KamerkringInloggen
Kamerbrief

Opties om de loonkloof binnen zorg en welzijn te dichten

27 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie c71db5ccd61910f4 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202429 282Wijziging van de begrotingsstaten van de HogeColleges van Staat, Kabinet der Koningin,kabinet van de Gouverneur van de NederlandseAntillen en het kabinet van de Gouverneur vanAruba (II) voor het jaar 2003 (slotwet)Nr. 580 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 27 juni 2024Op 14 december 2023 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de uitkomstenvan een drietal onderzoeken naar de beloning in zorg en welzijn1. Hetbetrof een update van het AWVN-beloningsonderzoek waarin desalarissen van een zevental cao’s binnen zorg en welzijn zijn vergelekenmet de salarissen van cao’s in de marktsector en de publieke sector opbasis van functiezwaarte. Uit dit onderzoek bleek ondermeer dat de zorgeen inhaalslag heeft gemaakt, maar dat de eindsalarissen in het middenvan het loongebouw in een aantal zorgcao’s nog steeds wat achterlopenop de mediaan van de markt en de publieke sector. Het tweede onderzoekkeek naar de relatie tussen uitstroom en arbeidsvoorwaarden. Daaruitbleek dat arbeidsvoorwaarden binnen de zorg en welzijn een beperkte rolspelen bij een keuze om de sector te verlaten. Andere zaken zoalsontwikkelingsmogelijkheden, professionele autonomie en zeggenschapzijn belangrijker. In het derde onderzoek (uitgevoerd door SEO) werd hetuurloon van werknemers binnen de zorg vergelijken met het uurloon vanwerknemers buiten de zorg met vergelijkbare achtergrondskenmerken. Uitdit onderzoek bleek ondermeer dat het gemiddelde uurloon in de zorgvergelijkbaar is met vergelijkbare medewerkers in de marktsector, maardat medewerkers met een mbo- en hbo-opleiding in veel gevallen eenlagere beloning krijgen dan vergelijkbare medewerkers in anderesectoren. Op 19 maart jl. heeft uw Kamer de motie van het lid Slagt-Tichelman2 aangenomen die constateert dat zorgverleners met een mbo-of een hbo-opleiding, zoals verpleegkundigen en verzorgenden, vaak eenlager loon krijgen dan werknemers met vergelijkbaar werk in anderesectoren. Deze motie verzoekt de regering om meerdere opties in kaart tebrengen over hoe deze loonkloof te dichten, en uw Kamer daar vóór deVWS-begroting over te informeren.1Tweede Kamer, 2023–2024, Kamerstukken 29 282, nr. 5522Tweede Kamer, 2023–2024, Kamerstukken 29 282, nr. 561 kst-29282-580ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5801 Middels deze brief voer ik de motie uit. Daarbij ga ik allereerst uitge-breider in op de beloning in de zorg ten opzichte van andere sectoren opbasis van de eerdergenoemde beloningsonderzoeken. Vervolgens brengik de gevraagde opties om het verschil in beloning te dichten in beeld. Hetgaat daarbij om een technische toelichting. Eventuele besluitvorming overdeze opties is aan het nieuwe kabinet. Tot slot ga ik in op verschillendeuitvoeringstechnische aspecten die komen kijken bij een eventueel besluitom – boven op de reguliere overheidsbijdrage in de arbeidskostenontwik-keling (ova) – extra arbeidsvoorwaardenruimte beschikbaar te stellen.LoonkloofVoor het uiteenzetten van de opties om «de loonkloof» te dichten, is hetvan belang een goed beeld te hebben van deze loonkloof. Hieronder zet ikde relevante inzichten uit twee van de eerdergenoemde beloningsonder-zoeken uiteen. Hieruit zal blijken dat er niet één uniforme loonkloof is,maar dat dit beeld verschilt tussen branches en (beroeps)groepen. Daarbijwil ik ook opmerken dat de beloningsonderzoeken uit gaan van vrijrecente data, maar dat ondertussen in sommige branches na hetverschijnen van deze rapporten nieuwe cao-afspraken zijn gemaakt diehierin dus niet zijn meegenomen. Dit zal het overkoepelende beeld naarverwachting niet veranderen, maar dit zou voor de uitkomsten vansommige sectoren enige procentpunten kunnen schelen.Uit het SEO-onderzoek blijkt dat het gemiddeld uurloon van werknemersin zorg en welzijn vergelijkbaar is met dat van vergelijkbare werknemersin de marktsector en wat achterblijft bij het gemiddelde van de publiekesector. Achter deze gemiddelden gaan echter wel verschillen schuil tussenbranches binnen zorg en welzijn en tussen (beroeps)groepen binnen zorgen welzijn. Zo ligt het gemiddelde uurloon in de umc’s ruim boven hetuurloon van vergelijkbare werknemers zowel in de marktsector als depublieke sector, terwijl het uurloon in de gehandicaptensector of sociaalwerk eronder ligt. Daarnaast zien we dat in de sector zorg en welzijn dehoogte van de beloning meer dan in andere sectoren samenhangt metopleidingsniveau en werkervaring. Voor mensen met een mbo-opleidingof zonder startkwalificatie geldt dat ze in zorg en welzijn in de meestebranches minder verdienen dan vergelijkbare werknemers in anderesectoren. Het beeld voor medewerkers met een hbo-opleiding verschiltsterk per branche, maar gemiddeld genomen voor de hele sector zorg enwelzijn blijft de beloning iets achter ten opzichte van vergelijkbarewerknemers in andere sectoren. Medewerkers met wo-niveau verdienenrelatief meer dan in andere sectoren in Nederland (behalve in het sociaaldomein). Volgens SEO kan deze sterkere relatie tussen beloning enopleidingsniveau komen door een striktere loonstructuur binnen de zorg,waarbij er beperkingen zijn in de loongroei die men kan realiserengegeven een bepaald(e) opleidingsniveau en functie. Daar staat tegenoverdat er in zorg en welzijn over het algemeen meer opleidingsmogelijk-heden zijn om de positie te verbeteren dan in private cao’s. Voor de in demotie genoemde doelgroep verzorgenden en verpleegkundigen geldt datverzorgenden (mbo 3) in de VVT gemiddeld genomen evenveel verdienenals gelijken in andere sectoren. Helpenden (mbo 2) en zorghulpenverdienen minder dan gelijken in andere sectoren. Verpleegkundigen diewerkzaam zijn bij de umc’s en in de VVT verdienen meer dan vergelijkbarewerknemers in andere sectoren, terwijl verpleegkundigen in de zieken-huizen gemiddeld genomen een lager uurloon hebben dan gelijken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5802 In het AWVN-beloningsonderzoek is het salaris conform de salarisschalenvan een zevental cao’s binnen zorg en welzijn3 vergeleken met hetmediane salaris conform de salarisschalen van cao’s in de private en depublieke sector. De cao’s zijn vergelijkbaar gemaakt door een conversievan de onderliggende functiewaarderingssystemen. Dit is dus een andereaanvliegroute dan de SEO-studie. Uit het AWVN-onderzoek blijkt dat heteindsalaris in de verschillende salarisschalen bij umc’s boven markt-conform ligt. Voor de cao’s binnen de VVT, ziekenhuizen, gehandicap-tenzorg en GGZ geldt in grote lijnen dat het eindsalaris aan de onderkantvan het loongebouw (tot en met FWG 30) gemiddeld genomen markt-conform is en aan de bovenkant (FWG 70 en hoger) boven marktconform.De eindsalarissen in het midden van het loongebouw (FWG 35 tot en metFWG 65) blijven gemiddeld genomen wat achter bij de mediaan van deeindsalarissen in de markt (en de publieke sector). De eindsalarissen bij decao sociaal werk liggen tot en met FWG 40 op ongeveer hetzelfde niveauals de mediaan van de marktsector. Daarboven liggen de eindsalarissenvan de Cao Sociaal werk lager en neemt de afstand met de mediaan vande markt toe naarmate de functiezwaarte hoger is. De eindsalarissen in decao Jeugdzorg liggen over de gehele linie lager dan in de marktsector ende zorgcao’s.Opties om de loonkloof te dichtenZoals hierboven beschreven bestaat er geen uniforme loonkloof binnende zorg. Het beeld verschilt per branche/cao. Het gedifferentieerd engericht toekennen van extra arbeidsvoorwaardenruimte per branche/caois echter uitvoeringstechnisch zeer complex en het is zeer de vraag of ditin de praktijk haalbaar is (zie voor gedetailleerde toelichting hieronder).Ook is niet voor alle branches/cao’s binnen zorg en welzijn voldoendeinformatie beschikbaar, bijvoorbeeld over de verdeling van werknemersover de verschillende salarisschalen per cao om een gedetailleerdeberekening te maken en daarmee een gerichte toedeling van middelen perbranche voor alle branches en cao’s te kunnen onderbouwen. Daarbijmoet bedacht worden dat er meer dan 15 verschillende cao’s geldenbinnen zorg en welzijn. Daarom is gekozen voor een aantal uniformeopties die aansluiten bij de grote lijnen/gemiddelden uit de beloningson-derzoeken, maar deze zullen dus niet precies aansluiten bij de situatie vanieder afzonderlijke cao. Dit nog afgezien van het feit dat het socialepartners zijn die cao-afspraken maken en de overheid überhaupt niet kanen mag4 voorschrijven hoe zij hun cao aanpassen.Bij de onderstaande opties 2 tot en met 4 is in beeld gebracht wat het kostom het verschil met de markt of de publieke sector in één keer te dichten.Het is bij deze opties natuurlijk ook mogelijk om kleinere stappen te zettenmet naar rato lagere kosten. Optie 1 is budgetneutraal en biedt beperktemogelijkheden om de achterstand in beloning voor bepaalde groepen inde zorg in te halen.Optie 1: aanpassen cao’s door sociale partnersUit de beloningsonderzoeken bleek dat in een aantal branches in de zorgmedewerkers aan de bovenkant van het loongebouw meer dan markt-conform verdienen. Daarmee hebben sociale partners in die branches ookzelf mogelijkheden om een gedeelte van de loonkloof te dichten. Socialepartners zouden bij het afsluiten van een nieuwe cao zelf de afwegingkunnen maken om een lagere contractloonstijging toe te kennen aan de3Cao VVT, Cao Ziekenhuizen, Cao Umc’s, Cao Gehandicaptenzorg, Cao GGZ, Cao Jeugdzorg enCao Sociaal domein.4Dit zou in strijd zijn met internationale verdragen (ILO, ESH en EVRM) die vrijecao-onderhandelingen voorschrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5803 bovenkant van het loongebouw en dit ten goede te laten komen aangroepen die minder dan marktconform verdienen. Het verschilt daarbijper branche/cao hoeveel mogelijkheden dit in potentie geeft. Bij de GGZen ziekenhuizen biedt dit bijvoorbeeld meer ruimte dan bijvoorbeeldbinnen de VVT of de gehandicaptenzorg, omdat in de GGZ en zieken-huizen relatief meer werknemers aan de bovenkant van het loongebouwzitten dan bij de VVT en de gehandicaptenzorg. Er zijn ook cao’s – zoalsJeugdzorg en Sociaal werk – waar herverdeling binnen de cao geensoelaas biedt, omdat daar geen salarisschalen zijn die boven markt-conform zijn. Sociale partners zouden in theorie ook afspraken kunnenmaken om loonruimte tussen cao’s te verschuiven, van cao’s waar bovenmarktconform wordt betaald naar cao’s waar geen salarisschalen bovenmarktconform zijn. De overheid zou dit dan moeten faciliteren viaaanpassingen in de financiële kaders en zorginkopers via de zorginkoop.Dit is uitvoeringstechnisch zeer complex.In de meeste cao’s hebben sociale partners in het verleden wel eensgedifferentieerd in loonstijging tussen verschillende groepen binnen decao (vaak ten gunste van de onderkant). Zoals eerder aangegeven kan enmag de overheid sociale partners niet voorschrijven hoe zij hun caoaanpassen.Optie 2: extra indexeren van de loonschalen in het midden van hetloongebouwDeze optie sluit aan bij de constatering uit het AWVN-beloningsonderzoekdat de eindsalarissen van de salarisschalen in het midden van hetloongebouw in de cao’s van ziekenhuizen, GGZ, VVT en gehandicap-tenzorg (circa driekwart van alle werknemers binnen zorg en welzijn valtonder deze vier cao’s) achterblijven ten opzichte van de mediaan van deprivate sector en publieke sector. Het ophogen van de loonschalen in hetmidden van het loongebouw door de salarisbedragen extra te indexerentot de mediaan van de marktsector kost naar schatting circa 2,3 miljardeuro in 2025 oplopend tot 2,4 miljard euro structureel. Het dichten van hetgat naar de mediaan van de publieke sector kost naar schatting circa3,2 miljard euro in 2025 oplopend tot 3,4 miljard euro structureel. Dezeberekening gaat ervan uit dat de hele sector zorg en welzijn er via deophoging van de ova en ophoging van het gemeentefonds (voor Wmo ende Jeugdwet) er evenveel loonruimte bij krijgt.Optie 3: het toevoegen van extra treden aan het einde van de loonschalenin het midden van het loongebouwDeze optie sluit net als optie 2 aan bij de constatering uit hetAWVN-beloningsonderzoek dat de eindsalarissen van de salarisschalen inhet midden van het loongebouw in de cao’s van ziekenhuizen, GGZ, VVTen gehandicaptenzorg achterblijven ten opzichte van de mediaan van deprivate sector en publieke sector. Anders dan optie 2 gaat deze optie ervanuit dat er 1 of 2 periodieken aan de bovenkant van de loonschalen in hetmidden van het loongebouw worden toegevoegd. Daarmee komen deeindsalarissen binnen deze salarisschalen op een hoger niveau te liggenen zijn er dus meer doorgroeimogelijkheden in salaris. Deze optie levertanders dan optie 2 (waar de gehele salarisschaal omhoogschuift) geendirecte loonstijging op voor de werknemers die nog niet aan het einde vanhun salarisschaal zitten. Dit is gemiddeld genomen iets meer dan de helftvan alle werknemers in de betreffende schalen, maar dit verschilt per cao.Het toevoegen van één periodiek aan de salarisschalen FWG 35 tot en metTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5804 FWG 65 van gemiddeld 2,75%5 kost naar schatting ruim 0,8 miljard euroin 2025 oplopend tot 1,5 miljard euro structureel. Gemiddeld is ongeveer1,33 periodiek nodig om het gat met de marktsector te dichten (kostenruim 0,8 miljard euro in 2025 oplopend tot 2 miljard euro structureel). Omhet verschil met de mediaan van de eindsalarissen in de publieke sector teoverbruggen is het nodig om gemiddeld bijna 2 extra periodieken toe tevoegen. Dit kost naar schatting ruim 0,8 miljard euro in 2025 oplopend tot2,85 miljard euro structureel. Ook deze berekening gaat er weer vanuit datde hele sector zorg en welzijn er via de ophoging van de ova en ophogingvan het gemeentefonds (voor Wmo en de Jeugdwet) evenveel loonruimtebij krijgt.Optie 4: extra middelen voor de Cao’s Jeugdzorg en Sociaal werkUit het AWVN-onderzoek blijkt dat de salarisbedragen voor een groot deelvan de schalen binnen de Cao Jeugdzorg en de Cao Sociaal werkachterlopen bij de mediaan van zowel de marktsector als de publiekesector en bij de andere onderzochte cao’s binnen zorg en welzijn. Hetoptrekken van de eindsalarissen in alle salarisschalen voor zoweljeugdzorg als sociaal werk naar de mediaan van de marktsector en depublieke sector kost respectievelijk circa 525 miljoen euro en circa620 miljoen euro structureel per jaar. Dit loopt dan via een extra stortingin het gemeentefonds, waarbij richting gemeenten wordt aangegeven datdeze middelen specifiek bedoeld zijn om de tarieven te verhogen vaninstellingen die vallen onder de cao’s Jeugdzorg en Sociaal werk en nietvoor instellingen die werken onder andere cao’s (bijvoorbeeld de CaoGehandicaptenzorg of Cao GGZ). Het is wel de vraag in hoeverre dit voorgemeenten uitvoerbaar is. Bovendien is het in een gedecentraliseerdstelsel aan gemeenten hoe zij hier precies invulling aan geven.Optie 4 kan ook gecombineerd worden met optie 2, waarbij zorg enwelzijn breed de ova uniform wordt opgehoogd conform optie 2, maargemeenten procentueel meer extra middelen krijgen via het ophogen vanhet gemeentefonds om de tarieven specifiek voor instellingen die vallenonder de Cao Jeugdzorg en de Cao Sociaal werk extra te verhogen. Dezecombinatie van optie 2 en 4 kost 2,6 miljard euro in 2025 oplopend totstructureel 2,7 miljard euro structureel om de lonen op te trekken naar demediaan van de marktsector en 3,55 miljard euro in 2025 oplopend tot3,7 miljard euro structureel om de lonen op te trekken naar de mediaanvan de publieke sector.UitvoeringSociale partners kunnen te allen tijde zelf besluiten om hun cao aan tepassen en daarbij inzetten op een hogere loonstijging voor de groepen dieminder dan marktconform verdienen ten koste van de groep die meer danmarktconform verdiend (optie 1). Indien er besloten zou worden tot hetbeschikbaar stellen van extra arbeidsvoorwaardenruimte (optie 2 tot enmet 4), dan zouden er enkele aanvullende stappen doorlopen moetenworden om ervoor te zorgen dat een dergelijk besluit ook in de praktijkleidt tot hogere lonen voor zorgpersoneel. Daarbij is de overheidafhankelijk van de medewerking van zorginkopers en (net als bij optie 1)van sociale partners.Voordat ik in ga op de verschillende stappen wil ik eerst nog ingaan op detiming van een eventueel besluit met betrekking tot het beschikbaarstellen van extra arbeidsvoorwaardenmiddelen. In het voorjaar vindt de5De procentuele stijging die gepaard gaat met de stap naar een hogere trede/periodiek verschiltper schaal en per cao. Hier is uitgegaan van 2,75%, wat ongeveer de gemiddelde procentuelestijging is per trede aan het einde van de verschillende loonschalen in de verschillende cao’s.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5805 integrale uitgavenbesluitvorming plaats en idealiter wordt het beschikbaarstellen van extra middelen daarmee gewogen in het voorjaar van het jaarervoor.Daarnaast is er nog een aantal andere redenen waarom besluitvorming bijvoorkeur in het voorjaar of anders uiterlijk in de zomer in het jaarvoorafgaand aan de verhoging plaatsvindt. Het gaat dan onder imeer omhet niet doorkruisen van het contracteerproces binnen de zorginkoop, eenordentelijk proces van aanpassing van de vereveningsbijdrage in deZorgverzekeringswet en het meenemen van de effecten van het verhogenvan de lonen in de zorg in de begroting(sbesluitvorming) en koopkracht-(besluitvorming). De echt uiterlijke deadline voor het beschikbaar stellenvan extra middelen voor een extra loonsverhoging is de eerste helft vanseptember. Voor 2025 betreft dit dus eerste helft september 2024. Dit inverband met de vereveningsbijdrage in de Zorgverzekeringswet diejaarlijks uiterlijk 1 oktober vast moet staan. Zo’n late besluitvormingverdiend echter zeker niet de voorkeur vanuit het perspectief van deuitvoering.De eerste stap die genomen zou moeten worden om extra arbeidsvoor-waardenmiddelen beschikbaar te kunnen stellen, is het beleidsmatigverhogen van de ova. Het ova-percentage kan echter niet eenzijdig doorde overheid worden opgehoogd, hiermee moet een meerderheid van dewerkgevers binnen zorg en welzijn formeel instemmen. Bij een uniformeverhoging van de ova zal dit vermoedelijk geen discussie opleveren, maarals er een politieke wens is om alleen bepaalde sectoren extra arbeids-voorwaardenruimte te geven of te differentiëren in de ophoging van deova tussen branches, dan is het niet bij voorbaat evident dat eenmeerderheid van de werkgevers hiermee akkoord gaat.De tweede stap zou zijn dat VWS de financiële kaders verhoogd binnenhet uitgavenplafond zorg, de VWS-begroting en de algemene uitkeringaan gemeenten wordt verhoogd met het oog op hogere uitgaven aanWmo en Jeugdzorg6. Bij een uniforme verhoging van de arbeidsvoor-waardenruimte is dit relatief eenvoudig, maar indien er differentiatie moetplaatsvinden tussen cao’s is dit veel ingewikkelder en in sommigegevallen uitvoeringstechnisch niet mogelijk. De afbakening van cao’s komtnamelijk geenszins overeen met de verschillende financiële kaders binnenzorg en welzijn. Zo is er één kader medisch specialistische zorg, dierelevant is voor drie verschillende cao’s, namelijk voor ziekenhuizen,umc’s en zelfstandige klinieken. VWS kan er daarbij niet op sturen dat ermeer middelen bij de ene dan bij de andere branche/cao terecht komt. Intheorie zouden zorginkopers dit wel grotendeels kunnen doen (zie stap 3hieronder). Aan de andere kant heb je bijvoorbeeld de Cao VVT, waarvoorverschillende kaders/geldstromen relevant zijn namelijk de contracteer-ruimte voor verpleeghuiszorg (Wlz), het kader wijkverpleging (Zvw) en dealgemene uitkering in het gemeentefonds (huishoudelijke hulp enpersoonlijke verzorging binnen de Wmo). Dat maakt het ook uitvoerings-technisch ingewikkeld.De derde stap zou zijn dat de verhoging van de ova moet doorwerken inde tarieven voor aanbieders, zodat de middelen ook bij hen terechtkomen. De NZa zou in dat geval per brief moeten worden verzocht om deverhoging van de ova door te vertalen in de gereguleerde tarieven. Voorde medisch specialistische zorg zijn de tarieven voor 2025 al vastgesteld,voor andere sectoren geldt dat de tarieven voor 2025 uiterlijk 1 juliworden vastgesteld door de NZa. Differentiatie tussen cao’s is niet6Een beleidsmatige verhoging van de ova leidt ook tot hogere uitgaven op de begroting vanOCW (werkplaatsfunctie umc’s) en J&V (uitgaven aan forensische GGZ).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5806 mogelijk. De NZa stelt een gereguleerd tarief per zorgprestatie vastongeacht welke zorgaanbieder deze levert.Verder moeten er afspraken worden gemaakt met zorginkopers (verzeke-raars, zorgkantoren en gemeenten) over het doorvertalen van de extraarbeidsvoorwaardenmiddelen in de (vrije) tarieven. Hierbij kan aange-sloten worden bij de afspraken uit het Integraal Zorgakkoord (IZA) overhet doorvertalen van de ova in de tarieven binnen de Zorgverzekeringsweten voor Wmo en Jeugd bij de standaardcontracten waarin de ova leidendis voor het indexeren van het loongerelateerde deel van het tarief. Binnende Wlz heeft een eventuele verhoging van de ova via hogere gereguleerdetarieven automatisch doorwerking in de zorginkoop. Wanneer het debedoeling is dat er gedifferentieerd wordt in extra loonruimte in cao’s danzouden zorginkopers hierop moeten sturen in hun zorginkoop. Dat lijkt inde praktijk lastig uitvoerbaar en administratief zeer belastend voorzorginkopers. Daarbij komt dat een aanpassing van de ova (ook via degereguleerde tarieven) gedurende de bilaterale onderhandelingenconsequenties heeft voor het contracteerproces. Met betrekking tot deZorgverzekeringswet hebben de IZA-partijen afgesproken om ernaar testreven om het inkoopproces uiterlijk 12 november af te ronden, zodatverzekerden gedurende het overstapseizoen weten met welke zorgaan-bieders een contract is afgesloten. Aanpassingen gedurende het contrac-teerseizoen zijn belemmerend voor een soepel contracteerproces.De vierde stap is dat sociale partners cao’s aanpassen conform degewenste richting. De overheid is echter geen partij aan de cao-tafel. Zijmag zich niet in cao-onderhandelingen mengen en kan aanpassing van decao’s zeker niet opleggen i.v.m. contractvrijheid van partijen en interna-tionale verdragen die vrije cao-onderhandelingen voorschrijven.Afspraken op hoofdlijnen over de besteding van de extra middelenkunnen wel worden gemaakt, zonder vast te leggen hoe dit precies incao’s wordt vertaald. Daarbij is ook relevant dat er meer dan 15 verschil-lende cao’s binnen zorg en welzijn gelden en er dus heel veel partijenbetrokken zijn. Het is daarbij naar verwachting makkelijker afsprakenmaken met sociale partners indien er vanuit de overheid extra middelenbeschikbaar worden gesteld (opties 2 tot en met 4), dan wanneer dit niethet geval is (optie 1).Er zijn dus veel afspraken op verschillende tafels nodig om ervoor tezorgen dat extra arbeidsvoorwaardenmiddelen op de gewenste manierterecht komen in cao’s. Daarbij geldt tevens dat afspraken op landelijkniveau geen garanties geven dat alle individuele partijen zich aan dieafspraken houden, bijvoorbeeld omdat de VNG geen bindende afsprakenkan maken namens gemeenten. Bij het beleidsmatig beschikbaar stellenvan extra arbeidsvoorwaardenruimte voor 2022 voor het midden van hetloongebouw in zorg en welzijn bleek wel dat dit in de meeste cao’s heeftgeleid tot een extra loonsverhoging voor de groep waarvoor de extramiddelen waren bedoeld. Dat ging om uniforme verhoging van de ova ende tarieven, analoog aan de opties 2 en 3.SlotIn deze brief heb ik conform de wens van uw Kamer de opties voor hetdichten van de loonkloof in beeld gebracht. Hierbij wil ik uw Kamer nogtwee zaken meegeven. Ten eerste wil ik niet onvermeld laten dat eeneventuele investering in extra loonruimte voor de zorg ook budgettairgedekt moet worden en ceteris paribus een negatief effect heeft op dekoopkracht van burgers die niet in zorg en welzijn werken via een hogerezorgpremie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5807 Ten tweede wil ik opmerken dat een extra salarisverhoging het werken inde zorg aantrekkelijker kan maken en daarmee kan bijdragen aan hetterugdringen van de personeelstekorten in zorg en welzijn, maar dat depersoneelstekorten in de zorg hiermee niet opgelost zullen worden.Daarvoor zijn de tekorten simpelweg te groot en is het effect van eensalarisverhoging op de personeelstekorten naar verwachting te gering.Ook kan dit ertoe leiden dat personeel uit andere sectoren met eenmaatschappelijke functie – zoals onderwijs of kinderopvang – wordenweggetrokken.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,C. HelderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 282, nr. 5808

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8f2802b551848053

14 okt 2026 · 222f9a20a331432e

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.