Kabinetsreactie op het Rli-advies ‘Bouwen met toekomst: werken aan woningen van duurzame materialen’
Brontekst
Versie 161b037d28b613f8 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 847Integrale visie op de woningmarkt30 196Duurzame ontwikkeling en beleid32 813Kabinetsaanpak KlimaatbeleidNr. 1400 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 januari 2026Op 19 juni 2025 heeft de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli)het advies Bouwen met toekomst: werken aan woningen van duurzamematerialen aangeboden aan de Minister van Volkshuisvesting & Ruimte-lijke Ordening (VRO), de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid & Natuur (LVVN), de Minister van Klimaat & Groene Groei (KGG)en de Staatssecretaris van Infrastructuur & Waterstaat (I&W). In deze briefgeef ik vanuit mijn verantwoordelijkheid voor het woningbouwbeleid eenreactie op dit advies, mede namens de andere bewindspersonen. Het isverder aan het volgende kabinet om eventueel nieuw beleid naaraanleiding van dit advies in gang te zetten.Rli-advies Bouwen met toekomstDe Rli constateert dat er spanning bestaat tussen de woningbouwopgavewaar ons land voor staat en het doel om klimaatneutraal te zijn in 2050:voor de bouwopgave is een enorme hoeveelheid materialen nodig en ditmateriaalgebruik gaat gepaard met een significante CO2-uitstoot. Volgensde Rli ligt de nadruk nu vooral op de betaalbaarheid en bouwsnelheid,maar minder op de duurzaamheid van woningen.De Nederlandse overheid zou te weinig doen om de materiaalgebondenCO2-uitstoot van woningbouw terug te dringen. Daardoor bestaat hetrisico op een bouwcrisis, aldus de Rli: als marktpartijen nu niet voldoendeworden aangezet tot duurzaam bouwen, kunnen zij in de toekomstmogelijk niet meer aan de duurzaamheidseisen voldoen die nodig zijn om kst-32847-1400ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 14001 de klimaatdoelen te behalen.1 Daarom zou de overheid nu al scherpmoeten sturen op de toepassing van duurzame materialen.De Rli identificeert vijf strategieën om het materiaalgebruik in dewoningbouw duurzamer te maken: (1) biobased materialen, (2) CO2-armevarianten van conventionele materialen, (3) hergebruik van materialen,(4) optoppen/transformeren, kleiner wonen en beter benutten van debestaande voorraad, en (5) zorgen voor minder en lichtere installaties. Deeerste drie strategieën gaan over het gebruiken van andere materialen, ende laatste twee strategieën kenmerken zich door het gebruik van mindermaterialen.Algemene reactie op het adviesIk onderschrijf de hoofdboodschap van het advies, dat er steedsduurzamer moet worden gebouwd – zowel voor het klimaat als hetverminderen van de geopolitieke afhankelijkheid. We beginnen hierbij nietop nul; de afgelopen jaren is al veel kennis ontwikkeld en genormeerd,gefaciliteerd en gesubsidieerd, om te zorgen dat marktpartijen steedsduurzamer bouwen. Veel marktpartijen zijn voortvarend aan de slag,gestimuleerd door het Europese Emissiehandelssysteem (EU ETS) en denationale beleidsinzet.Wet- en regelgevingSinds 2018 wordt in Nederland via de milieuprestatie-eis gebouwengestuurd op de integrale milieu-impact van nieuwe woningen enkantoren. In 2026 wordt de eis uitgebreid naar andere gebruiksfuncties inhet Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De door mijn voorgangervoorgestelde aanscherping van de eis voor woningen heb ik nietingevoerd, omdat uit aanvullend onderzoek is gebleken dat in een aantalsituaties aanvullende maatregelen nodig zijn in de materiaalkeuze en hetontwerpproces.2 Dit zal op macroniveau leiden tot meerkosten. Gezien degrote uitdaging om voldoende betaalbare woningen te realiseren heb ikervoor gekozen geen eis in te voeren die meerkosten met zich mee kanbrengen.3Verder moeten nieuwe gebouwen vanaf 2030 voldoen aan een nieuwewettelijke eis als het gaat om de emissies van broeikasgassen veroorzaaktdoor zowel het energieverbruik als het materiaalverbruik, berekend overde gehele levenscyclus van het gebouw – de zogeheten whole life cycleglobal warming potential (wlc-gwp).4 Uiterlijk op 1 januari 2027 zal hetkabinet een Routekaart wlc-gwp publiceren, waarin staat hoe dezeemissies van de nieuwbouw vanaf het niveau in 2030 ontwikkelen richtingklimaatneutraliteit in 2050. Er wordt dus niet alleen aangegeven welke eisin 2030 geldt, maar ook welke streefwaarden zijn voorzien in de periodetussen 2030 en 2050. Hierdoor krijgt de markt duidelijkheid over derichting waarin toekomstige regelgeving zich beweegt, hoewel deuiteindelijke grenswaarden kunnen afwijken (bijvoorbeeld als deenergievoorziening sneller of trager verduurzaamt dan was voorzien). Hetuitgangspunt bij de implementatie is dat de CO2-emissies in de komende1Er is geen wettelijk verankerd klimaatdoel specifiek voor de nieuwbouw van woningen.Uiteraard levert de reductie van broeikasgassen in de bouwsector wel een bijdrage aan dealgehele klimaatdoelen, maar dan via de gekozen klimaatsectoren in zowel nationaal alsinternationaal perspectief vanwege een internationale markt voor bouwmaterialen.2Economisch Instituut voor de Bouw. (2025). Versoepeling MPG-eis voor kleine woningen:Onderzoek naar de effecten van de versoepeling van de MPG-eis voor kleine woningen.24 juni 2025.3Kamerstukken II, vergaderjaar 2024/25, 32 847, nr. 1352.4Kamerstukken II, vergaderjaar 2024/25, 22 112, nr. 4107.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 14002 decennia worden gereduceerd, zonder dat ze een belemmering vormenvoor de betaalbaarheid en de woningbouwopgave.Lopende beleidsprogramma’sNaast wet- en regelgeving lopen er meerdere beleidsprogramma’s gerichtop de vijf strategieën die de Rli identificeert. Het belangrijkste daarbij isom de bestaande gebouwen en bijbehorende omgeving beter te benutten,zodat minder materiaal nodig is. Zo wordt er gewerkt aan een landelijkeaanpak beter benutten van de bestaande woningvoorraad. Dit is eengebiedsgerichte aanpak gericht op alle aspecten van het beter benuttenzoals het transformeren en optoppen van gebouwen, het verlagen vandrempels voor hospitaverhuur, woningdelen en woningsplitsen. Hetbegint met het in beeld brengen van de potentie op gebouw- en gebieds-niveau. Daarmee wordt vooruitgelopen op het te introduceren volkshuis-vestingsprogramma onder de Wet versterking regie volkshuisvesting.5Verder is het mogelijk om woningen te bouwen met minder (zware)installaties, mits daarmee aan de wettelijke eisen kan worden voldaan.Daarbij kunnen opdrachtgevers en bouwers scherp kijken naar wat erstrikt noodzakelijk is voor een bepaald type woning in bepaalde omstan-digheden. Binnen de bouwregelgeving is al veel mogelijk, door hetprincipe van gelijkwaardigheid: opdrachtgevers of bouwers mogenalternatieve maatregelen of oplossingen toepassen als daarmee hetzelfdedoel of resultaat wordt behaald als met de regels in het Bbl is beoogd. Inbepaalde gevallen moet dit met instemming van of met voorafgaandemelding aan het bevoegd gezag. Ik heb al aan uw Kamer aangegeven datik de komende tijd met aanbieders van allerlei (installatiearme) conceptenin gesprek ga om te bezien hoe dit nog beter kan worden benut.6Verder is de toepassing van duurzame bouwmaterialen onderwerp vanbeleid via de Nationale Aanpak Biobased Bouwen (NABB), een groot-schalig plan om de teelt, verwerking en toepassing van de biogrond-stoffen in de bouw op te schalen tot en met 2032.7 Ook hebben deMinisteries VRO, I&W en KGG op 5 november jl. met 14 materiaalketensen 6 brancheverenigingen het Bouwmaterialenakkoord gesloten, om ineen gezamenlijke aanpak te komen tot steeds duurzamere bouwmate-rialen8, onder andere door inzet van de ketens op meer hergebruik enverlaging van de milieu-impact en CO2-emissies. Tot slot zet ik in op detoepassing van secundaire materialen via de Aanpak Circulair Slopen enHergebruik. Er gebeurt hiermee al veel om de materiaalgebondenCO2-uitstoot van de woningbouw te verminderen. Ook wil de EuropeseCommissie de bio-economie aanjagen met simpelere regels en focus opgroeisectoren waaronder bouwmaterialen. Nieuw beleid of intensiveringvan lopend beleid ten aanzien van de toepassing van duurzamematerialen in de woningbouw is aan een volgend kabinet.Reactie op de vier aanbevelingenDe Rli doet vier specifieke aanbevelingen om te komen tot een verdereverduurzaming van de woningbouw. Hier ga ik nu nader op in.5Kamerstukken II, vergaderjaar 2025/26, 32 847, nr. 1390.6Kamerstukken II, vergaderjaar 2025/26, 32 847, nr. 1383.7Rijksoverheid. (2023). Nationale Aanpak Biobased Bouwen. 8 november 2023.8Bouwmaterialenakkoord: Nederlandse bouwmaterialenindustrie en het Rijk zetten samen destap naar een toekomstbestendige en efficiënte bouwsectorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 14003 Aanbeveling 1: Breng Nederlandse regels in lijn met Europees beleidDe Rli roept het kabinet op om de EPBD-IV richtlijn te implementeren doorgrens- en streefwaarden in te stellen voor de CO2-uitstoot van nieuw tebouwen woningen. Met deze aanbeveling ben ik al aan de slag, zoals ikhierboven heb aangegeven, door de uitwerking van de Routekaart metprestatie-eisen in 2030 en streefwaarden tot en met 2050. Verder beveeltde Rli aan om direct met scherpe eisen te komen die corresponderen meteen MPG-norm van 0,5, onderscheid te maken tussen enerzijds laag- enmiddenhoogbouw en anderzijds hoogbouw, en mogelijke besparingenaan het einde van de levensduur (module D) niet mee te nemen in de eis.Ik onderschrijf de visie van de Rli dat het belangrijk is om de prestatie-eisen in de wlc-gwp voor de diverse soorten gebouwen te implementerenin 2030, waarmee de eerste stap wordt gezet naar klimaatneutraliteit in2050. Tegelijk moeten de initiële eisen geen belemmering vormen voor dewoningbouwopgave en betaalbaarheid van woningen. Uit onderzoekenter voorbereiding van de implementatie zal moeten blijken hoe scherp deeis kan worden gesteld zonder de bouwkosten significant te verhogen.Een bouwcrisis in Nederland vanwege CO2-emissies voor de woning-bouw, zoals de Rli suggereert, zie ik niet direct gebeuren, juist omdat metde Routekaart duidelijk wordt welke prestatieniveaus nodig zijn om zowelde woningbouwopgave mogelijk te houden als het doel van klimaatneu-traliteit in 2050 binnen bereik te houden.Zoals aangegeven adviseert de Rli om in de wlc-gwp aparte eisen opnemen voor laag- en hoogbouw. Dit advies is niet nader uitgewerkt, maareen risico hierbij is mijns inziens dat dit de afwegingen in het ontwerp-proces van marktpartijen compliceert en de regeldruk verhoogt.Bovendien wijkt dit af van de Europese vormgeving van de wlc-gwp. Ikvind het daarom aan een volgend kabinet om hier nader onderzoek naarte doen, zodat bekeken kan worden of het opnemen van aparte eisendoelmatig en doeltreffend is.Verder stelt de Rli dat de milieuprestatie-eis gebouwen niet bevorderendwerkt voor kleinere gebouwen, omdat de eisen worden teruggerekendnaar vierkante meter vloeroppervlak (voor de milieuprestatie-eis) engebruiksoppervlak (bij de wlc-gwp). In theorie kunnen bouwers de uitstootper vierkante meter verlagen door groter te bouwen, terwijl de totaleuitstoot toeneemt, zo stelt de Rli. Om de trend van kleiner bouwen niet tebelemmeren, is in de voorliggende wijziging van de milieuprestatie-eis,die naar verwachting per 1 juli 2026 in werking treedt, een soepelere eisopgenomen voor kleine woningen en niet-compacte kantoorgebouwen.Tot 2030 laat ik deze aangepaste eis zijn werk doen, zodat de markt zichhierop kan richten. Op basis van de beleidsevaluatie van demilieuprestatie-eis zal ik komend jaar bezien of en hoe dit instrumen-tarium vanaf 2030 in samenhang met het nieuwe instrument wlc-gwpwordt gecontinueerd.Tot slot beveelt de Rli aan in de berekeningen van de wlc-gwp geenverwachtingen mee te nemen over CO2-prestaties van bouwmaterialenaan het einde van de theoretische levensduur van 50 jaar (de zogehetenmodule D). De zorg daarbij is dat daadwerkelijke CO2-uitstoot in het hedenkan worden gecompenseerd door gunstige verwachtingen over demilieu-impact in de toekomst. Ik erken dat het goed is om te onderzoekenwat de rol van module D is bij de berekening van de milieuprestatie.Daarom loopt er momenteel een evaluatie naar de werking van module D.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 14004 De uitkomsten daarvan zal ik met de Tweede Kamer delen en meenemenbij de uitwerking van de wlc-gwp.9Aanbeveling 2: Voer een heffing in als stimulans voor verduurzamingvan het materialengebruik in de woningbouwDe Rli adviseert het kabinet om naast de wetgeving gericht opCO2-reductie vanaf 2030 ook een heffing op niet of onvoldoendeduurzaam gebouwde woningen te introduceren, om de materiaalge-bonden CO2-emissies van woningen versneld te verlagen. De aanvragervan de omgevingsvergunning zou dan een heffing moeten betalen als deCO2-uitstoot per m2 hoger ligt dan de streefwaarde die is vastgesteld in deRoutekaart. De Rli verwacht dat een heffing van 2 tot 4% van de verkoop-waarde van woningen volstaat om grondeigenaren en ontwikkelaarsvoldoende financiële prikkel te geven tot het laten ontwerpen vanwoningen met duurzame materialen.Hoewel ik het streven naar CO2-reductie ondersteun en daartoe ook beleidin gang heb gezet, vind ik dat het invoeren van een heffing eerst verderuitgedacht dient te worden voordat hier een afweging over gemaakt kanworden door een volgend kabinet. De afweging betreft ten eerste dat hetin publiekrechtelijke zin niet logisch is om te sturen met twee juridischegrenswaarden: een grenswaarde die overeenkomt met de minimumeis inhet Bbl én een nog scherpere grenswaarde in een nieuw heffingssysteem.Daarmee zou het Rijk twee verschillende minimumwaarden hanteren eneen stapeling van eisen introduceren.10 Als een woning aan de grens-waarde in het Bbl voldoet, dan is dat grens, waar opdrachtgevers binnenmoeten blijven. Het stimuleren van duurzame woningen is wel een optie,zoals al gebeurt via de MIA/Vamil.Ten tweede is in de afweging voor een volgend kabinet van belang dateen aanvullende heffing kostenverhogend kan werken en kan leiden tothogere bouwkosten en – bij een gelijkblijvende marktwaarde vankoopwoningen – kan leiden tot lagere grondwaarde. Hogere bouwkostenkunnen immers niet worden doorberekend in de verkoopprijs vanwoningen als de hogere bouwkosten niet gelijk opgaan met een, door deconsument gewaardeerde, hogere bouwkwaliteit. De prijs van nieuwewoningen wordt gedicteerd door de prijzen op de markt voor bestaandewoningen. Een lagere grondwaarde betekent dat het nog lastiger wordt debusiness case van gebiedsontwikkeling sluitend te krijgen, waardoor dewoningbouwopgave in gevaar kan komen.Aanbeveling 3: Actualiseer procedures en regelsDe Rli geeft aan dat de adoptie van duurzame bouwmaterialen wordtgehinderd doordat er veel «traditionele partijen», die weinig kennis vanduurzame materialen hebben, in normerings- en certificeringscommissieszitten. Deze normcommissies zijn private initiatieven om standaardennationaal af te spreken en eenduidigheid te creëren in de markt. Deontwikkeling van de inhoud van deze normen valt dus primair buiten deverantwoordelijkheid van het kabinet. Wel heb ik voor sommigenormcommissies middelen beschikbaar gesteld zodat er een meerevenwichtige samenstelling bestaat van gevestigde marktpartijen,publieke afvaardiging en nieuwe spelers. Het is aan mij vanuit mijnverantwoordelijkheid voor de bouwregelgeving om de privaat9Kamerstukken II, vergaderjaar 2024/25, 22 112, nr. 4107.10In het Bbl is opgenomen wat de politiek-maatschappelijk vastgestelde minimumeis is,waaraan nieuwbouw moet voldoen. Als dat wordt gehaald is automatisch sprake vanvoldoende duurzaam gebouwde woningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 14005 afgesproken normen en bepalingsmethoden op zijn merites te beoordelenen eventueel geheel of gedeeltelijk publiekrechtelijk aan te wijzen in deregelgeving.Daarnaast stelt de Rli dat de Nationale Milieudatabase onvoldoendegeschikt is voor Europese milieuverklaringen. In reactie hierop kan ik hetvolgende melden. Op dit moment zijn alle milieuverklaringen in deNationale Milieudatabase gebaseerd op de nationale bepalingsmethodemet gebruikmaking van Ecoinvent-achtergronddata. Dat betekent dathiervan afwijkende milieuverklaringen (nog) niet bruikbaar zijn voor deNederlandse context. Er wordt gewerkt aan verdere Europese harmoni-satie in het kader van de implementatie van de herziene EuropeseVerordening Bouwproducten. De stichting Nationale Milieudatabasebereidt zich voor op de toekomstige implementatie van Europeseproductkaarten, zodra deze op Europees geharmoniseerde wijze tot standkomen.Tot slot geeft de Rli aan dat de handhaving van de milieuprestatiegebouwen niet deugdelijk is: niet alle gemeenten zouden over de kennisen capaciteit beschikken om goed te handhaven. Het is aan gemeentenom binnen de beschikbare mensen en middelen prioriteiten te stellen inhun toezichtsbeleid. Veel bouwers halen de milieuprestatie-eis op ditmoment relatief eenvoudig, hetgeen ook kan gelden voor talloze andereeisen in het Bbl. Dit verklaart mede dat gemeenten, binnen een risicoge-stuurde aanpak, in de praktijk beperkte capaciteit beschikbaar stellen voorhet toezicht op de milieuprestatie-eis. Hetzelfde geldt voor de controlesdie in het kader van kwaliteitsborging worden uitgevoerd. In overleg metde VNG en bouw- en woningtoezicht wordt gekeken hoe lokale autonomie– en daarmee de lokale prioritering – zich verhoudt tot Europeseverplichtingen.Aanbeveling 4: Bereid de bouwketen voor op het bouwen met duurzamematerialenRli geeft aan dat industrieel bouwen vaak hand in hand gaat metduurzaam bouwen en dat het Rijk daarom moet inzetten op industrieelbouwen. Daar ben ik het mee eens en dat gebeurt volop. In het kader vande Woontop is het programma Innovatie en Opschaling Woningbouw(IOP) gestart.11 Een van de hoofddoelstellingen van dit programma is omde industriële en conceptuele woningbouw op te schalen naar 50% van denieuwbouwwoningen in 2030.12Verder stelt de Rli dat Experimenteerruimte benut moet worden omduurzaam bouwen te versnellen, zonder dat dit leidt tot extra bovenwette-lijke eisen. In de Woontop is afgesproken dat het experimenteerartikel vande Omgevingswet (art. 23.3) geclausuleerd kan worden ingezet omkostenbesparende technieken en andere technologische vernieuwingenuit te proberen. Vanuit het programma IOP wordt bekeken of en hoe ditexperimenteerartikel het beste kan worden ingezet. Hierbij zal het gaanom een gering volume van nieuwbouwwoningen en diversiteit van typewoningen voor het gewenste leereffect.De Rli geeft verder aan dat partijen in de bouwketen nog weinig metelkaar samenwerken en niet gezamenlijk leren. De afgelopen jaren zijnechter al vele samenwerkingen opgezet. Het ontwikkelen en overdragenvan kennis gebeurt via onder andere het Lenteakkoord 2.0, de GroeneHuisvesters, het Bouwmaterialenakkoord, TKI Bouw & Techniek, het11Rijksoverheid. (2024). Innovatie en Opschaling Woningbouw. 11 december 2024.12Kamerstukken II, vergaderjaar 2025/26, 32 847, nr. 1390.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 14006 Transitieteam Circulaire Bouweconomie, Samen Versnellen, de KIACirculaire Economie, de Nationale Aanpak Biobased Bouwen en deAanpak circulair slopen en hergebruik, het Nationale Groeifondspro-gramma Toekomstbestendige Leefomgeving en het Nationaal ProgrammaCirculaire Economie.Kortom, veel van de beleidsacties die de Rli adviseert om de materiaalge-bonden CO2-emissies in de bouwsector terug te dringen, zijn al ingezet.Niettemin zijn er nog flinke stappen nodig om de CO2-emissies verder teverlagen. Met de Routekaart wlc-gwp krijgt de sector over ruim een jaarduidelijkheid en kunnen marktpartijen gerichte investeringen doen omproducten, concepten en processen te verduurzamen. Ik wil nogmaalsbenadrukken dat we hierbij ook de opgave van meer en betaalbarewoningen in ogenschouw moeten blijven houden. In de lopendebeleidsprogramma’s en -trajecten zie ik hier genoeg kansen voor, waarbijhet aan een volgend kabinet is om daar nieuw beleid of intensivering inaan te brengen.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 847, nr. 14007
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.