Ontwerpbesluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming
Brontekst
Versie d95a69dacb896f04 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2016–2017 25 422Opwerking van radioactief materiaal Nr. 200 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 30 mei 2017 Bij brief van 21 maart jl. heb ik u het ontwerpbesluit houdende vaststelling van regels ter bescherming van personen tegen de gevaren van bloot-stelling aan ioniserende straling (Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming) toegezonden (Kamerstuk 25 422, nr. 186). De voorlegging geschiedde in het kader van de wettelijk voorgeschreven voorhangprocedure van artikel 76, eerste lid, van de Kernenergiewet en biedt uw Kamer de mogelijkheid zich uit te spreken over het ontwerpbe-sluit voordat het aan de Afdeling advisering van de Raad van State zal worden voorgelegd en vervolgens zal worden vastgesteld. Op grond van de aangehaalde bepalingen geschiedt de voordracht aan de Koning ter verkrijging van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State over het ontwerpbesluit niet eerder dan vier weken nadat het ontwerpbesluit aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Op grond van artikel 43a van de Aanwijzingen voor de regelgeving is deze termijn in verband met het reces van uw Kamer verlengd tot 1 mei 2017. In de bedoelde brief heb ik aangegeven dat het in verband met een tijdige implementatie (uiterlijk 6 februari 2018) van belang is om voor 1 juli 2017 te komen tot een afronding van de voorhang en behandeling door uw Kamer. Het ontwerpbesluit is door de Vaste Commissie voor Infrastructuur en Milieu reeds geagendeerd geweest voor het Algemeen Overleg van 10 mei jl. (Kamerstuk 25 422, nr. 199) en heeft daar niet tot opmerkingen geleid. Eerder heeft de Vaste Commissie voor Infrastructuur en Milieu mij verzocht geen onomkeerbare stappen te nemen. Tijdige implementatie is alleen nog haalbaar bij afronding van de procedure voor 1 juli aanstaande. kst-25422-200ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2017Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 25 422, nr. 2001 Sinds de mededeling van de Europese Commissie over «EU wetgeving: betere resultaten door betere toepassing»1 zal de Commissie in de inbreukprocedure vanwege te late implementatie het Hof van Justitie van de EU systematisch verzoeken om de lidstaat die te laat is een forfaitaire som (boete) en dwangsom op te leggen. Dit risico op een boete en/of dwangsom ontstaat al enkele maanden na de omzettingstermijn. Bij de bepaling van de boete zal de Commissie rekening houden met de omzettingsgraad om de ernst van de niet-omzetting te bepalen; de boete kan echter al snel in de miljoenen euro’s lopen. Voorts wil ik opmerken dat de richtlijn beleidsarm wordt geïmplemen-teerd. Verder heeft de toets op nalevingskosten door ACTAL bevestigd dat het ontwerpbesluit een lastenluwe implementatie inhoudt. Omdat het implementatie betreft is de ruimte om andere beleidskeuzes te maken zeer beperkt. Aan het veiligheidsniveau zoals voorgeschreven in de richtlijn zijn geen concessies gedaan. Op basis van voorgaande wil ik uw Kamer verzoeken om haar medewerking te verlenen zodat het implementatieproces voorspoedig kan blijven verlopen. Een vervolgstap in het proces is dat begin juli 2017 de Afdeling advisering van de Raad van State het ontwerpbesluit ter advisering krijgt aangeboden. Een gelijkluidende brief heb ik gezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. De Minister van Infrastructuur en Milieu,M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus1http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52017XC0119(01)&from=EN.Tweede Kamer, vergaderjaar 2016–2017, 25 422, nr. 2002
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.