erwordt vaak mee geschermd dat het even een kwestie van een paar jaar is.Ik heb bijvoorbeeld in het verslag gevraagd wat deze hybride versie kost,vergeleken met aanwas. Dan krijg ik als antwoord: voor de komende tienjaar opgeteld 23 miljard. Dan loop je 23 miljard euro mis vanwege dezevariant. Dat zijn ordegrootten van klimaatfondsen, van stikstoffondsen. Deheer Grinwis weet beter dan ik hoeveel huizen je kan bouwen met datgeld. Daar praten we over.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4422 Ik vind het te makkelijk om hier te roepen om een andere versie te kiezenmaar niet bereid te zijn om te zeggen hoe je het betaalt. Als het op termijnstructureel meer winst oplevert, dan maakt dat het aantrekkelijker. Dathoor ik dan graag van de experts van Financiën, maar ik heb die cijfersvoorlopig niet gezien. Ik zie alleen de cijfers van Financiën, die ik moetvertrouwen. Dan wordt er gezegd dat we structureel naar hetzelfde toebewegen. Het jaartal wordt niet genoemd, maar we zien wel dat je dekomende tientallen jaren geld misloopt. Als er nieuwe cijfers komen, dansta ik daarvoor open. Dan blijven die andere bezwaren trouwens wel staanvan uitstelgedrag en uitvoerbaarheid. Die vind ik ook belangrijk. Maarprecies om deze reden vraag ik heel duidelijk aan de Staatssecretaris omharde complete cijfers, want dan hebben we in elk geval een gedeeldebasis voor dit debat.De voorzitter:De heer Stultiens vervolgt zijn betoog.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik vraag dus naar het budgettaire verschil tussen aanwas, hybride enwinst, want dan heb je volgens mij een goed debat. Ik vraag dit ook,omdat heel veel partijen dit al jarenlang boven de markt laten hangen. Ikvind dat als wij als Kamer, als politiek het vertrouwen willen vergroten, weook eerlijk moeten zijn. Als wij met elkaar niet bereid zijn dat geld uit tetrekken – dat geldt voor mijn partij – dan moeten we gewoon de eerlijkeconclusie trekken dat het geen vermogenswinst wordt. Als partijen hetwel willen, mag dat ook, maar zeg dan hoe je het gaat betalen. Maar datheb ik nog niet een partij hier horen doen in de afgelopen jaren.Voorzitter. Behalve over de budgettaire verschillen tussen die variantenheb ik ook nog een aantal vragen over de budgettaire raming bij ditwetsvoorstel. In het basispad daalt de opbrengst van het oude stelsel vanzo’n 9 miljard naar 7 miljard in 2060. Hoe komt dat nou precies, vraag ikde Staatssecretaris. Ik lees in de toelichting dat het komt doordat de hogewaardestijgingen uit het recente verleden niet onbeperkt kunnen wordenvolgehouden in de toekomst. Is er een nadere onderbouwing van waaromdat de afgelopen jaren wel zo was, maar over 30 jaar niet? Ik benbenieuwd hoe dat zit. Als het inderdaad klopt, zou ik verwachten dat ookbij deze nieuwe wet de opbrengst moet afnemen in de komende jaren. Alshet forfaitaire rendement afneemt, zou je denken dat er ook iets gaatgebeuren met het werkelijke rendement. Ik ben benieuwd hoe dat zit. Totnu toe is dat voor mij een raadsel.Een ander pijnpunt bij het voorstel heeft betrekking op de uitvoering.Daarover is al veel gezegd door mijn collega’s. Van deze uitvoeringstoetswordt niemand hier vrolijk, denk ik. Er zijn vier rode vlaggen en één gelevlag, en er is structureel 900 fte nodig voor dit wetsvoorstel. De Belasting-dienst erkent zelf al: het gaat de komende jaren niet lukken om al dezemensen te werven. Dit leidt tot verslechterde dienstverlening en eenachterblijvend niveau van toezicht. Volgens mij krijgen alle partijen hierbuikpijn van zo’n uitvoeringstoets. Als zo’n toets voorbijkomt, moet jenormaal gesproken als Kamer zeggen: zo’n wet sturen we terug. Maar hetlastige is: wat is het alternatief? De huidige situatie is namelijk ook eendrama qua uitvoering en over de oude situatie wordt gezegd dat datjuridisch niet meer mag. Eigenlijk lijkt het er dus op dat we als Kamer heelweinig keuze hebben.Ik doe nog één laatste poging bij de Staatssecretaris. Is er echt alles aangedaan om deze uitvoeringstoets minder slecht te maken? Zijn er nogmanieren over waardoor wij als Kamer de komende – hoelang hebben wenog? – twee maanden kunnen bijsturen om deze wet beter uitvoerbaar temaken? Ik vind het eerlijk gezegd echt zonde van onze broodnodigemensen dat hier 900 fte aan gaat werken. Als we niet kunnen bijsturen,wat gaat er in de komende jaren dan gebeuren als dat aantal mensen nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4423 kan worden aangenomen? Denk bijvoorbeeld aan het aantal waarderings-experts, want daarvan zegt de Staatssecretaris: dat gaat waarschijnlijk nietlukken; ik ga het oplossen met extra data. Wat betekent dat precies?Voorzitter. Een ander risico bij dit voorstel, en eigenlijk bij belasting in hetalgemeen, is belastingontwijking of zelfs -ontduiking. Daarom vraag ik:heeft de Staatssecretaris alle potentiële constructies scherp op hetnetvlies? Hoe gaat de Belastingdienst bijvoorbeeld onderscheid makentussen beleggen in kunst, dat wel belast is, en kunst voor eigen gebruik,die niet belast is? Ik ben zelf geen kunstbelegger of liefhebber, maar datklinkt alsof er een heleboel grensgevallen mogelijk zijn. Ik hoor graag hoede Staatssecretaris dit uitvoerbaar maakt, ook voor mensen zelf.Dan de hypotheekrenteaftrek.De voorzitter:De heer Grinwis heeft nog een vraag op dit punt.De heer Grinwis (ChristenUnie):Vastgoed is vanochtend al een paar keer aan de orde gekomen. Daarvoorwordt in de wet een bijtelling van 3,35% voorgesteld. Ik zag dat mijncollega in zijn inbreng heeft geopperd om die misschien nog wat hoger temaken. Voor kunst geldt geen bijtelling, net als voor goud en anderebronnen. Hoe waardeert mijn collega van GroenLinks-PvdA dat we voorhet ene goed een veronderstelde bijtelling hebben, omdat je ervan geniet,maar voor andere bronnen van vermogen niet? Daar is toch geen touwaan vast te knopen?De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Daar ga ik een paar dingen op zeggen. Eén. Mijn partij blijft – ik kom erstraks nog op terug – voorstander van een vermogensbelasting voor deallerrijksten. De categorie met veel goud zal daar dus onder vallen. Twee.Zoals ik het lees in het verslag, zijn de categorieën die ik daaronder zouwillen laten vallen – denk aan dure boten et cetera – categorieën waarvanhet kabinet zegt: dat neemt in waarde af, dus het levert niks op om dat toete voegen. Dat vind ik daar lastig aan. Wij hebben inderdaad vragengesteld over die vastgoedbijtelling. Er is gekozen voor de onderste 10%van de percentielen. Daarvan kun je zeggen: dat is eigenlijk best mild. Wijkomen niet met amendementen om dat te wijzigen, omdat ik de discussieook snap, maar ik vind het een goede balans om te kijken naar een veiligemarge, waarbij 90% van de huizen erboven zit. Dan denk ik: dat durf ik welaan. Als het punt van de heer Grinwis is hoe het zit met goud, kunst enboten ... Elk amendement dat zorgt voor een uitvoerbare belasting voordeze categorieën, zal ik van harte steunen.De voorzitter:De heer Stultiens vervolgt zijn betoog.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik ga verder met mijn lijstje potentiële belastingontwijkingroutes. Ik beginmet de hypotheekrenteaftrek. Het is de hoogste tijd dat die verder wordtafgebouwd. Ik hoop dat mijn buren daar werk van maken aan deformatietafel. Ik wil wel het volgende vragen, want daarvoor is gewaar-schuwd in campagnetijd. Hoe gaat het kabinet voorkomen dat dierenteaftrek wordt verplaatst naar box 3 als die wordt beperkt in box 1,waar ik voorstander van ben? Kan de Staatssecretaris opties in kaartbrengen? Dat hoeft niet binnen een dag, maar het zou helpen als het opkorte termijn kan, want ik weet niet hoelang ze nog formeren. Dat zouhelpen, want als we dit willen afbouwen, is het volgens mij niet debedoeling dat we het probleem verplaatsen naar box 3, want dan zijn weverder van huis. Ik hoor graag of de Staatssecretaris daar wat aan zoukunnen doen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4424 Dan maak ik nog een klein uitstapje naar box 2. Het kabinet schrijftterecht: «Bij vermogenswinst krijg je een lock-ineffect. Er is een prikkel ombelastingheffing uit te stellen door winst niet te realiseren.» Het kabinetverwijst daarbij naar allerlei rapporten, zoals het Bouwstenenrapport uit2020, het ibo uit 2022 en het CPB-rapport uit 2024. Het zijn allemaalargumenten waaruit blijkt dat er veel vermogen opgepot zit in box 2,soms ook als beleggingsvermogen. Mijn vraag aan het kabinet is: als hetkabinet dit ziet en terecht erkent, waarom doet het daar dan niks aan bijbox 2? Waarom laten we dit ongemoeid? Ik vind de argumenten sterkgenoeg om hier niet voor te kiezen bij box 3.Tot slot op dit punt. Een van de doornen in mijn oog van de afgelopenjaren is het verhuld vermogen in het buitenland. De wetenschap denkt datzo’n 18 tot 44 miljard euro van Nederlandse huishoudens in hetbuitenland verhuld is. De Staatssecretaris zegt in antwoord op onzevragen: wij hebben zelf geen betere inschatting, dus we denken dat hetklopt. Bij zulke bedragen moeten alle alarmbellen gaan rinkelen. Doen wijals land, als overheid, genoeg om dit op te sporen, qua capaciteit eneventuele nieuwe wetgeving? Want ik vind het niet uit te leggen aan allemensen die wel netjes belasting betalen dat er voor tientallen miljardenwordt verhuld in het buitenland. Zou de Staatssecretaris op basis vangegevens bij de Belastingdienst in kaart kunnen brengen hoeveelvermogen wél wordt aangegeven per land? Ook dat hoeft niet vandaag,want ik snap dat dat tijd kost. Maar ik denk wel dat dat ons helpt in onzezoektocht naar verhuld vermogen.Voorzitter. Dat brengt mij bij de gemiste kansen van het wetsvoorstel. Inde afgelopen jaren zijn er veel rapporten verschenen die zeiden: verschuifde belastingen van werk naar vermogen, want in het huidige stelsel is hetevenwicht zoek. Het kabinet geeft aan: wij gaan met dit voorstel geenherverdeling maken van de lasten over de verschillende grondslagen. Ookde VVD zegt net: we willen geen ideologische verschuiving van arbeidnaar kapitaal. Maar vasthouden aan de status quo is ook een ideologischekeuze en in onze ogen een enorme gemiste kans. We wachten al tien jaarop dit wetsvoorstel. Het ligt er nu eindelijk, dus waarom maken we geengebruik van de mogelijkheid om de ongelijkheid in het stelsel teherstellen? Wij komen daarom vandaag als GroenLinks-PvdA zelf met eenwetswijziging, die mede is ingediend door de SP, voor een toptarief inbox 3 in plaats van de huidige vlaktaks. Waarom wordt inkomen uitvermogen niet hetzelfde behandeld als inkomen uit werk? Waarombetalen hardwerkende mensen wel een toptarief als ze veel gaanverdienen, maar beleggers, pandjesbazen en miljonairs niet? Waaromkiest het kabinet toch voor de vlaktaks? Klopt het dat vele andere landenwél een progressieve belasting hebben voor inkomen uit vermogen? Enklopt het ook dat Nederland vroeger, in de jaren 1964 tot 2001, wel eenprogressief tarief had voor inkomen uit vermogen?Voorzitter. Tot slot wil ik stilstaan bij de enorme vermogensongelijkheid inNederland en wereldwijd. Vandaag hebben we het jaarlijkse rapport vanOxfam kunnen zien, dat altijd verschijnt rondom Davos. Wat lezen we? Deelite wordt rijker en machtiger dan ooit en de belastingregels bevoordelende groep die toch al rijk is in plaats van het algemeen belang. Ook inNederland hebben de rijkste 500 families hun vermogen zien verdrievou-digen in tien jaar tijd. Het is daarom de hoogste tijd voor een miljonairsbe-lasting, een vermogensbelasting voor bijvoorbeeld de rijkste 1%. Wehebben eerder vragen gesteld over het voorstel van Zucman, dat bij deG20-top in Brazilië is ingediend. Dat gaat over een wereldwijde minimum-belasting van 2% voor vermogens boven de 100 miljoen. De antwoordenhierop waren helaas niet concreet genoeg.Daarom stel ik opnieuw drie vragen aan de Staatssecretaris. Ook hiervoorgeldt: als het niet lukt om die vandaag te beantwoorden, dan graagbinnen twee weken. Dan komt Zucman namelijk op bezoek bij decommissie voor Financiën. Vraag één: hoeveel geld zou deze belastingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4425 opleveren in Nederland? Vraag twee: per wanneer is die uitvoerbaar voorde Belastingdienst? En vraag drie: wat is er nodig qua voorwaarden omhet juridisch houdbaar te maken? Denk bijvoorbeeld aan een anticumula-tiebepaling van 85%, zoals in Frankrijk. We horen graag hoe dit vormge-geven kan worden. Vervolgens kun je een politiek debat voeren over devraag of het wenselijk is. Wij vinden van wel, maar het helpt in elk gevalom te weten of het kan en wat het oplevert.Ik heb daarnaast nog één vraag: wat doet Nederland in deze discussieconcreet Europees en wereldwijd om dit aan te jagen? Er is Kamerbredesteun om dit wereldwijd in te voeren. Hoe staat het met de oproep van hetkabinet in de Gedragscodegroep om het uit te breiden van bedrijven naarvermogenden? Ik lees in het verslag: Nederland is hard bezig met dediscussie, maar het kan lang gaan duren. Die antwoorden stellen me nieterg gerust, dus ik hoor graag of wij vaker een update kunnen krijgen overhoe het staat met die ontwikkelingen wereldwijd, wat Nederland preciesgedaan heeft en welke bondgenoten we hierop hebben.Voorzitter, tot slot. Dit wetsvoorstel is een stap vooruit. Mijn fractie zal hetdaarom steunen. Tegelijkertijd is het een wetsvoorstel vol met gemistekansen. Wij bieden de Kamer daarom vandaag in elk geval éénamendement aan, waarmee we het wetsvoorstel een stuk beter kunnenmaken. Ik hoop dat alle partijen die in de campagne zeggen op te komenvoor de werkende Nederlander, dit voorstel ook zullen steunen.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Oosterhuis, die spreektnamens de D66-fractie.De heer Oosterhuis (D66):Dank u, voorzitter. Langverwacht en toch gekomen. Al in 2017 is in hetregeerakkoord afgesproken om werkelijk rendement te gaan belasten. Hetheeft even geduurd, maar uiteindelijk ligt dit voorstel er nu. Ik hoor heelveel kritische vragen. Daar heb ik er zelf ook een heel aantal van, maarvoor mij – misschien is het mijn optimistische aard – is het glas toch echthalfvol. Misschien is dit wel een van de grootste belastinghervormingensinds 2001, en een belangrijke. Het is een wet die raakt aan een kernvraagvan onze rechtsstaat: hoe belasten we vermogen op een manier dierechtvaardig is, uitvoerbaar en in overeenstemming met onze grond-rechten? Dat is hoognodig, want het huidige stelsel is onhoudbaar.Mensen betaalden belasting over rendementen die zij nooit hebbenbehaald, terwijl anderen met hogere rendementen relatief weinigbijdroegen. Door de jaren heen is box 3 daarom steeds verder opgelapt,met noodverbanden, tijdelijke reparaties en tegenbewijsregelingen. Watna de uitspraken van de Hoge Raad resteert, is een stelsel dat nog netleeft, maar nauwelijks meer functioneert. Het is een soort fiscaal Franken-stein, samengesteld uit losse onderdelen, juridisch wankel, slechtuitlegbaar en uiterst complex. Dat fiscale Frankenstein heeft ook een prijs:momenteel worden er miljarden euro’s minder belasting geheven opvermogen dan beoogd. Dat raakt aan een groter vraagstuk. Nederlandkent een hoge en groeiende vermogensongelijkheid. D66 vindt dat er nietsmis is met het hebben van vermogen – mensen werken daar vaak hardvoor – maar als de verdeling te scheef wordt, heeft dat steeds minder temaken met inzet en steeds meer met toeval, met de plek van je wieg.Kansengelijkheid is voor D66 cruciaal. Een te scheve vermogensverdelingis slecht voor de economie, slecht voor het functioneren van onzesamenleving en voor onze democratie. Juist daarom is het goed dat dezewet er nu ligt. Het is geen wondermiddel, maar wel een noodzakelijke stapom afscheid te nemen van een onhoudbaar stelsel.Voorzitter. Ik ga het vandaag niet al te spannend maken: D66 staat positieftegenover deze wet. Ik vind het belangrijk dat deze per 2028 wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4426 ingevoerd. Dat neemt niet weg dat ik nog veel vragen heb en er ook noggenoeg discussie valt te voeren over eventuele wijzigingen en overvrijstellingen, hoogte van tarieven et cetera. Ik kijk daarbij ook naar mijnbuurman. Maar we behandelen deze wet nu midden in de kabinetsfor-matie. Ik vind het wel verstandig om die eerst af te ronden. Er komen ooknog genoeg momenten om te wijzigen, bijvoorbeeld bij een belastingplan.Voorzitter. De afgelopen jaren is veel gesproken over de vraag ofvermogenswinst of de vermogensaanwas moet worden belast, of het helevermogen, zoals de heer Grinwis voorstelt. Beide varianten, vermogens-winst en vermogensaanwas, hebben voor- en nadelen. Ik vind de keuze indit wetsvoorstel best wel begrijpelijk en verdedigbaar: een vermogens-aanwasbelasting als hoofdregel en een vermogenswinstbelasting voorminder liquide vermogensbestanddelen, zoals vastgoed. Een aanwasbe-lasting verstoort de markt minder, doordat mensen hun verkoopbeslissingniet uitstellen. Als je weet dat je bij verkoop over tien of twintig jaar aanrendement belasting moet aftikken, nodigt dat immers niet erg uit om teverkopen. Een bijkomend voordeel vind ik dus ook dat een aanwasbe-lasting de belastingdruk over de jaren spreidt en er niet in één keer eengrote belastingaanslag is. Nadeel van de aanwasbelasting is wel dat jebelasting betaalt over rendementen die nog niet altijd zijn gerealiseerd.Dat is leuk als je aandeel in waarde stijgt, maar het is minder leuk om daarbelasting over te moeten betalen als het volgend jaar weer in waardedaalt. Ik snap ook wel dat mensen dat een lastig principe vinden, maarmet de mogelijkheid tot onbeperkte voorwaartse verliesverrekening isdaar wat mij betreft goed in voorzien. Voor onroerend goed en aandelenin startende ondernemingen gaat een vermogenswinstbelasting gelden.Voor andere vermogensbestanddelen moet de belasting betaald wordenuit vrij beschikbaar spaargeld of door het verkopen van een deel van debeleggingen. Zijn er nu situaties waarin de Staatssecretaris daarproblemen voorziet, bijvoorbeeld met slecht verhandelbare aandelen ofwerknemersparticipaties? Hoe weegt hij de kritiek op dat punt?Een vermogensaanwasbelasting sluit ook beter aan bij de situatie waarwe vandaan komen. Een vermogenswinstbelasting kent een ingroeitijd,waardoor er best wel lange tijd minder belastinginkomsten zijn. Dat leidtin ieder geval tot een budgettair gat, waar we het net al even over hebbengehad, maar ik zie ook wel het risico dat in die ingroeiperiode devermogensongelijkheid toeneemt. Hoe ziet de Staatssecretaris dat?Voorzitter. De keerzijde van het belasten van rendement is dat het deprikkel om met wat meer risico te beleggen kleiner maakt. Als je € 50.000hebt, waarvan de helft spaargeld is en de andere helft aandelen zijn,betaal je meestal meer belasting dan wanneer je € 150.000 op eenspaarrekening hebt staan. Ik kan mij indenken dat dit voor mensen eenreden kan zijn om de stap naar beleggen uit te stellen of niet te zetten. Datzou ik wel jammer vinden. Heeft de Staatssecretaris hiernaar gekeken?Heeft hij bijvoorbeeld overwogen om een aparte vrijstelling voorspaargeld en een aparte vrijstelling voor overige beleggingen in tevoeren?Voorzitter. Een vermogenswinstbelasting heeft als voordeel dat hetwerkelijk gerealiseerde rendement wordt belast, maar het nadeel is datdie belasting over een aantal jaren heel fors kan oplopen. Dat zie ik ookwel als een risico bij de vermogenswinstelementen in dit wetsvoorstel,bijvoorbeeld bij life events zoals een scheiding of bij overlijden. Stel dat jeouder komt te overlijden; je erft een vakantiehuis dat al decennia in defamilie is en dat wil je niet graag verkopen. Of je gaat scheiden, terwijl jewerknemersparticipaties hebt in een succesvolle start-up. Dan moetbelasting worden betaald over de niet-gerealiseerde waardemutaties. Datkan leiden tot forse belastingaanslagen op momenten waarop mensenemotioneel en soms ook financieel al onder druk staan. De heerHoogeveen heeft een amendement dat hieraan raakt. Ik zie uit naar deappreciatie van dat amendement.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4427 Ik heb sowieso een paar vragen. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat ergoede en voorspelbare betalingsregelingen zullen zijn voor belastingplich-tigen die in dit soort situaties met een hoge heffing worden geconfron-teerd? Worden die regelingen ook actief onder de aandacht gebracht? Hoewordt in deze situaties rekening gehouden met het doenvermogen vanmensen die onverwacht te maken krijgen met complexe fiscale verplich-tingen? Voor D66 is het belangrijk dat een stelsel dat rechtvaardigheidbeoogt, ook rechtvaardig is in moeilijke persoonlijke omstandigheden.Mijn laatste vraag over dit onderwerp. Er moet ook worden afgerekend bijtrouwen. Misschien begrijp ik de memorie van toelichting op dit punt niethelemaal goed, maar zoals ik het lees, moet er ook worden afgerekend alser wordt getrouwd in beperkte gemeenschap van goederen. Stel je trouwtop je 55ste. Je hebt inmiddels een vakantiehuisje en dat is € 50.000 inwaarde gestegen. Wat mij betreft is het scenario dan niet geheelondenkbaar dat je dan op je trouwdag € 18.000 aan belasting magaftikken. Dan wordt die bruiloft toch een stuk minder feestelijk. Sterkernog, misschien gaan mensen om die reden wel níet trouwen. Als men inbeperkte gemeenschap van goederen trouwt en het vakantiehuis in ditvoorbeeld buiten de gemeenschap van goederen blijft, waarom moet dantoch belasting worden betaald? Is dat nu noodzakelijk en redelijk?Voorzitter. Dan heb ik vragen over de vastgoedbijtelling. Dit is eigenlijk deenige uitzondering op het werkelijke rendement. Hierbij wordt namelijkuitgegaan van een forfaitaire bijtelling van 3,35%. Ik stel voorop dat ik diebijtelling terecht vind. Eigen gebruik kan worden gezien als inkomen innatura. Die bijtelling is ook een goede prikkel om vastgoed te verhuren.Zeker in een tijd van woningtekorten vind ik dat legitiem. Meneer Grinwismaakte de vergelijking met de goudstaaf, maar in een goudstaaf kun jeniet wonen. Volgens mij is het ook voor de lokale omgeving goed datwoningen en vakantiehuisjes worden verhuurd in plaats van grotendeelsleegstaan. Ik zie dat er kritiek is op de juridische houdbaarheid van dezevastgoedbijtelling. Ik zou het risico dat die sneuvelt bij een rechter willenminimaliseren. Daarom nodig ik de Staatssecretaris uit om de kritiek opdit punt vast bij voorbaat te pareren. Tegelijkertijd vraag ik hem waaromgekozen is voor het laagste deciel als uitgangspunt, want 90% van hetvastgoed heeft een hogere huurwaarde. Is de Staatssecretaris ervanovertuigd dat een hoger percentage juridisch onhoudbaar is? Of is hij omeen andere reden wat conservatiever?Onderhoudskosten mogen worden verrekend met de vastgoedbijtelling.Betekent dit ook dat, als de onderhoudskosten hoger zijn dan de bijtelling,er fiscaal gezien een verlies is dat verrekend kan worden?Voorzitter. Dan heb ik een aantal vragen over de tarieven. Het belasting-tarief van 36% in box 3 is lager dan het tarief van de tweede schijf in box 1en het is ook lager dan het gecombineerde tarief van box 2 en devennootschapsbelasting. D66 ziet liever een wat hogere belasting opvermogen en een lagere op arbeid. Verwacht de Staatssecretaris nu grotegedragseffecten als het tarief in box 3 meer richting de tweede schijf inbox 1 of richting de combinatie van vennootschapsbelasting en box 2gaat?Ook ziet D66 principieel veel in een progressief tarief voor inkomen en dusook voor inkomen uit vermogen. Vermogen en inkomen uit vermogen zijnin Nederland namelijk heel ongelijk verdeeld en een vlak tarief doet dusonvoldoende recht aan verschillen in draagkracht. Ziet de Staatssecretarisruimte, nu of in de toekomst, om toe te groeien naar zo’n progressievetariefstructuur in box 3? Welke uitvoerings- en gedragseffecten voorziethet kabinet daarbij?Voorzitter. Ik vraag de Staatssecretaris of dit stelsel door het kabinet wordtgezien als een eindpunt of juist als een fundament waarop verdere keuzesmogelijk zijn. Welke knoppen zouden volgens de Staatssecretaris nogtoegevoegd kunnen worden? Is er bijvoorbeeld ruimte voor gerichtecorrecties voor zeer grote vermogens? Hoe kijkt het kabinet naar deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4428 mogelijkheid van een aanvullende vermogensbelasting, niet als eenvervanging, maar als een aanvulling op dit stelsel? Wat zijn devoorwaarden waaronder zo’n vermogensbelasting voor de echt grotevermogens, beginnend bij een miljoen, zou ik zeggen, juridisch houdbaaris? Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de wenselijkheid van hetbelasten van inkomen uit vermogen, maar ook van de omvang van hetvermogen?Ik vraag dit niet omdat D66 morgen nieuwe belastingen wil invoeren,maar wel omdat de Raad van State terecht wijst op de noodzaak van eenintegrale visie op het belasten van vermogen. Kan de Staatssecretarisschetsen hoe hij die samenhang ziet, ook in relatie tot box 1 en box 2?Ook internationaal zien we dat extreem rijken allerlei mogelijkhedenhebben om zo min mogelijk belasting te betalen. Bij welke initiatieven isde Staatssecretaris betrokken om er met andere landen voor te zorgen dater ook bij die groep eerlijk belasting wordt geheven?Voorzitter. Naast het tarief is ook de hoogte van het heffingsvrij resultaatvan belang. Op dat punt is tijdens dit wetstraject nog een opmerkelijkekeuze gemaakt, die nergens is toegelicht. In een eerdere versie van hetwetsvoorstel, de consultatieversie, was de hoogte van het heffingsvrijresultaat € 1.250. In het wetsvoorstel is dat op € 1.800 gezet. Was is dereden hiervoor? Leverde het wetsvoorstel meer op dan verwacht of zithier een andere keuze achter? In de huidige box 3 hebben we eenheffingsvrij vermogen van ruim € 57.000. Als je dan uitgaat van de2%-inflatiedoelstelling van de ECB, zou zo’n heffingsvrij resultaat vanongeveer € 1.200 meer voor de hand liggen, als je het neutraal overzet.Waarom is het heffingsvrij resultaat dan toch verhoogd en heeft hetkabinet er niet voor gekozen om met zo’n extra opbrengst, die er blijkbaarwas, de belasting op arbeid te verlagen of om deze meevaller te gebruikenom de – laat ik mild zijn – budgettaire uitdaging die dit kabinet achterlaatenigszins te verkleinen?Voorzitter. Ik kom bijna aan het einde. Bij het Belastingplan heb ikaandacht gevraagd voor het laten herleven van de belastingvoordelen inbox 3 voor groen sparen en beleggen. Die hebben we ook weer bevestigdin de afspraken die we met het CDA hebben gemaakt voor de kerst. Datbelastingvoordeel zit nu niet in deze wet, omdat die in de huidige box 3uitgefaseerd wordt. Ik zie ’m wel graag terugkeren in deze wet. Wemoeten natuurlijk wel nette afspraken maken over de dekking daarvan,dus daarvoor komt deze behandeling net wat vroeg. Ik vraag wel aan deStaatssecretaris of het nog uitvoerbaar is per 2028 als we dat dus niet nudoen, maar als dat wordt opgenomen in het eerstvolgende Belastingplan.Voorzitter. Ik sluit af. Het oude box 3-stelsel is echt een fiscaal monster vanFrankenstein geworden. De bedoeling is goed, maar uiteindelijk is hetecht een monster dat niemand meer kan verdedigen. Met deze wet zettenwe een noodzakelijke stap om dat monster achter ons te laten. Ik zie hetals een noodzakelijke stap. Het is niet perfect, niet eenvoudig, maar welbeter. Het is eerlijker voor spaarders, rechtvaardiger voor beleggers ensteviger verankerd in de rechtsstaat. Mijn steun gaat gepaard metkritische vragen, omdat we willen dat dit stelsel standhoudt, juridisch, inde uitvoering en maatschappelijk. De komende jaren zullen leren of ditevenwicht in de praktijk werkt. Daarvoor blijven monitoring, evaluatie enbijsturing onmisbaar.Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank voor uw inbreng. U krijgt nog een interruptie van de heerStultiens en daarna van de heer Grinwis.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Met een heel groot deel van het betoog van D66 ben ik het eens. Het isalleen jammer dat het nu samenvalt met de formatie. Ik snap heel goedTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4429 dat er wordt onderhandeld; daar ga ik niet flauw over doen. Maar ik benwel benieuwd wat die woorden dan waard zijn. Ik hoor u over progres-sieve belasting, vermogensbelasting en aanpak. Dat zijn allemaal dingendie ik steun. Komt er over een paar weken een soort amendementen-pakket of is dit meer voor het Belastingplan van volgend jaar? Watbetekenen deze goede woorden voor de komende jaren?De heer Oosterhuis (D66):Volgens mij zijn alle zaken die ik daarin op dat vlak zou willen wijzigen, losvan de afspraken die we daarover kunnen maken, dingen die prima in hetBelastingplan geregeld kunnen worden. Ik zou het dus eerder in hetBelastingplan terugzien dan in amendementen die na dit WGO nogworden ingediend.De heer Grinwis (ChristenUnie):De eerste hobbel is volgens mij op 30 januari of 31 januari, als er dan eenconceptcoalitieakkoord ligt. Volgens mij kunnen we als Kamer afsprekendat we in ieder geval na de bekendmaking van dat coalitieakkoordstemmen, zodat we een vergelijking kunnen maken en kunnen zien of allepijnpunten erin zitten.Ik heb een vraag over wat collega Oosterhuis zei over inflatie. Hij zei dathet heffingsvrije inkomen van € 1.800 daaraan gerelateerd moet zijn.Tenminste, dat was volgens mij de portee van zijn inbreng. Is dat zo?Inflatie is voor veel burgers sowieso een enorm pijnpunt in box 3, wantdaar wordt helemaal geen rekening mee gehouden. Je wordt gewoonvolledig aangeslagen over het nominaal inkomen. Is het heffingsvrijeinkomen dan inderdaad een soort compensatie voor inflatie? Hoebedoelde de heer Oosterhuis dat? Als dat zo is, moet je het heffingsvrijeinkomen dan niet vaststellen op basis van de daadwerkelijke inflatie vande afgelopen jaren? Dan is € 1.800 misschien wel te laag, met het oog opde inflatiepercentages van de afgelopen jaren.De heer Oosterhuis (D66):Ik bedoelde het niet zoals meneer Grinwis het nu uitlegt. Ik heb gezien dathet heffingsvrije resultaat gaandeweg is verhoogd van € 1.200 naar€ 1.800. Dat roept vragen bij mij op, want waarom is dat gebeurd? Toendacht ik zelf: wat is nu redelijk, uitgaande van de huidige situatie, waarinwe een heffingsvrij vermogen hebben? Ik vind het heel reëel dat mensenspaargeld kunnen aanhouden voor onverwachte gebeurtenissen, want jehuis moet misschien gerepareerd worden, je auto of de wasmachine gaateen keer kapot et cetera. Ik vind het heel realistisch dat je daar risicovrij,belastingvrij, een bedrag voor op je rekening mag hebben. Maar als ik datdan relateer ... We hebben nu een heffingsvrij vermogen van € 57.000. Ikdenk dat dat een heel redelijk bedrag is. Mocht je getrouwd zijn en/of eenfiscaal partner hebben, dan wordt dat bedrag nog eens verdubbeld. Als jedat doorrekent naar wat een redelijk heffingsvrij resultaat zou zijn, zou jebijvoorbeeld ook de rente op spaargeld kunnen gebruiken. In alle gevallenkom ik dan eerder uit op een bedrag van rond de € 1.200 dan rond de€ 1.800.De heer Grinwis (ChristenUnie):Het heffingsvrije vermogen is nu ruim € 59.000; dat is een gevolg van datmooie amendement. Dan is € 1.800 een rendement van ongeveer 3% opdie € 59.000, als je het zou bekijken zoals de heer Oosterhuis in zijnbijdrage deed. Dat is toch niet zo heel onredelijk? Ik vond de redeneringmet de inflatie erin wat gezocht. Als het hem ernst is om ook de inflatie tecorrigeren via een soort heffingsvrij resultaat, zou dat bedrag nog eerderomhoog moeten dan omlaag. Volgens mij is de inflatie sowieso eenenorme olifant in de kamer, die we niet echt serieus bespreken met elkaar.Het is een enorm ding. Eigenlijk teert het in, maar vervolgens mag je welTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4430 belasting betalen over je nominale inkomen, dat in de praktijk veel minderwaard is.De heer Oosterhuis (D66):Als de inflatie jarenlang, vele jaren lang, boven die 2% zou zitten, zou datinderdaad het geval zijn, maar als het incidenteel of kortdurend het gevalis, denk ik dat dat wat minder het geval is. Daar komt bij dat alle vrijstel-lingen elk jaar geïndexeerd worden met de tabelcorrectiefactor. Daarmeewordt de inflatie natuurlijk al wel gecompenseerd. Ik zie dat dus toch netanders.De voorzitter:Ik zag mevrouw Van Eijk een beweging maken.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ja. Ik heb inderdaad een hele korte vraag naar aanleiding van de inbrengvan de heer Oosterhuis ten aanzien van het stimuleren van beleggen. Datvinden we allebei belangrijk, maar als je uitgaat van een rendement van2% op een vermogen van ongeveer € 60.000 of € 70.000, kom je nietverder dan sparen. Als je een beetje een serieus rendement wilt behalenmet investeringen in beleggingen et cetera, zou een verruiming van hetheffingsvrije resultaat veel meer voor de hand liggen dan een verlagingdaarvan.De heer Oosterhuis (D66):Dit is ook de reden dat ik in mijn bijdrage de suggestie heb gedaan vooreen vrijstelling voor sparen en een vrijstelling voor beleggen, maar ikhoor van graag de Staatssecretaris of dat uitvoerbaar is. Ik kan me ookandere mogelijkheden indenken om dit te stimuleren. Dit was de redenvoor die suggestie.De voorzitter:Ik kijk even naar de tijd en ook naar de sluitingstijd van het restaurant.Gelet op de opgegeven spreektijd van mevrouw Van Dijk lijkt het meverstandig om nu voor een halfuur te schorsen om te lunchen. Dan gaanwe daarna verder. Ik kan dan trouwens ook beginnen met de heerVermeer. De heer Vermeer en de heer Stoffer moesten even de zaal uit,maar die zijn er weer. Dan beginnen we met de heer Vermeer om13.40 uur. Ja? We zijn tot dan geschorst.De vergadering wordt van 13.11 uur tot 13.42 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën,het wetgevingsoverleg over de Wet werkelijk rendement box 3. Wehebben al zes van de elf sprekers gehad. We gaan nu door met de tweedehelft van de eerste termijn van de Kamer. Ik geef het woord aan de heerVermeer, die het woord voert namens de BBB-fractie.De heer Vermeer (BBB):Dank u wel, voorzitter. De weg richting rechtvaardige belasting in box 3gaat niet over rozen. Na het kerstarrest van de Hoge Raad in 2021 ...Voorzitter, ik ben wat buiten adem. Zou de heer Stoffer eerst even mogen?De voorzitter:Ja, zeker.De heer Vermeer (BBB):In verband met mijn longen lijkt me dat beter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4431 De voorzitter:Dan geef ik het woord aan de heer Stoffer namens de SGP-fractie.De heer Stoffer (SGP):Dank, voorzitter, met alle plezier. We bespreken vandaag een wet met eenlange geschiedenis. Heel veel voorgangers van deze Staatssecretaris zijnal met deze wet bezig geweest. Het is goed dat er vandaag een concreetvoorstel voorligt. Hoewel wij kritisch zijn op onderdelen van de wet – daarkom ik zo op terug – zijn we blij dat die er vandaag ligt. Het wetsvoorstelzorgt ervoor dat er veel meer op basis van werkelijk rendement wordtgeheven. Dat is goed. Daar pleit de SGP ook al jaren voor. Ik heb helaasniet alle sprekers voor mij kunnen horen, maar degenen die ik wel hebgehoord, hebben ook al aangegeven dat het oude stelsel de houdbaar-heidsdatum ruim overschreden heeft. Dat vinden wij ook. Met kunst- envliegwerk en middels de reparatiewetgeving hebben we het stelsel deafgelopen jaren in de lucht gehouden, maar ik denk dat iedereen het erwel over eens is dat het goed is dat er een nieuw stelsel komt. Vooral delage rentestanden op spaargelden zorgden ervoor dat burgers veelzwaarder belast werden dan rechtvaardig is, terwijl beleggers met hogerendementen soms juist te laag belast werden. Dat zullen ze zelf nietgevonden hebben, maar ik denk dat dat objectief gezien het geval was.Daarom moet er gewoon een stelsel op basis van het werkelijk rendementkomen. Dat is rechtvaardig en doet recht aan de draagkracht vanbelastingplichtigen.Ik zei het al: deze wet kent een lange geschiedenis. Er is lang gesprokenover de vormgeving; moest er geheven worden op basis van vermogens-aanwas of vermogenswinst? Laat ik gelijk zeggen: ik kan de huidige opzetin grote lijnen volgen, maar zie ook wel een aantal bezwaren. Omdat erbelasting wordt geheven op basis van niet-gerealiseerde vermogens-aanwas, kunnen er grote problemen ontstaan, zoals bij kleine beleggers,die ondanks een kleine portefeuille toch al snel belasting moeten gaanafdragen. Vaak zijn dat middeninkomens, maar ook eigenaren van tweedewoningen kunnen al snel in de problemen komen als ze hun woning nietof nauwelijks verhuren. Dat geldt ook voor kleine ondernemers die hunpensioen belegd hebben, maar elk jaar al belasting moeten afdragen overhun pensioenvermogen. Kortom, als SGP zijn we zeker van mening dathet stelsel aangepakt moet worden, maar zien we ook bezwaren in ditvoorstel.Voorzitter. Voor vrijwel alle vermogensbestanddelen wordt er geheven opbasis van vermogensaanwas, maar er zijn uitzonderingen, bijvoorbeeldvoor start- en scale-ups. Dat is te begrijpen, want een belasting opvermogensaanwas zou daar hele negatieve gevolgen hebben. Datzelfdegeldt overigens voor aandelen in familiebedrijven. Die worden niet elkjaar opnieuw gewaardeerd, wat wel moet gebeuren in het nieuwe stelsel.Mijn vraag is of de Staatssecretaris het ermee eens is dat dit een groteextra uitvoeringslast voor familiebedrijven met zich meebrengt. Dieaandelen zijn namelijk niet vrij verhandelbaar en als er over de vermo-gensaanwas betaald moet worden, dan gaat het al snel ten koste van hetfamiliebedrijf zelf.De SGP is er voorstander van om de aandelen in familiebedrijven tebelasten op basis van vermogenswinstbelasting. In het eerste voorstelvan deze wet was dit ook zo geregeld, maar op basis van een onderzoek isgeconcludeerd dat dit mogelijk in strijd is met Europese regelgeving, metname omdat familiebedrijven lastig te definiëren zijn. Mijn vraag is danook of de oplossing niet veel meer zit in het beter definiëren van familie-bedrijven. Ik hoor graag van de Staatssecretaris hoe hij daartegenaankijkt. De gevolgen voor familiebedrijven, en daarmee voor deNederlandse economie, en voor de grote maatschappelijke waarde die zijhebben, zijn namelijk groot. Ik zou de Staatssecretaris toch willenuitdagen om te bezien of hier een oplossing voor te realiseren is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4432 Overigens speelt een vergelijkbaar probleem bij kapitaalverzekeringen.Ook die zijn niet liquide, terwijl er wel jaarlijks belasting betaald moetworden. Ziet de Staatssecretaris ook dit probleem en zou daar misschieneen oplossing voor te realiseren zijn?Voorzitter. Bij tweede woningen wordt niet altijd geheven op basis van hetwerkelijk rendement, bijvoorbeeld bij vakantiewoningen die weinigverhuurd worden. Dan geldt de vastgoedbijtelling over het hoogstebedrag van de huuropbrengsten en de vastgoedbijtelling. Dat is, hoe jehet ook wendt of keert, een forfaitair rendement en doet niet altijd rechtaan de situatie in de praktijk. Los daarvan wordt er dan dus belastinggeheven terwijl er soms helemaal geen inkomsten zijn. Door de VVD isook al iets gezegd over een tegenbewijsregeling. Maar goed, we zien welwat de beantwoording daarop is. Hoe dan ook, er gelden voor verhuurvan recreatiewoningen ook beperkingen, zoals een verbod op verhuur inde winter. Mijn vraag is: houdt de vastgoedbijtelling daar nu rekeningmee?Bij het vaststellen van de vastgoedbijtelling is aangesloten bij degemiddelde economische huurwaarde, maar als een woning of andervastgoed niet verhuurd wordt, dan is er gewoon geen huuropbrengst. Deeigenaar wordt er niet beter van en er zijn geen inkomsten. Je weet bij hetvaststellen van de gemiddelde huuropbrengst één ding nagenoeg zeker:bijna niemand haalt precies dat gemiddelde. Er zitten ook altijd burgers bijdie een lagere huuropbrengst hebben, terwijl we in dat geval welbelasting heffen op basis van een forfaitair rendement dat zeker niet altijdrecht doet aan de werkelijkheid.Ten slotte, voor al het onroerend goed wordt belasting geheven op basisvan de huur van huurwoningen, terwijl er een breed scala aan typenonroerend goed is. Mijn vraag is: is er een risico op rechtszaken die ditforfaitaire rendement gaan testen? Is er dan ook een risico dat bijvoor-beeld de Hoge Raad de wetgever opnieuw terugfluit? Los van dejuridische grondslag: er wordt dus niet geheven op basis van werkelijkrendement. Volgens mij doet dat afbreuk aan het wetsvoorstel.Voorzitter. Een ander probleem doet zich voor bij landgoederen onder deNatuurschoonwet. Ten eerste zijn dat landgoederen met vaak grotemaatschappelijke waarde. De heer Grinwis heeft daar al mooi beeldendover verteld. Ik zal alle landgoederen waarover ik in mijn jeugd hebgewandeld niet noemen, maar ik ben het geheel met hem eens.Kenmerkend is ook dat deze landgoederen weinig van eigenaar veran-deren en dat die ook bij wisseling van eigenaar geen liquide vermogenopleveren. Op basis van het voorliggende wetsvoorstel moet er echter welbelasting worden betaald over de vermogensaanwas op papier. Dat zethet voortbestaan van deze belangrijke landgoederen op het spel. Ik hebdaarom ook van harte meegetekend met het voorstel van de heer Grinwis,die in zijn amendement een vrijstelling voorstelt. Hierdoor hoeft er ondervoorwaarden geen belasting te worden betaald over de papierenwaardestijging. Uiteraard zijn ook wij benieuwd naar de reactie van deStaatssecretaris.Datzelfde speelt overigens bij verpachte landbouwgronden. Ook daar issprake van een grote maatschappelijke waarde, omdat langdurigverpachte landbouwgronden een duurzaam verdienmodel stimuleren enzorgen voor verantwoord gebruik van landbouwgronden. Ook hier dreigtnu te worden belast bij bijvoorbeeld vererving, maar ook hier zijn geenliquide middelen beschikbaar. Er kán vaak ook niet verkocht worden,omdat er sprake is van langdurige pachtcontracten. Mijn vraag aan deStaatssecretaris is of hij inziet dat dit tot grote financiële problemen zoukunnen leiden. Een oplossing kan zijn om bij langdurig bezit de heffing tematigen of te werken met een afbouw van de heffing als onroerend goedlangere tijd in bezit is. Mijn vraag is: welke oplossing zou de Staatssecre-taris hiervoor kunnen bieden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4433 Voorzitter. Deze wet wijzigt het stelsel van box 3 grondig en de gevolgenzijn groot. De invoering moet heel goed gemonitord worden, zeker omdatuit de uitvoeringstoets blijkt dat de impact ingrijpend is en het risico opprocesverstoringen groot is. Ook de Raad voor de rechtspraak wijst opeen substantiële stijging van de werklast. Ik snap heel goed dat je niet alna een jaar kunt evalueren, maar een regelmatige invoeringstoets isvolgens de SGP wel essentieel en kan al snel na aanname van ditwetsvoorstel gebeuren. Bij de Wet toekomst pensioenen, ook een grotestelselwijziging, wordt regelmatig een invoeringstoets gedaan. Dat isbelangrijk om problemen en uitdagingen bij de invoering snel in beeld tekrijgen en eventuele aanpassingen op tijd door te voeren. Mijn vraag isdan ook of de Staatssecretaris bereid is om regelmatig invoeringstoetsente doen. Mocht dat niet zo zijn, dan overweeg ik een motie op dit punt.Dit wetsvoorstel zou budgetneutraal moeten zijn ten opzichte van hethuidige stelsel. Op korte termijn is dat zo, als je de uitvoeringskostenmeerekent, maar op langere termijn is er flinke overdekking, van maarliefst 1,9 miljard euro per jaar. Daar komt nog bij dat de opbrengstvergeleken wordt met het oude stelsel, terwijl de Hoge Raad heeft gezegddat het oude stelsel in strijd was met het recht. Er zou dus eigenlijkvergeleken moeten worden met het huidige, tijdelijke gerepareerdestelsel. Kortom, dit wetsvoorstel zorgt voor een forse lastenverzwaringvoor burgers. Mijn vraag is waarom er niet is gekozen voor een langeretermijn waarin de budgetneutraliteit wordt getoetst. En waarom is er ookniet besloten om na een bepaalde periode bijvoorbeeld het heffingsvrijeresultaat te verhogen, of het tarief te verlagen? De opbrengst van denieuwe heffing is daarnaast zeer conjunctuurgevoelig. In goede jaren is ereen goede opbrengst, en andersom. Dat is vooraf niet duidelijk. Dat zougrote gevolgen kunnen hebben voor de inkomsten van het Rijk, endaarmee ook voor de begrotingsregels. Mijn vraag is hoe de Staatssecre-taris dit voor zich ziet. Zou er aanvulling van begrotingsregels nodig zijn?Voorzitter. Dit wetsvoorstel introduceert ook een administratie- enbewaarplicht voor particulieren. Op dit moment hebben ze die bewaar-plicht niet. Voor veel mensen gaat dit wetsvoorstel dus extra werkopleveren, zeker omdat de termijn van de bewaarplicht zeven jaar is.Gelukkig geldt deze bewaarplicht niet voor mensen met alleen spaargeldbij Nederlandse banken, omdat de Belastingdienst deze gegevens vrijeenvoudig kan opvragen bij banken. Wat de SGP betreft wordt dezeadministratie- en bewaarplicht zo lastenluw mogelijk uitgewerkt. Hetwetsvoorstel biedt namelijk een grondslag om deze plicht nader uit tewerken. Het moet voor belastingplichtigen ook zo makkelijk mogelijkworden gemaakt om aan de administratie- en bewaarplicht te voldoen.Mijn vraag is of dat ook de inzet is van de Staatssecretaris. Steeds meerfinanciële gegevens van belastingplichtigen kunnen door de Belasting-dienst worden opgevraagd bij financiële instellingen. Ik schat in dat datalleen maar meer zal worden. Mijn vraag is hoe de Staatssecretaris bij deuitwerking rekening houdt met die toenemende gegevensdeling.Voorzitter. Sommige mensen hebben weliswaar vermogensbestanddelenwaarvan de Belastingdienst niet automatisch gegevens krijgt, maar somsis dat vermogen zo klein dat op voorhand al te zien is dat er geenbelasting verschuldigd is. Mijn laatste vragen zijn dan dus ook waarom erniet voor gekozen is om de administratie- en bewaarplicht in die gevallente laten vervallen, of om de verantwoordelijkheid daarvan bij belasting-plichtigen te leggen en een generieke plicht te schrappen.Daar laat ik het bij. Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4434 De voorzitter:Hartelijk dank. Dan ga ik even terug naar de heer Vermeer voor zijninbreng namens de BBB-fractie.De heer Vermeer (BBB):Dank u wel, voorzitter. De weg richting een rechtvaardige belasting inbox 3 gaat niet over rozen. Na het kerstarrest van de Hoge Raad in 2021heeft het kabinet gepoogd orde op zaken te stellen. Een onderdeel hiervanis de invoering van de Wet tegenbewijsregeling. Mijn fractie was en isdaar bepaald niet enthousiast over. Ik noem nogmaals een paar redenenwaarom dat zo is: kosten zijn niet aftrekbaar voor woningbezitters envermogensaanwas, oftewel papieren winst, wordt meegerekend alsrendement. Het rendementspercentage van een individueel belegger valtdaardoor veel hoger uit dan het daadwerkelijk is. Dan heb ik het nog nieteens gehad over inflatie. Tegenbewijs leveren heeft in veel gevallenweinig zin meer. Ik heb destijds, in juni, een amendement ingediend omwoningbezitters in ieder geval de mogelijkheid te geven hun bezit over tehevelen naar een bv, om zo massale verkoop van huurwoningen testutten. Dat amendement heeft het niet gehaald. We zien nu om ons heenhoe de huurmarkt krimpt.Afgelopen week berichtten diverse media dat starters meer woningenkunnen kopen door het zogeheten uitponden. Dat lijkt goed nieuws, maarhet leidt ook tot meer woningnood voor mensen die afhankelijk zijn vanhuur. Wij hebben een werkelijkheid gecreëerd waarbij verhuren niet loont.De verhuurder wordt als het ware vermorzeld tussen een hoge box 3-belasting aan de ene kant en de Wet betaalbare huur aan de andere kant.Het is vast socialistisch te noemen, maar het is niet sociaal. Dat is kwalijk,want ook het beleid dat zich moet richten op het vlottrekken van dekoopsector is gebaat bij een gezonde, vrije huursector; vaak gebruikt alstussenstation voor mensen die net niet kunnen kopen, maar te veelverdienen voor sociale huur. Deze dynamiek wordt kapotgemaakt.Voorzitter. Dan kom ik bij de Wet werkelijk rendement, die hopelijk watverbetering gaat bieden, al is dat wat BBB betreft nog niet voldoende.Zoals vaker aangegeven pleit BBB voor een belasting over daadwerkelijkgerealiseerd rendement en niet over papieren winsten. De vermogensaan-wasbelasting voor niet-onroerende zaken zien wij dan ook liever helemaalverdwijnen. Dat dit niet van de ene op de andere dag kan, snappen we. Ikben blij dat de Staatssecretaris de Wet werkelijk rendement, zoals die nuvoorligt, ook niet per definitie beschouwt als een eindstation. Waaromstarten we echter met iets waarvan we nu al weten dat het niet recht-vaardig is? We moeten het patroon van budgetneutraliteit doorbrekenoftewel stoppen met de focus op kortetermijnopbrengst en het negerenvan zaken als inflatie. De heer Stultiens van GroenLinks-PvdA zei zojuist ineen interruptie: er moet geld voor uitgetrokken worden. Dit gaat echterover budget en niet over rechtvaardigheid. Het «geld uittrekken voor»noemen van iets wat eigenlijk al onrechtvaardig belast wordt, is precieshet probleem waarover we hier praten.Dit roept ook vragen op over het standpunt van voorgaande bewindsper-sonen. Er is namelijk veelvuldig gesteld dat een vermogenswinstbelastingonuitvoerbaar zou zijn, omdat belastingplichtigen dan de historischekostprijs van al hun bezittingen decennialang moeten bijhouden.Bovendien zou dit voor de Belastingdienst niet te handhaven zijn. Blijkteen vermogenswinstbelasting anno 2026 ineens wel een begaanbaar padin de uitvoering? Wat is er dan veranderd?De Wet werkelijk rendement zal naar verwachting ook gaan leiden totenkele problemen. Diverse organisaties uit het veld hebben gewaar-schuwd voor problemen met de belastingheffingen rond belangen inniet-beursgenoteerde bedrijven. Enerzijds speelt daarbij de waarderings-problematiek, wat een uitdaging kan zijn als er geen duidelijke kadersworden gegeven. Een juridische strijd tussen belastingplichtigen en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4435 Belastingdienst is dan het gevolg. Anderzijds kunnen er bij vermogens-aanwasbelasting liquiditeitsproblemen ontstaan als de aandelen inkwestie moeilijk verhandelbaar zijn en er wel belasting moet wordenbetaald over een gegeven jaar. De meeste mensen hier aan tafel hebbendat ook al benoemd.De Staatssecretaris heeft hier al de nodige aandacht aan besteed door testellen dat een te ruime invulling van de uitzonderingsregeling alsstaatssteun zou kunnen worden aangemerkt. De uitzondering voorstart-ups zou beter uit te leggen zijn vanwege het belang van innovatie.Ook het brede mkb is van onschatbare waarde voor innovatie en voor deeconomie. We hebben het in dit huis vaak over de noodzaak van eenkapitaalmarktunie, Europese crowdfundingregels en securitisatie vanbedrijfsobligaties, omdat mkb-financiering stukloopt. De beperkte kadersvan de uitzondering op de vermogensaanwas, zoals nu vormgegeven,brengen gezonde mkb-financiering niet dichterbij maar juist verder weg.Kan de Staatssecretaris ook vanuit die invalshoek nog eens reflecteren opzijn voorlopige beslissing om de uitzonderingsregeling niet uit te breiden?Dan de uitvoering van de Wet werkelijk rendement. De Staatssecretarisschrijft dat hij het risico reëel acht dat er met name rond het waarderings-vraagstuk een personeelstekort en een pensioneringsgolf ontstaat. DeStaatssecretaris wil meer personeel betrekken vanaf de Uitvoeringsorga-nisatie Herstel Toeslagen, maar heeft hij ook een alternatief klaarliggenom aan genoeg mensen te komen wanneer de UHT dit onvoldoende kanbieden?Dan nog een vraag over vastgoedbijtelling. De huurinkomsten voorverhuurders van woningen in box 3 stijgen met name sinds 2021 veelminder hard dan de WOZ-waarde. Is wat de Staatssecretaris betreft devastgoedbijtelling, die gebaseerd is op data, van voor 2021 dan niet tehoog? De heer Grinwis tipte dat ook al aan in zijn betoog. Zou deze nietveel vlotter geactualiseerd moeten worden? Is het gebruik van eenvastgoedbijtelling sowieso wel gerechtvaardigd wanneer een tweedewoning niet is verhuurd? Daar refereerde de heer Stoffer ook al aan. Hetgaat dan immers om consumptief, eigen gebruik.Over de verliesverrekening wil ik ook nog een paar vragen stellen.De voorzitter:Een ogenblik, want de heer Grinwis heeft een interruptie voor u.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik ben het natuurlijk helemaal eens met de vragen die de heer Vermeerstelde, want die leken heel erg op die van mij. Hoe zou hij hiermee omwillen gaan? Ik heb een amendement in voorbereiding om het percentageop basis van de data van 2022 tot en met 2025 vast te stellen – dat is dusveel recenter – en om het jaarlijks te actualiseren. Eventueel kun je, zoalsde heer Vermeer eerder zei in een interruptie, inderdaad volstaan met hetvastleggen van dat systeem in de wet, zonder een percentage. Dat doe jedan bij een belastingplan. Waar wil hij gaan landen? Of is hij vooral heelbenieuwd naar de reactie van de Staatssecretaris?De heer Vermeer (BBB):Dat laatste sowieso, natuurlijk. Daarom stel ik de vraag ook. Zoals ik in dieinterruptie ook al liet blijken, vind ik dat in de wet systematieken en kadersvastgesteld moeten worden en geen absolute getallen. Dat brengt onsnamelijk elke keer in de problemen en leidt tot allerlei rechtszaken enhersteloperaties. Een forfait moet gebaseerd zijn op rechtvaardigheid, omwelk percentage het dan ook gaat. Dan moet je dat continu bijstellen. Watmij betreft wordt dat gewoon elk jaar herberekend en komt daar een getaluit volgens de systematiek die we in de wet vastleggen. Anders schilderenwe onszelf in de hoek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4436 De voorzitter:De heer Vermeer vervolgt zijn betoog.De heer Vermeer (BBB):Ik was gebleven bij de verliesverrekening. Daar wil ik ook een paar vragenover stellen. Voor met name oudere belastingplichtigen met meer dan eenmiljoen vermogen in box 3 wordt het mogelijk veel aantrekkelijker omover te stappen naar box 2, aangezien verlies alleen verrekend kanworden met toekomstige jaren en niet met verleden jaren. Er is natuurlijkeen periode geweest waarin een miljoen aan vermogen klonk als ietsfantastisch waarmee je in de meest illustere rijtjes en magazinesterechtkwam. Maar als bijvoorbeeld een ondernemer of zzp’er al zijnpensioen zelf heeft moeten sparen, dan zit je, met je eigen huis erbij, alheel snel op dit soort bedragen.Als in het laatste levensjaar verlies wordt geleden, krijgen belastingplich-tigen geen inkomstenbelasting terug. Is dit voor nabestaanden vanouderen met relatief veel vermogen niet zeer onrechtvaardig, vraag ik deStaatssecretaris. Zet dat niet de deur open voor meer overstappers naarbox 2? Hoe kijkt het Ministerie van Financiën hiernaar? Wat zijn deprognoses? Is het gebrek aan verliesverrekening met verleden jaren nietper definitie onrechtvaardig? Er kan immers belasting betaald wordenover winst die later verdampt. De belasting is dan al betaald. Graag ookhier een reactie op.Tot slot. De heer Grinwis heeft een initiatief gelanceerd om landgoederendie vallen onder de Natuurschoonwet bij schenking of verervingvoorwaardelijk vrij te stellen van box 3-belasting. Wat BBB betreft vormenlandgoederen een belangrijk onderdeel van ons cultureel erfgoed en zijnze van onschatbare waarde voor recreatie, biodiversiteit en ons landschapin het algemeen. Daarom hebben wij dit amendement meegetekend. Ookben ik erg benieuwd naar de antwoorden op de vragen die collega Stoffergesteld heeft over langdurige pacht, om te kijken of we daar ook nog ietsmoeten repareren.Hier wou ik het bij laten voor nu. Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank. U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik werd toch een beetje uitgenodigd door de heer Vermeer, doordat hij mijnoemde in zijn inbreng. Hij maakt een tegenstelling tussen «budgettair»en «rechtvaardig». Maar ik vind het onrechtvaardig als werkende mensenstraks moeten opdraaien voor budgettaire gaten aan de vermogenskant.Daarom maak ik mij hier zorgen over. Mijn vraag aan de heer Vermeer isde volgende. Hij geeft aan dat hij voor vermogenswinstbelasting is.Hoeveel minder inkomsten gaan wij daardoor hebben als overheid dekomende, zeg, 20, 30 jaar en hoe gaat BBB om met dat gat?De heer Vermeer (BBB):Ik maak ook nu weer, na deze interruptie, bezwaar tegen de terminologiedie GroenLinks-PvdA hanteert. Die praat erover dat burgers moetenopdraaien voor de budgettaire gaten van vermogenden. Maar het zijngeen budgettaire gaten die veroorzaakt worden door vermogenden, wanthet zijn budgettaire gaten die veroorzaakt worden door Ministers vanFinanciën en de Tweede Kamer wanneer zij begrotingen goedkeurenwaarbij het budget leidend wordt in plaats van een rechtvaardigebelasting. Dat is echt een andere manier van denken. Daarom blijf ik daarbezwaar tegen maken, want woorden doen ertoe.Als je naar een vermogenswinstbelasting toe gaat, dan zul je in principeniet minder belastingopbrengsten krijgen, of wellicht alleen voor de kortetermijn. Dat kun je incidenteel dekken. Als wij incidenteel miljardenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4437 kunnen lenen aan allerlei landen om ons heen en miljarden in Europeseregelingen kunnen stoppen dan kunnen wij ook miljarden reserveren enonze schuld eventueel tijdelijk iets laten oplopen om hetzelfde te doenvoor onze eigen mensen hier in Nederland.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Het ging lang over de toon en over de woordkeuze, maar de vraag iseigenlijk niet beantwoord. Hoeveel minder inkomsten komen er binnen?Dat is volgens mij heel neutraal geformuleerd. En hoe wil BBB dat gatgaan betalen?De heer Vermeer (BBB):Hoeveel er minder binnenkomt, dat moet uitgerekend worden. Dat is eencombinatie met de tarieven. Het kan gaan om enkele miljarden in deeerste paar jaar. Dat kunnen we betalen door eventueel de staatsschuldtijdelijk iets op te laten lopen. Zie het dan maar als een lening voortoekomstige opbrengsten.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dat laatste is helder: het moet uit de staatsschuld komen. De heerVermeer zegt dat het moet worden uitgerekend, maar hij pleit hier voorvermogenswinstbelasting. Dan neem ik aan dat hij al weet hoeveel hetkost. De voorganger van de Staatssecretaris gaf aan dat het ging om meerdan 10 miljard. Is de heer Vermeer bereid de staatsschuld met 10 miljardop te laten lopen voor een vermogenswinstbelasting?De heer Vermeer (BBB):Ja.De voorzitter:Dat was kort en krachtig. Dank, nogmaals, voor uw inbreng. We gaan naarmevrouw Inge van Dijk, die gaat spreken namens het CDA.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank je wel, voorzitter. Ik heb in het kerstreces best wel wat tijd besteedaan dit onderwerp, omdat het natuurlijk belangrijk is. Toen ik van ditweekend dit stuk er weer bij pakte, betrapte ik mezelf erop – en dat heb iknog nooit gedaan – dat ik het stuk een titel had gegeven: «Hoe belastingop sparen en beleggen een soap werd.» Dat heeft natuurlijk ook wel eenaanleiding.Even een stapje terug voordat we over de toekomst gaan praten. Box 3 isooit bedacht als iets gemakkelijks: de overheid ging ervan uit dat je metspaargeld en beleggen altijd wel wat verdiende; over dat veronderstelderendement betaalde je dan belasting. Dat werkte prima zolang sparen nogrente opleverde. Maar de tijden veranderden: de rente daalde richting nulen spaarders zagen hun vermogen nauwelijks groeien, maar toch bleef debelastingaanslag komen. Dat voelde steeds onrechtvaardiger. «Is datbelasting betalen over geld dat ik niet verdien?» Dat vroegen veel mensenzich af. In 2021 trok de Hoge Raad aan de noodrem. In het zogehetenkerstarrest werd vastgesteld dat het systeem niet eerlijk was; de wetmoest op de schop. Alleen bleek een goed alternatief lastig te maken.De oplossing werd een tijdelijke noodmaatregel. Daarbij wordt eronderscheid gemaakt tussen spaargeld en beleggingen, maar rekent deBelastingdienst nog steeds met aannames in plaats van de echteopbrengst. Voor veel mensen voelt dat als half werk, dat niet aansluit opde werkelijkheid waar zij mee te maken hebben.Nu ligt er een plan voor een nieuwe wet waarmee er belasting kanworden geheven over het werkelijke rendement. Dat klinkt logisch, maarroept nieuwe vragen op. Wat als je beleggingen op papier meer waardworden, maar je geen geld in handen krijgt? Hoe ingewikkeld wordt deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4438 administratie? Waarom kiezen we in Nederland wéér voor een systeemdat afwijkt van de manier waarop de rest van de wereld het doet? Watbegon als een simpele belasting, is uitgegroeid tot een fiscale soap zonderduidelijke ontknoping. Of misschien komt er vandaag toch een begin vaneen ontknoping. Laten we daar in ieder geval voor gaan.Voorzitter. In de afgelopen jaren hebben wij, maar ook vele anderen uit dewetenschap en de praktijk, gepleit voor een systeem van werkelijkrendement op basis van een volledige vermogenswinstbelasting in plaatsvan de hybride variant die nu voorligt. We blijven moeite houden met eensysteem dat niet-liquide waardestijgingen belast en waarbij er wéér wordtgekozen voor een afwijkende behandeling binnen ons fiscale stelsel. Wewijken ook af van andere landen.Keer op keer zijn onze vragen hierover met halve of nietszeggendeantwoorden afgedaan, waardoor het idee om een andere route in te slaanwat ons betreft niet echt een serieuze kans heeft gehad. Dat is jammer,want wij zouden graag een robuuster en helderder stelsel ingevoerdhebben. Maar de tijd begint te dringen. Nu staat voorop dat er zo snelmogelijk een nieuw systeem moet worden ingevoerd dat de huidigeonhoudbare Overbruggingswet en tegenbewijsregeling vervangt. Wat onsbetreft, gaan we als Kamer nu geen wijziging van deze wet doorvoerendie implementatie vertraagt, want verder uitstel is gewoonweg onwen-selijk en onverstandig.Dat betekent voor ons echter niet dat dit de eindstreep is. Wij willen graagdat het nieuwe systeem wordt doorontwikkeld naar een «box 3 2.0».Daarvoor hebben wij een aantal wensen. Het toekomstige gesprekhierover begint ermee dat wij onze wensen transparant op tafel leggen.Zoals gezegd, wil het CDA uiteindelijk naar een situatie van volledigevermogenswinstbelasting. De nadelen hiervan zijn al meerdere malentoegelicht, maar het is toch gewoon logisch en eerlijk dat je alleenbelasting betaalt over werkelijk verdiende winst en niet over denkbeeldigegroei? Wat ons betreft maakt de vermogensaanwasbelasting inbreuk ophet draagkrachtbeginsel, omdat ervan uit wordt gegaan dat er voldoendeandere middelen zijn om een heffing over niet gerealiseerd vermogen tebetalen. Ook houden wij de fiscaliteit liever coherent door de nieuwebox 3 in lijn te brengen met de bestaande systematiek in box 1 en box 2en met die in de rest van de wereld. Andere landen hebben ook eenmanier gevonden om met zogenaamde lock-ineffecten om te gaan,bijvoorbeeld door het hanteren van meerdere tarieven. Die hoeven watons betreft dus geen showstopper te zijn. Dat doen we inmiddels immersook in box 2.Voorzitter. Ik zou ook graag nog eens de budgettaire opbrengst van eenvolledige vermogenswinstbelasting in kaart gebracht willen zien, zekeromdat de opbrengsten mogelijk hoger zijn doordat beleggingen kunnendoorgroeien. Dit doet namelijk ook iets met de directe rendementen diewel jaarlijks in de heffing worden betrokken.Nog een belangrijk voordeel is dat dit het langetermijnbeleggen stimu-leert. Dat stimuleert dan ook de economische groei weer. Dat is eenonderwerp waar we het hier in de Kamer op dit moment veel overhebben. Hoe krijgen we meer geld van sparen naar beleggen en dus inonze Nederlandse economie? Samengestelde groei is nu eenmaal sterker.Voorzitter. Een moeilijk punt was steeds de vooraf ingevulde aangiften.Banken hebben inmiddels aangegeven dat ze met twee jaar meervoorbereidingstijd een volledige vermogenswinstbelasting in kunnenvoeren. Zou de Staatssecretaris nogmaals in kunnen gaan op deargumenten over onuitvoerbaarheid ten aanzien van een volledigevermogenswinstbelasting? Gegevens uit het verleden zouden vanwege destep-up die per inwerkingtreding zou gaan gelden, namelijk geenprobleem moeten zijn. Banken kunnen wel gegevens over buitenlandseklanten verstrekken op basis van een vermogenswinstbelasting in anderelanden. Hoe rijmt hij dat in dit licht met de bezwaren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4439 Daarnaast voeren we een win-winregeling in Nederland in om onsinvesteringsklimaat verder te versterken. Dat betekent een faciliteit inbox 3 om fiscaal gunstig een lening te verstrekken aan mkb-bedrijven.Ons toekomstig verdienvermogen staat of valt met investeringen die wehierin met elkaar willen doen, en deze faciliteit kan dat weer de goede kantop duwen. Maar dit verhaal kent de Staatssecretaris inmiddels wel van hetCDA, want dat heeft hij al heel vaak van ons gehoord. Hiervoor is dus eenaanpassing in box 3 nodig. Is de Staatssecretaris op koers met het doorhem toegezegde onderzoek naar mogelijkheden om beleggen fiscaal testimuleren in de eerste helft van 2026? Ziet hij mogelijkheden dat eendergelijke faciliteit snel kan worden ingevoerd zonder het nieuwe stelselnaar achter te schuiven?Voorzitter. Ook zouden we graag zien dat sparen voor je eerste huis – wijnoemen dat altijd het oude bouwsparen – weer terugkomt en fiscaalvriendelijker behandeld gaat worden. Het CDA vindt het verstandig datjongeren zich kunnen voorbereiden op de aankoop van een woning doordaar gericht voor te sparen, zodat zij zich niet tot hun nek in de schuldenhoeven te steken bij het kopen van hun eerste huis. Wat ons betreft wordtdat op termijn gecombineerd met een wat lagere zogenaamde loan-to-value, zodat we de stijgende huizenprijzen richting de toekomst ook watverder kunnen dempen.Ten vierde: een goede en snelle implementatie van de winstdelingsre-geling voor start-ups en scale-ups zoals het kabinet heeft toegezegd. Dankvoor de brief hierover. Wij zien ernaar uit om dit voorstel snel in de Kamerte bespreken.Voorzitter. Dit is onze inzet richting de toekomst. Dat betekent niet dat weons voor de komende jaren al helemaal kunnen vinden in het voorlig-gende voorstel, want op een aantal onderdelen heb ik nog wel wat vragenen zie ik wat risico’s, allereerst wat de uitvoering betreft. Het kabinet is er,in tegenstelling tot de Raad voor de rechtspraak, van overtuigd datinwoners het nieuwe stelsel als rechtvaardig gaan ervaren en dat we ditgaan terugzien in minder bezwaren. Maar rekent de overheid zich hiermeeniet erg rijk? Het CDA is er niet zo van overtuigd dat het vertrouwen inbox 3 weer heel snel terug gaat komen. Zeker in de eerste jaren na deimplementatie gaan we dat, denken wij, wel degelijk merken. Dat is noujuist de meest spannende periode voor de Belastingdienst, als het gaatom het aantrekken van de juiste mensen en de juiste aantallen mensenom het nieuwe stelsel op een goede manier te kunnen implementeren.Want een stelsel op basis van werkelijk rendement is rechtvaardiger maarook complexer.Het kabinet schrijft dat vanwege de toename van complexiteit bij deBelastingdienst een uitbreiding van de personele capaciteit van circa 900fte nodig is. De verwachting is dat de werving in de transitieperiode vandrie tot vijf jaar na inwerkingtreding van de wet niet gerealiseerd kanworden. In de transitieperiode zal hierdoor het niveau van dienstverleningen toezicht onvoldoende zijn. Wat zijn de gevolgen als deze mensen nietkunnen worden aangetrokken voor uitvoering en handhaving? Kan deStaatssecretaris het iets meer concreet maken? Stel dat er een tegenvalleris van 10% in het aantrekken van mensen. Wat wil dit dan concreet zeggenin de praktijk?Met name op het gebied van waarderingsdeskundigen zien we eenprobleem. En laat dit nou net de grootste categorie onder die 900 fte zijn,namelijk 205 fte. Zouden deze aantallen waarderingsdeskundigen ooknodig zijn in een situatie van volledige vermogenswinstbelasting, is onzeaanvullende vraag.De Belastingdienst geeft aan de onhaalbare wervingsopgave te willenoplossen met extra data. Wat wordt daar precies mee bedoeld?Met onvoldoende dienstverlening en toezicht wordt het risico gelopen datde bereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan fiscaleverplichtingen afneemt. Hier staat dus een hele grote vlag. Ik wil deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4440 Staatssecretaris dan ook vragen hier nog een keer op te reageren. Zien wein dit kader inmiddels positieve ontwikkelingen of is de vlag inmiddelsverder dieprood aan het kleuren?Dan even door over uitvoering. Een goed functionerende ICT is randvoor-waardelijk. De uitfasering van Cool:Gen in relatie tot lopende herstelwerk-zaamheden van box 3 vraagt veel en voortgang is bepalend voor deimplementatie van het nieuwe stelsel. Zijn er signalen dat de lopendeherstelwerkzaamheden verdere vertraging tot gevolg hebben of liggen weop koers?Rechtvaardigheid versus complexiteit merken ook inwoners. Overigensdelen wij de stellingname van het kabinet dat iets meer aanleveren doorinwoners om werkelijk rendement aan te kunnen tonen niet per seproblematisch hoeft te zijn. Maar wat eenvoudiger kan naar de toekomsttoe moet ook echt eenvoudiger. We vragen dan ook een toezegging vande Staatssecretaris om zich hiervoor in te blijven zetten en de Kamer hierjaarlijks over te informeren.Voorzitter. Ten tweede heb ik zorgen over liquiditeitsrisico’s ten aanzienvan de vermogensaanwasonderdelen. Zo kan er wel degelijk een juridischrisico zijn als de heffing hoger is dan wat er aan liquide vermogensin-komsten aanwezig is. Het lijkt ons juridisch lastig te verantwoorden alsmensen vermogen van de hand moeten doen om de belasting te kunnenbetalen. Wij denken dat het goed is om hierover de komende tijd signalente verzamelen via de Belastingdienst zelf en eventuele rechtszaken diehierover worden gestart, deze te inventariseren en hierover jaarlijks aande Kamer te rapporteren. Er kan ook prima hulp gevraagd worden aanbelastingadviseurs. Zij kunnen signalen en knelpunten met de Belasting-dienst delen, bijvoorbeeld na aangiftedatum. Is de Staatssecretaris bereidom dit op te pakken? Het kan namelijk vooral wrang uitpakken voormensen die niet heel veel ander vermogen hebben, bijvoorbeeld omdat zijte maken krijgen met een incidentele hoge koersstijging en daardoor eenhoge heffing, waardoor zij aandelen moeten verkopen om de heffing tekunnen betalen.Voor familiebedrijven is niet de uitzondering van vermogensaanwasdoorgevoerd, omdat dat volgens het kabinet zou leiden tot staatssteun.Concreet betekent dit dat over de waardestijging van aandelen infamiliebedrijven jaarlijks vermogensaanwasbelasting moet wordenbetaald, ook als deze niet beursgenoteerd zijn en dus jaarlijks moetenworden gewaardeerd. Ook dit zijn geen liquide inkomsten. Het karaktervan een aandeel in een familiebedrijf is wel echt anders. Daar verkoop jeer niet zomaar even eentje van; die wil je behouden als lid van de familie.Dat noopt familiebedrijven dus tot hogere dividenduitkeringen, zodat deheffing kan worden betaald. Juist dat doet weer wat met de reserves diebestemd zijn voor de bedrijfsvoering.Zouden er voor aandelen in familiebedrijven langere betalingsregelingenkunnen worden gehanteerd, omdat deze aandelen langer aangehoudenworden en minder liquiditeit genereren dan reguliere beleggingsporte-feuilles? Want hoewel het kabinet aangeeft dat het geen betalingspro-blemen verwacht voor het overgrote deel van de belastingplichtigen,moeten we dit wat ons betreft goed in de gaten blijven houden en moetenwe ons hier de komende tijd actief over laten informeren. Als er geenproblemen ontstaan is dat natuurlijk goed, maar als er wel knelpuntenzijn, is het goed om daar eventueel met elkaar iets aan te kunnen doen. Iksluit me ook aan bij de vragen van de SGP en BBB.Het sluitstuk van het risico van mogelijke liquiditeitsproblemen, is deheffing over het belastbare rentebestanddeel bij kapitaalverzekeringen,waarbij er niet gewacht wordt tot de kapitaalverzekering daadwerkelijkwordt uitgekeerd. Ook verzekeraars kaarten dit aan als problematisch,maar vanwege de lange periodes waarover volgens het kabinet de rentezou moeten worden bijgehouden, is het onuitvoerbaar en moet er directworden belast. Het kabinet verwijst ook hierbij naar een betalingsregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4441 Misschien moeten we onszelf de bredere vraag stellen of ruimerebetalingsregelingen überhaupt zouden moeten worden toegestaan inbepaalde situaties, of bijvoorbeeld met minder bewijslast, zodat je nietpas toegang krijgt tot de betalingsregeling wanneer je hebt bewezen datje inkomen echt ontoereikend is, maar die toegang gemakkelijker direct opaanvraag kan worden toegekend. Denk bijvoorbeeld aan spreiden overtwaalf maanden. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?Voorzitter. Ten derde wil ik ingaan op vastgoed in box 3. In hetwetsvoorstel wordt een vastgoedbijtelling geïntroduceerd voor deberekening van de economische huurwaarde voor onroerende zaken dieniet worden verhuurd. Dit vindt het kabinet redelijk, omdat een tweedewoning vermogen is en dus potentieel rendement genereert via waarde-stijging. Maar daar reken je toch ook al over af bij verkoop? Kan deStaatssecretaris de redelijkheid nog een keer goed toelichten? 3,35%forfait voor iemand die maar een klein deel van het jaar gebruikmaakt vanzijn vakantiewoning, tikt wel erg hard aan. De vastgoedbijtelling van3,35% is gebaseerd op rendementen voor reguliere huurwoningen, terwijlvakantiewoningen doorgaans een veel lager rendement opleveren. Hetonderzoek van SEO waarnaar verwezen wordt, ziet alleen op hetrendement van huurwoningen. Is de Staatssecretaris bereid het onderzoekte laten aanvullen door ook de rendementen op vakantiewoningen tetoetsen? Die hebben immers echt andere kenmerken, zoals seizoensge-bondenheid. Het lijkt ons terecht dat het forfait herijkt wordt, mochten hierandere resultaten uit volgen. Wij zien ook hierbij namelijk een juridischrisico dat zo’n hoog forfait voor een vakantiewoning inbreuk maakt op hetrecht op ongestoord genot van je bezit. Als er iets is wat we niet kunnengebruiken, is het nieuwe juridische risico’s.Voorzitter. We lezen dat de woningen van vermogenden met eenaflossingsvrije hypotheek in de nieuwe box 3 kunnen worden opgebracht,waar aftrek van zo’n hypotheek in mindering gebracht kan worden. Kiesde juiste hoogte van je hypotheek en je creëert een hypotheekrenteaftrekin box 3 terwijl de hypotheek niet wordt afgelost. Dat werkt natuurlijkalleen voor mensen die ook ander vermogen in box 3 hebben, waar ze derenteaftrek tegen af kunnen zetten. Echter, is dat de bedoeling? Dat vragenwij ons af. Graag een visie van de Staatssecretaris hierop.Ten vierde, voorzitter, een vermogenswinstbelasting voor de start-ups.Voor aandelen in startende bedrijven geldt een vermogenswinstbelastingvoor de eerste vijf jaar van het bedrijf. Maar wij vragen ons af: is vijf jaarwel lang genoeg? Waarom sluiten we niet aan bij de fiscale regeling voormedewerkersparticipatie, waar start-ups en scale-ups onder vallen, doorde beschikking van RVO te volgen voor de heffing? Die heeft eengeldigheidsduur van acht jaar en kan worden verlengd met periodes vanvijf jaar indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Voordat een bedrijfeen beetje waarde opbouwt en de aandelen in waarde stijgen, gaan erecht wel een aantal jaren voorbij. Is zo’n langere periode niet juist ookbelangrijk voor de aandelen van medewerkers, omdat die na vijf jaar ookvaak geen liquide middelen zullen hebben? Is hierover voldoende overleggeweest met de start-upsector en is gekeken welke termijn op de praktijkaansluit?Ik wil even doorgaan op de praktijk voor niet-beursgenoteerde aandelen.We hebben gevraagd of op praktische wijze kan worden omgegaan methet jaarlijks aanleveren van de waardering van niet-beursgenoteerdeaandelen door uit te mogen gaan van de gedeponeerde jaarrekening vande entiteit waarin de aandelen worden gehouden. Het kabinet staat daarniet negatief tegenover. Het zegt dat het vormvrij is, net als in het huidigesysteem. Daarom vindt het kabinet het niet nodig om dit in de wet op tenemen, maar men merkt wel op dat er via een ministeriële regelinginvulling gegeven kan worden aan de verplichting waaraan een belasting-plichtige dient te voldoen, waardoor de belastingplichtige meer rechtsze-kerheid zal ervaren. Deze regeling moet nog nader worden onderzocht enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4442 uitgewerkt. Rechtszekerheid en rechtsbescherming zijn voor het CDA heelbelangrijk. Het lijkt ons dus goed om belastingplichtigen zo praktischmogelijke handvatten te bieden. Een ministeriële regeling hiervoor is eengoed idee. Is de Staatssecretaris bereid om deze regeling verder uit tewerken samen met de box 3-adviespraktijk, zodat die zo goed, duidelijk enpraktisch mogelijk aansluit bij het werk van de adviseurs en de praktijkvoor box 3-belastingplichtigen?Voorzitter. Ten vijfde de evaluatie van de wet. Het kabinet is zich bewustvan de toename van de complexiteit en de bijbehorende risico’s, maartoch stelt het kabinet voor om de wet pas na vijf jaar te evalueren. Is het,gezien de wetsgeschiedenis in combinatie met de complexiteit en derisico’s die we nu al kennen, niet verstandiger om dit naar voren te halenen de wet na drie jaar te evalueren? We willen tijdig kunnen bijsturen opdeze wet, waarbij nog zo veel onzekerheid is over de tijdige en juisteuitvoering, en over de gevolgen in de praktijk. Wij hebben hier in iedergeval een amendement over ingediend.Voorzitter. Ik heb nog een paar kleinere puntjes. Het kabinet geeft aan dathet toevoegen van achterwaartse verliesverrekening in de eerste jaren vanhet nieuwe stelsel leidt tot honderden miljoenen derving. Geldt dat ookals je bij de achterwaartse verrekening de step-up hanteert, zodatverliezen pas vanaf 2028 achterwaarts kunnen worden verrekend metrendementen die na 2028 ontstaan?Een ander vraagstuk dat bij ons leeft, is de aftrekbaarheid van rente voorconsumptieve schulden. Ik bedoel dan niet de aftrekbaarheid van rentevoor schulden die bezit in box 3 betreffen, maar het aftrekken van rente oppersoonlijke leningen of doorlopend krediet voor bijvoorbeeld een auto,meubelen of een vakantie. Ik weet dat het complex is om een knip temaken in de uitvoering omdat de gegevens over deze schulden nietbekend zijn, maar feitelijk stimuleren we het fiscaal om op de pof te leven,waarmee je een voordeel kunt krijgen in de heffing op je anderevermogen. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar? Ziet hij mogelijkhedenom dit anders in te richten? Want dit punt steekt ons.Voorzitter. Het nieuwe stelsel voor box 3 heeft een effect op de toeslagenen de heffingskorting. Ik snap de uitleg van het kabinet hierover. Ik hoopdat het risico in de praktijk inderdaad zo beperkt is als men schrijft, maar uzult begrijpen dat wij hier toch wat onzeker over zijn. Dit betreft vaak eenkwetsbare groep en daarom moeten we extra voorzichtig zijn. Kan deStaatssecretaris hier nogmaals een toelichting op geven? Het CDA hechtspecifiek op dit onderdeel aan een goed piepsysteem. Als er signalenkomen waaruit blijkt dat de praktijk weerbarstiger is, dan moet er snelgeacteerd kunnen worden. Is dit er en, zo niet, gaat de Staatssecretaris ditdan op een of andere manier vormgeven?Een discussie die helaas ook te vaak voorkomt in de Kamer gaat over hetverlenen van vrijstelling in box 3 voor vermogen dat inwoners krijgen alsgevolg van het uitkeren van schadebedragen en hersteloperaties. Ik hoopdat dit nooit meer gaat gebeuren, maar het CDA zou het goed vinden alshet vermogen in deze gevallen automatisch wordt vrijgesteld van box 3. Iszoiets eenvoudig in te richten, zo vraag ik de Staatssecretaris. Het is erinmiddels al voor Groningen.Met betrekking tot de landgoederen ben ik benieuwd naar de appreciatievan het amendement van de heer Grinwis. Wij staan daar in principepositief tegenover.Afrondend: het nieuwe box 3-stelsel is beter dan het failliete forfaitairestelsel omdat het beter aansluit bij het werkelijk rendement, maar het blijftin de kern problematisch. Zolang er belasting wordt geheven op basis vanaannames in plaats van feitelijke opbrengsten, blijft er sprake vanrechtsongelijkheid. Zoals Peter Essers stelt, mag fiscale eenvoud niet tenkoste gaan van rechtvaardigheid. Box 3 laat zien dat een systeem dat isgebaseerd op fictie het draagkrachtprincipe ondermijnt. Daarom is hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4443 nieuwe stelsel geen definitieve oplossing, maar slechts een tussenstaprichting een rechtvaardiger en juridisch houdbaar belastingstelsel.Dank je wel, voorzitter.De voorzitter:Hartelijk dank voor uw inbreng. U krijgt nog een interruptie van de heerStultiens.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Mijn vraag gaat over het gedroomde eindpunt van mevrouw Van Dijk,namelijk box 3 2.0. Ze geeft aan dat haar voorkeur vermogenswinst is. Dathebben meer partijen hier gezegd. Ik stel daarbij de vraag hoeveel geld zijbereid is om daarvoor neer te leggen. Hoeveel derving is zij bereid teaccepteren? De meeste partijen geven helaas geen concrete bedragen aanof geven niet aan hoe ze het dekken. Ik hoop dat het CDA dat wel doet.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Als de heer Stultiens goed heeft geluisterd, heb ik heel nadrukkelijkgevraagd om het nou eens gewoon goed in beeld te brengen, ook voor delange termijn. Wij geloven dat als we beleggen echt kunnen stimuleren,die opbrengst weleens groter zou kunnen zijn. Dat hopen we ook.Daarmee is het probleem op de korte termijn niet opgelost. Dat deel ikhelemaal met de heer Stultiens. Wij geven ook aan dat er misschienoplossingen te bedenken zijn in tarieven of iets dergelijks, maar ik ga nuniet tegen de heer Stultiens zeggen hoe we het gaan doen. We willen inieder geval een opening voor een mogelijke oplossing bieden, maar hetbegint wel bij de vraag waar we over praten en waar we op de langetermijn over praten. Ook als we weten wat het op de lange termijneventueel extra oplevert, is dat wat mij betreft wel een andere discussiedan wanneer het alleen op de korte termijn geld kost.De voorzitter:De naam wordt niet uitgesproken als «Stultjens», maar als «Stultíéns».Het is niet erg, maar ik zeg het toch maar even. Dank nogmaals voor uwinbreng. Dan gaan we naar de heer Struijs, die spreekt namens 50PLUS.De heer Struijs (50PLUS):Dank u wel, voorzitter. Tegen de natuur van 50PLUS in hebben wij nogmeer vragen dan standpunten. Dat zal wel uit mijn betoog blijken. Wehebben een lange historie in de Eerste Kamer hierin, maar een kortere inde Tweede Kamer. Ik dank bij voorbaat sowieso de staf van de Staatsse-cretaris, maar met name mijn collega’s en de diverse fractiemedewerkers,dat ze ons zeer ter wille zijn de komende week met stoom en kokendwater de hele meute aan vragen die wij hebben en alles wat er verder ligt,te beantwoorden. Uiteraard hebben wij ons wel erin verdiept, maar wijzijn bezig met een inhaalslag. Dat zal in mijn betoog ook wel blijken. Maarwe hebben er uiteindelijk zeker standpunten over en ook geven wij nu aleen duidelijke richting aan.Wij hebben ook wat existentiële vragen, maar dat heeft misschien watmet de achterstand te maken. Ik ben hier niet om de noodrem op de treinte gooien, maar als ik met een frisse blik kijk naar de laatste tien jaar en devragen die ontzettend leven in Nederland, vraag ik mij af waarom box 3daadwerkelijk op de schop moet. Ik denk dat de kracht van de herhaling’m er toch in zit om in duidelijke woorden aan de mensen duidelijk temaken waarom wij hier zitten en we ons soms in complexe discussiesingraven. Die discussies zijn terecht – laat ik dat vooropstellen – maarmensen raken soms een beetje het spoor kwijt waarom we dit allemaaldoen. Ik verzoek sowieso de Staatssecretaris soms ook even de mensen inhet land mee te nemen in waarom we deze discussie nu al meer dan tienjaar voeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4444 Het lijkt logisch en principieel om dit te veranderen, maar wat voorrechtvaardigheid zit hier nou echt onder? Het onderbuikgevoel van veelmensen zegt: ja, is dit weer een wens om meer geld te krijgen en dekkingte zoeken en zijn wij dadelijk weer de klos? Op wie «zij» zijn kom ik zekerterug.Laten we even terugkijken naar ons systeem en de verandering vanaf2001. Ik ga dat hier niet helemaal terughalen, maar je merkt langzaammaar zeker dat mensen denken «ja, maar men gaat weer geld halen uitbox 3, mijn vermogen dat ik heb opgebouwd, terwijl ik daar al belastingover heb betaald» en dat soort dingen allemaal. Het gaat natuurlijk welover meer, maar ik waarschuw ervoor dat het draagvlak elke keer weeraandacht verdient van ons als controlerend orgaan. De geschiedenis leertons hier dat de oorzaak van de huidige verbouwing van box 3 ligt in deuitspraken van onder andere de Hoge Raad. Spaarders voelden zichbenadeeld omdat ze bij rentestanden van 1% steevast werden aange-slagen voor pak ’m beet 4%. Daarin schuilt natuurlijk ook het wantrouwenvan menig burger.Als 50PLUS voeren wij al jaren een gevecht – daarin zit ook een deel vanons bestaansrecht – rond de pensioenen en het niet-indexeren. Mensenzien daar een directe relatie in. Een ander aspect is de beoordeling van degeschiedenis die ik net heb uitgesproken. Waarom is de rentestand nuplots 1% lager? Dat heeft vele oorzaken, maar één ervan is bij ons in degelederen toch wel belangrijk en manifest. Die had toch te maken met deingreep van de ECB. In het verleden moesten veel dingen gered worden.Ik noem Griekenland en de betalingen rond covid. Dat was allemaal teverklaren. «Maar als die ingrepen niet via dat rendementssysteem warengegaan,» zo denken mensen, «had ik een hoger rendement gehad en danhad ik wél die indexatie gekregen.» Zo leggen mensen constantverbanden die echt om antwoorden of duiding vragen. Ik ga hier niet in opallerlei investeringen en rendementen op obligaties, maar de rentemani-pulatie door de ECB – zo wordt het aangevoeld – leeft echt bij velemensen. Mogelijk kan de Staatssecretaris dit wat meer duiden. Hoe kijkthij daarnaar?Wij kijken dus nog steeds met wat verdriet en ook wel een beetje met watonderbuikgevoelens naar het indexatieloze tijdperk. Wat brengt ons dat inde toekomst? Want vijftien jaar lang geen indexatie ... Nou ja. U zult weldenken «dit is geen pensioendebat», maar wij zien wel degelijk een relatiemet wat nu aan de orde is. Mijn punt is dat de extreme verruiming van hetmonetaire beleid in die periode – wat leren we daarvan? – niet alleenwantrouwen heeft gecreëerd maar ook slachtoffers heeft gemaakt. Dat isde stresstest van de nieuwe wet. Hoe zit deze stresstest in elkaar? Hebbenwe de weerbaarheid van de nieuwe wet wel voldoende bekeken?Hoe zijn we hier gekomen? Waarom gaat box 3 voor iedereen op deschop? Daar komen wat existentiële vragen uit voort. Wil de Minister tochnog even de aanleiding en de redenen voor dit wetsvoorstel in duidelijketaal verwoorden, zeker voor 50PLUS, maar misschien ook voor mensenhier of mensen die meekijken of -luisteren. Is de gekozen oplossing ookeen logische als de marktrente dadelijk weer genormaliseerd is? Hoewerkt deze nieuwe wet bij een normaal functionerende marktrente, diedoor allerlei invloeden nog steeds sterk fluctueert? Stel dat het op dewereld toch nog een keertje in orde komt. Hoe verhoudt zich deze wetdan? Dat vind ik toch wel een interessant gegeven. Vindt de Staatssecre-taris ook dat het internationale monetaire beleid, waar we direct mee temaken hebben, een belangrijke aanleiding is geweest voor de verbouwingvan box 3? Of ziet hij daarmee geen relatie? Het antwoord op dieexistentiële vragen wil ik toch wel even weten.Er komt sowieso een hervorming van box 3, maar hier komt de eersteblauwe olifant: het aanstaande regeerakkoord. Ik noem het zelfs geenpaarse krokodil, maar een blauwe olifant, gewoon om hiervoor nog eensextra aandacht te vragen, want dit is groot. Vanmiddag voer ik met enkeleTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4445 andere fractievoorzitters gesprekken over de toekomst. Ik moet daaromeerder weg. Bij dezen bied ik daarvoor nu al mijn excuses aan. Dat heb jemet een kleine fractie, maar dat neemt niet weg dat deze discussie ergbelangrijk is. Gelukkig heb ik hele goede vragen gehoord van mijncollega’s. Hoe verhoudt zich dit tot een regeerakkoord dat er dadelijkkomt? Is er dan nog voldoende ruimte voor eventuele aanpassingen envoor een beetje valide discussie met de Tweede Kamer of worden we danweer in een pressurecooker gestopt? Ik zoek dus ook een beetje ruimte,niet om te vertragen, maar wel vanwege de urgentie. Ik heb geenvoorspellende waarde, maar ik vermoed zomaar dat een regeerakkoorddat er dadelijk komt, invloed gaat hebben op dit wetgevend voorstel.Dan iets anders waar ik even aandacht voor vraag. Op 25 november is inde Eerste Kamer een motie aangenomen, uiteraard mede gesteund door50PLUS. Het is toch wel interessant om die motie nog even te bekijken inhet licht van hetgeen wij vandaag bespreken. Die motie verzoekt deregering een onafhankelijke adviescommissie in te stellen die voorstellendoet tot herziening en vereenvoudiging van het stelsel van belastingen entoeslagen, en verzoekt de regering op redelijke termijn overleg te voerenover de inhoud van de taakopdracht alvorens een dergelijke opdracht tegeven. Ik ben hier in de Tweede Kamer wel benieuwd wat de Staatssecre-taris verwacht dat met deze motie zal gebeuren. Wordt box 3 onderdeelvan die opdracht? Ik neem aan van wel, maar is dat wel zo? Dan wordt hetwel belangrijk dat dit integrale adviesrapport van een staatscommissie inaantocht ook invloed gaat hebben op het plan van box 3. Dat geeftnatuurlijk veel onzekerheid als dat allemaal zo is. Maar goed, mijn vraag isheel duidelijk: hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar en kan hij mogelijkeen toelichting geven?Het is glashelder, zeg ik toch maar als schot voor de boeg. Wij willen ookeen systeem van belasting van werkelijk gerealiseerd rendement zonderafwijkende regimes. Wij snappen de complexiteit en dat er allerlei dingenmogelijk zijn.Wij kijken heel kritisch naar de vermogensaanwasbelasting en elementendaarvan. Het is namelijk een belasting op papier van niet-gerealiseerdewaardestijgingen. Dit past niet helemaal in het box 3-stelsel. Misschienkan de Staatssecretaris met een nadere duiding komen en onze zorgenwegnemen. Wij willen zo veel mogelijk de risicobereidheid ondermijnenin die zin dat we weten dat we hiermee risico’s nemen, maar de vraag ishoe we die beperken. Kunnen we daar niet met z’n allen nog één keerkritisch naar kijken? Goed, ik ga maar even snel door. Kan de Staatssecre-taris bevestigen dat een afname van risicobereidheid inderdaad eengedragseffect is of kan zijn van de vermogensaanwasbelasting? Dat is eenvraag die bij ons enorm leeft.Dan ten aanzien van de vermogensheffing in box 3 die wordt gebaseerdop fictieve rendementen. Dit vinden wij echt een groot probleem. Ditvinden wij eigenlijk sowieso een gepasseerd station dat je niet meer moetwillen nemen. Ik heb hier gelukkig al meerdere collega’s over gehoord.Dan kom ik natuurlijk ook op de tweede woning. U kunt zich voorstellendat veel mensen van onze achterban een tweede woning hebben. Ik hebhet niet over een derde en een vierde woning. Die mensen zitten gezelliguitkijkend op de moestuin in hun tweede woninkje, waar ze veel voorgespaard hebben en die onderdeel van hun pensioen hun is. Om daar nuweer belasting over te betalen ... Daar komen we als 50PLUS natuurlijksowieso op. Ik denk dat dit ook voor de collega’s heel voorspelbaar was.Kijk, wij willen er op alle fronten naar streven dat er uitgegaan wordt vanbelastingen over werkelijk gerealiseerd rendement. Dus rechtvaardig,consistent, voorspelbaar en betrouwbaar; laat ik deze waardes toch nogmaar even delen.Ik heb eerder een vraag gehoord in de Eerste Kamer die mij erg intrigeert.Na invoering van dit box 3-stelsel op 1 januari 2028 kunnen een nieuwkabinet en een nieuwe Kamer, als ze dat opportuun achten, altijd eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4446 volledige vermogenswinstbelasting invoeren. Dat past uitvoeringstech-nisch kennelijk ook, want ik heb van de Belastingdienst en van banken enverzekeraars begrepen dat die minimaal twee jaar nodig hebben om ditmogelijk te maken. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar deze algemenevermogenswinstbelasting? Dat blijft toch nog wel even boven de markthangen. Wij zijn hier zeer kritisch op, maar wij laten ons graag overtuigenvan de nut en noodzaak hiervan.Het fictieve rendement van 3,35% op de tweede woning laat ik nu evenvoor wat het is. Een heleboel collega’s zijn daar al op ingegaan. Kijk, hetgaat niet alleen om het fictieve rendement op huurinkomsten. Het gaatook om het draagvlak. Als je elke keer vanuit fictief vermogen gaatredeneren, neem je een enorm risico, zeker in juridische zin. Je kuntvoorspellen dat de Hoge Raad hier wat over gaat zeggen, en terecht. Weesdus terughoudend met fictief rendement, in wat voor vorm dan ook. Als ereen uitzondering moet worden gemaakt op het principe van werkelijkgerealiseerd rendement, dan moet je dat wat ons betreft niet doen – ikherhaal: niet doen – op dit fictieve rendement.Het is al eerder gezegd, maar ik wil het toch nog een keer benoemen. Ikzat afgelopen weekend namelijk bij iemand die zijn geld heeft geïnves-teerd in kunst en niet in een tweede huisje. Dan kan het gaan om goud endat soort dingen allemaal. Ik vroeg ook hoeveel belasting hij nou betaaltover dat schilderij, dat inderdaad een redelijk vermogen kost. Nou, niets.Hij zei: ik heb gelukkig geen vakantiehuisje genomen. In deze anekdote zitnatuurlijk ook wel de kern van het draagvlak voor deze wet. Hoe ver isdeze wet nu? Wat belast je wel en wat belast je niet binnen het vermogen?Dat is soms ook een gewetensvraag. We zullen niet alles dekkend krijgenvia wetgeving, hier, vanuit de Kamer, maar het is toch goed dat we dezeconstateringen doen. Ik zie dus een paar grote blauwe olifanten, zoals ikze noem. «Blauw» staat voor belastingen, zoals u weet.Aan de uitvoerbaarheid is al meerdere keren gerefereerd. Hoe uitvoerbaaris deze wet, met alles erop en eraan? Mijn collega begon, terecht, over ICTen ik hoorde andere collega’s iets zeggen over de druk op de Belasting-dienst. Over dat soort dingen wil ik toch wel iets meer weten. Ik weet alsgeen ander, uit andere wetgeving, dat het echt het draagvlak ondermijntals een wet niet uitgevoerd kan worden. Het helpt enorm als de uitvoeringreëel kan plaatsvinden. Wat gebeurt er als de ECB nu weer ingrijpt? Hoe isde stresstest en wat is de weerbaarheid van deze wet in een hele onzekeremondiale wereld, die constant onder druk staat door allerlei monetaireingrepen? Kan daar een beetje duiding aan worden gegeven?Tot slot. Ik herhaal het nog maar eventjes: krijgt de Kamer na hetregeerakkoord voldoende tijd om toch nog eens even kritisch naar dezewet te kijken?Dit was mijn bijdrage, met veel vragen. Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we tot slot in de eerste termijnvan de Kamer naar de heer Hoogeveen, die zal spreken namens JA21.De heer Hoogeveen (JA21):Voorzitter, dank u zeer. Toen box 3 in 2001 werd ingevoerd, was hetforfaitaire stelsel nog verdedigbaar. Men wilde eenvoud en ging uit vanstabiele rendementen. Die werkelijkheid bestaat inmiddels niet meer.Rentes daalden, rendementen werden volatieler en de techniek werdsneller, waarmee ook de beweging van kapitaal sneller werd. Gevolg:steeds meer mensen betaalden belasting over inkomsten die zij nooithadden genoten. Het Kerstarrest heeft daarin terecht een duidelijke grensgetrokken. De Hoge Raad was helder: belasting mag alleen wordengeheven over rendement dat daadwerkelijk is behaald. Een stelsel datstructureel losraakt van de werkelijkheid overschrijdt rechtsstatelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4447 grenzen. Daarmee was duidelijk dat box 3 in deze vorm niet kon blijvenbestaan.Nu ligt er een nieuw wetsvoorstel, waarin wordt gekozen voor belasting-heffing op basis van het werkelijke rendement. Dat is een noodzakelijkestap, maar wie die stap zet, moet ook consequent zijn. Anders ontstaatopnieuw een stelsel waarin belasting wordt geheven op momentenwaarop mensen geen draagkracht hebben.Voorzitter. Box 3 is bedoeld om inkomsten uit vermogen te belasten: niethet bezit zelf, maar het rendement. Daarom is box 3 geen vermogensbe-lasting, maar een inkomstenbelasting. Inkomen heeft één essentieelkenmerk: het komt beschikbaar. Je kunt het uitgeven of herinvesteren. Datis precies waarom belastingheffing over gerealiseerde opbrengsten alsrechtvaardig wordt ervaren. Dat uitgangspunt verdwijnt zodra weongerealiseerde waardestijgingen gaan belasten. Dan wordt belastinggeheven over een waardestijging die alleen op papier bestaat. Hetvermogen is meer waard geworden, maar er is niets verkocht en er isgeen geld beschikbaar gekomen. Toch volgt er een belastingaanslag.Mensen kunnen dan in theorie worden gedwongen om te verkopen of inte teren, niet omdat zij winst hebben gemaakt, maar om die belasting tekunnen betalen. Dat is dus geen belasting op inkomen, maar een directeingreep in het vermogen zelf. Dat is de kern van de spanning in ditwetsvoorstel.Voorzitter. Het kabinet kiest voor een hybride stelsel. Voor de meestevermogensbestanddelen geldt een vermogensaanwasbelasting enpapierwinsten worden jaarlijks belast. Voor andere vermogens, zoalsonroerende zaken, geldt belastingheffing pas bij verkoop. Dat betekent datbinnen één box verschillende belastingmomenten gelden. Economischvergelijkbare situaties worden fiscaal verschillend behandeld, afhankelijkvan de vorm waarin het vermogen is ondergebracht. In Europeesperspectief is dat overigens een tamelijk uitzonderlijk stelsel. Vermogens-winsten worden vrijwel altijd belast bij realisatie.Voorzitter. Wie de memorie van toelichting van het kabinet leest, ziet dusvooral budgettaire argumenten en uitvoeringsargumenten. Een aanwas-belasting levert eerder en gelijkmatiger opbrengsten op, maar dat is geenprincipiële rechtvaardiging binnen de inkomstenbelasting. Daarom heb ikde volgende vraag aan de Staatssecretaris: erkent hij dat dit geenonvermijdelijk gevolg is van het Kerstarrest, maar een bewuste, met namebudgettaire beleidskeuze? Ziet hij het risico dat Nederland hiermeeinternationaal een uitzonderingspositie inneemt?De consequentie van deze keuze is helder: belasting kan verschuldigd zijnzonder verkoop en zonder liquiditeit. In goede jaren wordt belastinggeheven op papierwinsten; in slechte jaren verdampt de waarde. Maar debelasting over eerdere jaren blijft bestaan. Dat zet het draagkrachtbeginselonder druk. JA21 is daar uit principe kritisch op. Tegelijkertijd willen wijook af van de huidige tegenbewijsregeling. Nog meer vertraging betekentdat mensen nog langer vastzitten aan een oneerlijk stelsel. Daarom doenwij dus gerichte voorstellen om een aantal knelpunten binnen het huidigewetsvoorstel te repareren.Voorzitter. Ik kom dus met twee amendementen, die één gezamenlijkekern hebben: belastingheffing op het verkeerde moment. Het eersteamendement gaat over de verliesverrekening. In het wetsvoorstel kunnenverliezen wel vooruit maar niet achteruit worden verrekend. Het lijktmisschien een technische keuze, maar het probleem zit ’m bij heteindmoment. Zodra de belastingplicht eindigt – dat kan bijvoorbeeld zijndoor emigratie, overlijden of het volledig afbouwen van vermogen –kunnen verliezen definitief niet meer worden verrekend. Dat betekent datbelasting kan zijn betaald over eerdere winsten, terwijl het totalerendement over de hele periode nul of zelfs negatief is. Dat is geenrandgeval, maar een structureel gevolg van het ontbreken van een carryTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4448 back. Op dat moment komt de heffing onomkeerbaar los te staan van hetwerkelijke totaalrendement.Stel dat iemand een goed beleggingsjaar heeft en daarover belastingbetaalt en er het jaar daarna een forse waardedaling volgt. Over die tweejaar samen is er dus geen winst, maar de belasting over het eerste jaarblijft bestaan. Zeker bij emigratie of overlijden is dat definitief. Onsamendement introduceert daarom een beperkte carry back van één jaar.Het is geen ruime faciliteit, maar een noodzakelijke correctie om tevoorkomen dat belasting definitief wordt geheven over inkomen dat persaldo nooit is genoten.Dan het tweede amendement; dat gaat over de doorschuiffaciliteiten enraakt in feite hetzelfde probleem, maar op een ander moment. In hetwetsvoorstel kan belastingheffing namelijk optreden bij civielrechtelijkeherverdelingen, zoals bij een scheiding, terwijl er geen verkoop plaats-vindt en er geen liquiditeit ontstaat. Neem een echtpaar dat bij scheidingeen gezamenlijk beleggingsportfolio verdeelt. Er wordt niets verkocht ener komt geen geld vrij. Toch kan er belasting verschuldigd zijn, uitsluitenddoordat het eigenaarschap wijzigt. Daarbij is geen sprake van realisatie enook niet van draagkracht. Ook dit is een eindmoment, niet in economischmaar in juridisch opzicht. Ook hier wordt de belastingclaim gemateriali-seerd op een moment waarop betalen in feite niet mogelijk is.Ons amendement zorgt ervoor dat de belastingclaim wordt doorge-schoven. Er wordt niet afgerekend op één moment zonder draagkracht,maar pas bij daadwerkelijke realisatie. Met deze amendementen veran-deren wij de koers van dit wetsvoorstel niet, maar zorgen wij er alleenvoor dat de belasting niet wordt geheven op momenten waarop datprincipieel en praktisch niet te rechtvaardigen is.Voorzitter, tot slot. Voor JA21 is dit wetsvoorstel, net als voor veel partijendie vóór mij spraken, geen eindpunt. Het is een noodzakelijke stap om detegenbewijsregeling definitief achter ons te laten, maar wij blijven vanmening dat belastingheffing in box 3 uiteindelijk moet aansluiten bijgerealiseerde winst. Belasting moet volgen op inkomen, niet op papier, enmoet niet komen op momenten waarop mensen geen draagkrachthebben. Net als veel collega’s vraag ik dus aan de Staatssecretaris of hijdit stelsel ziet als eindstation of als noodzakelijke tussenstap. Is hij bereidom zodra de rust is teruggekeerd te verkennen hoe box 3 verder kanworden ontwikkeld richting belastingheffing over gerealiseerde winst?Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank. Dat was de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijkeven naar de Staatssecretaris. Hoeveel tijd heeft u nodig? Tot 15.45 uur?Ja, dat kan. Dan gaan we om 15.45 uur verder, met de reactie van deStaatssecretaris. We zijn geschorst tot dat moment.De vergadering wordt van 14.48 uur tot 15.45 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën.Dit is het wetgevingsoverleg dat gaat over de Wet werkelijk rendementbox 3. We zijn toe aan de eerste termijn van de zijde van de regering. Ikgeef graag het woord aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Heijnen:Dank u, voorzitter. We spreken vandaag over het wetsvoorstel Wetwerkelijk rendement box 3. Dat is een ingrijpende en noodzakelijkeherziening van belastingheffing over vermogen. Ik heb heel veel vragenvan u ontvangen. We hebben geteld en het zijn er meer dan 130. Ik gaproberen om die allemaal zo goed als mogelijk te beantwoorden. Ik wildat doen aan de hand van de volgende thema’s. Ik wil in mijn inleidingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4449 beginnen met de uitgangspunten van het stelsel. Dat is een beetjealgemeen. Dan kom ik bij aanvullende wensen en regelingen. Dan ga ikhet hebben over de uitvoering, waar ook veel vragen over waren. Dan iser een onderdeel budgettair. Daarna is er een onderdeel vastgoed,inclusief landgoederen die vallen onder de Natuurschoonwet. Er is eenhoofdstuk internationaal, plus zeer vermogende personen. Tot slot is er deverzamelbak: het thema overig.We kunnen er heel lang bij stilstaan. Diverse Kamerleden hebben dat ookgedaan, maar ik denk dat we er allemaal wel van overtuigd zijn dat weecht een nieuw stelsel nodig hebben. Vervolgens kun je van gedachtenwisselen over de vraag waar je dan naartoe wil. Is dat een volledigevermogensaanwasbelasting? Is dat een volledige vermogenswinstbe-lasting? Maar het huidige stelsel is dringend aan vervanging toe en ikdenk dat dat ook het uitgangspunt is van alle, in ieder geval de meeste,leden van uw commissie. Als we het huidige stelsel langer zoudenhouden, leidt dat tot een budgettaire derving van, zoals bekend, ieder jaar2 miljard. Wat ons betreft zou dat dus een extra aansporing zijn om zosnel als mogelijk naar een nieuw stelsel, de Wet werkelijk rendement, toete gaan, los van het feit dat het huidige stelsel voor de belastingplichtigeerg complex en moeilijk doenbaar is. Ik realiseer me terdege dat hetnieuwe wetsvoorstel ook een aantal rode vlaggen en één gele vlag heeft,maar het huidige stelsel zoals dat nu geldt, de Wet tegenbewijsregelingbox 3, is ook zeer complex, zowel voor de Belastingdienst als voor deburgers.Sinds 2001 hebben wij gewerkt met forfaits. Ik heb eens even terugkeken:met de contourennota van 15 april 2022 gaf een van mijn voorgangers, deheer Van Rij, destijds het startschot voor de Wet werkelijk rendementbox 3. Dat is bijna vier jaar geleden en nu spreken we over het concretewetsvoorstel. Als je, zoals ik heb gedaan, kijkt naar de invoering van hetboxenstelsel in 2001, met onder andere box 3, dan zie je dat dat eenvoorstel van, volgens mij, Leo Stevens was, waarbij aangegeven werd dathet tijdelijk was en dat we op termijn toe moeten naar een belasting-heffing over werkelijk genoten rendement, ook voor vermogensin-komsten. Ruim 25 jaar later praten we daar nu over. Ik denk dat weallemaal vinden dat dat weleens tijd werd.Wat ons betreft zetten we met deze wet een eerste stap naar een volledigrobuust stelsel op basis van werkelijk rendement. Ik ga daar zo nog evenop in. De heer Vlottes vroeg ernaar. Ik zeg het volgende als Staatssecre-taris van Financiën. Wat mij en wat dit dubbeldemissionaire kabinetbetreft zou in de toekomst een volledige vermogenswinstbelastingaangewezen zijn, maar daar gaan wij niet meer over. Uiteindelijk vind ikdat aan het nieuwe kabinet en aan u als Tweede Kamer. Er werd ook eenvergelijking gemaakt met mij als treinconducteur: zitten we nu op eentussenstation of op een eindstation? Wat mij betreft zitten we dusnadrukkelijk op een tussenstation en is het eindstation volledige vermo-genswinstbelasting, maar ook daarover zeg ik dat uw Kamer en hetnieuwe kabinet de machinisten zijn. Die bepalen of we na het tussen-station verder rijden en, zo ja, waar we dan naartoe gaan. Maar nogmaals,ik zeg als Staatssecretaris van Financiën: wat mij betreft volledigevermogenswinstbelasting. En het klopt, meneer Vlottes, dat ik daarnaasttoevallig ook fiscalist ben.De heer Vermeer vroeg daarover wat de mogelijkheden naar de toekomsttoe zijn. U heeft er in het verleden vaker over gesproken, ook met mijnvoorgangers, waarbij nooit zo nadrukkelijk is gesproken over eenvolledige vermogenswinstbelasting. Is er dan iets gewijzigd ten opzichtevan toen, omdat dat nu opeens wel mogelijk lijkt? Volgens mij was hetdestijds ook mogelijk, alleen moet je het, denk ik, ook een beetje plaatsenin de tijdgeest. Ik zeg alleen: nu kan het wel, maar ook niet meteen; datheb ik nadrukkelijk aangegeven. Als we naar een nieuw stelsel voorvermogenswinstbelasting willen, kan dat pas een aantal jaar na 1 januariTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4450 2028, omdat het anders voor de uitvoering niet haalbaar is en ook voor debanken, die hierin een belangrijke rol hebben, uitvoerbaar moet blijven.Vorige week is er nog overleg geweest met de diverse banken en debrancheorganisatie. Die gaven ook aan dat, als dat politiek gewenst is, eenoverstap naar volledige vermogenswinstbelasting en aanlevering van diegegevens door de banken kan, maar dat de banken minimaal twee jaarnodig hebben om hun systemen daarop aan te passen. Dat betreft dus devraag: hoe nu verder?De voorzitter:Er is nog een interruptie daarover van de heer Vermeer.De heer Vermeer (BBB):Ik wil de Staatssecretaris bedanken voor zijn antwoord daarop. Ik heb welbegrepen dat banken dat voor andere landen bijvoorbeeld al wel moetenopgeven, dus dan zit het toch gewoon in hun systeem? Hoe kan het dannu opeens zo zijn dat ze daar twee jaar werk voor nodig achten?Staatssecretaris Heijnen:Het klopt wat de heer Vermeer stelt. Dat is bijvoorbeeld zo voor Ameri-kaanse staatsburgers die hier hun aangifte moeten doen. Zij zijn ook inAmerika verplicht om hun volledige wereldinkomen en vermogenswinstop te geven. Dat is een hele, hele beperkte groep. Als we dat voor allebelastingplichtigen zouden gaan doen, dan hebben we het in totaal over3,5 miljoen belastingplichtigen. Dat vergt toch wel wat extra werk.De heer Vermeer (BBB):Ik heb zelf jarenlang in de automatisering gewerkt. In de essentie van hetsysteem hoeft het niet uit te maken of je iets voor één persoon doet ofvoor 1 miljoen. Dit suggereert dat het allemaal handwerk is. Zie ik datgoed?Staatssecretaris Heijnen:Daar overvraagt de heer Vermeer mij. Ik heb niet jarenlang in de automati-sering gewerkt. Dat weet ik niet. Ik weet niet hoe de banken het nu doen.Ik weet alleen wat de banken aangeven wat voor hen mogelijk is.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Ik gaf al aan dat het ook na 1 januari 2028 mogelijk blijft om het nieuwestelsel door te ontwikkelen, als het nieuwe kabinet en uw Kamer datwillen. Deze wijzigingen zouden dan wat mij betreft het liefst uitgewerktkunnen worden in volgende belastingplannen of losse wetsvoorstellen.Daarbij moet uiteraard gekeken worden of en wanneer de voorstellenhaalbaar en uitvoerbaar zijn. Daarnaast moeten de voorstellen uiteraardook gedekt zijn.De heer Grinwis (ChristenUnie):De Staatssecretaris heeft steeds gesteld dat de Tweede Kamer voor15 maart 2026 haar ei moet leggen over dit wetsvoorstel, omdat anders deinvoering op 1 januari in het gedrang komt. Geldt dat coûte que coûtevoor het hele voorstel, inclusief alle parameters, of kunnen parametersbijvoorbeeld bij het eerstvolgende Belastingplan nog worden aangepastzonder dat dat invloed heeft op de invoering van het stelsel op 1 januari2028?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4451 Staatssecretaris Heijnen:Dat is een goede vraag. Op dit moment zou het huidige wetsvoorstel inzijn totaliteit voor 15 maart door uw Kamer aangenomen moeten worden.Dan beginnen met name de banken, maar ook andere partijen diegegevens aanleveren, namelijk te bouwen. Zijn er daarna nog aanpas-singen mogelijk? Wellicht wel, maar dat zal per aanpassing bekekenmoeten worden. Ik denk wel dat er op onderdelen aanpassingen mogelijkzijn in het Belastingplan 2027 of eventueel in het Belastingplan 2028, maarde banken hebben aangeven dat het wetsvoorstel wel op 15 maart 2026aangenomen moet zijn.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dat laatste snap ik. Er zitten ook allemaal parameters in, zoals 36%belasting en 3,35% vastgoedbijtelling. We komen daar nog over tespreken. Kan de Staatssecretaris anders toezeggen om nog voor destemming een brief aan ons te sturen over welke onderdelen essentieelzijn om nu vast te stellen en welke onderdelen eventueel, onder invloedvan politieke opvattingen met een meerderheid, nog gewijzigd kunnenworden? Ik heb het dan dus met name over de parameters zoals detarieven die ik net noemde. Het lijkt me logisch, inherent aan het systeem,dat dat gewoon altijd aanpasbaar is. Dat is bij belastingplannen ook altijdzo, zelfs nog anderhalve maand voor het nieuwe jaar. Het is niet ideaal,maar het kan wel. Ik zou daar graag een beetje meer duidelijkheid overkrijgen, want het is een hele bombastische uitspraak. Waar heeft die welbetrekking op en waarop niet?Staatssecretaris Heijnen:Ik kan dat aangeven en die toezegging doen. Ik snap de vraag en ik kanme daar ook heel goed iets bij voorstellen.De voorzitter:De griffier registreert deze toezegging.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik heb een aanvullende vraag nu die brief er toch gaat komen. Ik zou hetdan ook wel fijn vinden als de financiële consequenties van eventueleaanpassingen meegenomen worden, zodat de Kamer, als die iets wil, ookaanspreekbaar is en let op de dekking.Staatssecretaris Heijnen:We nemen dat mee.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan ga ik naar een aantal concrete vragen. De heer Vlottes vroeg of ergeen strijdigheid is met het EVRM. Nee, we zijn van mening dat dit stelselde toets van het EVRM doorstaat. Belastingheffing over ongerealiseerdewaardestijging wordt door de Hoge Raad niet als strijdig met het EVRMgezien, omdat die ook tot het daadwerkelijk rendement behoort. Door teheffen op basis van werkelijk rendement inclusief ongerealiseerdewaardestijging, wordt aangesloten bij de draagkracht van belastingplich-tigen.Dan vroeg de heer Hoogeveen waarom wij kiezen voor een stelsel datnergens anders in Europa in deze vorm wordt toegepast. Hij vroeg of datniet juist een risico is. Laat ik beginnen met de opmerking – volgens mij isdat wel helder – dat het ideale stelsel niet bestaat, althans niet op ditmoment. Ik denk dat het kabinet en meerdere voorgaande kabinetten omgoede redenen hebben gekozen voor dit voorstel, omdat dit een juisteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4452 balans biedt voor de overgang naar werkelijk rendement. Een volledigevermogenswinstbelasting kent een aantal nadelen die mogelijk oplosbaarzijn, maar waar je wel rekening mee moet houden. Een aantal werden algenoemd: budget, uitvoering, lock-ineffect en dergelijke en uiteraard ookde budgettaire dekking, maar daar ga ik zo meteen nog in een aparthoofdstuk verder op in.Ja, zeg ik tegen de heer Vlottes, de heffingsvrije voet van € 1.800 bestaatnog en daar is het ook al een aantal keer over gegaan. De parameters zijninderdaad zodanig gekozen dat het wetsvoorstel budgettair neutraal is.Daarbij is er rekening mee gehouden dat de meeste belastingplichtigenmet een kleiner vermogen nu onder het heffingsvrije vermogen blijven. Zezullen naar verwachting ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Er ismet name budgettair gekeken. Qua uitvoering is er gekeken naar hetaantal belastingplichtigen dat met box 3 te maken krijgt.Dan een vraag van de heer Grinwis over de vermogensbelasting.De voorzitter:Ogenblik. Er is toch nog een vraag van de heer Vlottes over dit antwoord.De heer Vlottes (PVV):Is er dan ook gekeken naar meer volatiele beleggingen, zoals crypto? Danmerk je in een bepaald jaar vooral dat er gigantische rendementen kunnenworden behaald, maar in een ander jaar heb je mogelijk verliezen. Dan gaje heel snel over die € 1.800 rendement heen. Dan kom je dus sneller inaanmerking voor de box 3-belasting.Staatssecretaris Heijnen:In de ramingen zijn alle mogelijke beleggingen meegenomen, uiteraard ineen bepaalde verhouding. Het zijn allemaal geïsoleerde modellen dieberekend zijn, dus dat geldt ook voor crypto. Maar het kan inderdaad zozijn dat iemand die alleen in crypto belegt, het ene jaar heel veelrendement heeft en het andere jaar heel veel verlies.Dan ga ik naar het stokpaardje van de heer Grinwis, de simpele vermo-gensbelasting. Het klinkt eenvoudig, maar schijn bedriegt. Mijn ambts-voorgangers hebben hier ook al meerdere Kamerbrieven aan gewijd. Er iseen anticumulatiebepaling; die is noodzakelijk. Dan ga ik ook nog watterug in de tijd. Vroeger was dat de 68%-regeling. Voor ’94 – ik heb het zelfnog meegemaakt – was het zelfs de 80%-regeling, waarbij betaaldevermogensbelasting en inkomstenbelasting destijds niet meer dan 68%van het belastbaar inkomen mocht zijn. Dit was om een nieuwe inbreukop het eigendomsrecht te voorkomen. Een dergelijke anticumulatiebe-paling lijkt in de praktijk veel op de tegenbewijsregeling. Belastingplich-tigen moeten daarvoor namelijk ook het werkelijk rendement berekenen.Hierdoor verliest wat ons betreft de vermogensbelasting zijn eenvoud.Daarnaast vinden wij een vermogensbelasting niet geheel rechtvaardig,omdat er over hele hoge rendementen geen belasting wordt geheven. Datalles overziend kiest het kabinet voor een heffing over de inkomsten uitvermogen, dus over de vruchten en niet over de stam.De heer Grinwis (ChristenUnie):We gaan de discussie niet meer helemaal overdoen, hoor. Het punt ishelder. Er ligt nu een wetsvoorstel voor en daar moeten we onze mindover opmaken. Ik heb het gevoel dat het tweede argument dat deStaatssecretaris noemde, dominanter is geweest dan het eerste, deanticumulatieregeling. In theorie is dat inderdaad een heel omvangrijkgebruikte regeling, maar de praktijk is dat niet zo heel veel mensengebruikmaakten van die anticumulatieregeling, omdat ze in de praktijkniet zomaar boven die 68% uitkwamen. Dat nuanceert dus wel het eerstedeel van het betoog. Als alle belastingplichtigen in box 3 gebruik zoudenmaken van die anticumulatieregeling, heb je niks aan de vermogensbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4453 lasting qua uitvoerbaarheid; dat geef ik gelijk toe. Maar de praktijk isgelukkig altijd anders geweest, ook in andere landen. Dat geef ik nog maareven mee aan de Staatssecretaris. Het is in zekere zin water onder debrug, maar ik denk dat we ooit nog zullen terugverlangen naar de dagwaarop we de fout hebben gemaakt om een heel ingewikkeld stelsel aante nemen en dat we dan denken: hadden we toch maar een vermogensbe-lasting gehad.Staatssecretaris Heijnen:We zullen zien.Dan het thema boxhoppen en de vraag daarover van de heer Grinwis. Hijvroeg: wordt boxhoppen nu mogelijk aantrekkelijker met het nieuwebox 3-stelsel? Wij zijn van mening dat de prikkel voor boxarbitrage juistafneemt, omdat nu in box 3, net als in box 2, belasting wordt gehevenover daadwerkelijk rendement en niet meer over forfaitair rendement.Daarmee kunnen fiscale redenen om vermogen dat in box 3 forfaitairhoog wordt belast over te hevelen naar box 2, wat ons betreft in iedergeval afnemen. Wij realiseren ons echter terdege dat er verschillen blijvenbestaan tussen box 2 en box 3, bijvoorbeeld wat betreft het genietings-tijdstip van de vermogensaanwasbelasting, die we niet in box 2 kennen.Dat verschil blijft er wel. Ook het tarief is verschillend. Het tarief in box 3 isnog altijd iets lager dan het gecombineerde tarief in box 2. De tweelaagste schijven, AB en vpb, zijn om en nabij 39%, afgerond. Dat zou erweer voor pleiten om bij box 3 te blijven zitten. Of arbitrage wel of nietvoordelig is, hangt denk ik vaak af van de individuele situatie.Tot slot nog twee dingen. Het oprichten van een bv kost ook geld. Diemoet onderhouden worden en brengt administratieve lasten met zichmee. Voor de overdracht van vastgoed aan een bv vormt de overdrachts-belasting vaak een belemmerende factor. Die is inmiddels weliswaar 8%,maar ja, dat rendement moet je eerst nog maar eens zien te maken.Dan ook een aantal vragen van mevrouw Van Eijk, de heer Hoogeveen ende heer Vlottes. De eerste is of ik bereid ben om samen met uw Kamer teonderzoeken hoe een overgang naar een volledige vermogenswinstbe-lasting kan worden vormgegeven. Als uw Kamer dat wenst, kan datuiteraard worden verkend. Ik ben daar even heel voorzichtig mee, want ikdenk dat ik dat niet meer persoonlijk ga doen. Ik denk wel dat het goed is,ook voor mijn opvolger, om samen met uw Kamer het traject inclusief detijdlijnen te verkennen, om te kijken hoe je dat zou moeten doen. Aan deandere kant realiseer ik me dat er andere partijen zullen zijn die overwillen naar een volledige vermogensaanwasbelasting. Daar zou je danwellicht ook naar kunnen kijken. Daar kun je ook in meenemen hoeveeltijd er nodig is voor wetgeving, implementatie door de Belastingdienst enimplementatie door de ketenpartners.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Verkennen kan nooit kwaad. Ik denk dat wat er nu ligt, na jaren vanverkennen tot stand is gekomen. Ik heb dus niet het gevoel dat het nogheel veel gaat veranderen. Ik zou wel willen vragen of de Staatssecretaris,als dit verkend gaat worden, heel expliciet kan omschrijven wat de kostenen budgettaire gevolgen zijn. We komen er straks bij het volgende blokjeop. Ik vind nog steeds dat er veel te gemakkelijk voorbijgegaan wordt aanhet feit dat je nog járenlang geld kwijt bent. Ook als er vandaag een motiekomt met het verzoek dit verder te verkennen, laten we dan wel duidelijkmaken wat de kosten daarvan zijn.Staatssecretaris Heijnen:Prima.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4454 Mevrouw Van Eijk (VVD):Dank voor de reactie van de Staatssecretaris. Ik had ook wel verwacht dathij zou denken dat niet meer zelf te kunnen gaan doen, maar je weet hetnooit. Ten aanzien van mijn vraag. Ik had ook specifiek gevraagd: gaat datdan stap voor stap, of in één keer? Komt de Staatssecretaris daar nog op?Hoe meer uitzonderingen je toevoegt, hoe kwetsbaarder het stelsel wordt.Dat weten we allemaal. Dat zou bijna suggereren dat je eigenlijk in éénkeer over moet als je die stap wil maken. Misschien kan de Staatssecre-taris daar nog iets over zeggen.Staatssecretaris Heijnen:Jazeker, voorzitter. Dat was het tweede deel van mijn antwoord. Ik denkdat het goed is om alle stappen in beeld te brengen en dan de vraag tebeantwoorden. Ga je dat stap voor stap doen, dus per vermogensbe-standdeel, of ga je dat in één keer doen? Ik denk dat een aantal overwe-gingen daarbij zouden kunnen zijn of het budgettair en uitvoeringstech-nisch kan en of het juridisch houdbaar is. Ik denk dat het goed is om allestappen die je zou kunnen en moeten zetten in beeld te brengen, envervolgens aan de hand van die stappen gezamenlijk te beoordelen wat jegaat doen en hoe je het gaat doen.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan een vraag van de heer Oosterhuis over de vermogensaanwasbe-lasting en mogelijke betalingsproblemen. Er zijn situaties, bijvoorbeeldvan slechte aandelen of werknemersparticipatie, waarbij dat speelt. Onzeverwachting is dat de vermogensaanwasbelasting niet tot dit soortliquiditeitsproblemen en dus betalingsproblemen leidt. Het is onzeervaring dat belastingplichtigen doorgaans niet alleen dit soort vermo-gensbestanddelen hebben, maar een gevarieerd pakket aan vermogens-bestanddelen, ook met liquide vermogen. Uit onderzoek blijkt dat box 3op dit moment in ieder geval zelden tot betalingsproblemen leidt. Wehebben niet de indruk dat dat onder het nieuwe stelsel anders zal zijn.Misschien nog even ter toelichting: op dit moment zijn er al betalingsrege-lingen van standaard vier maanden en op verzoek twaalf maanden. In heleschrijnende gevallen kan er zelfs maatwerk plaatsvinden en kunnenlangere betalingsregelingen worden afgesproken. Er zijn dus al betalings-regelingen. Voor zover dat nodig is, kan er ook voor box 3 gebruik vanworden gemaakt. Dan had de heer Oosterhuis een andere vraag, over eenuitspraak van de Raad van State dat het noodzakelijk is om een integralevisie op het belasten van vermogen te ontwikkelen. Het ging ook over derelatie tot box 1 en box 2 en over in internationaal perspectief voorkomendat extreem rijken allerlei manieren hebben om zo min mogelijk belastingte bepalen. Voor de integrale visie heeft het kabinet naar verschillendeopties gekeken. Dat hebben wij ook in de memorie van toelichting en denota naar aanleiding van het verslag uitgewerkt. We hebben het hier bijhet bespreken van het pakket Belastingplan wat uitgebreider over gehad.Ik denk dat het belangrijk is om zoiets in zijn totaliteit mee te nemen; als jehet gaat hebben over de integrale herziening van ons belastingstelsel, zouje dit volgens mij ook mee moeten nemen. We hebben op dit momentnaar box 3 gekeken. De vraag over die relatie tot box 1 en box 2 zie ik tochwat meer in het kader van de integrale herziening van ons belasting-stelsel.Dan de internationale fiscale behandeling van zeer rijke ...De voorzitter:Ogenblik, er is toch nog een vraag van de heer Oosterhuis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4455 De heer Oosterhuis (D66):Ja, voordat de Staatssecretaris zo meteen doorgaat naar het interna-tionale perspectief. Mijn vraag over de relatie met box 1 en box 2 gingnatuurlijk ook over het evenwicht tussen die boxen en de tariefstelling.Het tarief in box 3 is nu wat lager dan het gecombineerde tarief in box 2– ik heb het over vennootschapsbelasting – en het tarief in box 1. Stel dathet tarief van box 3 wat meer die richting op gaat, wat zijn dan de effectendie de Staatssecretaris daarvan verwacht?Staatssecretaris Heijnen:Poeh, dat vind ik lastig. Daar hebben wij in het kader van dit wetsvoorstelniet naar gekeken. In het verleden heeft uw Kamer wel vaker met mijnvoorgangers van gedachten gewisseld over het globale evenwicht, zoalsdat dan genoemd wordt. Als je ervoor kiest om het tarief in box 3 watmeer te laten bewegen richting, met name, box 1, dan zal dat zekergevolgen hebben. Maar u overvraagt mij als u mij vraagt welke gevolgendat zijn.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Tot slot in dit blokje een vraag van de heer Struijs; ik zie dat hij helaas nietaanwezig is. Hij vroeg waarom het stelsel eigenlijk op de schop moet. Dathebben we volgens mij al besproken: het huidige stelsel is onhoudbaar ente complex voor burgers en Belastingdienst, zorgt voor een jaarlijksebudgettaire derving en – dat vinden wij ook heel belangrijk – leidt niet toteen rechtvaardige belastingheffing. Dat zijn de redenen waarom we dezestap willen zetten. Ik denk dat dit de meeste leden die al wat langer in dezecommissie zitten, wel bekend is.Dan ga ik naar het blokje aanvullend ...De voorzitter:U begon net aan iets internationaals. Toen beantwoordde u die inter-ruptie, maar u heeft vervolgens uw antwoord niet gegeven. Ik denk datdaar anders weer een interruptie over gaat komen.Staatssecretaris Heijnen:Ik kom er niet mee weg, hè? Even kijken.Ik ga hier trouwens bij het blokje internationaal en belastingheffing bijzeer vermogende particulieren nog uitgebreid op in, realiseer ik me nu.Mag ik er dan op terugkomen?De voorzitter:Ja. Dan geloof ik dat we nu doorgaan met de aanvullende wensen.Staatssecretaris Heijnen:Voorzitter. Dan begin ik met de vraag van de heer Vermeer. Meerdereleden stelden deze vraag, volgens mij. «Waarom is er eigenlijk voorgekozen om alleen voor start-ups voor een afwijkende regeling te kiezenen niet voor het brede mkb? Daar vindt namelijk ook heel veel innovatieplaats.» Ik begrijp deze vraag heel goed. Niet alleen start-ups, maar ookbestaande mkb-bedrijven dragen bij aan innovatie en aan de economie.Uit de uitgevoerde staatssteunanalyse blijkt echter dat de ruimte omuitzonderingen op de hoofdregel te maken, beperkt is. Zoals u zichongetwijfeld herinnert, is naar aanleiding van deze analyse de eerdervoorgestelde uitzondering voor familiebedrijven geschrapt. De groepmkb-bedrijven is net zoals die van familiebedrijven heel breed en divers,misschien nog wel diverser en breder dan alleen familiebedrijven. Om diereden zien we dan ook geen ruimte om voor mkb-bedrijven een uitzon-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4456 dering te maken op de hoofdregel. Ik wil daar ook nog het volgende bijopmerken. Dan hebben we het met name over aandelen in familiebe-drijven; ik denk dat de heer Vermeer dat bedoelt. Het grootste deel van diebelangen valt natuurlijk in box 2. Je hebt het met name over die belangenin die familiebedrijven waarvoor box 2 niet geldt, maar waarop box 3 vantoepassing is.Dan gaan we naar verliesverrekening en al dan niet achterwaartseverliesverrekening. Daar zijn ook heel veel vragen over gesteld door onderanderen mevrouw Van Dijk en de heer Hoogeveen, die ook eenamendement in voorbereiding heeft. De heer Vermeer en mevrouw VanEijk hadden ook diverse vragen over verliesverrekening en al dan nietachterwaartse verliesverrekening. Laat ik beginnen met de vraag vanmevrouw Van Dijk over de budgettaire derving. Bij het bepalen van debudgettaire derving is er rekening mee gehouden dat verliezen alleenworden verrekend met inkomen uit 2028 of later. Andere landen die geenachterwaartse verliesverrekening hebben, zijn bijvoorbeeld tweeScandinavische landen, te weten Noorwegen en Zweden. Ook in Engelandkunnen verliezen alleen worden verrekend met winst in eerdere jaren ingeval van enkele uitzonderlijke situaties. Het gebeurt dus niet veel, maarhet gebeurt wel in Europa.Dan het amendement van de heer Hoogeveen met een beperkte carryback van één jaar. Ik begrijp die wens heel goed. De Belastingdienst geeftechter aan dat het zeer complexiteitsverhogend is. Ik zeg dat niet om dediscussie gelijk af te kappen. Ik geef aan wat het voor de systemenbetekent. Het is namelijk een ingrijpende structuurwijziging. De staffel ende structuur van de aanslag moeten worden aangepast. Daarom geeft deBelastingdienst aan dat inwerkingtreding per 1 januari 2029 nietuitvoerbaar is. Daarnaast heeft het amendement ook budgettairegevolgen, die niet worden gedekt. Volgens de budgettaire tabel levert datin bijvoorbeeld 2028 een derving op van 1,2 miljard en in 2029 van1 miljard, en zo neemt die jaarlijks af. Het betekent toch een budgettairederving ten opzichte van het basispad waarvoor dan dekking zou moetenworden gevonden.De heer Hoogeveen (JA21):Dat begrijp ik. Het is ook een reden dat er nog geen dekking in hetamendement zat, omdat wij in afwachting waren van die budgettairegevolgen. Ik keek naar het budgettaire effect, maar ik moet zeggen dat ikdie cijfers niet helemaal begreep. Misschien kan de Staatssecretaris hetwat verduidelijken. Er staat: in 2028 1,2 miljard, in 2029 ruim 1 miljard,daarna 0,5 miljard en in 2031 367 miljoen. Maar dan staat er: structurelekosten 12 miljoen. Nou weet ik niet zo goed hoe daarop is gekomen. Ofhet is een hele steile afbreuk of we rekenen ergens door tot in de 23ste of24ste eeuw. Kan de Staatssecretaris dat budgettaire effect misschien watverduidelijken?Staatssecretaris Heijnen:Mag ik daar in de tweede termijn op terugkomen, voorzitter?De voorzitter:Ja. Geeft u uw oordeel over het amendement in de eerste termijn of in detweede termijn?Staatssecretaris Heijnen:Ik ging ervan uit dat amendementen en moties in de tweede termijnworden ingediend, waarna ik die zal appreciëren.De voorzitter:De amendementen zijn al bekend, dus het helpt soms wel voor de tweedetermijn als men het oordeel al weet. Maar ja, dat is aan u.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4457 Staatssecretaris Heijnen:Oké. Dat hadden wij niet voorbereid, maar ik kan het amendement van deheer Hoogeveen wel appreciëren. Ik heb het eigenlijk min of meer al inmijn toelichting aangegeven. Het is uitvoeringstechnisch en budgettaireen probleem. Ik kom nog terug op de cijfers. Het is niet gedekt; vandaardat ik dit amendement moet ontraden.De voorzitter:Het amendement op stuk nr. 9 is daarmee ontraden. De Staatssecretarisvervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan gaan we naar het andere amendement van de heer Hoogeveen. Datbetreft de doorschuiffaciliteit bij het beëindigen van een huwelijk door eenscheiding, door een life event. Ook dat – helaas, ik val in herhaling – is eenstructuurwijziging in de keten Inkomensheffing. Dat is een ingrijpendeverandering en kan niet uitgevoerd worden per 1 januari 2028. Er zijnbudgettaire gevolgen berekend. Wellicht dat de heer Hoogeveen ook daareen nadere toelichting op wil. Die zullen we ook meenemen in mijntweede termijn. Om dezelfde redenen als bij het eerste amendement, kanik dit amendement helaas alleen maar ontraden.De voorzitter:Het amendement op stuk nr. 8 is ontraden, meneer Hoogeveen.De heer Hoogeveen (JA21):Ik vond dat inderdaad ... Maar goed, fijn als de Staatssecretaris er in detweede termijn op terugkomt. Bij die doorschuiffaciliteit kregen wij zelfsdoor dat het geen budgettair effect zou hebben. Dat leek vrijdag opeensweer anders te zijn. Daar hebben wij nog nadere informatie overgevraagd. Daar hebben wij nooit meer iets van vernomen. Wellicht dat deStaatssecretaris daar in de tweede termijn op terug kan komen.Staatssecretaris Heijnen:Zeker, daar kom ik op terug. Het is goed – dat werd al eerder in dit debataangegeven – dat er geen discussie is over de feiten en uitgangspunten.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:De heer Vermeer had ook een vraag over verliesverrekening in het laatstelevensjaar. Is dat geen reden om nog snel, vlak voor het overlijden of inhet jaar van overlijden, naar een bv te gaan? Hij vroeg zich ook af hoeveelbelastingplichtigen er zijn met een vermogen van meer dan 1 miljoen inbox 3. Ik ga met die laatste vraag beginnen. Dat zijn er in 2028 volgens deraming 104.000. Er zijn dan dus 104.000 belastingplichtigen met eenbox 3-vermogen van meer dan een miljoen.Het klopt, zoals de heer Vermeer aangaf, dat bij overlijden niet het vollediggeleden verlies kan worden verrekend met positieve inkomsten in dat jaar.Als er geen positieve inkomsten zijn, blijft dat verlies permanent onver-rekend. Dat klopt. Maar daarbij moet wel worden bedacht dat in hetlaatste jaar, of in het jaar van overlijden, de nog niet belaste waardeaan-groei van onroerend goed alsnog in de heffing wordt betrokken. Dat zouwellicht wel voldoende basis bieden om die verliezen te verrekenen. Ikvraag me af of dit soort situaties heel veel gaan voorkomen en of ditinderdaad een weg gaat worden die veel belastingplichtigen kiezen. Hetoprichten en onderhouden van een bv kost geld en hoeft fiscaal zeker nietaltijd voordelig te zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4458 De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik weet niet of deze vraag hier past of dat de Staatssecretaris er nog opterugkomt. Bij overlijden moet men belasting betalen over gereduceerdewinst, omdat het wordt geïnterpreteerd als een moment van verkoop,waarop dus vermogenswinst wordt gemaakt. Dat kan tot grote liquiditeits-problemen leiden bij de nabestaanden, of het nou gaat over bijvoorbeeldverhuurd vastgoed – we mogen huurders in dit land gelukkig niet in éénkeer op straat zetten – of om beleggingen die niet zomaar liquide temaken zijn. In dergelijke gevallen is het een enorme aanslag. Hoe ziet deStaatssecretaris dat? Zijn er dan ruimhartige betalingsregelingenvoorhanden? Er wordt namelijk niet zo veel over gezegd in de stukken. Bijsommige zaken hebben we doorschuiffaciliteiten, maar hierbij niet.Staatssecretaris Heijnen:Dat klopt. Gelukkig is bij het pakket Belastingplan 2026 die termijnaanzienlijk verruimd, van acht naar twintig maanden. Dat geeft, denk ik, alheel veel lucht om actie te ondernemen. Daarnaast kunnen we met debestaande betalingsregelingen van vier maanden, twaalf maanden, ofzelfs nog langer in individuele en echt heel moeilijke situaties, goed uit devoeten, denk ik. Dus ja, mogelijk zal een beperkt aantal situaties zichvoordoen. En ja, dan kan er gebruikgemaakt worden van de bestaandebetalingsregelingen.De voorzitter:De heer Grinwis heeft nog een vervolgvraag.De heer Grinwis (ChristenUnie):Heel kort hierover. De Staatssecretaris classificeert die betalingsrege-lingen als ruim. Stel dat je verhuurd vastgoed hebt, waarin huurders zittenmet vaste contracten voor onbepaalde tijd, en er een enorme waarde-stijging is geweest. Dan moet je misschien in één keer tonnen aftikken bijde Belastingdienst. Vier of twaalf maanden klinkt mij dan helemaal nietruim in de oren. Is dat niet een reden om toch nog een keer naar diebetalingsregelingen te kijken in relatie tot het nieuwe box 3-stelsel, dathier voorligt?Staatssecretaris Heijnen:Ik vraag mij dat af. Bij de aangifte van de erfbelasting is de termijn nusowieso al twintig maanden. Daar komt twaalf maanden bij, bij debetalingsregelingen die geen maatwerk betreffen. Dan heb je bijna driejaar de tijd om het te verkopen of om iets anders te regelen. Als er dannog betalingsproblemen overblijven, dan is het mogelijk om de betalings-regeling via maatwerk nog verder te verlengen. Ik denk dus niet dat dehuidige betalingsregelingen nog ruimer hoeven te worden.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Ik blijf even bij de verliezen. Mevrouw Van Eijk vroeg of de effecten van degekozen verrekeningssystematiek kunnen worden gemonitord. Ja, datzullen we doen. De gevolgen van de gekozen verliesverrekening is eenvan de elementen die we zullen meenemen in de evaluatie van hetwetsvoorstel. Dat kan ik bij dezen toezeggen.De heer Grinwis en de heer Vlottes vroegen hoe het werkt met negatieverendementen. Daarvoor geldt een onbeperkte voorwaartse verliesverre-kening. We hebben het daar al over gehad, dus ik weet niet of daar nogverdere vragen over zijn. Ik denk dat we het daar al uitgebreid overhebben gehad.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4459 Mevrouw Van Eijk vroeg naar andere landen met eenvoudige instru-menten, bijvoorbeeld beleggingsrekeningen of vrijstellingen voorbepaalde vormen van rendement. Zij vraagt mij of ik bereid ben omparallel aan dit wetstraject samen met de Kamer te verkennen welkeopties kansrijk zijn voor Nederland. In het commissiedebat Ecofin van3 december jongstleden heb ik toegezegd een onderzoek op te starten. Ikgeloof dat mevrouw Van Dijk daar ook naar vroeg. Dat onderzoek wordt inde eerste helft van 2026 uitgevoerd. Dat ligt nog op plan. Het zal in deeerste helft van 2026 met uw Kamer gedeeld worden.De voorzitter:Mevrouw Van Eijk op dit punt.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik denk dat de antwoorden die de Staatssecretaris en de Minister gevenniet altijd helemaal gelijk lopen als het gaat over beleggingen, al dan nietin EU-verband. Er is ook nog een fiche over EU-beleggingsrekeningengeweest. Daarin stond heel nadrukkelijk: «We vinden eenEU-beleggingsrekening heel interessant. Dat is allemaal hartstikke logisch.We gaan serieus kijken naar een nationale optie na inwerkingtreding vande Wet werkelijk rendement box 3.» Het zal dan volgtijdelijk plaatsvinden.Ik zou dat een gemiste kans vinden, dus ik vraag de Staatssecretarisnogmaals of het parallel kan gebeuren.Staatssecretaris Heijnen:Nu moet ik voorzichtig worden. Die opmerking is terecht. Wat mij betreftloopt het parallel. Ik ben het volledig met mevrouw Van Eijk eens. Waaromzou je wachten als je het ook parallel kunt doen? Je neemt nog geenbeslissing of je het wel of niet gaat doen; je gaat er alleen maar onderzoeknaar doen. Ik zal dat met de Minister afstemmen.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:De heer Oosterhuis vroeg of ik in de toekomst wil toegroeien naar eenprogressieve tariefstructuur in box 3 en welke uitvoerings- en gedragsef-fecten ik zie. De heer Stultiens had het daar ook over. Ik heb al aange-geven dat dit niet het eindstation is wat betreft het demissionaire kabinet.Wij zien de Wet werkelijk rendement als een tussenstation, maar de vraagwat het eindstation wordt, bijvoorbeeld een progressieve tariefstructuurzoals we die inmiddels ook kennen voor box 2, wil ik heel graag aan hetvolgende kabinet en aan uw Kamer laten. Op dit moment zou het – u voelt’m al aankomen – een ingrijpende structuurwijziging zijn, die mogelijk enwaarschijnlijk tot een latere invoeringsdatum zal leiden dan 1 januari2028.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik heb hier wel een vraag over. We moeten deze wet aannemen in maart.Er zijn nog 22 maanden over om hem te implementeren. Er wordt eenheel nieuw systeem opgetuigd van fictief rendement naar daadwerkelijkrendement. Er komt nog een aanvullend wetsvoorstel. Er komt nog eendefinitie van start-ups. En toch zegt de Staatssecretaris: ja, maar eentoptarief toevoegen wordt moeilijk. Vraag één is: is dat echt zo? Vraagtwee is: per wanneer is dat dan wel mogelijk?Staatssecretaris Heijnen:Ja, het is echt zo. Het is echt een ingrijpende structuurwijziging. Perwanneer is het wel mogelijk? Een aantal jaren na 1 januari 2028. Dat geldteigenlijk voor veel van de ingrijpende structuurwijzigingen. Eerst moetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4460 Cool:Gen zijn uitgefaseerd, zoals u allemaal heeft gelezen. Dat is voor eind2027 voorzien. Dan moet het nieuwe box 3-stelsel worden geïmplemen-teerd. Vervolgens kunnen dit soort wijzigingen meegenomen worden, alsmen dat wil. Ik denk dat je dan wel over een aantal jaren na 1 januari 2028spreekt.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik geloof de Staatssecretaris op zijn woord, maar laat ik het zo zeggen: hetis moeilijk voor te stellen dat je met 900 fte in 22 maanden niet één tariefkan toevoegen. Maar laat ik ervan uitgaan dat het klopt. Dan zou ik graagin de tweede termijn horen welke datum precies mogelijk is. We hebbeneen amendement liggen en ik wil geen dingen indienen die niet kunnen,dus vandaar dat ik het vraag. Het helpt wel om het exact te weten en ikhoor dan graag wat de eerst mogelijke datum is waarop het wel uit tevoeren is.Staatssecretaris Heijnen:Ik kom daar in de tweede termijn op terug.We hebben het al een aantal keer gehad over tussenstation of eindstation.De heer Grinwis vroeg mij hoe ik het nu ga aanpassen om te beoordelenof dingen wel goed werken of beter zouden kunnen werken. Welk procesis aan de orde en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken? Ik kan utoezeggen dat ik u na de invoering van de wet zal informeren over deuitvoering, bijvoorbeeld via de bekende stand-van-zakenbrieven, diedoorgaans halfjaarlijks vanuit de Belastingdienst worden gestuurd. Aande hand van de evaluatie, al dan niet na vijf jaar, kan worden gekeken watde ontwikkelingen zijn met betrekking tot de uitvoerbaarheid,doenbaarheid voor de burger en de belastingopbrengsten. Ook kan eeninvoeringstoets worden gedaan, die we tegenwoordig vaker doen. Die zalik met uw Kamer delen.Dan een vraag van mevrouw Van Dijk: is de termijn van vijf jaar voorstartende ondernemingen niet te kort en waarom sluiten we niet aan bijde fiscale regelingen voor medewerkersparticipaties? Bij de nieuwedefinitie zal inderdaad de termijn worden verlengd. RVO zal eenbeschikking afgeven. Die geldt in eerste instantie voor acht jaar en kanworden verlengd met termijnen van vijf jaar, als nog steeds aan devoorwaarden wordt voldaan. Ik werk ook aan een apart wetsvoorstel metdeze verbeterde definitie, samen met de regeling voor medewerkersparti-cipaties. Wij koersen hierbij op een inwerkingtreding per 1 januari 2027.Deze definitie kan en zal vervolgens uiteraard ook worden gebruikt inbox 3 vanaf 1 januari 2028. Mevrouw Van Eijk noemde een termijn vantien tot vijftien jaar, geloof ik. Daar zou je met deze nieuwe regeling, achtplus vijf, aan kunnen voldoen.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik weet niet zeker of daarmee het kopje startende ondernemingen klaar is,want ik had daar meer vragen over. Anders heb ik een aantal aanvullendevragen.Staatssecretaris Heijnen:De startende ondernemingen komen verderop in de stukken nog terug.Mevrouw Van Eijk (VVD):Oké. Dan specifiek op dit punt. Ik snap dat we naar eenvoud streven. Ikzou het liefst ook eenzelfde definitie hebben in zowel de wet op deloonheffingen voor de medewerkersparticipatie als in de Wet werkelijkrendement box 3 wat betreft de aandelen in startende ondernemingen. Devraag is echter of dat juridisch houdbaar is, omdat het doel van deuitzondering in de Wet werkelijk rendement een andere is dan destimuleringsmaatregel rond de medewerkersparticipatie in de wet op deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4461 loonheffing. Ik vraag mij af of we niet in allerlei andere discussiesterechtkomen als we zo aan die definitie gaan sleutelen dat die niet meerhelemaal aansluit bij het doel van de uitzondering in de Wet werkelijkrendement. Volgens mij werd het maken van die uitzondering vooralgedreven door het feit dat het een illiquide karakter heeft. Ik vraag mij afof die dan niet kwetsbaarder wordt. Met andere woorden: ik volg de lijnvan eenduidigheid, eenvoud en dezelfde definitie, maar ik denk wel datwe scherp moeten blijven op het eventueel verder inkaderen als het gaatom de Wet werkelijk rendement box 3 om die daar ook juridisch houdbaarte houden en geen discussies te krijgen over aandelen in familiebedrijven,aandelen in mkb’s en aandelen in andere bedrijven. Ik maak mij daarzorgen over. Misschien kan de Staatssecretaris daar nog iets over zeggen.Staatssecretaris Heijnen:Ja, ik snap dat. Ik denk ook dat we daar goed rekening mee moetenhouden. Aan de andere kant: wat betreft de medewerkersparticipatie zijner ook regelingen voor andere dan start-ups. Daarvoor geldt ook geenspecifieke regeling. Daar moet je dus ook al rekening mee houden als hetgaat om de juridische kwetsbaarheid. Dus ja, ik denk dat het belangrijk isom daar rekening mee te houden, maar dat geldt voor beide regelingen.Zou dat ertoe leiden dat de definitie voor de ene regeling wellicht anderszou moeten zijn dan voor de andere regeling, dan is dat maar zo, maar opdit moment gaan wij ervan uit dat dit niet het geval is.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:De heer Stoffer stelde een vraag over de waardering van aandelen infamiliebedrijven en de jaarlijkse waardering in het nieuwe stelsel. «Brengtdat niet een grote uitvoeringslast voor de Belastingdienst, maar ook voordie bedrijven met zich mee?» Sinds de invoering van het box 3-stelselmoeten bezittingen jaarlijks worden gewaardeerd, namelijk op de waardein het economisch verkeer. Dat geldt ook voor dit soort aandelen, vooraandelen in familiebedrijven. Op dit punt brengt het nieuwe box 3-stelseldus geen wijziging met zich mee.Dan een tweede vraag van de heer Stoffer. Misschien hadden wij die netmoeten behandelen. De uitzondering voor familiebedrijven is geschrapt.Hij vroeg zich af of we «familiebedrijven» dan niet beter zouden moetendefiniëren, zodat dit bij een staatssteuntoets wél juridisch houdbaar is. Wijhebben hier uitgebreid onderzoek naar gedaan en we hebben dit externlaten toetsen. Na dat onderzoek en die externe toetsing zien wij niet echtruimte voor het maken van een uitzondering voor familiebedrijven. Datkomt doordat het concept «familiebedrijf» geen homogene groep is. Ditlaat zich daarom niet makkelijk lenen voor een uniforme bruikbaredefinitie. Een nauwere afbakening voor bijvoorbeeld alleen kleine ofmiddelgrote familiebedrijven zou geen oplossing bieden. Wat ons betreftis het in die situatie nog steeds zeer lastig om te onderbouwen waaromeen uitzondering gerechtvaardigd is ten opzichte van bedrijven die onderde hoofdregel vallen. Dus ja, naar de definitie is goed gekeken, maar wijzien geen mogelijkheden om die vrijstelling of die familiebedrijven via eenaanpassing van de definitie alsnog onder de vermogenswinstbelasting telaten vallen.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Even over die definitiediscussie. Dat is een Europese discussie. In Europabestaan ook maatregelen om familiebedrijven te steunen. Daar hebben ze,neem ik aan, ook definities. In hoeverre wijken die af van hetgeen wijdoen? Zou daar dan nog wat meer evenwicht in te vinden zijn?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4462 Staatssecretaris Heijnen:Ik weet niet of dat met mevrouw Van Dijk was, maar ik herinner me dat wijhet tijdens de behandeling van het pakket Belastingplan ook overfamiliebedrijven hebben gehad en wel in relatie tot de BOR. Misschienwas dat niet bij het pakket Belastingplan maar eerder; ik weet het niet.Volgens mij hebben we toen ook gekeken naar de definitie van «familiebe-drijven» en hoe ze dit in andere landen doen. Ik denk dus dat dat heelgoed is. Niet vergeten mag worden dat het misschien wat eng is omspecifiek alleen naar familiebedrijven en de definitie van familiebedrijvenin diverse landen te kijken, omdat je dan ook het hele belastingstelsel zoumoeten meenemen waarin dat een rol speelt. Ik vind het in ieder gevaleen goede suggestie van mevrouw Van Dijk om daar eens wat breder, inEuropees verband, naar te kijken. Volgens mij vinden er ook regelmatigonderzoeken op dit vlak plaats, met name naar hoe familiebedrijven indiverse Europese landen fiscaal worden behandeld.De heer Stoffer (SGP):Het antwoord van de Staatssecretaris klinkt op zich logisch, maar is hij hetmet mij eens dat het erop neerkomt dat het ten koste gaat van familiebe-drijven als je belasting over vermogensaanwas moet betalen? Dan ga jehet aandeel in de familiebedrijven toch verwateren? Als je niet uitkijkt,wordt het allemaal private equity. Als het in twee families komt, dan is hetnog niet zo’n punt. Maar stel dat het allemaal private equity wordt. Steldat mensen denken: weet je, laat het dan maar gaan. Dan krijgen we eenheel ander soort bedrijfscultuur in Nederland. Ziet de Staatssecretaris dat?Wij zitten nu een wet te maken en dan denk je in systemen, proceduresenzovoorts. Maar het kan zomaar een heel groot maatschappelijk effecthebben waarvan we op een gegeven moment, over een aantal jaar,denken: wat hebben we er met elkaar van gemaakt?Staatssecretaris Heijnen:Ik snap de zorg van de heer Stoffer en ik denk dat het goed is om daarrekening mee te houden als dat inderdaad een probleem zou zijn. Wehebben het echter over belangen in familiebedrijven van minder dan 5%,want alle andere belangen vallen in box 2. Ik denk dat 95% van deaandelen in familiebedrijven in box 2 valt en niet in box 3, dus daarbijhebben we dat probleem niet. Daarnaast is het zo, als je het hebt over dejuiste verwatering, dat je zelfs bij een belang tot en met 0,5% onder box 3kunt blijven vallen via een fictief aanmerkelijk belang. Ik denk dus dat demaatschappelijke impact waar de heer Stoffer voor vreest uiteindelijk welzal meevallen door de familiebedrijven niet onder de vermogenswinstbe-lasting te brengen.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan ga ik naar het kopje uitvoering. Daar zijn ook heel veel vragen overgesteld en veel voorstellen voor gedaan. Om te beginnen wil ik nog eenkeer heel helder aangeven wat nu die ingrijpende veranderingen zijn dieleiden tot een vertraging van de tijdige inwerkingtreding van hetwetsvoorstel. In feite maak ik dan een drieslag. Op de eerste plaats zijn datgrote aanvullende ICT-aanpassingen bij de Belastingdienst die niet meerin het portfolio van de keten IH kunnen worden ingepast. Voorbeeldenhiervan zijn het invoeren van een tweede tariefschijf – ik zal op verzoekvan de heer Stultiens aangeven wanneer dan wel – een differentiatie inhet heffingsvrije resultaat tussen sparen enerzijds en beleggen anderzijds,waar ook naar werd gevraagd, en een herinvoering van groen beleggen.Dat zijn allemaal voorbeelden van grote aanvullende ICT-aanpassingen dieingrijpende wijzigingen zijn. Ook het invoeren van een doorschuiffaciliteitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4463 voor de NSW-landgoederen zou een ingrijpende verandering zijn, maardaar ga ik zo meteen nog uitgebreider op in. Dat zijn dus deICT-aanpassingen. Ten tweede is er sprake van een ingrijpende veran-dering als een aanpassing leidt tot een grotere personele behoefte danwaar we nu al mee zitten, dus als er meer dan 900 mensen extra aange-nomen moeten worden. Die aanvullende wervingsopgave is ook eengrote wijziging. Het risico bestaat dat de Belastingdienst die niet tijdig kaninvullen. Dan een derde, zoals u wellicht ook in de nota naar aanleidingvan het verslag hebt gelezen. We werken heel veel samen met keten-partners. Als er een wijziging wordt voorgesteld die heel veel extra werkbetekent voor de ketenpartners, voor andere organisaties, dan is dat ookeen ingrijpende wijziging. Dat zijn dus de ingrijpende wijzigingen. Zomoet u die zien.Dan een vraag van de heer Vermeer op het gebied van de uitvoering. Diegaat met name over het personeelstekort. Hij vroeg of ik een alternatiefheb om genoeg mensen te werven, met name op het vlak van extrapersoneel. De Belastingdienst is ervan overtuigd dat door het ingroei-model de tijdige werving van medewerkers mogelijk is. Daarnaast zullenwe uiteraard zo veel als mogelijk gebruikmaken van medewerkers die albij de aanvullende hersteloperatie voor box 3 worden ingezet. Dezemedewerkers hebben inmiddels al de relevante ervaring opgedaan.Hopelijk zijn ze over een aantal jaren klaar met hun werkzaamheden voorhet herstel en kunnen ze overstappen naar werkzaamheden voor de Wetwerkelijk rendement. Daarnaast – de heer Vermeer wees daar al op –zullen wij ook gericht medewerkers gaan benaderen van afdelingen diebinnen de Rijksoverheid gaan afschalen, zoals de Dienst UHT. Die werd algenoemd. Wij verwachten dus dat we die medewerkers kunnen vinden.Wij zien wel een uitdaging om voldoende medewerkers met specifiekeexpertise, zoals waarderingsdeskundigen, te werven. We zijn bezig omook daarvoor in een oplossing te voorzien. Dat willen wij doen middelsslim gebruik van data en informatie om de medewerkers die zich hiermeebezighouden te ondersteunen. Dan moet u denken aan een dashboardmet onroerende zaken om het toezicht minder arbeidsintensief te maken.Ja, ook dit soort medewerkers moeten wij werven. Wij verwachten dat datniet leidt tot problemen waardoor de invoering per 1 januari 2028 ingevaar komt. Wij denken na over slimme ondersteuning, zodat dat op eengoede manier kan plaatsvinden.De heer Vermeer (BBB):Ja, en als dat niet lukt, moeten we dus versneld naar echte winstbelasting.Staatssecretaris Heijnen:Ik weet niet of dat de conclusie is, voorzitter.De vraag van de heer Stultiens ligt op hetzelfde terrein. Hij vroeg of echtalles is gedaan om de uitvoeringstoets minder slecht te maken, of echtalles uit de kast is getrokken. Ja, wij zijn van mening van wel. Wij zien opdit moment geen verbeterpunten voor het voorliggende wetsvoorstel diede uitkomsten van de uitvoeringstoets zouden kunnen verbeteren. Dat isnatuurlijk jammer, maar wij vonden het wel belangrijk om transparant eneerlijk te rapporteren over de uitdagingen waar de Belastingdienst mee temaken heeft.Mevrouw Van Eijk had ook een vraag over de uitvoering, over ICT en deuitfasering van oude systemen. Binnen de ICT van de Belastingdienstheeft uitfasering van de verouderde software Cool:Gen prioriteit; dat heeftu gelezen. Die uitfasering was eigenlijk voorzien voor eind dit jaar, maardat wordt nu eind volgend jaar. Dan moet die voltooid zijn. Vervolgensheeft de Wet werkelijk rendement prioriteit. De Belastingdienst koerst dusop invoering per 1 januari 2028, zoals al gezegd. Dat geldt ook voortaxateurs en business valuators. Dat zijn schaarse en specifieke groependie doorlopend, ook nu al, door de Belastingdienst worden geworven. WijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4464 verwachten niet dat dit leidt tot problemen waardoor de invoering per1 januari 2028 in het geding komt.Mevrouw Van Eijk (VVD):Welke risico’s ziet de Staatssecretaris nog als het gaat om de uitfaseringvan Cool:Gen? Of is er met dat jaar uitstel een dusdanige margeingebouwd dat dat nog steeds een haalbare datum is, als de Kamerwegblijft van allerlei nieuwe beleidswensen, structuurwijzigingen etcetera?Staatssecretaris Heijnen:Dat laatste, zeg ik in antwoord op de vraag van mevrouw Van Eijk. Datheeft u ook in de uitvoeringstoets kunnen lezen. Als er geen ingrijpendewijzigingen van dit wetsvoorstel komen en als er geen ingrijpende anderewetsvoorstellen worden ingediend die een groot beslag leggen op de ICTvan de keten IH, zijn wij ervan overtuigd dat invoering per 1 januari 2028nog steeds mogelijk is.Dan nog een vraag van mevrouw Van Eijk; de heer Grinwis vroeg er ooknaar. Ik heb toegezegd daarop terug te komen. Zij vroegen: welkewijzigingen zijn nog mogelijk zonder risico voor de planning? Dat gaatover de parameterwijzigingen, over het tarief voor het heffingsvrijeresultaat. Ik kom daar, zoals gezegd en toegezegd, schriftelijk op terug.Over betalingsregelingen heb ik het gehad en de specifieke vraag van deheer Oosterhuis heb ik volgens mij ook al min of meer beantwoord: is hetmogelijk een heffingskorting voor groen beleggen te introduceren? Dat iseen structuurwijziging in de keten inkomstenheffingen. Zijn vraag was:wanneer zou dat dan kunnen? Ik zal de Belastingdienst ook verzoeken omte onderzoeken binnen welke termijn deze maatregel eventueel kanworden ingevoerd. Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik dat niet komendeweek al kan aanleveren. Ik hoop dat dat geen probleem is. Zou de Kamerdaartoe besluiten, dan kan dat natuurlijk gewoon in het Belastingplanworden opgenomen.De voorzitter:De heer Oosterhuis en dan mevrouw Van Eijk.De heer Oosterhuis (D66):Dit zou wat mij betreft een van de wijzigingen zijn voor in de brief die istoegezegd aan de heer Grinwis. Misschien kan daarin worden meege-nomen of deze wijziging uitvoerbaar is per 2028.Staatssecretaris Heijnen:Misschien heb ik het niet duidelijk genoeg gezegd. Invoering per 1 januari2028 is uitvoeringstechnisch niet mogelijk. Ik zal terugkomen op de vraagper wanneer het dan wel kan. Het is niet mogelijk, omdat het eeningrijpende structuurwijziging is. Het is anders dan een parameterwij-ziging, bijvoorbeeld de 3,35% waar de heer Grinwis naar vroeg, of eentarief. Dit is echt wel een grote ICT-structuurwijziging, die per 1 januari2028 helaas niet ingevoerd kan worden.Mevrouw Van Eijk (VVD):Ik probeer even mee te denken. Ik bedoel, wij behoorden tot degenen diede regelingen gesloopt hebben, dus dat erken ik hier ook volmondig,maar daarbij waren er natuurlijk twee onderdelen: een extra heffingsvrijvermogen en een heffingskorting. Die zijn allebei technisch gezien in dewet blijven staan, omdat in één keer afschaffen ook niet kan. Met anderewoorden, er is nog wel iets. Misschien kan de Staatssecretaris dus ooknog ingaan op die varianten, want er waren er twee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4465 Staatssecretaris Heijnen:Staat u mij toe dat in de tweede termijn te doen, voorzitter. Dan kom ikdaar graag op terug.De voorzitter:Ik ben heel flexibel, maar ik kijk even naar de leden. Die vinden dat ookwel goed, denk ik. Ja. Dan kunt u verder.Staatssecretaris Heijnen:Over de invoeringstoets hebben we het al gehad.Dan een vraag over de administratie- en bewaarplicht. Onder anderen deheer Stoffer vroeg daarnaar. Voor een kleine groep belastingplichtigenwordt een administratie- en bewaarplicht ingevoerd, namelijk voordiegenen met bezittingen waarover de Belastingdienst geen contra-informatie van banken, verzekeraars of andere partijen ontvangt. Het isdus geen generieke plicht, maar het gaat om maatwerk. Het is vervolgenseenieders verantwoordelijkheid als belastingplichtige om hieraan tevoldoen. Ik ben er, zeg ik heel eerlijk tegen de heer Stoffer, geenvoorstander van om die administratie- en bewaarplicht te koppelen aan deomvang van iemands vermogen of het inkomen daaruit; dat kan immersper jaar verschillen. Zoals volgens mij ook in de nota naar aanleiding vanhet verslag is aangegeven, geldt die informatie- en bewaarplicht nueenmaal voor een aantal extra belastingplichtigen. We streven er in iedergeval naar de belastingplichtigen op het aangifteformulier duidelijk temaken welke gegevens ze hoelang zouden moeten bewaren om daaraante voldoen.Dan een vraag van mevrouw Van Dijk. Die was heel concreet: stel nu datwe 10% minder mensen kunnen werven dan we voorzien hadden; watbetekent dat dan? Ja, dat zal gevolgen hebben. Dat zal mogelijk gevolgenhebben voor het toezicht en de handhaving. Dan zullen er keuzes gemaaktmoeten worden wat betreft de mate en de omvang van het toezicht. Dat isdus concreet mijn antwoord.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank voor het antwoord. Ik was ook op zoek naar het volgende. Jullieweten dat dit risico er is. Daar denken jullie over na. Dan bepaal jemisschien ook een ondergrens met elkaar, van: als we dit niet meerkunnen werven, wordt het echt onverantwoord. Kunt u ons daar eenstukje in meenemen?Staatssecretaris Heijnen:Mij is eigenlijk niet bekend dat wij een harde ondergrens hebben bepaald,zoals «als het meer dan 10% is, moeten we niet verdergaan», ook omdatwe ervan uitgaan dat we de benodigde mensen kunnen werven. Op ditmoment lukt dat ook. Het antwoord op die vraag moet ik dus schuldigblijven.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan een andere vraag van mevrouw Van Dijk, over de hele grote rode vlagbij onvoldoende dienstverlening en toezicht, en het risico dat daarmeegelopen wordt dat de bereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig tevoldoen aan fiscale verplichtingen, afneemt. Zij vroeg hoe ik dat zie en ofik daar nog een keer op in wilde gaan. Op dit moment zijn er geenaanwijzingen dat hierdoor, met onvoldoende dienstverlening en toezicht,het risico wordt gelopen dat de bereidheid bij belastingplichtigen omvrijwillig te voldoen aan de fiscale verplichtingen afneemt. Wij zullen ditTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4466 soort zaken uiteraard wel monitoren en in de evaluatie meenemen,wellicht gekoppeld aan hoe het op dit moment met de wervingsopgavestaat.Dan ga ik naar het favoriete thema van ons allemaal, namelijk budgettair.Er zijn een aantal vragen gesteld over de verschillen tussen de structureleopbrengst op lange termijn van een vermogenswinstbelasting en destructurele opbrengst op lange termijn van een vermogensaanwasbe-lasting. De heer Grinwis en mevrouw Van Dijk vroegen of deze in kaartkunnen worden gebracht en of de keuze voor een vermogensaanwasbe-lasting budgettair gezien op langere termijn niet juist slechter is. De heerStultiens keek wat meer naar de korte termijn, alhoewel tien jaar ook vrijlangdurig is. Een vermogenswinstbelasting in plaats van een vermogens-aanwasbelasting levert in de eerste vijf jaar cumulatief circa 5 miljardminder op dan het huidige hybride stelsel.De heer Grinwis vroeg daarnaast of een volledige vermogenswinstbe-lasting op de langere termijn tot hogere belastinginkomsten leidt. In deraming zoals die is gecertifieerd door het CPB leveren een vermogens-winstbelasting en een vermogensaanwasbelasting over de lange termijnstructureel evenveel op. Nadat de vermogenswinstbelasting en eventueelde verliesverrekening zijn ingegroeid, is de grondslag immers gelijk. Jezou kunnen zeggen dat een vermogenswinstbelasting meer oplevertomdat er niet verplicht verkocht hoeft te worden en dat vermogen danextra rendeert. Een geïnvesteerd bedrag groeit bij een vermogenswinstbe-lasting harder dan bij een vermogensaanwasbelasting. Dat is mechanischnatuurlijk gewoon juist. Het is echter de vraag, en denk ik niet juist, of dittot meer welvaart of economische groei leidt. De welvaart van eentussentijdse belastingopbrengst in een vermogensaanwasbelasting isnamelijk niet nul. Je betaalt belasting. Geld verplaatst zich dan van deburger naar de overheid en die kan deze middelen vervolgens inzetten omzo op een andere wijze welvaart te creëren.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Het ging eigenlijk met name om het volgende feit. Doordat je vermogens-winstbelasting hebt, durf je misschien risicovoller te beleggen, omdat jeweet dat je pas aan het einde af hoeft rekenen en je portefeuille bij elkaarkan houden. Dat was eigenlijk de relatie met de economische groei.Volgens mij benoemden meerdere collega’s die relatie. Het ging nietzozeer om het afrekenen voor de portemonnee van het Rijk en dat we metdat geld zouden kunnen investeren.Staatssecretaris Heijnen:Ik weet niet of het systeem van belastingheffing, althans vermogensaan-wasbelasting versus vermogenswinstbelasting, bijdraagt aan debereidheid om risico te nemen. Zo begrijp ik de vraag namelijk nu. Op hetmoment dat je vermogen voor een langere termijn tot je beschikking hebt,heb je natuurlijk meer jaren de tijd om eventuele verliezen goed te maken.Dat is een beetje hoe ik de vraag nu begrijp. Maar goed, dan ga je ervanuit dat in de vermogensaanwasbelasting juist die vermogensbestanddelenmoeten worden verkocht om aan de belastingclaim te voldoen, terwijl dievermogensbestanddelen slecht renderen. Ik vraag me af of dat verband zoeen-op-een gemaakt kan worden, heel eerlijk gezegd.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Dan is er ook een budgettaire vraag van de heer Stultiens: hoeveelbelastinggeld lopen we de komende 30 jaar opgeteld en cumulatief misdoor te kiezen voor dit hybride wetsvoorstel in plaats van een volledigevermogensaanwasbelasting? De heer Stultiens verwees al naar mijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4467 eerdere beantwoording, waarin ik zei dat de opbrengst bij eventueelvolledige vermogensaanwas in de eerste tien jaar gelijk is aan cumulatief23 miljard. De totale omvang van dit budgettaire effect bedraagt dekomende 30 jaar cumulatief circa 42 miljard. Dat zou je dan dus moetenafzetten tegen de cumulatieve opbrengst van een vermogenswinstbe-lasting. Als het goed is, zou het totaal aan elkaar gelijk moeten zijn; alleende verdeling over de jaren is anders.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dat laatste snap ik niet helemaal, want dat eenmalige bedrag gaan wetoch nooit meer inlopen? De Staatssecretaris zegt dat het structureelhetzelfde oplevert. Dat snap ik, maar dat temporele effect gaan we tochnooit inlopen? Als je die stap dus maakt, als je voor een ander systeemkiest, moet je toch gewoon bereid zijn tientallen miljarden budgettairederving te accepteren?Staatssecretaris Heijnen:Ja, ik zei het verkeerd, sorry. Ik bedoelde te zeggen dat een vermogens-winstbelasting en een vermogensaanwasbelasting over de hele looptijduiteindelijk evenveel opleveren, maar dat de verdeling over de jarenverschillend is. Ik ben het met de heer Stultiens eens dat je op hetmoment dat je de switch maakt een stuk zult moeten investeren. De vraagis of je dat inloopt; dat zou kunnen, maar dat denk ik niet. Dat was devraag.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Volgens mij blijft dan het punt staan. Er komt een keer een moment in detoekomst dat de structurele opbrengst hetzelfde is, maar de derving van aldie jaren daarvoor ga je nooit meer goedmaken. Dat betekent dus dat alswij vandaag de keuze maken voor een hybride stelsel, we de komende30 jaar minstens 42 miljard euro mislopen, omdat we niet kiezen voorvermogensaanwas. Het is volgens mij goed om dat hier met elkaar tebeseffen. Dezelfde vraag geldt als je vervolgens naar vermogenswinstgaat, waar sommige partijen voor zijn. Hoe groot is dat gat de komende30 jaar dan? Er is nu gezegd: 5 miljard in vijf jaar tijd. Ik ben benieuwd watnu het totaalbedrag is dat je niet meer gaat inlopen in de toekomst als jeooit overstapt op vermogenswinst.Staatssecretaris Heijnen:Ik snap de verwarring. Volgens mij heb ik aangegeven – ik kijk ook evenvragend naar mijn ondersteuning aan mijn rechterkant – dat de totaleomvang van de vermogensaanwasbelasting over de eerste 30 jaar42 miljoen is. Daar zou je de totale opbrengst van de vermogenswinstbe-lasting over dezelfde periode tegen af moeten zetten. Dat verschil zou jedan mislopen op het moment dat je besluit om over te gaan. Ik snap deverwarring, want die is inmiddels ook bij mij ontstaan. Ik kom daar in detweede termijn op terug.De voorzitter:Toch willen mensen daarop door, zie ik.Mevrouw Van Eijk (VVD):Als de Staatssecretaris onderscheid maakt tussen directe en indirecteopbrengsten, dan komt hij er volgens mij prima uit. Dan kom je namelijktot de conclusie dat het aan elkaar gelijk is.De voorzitter:De heer Vermeer? Oh nee, sorry. Ik moet eerst de Staatssecretaris eenantwoord laten geven op de vraag van mevrouw Van Eijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4468 Staatssecretaris Heijnen:Ik sluit me aan bij de analyse van mevrouw Van Eijk.De heer Vermeer (BBB):Ik wilde dan toch ook zeggen dat het per saldo onder de streep tothetzelfde resultaat zou moeten leiden. Het is alleen een andere uitsmeringover de jaren. De heer Stultiens zegt dat we daar tekortkomen, omdat hijhet beperkt tot een bepaalde periode. Je krijgt het later weer terug. Het isdus gewoon een investering in toekomstige belastingopbrengsten.Staatssecretaris Heijnen:Ja. Dat was ook mijn redenatie en analyse. Ik zal daar eventueel in detweede termijn nog op terugkomen.De voorzitter:Dan komen we daar in de tweede termijn nog even op terug. Dan gaan wenu door.Staatssecretaris Heijnen:De heer Stoffer vroeg mij waarom er niet is gekozen voor een langeretermijn waarin de budgetneutraliteit getoetst wordt, bijvoorbeeld om naeen bepaalde periode het heffingsvrije resultaat te verhogen of het tariefte verlagen. Op basis van eerder gemaakte afspraken is het uitgangspuntdat het nieuwe box 3-stelsel budgettair neutraal moet zijn ten opzichte vanhet basispad. Er is dan ook geen extra geld beschikbaar om hiervan af tewijken. Door het ingroeien van de verliesverrekening en de vermogens-winstsystematiek op vastgoed levert het nieuwe stelsel op de kortetermijn minder op dan het huidige stelsel. Daar hadden we het net ookover. Het is aan een nieuw kabinet om de tarieven in de toekomst, zoumen dat willen, in overleg met uw Kamer eventueel aan te passen.De heer Vermeer (BBB):Volgens mij was het mevrouw Van Eijk, die in haar bijdrage begon over devraag of je dan niet ook alles wat je niet meer hoeft uit te geven aanherstelacties et cetera mee moet nemen. Er moet volgens mij eenduidelijk overzicht gemaakt worden van wat er de afgelopen jaren nettonou eigenlijk is binnengehaald bij box 3. Budgetneutraliteit kun jenamelijk betrachten ten opzichte van wat wij vijf jaar geleden dachtenbinnen te kunnen halen of ten opzichte van wat wij de afgelopen jarendaadwerkelijk gerealiseerd hebben. Het kan niet zo zijn dat volgensFinanciën al de reserveringen voor herstel overeind moeten blijven, maardie vervolgens niet meegerekend worden bij de budgetneutraliteit.Staatssecretaris Heijnen:Ik kan me daarin vinden.De voorzitter:Dan vervolgt de Staatssecretaris zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:De heer Stoffer had een tweede vraag op dit vlak. Hij stelt dat deinkomsten van de nieuwe heffing erg conjunctuurgevoelig worden envraagt zich daarom af of er aanvullingen op begrotingsregels nodig zijn.Dat klopt. De inkomsten zullen veel conjunctuurgevoeliger zijn dan in hethuidige forfaitaire stelsel. Conform het trendmatig begrotingsbeleid lopeneventuele mee- en tegenvallers in het saldo. Dit zorgt voor stabiel fiscaalbeleid en stabiliseert de economie. Tegenvallers hoeven niet gedekt teworden. Eveneens biedt een meevaller geen extra budgettaire ruimte,maar goed, dat is zo volgens de huidige begrotingsregels. Hij vraagt of debegrotingsregels aangepast moeten worden. Ik heb daar zelf ook weleensTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4469 over nagedacht. Mogelijk is dat het geval, maar die keuze zou ik heelgraag bij een volgend kabinet willen leggen.De heer Oosterhuis vraagt mij waarom het heffingsvrij resultaat isverhoogd van € 1.250 naar € 1.800. Daar hebben we het eigenlijk al overgehad. Dat heeft enerzijds te maken met een stukje budgettaire neutra-liteit. Anderzijds is het doel om het aantal nieuwe belastingplichtigen inbox 3 zo beperkt mogelijk te houden. Dat is een politieke keuze geweest.Dan is er nog een vraag van de heer Stultiens over internationaal verhuldvermogen in het buitenland van tussen de 18 miljard en 24 miljard. Hijstelt vaker de vraag of er in dit verband niet heel veel alarmbellen zoudenmoeten afgaan op mijn ministerie. Rapporten en cijfers hierover hebbenuiteraard alle aandacht van het kabinet. Sinds 2016 ontvangen wij via deCommon Reporting Standard van 107 landen gegevens. Uit een analysevan die CRS-data door het Ministerie van Financiën blijkt dat in 2024 zichnaar schatting 52 miljard vanuit Nederlandse huishoudens in hetbuitenland bevindt. Maar goed, dan zijn we er nog niet als het gaat om devraag of dat daadwerkelijk verhoogd vermogen is. Er is pas sprake vanverhoogd vermogen op het moment dat het vermogen niet aangegevenwordt. Die gegevens, die CRS-data, zijn weliswaar bijzonder waardevol,maar er is niet direct uit af te leiden of dat vermogen wel of niet belast isgeweest in Nederland.Het gaat dus om complexe situaties; dat zult u begrijpen. Dat vergt nadereanalyse. Op dit moment zijn de Belastingdienst en mijn ambtenaren ophet ministerie daar druk mee bezig. Uit die analyse, die hopelijk op niet alte lange termijn gedeeld kan worden, volgt dan ook het antwoord op devraag hoeveel vermogen uit het buitenland onterecht niet is opgegeven.Dat was de vraag van de heer Stultiens. We weten in ieder geval wel uitaangiftes en gegevens over box 3, specifiek als het gaat over onroerendgoed, dat in 2022 12% van het opgegeven vastgoed buitenlands vastgoedbetrof, maar we hebben geen uitsplitsing van landen beschikbaar. Datvergt ook een nadere analyse. Met andere woorden: op dit moment zijnwe bezig met een analyse op basis van de CRS-data en op het momentdat we daar nadere gegevens van hebben, zullen we die uiteraard delenmet de Kamer.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Een hele korte vervolgvraag. Het is goed om te horen dat er hard wordtgeanalyseerd op het ministerie. Is er enige indicatie te geven van wanneerdie analyse naar de Kamer komt?Staatssecretaris Heijnen:Daar kom ik in de tweede termijn op terug.De voorzitter:Dan vervolgt u uw betoog.Staatssecretaris Heijnen:De heer Stultiens vroeg ook iets onder budgettair. In het basispad daalt deopbrengst van het oude stelsel van jaarlijks 9 miljard in 2028 naar circa7 miljard in 2060. Hoe kan dat en waarom geldt deze afname dan niet inhet nieuwe stelsel op basis van het werkelijk rendement? Dat zou jewellicht verwachten. Het is onze inschatting dat de recente waardestij-gingen in box 3 hoger zijn dan de structurele waardestijgingen. Zo bezienis de verwachting dat deze rendementen de komende jaren zullenstabiliseren. Dat is het uitgangspunt bij de ramingen. Dat resulteertuiteindelijk in lagere opbrengsten. Deze waardestijgingen op de langetermijn zijn gebaseerd op CBS-prognoses en werken uiteraard ook door inhet nieuwe stelsel, maar in de budgettaire reeks van het nieuwe stelselwordt dit beeld vertroebeld en is dit niet meer een-op-een te vergelijken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4470 Dat komt onder andere door de ingroei van de vermogenswinstbelasting.Dat is waarom u dat ziet.Dan tot slot onder budgettair een vraag van de heer Struijs namens50PLUS. Hij vraagt mij of ik vind dat het internationale monetaire beleidook aanleiding is geweest voor de hervorming van box 3. Nou ja, het kloptdat de hoogte van de ECB-beleidsrente van invloed is op het indexatie-beleid van pensioenen. De ECB voert monetair beleid uit met alsdoelstelling het waarborgen van prijsstabiliteit in de eurozone als geheel.U zult begrijpen dat ik me als Staatssecretaris van Financiën en alsfiscalist echt niet uitlaat over hoe de ECB het monetaire beleid zou moetenuitvoeren. De hervorming van box 3 vloeit primair voort uit jurisprudentievan de Hoge Raad. Die zijn we nu aan het implementeren via eencodificatie van deze wetgeving.Dat waren volgens mij de meeste vragen onder het kopje «budgettair». Ikheb nog twee vragen die ik geparkeerd had naar de tweede termijn – ikheb ze zelf niet gelezen – naar aanleiding van de vragen van de heerHoogeveen.Vraag één is hoe de cijfers met betrekking tot de achterwaartse verliesver-rekening en de budgettaire reeks tot stand zijn gekomen. Hij vroeg of ikdat kan verduidelijken. De omvang van de derving door het invoeren vaneen carry back van een jaar neemt langzaam af door de eeuwigdurendecarry forward. In feite wordt de carry back op een gegeven moment dusingehaald door de carry forward; zo zou je het kunnen zeggen. Datbetekent dat op de zeer lange termijn die carry back van een jaar geenderving meer veroorzaakt. Dat is de reden waarom die budgettaire reekszo afneemt. Consistent met de andere ramingen binnen box 3 is 2060 alsjaar genomen waarin de structurele opbrengst wordt gerapporteerd, maarde afname van de derving door de carry back groeit zeer langzaam. Diegaat dus nog wel even door na 2060. Vandaar dat de maatregelen in 2060nog een kleine derving overhouden van 12 miljoen, die dan als structureelwordt aangemerkt. Ik zie de heer Hoogeveen nog enigszins vragendkijken.De heer Hoogeveen (JA21):Ik neem dit mee naar de tweede termijn.Staatssecretaris Heijnen:De tweede vraag van de heer Hoogeveen betreft de doorschuiffaciliteit bijbeëindiging van een huwelijk door scheiding. Ik heb aangegeven dat dateen structuurwijziging is die niet uitvoerbaar is per 2028. De heerHoogeveen vroeg ook om een nadere toelichting op de budgettaireeffecten: eerst waren er geen budgettaire effecten en nu ineens wel; hoezit dat? De doorschuiffaciliteit zou op twee manieren effect hebben op derealisatiemomenten van vermogenswinst op vastgoed, namelijk bij hetaangaan van een huwelijk onder volledige gemeenschap van goederen enaan het einde bij echtscheiding. De maatregel zorgt ervoor dat devermogenswinstbelasting pas bij volledige verkoop van het vermogens-object moet worden voldaan. De verschuiving van het realisatiemomentvan de vermogenswinstbelasting heeft op de langere termijn dus geenbudgettaire gevolgen. De verwachting is wel dat de maatregel ervoorzorgt dat het heffingsmoment wordt uitgesteld, wat budgettaire gevolgenheeft in de eerste jaren. Ik lees dit nu voor, maar ik moet hier zelf ook nogenigszins op kauwen. Het lijkt mij dus goed dat ik daar in de tweedetermijn nog even op terugkom.De heer Hoogeveen (JA21):Dank aan de Staatssecretaris voor de snelle reactie nog in deze termijn. Ikhoorde hem misschien niet goed. Heb ik goed begrepen dat dedoorschuiffaciliteit per 1 januari 2028 niet uitvoerbaar is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4471 Staatssecretaris Heijnen:Dat klopt. Dat heeft u goed gehoord.De heer Hoogeveen (JA21):Dat vind ik dan wel apart, want wij hebben een quickscan ontvangenwaarin stond dat het wél uitvoerbaar is per 1 januari 2028. Dat wringt dus.Dus óf die quickscan is onjuist of de appreciatie van vandaag is onjuist. Indie zin ben ik dus een beetje in verwarring.Staatssecretaris Heijnen:Ik snap de verwarring. Ik hoor net in mijn rechteroor de verklaring hiervan.Ik snap de verwarring helemaal en ik was ook enigszins verward toen ikdit hoorde, want dit was mij niet bekend. Ik heb begrepen dat deBelastingdienst op vrijdag per abuis een onjuiste quickscan heeftgestuurd, die de Belastingdienst later ook heeft ingetrokken, en dat deverwarring daardoor wordt veroorzaakt. Uit die quickscan, die onjuist was,zou gebleken zijn dat dit wél uitvoerbaar was, terwijl dat niet zo is. Excuusvoor de verwarring.De heer Hoogeveen (JA21):Oké. Daar moet ik even naar kijken en dan kom ik ook daarop terug in detweede termijn.De voorzitter:Ik wijs erop dat we geacht worden om te eindigen om 18.30 uur, want erwordt heel veel doorgeschoven naar de tweede termijn en u moetallemaal nog een tweede termijn houden. We hebben nog drie blokjes:vastgoed, zeer vermogenden en overig.Staatssecretaris Heijnen:Dat klopt, voorzitter. Ik zal proberen om het sneller te doen, maar ik gaf alaan dat er meer dan 130 vragen zijn gesteld en ik wil proberen om die zovolledig mogelijk te beantwoorden. Ik ga mijn best doen.In het blokje vastgoed zijn veel vragen gesteld over de vastgoedbijtelling.Levert die niet een extra risico op rechtszaken op? Wij denken van niet. Debrutohuurwaarde is die van het tiende percentiel, 3,35%. Volgens ons isdat daarmee proportioneel en ook juridisch houdbaar. Wij zien op ditmoment dan ook niet echt een reden om dat percentage nog lager vast testellen. Tegen de heer Vlottes zeg ik dat we met name ten behoeve van deuitvoerbaarheid en doenlijkheid voor een forfait hebben gekozen. Hetbepalen van een economische huurwaarde van een individuele nietverhuurde onroerende zaak is namelijk zowel voor de Belastingdienst alsvoor de belastingplichtigen ontzettend moeilijk. Vandaar dat wij hebbengekozen voor een forfait, waar wij geen juridische risico’s aan zien.Er zijn veel vragen gesteld over het percentage, de 3,35%, ook door deheer Grinwis en de heer Oosterhuis. Ik heb begrepen dat SEO met nameover een langere periode heeft gekeken en dat over die langere periodedie 3,35% een goede basis geeft voor de bijtelling die gekozen zou moetenworden. Als je actuelere cijfers neemt, zoals ook Vastgoed Belang heeftgedaan, kom je op een lager percentage uit – de heer Grinwis noemde2,8% – maar dat heeft SEO niet gedaan. SEO heeft met name een helelange periode gedaan. In die periode zie je dat 3,35% in meerdere ofmindere mate het percentage is.De voorzitter:De heer Vlottes heeft nog een vraag, volgens mij over het vorigeantwoord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4472 De heer Vlottes (PVV):Ja, over het vorige antwoord. De Staatssecretaris zegt geen juridischerisico’s te zien bij die 3,35%. Misschien kan de Staatssecretaris daaruitvoeriger op ingaan, want als een vakantiewoning uitsluitend voor eigengebruik wordt gebruikt, is het realisatie-uitgangspunt als iemand iederweekend zelf gebruikmaakt van die vakantiewoning natuurlijk anders danals hij dat twee weekenden per jaar doet. Dat is natuurlijk wel een verschil,maar in beide gevallen geldt hetzelfde forfait. Dat is natuurlijk ook eenjuridisch risico.Staatssecretaris Heijnen:Ja, maar wij denken dat de Hoge Raad uiteindelijk zal kijken naar het feitdat de tweede woning ter beschikking staat, ongeacht het gebruik datdaarvan wordt gemaakt. Dat ter beschikking staan als zodanig zien wij alsvoldoende reden om deze heffing te rechtvaardigen. Nogmaals, wehebben bewust gekozen voor het laagste, tiende percentiel. Dat is één.Twee: onderhouds- en financieringskosten blijven gewoon aftrekbaar,zodat het rendement waarover je belasting betaalt uiteindelijk nogaanzienlijk lager is.De heer Vlottes (PVV):Nog één keer. Het ter beschikking staan zegt natuurlijk niets over hetfeitelijk gebruik ervan, waar je belasting natuurlijk op gebaseerd is. Debelasting is gebaseerd op het rendement dat je haalt uit je eigen vakantie-woning. Dat iets ter beschikking staat, zegt natuurlijk niks over het genotdat je ervan hebt gehad en dus wat je fiscaal gezien gerealiseerd hebt. Ikhoop dat de Staatssecretaris begrijpt wat ik bedoel.Staatssecretaris Heijnen:Ja, dat klopt, maar fiscaal gezien word je, op het moment dat het terbeschikking staat, geacht daarvan gebruik te kúnnen hebben gemaakt enword je geacht iets te hebben genoten. Dat hebben we bepaald op die3,35% bruto. In die zin is dit fiscaal niet ongebruikelijk.De voorzitter:De heer Grinwis nog op dit punt.De heer Grinwis (ChristenUnie):De Staatssecretaris stelt dat de vastgoedbijtelling van 3,35% is gebaseerdop een langere reeks in het SEO-rapport, maar bij mijn weten, het rapportscannend, heeft SEO alleen de data uit de jaren 2019, 2020 en 2021 echtgebruikt om daar uiteindelijk die 3,35% uit af te leiden.Staatssecretaris Heijnen:Dat klopt, maar ze hebben wel naar een langere periode gekeken enkwamen tot de conclusie dat daar waar nu misschien tot een lagerewaarde wordt gekomen, in het verleden die 3,35% wel een redelijkgemiddelde was. In die zin hebben ze die langere periode niet gebruiktvoor die 3,35%, maar hebben ze wel gebenchmarkt ten opzichte van eenlangere periode en hebben ze gekeken of dat redelijk en reëel is.De heer Grinwis (ChristenUnie):Helder; dat is een belangrijke nuance, maar dan komen we bij vers tweevan de forfaits. Als je een forfait gebruikt, moet dat zo dicht mogelijkaansluiten bij de werkelijkheid. Is het dan niet reëel om dat forfaitregelmatig te actualiseren en om, als het zelfs al in 2028 ingaat, een zoactueel mogelijk forfait te gebruiken en het daarna ook regelmatig teherzien?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4473 Staatssecretaris Heijnen:Ja, dat zou kunnen. Wellicht is dat ook zo. Ik zal in mijn schriftelijke reactieook ingaan op de vraag of deze wijziging zonder risico kan wordeningevoerd met 1 januari 2028 als invoeringsdatum. Wij hebben eronderbouwd voor gekozen om dat forfait in het tiende percentiel tepakken. De onderhouds- en rentekosten zijn aftrekbaar. Wij denken dat erop die manier in ieder geval niet te hoog wordt belast. Vandaar dat wijgeen juridische kwetsbaarheid zien, maar als de Kamer wil dat het forfaitjaarlijks of tweejaarlijks geactualiseerd wordt, is dat uiteindelijk uiteraardaan de Kamer.De voorzitter:De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Ik kom bij de landbouwgronden. Bij de vererving van verpachtelandbouwgronden die vaak tegen lage pacht worden verpacht, zijn ergeen liquide middelen beschikbaar. Zie ik dat probleem ook niet en kan ikdaar iets aan doen? Voor landbouwgronden en welke onroerende zakendan ook geldt dat de heffing over de waardeaangroei wordt uitgesteld tothet moment van vervreemding. Op enig moment moet daar belastingover worden betaald. Ik zeg tegelijkertijd dat voor landbouwgronden dietegen een lage pachtprijs worden verpacht, die lage pacht verdisconteerdzal zijn in de waarde. De waarde voor de te betalen erfbelasting zal ooklager zijn. Datzelfde geldt voor commercieel vastgoed met een langlopendhuurcontract: ook bij de waardebepaling daarvan hou je rekening met dehuur die je ontvangt. Puur en alleen voor verpachte landbouwgrondenzien wij als kabinet op dit moment dus geen aanleiding om de vermo-genswinst vrij te stellen. Wij denken dat het belangrijk is om zo veelmogelijk vast te houden aan de hoofdregel: voor onroerend goed zijn deresultaten belast bij realisatie. Dat is bij vervreemding, maar het kan ookbij vererving of schenking zijn.Er zijn heel veel vragen gesteld over de vrijstelling voor landgoederen.Toch even vooraf: ik heb de petitie van de eigenaren van landgoederenmet heel veel belangstelling in ontvangst genomen en gelezen en ik hebdie ook met hen besproken. Het probleem dat de opbrengsten onvol-doende zijn om de belasting te betalen, wordt niet veroorzaakt door hetnieuwe box 3-stelsel. Althans, dat is op dit moment ook al het geval. Hetwas misschien anders in het oude stelsel, zoals de heer Grinwis aangaf.Hij maakte heel slim de vergelijking met het oude stelsel, waarin het netwel kon. Laat ik het dan zo formuleren: dit wordt dus niet veroorzaakt doorhet nieuwe stelsel ten opzichte van het huidige stelsel. Ik snap heel goeddat je hier iets aan zou willen kunnen doen, want ook ik vind de landgoe-deren en de instandhouding daarvan heel belangrijk. U bent bij een aantallandgoederen op bezoek geweest. Ik ga volgende week vrijdag ook bij eenlandgoed op bezoek om daar nog een keer over van gedachten tewisselen. Ik heb dat bewust na deze behandeling gepland. Ik snap devraag heel goed.In antwoord op een vraag van mevrouw Van Eijk wil ik ook aangeven datik inmiddels, ook uit de rapportage, heb begrepen dat je bij landgoedereneen vrijstelling hebt voor groen en een belastingheffing voor rood. Voorgebouwde eigendommen moet je wél belasting betalen in box 3. Daarbiedt het nieuwe stelsel voordelen ten opzichte van het oude stelsel zoalsdat nu geldt. Onderhoudskosten en andere kosten zijn aftrekbaar en eeneventuele waardestijging wordt pas belast bij realisatie, terwijl die nu jaarop jaar wordt belast. Dat levert in principe dus liquiditeitsvoordeel op. Ditbetekent ook dat als er verliezen worden gemaakt, die verliezen kunnenworden verrekend, wat ons betreft niet carry back, maar wel naar detoekomst toe. Maar goed, het probleem zal zijn dat er elk jaar verliezenworden geleden. In die zin snap ik het verzoek. Wij zijn van mening dat,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4474 als wij deze wijziging zouden doen, dat wel een ingrijpende wijziging is,waarvan invoering per 1 januari 2028 niet goed mogelijk is.De voorzitter:Kunt u ook al aangeven wat het oordeel over het amendement is? Dangeef ik daarna de heer Grinwis het woord. O, de heer Grinwis wil nog eensuggestie doen voordat hij een oordeel krijgt.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ja, want ik kan natuurlijk ook rekenen. Voordat er «ontraden» wordtuitgesproken, heb ik een suggestie. Tegen sommige punten is wat in tebrengen. Er zijn bijvoorbeeld ook nu huurinkomsten en die zullen straksdan ook belast worden. Die noemde de Staatssecretaris niet, maar dat zijnook directe inkomsten die onder het nieuwe stelsel waar landgoederenmee te maken krijgen, keurig belast zullen worden. Het gaat dus nietalleen om de kostenverrekening die erbij komt; er zijn ook inkomsten dieer nu ook al zijn en die dan ook belast worden. Dat valt dus tegen elkaarweg. En ja, ik vind het niet zo gek om dit te vergelijken met het stelsel datwe tot en met 2016 hebben gekend, met een rendementsheffing van 1,2%.Ze hebben meer de pech gehad dat ze door een definitiewijziging in decategorie overige bezittingen terecht zijn gekomen. Er is dus echt wel wataf te dingen op de aanvliegroute die de Staatssecretaris net koos. Maardan het amendement, want de Staatssecretaris voelt sympathie. Hij zegt:als u dat wilt, loopt de invoering van het stelsel gevaar. Ik snap dat nogniet helemaal, want het is slechts een doorschuiffaciliteit. Hoezo zou deinvoering van het hele stelsel daarmee gevaar lopen? Maar oké, ik weethet goed gemaakt met de Staatssecretaris: ik wil daar best naar luisterenen dan voeg ik aan het amendement toe dat het met een koninklijk besluitop een later tijdstip in te voeren is. Dan is het tegenargument van deStaatssecretaris volgens mij opgelost en dan is het aan hem en zijnopvolger om het geëigende moment te kiezen, zodat de invoering per1-1-2028 van dit stelsel, zoals dat vandaag in den brede voorligt, geengevaar loopt. Wat vindt de Staatssecretaris van die oplossing? Ik heb ditklaarliggen en kan het sturen.Staatssecretaris Heijnen:Dan zou ik dat graag nog even in de tweede termijn willen appreciëren,want het amendement zoals dat er nu ligt, zou ik inderdaad de appreciatie«ontraden» moeten geven. Ik zal dan kijken naar de aanpassing die deheer Grinwis nu voorstelt.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dan ga ik bij dezen samen met de collega’s Stoffer en Vermeer hetgewijzigde exemplaar indienen.De voorzitter:Oké, dan krijgen we daar in de tweede termijn een oordeel over. Danvervolgt de Staatssecretaris zijn betoog. Nee, toch nog niet, want de heerOosterhuis heeft nog een vraag.De heer Oosterhuis (D66):Ja, een inhoudelijke vraag, ook nog op dit punt; misschien kan deStaatssecretaris ook daar in de tweede termijn op ingaan. Ik moet mijndefinitieve oordeel over dit amendement ook nog vormen, maar los vande uitvoerbaarheid wordt de WOZ-waarde van een NSW-landgoed bijmijn weten vastgesteld op basis van de bestemmingswaarde. Die zoudennaar alle waarden in het economisch verkeer altijd gecorrigeerd zijn voorde bestemming en ook voor de instandhouding. Als dus zowel voor debeginwaarde als voor de vervreemdingswaarde bij vererving wordtgerekend met de bestemmingswaarde, wat is dan ook inhoudelijk hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4475 oordeel van de Staatssecretaris over de meerwaarde van hetamendement? Daar ben ik wel benieuwd naar.Staatssecretaris Heijnen:Ik denk dat ten gevolge van de inbrengwaarde, waarbij je moet gaanwaarderen per 1 januari 2028, het probleem de eerste jaren wellicht – en ikbedoel dat niet vervelend – wat minder gevoeld zal worden bij verervingof schenking dan nadat er een lange periode is verstreken, ervanuitgaande dat die waardestijging dan wat minder hoog is. Want daarpraten we over en dat is, denk ik, ook wat u bedoelt. Vanuit die optiek geefik ook aan, en de heer Grinwis heeft daar met zijn amendement en deinvoeringsdatum per koninklijk besluit een oplossing voor verzonnen, datje dat altijd ook nog later – bij een belastingplan of dergelijke – zoukunnen invoeren. Vandaar dat ik me ook een motie daartoe zou kunnenvoorstellen, waarbij je een belastingplan lostrekt van dit wetsvoorstel omgeen enkel risico te lopen. Maar goed, de heer Grinwis heeft er eenandere oplossing voor verzonnen en daar gaan we naar kijken.De voorzitter:Dan vervolgt de Staatssecretaris zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Voorzitter. Ik ga nog in op een aantal vragen over buitenlandse woningen.Ik vraag me af of we daar al te lang bij stil moeten staan, want het kloptinderdaad dat er voor buitenlandse woningen geen WOZ-beschikkingenworden afgegeven. Over het algemeen zijn buitenlandse woningennamelijk ook niet belastbaar in Nederland, op grond van de veleverdragen die wij hebben afgesloten.Een punt dat ik wel belangrijk vind, is de hypotheekrenteaftrek. De heerStultiens vroeg daarnaar en ook mevrouw Van Dijk. In feite is het zo dat dehypotheekrente, als die niet meer aftrekbaar is in box 1, op grond van dehuidige wetsvoorstellen in principe gewoon aftrekbaar zou zijn in box 3. Ikvind het echt aan een volgend kabinet om daar iets aan te doen als mendat ongewenst vindt.Wel vroeg mevrouw Van Dijk nog of er wellicht onderscheid zou moetenworden gemaakt voor wat betreft aftrekbare rente tussen enerzijdsconsumptieve leningen en anderzijds andere leningen. Ook dat vind ik aaneen volgend kabinet, maar ik zeg wel: ik denk dat daar een heel lastigekwalificatiediscussie aan ten grondslag ligt. Als je dat gaat doen, denk ikdat je heel veel discussie en extra werk op je af gaat krijgen. Maar het kan.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Een korte vraag. Ik snap op zich dat deze Staatssecretaris geen beslissingmeer gaat nemen hierover, maar de vraag was eigenlijk gewooninformatief of hij opties in kaart kan brengen voor hoe je dit effect tegenkan gaan als daar politieke wil voor is. Dat lijkt mij een verzoek dat hij welzou moeten kunnen uitvoeren.Staatssecretaris Heijnen:Ik wil dat best doen, maar ik zou mij zomaar kunnen voorstellen dat daarop 30 januari al een aantal opties uitgewerkt aangeleverd worden. Ik weethet niet, maar de formerende partijen zullen daar ongetwijfeld ook al naargekeken hebben. Maar ik kan dat doen.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik hoop dat de formerende partijen dat gevraagd hebben, maar ik weet hetnatuurlijk niet. Het lijkt me fijn als de rest van de Kamer het ook krijgt.Staatssecretaris Heijnen:Ik weet het ook niet, voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4476 De voorzitter:Hij is bereid dat te doen.Dan gaan we naar het laatste blokje, overig?Staatssecretaris Heijnen:Ik heb ook nog een aantal ... Voorzitter. Ik heb eigenlijk ook nog internati-onaal, maar als u mij dat vraagt, wil ik best naar overig gaan, met alsrisico dat ik een aantal andere vragen niet beantwoord.De voorzitter:Nou nee, doe dan maar internationaal, want meestal gaat dat sneller danals iedereen weer gaat interrumperen.Staatssecretaris Heijnen:Een vraag van de heer Stultiens over vermogensongelijkheid, ook naaraanleiding van het vandaag verschenen rapport van Oxfam Novib, waarook ik in de kranten over heb gelezen. Zou ik dat omwille van de tijdmogen doorschuiven? Ik denk namelijk dat het enigszins offtopic is vanbox 3. Het lijkt me wel heel goed om daar in de toekomst uitgebreid overte debatteren, maar gezien de tijd doen we dat op dit moment wellichtbeter niet.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik denk niet dat het offtopic is, want we hebben het over het belasten vanvermogen. Ik snap wel dat het meer tijd kost om het rapport te lezen. Ikheb toevallig een debatverzoek staan morgen en hoop op steun van deKamer. Maar mag ik dan het kabinet vragen om een reactie op het rapportop korte termijn, zodat we daarover door kunnen praten?Staatssecretaris Heijnen:Tja, ik weet niet ... Een reactie «op korte termijn». Waar denkt de heerStultiens dan aan?De voorzitter:Er zijn al schriftelijke vragen ingediend, zo hoor ik de griffier fluisteren,dus dan moet er sowieso een reactie komen.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik snap dat we hier lang zitten vandaag, maar ik heb vragen gesteld overhet rapport. We hebben het over het belasten van vermogen vandaag. Ikvind het best om het niet vandaag te doen, maar dan helpt het om binnen– weet ik veel – drie weken een reactie te hebben van het kabinet op ditrapport, dus met wat het daarvan vindt.Staatssecretaris Heijnen:Ik begreep inmiddels ook van mijn secondant dat er schriftelijke vragenzijn gesteld. Daar zullen wij op ingaan en dan zullen wij ook op dit puntterugkomen.De voorzitter:Gaat u door.Staatssecretaris Heijnen:Dan een andere vraag van de heer Stultiens, over onze activiteiten ininternationaal verband om mensen met heel veel vermogen te belasten. Ikweet dat dit de aandacht heeft van de heer Stultiens en ook vanNederland. We hebben samen met enkele andere lidstaten een initiatiefgenomen om fiscaal voordelige regimes voor zeer vermogenden binnende EU te agenderen. Zoals bekend heeft Nederland samen met Frankrijkdaar een non-paper voor opgesteld. In het afgelopen najaar heeft er ookTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4477 een discussie plaatsgevonden met andere EU-lidstaten, op nadrukkelijkverzoek van Nederland. Op basis van deze discussie is wel duidelijkgeworden dat de opvattingen tussen de Europese lidstaten erg verdeeldzijn. Een belangrijk deel van die lidstaten is er niet van overtuigd datverdere besprekingen over dit onderwerp toegevoegde waarde zullenhebben. Wij zullen ons als Nederland uiteraard blijven inzetten voor hetvoortzetten van deze discussies, bijvoorbeeld door een actieve rol in hetonderwerp tax, inequality and growth bij de OESO. Maar goed, we zijnook afhankelijk van andere lidstaten om daarover van gedachten tekunnen blijven wisselen.Dan tot slot op dit punt, voorzitter, en dan ga ik echt naar overig. De vraagvan de heer Stultiens over wat een wereldwijde minimumbelasting van2% op vermogen, de Zucmanbelasting, zou opleveren in Nederland, perwanneer dat uitvoeringstechnisch haalbaar zou zijn, en de voorwaardenom dat ook juridisch haalbaar te maken, bijvoorbeeld met een anticumula-tiebepaling van 85% zoals Frankrijk kent. Ik moet de heer Stultiensteleurstellen. Ik kan daar op dit moment geen schatting van geven. Dat isgeheel afhankelijk van hoeveel landen eraan meedoen en welke landendat zijn. Daarnaast moet er een heldere vermogensgrens zijn, en moet ookhelder zijn welke vermogens wel en niet worden meegenomen. Geldt datbijvoorbeeld ook voor de eigen woning? Geldt het ook voor ondernemers-vermogen? Dat soort vragen zullen moeten worden beantwoord. Ik zegdaarbij even dat elke schatting die ik nu zou geven, een slag in de lucht is.Ik zou dat dan ook niet willen doen.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ook hiervoor geldt: ik snap dat er vandaag niet heel veel nieuwe variantenkomen, maar we hebben de vraag niet voor niks schriftelijk al gesteld bijde inbreng van de wet. En ja, dit raakt zeker aan het onderwerp, dus danblijft de vraag staan: is de Staatssecretaris bereid om de komende wekenvarianten uit te werken? En dan heel simpel: 2%; 100 miljoen; ál hetvermogen. Volgens mij zijn dat de basisingrediënten. Wat levert dat op?Wanneer kan het? Is het juridisch haalbaar? Die vragen proberen we aleen jaar te stellen. En de heer Zucman komt hier over twee weken opbezoek, dus het zou ons helpen om te weten wat het voor Nederlandbetekent.Staatssecretaris Heijnen:Ik begrijp die vraag heel goed, hoor, zeker omdat de heer Stultiens dievraag al vaker heeft gesteld. Alleen, hij vraagt me nogal wat. Wat betekentdit budgettair? Waar moeten we rekening mee houden? Hoe zou eendergelijke wetgeving er ongeveer uit moeten zien? Tja, ik moet heel eerlijkzeggen dat ik niet denk dat we dat binnen twee à drie weken kunnenaanleveren. Ik zou dat misschien kunnen zeggen, maar dan zou ik nieteerlijk zijn.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dan is de logische vervolgvraag: hoelang duurt het dan voordat dezeinformatie wel wordt geleverd? Ik ga gewoon door met vragen tot we hethebben, hoor. Het wordt in die zin dan misschien vervelend, maar ik vindhet als Kamerlid gewoon nuttig om te weten. Het zijn vrij informatievevragen.Staatssecretaris Heijnen:Over een aantal weken is er een commissiedebat Internationale fiscaliteit.Zou ik mogen voorstellen dat ik of mijn opvolger voorafgaand aan datdebat in een brief daarop zal ingaan?De voorzitter:Dat debat is op 25 februari. Ja, dank.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4478 Staatssecretaris Heijnen:Ik heb begrepen dat mijn opvolger dan benoemd is.De voorzitter:Daar weten wij helemaal niets van.Staatssecretaris Heijnen:Ik ook niet.De voorzitter:Nee. Gaat u door.Staatssecretaris Heijnen:Ik ga naar het mapje overig, voorzitter, en ik hoop dat ik een beetje tijdheb ingehaald. Een vraag van mevrouw Van Eijk over de tegenbewijsre-geling en de forfaits die zijn opgenomen. Ik heb daar echt heel goed naargekeken en ik kwam maar één forfait tegen, namelijk de vastgoedbij-telling. Daar hebben we het denk ik uitgebreid over gehad.Dan collectieve beleggingen versus individuele beleggingen. Die wordenin het wetsvoorstel krek op dezelfde manier behandeld. In dit wetsvoorstelmaakt het dus geen verschil. Wat ons betreft is beleggingsneutraliteitdaarmee gehandhaafd.Dan een vraag van de heer Grinwis over ...De voorzitter:Ogenblik, mevrouw Van Eijk.Mevrouw Van Eijk (VVD):Mag ik daaruit afleiden dat dit straks ook geldt voor aandelen in startendeondernemingen en dat het dus niet uitmaakt of het een directe investeringis dan wel in een fonds of, zoals het tegenwoordig heet, fonds-in-fonds?Staatssecretaris Heijnen:Goede vraag, waarop ik op dit moment het antwoord schuldig moetblijven. Ik snap de vraag, een terechte vraag ook. Je zou ervan uitgaan datdat wel zo is, maar ik wil dat even bevestigd zien.De voorzitter:De Staatssecretaris gaat verder met zijn betoog.Staatssecretaris Heijnen:Concreet was de vraag van de heer Grinwis of het box 3-inkomen nietuitgezonderd zou moeten worden van het verzamelinkomen. Daar ben ikin principe geen fan van, zeg ik tegen de heer Grinwis. Het is denk ik ookmoeilijk uit te leggen als iemand met een hoog inkomen uit box 3daardoor recht blijft houden op allerlei heffingskortingen en inkomensaf-hankelijke regelingen. Maar ik ben het wel met hem eens – daar hebbenwe het al eerder over gehad – dat het belangrijk is om het belastingen- entoeslagenstelsel te vereenvoudigen. Zo begrijp ik zijn vraag eigenlijk ook.Dan een vraag over kapitaalverzekeringen, met name het heffings-moment. Kapitaalverzekeringen zijn, zo geeft de heer Stoffer aan, nietliquide, terwijl er wel jaarlijks belasting moet worden betaald. Zie ik hiereen probleem? Dan verwijs ik even naar zijn eerdere vraag overlandbouwgronden. Zou dit ook niet opgelost moeten worden? Hetzelfdeantwoord: over het rendement wordt geheven en dat rendement wordtnet zoals bij andere vermogensbestanddelen berekend door middel vanvermogensvergelijking. Voor zover de vraag ziet op kapitaalverzekeringenvan voor 2001 vinden de meeste afrekeningen over de tot en met31 december 2027 opgebouwde rente plaats op het moment dat deverzekering expireert. Dat is echt in het merendeel van de gevallen. Dan isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4479 de liquiditeit beschikbaar. Ik denk, zoals ik al eerder heb aangegeven, datwe voorzichtig moeten zijn met het extra uitsluiten van allerlei vermo-gensbestanddelen van de vermogensaanwasbelasting, juist vanwege hetrisico dat en de analyse die we nog gaan doen of het niet juridischkwetsbaar is.Dan een soortgelijke vraag van mevrouw Van Eijk: zouden we debelastingclaim al kunnen vaststellen en doorschuiven op het moment datde kapitaalverzekering expireert, in plaats van – wat was het? – november2029, zoals nu in het wetsvoorstel staat? Deze oplossing is onderzocht,maar bleek niet uitvoerbaar. Anders dan verondersteld, is de samen-stelling van de groep belastingplichtigen met een dergelijke box 1-polisniet bekend. Noch bij de verzekeraars, noch bij de Belastingdienst isbekend dat het om een beperkte of overzichtelijke groep gaat, evenmindat de belasting vaak niet voldaan kan worden. Ook de verzekeringsmaat-schappijen weten niet, zo hebben wij begrepen, om hoeveel mensen hetgaat. Omdat de box 1-polissen niet uit de aangifte blijken, weet ook deBelastingdienst niet om wie het gaat. De insteek van het wetsvoorstelzoals dat nu voorligt, is afschaffing van het huidige overgangsrecht. Dat isvan belang, denken wij, voor de uitvoering. Dat is mijn reactie hierop.Ja, zeg ik tegen mevrouw Van Eijk, wij zijn het met elkaar eens dat hetnieuwe stelsel investeringen in start-ups niet mag ontmoedigen. Daaromgeldt voor start-ups ook die vermogenswinstbelasting, waar we het alover hebben gehad.We hebben het gehad over de termijn van tien of vijftien jaar voor eenstart-up. Dat wordt automatisch geregeld via de beschikking van RVO vanacht jaar die een aantal keer verlengd kan worden, elke keer met vijf jaar.We hebben het gehad over de definitie en dat we goed moeten kijken ofde definitie gelijk kan zijn en of dat zowel voor de regeling voor start-upsals voor box 3 niet tot additionele juridische kwetsbaarheid leidt.De heer Stultiens vraagt of ik alle potentiële ontwijkingsconstructiesscherp op het netvlies heeft staan. Hoe gaan we bijvoorbeeld eenonderscheid maken tussen beleggen in kunst en kunst voor eigengebruik? De heer Struijs had daar ook een vraag over. Bij het opstellenvan het wetsvoorstel is rekening gehouden met alle bekende ontwijkings-constructies. Wij denken dat het, omdat het in de basis een box 3-belasting op basis van vermogensaanwasbelasting is, constructiebe-stendig is, want de mogelijkheden om belastingen uit te stellen zijnbeperkt. Daarnaast is het zakelijkheidsbeginsel in het wetsvoorstelopgenomen om allerlei constructies te voorkomen. Het onderscheidtussen beleggen in kunst en kunst voor eigen gebruik bestaat op ditmoment ook al. Ik kan me voorstellen dat dat wel tot de nodige inhoude-lijke discussie leidt, maar dat is onder de huidige wet niet anders.Dan vraagt mevrouw Van Eijk of ik bereid ben om de effecten van deafschaffing van de regeling voor de partiële buitenlandse belastingplich-tigen opnieuw te wegen en de Kamer hierover te informeren. Misschieneen heel flauw antwoord, maar dat laat ik graag aan een volgend kabinet.Volgens mij is destijds in meerderheid door de Kamer besloten om dit tedoen; de heer Grinwis wees daar ook al op. Het gaat om een onderzoeknaar de effecten en dat zou ik graag aan mijn opvolger overlaten.Mevrouw Van Dijk vraagt naar het effect van box 3 op de toeslagen en deinkomensafhankelijke regeling. Daar hebben we het natuurlijk over gehad,maar mevrouw Van Dijk bedoelt denk ik dat door belastingheffing overwerkelijk rendement het inkomen veel sterker kan fluctueren dan op ditmoment het geval is. Je kunt je afvragen in hoeverre mensen die voorbox 3-heffing in aanmerking komen, gebruikmaken van de toeslagen.Maar goed, er zullen mensen zijn. Dat betekent dat zij beter in de gatenmoeten houden in hoeverre hun inkomen fluctueert aan de hand van hetbox 3-inkomen.Mevrouw Van Dijk heeft ook nog een vraag over de inrichting van deadministratie, namelijk of ik bereid ben om samen op trekken met deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4480 adviespraktijk, zodat de regeling goed aansluit bij de dagelijkse praktijk.Mijn antwoord is kort: ja. Momenteel doen we onderzoek naar deregeling. Bij de uitwerking zullen we vertegenwoordigers van deadviespraktijk meenemen.Mevrouw Van Dijk vraagt mij om de toezegging om te blijven inzetten opeen verdere vereenvoudiging van het belastingstelsel. Ik wil haar dietoezegging heel graag doen, maar ik denk dat het reëler is om dietoezegging ook aan mijn opvolger te vragen bij het eerste debat dat u methem heeft.Dan over de signalen over betalingsproblemen. Dat vind ik belangrijk. Wijhebben hierover ook regulier overleg met de ketenpartners en deBelastingdienst. Deze onderwerpen zullen dan ook besproken worden.Eerder gaf ik al aan dat wij van mening zijn dat de bestaande betalingsre-gelingen voldoen. Er wordt dus ook geen grote toename van deproblemen verwacht. We voeren hier dus regulier overleg over en zullendat uiteraard blijven doen. Mocht blijken dat die problemen in tegen-stelling tot wat we verwachten toch gaan optreden, dan zal dat bij deevaluatie, bij de monitoring tot een aanpassing moeten leiden.Dan een hele sympathieke, over een automatische vrijstelling voorbox 3-inkomen over vermogen ten gevolge van het uitkeren van schade-bedragen en hersteloperaties. Laten we hopen dat dat na Groningen en detoeslagenouders nooit meer noodzakelijk is. Voor Groningen is hetgeregeld. Het is moeilijk om daarvoor een automatische vrijstelling in teregelen. De schadevergoedingen zijn in geld en gaan op in het anderevermogen van een burger. Een bankrekening geeft niet aan waar het geldvandaan komt. Ik hoop dat het niet noodzakelijk is, maar op het momentdat er nieuwe schaderegelingen zoals voor Groningen komen, is het beterom daar op dat moment aandacht voor te hebben en ervoor te zorgen datze, indien gewenst, worden vrijgesteld dan nu al een automatischvrijstelling in de wet op te nemen.Ik heb heel snel een aantal vragen samengevoegd en beantwoord. Ik weetniet of ik daarmee alle vragen naar genoegen van de Kamerleden hebbeantwoord.De voorzitter:Dat gaan we merken in de tweede termijn. Voordat we daarmee beginnenwil ik even een ordevoorstel doen. We hebben minder dan drie kwartier.We hebben meer dan drie uur gedaan over de eerste termijn. Ik denk datde tweede termijn van de Kamer nog wel mogelijk is, maar gelet op hetfeit dat er veel is doorgeschoven, is het de vraag of het niet beter is om debeantwoording in tweede termijn op een ander moment in te plannen.Misschien kan er dan ook nog schriftelijk informatie komen, net als eenschriftelijke appreciatie van de amendementen. Anders overschrijden wehet tijdstip van 18.30 uur en ik weet niet hoelang het dan nog gaat duren.Ik stel voor dat we dat knipje maken. De agenda van de commissie is nietsupervol, dus er is vast nog een ander moment te vinden om die tweedetermijn even in te plannen. Kunnen de leden zich daarin vinden? Ja? Dandoen we nu gewoon de tweede termijn. Meneer Stultiens, over hetordevoorstel?De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Ik kan me er op zich in vinden, maar betekent dat dat het vanavond niet uitkan lopen? Zegt u dat eigenlijk?De voorzitter:Nou ja, in principe is dat nooit zomaar mogelijk. Er zijn vanavond nogandere wetgevingsoverleggen. We hebben vandaag vier wetgevingsover-leggen. Het gaat niet alleen om uw tijd, maar ook om de tijd van hetpersoneel. Ik kan op dit moment niet inschatten of uitloop mogelijk is enhoeveel. Daarom doe ik dit ordevoorstel. Mevrouw Van Dijk?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4481 Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Ik vind het een prima ordevoorstel, maar er komen nog best wat vragenaan de orde en ik kan me voorstellen dat de collega’s in tweede termijndaarop willen reageren. Dat wordt dan ingewikkeld. Kun je dan niet beterzeggen dat er zo veel mogelijk schriftelijk moet worden beantwoord endat we de tweede termijn Kamer en kabinet in één keer doen?De voorzitter:Dat is ook een optie. Als u daar de voorkeur voor heeft?Staatssecretaris Heijnen:Ik zou, als ik de Kamerleden zo hoor, kunnen aanbieden dat wij alle motiesen amendementen in ieder geval schriftelijk appreciëren deze week eneventuele openstaande vragen meenemen in de brief die we gaan sturen.Dan hebben we het allemaal netjes afgerond. Als dat voor uw Kamerwerkt, zou dat kunnen.De voorzitter:Maar de moties moeten eerst zijn ingediend voordat ze beoordeeldkunnen worden. Dan is het even de vraag of we nu de moties indienen ofdat we de tweede termijn van de Kamer en die van het kabinet beide opeen apart moment doen.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dan heb ik een voorkeur voor de route van mevrouw Van Dijk. Er wareneen paar openstaande vragen. De antwoorden daarop kunnen we danschriftelijk krijgen in de komende dagen. Vervolgens plannen we danergens voor 15 maart de tweede termijn in voor Kamer en kabinet.De voorzitter:Ja? De heer Grinwis.De heer Grinwis (ChristenUnie):Op zich zitten we er nu klaar voor om de moties in te dienen, maar primaom dat later te doen. Tegelijkertijd, nu zitten we hier en het kan wel zijndat de Financiënagenda niet zo vol is, maar de hoeveelheid begrotingen isimmens, dus zitten mijn weken in januari en februari behoorlijk vol. Dat isook wel een overweging en nu zitten we er toch.De voorzitter:U heeft dus eigenlijk een voorkeur ...De heer Grinwis (ChristenUnie):We zitten klaar voor de tweede termijn. Laten we die gewoon doen, wantwe weten nooit of iedereen er weer is en dan hebben we die in ieder gevalin de pocket.De voorzitter:Ja? Ik zie instemmend geknik. Dan doen we dat, dan doen we gewoon detweede termijn waarin de moties worden ingediend. Het aanbod is datzowel de amendementen als de moties worden geapprecieerd en deopenstaande vragen worden beantwoord. Dan doen we alleen de tweedetermijn van de regering op een ander moment. Ja? Meneer Grinwis, aan uhet woord namens de ChristenUnie. O, de Staatssecretaris nog.Staatssecretaris Heijnen:Dat ik het goed begrijp: de leden doen nu hun tweede termijn en stellendan ook nog eventuele vragen die openstaan. De leden dienen hun motiesin. De amendementen zijn al bekend. Wij zullen beide, zowel de vragen alsde moties en amendementen, schriftelijk beantwoorden. Maar dan is erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4482 toch geen tweede termijn meer van onze kant? Is dat dan geen tweedetermijn?De voorzitter:Nee, dan is er wel nog een moment waarop u weer bevraagd kunt wordenop wat u schriftelijk heeft geantwoord. Dat wordt een aparte tweedetermijn. Dus zoals u net uw eerste termijn heeft gehouden, krijgt u daneen tweede termijn. Maar dan zijn er allerlei stukken en kan het vrij kort.De leden kunnen dan nog vragen stellen over uw appreciatie.Staatssecretaris Heijnen:Maar dan zou ik, als dat mag, er de voorkeur voor hebben dat wij, als deKamer een tweede termijn doet, ook een tweede termijn doen. Dan kan ikgelijk alle moties en amendementen appreciëren en dan zijn we klaar.De voorzitter:Maar dat redden we niet binnen nu en 18.30 uur. Dat is mijn probleem. Iksnap uw voorkeur, maar ik vrees dat dat niet gaat lukken. Dat moet dus opeen ander moment een vervolg krijgen. Mogelijk kan dat deze week nog.Ja? Dan ga ik de heer Grinwis alsnog het woord geven.De heer Grinwis (ChristenUnie):Tenzij de brief zo briljant is dat wij zeggen dat het allemaal niet meernodig is; dat kan altijd.Voorzitter. Allereerst heel veel dank aan de Staatssecretaris. Het was eengigantisch pièce de résistance dat al heel lang lag te wachten. Tegelij-kertijd moest het wel een keer behandeld worden. Mij moet wel van hethart – dat hebben denk ik veel collega’s, ook mensen op de publieketribune en mensen van de schrijvende pers – dat ik me afvroeg: zo veelcomplexiteit, gaan we dat ons land en ons volk echt aandoen? Daar zit ikwel mee. De alternatieven zijn gepasseerd. Op een gegeven momentmoeten we gewoon een besluit durven nemen. Ik denk dat ik dat ook weldurf, maar ik doe het wel terwijl ik mijn hart vasthoud, want ik vind dat wenogal een stelselwijziging gaan optuigen. Daarmee gaan we heel veelcomplexiteit toevoegen aan ons belastingstelsel, terwijl we ieder jaarzeggen dat we het eenvoudiger moeten maken. Nou, het tegendeel is inde praktijk het geval. Daar vind ik wat van. Dat als eerste.Ten tweede dien ik een paar moties in en vervolgens heb ik nog een paaropenstaande vragen. Eerst de moties maar, dan hebben we die gehad. Deeerste gaat over vermogenswinst.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat de voorliggende Wet werkelijk rendement box 3 zeerwaarschijnlijk geen eindstation is, en dat in de toekomst een verderebeweging richting een vermogenswinstbelasting (vwb) denkbaar is;overwegende dat het vanwege het rente-op-rente-effect voor de hand ligtdat de vermogensopbouw bij een box 3-systeem dat gebaseerd is op eenvermogenswinstbelasting, en mitsdien de structurele belastingopbrengstin box 3, groter is dan in het voorliggende voorstel;overwegende dat toekomstige besluitvorming vraagt om inzicht in destructurele budgettaire effecten;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4483 verzoekt de regering in kaart te brengen wat de structurele budgettairemeeropbrengsten van een vermogenswinstbelasting in box 3 zijn, deKamer hierover voor de zomer te informeren, en de uitkomsten mee tewegen in toekomstige besluitvorming over het box 3-stelsel,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Van Eijk, Inge van Dijk,Vermeer en Stoffer.Zij krijgt nr. 13 (36 748).De heer Grinwis (ChristenUnie):Dan de tweede motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het box 3-inkomen wordt opgeteld bij het verzamelin-komen en daarmee invloed heeft op de hoogte van de inkomensafhanke-lijke heffingskortingen en toeslagen;overwegende dat het voorliggende wetsvoorstel leidt tot een volatielerstelsel, waarmee ook de huidige inkomensafhankelijke heffingskortingenen toeslagen meer kunnen gaan fluctueren, en de effectieve belastingdrukdus hoger of lager kan uitvallen dan het belastingtarief in box 3;overwegende dat Kamer en kabinet zich meermaals hebben uitgesprokenvoor een fundamentele herziening van het belasting- en toeslagenstelsel;verzoekt het kabinet in kaart te brengen wat de consequenties voorhuishoudens (effecten op heffingskortingen en toeslagen) en deoverheidsfinanciën zijn van de doorwerking van het volatieler wordendebox 3-inkomen op het verzamelinkomen, deze inzichten te betrekken bij deuitwerking van de hervorming van de inkomstenbelasting en hettoeslagenstelsel, en de Kamer hierover bij het eerstvolgende Belas-tingplan te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vermeer en Stoffer.Zij krijgt nr. 14 (36 748).De heer Grinwis (ChristenUnie):Dat is dus in vervolg op een van de laatste antwoorden van de Staatsse-cretaris, want hier is meer inzicht gewenst. Die volatiliteit met nog meerfluctuaties in een stelsel met veel inkomensafhankelijkheid gaat wel watbetekenen en wat inzicht daarin kan helpen om de urgentie van eenbelastingherziening te vergroten. Nu mijn motie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4484 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat in artikel 5.19 staat dat de vastgoedbijtelling op 3,35%wordt gesteld;overwegende dat dit percentage is gebaseerd op onderzoek van SEO uit2022 en daarin geanalyseerde data uit 2019, 2020 en 2021, en dat hetderhalve verouderde data betreft;overwegende dat als forfaits worden gebruikt, deze zo goed mogelijkdienen aan te sluiten op de werkelijkheid;verzoekt de regering om zodra mogelijk, bij voorkeur voorafgaand aan deinwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari2028, het vastgoedbijtellingspercentage te actualiseren op basis van demeest recente en representatieve data, en dit vervolgens periodiek teblijven actualiseren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vermeer en Stoffer.Zij krijgt nr. 15 (36 748).De heer Grinwis (ChristenUnie):Bij vastgoed miste ik nog een aantal antwoorden van de Staatssecretarisop gestelde vragen, zoals of het wel zo redelijk is om de leegwaarderatiote verdisconteren bij de inbrengwaarde van bijvoorbeeld sociaal verhuurdvastgoed, dus sociaal verhuurde huizen. Dan maak je het eigenlijkaantrekkelijk om óf uit te ponden voor 2028 óf in ieder geval ervoor tezorgen dat je het zonder huurders op die inbrengdatum inbrengt in box 3als de Wet werkelijk rendement gaat gelden. Dat zijn toch wat perverseeffecten, terwijl je juist verhuurders die betaalbaar verhuren, zou willenkoesteren. Dat was het ene punt. Op het andere punt heb ik eenamendement in voorbereiding, maar het lukt me niet meer om dat voor18.30 uur in te dienen. Dat was: als je onder die 90% komt van hetkalenderjaar die geldt voor als je je huis verhuurd moet hebben, dus op89% vanwege bijvoorbeeld een verbouwing die een paar dagen uitloopt,dan word je in één keer deels aangeslagen tegen de vastgoedbijtelling. Isdat nou wel zo redelijk? Mijn voorstel was dus om dat op tien maanden testellen, op 300 dagen. Dat is een afwijking van de reguliere interpretatie inde fiscale praktijk van die 90%. Daarop heb ik dus een amendement invoorbereiding, maar ik heb daar ook een vraag over gesteld. Misschienkan de Staatssecretaris daar nog op ingaan in zijn brief, alvorens ik datamendement indien.Ten slotte, voorzitter, en dan laat ik het daar ook bij. Ik heb hetamendement zoals aangekondigd, dat gaat over NSW-landgoederen,zojuist ingediend. Het is rondgedeeld, dus iedereen kan het bestuderen.Warm aanbevolen!Tot zover.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4485 De voorzitter:Dat amendement heeft nr. 12.We gaan luisteren naar mevrouw Van Eijk, namens de VVD-fractie, in haartweede termijn.Mevrouw Van Eijk (VVD):Dank u wel, voorzitter, en dank ook aan de Staatssecretaris voor hetbeantwoorden van de vragen. Ik ben blij dat we deze wet vandaagbehandelen. Ik denk dat het ook goed is dat we gaan doorpakken. Het iseen beweging naar het belasten van inkomen uit rendement. Wat onsbetreft zouden we daar op termijn nog een stap verder in kunnen gaan. Ikweet dat dat op dit moment niet realistisch is en ook budgettair niethaalbaar is, dus wij zullen deze wet steunen. Ik was er heel even tussenuit,maar in de beantwoording heb ik de antwoorden gemist op de vragenover de partiële buitenlandse belastingplicht en het opnieuw wegen ervanin relatie tot deze nieuwe wet, de Wet werkelijk rendement box 3,inderdaad ook in relatie tot de vermogenswinstbelasting en hoe datuitpakt in internationaal perspectief. Misschien kan de Staatssecretarisdaar nog op reageren in zijn schriftelijke beantwoording. En in hetalgemeen heb ik een oproep gedaan om ook het invoeren van eentegenbewijsregeling, of de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling,opnieuw te bekijken, om ervoor te zorgen dat deze wet ook op de langeretermijn juridisch houdbaar is in die gevallen dat het aantoonbaar is dathet werkelijk rendement lager is dan een forfait of een bepaalde veronder-stelling.Ik heb een viertal moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat in het voorgestelde box 3-stelsel het eigen gebruik vanonroerende zaken forfaitair wordt belast tegen 3,35% van deWOZ-waarde, uitgaande van een volledig jaar;overwegende dat dit kan leiden tot belastingheffing over een voordeel datniet of slechts gedeeltelijk is genoten, met name bij vakantiewoningenmet een deels consumptief karakter;overwegende dat de WOZ-waarde een onvolmaakte grondslag vormt ende voorgestelde systematiek juridisch kwetsbaar is;verzoekt de regering uit te werken of het mogelijk is een uitvoerbaretegenbewijsregeling op te nemen voor het werkelijke voordeel van eigengebruik van onroerende zaken;verzoekt de regering tevens een tegenbewijsregeling voor de openingsba-lanswaarde van vastgoed in box 3 uit te werken,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Stoffer en Grinwis.Zij krijgt nr. 16 (36 748).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4486 Mevrouw Van Eijk (VVD):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat het afschaffen van het overgangsrecht voor oudekapitaalverzekeringen in box 1 ertoe leidt dat per 1 november 2029 in éénkeer belasting wordt geheven over het volledige opgebouwde rendement;overwegende dat betrokkenen deze belasting vaak niet kunnen voldoenomdat het vermogen niet liquide is;overwegende dat het gaat om een beperkte en overzichtelijke groep,terwijl de financiële gevolgen groot en onverwacht zijn;overwegende dat burgers om redenen van uitvoeringseenvoud nietopeens kunnen worden geconfronteerd met hoge belastingaanslagenzonder dat zij over het geld kunnen beschikken;verzoekt de regering uit te werken of het mogelijk is om de verschuldigdebelasting wel per 1 november 2029 vast te stellen, maar pas invorderbaarte maken op het moment dat de kapitaalverzekering daadwerkelijk totuitkering komt,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Stoffer en Grinwis.Zij krijgt nr. 17 (36 748).Mevrouw Van Eijk (VVD):Hierbij de opmerking dat het Verbond van Verzekeraars heeft aange-dragen, ik neem aan ook op basis van inbreng en input vanuit deverzekeraars, dat het gaat om die overzichtelijke en relatief kleine groep.Misschien dat er dus nog een keer goed gekeken kan worden dan welnavraag gedaan kan worden bij het verbond waarom zij denken dat hetwel zou moeten kunnen. Dat zijn tegenstrijdige geluiden.Dan mijn derde motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat de gerichte fiscale uitzondering in box 3 voor aandelenin startende ondernemingen kan bijdragen aan innovatie, economischegroei en het toekomstig verdienvermogen van Nederland;overwegende dat investeringen in start-ups en scale-ups gepaard gaanmet hoge risico’s en beperkte liquiditeit, wat vraagt om een passend eninvesteringsvriendelijk fiscaal kader;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4487 overwegende dat indirecte investeringen via start-upfondsen en fund-of-funds particuliere beleggers toegang geven tot risicospreiding enkapitaalmobilisatie;overwegende dat het onwenselijk is dat belasting wordt geheven oververmogenswinsten die nog niet liquide zijn;verzoekt de regering:–bij de verdere uitwerking van de fiscale regeling voor aandelen instartende ondernemingen te zorgen voor een ruimhartige en investe-ringsvriendelijke toepassing;–te bezien of directe en indirecte investeringen fiscaal behandeldkunnen worden;–te bezien of belastingheffing kan aansluiten bij daadwerkelijkeliquiditeit, met ruimte voor tegenbewijs bij aantoonbare nietverhandelbaarheid,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk en Martens-America.Zij krijgt nr. 18 (36 748).Mevrouw Van Eijk (VVD):En de laatste, voorzitter.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat de overgang naar een stelsel van werkelijk rendement inbox 3 kansen biedt om particulier beleggen te stimuleren en privaatkapitaal te mobiliseren voor Nederlandse en Europese bedrijven;overwegende dat eenvoud essentieel is voor draagvlak, en complexevoorwaarden of sectorale afbakeningen particulier beleggen onnodigontmoedigen;overwegende dat andere landen laten zien dat eenvoudige fiscaleregelingen, zoals vrijstellingen voor rente en dividend of laagdrempeligebeleggingsrekeningen, effectief kunnen zijn;overwegende dat het van groot belang is dat Nederland werkt aaneconomische groei en strategische autonomie in Europees verband;verzoekt de regering parallel aan de invoering van het nieuwe box 3-stelsel te verkennen hoe een brede, eenvoudige fiscale regeling kanworden vormgegeven die langetermijnbeleggen in Nederlandse enEuropese ondernemingen aantrekkelijker maakt,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Oosterhuis, Inge vanDijk en Grinwis.Zij krijgt nr. 19 (36 748).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4488 Mevrouw Van Eijk (VVD):Dat was het.De voorzitter:Dat was uw tweede termijn. Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar deheer Vlottes namens de PVV.De heer Vlottes (PVV):Voorzitter, dank u wel. Dank ook voor de beantwoording. Ik kan hetantwoord gemist hebben, maar ik meen mij te herinneren dat ik een vraaghad gesteld over de mogelijke impact op de planning van de inwerking-treding van deze wet naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad vanafgelopen vrijdag over de rekenrente in de vpb. Ik hoor graag wat daarvande mogelijke gevolgen kunnen zijn.We hebben het al kort gehad over die software uit het jaar kruik, Cool:Gen.De Staatssecretaris heeft aangegeven dat die in ieder geval niet meer voorvertraging zou zorgen. Maar ik heb nog geen antwoord gehoord op hetrecente arrest van de Hoge Raad over de vpb-rekenrente.Dan nog één motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de Wet werkelijk rendement een stelsel bevat vanvermogensaanwasbelasting;van mening dat belasting op rendement dient te gebeuren op daadwer-kelijk behaald rendement en niet op papieren rendement;verzoekt de regering op zo kort mogelijke termijn te zorgen voor eenbox 3-stelsel waarbij enkel gerealiseerde winsten worden belast op basisvan een vermogenswinstbelasting,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Vlottes.Zij krijgt nr. 20 (36 748).De heer Vlottes (PVV):Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dat was kort maar krachtig. Dan de heer Stoffer namens de SGP.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter. Ook dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording vande vele vragen die gesteld zijn. Ik heb nog drie moties en die zal ik nuindienen. De eerste luidt als volgt:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4489 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat uit de uitvoeringstoets van de Wet werkelijk rendementbox 3 onder andere blijkt dat de impact «ingrijpend» is, en dat het risicoop procesverstoringen groot is;overwegende dat het wetsvoorstel grote gevolgen heeft voor miljoenenbelastingplichtigen, en dat de invoering voortdurend gemonitord moetworden, om problemen en uitdagingen in de invoering snel in beeld tekrijgen, zodat daarop geanticipeerd kan worden;verzoekt de regering na inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendementbox 3 regelmatig, bijvoorbeeld elk halfjaar, invoeringstoetsen uit te voerenwaarin ingegaan wordt op de invoering, uitwerking en uitvoerbaarheid,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Vermeer en Grinwis.Zij krijgt nr. 21 (36 748).De heer Stoffer (SGP):De volgende motie luidt als volgt:Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat in een eerdere versie van de Wet werkelijk rendementbox 3 een vermogenswinstbelasting gold voor aandelen in familiebe-drijven;overwegende dat deze vorm van belastingheffing daarbij ook beter past,omdat deze aandelen bijvoorbeeld niet vrij verhandelbaar zijn en nietjaarlijks gewaardeerd worden;overwegende dat met name het definiëren van «familiebedrijven» deuitvoering van een vermogenswinstbelasting voor deze groep uitdagendmaakt;constaterende dat de definitie van «start-ups en scale-ups» nog naderuitgewerkt moet worden;verzoekt de regering hierbij ook een passende en afgebakende definitievan familiebedrijven mee te nemen, en alsnog te bezien hoe aandelen infamiliebedrijven op basis van een vermogenswinstbelasting belastkunnen worden,en gaat over tot de orde van de dag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4490 De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Grinwis en Vermeer.Zij krijgt nr. 22 (36 748).De heer Stoffer (SGP):En dan de laatste.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat er bijvoorbeeld bij vererving of schenking vanverpachte landbouwgronden belasting betaald moet worden over dewaardestijging;overwegende dat langdurige verpachting van groot belang is voor detoekomstbestendigheid van de landbouw, terwijl dat met dit wetsvoorstelonder druk komt te staan, omdat er bijvoorbeeld bij vererving enschenking geen liquide middelen beschikbaar zijn, en langdurigepachtcontracten daardoor onaantrekkelijker worden;verzoekt de regering oplossingen in kaart te brengen, en daarbij in iedergeval een gehele of gedeeltelijke vrijstelling bij vererving en schenking eneen belastingverlaging in combinatie met een minimale bezitsperiodemee te nemen, en de Kamer daarover zo snel mogelijk te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Vermeer en Grinwis.Zij krijgt nr. 23 (36 748).De heer Stoffer (SGP):Dat was het, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Stultiens, namensGroenLinks-Partij van de Arbeid.De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ik begin met een woord van dank aan de Staatssecretaris.Dank voor de uitgebreide antwoorden. Ook met een aantal toezeggingenben ik blij. Hij gaat opties in kaart brengen voor hoe de route van box 1naar box 3 met de hypotheekrenteaftrek kan worden voorkomen. Daarben ik blij mee. We krijgen vóór het commissiedebat van de volgendemaand een appreciatie of een analyse van de Zucman tax, van wat dieoplevert, wanneer die kan en van wat die juridisch mogelijk maakt. En ikhoor nog van de Staatssecretaris per wanneer ons amendement weluitvoerbaar is. Ik moet daarbij zeggen dat je met 900 fte en 22 maandentoch hoopt dat een toptarief wel kan worden toegevoegd. Maar goed,blijkbaar werkt de wereld zo niet bij de Belastingdienst. Daar moet ik danmaar op vertrouwen. Dat doe ik ook, maar dan hoor ik graag per wanneerhet wel kan.Ik zei aan het begin van het debat dat we het wetsvoorstel gaan steunen.Ik zie wel een paar gemiste kansen. Daarom één motie. Hopelijk inspireerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4491 ik de formatietafel om een wijze keuze te maken. Die gaat over hettoewerken naar een progressief belastingstelsel.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het huidige belastingstelsel op sommige onderdelenniet progressief is, waardoor de rijkste Nederlanders een lager effectieftarief betalen dan de middenklasse;constaterende dat inkomen in box 1 en box 2 wél progressief wordt belastmaar inkomen in box 3 niet;van mening dat inkomen uit werk niet zwaarder belast zou moetenworden dan inkomen uit vermogen;verzoekt de regering bij het komende Belastingplan toe te werken naareen progressief belastingstelsel, onder andere door inkomsten in box 3ook progressief te gaan belasten,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Stultiens.Zij krijgt nr. 24 (36 748).De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):Dan is er eigenlijk nog één grote vraag blijven liggen. En het is eigenlijkook wel raar dat die is nog steeds blijven liggen. Hij gaat over debudgettaire verschillen tussen varianten. Inmiddels weten we dat devermogenswinstoptie een derving is van 5 miljard in vijf jaar. Maar ikvroeg expres naar de komende 30 jaar. Ik heb nu verschillende brokjesinformatie en ik vind dat wij als Kamer het hele plaatje moeten hebben. Ikweet nu dat het bij vermogensaanwas 42 miljard meer oplevert dan wat ernu voorligt, dus de hybride variant. Ik zou graag wel de vraag de anderekant op beantwoord willen hebben, over vermogenswinst. Deopenstaande vraag – want daarover zijn volgens mij de meningenverdeeld hier in de Kamer – is: gaat dat budgettaire gat ooit wordeningelopen? Ik geloof zelf van niet, maar de idee ontstaat hier dat dat welzo is. Ik hoor graag, op papier, hoe dat zit. Ik hoor graag waar ik eendenkfout maak, maar volgens mij schuif je met een vermogenswinstbe-lasting opbrengst uit de toekomst naar voren en als je eenmaal dat puntbereikt hebt, heb je vervolgens die belastinginkomsten binnen en zijn erweer nieuwe toekomstige vermogenswinsten opgespaard; dan blijf jealtijd vooruit hollen. Dus tenzij er ooit een dag komt waarop de wereldvergaat en we een eindafrekening maken, ga je zo gewoon tientallenmiljarden vooruitschuiven. Als partijen hier dat willen, dan mag dat, maardan verwacht ik wel een budgettaire dekking en onderbouwing. Die heb ikvan niemand gehoord vandaag. Als wij bij een begrotingsdebat een paarpotloden willen toevoegen bij onderwijs, krijgt iedereen de vraag hoeveeldat gaat kosten en hoe je dat gaat betalen. En hier hoor ik de hele dag al,eigenlijk jarenlang, wensen, wensen, wensen voor vermogenswinst, maarniemand die zegt hoe je dat gaat betalen. Nou, vraag één is dus: hoeveelgaat dat kosten? En klopt mijn analyse dat dit echt geld kost of is hetslechts een temporeel effect? Ik denk het laatste. Vervolgens kunnen wijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4492 dan de komende jaren het debat live vervolgen. Ik vermoed dat dat nogjaren gaat duren. Ik denk dat het goed is dat we niet geld gaan uittrekkenhiervoor, maar ik hoor graag op papier van de Staatssecretaris of mijnanalyse klopt. Dank.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Oosterhuis, namens de D66-fractie.De heer Oosterhuis (D66):Dank u, voorzitter. En ook mijn dank aan de Staatssecretaris voor deantwoorden op de vele kritische vragen die de Kamer heeft gesteld. Ikdenk wel dat het goed is om voor ogen te blijven houden dat het, of hetnu gaat om mensen met een miljoen of met een tweede woning, in hetalgemeen gaat over de wat meer draagkrachtigen in de samenleving endat het grootste deel van de samenleving er toch alleen maar van kandromen om ooit in deze box terecht te komen.Vroeg in de beantwoording zei de Staatssecretaris: het ideale stelselbestaat niet. Ik denk dat hij daar gelijk in heeft; elke vorm heeft zijn voor-en nadelen. We hebben het veel gehad over vermogenswinst versusvermogensaanwas. Volgens mij is ook vermogenswinst niet zaligmakenden zit daar in ieder geval een budgettaire hobbel. Ik denk dat hetverstandig is om in beeld te brengen hoe groot die hobbel is, zodat wijdaar goed geïnformeerd het debat over kunnen voeren. Een van dieproblemen bij vermogenswinst zit ’m bij die life events: scheiden,overlijden. Ik vind het jammer dat het amendement van de heerHoogeveen als niet-uitvoerbaar, of in ieder geval niet tijdig uitvoerbaarwordt geschetst. Er zijn betalingsregelingen, zo heeft de Staatssecretaristoegelicht. Tegelijkertijd kan het echt om serieuze bedragen gaan, enbetwijfel ik of die betalingsregelingen in alle gevallen afdoende zullen zijn.Daarom de volgende motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat in de Wet werkelijk rendement box 3 een vermogens-winstbelasting geldt voor onroerend goed en aandelen in start-ups;constaterende dat er sprake kan zijn van een forse vermogenswinstheffingover de waardestijging van onroerend goed en aandelen in start-ups bijingrijpende persoonlijke gebeurtenissen zoals een echtscheiding ofoverlijden, terwijl het ongewenst of onmogelijk is om op dat moment hetbetreffende vermogensbestanddeel te verkopen;overwegende dat er betalingsregelingen zijn die niet in alle gevallenvoldoende zijn en er individuele betalingsregelingen mogelijk zijn;verzoekt de regering om bij grote vermogenswinstheffingen bij ingrij-pende persoonlijke gebeurtenissen de mogelijkheid tot een betalingsre-geling actief onder de aandacht te brengen, en te bezien of verruimingvan deze regelingen noodzakelijk is,en gaat over tot de orde van de dag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4493 De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Oosterhuis, Grinwis enHoogeveen.Zij krijgt nr. 25 (36 748).De heer Oosterhuis (D66):Dan had ik specifiek over de ingrijpende persoonlijke gebeurtenis van hethuwelijk een vraag gesteld die volgens mij nog niet beantwoord is.Wellicht kan de Staatssecretaris daar in zijn brief op terugkomen enverduidelijken hoe dat precies zit.Tot slot nog een vraag over groen beleggen. Ik was wat verrast door hetantwoord van de Staatssecretaris in eerste termijn. In de voorbereiding opdit debat had ik informeel contact met zijn ondersteuning. Toen kreeg ikhet signaal dat een heffingskorting uitvoerbaar zou zijn per 2028, ook alsdat nog bij het Belastingplan zou worden geregeld. Ik ging er dan ook vanuit dat het zou kunnen, ook omdat ik naar aanleiding van het afgelopenBelastingplan hierover vrij veel heb gevraagd achter de schermen toen ikbezig was de amendementen. Toen kreeg ik nergens het signaal dat datproblematisch zou zijn in de uitvoering bij de knip tussen de huidige weten de volgende wet. We hebben in de huidige box 3 nog een regelingvoor groen beleggen. Ik wil de Staatssecretaris vragen om iedereen op dekop te houden en te kijken of die heffingskorting uitvoerbaar is. Dit maaktwel dat ik nu een amendement begin te overwegen over een heffings-korting, al dan niet voorlopig op nul gezet en wellicht ook met eeninvoeringsdatum bij KB, zoals Grinwis hier creatief aan het doen is, om tebewerkstelligen dat dit zo spoedig mogelijk uitvoerbaar is. Daar blijf ik memee bezighouden.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Inge van Dijk namenshet CDA.Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Je zult het maareven op je bordje krijgen, dit dossier! Fijn dat we in ieder geval een stapverder zijn gekomen. Ik dank de collega’s voor het debat.Zoals het vaak gaat: democratie vraagt om eenvoud en bestuur creëertcomplexiteit. Dat doen we nu ook weer, daarvan zijn we ons zeer bewust.Het voelt ook wel ongemakkelijk, maar tegelijkertijd weten we dat als wedit nu niet doen, het de situatie er de komende tijd niet per definitie beterop maakt.We hebben onze wensen voor de 2.0 op tafel gelegd, maar vandaag zullenwe tot op zekere hoogte op onze handen blijven zitten, want we willenabsoluut niet verder vertragen. Ik heb wel twee moties om alvast een enander te onderzoeken.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat voordelen uit eigen gebruik van onroerende zakenworden belast met een vastgoedbijtelling;overwegende dat de vastgoedbijtelling is gebaseerd op onderzoek naar dehuurwaarde van niet-verhuurde box 3-woningen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4494 overwegende dat vakantiewoningen verschillen van andere woningenomdat specifieke kenmerken zoals seizoensgebondenheid een rol kunnenspelen;overwegende dat het van belang is de vastgoedbijtelling juridischhoudbaar vorm te geven, met het oog op het recht op ongestoord genotvan eigendom;verzoekt de regering een aanvullend onderzoek te laten doen naarrendementen op specifiek vakantiewoningen, en een juridische analyse tedoen ten aanzien van een houdbare vastgoedbijtelling voor vakantiewo-ningen in eigen bezit,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Van Eijk enGrinwis.Zij krijgt nr. 26 (36 748).Mevrouw Inge van Dijk (CDA):De laatste.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat met de Wet werkelijk rendement box 3 een hybridestelsel van vermogensaanwas en vermogenswinstbelasting wordtingevoerd om het huidige failliete forfaitaire stelsel te vervangen en grotebudgettaire derving van verder uitstel te voorkomen;overwegende dat een volledige vermogenswinstbelasting beter aansluitbinnen het Nederlandse fiscale systeem, internationaal de standaard is enbovendien het draagvlak kan verhogen omdat belastingplichtigen het alsrechtvaardig ervaren dat alleen liquide vermogens belast worden;overwegende dat een dergelijke systematiek door partijen die gegevensmoeten aanleveren met een langere voorbereidingstijd uitvoerbaar wordtgeacht;verzoekt de regering in overleg met ketenpartners in kaart te brengen hoehet hybride stelsel kan worden doorontwikkeld naar een volledigevermogenswinstbelasting en hiervoor een stappenplan te ontwikkelen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Van Eijk,Hoogeveen en Grinwis.Zij krijgt nr. 27 (36 748).Mevrouw Inge van Dijk (CDA):Dank je wel, voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4495 De voorzitter:Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar de heer Hoogeveen namens deJA21-fractie.De heer Hoogeveen (JA21):Dank u, voorzitter, en dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoordingen de «on the spot»-beoordeling van mijn amendementen. Deantwoorden waren wel wat onbevredigend en verwarrend, als ik zo vrijmag zijn, met name omdat ik vind dat de onderbouwing op een aantalpunten onvoldoende is en deels ook haaks staat op de stukken die wijhebben ontvangen.Laat ik beginnen met de uitvoerbaarheid. De Staatssecretaris stelt dat dedoor mij voorgestelde amendementen niet uitvoerbaar zouden zijn. Datverbaast mij, omdat in de quickscan die wij hebben gekregen, staat dathet niet te automatiseren is, maar wel uitvoerbaar per 1 januari 2028 viaeen aanpassing in de toelichting. Zojuist, twee minuten geleden, heb ik dejuiste quickscan gekregen en die heb ik daardoor nog niet kunnen lezen.Daarom stel ik de vraag alsnog: kan de Staatssecretaris aangeven waaromhet amendement nu niet uitvoerbaar is en wanneer hij het wel uitvoerbaaracht? Of is het dat überhaupt niet?Voorzitter. Het budgettaire argument en dan met name bij hetamendement over de verliesrekening. De Staatssecretaris ontraadt hetamendement vanwege een hoge incidentele budgettaire derving. Watdaar dan bij opvalt, is dat het structurele effect volgens dezelfde ramingbeperkt blijft, namelijk dat het eindigt met slechts 12 miljoen. Overigenszijn de kosten sowieso opmerkelijk, omdat het wetsvoorstel zelf al voorzietin onbeperkte voorwaartse verliesverrekening, terwijl mijn amendementvraagt om slechts een zeer beperkte carry back van één jaar.Met het amendement wordt slechts een heel beperkte achterwaartseverliesverrekening toegevoegd. Het totale verlies kan dus wordenverrekend en daardoor neemt het mijns inziens niet of nauwelijks toe.Alleen het moment van verrekening verandert immers. De raming lijktechter uitsluitend de derving van de carry back mee te nemen, dus zonderrekening te houden met het feit dat dezelfde verliezen daardoor niet of inmindere mate nog voorwaarts hoeven te worden verrekend. Daarmeewordt wel de budgettaire last van de carry back ingeboekt, maar niet dedaarbij horende vermindering van toekomstige derving van de carryforward.Dat leidt dus tot een overschatting van het incidentele effect en wekt deindruk dat hier vooral sprake is van een kasverschuiving en niet van eenstructurele lastenverzwaring. Daarom vraag ik de Staatssecretaris uit teleggen waarom in de raming wel de derving van de carry back ismeegenomen, maar niet de verminderde derving die ontstaat doordatdezelfde verliezen niet meer voorwaarts kunnen worden verrekend.Kunnen deze twee dervingen worden weggestreept ten opzichte vanelkaar? Zo nee, waarom niet? Graag een uitgebreid antwoord. Kan hijverder toelichten waarom deze twee effecten volgens hem niet tegenelkaar kunnen worden weggestreept?Voorzitter, tot slot het proces. De onderbouwing die wij vandaag krijgenbij de ontrading van mijn amendementen, en dan met name op het puntvan het budgettaire effect en de uitvoerbaarheid, is dus niet eerder metons gedeeld. Sterker nog, sommige staan daar zelfs haaks op. Daaromheb ik daar niet op kunnen anticiperen. Dat geldt ook voor de uitvoeringen het vinden van een geschikte dekking.Ik verzoek de Staatssecretaris daarom het volgende: een schriftelijkereactie waarin staat opgenomen op welke punten het oordeel van deStaatssecretaris afwijkt van de geleverde documenten, en dan met namevan de quickscan, die ik dus wel heb ontvangen. Ik krijg verder graag eenschriftelijke reactie op mijn vraag wanneer de doorschuiffaciliteiten en deachterwaartse verrekening mogelijk zijn. Ten slotte wil ik een nieuweTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4496 schriftelijke reactie waarin staat hoe de kosten en de budgettaire dervingvan zowel de doorschuiffaciliteit als de achterwaartse verrekening zijnopgenomen. Dat mag dus allemaal in die schriftelijke reactie. Graagontvang ik daarbij de toezegging dat de Kamer de tijd krijgt om debudgettaire effecten zorgvuldig te beoordelen en indien nodig deamendementen nader te wegen. Daarvoor is gezien de deadlinevooralsnog voldoende tijd.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dat was de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Wehebben nog acht minuten in de geplande tijd. Het gaat dus echt nietlukken om de tweede termijn van de regering te realiseren. Er zijnbovendien ook nog eens vijftien moties ingediend en die moeten ook nogallemaal geapprecieerd worden, net als overigens een aantal amende-menten die nog geen appreciatie hebben gehad. Dat gaan we allemaalnog schriftelijk krijgen. Ik denk dat de griffier met de staf van de Staatsse-cretaris zal zoeken naar een geëigend tijdstip om op korte termijn dietweede termijn van de zijde van de regering te laten plaatsvinden.Ik zie dat de Staatssecretaris de behoefte heeft om nog een opmerking temaken.Staatssecretaris Heijnen:Dank, voorzitter, en dank voor die mogelijkheid. Dank ook aan deKamerleden voor hun vragen in het debat. Ik hoop dat ik die tweedetermijn nog zelf mag voeren, want dat zou ik wel heel fijn vinden. Ik hebhet even met mijn mensen afgestemd en we gaan uiterlijk woensdag alleopenstaande vragen beantwoorden en de moties en amendementenappreciëren. Dan zal ik mijn staf vragen om contact te zoeken met degriffie om een datum af te spreken, wellicht ergens na volgende week ende week daarna, als dat past.De voorzitter:Ja hoor. Ik denk ook dat ... Nou, daar ga ik eigenlijk niet over, maar als ereen akkoord ligt, duurt het nog wel even voordat de formatie is afgeronden de bewindslieden zijn gevonden. Tenminste, dat is de ervaring uit hetverleden. Ik denk dus dat er echt nog wel een moment te vinden is waaropdit debat met deze Staatssecretaris kan worden afgerond.Ik dank iedereen, ook de mensen die dit hebben gevolgd, hier op depublieke tribune of digitaal. Ik wens u een goed avondmaal.Ik schors de vergadering, want we zien elkaar nog terug op een andermoment.Sluiting 18.23 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 748, nr. 4497

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3db865c8e3f91a95

14 okt 2026 · 39fd0b4bc3825bda

Gerelateerde bronnen

  • Besproken tijdens · Officiële koppelingWet werkelijk rendement box 3
    Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 19 januari 2026Wet werkelijk rendement box 3

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.