KamerkringInloggen
Kamerbrief

Hoofdlijnen van het gesprek over de werkafspraken tussen de Tweede Kamer en kabinet

18 sep 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 5b585634011bc47f · officiële bron

28 362 Reikwijdte van artikel 68 Grondwet Nr. 88 Brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 18 september 2026 Op 20 mei jl. heb ik met de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van uw Kamer een besloten gesprek gevoerd namens het kabinet over de werkafspraken tussen de Tweede Kamer en kabinet. Zoals bij die gelegenheid aangekondigd, informeer ik uw Kamer met deze brief over de hoofdlijnen van dit gesprek. Het rapport Grip op Informatie[voetnoot 1] van de werkgroep Informatieafspraken heeft een hernieuwd gesprek ingeleid over het samenspel tussen de Kamer en kabinet. Ook verschillende parlementaire enquêtes (’Ongekend Onrecht’, ‘Groningers boven gas’ en ’Blind voor mens en recht’) lieten de noodzaak zien om het onderlinge gesprek over een gezond samenspel te voeren. Een van de uitkomsten van de gesprekken die de afgelopen jaren zijn gevoerd, onder andere in het commissiedebat Informatie- en werkafspraken tussen Tweede Kamer en kabinet van 23 januari 2025, zijn de vernieuwde Aanwijzingen inzake externe contacten voor rijksambtenaren[voetnoot 2]. Een goed samenspel is echter meer dan een set afspraken op papier. Het is aan bewindspersonen, Kamerleden en ambtenaren om het samenspel in de praktijk optimaal te laten functioneren. Ik zie binnen het nu geldende kader ruimte om invulling te geven aan een meer ontspannen verhouding tussen de Tweede Kamer en ambtenaren van de Rijksoverheid. Het besloten gesprek van 20 mei jl. was een vervolg op de gesprekken waarin we het onderlinge samenspel bespreken. Ik kijk terug op een drukbezocht gesprek, waaraan vanuit een groot deel van de fracties is deelgenomen. Hieronder ga ik in op de belangrijkste thema's die aan de orde zijn gekomen. Laagdrempelig contact tussen Kamerleden en rijksambtenaren Een groot deel van het gesprek is besteed aan de wens tot meer laagdrempelig en informeel contact tussen Kamerleden en rijksambtenaren. Reeds sinds de wijziging van de Aanwijzingen inzake externe contacten voor rijksambtenaren in 2020 is de zogenoemde Oekaze-Kok komen te vervallen. Dit begrip maakt derhalve sindsdien geen onderdeel meer uit van het geldende kader voor externe contacten van rijksambtenaren. Een volgende stap in een meer ontspannen contact is gezet met de recent gewijzigde Aanwijzingen2. Zo is expliciet gemaakt dat afspraken kunnen worden gemaakt om de meeste contactverzoeken zelfstandig te laten afdoen door de parlementair contactpersoon, zonder dat in het concrete geval toestemming vereist is van een bewindspersoon. De afgelopen jaren hebben de departementen geïnvesteerd in de aanstelling van parlementair contactpersonen op ieder departement. Deze nieuwe functionarissen voeren hun werk uit binnen de vernieuwde Aanwijzingen externe contacten, waarin meer ruimte is geboden voor laagdrempelig en informeel contact. De rol en werkwijze van parlementair contactpersonen zijn beschreven in een vorige brief over werkafspraken aan de Kamer[voetnoot 3]. Het vergt tijd om de volledige mogelijkheden van de vernieuwde Aanwijzingen in de praktijk vorm te geven. In het besloten gesprek is gewezen op het feit dat nog niet alle rijksambtenaren bekend zijn met de vernieuwde Aanwijzingen en is gepleit om dit nadrukkelijker onder de aandacht te brengen als onderdeel van een bredere cultuurverandering. Coördinerende rol van BZK en departementoverstijgende onderwerpen In het besloten gesprek hebben we ook stil gestaan bij de coördinerende rol van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bij departementoverstijgende onderwerpen. Bij deze onderwerpen komt het voor dat de beantwoording van vragen tussen ministeries wordt overgedragen. Van verschillende zijden is gepleit voor een bredere vertegenwoordiging vanuit het kabinet bij dergelijke dossiers. Ik heb daarbij aangegeven dat de Kamer weliswaar niet direct gaat over de interne taakverdeling binnen het kabinet, maar dat ik de gevolgen die dit voor de informatievoorziening aan de Kamer kan hebben wel herken en dat ik dit signaal mee zal nemen. De ministeriële verantwoordelijkheid is een grondwettelijk kernonderdeel van het samenspel tussen Kamer en kabinet. Het uitgangspunt blijft dat iedere bewindspersoon verantwoording aflegt over het eigen beleidsterrein, ook wanneer een onderwerp meerdere departementen raakt. Daarbij benadruk ik dat er in de praktijk bij debatten en het beantwoorden van Kamervragen ambtelijk zo goed mogelijk interdepartementaal wordt samengewerkt, zodat een bewindspersoon vragen op andere beleidsterreinen toch tot op zekere hoogte kan beantwoorden. Het samenspel in de praktijk: Kamervragen, moties en werkbezoeken Als onderdeel van de gesprekken over een goed samenspel tussen Kamer en kabinet is er structureel aandacht voor tijdige en volledige beantwoording van schriftelijke Kamervragen. Ik onderschrijf het belang van tijdige en volledige beantwoording en heb hier naar aanleiding van het besloten gesprek in het kabinet opnieuw de aandacht voor gevraagd. Daarbij heb ik in het gesprek ook gewezen op de spanning tussen de ambtelijke capaciteit en de wens om sneller en uitgebreider te worden geïnformeerd. Ook is er opnieuw aandacht gevraagd voor een terughoudende interpretatie van moties bij appreciaties, bijvoorbeeld via formuleringen als ‘als ik de motie zo mag lezen’ waardoor een motie soms anders geïnterpreteerd lijkt te worden dan hoe de motie in eerste instantie bedoeld was. Dit onderwerp is eerder in het kabinet besproken. Ik heb aangegeven dat de interpretatie van moties niet onbegrensd is. De waarde van werkbezoeken wordt door zowel de Kamer als kabinet erkend. Er is gevraagd of werkbezoeken bij belangrijke onderwerpen vaker georganiseerd kunnen worden. Het kabinet kan weliswaar een vaste Kamercommissie uitnodigen voor een dergelijk werkbezoek, maar het initiatief om werkbezoeken te organiseren ligt primair bij de Kamer zelf, ook gelet op de controlerende taak van uw Kamer. Breed gedeeld is de opvatting dat beter wederzijds begrip van elkaars praktijk en werkwijze het samenspel tussen Kamer en kabinet ten goede komt. Ik hecht eraan dat dit gesprek bijdraagt aan een voortdurende verbetering van het samenspel tussen Kamer en kabinet, en beschouw de uitwerking van bovengenoemde punten als een gezamenlijke opgave van Kamer en kabinet. Dit heeft blijvend mijn aandacht. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma Kamerstukken II 2022/23, 28362, nr. 67 Kamerstukken II 2025/26, 28362, nr. 87 Kamerstukken II 2024/25, 28362, nr. 74

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 241a1e1e9b5b178c

14 okt 2026 · b6c1d2f843f597c6

13 okt 2026 · 72a508af8d51a7c8

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.