Conceptverslag Voedselzekerheid
Brontekst
Versie b15ac1de07aab2a7 · officiële bronTweede Kamer, Voedselzekerheid VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT Concept De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking hebben op 23 september 2026 overleg gevoerd met de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over: de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 8 juli 2026 inzake aankondiging Strategische Agenda Voedselzekerheid (31532, nr. 310); de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 8 juli 2026 inzake uitvoering van de motie van het lid Jimmy Dijk over de concentratie, marktmacht en prijsopdrijving in de voedselindustrie in kaart brengen (Kamerstuk 29544-1264) (31532, nr. 311); de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 18 september 2026 inzake rapport Voedselvoorraden in Nederland: voorbereid of verspilling? (2026Z19299). Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Steen De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, Den Hollander De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Jansma Voorzitter: Steen Griffier: Jansma Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Bromet, Flach, Den Hollander, Ten Hove, Chris Jansen, Keijzer, Kostić, Lohman, Van der Plas, Podt en Steen, en de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Aanvang 14.00 uur. De voorzitter: Goedemiddag, beste mensen. Het is 14.00 uur. Dat betekent dat wij gaan beginnen aan dit commissiedebat van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over voedselzekerheid, een van de V's in de naamgeving van onze commissie. Fijn dat u er allemaal bent. Een hartelijk welkom aan de staatssecretaris en zijn ondersteuning. Welkom aan de leden van de commissie, de mensen op de publieke tribune en de mensen die via het internet meekijken. Fijn dat u allemaal ingetuned bent. Ik zie twee Kamerleden aan deze tafel die nog geen lid zijn van onze commissie. U mag zelf de vraag stellen, maar ik wil ook wel even voor u vragen of de commissie akkoord is met uw deelname aan dit debat. Het gaat om mevrouw Ten Hove en mevrouw Keijzer. Mevrouw Bromet (PRO): Ik vind het prima. Ik vind het wel jammer. Wij hebben ons heel erg goed verdiept in dit debat en wij hebben wetenschappers uitgenodigd. Nu zitten er dus ook mensen aan tafel die zich daar niet van op de hoogte hebben gesteld, maar we zullen zien of ze dat op een andere manier hebben gedaan. De voorzitter: Daar kunt u straks, in het debat, uw collega's op bevragen. Het is akkoord? Dat is hartstikke goed. Dan zijn we toegekomen aan de huishoudelijke mededelingen. Het is u wellicht bekend: interrupties onder de 30 seconden zijn gratis en boven de 30 seconden tellen ze dubbel. U heeft er in totaal vier. Het voorstel is om de interrupties in tweeën te doen, zodat het gesprek op gang kan blijven en iedereen aan het woord kan komen. Als dat wat u betreft ook akkoord is, dan kunnen we beginnen. Akkoord. Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas van de BBB. Mevrouw Van der Plas (BBB): Dank u wel, voorzitter. Voedselzekerheid klinkt misschien als een beleidsterm, totdat het eten er niet is, totdat door misoogsten in Marokko en Spanje groenten ineens niet of nauwelijks onze kant op komen, totdat de Nederlandse regelgeving ervoor zorgt dat de productie van voedsel hier niet of minder mogelijk is, totdat andere landen besluiten hun voedselproducten voor zichzelf te houden, zoals we hebben gezien tijdens de covidperiode. Ondertussen groeit de wereldbevolking naar 10 miljard mensen. We weten ook: waar de welvaart groeit, stijgt de vraag naar voedsel, en met name naar dierlijke eiwitten, zoals vlees en zuivel. De voedselorganisatie FAO van de Verenigde Naties verwacht dat de wereldwijde consumptie van dierlijke producten de komende tien jaar verder toeneemt, vooral in Azië, Afrika en Zuid-Amerika, waar de bevolking ook het hardst groeit. Dan kijkt de BBB-fractie naar Nederland. Wij hebben vruchtbare grond. Wij hebben goed grasland, waarop je niet zomaar even broodgraan of groente kunt telen, maar waar koeien gras kunnen omzetten in hoogwaardig voedsel. We hebben de kennis, de techniek, de veredeling, de logistiek en een voedselverwerkende industrie waar de rest van de wereld met jaloezie en bewondering naar kijkt. We hebben een pootgoedsector waar de hele wereld alleen maar van kan dromen: 800 miljoen mensen in deze wereld kunnen aardappelen eten, omdat er in Nederland pootaardappelen geteeld worden waarmee mensen over de hele wereld hun eigen aardappelen kunnen verbouwen. Waarom zouden we die kracht kleiner maken, terwijl de wereld juist meer voedsel nodig heeft, vraag ik de staatssecretaris. Welke verantwoordelijkheid ziet de staatssecretaris voor Nederland bij die groeiende wereldwijde voedselvraag? Hoe zorgt hij ervoor dat beleid vanuit Den Haag de productiecapaciteit ondertussen niet afbreekt? De pluimveesector waarschuwt er bijvoorbeeld voor dat de Nederlandse productie fors kan dalen. Het kabinet erkent zelf dat nationale maatregelen gevolgen kunnen hebben voor de productie en de zelfvoorzieningsgraad. Nederland produceert op dit moment maar net genoeg kip om aan de Nederlandse vraag te voldoen. Die vraag blijft groeien, terwijl de Nederlandse productie door alle regels afneemt. Richting 2040 groeit de consumptie met 15,5%. Daardoor ontstaat er een ongekend probleem. We produceren niet eens meer genoeg om aan de Nederlandse vraag te voldoen. Nederland zal uiteindelijk meer pluimveevlees moeten importeren uit landen waar lagere eisen gelden voor dierenwelzijn en duurzaamheid. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we hier de kippenstallen leeghalen en vervolgens kip uit Brazilië, Oekraïne of Thailand halen? Mevrouw Bromet (PRO): Heeft mevrouw Van der Plas het nou over voedselzekerheid of over vleeszekerheid? Mevrouw Van der Plas (BBB): Vlees maakt gewoon onderdeel uit van een gebalanceerd eetpatroon. Dierlijke eiwitten horen bij de totale nutriëntenbehoefte. Vlees valt daar dus zeker onder. Ik zeg niet dat iedereen de hele dag alleen maar vlees moet eten. Overigens, als iemand dat wil: be my guest; dat moet je zelf weten. Maar het is zeker onderdeel van een goed voedingspatroon. Mevrouw Bromet (PRO): Daarom is het jammer dat mevrouw Van der Plas niet aanwezig was bij de expertmeeting die we hierover hebben gehad. Het is waar dat de wereldbevolking groeit naar 10 miljard mensen, maar de aarde kan het niet dragen als zij allemaal vlees eten. Daar moet dus toch iets op gevonden worden. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ik zeg helemaal niet dat iedereen vlees moet eten. Feit is wel, zoals ik net heb genoemd, dat in landen waar de welvaart stijgt, de consumptie van dierlijke eiwitten, dus vlees, zuivel en eieren, toeneemt. Dat constateert de FAO ook. Dat is de voedselorganisatie van de Verenigde Naties, niet de eerste de beste. Als je meer welvaart hebt, is de toegang tot dat soort producten groter. Dat zie je gewoon in alle cijfers, ook die van banken. In landen waar de welvaart toeneemt, neemt de consumptie van dierlijke eiwitten toe. Mevrouw Bromet kan wel willen dat iedereen stopt met vlees eten of dat mensen minder vlees gaan eten, maar de feiten liggen gewoon anders. In een land als Nederland, zo'n klein postzegeltje, kunnen wij zó duurzaam en op een goeie manier, met hoge dierenwelzijnsstandaarden, ons voedsel, dus ook vlees, zuivel en eieren, produceren. Dan zou je zeggen: laten we dat dan hier doen in plaats van dat verplaatsen naar andere landen, waar die standaarden minder zijn. Kamerlid Kostić (PvdD): Ook ik wil de pers wijzen op het rondetafelgesprek met al die wetenschappers. Die zijn heel duidelijk. Ik citeer hier de Wageningen Universiteit: "Conclusie is dat de omvangrijke Nederlandse landbouwexport niet bijdraagt aan de voedselzekerheid in andere landen. Het draagt juist bij aan voedselonzekerheid, ook in Nederland." Ik daag de BBB uit om naar die conclusies te kijken. Hoe reageert de BBB daarop? Mevrouw Van der Plas (BBB): Onderzoekers zeggen zelf dat Nederland de wereld wel degelijk helpt te voeden. Ik heb altijd gezegd: Nederland hoeft de wereld niet te voeden, maar we kunnen wel hélpen de wereld te voeden. Ik snap de weerstand daartegen ook niet. Nogmaals, mensen komen uit Azië en alle delen van de wereld naar ons toe om te kijken hoe wij op die kleine postzegel op een duurzame manier zulk hoogwaardig voedsel kunnen produceren. Ons punt is: laten we dat hier houden. Laten we het niet verplaatsen naar andere landen — ik noem bijvoorbeeld Oekraïne of landen in Azië — waar al die regels niet gelden. Laten we het hier houden en niet overlaten aan andere landen. Kamerlid Kostić (PvdD): De wetenschappers concluderen allemaal dat we door de focus op de intensieve veehouderij in ons land juist niet bijdragen aan de voedselzekerheid. Als je wil bijdragen aan de voedselzekerheid in Nederland en in het buitenland, dan zeggen alle wetenschappers — het zijn duidelijke conclusies — dat je de stap moet maken naar meer plantaardig en minder dierlijk. Daarmee heb je namelijk minder input van buitenaf en minder grond nodig. Daarmee kun je juist meer mensen voeden. Is BBB bereid om daar een keer realistisch naar te kijken? De voorzitter: Mevrouw Van der Plas, uw antwoorden mogen iets compacter. Mevrouw Van der Plas (BBB): Voor elke koe die je hier weghaalt, heb je in andere landen twee koeien nodig voor dezelfde productie. Nogmaals, ik heb niet gezegd dat iedereen de hele dag alleen maar vlees moet eten. Iedereen moet dat helemaal voor zichzelf weten. Als mensen kiezen voor wat meer plantaardig, dan is dat helemaal prima. Ik ga daar niet over; dat is de eigen keuze van mensen. Wij kijken ook naar de FAO, de voedselorganisatie van de Verenigde Naties. Wij kijken ook naar wat banken in hun cijfers laten zien, namelijk dat de voedselconsumptie wereldwijd stijgt. Ik zeg het gewoon nog een keer: laten we dat dan hier doen, in een land als Nederland, waar we het op een hoogwaardige en duurzame manier doen. Laten we het niet wegjagen. Dan worden we uiteindelijk ook nog afhankelijk van importen. Uiteindelijk is er wereldwijd dan ook veel meer landgebruik nodig om dezelfde productie te houden. Mevrouw Podt (D66): Ik zou willen beginnen met de vraag of het goed gaat met lid Kostić, want als vlees inderdaad zo'n belangrijk onderdeel is van een gezond eetpatroon, dan hoop ik dat het goed met haar gaat. Mevrouw Van der Plas zegt nogal veel. Ik zat me vooral af te vragen vanwaar nou steeds de focus alleen op vlees. We hebben in Nederland namelijk fantastische bonentelers. We hebben mensen die fantastische groenten telen. Maar mevrouw Van der Plas zegt dan dat we het niet allemaal zomaar kunnen omzetten. Ik denk dat we in Nederland prachtige bedrijven hebben die enorm veel groente en fruit leveren. Daar kunnen wij ons voordeel mee doen. Dan hoeven we niet te doen wat zij zegt, namelijk het eerst verwerken via een koe, maar kunnen we dat gewoon allemaal zelf eten. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ten eerste heb je een koe nodig voor de mest; als je überhaupt iets wil laten groeien, zal er toch mest moeten zijn. Je kunt ook niet zomaar op elke bodemsoort … We hebben in Nederland heel veel bodemsoorten: zand, lus, veen, klei. Je kunt niet zomaar ergens groenten telen. Dat is gewoon niet mogelijk. Wij hebben veel grasland; wij wonen in een vruchtbare delta. Vanwege dat grasland zijn wij uiteindelijk koeien gaan houden. Die koeien zetten het gras om in een heel hoogwaardig voedselproduct, dat zuivel heet. Daar kunnen we van alles van maken: boter, kaas en noem het maar op. Die koe levert ook mest op. Dat is goed voor de gewassen. Zo kan ook het gras weer groeien. Sommige mensen vinden het niet leuk dat dieren worden geslacht, maar als bijvoorbeeld een koe uiteindelijk geslacht is, kunnen heel veel andere producten van die koe ook weer gebruikt worden voor andere zaken. Als er dus iets een kringloop is in Nederland, dan is het wel de Nederlandse veehouderij. Nogmaals, ik heb het in mijn bijdrage niet alleen over vlees gehad. Ik heb alleen geconstateerd dat je wereldwijd ziet dat daar waar de welvaart stijgt, de consumptie van dierlijke eiwitten toeneemt. Ik heb het bijvoorbeeld ook over de pootgoedsector gehad. Mevrouw Podt (D66): Wat een beetje lastig is in deze discussie, is dat mevrouw Van der Plas er zo'n ontzettende een-of-nuldiscussie van maakt. Niemand zegt dat we geen melk of vlees meer gaan eten in Nederland, of dat die hele sector weggaat. Niemand zegt dat mensen morgen moeten overschakelen naar alleen nog maar plantaardig eten of dat we alleen nog maar groenten gaan verbouwen in Nederland. Wel geven heel veel mensen aan, waaronder de wetenschappers die hier zaten, dat we zo veel weerbaarder zouden zijn als land — en dat is precies waar we het vandaag over hebben — als we wat meer plantaardig zouden eten. Dat is de vraag die nu voorligt. Hoe reageert mevrouw Van der Plas daar dan op? Mevrouw Van der Plas (BBB): Ik herhaal wat ik al heb gezegd. Als mensen meer plantaardig willen eten, dan moeten ze dat vooral doen. Maar als mensen dat niet willen doen, moeten ze dat niet doen. Ik ga niet als overheid mensen vertellen wat ze wel of niet op hun bord mogen leggen. Mevrouw Podt zei dat niemand zegt dat de veehouderij hier weg moet, maar ondertussen zien we wel dat er hier beleid gemaakt wordt waardoor de veestapel krimpt, terwijl de veestapel in de afgelopen 20 à 30 jaar al behoorlijk is gekrompen. Deskundigen zeggen dat hierdoor op een gegeven moment de voedselvoorziening in Nederland in gevaar kan komen. Ik heb niet gezegd dat iedereen vlees moet eten of dat niemand plantaardig mag eten. Laten we die keuze vooral aan de consument zelf laten. Mevrouw Bromet (PRO): Weet mevrouw Van der Plas wat er gebeurde aan het begin van de Tweede Wereldoorlog waardoor er de eerste vier jaar van de Tweede Wereldoorlog geen hongersnood is uitgebroken? Mevrouw Van der Plas (BBB): Een oorlog is sowieso een hele andere situatie dan andere crises waar je in terecht kunt komen, bijvoorbeeld door misoogsten. Je zag in de Tweede Wereldoorlog juist dat de mensen uit de stad gewoon allemaal aan het sterven waren van de honger en dat er op het platteland nog voedsel werd verbouwd. Daarmee is juist aangetoond dat het heel belangrijk is dat we voedselproducenten in Nederland houden die zoiets op een goede manier kunnen doen. Mensen kwamen bij wijze van spreken op hun knieën naar het platteland om te vragen of ze alsjeblieft wat voedsel mochten hebben. Als wij op het punt komen dat de voedselvoorziening in Nederland minder wordt en het aantal dieren dat wij hebben daalt … Zoals ik al zei, is dat aantal al behoorlijk gedaald. Het lijkt mij heel belangrijk dat wij dat hier op een hoogwaardige en duurzame manier blijven doen. Ik snap niet dat er hier partijen zijn die dat allemaal niet zo belangrijk vinden en het bagatelliseren. Wij hebben onze hoogwaardige productie wél nodig, zeker als je ziet dat er in andere landen veel meer landgebruik nodig is, er veel minder dierenwelzijn is en er veel lagere milieustandaarden zijn. Mevrouw Bromet (PRO): Het moeilijke in dit debat is dat er zo veel onzin uit de mond van mevrouw Van der Plas komt dat ik niet weet waar ik moet beginnen. Ik kan wel vertellen dat de overheid aan het begin van de Tweede Wereldoorlog heeft gezegd: de veestapel moet krimpen zodat we voedsel voor mensen kunnen maken in plaats van voor dieren. Dat heeft ervoor gezorgd dat er de eerste vier jaar van de oorlog geen hongersnood was. Dat is een feit. Tja … Verder weet ik het ook niet. Ik weet gewoon niet hoe ik zo moet debatteren. De voorzitter: De heer Lohman van het CDA. O, sorry, u mag daar natuurlijk even op reageren, mevrouw Van der Plas. Maar ik vraag u wel om dat echt compact te doen, want er zijn nog een aantal andere vragen voor u, en u heeft ook nog wat spreektijd. Mevrouw Van der Plas (BBB): We hebben het nu over een hongersnood of geen hongersnood, maar het gaat ook over ondervoeding. Mensen hebben gewoon een bepaald aantal nutriënten nodig om niet ondervoed te raken. Ondervoeding is iets anders dan een hongersnood. Als je porties eet dan kan dat wel genoeg voedsel zijn, maar als je je nutriëntenbehoefte niet goed vervult — dan heb ik het over zaden, noten, groenten, aardappels én dierlijke eiwitten — dan raak je gewoon ondervoed. Ik hoor mevrouw Bromet zeggen dat dit niet zo is, maar vraag het elke diëtist: als jij je nutriëntenbehoefte niet op orde hebt, raak je gewoon ondervoed. Ondervoeding is iets anders dan mager zijn, hè? Er is sprake van ondervoeding als je niet genoeg vitaminen, mineralen en nutriënten tot je neemt; dan raak je gewoon ondervoed. Dat is gewoon een feit. Kamerlid Kostić (PvdD): Dit is gewoon een persoonlijk feit: ik eet volledig plantaardig en mijn bloedwaarden zijn nog nooit zo goed geweest. Zie ik eruit alsof ik ondervoed ben? Nee. Belangrijker nog: wetenschappers zeggen dat je prima kan leven op een plantaardig dieet; je kan dan juist gezonder leven. Het is een gezonder dieet omdat je dan ook minder risico hebt op hart- en vaatziektes en al die andere westerse ziektes. Laten we die mythe van de BBB dus ook even van tafel vegen. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Voorzitter, mag ik een persoonlijk feit maken? De voorzitter: Mevrouw Keijzer. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Ik eet niet volledig plantaardig — godzijdank, zou ik bijna willen zeggen — en met mij gaat het ook fantastisch. De voorzitter: Ik stel voor dat we onze gezondheidstoestand even laten voor wat die is. De heer Lohman heeft nog een interruptie. De heer Lohman (CDA): Ik heb geen persoonlijk feit over mijn persoonlijke dieet, maar een vraag aan mevrouw Van der Plas. Ik hoor u zeggen dat we een hoogwaardige en duurzame voedselproductie in Nederland hebben. Daar ben ik het mee eens. Is mevrouw Van der Plas het met mij eens dat die ontwikkeling die we hebben doorgemaakt mede is gekomen door de beperkingen die we hier hebben? Dan doel ik op het feit dat we een klein land zijn, op de dure grondprijs en ook op de milieuwetgeving die we al vanaf de jaren zeventig, tachtig hebben, waardoor boeren ook innovatiever zijn gaan werken. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ik snap het punt niet helemaal, want ik heb het in mijn bijdrage ook juist hierover gehad. Wij hebben een vruchtbare delta. Die hebben wij gewoon in onze schoot geworpen gekregen. Nederland was ooit een groot moeras en dat is gecultiveerd omdat wij boeren hadden. Daardoor kunnen wij nu hoogwaardig voedsel produceren. Doordat de agrarische sector hier zo sterk en groot is geworden, is er ook heel veel kennis gekomen. Wij zijn een agrarisch kennisland, omdat wij een sterke agrarische sector hebben. Dat zie je in alle landen: als een sector sterk is, zie je daaromheen ook hele kennis- en innovatie-industrieën ontstaan. Nog even los van de voedselzekerheid, maak ik me daar ook zorgen over: als dat minder wordt of verdwijnt, zal die kennis hier ook verdwijnen. We kunnen wel altijd zeggen dat we kennis moeten exporteren, maar die kennis moet je wel in huis hebben. Dat is mijn pleidooi. De heer Lohman (CDA): Mijn punt ging daar ook over. Wij hebben natuurlijk een vruchtbare delta, maar er zijn ook heel veel mensen en er is op verschillende manieren druk op de ruimte. Wellicht zijn we daardoor ook innovatief en efficiënt geworden en hebben we die duurzame landbouw opgebouwd. Mijn vervolgvraag zou de volgende zijn. Ik hoor u spreken over het buitenland: standaarden zouden daar lager zijn. Ik twijfel daar een beetje aan, bijvoorbeeld in het geval van Zuid-Amerika. Heeft u een beeld van de duurzaamheidsontwikkelingen en standaarden in Zuid-Amerika op dit moment in relatie tot die in Europa? Mevrouw Van der Plas (BBB): Zuid-Amerika is natuurlijk heel groot, dus dat kun je niet vergelijken met Nederland als kleine postzegel. Ik weet bijvoorbeeld wel dat er binnen de Europese Unie een importverbod is gekomen op rundvlees uit Brazilië, omdat de standaarden daar veel lager zijn. Daar hebben wij al vaker voor gewaarschuwd. Dan gaat het bijvoorbeeld gewoon om rund- en kippenvlees met salmonella. We zien regelmatig in de pers verschijnen dat er producten uit de schappen moeten worden gehaald die uit het buitenland komen en dus die lagere milieustandaarden hebben. In China zijn een paar jaar geleden alle milieuregels geschrapt, omdat de varkenssector daar zo was gedecimeerd door de varkenspest dat ze de varkensproductie weer helemaal omhoog hebben moeten doen. Toen hebben ze dus alle milieuregels geschrapt, omdat ze zo snel mogelijk hun eigen varkensvleesproductie moesten doen. De voorzitter: En uw conclusie? Mevrouw Van der Plas (BBB): De standaarden zijn daar wel degelijk lager. Er zullen misschien ergens gebieden in Zuid-Amerika zijn die wat hogere standaarden hebben, maar wereldwijd loopt Nederland qua standaarden toch echt wel voorop. De voorzitter: Vervolgt u uw betoog, mevrouw Van der Plas. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ik was geëindigd met het punt dat wij niet hier kippenstallen leeg moeten maken om vervolgens kippen uit Brazilië, Oekraïne of Thailand te halen. Als wij minder afhankelijk willen zijn van het buitenland, begint dat ook met onze eigen productiemiddelen. Wij hebben dierlijke mest vol waardevolle stoffen voor onze grond en tegelijkertijd maken Europese regels ons afhankelijk van kunstmest. Welke concrete inzet pleegt de staatssecretaris in Brussel om meer stikstof uit dierlijke mest verantwoord te kunnen benutten en onze afhankelijkheid van kunstmest te verkleinen? Voorzitter. Nederland hoeft niet alles zelf te produceren. Dat kan niet en dat hoeft ook niet. Maar juist daarom moeten we zuinig zijn op de producten die wij hier wel heel goed kunnen maken, op onze vruchtbare landbouwgrond, op ons grasland, op onze boeren, op onze kennis en op onze voedselverwerkende industrie. Voedselzekerheid is niet ieder land voor zich. Voedselzekerheid is dat landen op elkaar kunnen rekenen. Dat kan alleen als je ook zelf iets te bieden hebt én niet voor je eerste levensbehoefte volledig afhankelijk gaat worden van een ander. Een sterke eigen voedselproductie maakt Nederland weerbaar. Het voorkomt dat andere landen ons bij een crisis of handelsoorlog zomaar in de tang kunnen nemen. We kunnen toch niet aan de ene kant spreken over minder afhankelijkheid van het buitenland, terwijl we aan de andere kant regels en beleid invoeren waardoor onze eigen voedselproductie afgebroken wordt? Voorzitter, tot slot. De staatssecretaris schreef zelf: "Afhankelijkheden werken immers twee kanten op." Precies! Andere landen hebben ons ook nodig, dus waarom maken we Nederland dan afhankelijker en tegelijkertijd de landen die op onze voedselproductie rekenen kwetsbaar? Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Van der Plas. Dan gaan we luisteren naar de heer Flach van de SGP. De heer Flach (SGP): Dank u wel, voorzitter. Voedselzekerheid, het wordt weleens vergeten. Ik ben dan ook ontzettend blij dat we nu eindelijk dit debat hebben. Een bekend spreekwoord luidt: voorkomen is beter dan genezen. We dachten dat ons elektriciteitsnet wel een bups windparken en warmtepompen aankon. Niet dus. We dachten dat onze wegen en bruggen het nog wel een tijdje zouden uitzingen. Niet dus. We denken dat onze voedselzekerheid tot in lengte van dagen vanzelf gegarandeerd is. Niet dus. Dat is niet vanzelfsprekend. Niet op korte termijn, denkend aan de hybride oorlogsvoering van Rusland, en niet op langere termijn, denkend aan de kelderende landbouwproductie in Zuid-Europa en de druk op landbouwgronden hier. Het is dus goed dat de staatssecretaris werkt aan een agenda voedselzekerheid. Ik moedig hem aan om de aanbevelingen van Clingendael om werk te maken van voedselvoorraden concreet handen en voeten te geven. Komt de regering in ieder geval met een oproep aan huishoudens om te zorgen voor een grote voorraad houdbaar voedsel, zodat ze acht in plaats van drie dagen kunnen overbruggen? De agenda voedselzekerheid focust op acute verstoringen in de voedselketen. De voorzitter: U heeft een verstoring in de keten van uw betoog, want mevrouw Podt wil graag iets aan u vragen. Mevrouw Podt (D66): Ik hoop niet dat dat zo opgevat wordt, voorzitter. Fijn dat de heer Flach aandacht vraagt voor het onderzoek van Clingendael. Een van de aanbevelingen van Clingendael was om een voorraad sojaschroot van twee à drie maanden aan te leggen, om te zorgen dat we weerbaar zijn. Wat vindt de heer Flach van dat idee? De heer Flach (SGP): Ik heb daar niet direct een mening over. Ik heb daar kennis van genomen. Welke kant wil mevrouw Podt op, zou ik haast zeggen. Mevrouw Podt (D66): De kant die ik op wil, is dat Clingendael zelf al constateert dat dat eigenlijk onmogelijk is, omdat we in Nederland zo ontzettend veel sojaschroot gebruiken in het veevoer, dat het geen enkele zin zou hebben en dat we dat helemaal niet aankunnen. Zou het dan niet veel verstandiger zijn om onze afhankelijkheid van soja en sojaschroot af te bouwen, misschien door iets minder vee en iets meer plantaardig, omdat we dan weerbaarder en onafhankelijker zijn? De heer Flach (SGP): Ik weet niet of dat verstandig is. Het kan best zijn dat het nodig is om die voorraad van twee tot drie maanden aan te leggen en dat dat heel lastig is, maar tegelijkertijd zie ik pogingen om alternatieven te vinden daarvoor. Ook daarin zien we ontwikkelingen. Dus nee, ik denk niet dat dat nodig is. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik heb een korte vervolgvraag hierop. De Universiteit Leiden heeft een tijdje geleden al geconcludeerd, niet alleen in het geval van Oekraïne maar ook ten aanzien van andere crisissen, dat het juist voor onze weerbaarheid en voor het goed kunnen inspringen op zo'n crisisgeval beter is om ons te focussen op meer plantaardig en minder dierlijk. Is de SGP bereid om daar nog even goed naar te kijken? De heer Flach (SGP): Ik heb natuurlijk net ook met interesse de discussie met mevrouw Van der Plas gevolgd. Mij valt op dat de focus hier in de Kamer toch wel sterk ligt op het terugdringen van dierlijk en dat het verbouwen van gewassen eigenlijk nauwelijks ter discussie staat. Daar richt ik me dus ook niet op. Ik weet dat Nederland in hoge mate bekendstaat om de hoge kwaliteit van akkerbouw, maar daar is gewoon veel minder discussie over in de Kamer. Ik focus me dus op het volgende. Van ons landgebruik is bijvoorbeeld 9% veen en daar kun je geen akkerbouw op laten plaatsvinden. Ja, je kunt er wat lisdodden telen, maar die smaken niet zo lekker. Je kunt daar vooral heel goed, duurzaam, maar ook intensief veeteelt toepassen. Ik weet één ding: als wij hier in Nederland minder vee gaan houden, draagt dat in ieder geval niet bij aan de Noordwest-Europese voedselzekerheid om redenen die mevrouw Van der Plas ook al noemde, namelijk dat het zich verplaatst naar landen waar gewoon meer dieren nodig zijn voor dezelfde productie als hier. Kamerlid Kostić (PvdD): Maar dit wordt dus bestreden door al die wetenschappers, van het rondetafelgesprek, maar ook die uit Leiden die ik net noemde. Die concluderen eigenlijk heel duidelijk — dat doen ze niet omdat het zo leuk is, maar gewoon omdat het de realiteit is — dat als we onafhankelijker willen worden en bestand willen zijn tegen crises, oorlog, de afsluiting van de Straat van Hormuz et cetera, we dan echt die transitie moeten maken naar meer plantaardig en minder dierlijk. Dat kan ook in ons land, op ons grondgebied en dan hebben we ook nog eens minder ruimte nodig, maar kunnen we wel meer mensen voeden. De SGP was niet aanwezig bij het rondetafelgesprek, maar is de SGP bereid om daar echt een keer goed over in gesprek te gaan, ook met die wetenschappers? De heer Flach (SGP): Om te beginnen is het al de derde keer dat aan de orde komt dat bepaalde partijen niet aanwezig waren bij het rondetafelgesprek. Dat vind ik irritant. Bepaalde fracties hebben nu eenmaal meer dingen te doen dan alleen daarbij te zijn. Dat neemt niet weg dat je kennis kunt nemen van de documenten die zijn uitgedeeld. Ik vind dat dus een beetje irritant. Natuurlijk is het zo dat je, als je als land helemaal geïsoleerd zou zijn door een crisis of een oorlog, keuzes moet maken die misschien anders zouden zijn dan nu, maar dat is een vrij extreme situatie. Ik kijk nu vooral naar het volgende. Ik zeg namelijk ook niet dat we helemaal niet afhankelijk zouden moeten zijn van het buitenland, maar er moet wel iets van wederkerigheid in blijven. Nederland staat bekend om de hoogwaardige kennis die het heeft op het gebied van veeteelt en akkerbouw. Die kunnen bestaan, omdat dat bij ons nog steeds een behoorlijk volume heeft. Nederland is ook een van de meest vruchtbare delta's van Europa en misschien wel van de wereld. Ik vind het ethisch onverantwoord om die te vergooien aan een ideologie die gericht is op meer plantaardig eten. Dat komt misschien ook doordat ik zelf nou niet heel gek ben op plantaardig eten. Ik weet dat het moet en ik doe het ook wel, maar om daar nou mijn hele dieet uit te laten bestaan: ik moet er niet aan denken. Met andere woorden: we moeten hierin niet eenzijdig zijn. Wij hebben zowel plantaardig nodig — daar staat Nederland heel goed om bekend, wereldwijd — als ook veeteelt. Daar spreek ik me voor uit. Mevrouw Podt (D66): Het staat iedereen vrij, hoor, om te zeggen "ik houd niet van groenten en dan doe ik dat niet" of "ik eet liever wat meer vlees of vis of iets anders", maar ik vind het vooral belangrijk dat iedereen kan kiezen. Het zou de heer Flach wel sieren als hij het niet zou hebben over "plantaardige ideologie", want het is wel echt wetenschappelijk. De wetenschap heeft het echt aangetoond. Dan kan je er nog steeds voor kiezen, hè? Dan kan je nog steeds allerlei dingen doen. Maar laten we dat gewoon niet doen met elkaar. De heer Flach (SGP): Maar dan moet ik me misschien iets scherper uitdrukken. Ik wil niet zeggen dat het een ideologie is om te zeggen dat plantaardig eten goed voor je is, maar ik zie wel dat bepaalde partijen sterk in hun politieke ideologie hebben verankerd om die overstap naar plantaardig nadrukkelijk te maken. Ik heb met lid Kostić weleens discussies gehad. Die wil de veestapel met 75% terugdringen. Dat komt vanuit de ideologische motieven van waaruit die moeite heeft met de intensieve veeteelt en dan spreek ik even namens de Partij voor de Dieren. Er zit een ideologische component achter het overschakelen op plantaardig. Zo bedoel ik het. Ik wil geenszins de indruk wekken dat ik op wat voor manier dan ook zou veronderstellen dat plantaardig eten een ideologie is. Sterker nog, dat doen we allemaal en dat moeten we ook blijven doen, want daar is Nederland heel sterk in. De voorzitter: Ik ga eerst naar mevrouw Bromet. O, nee, mevrouw Podt. Sorry, sorry, sorry, sorry. Mevrouw Podt (D66): Ik ben blij dat de heer Flach dat in ieder geval opklaart, maar laten we wel zijn: we zitten hier vandaag bij elkaar om het te hebben over voedselzekerheid. De discussie die zich net ontspon, was een discussie over wat de wetenschap zegt over de noodzaak om meer plantaardig te verbouwen in Nederland om ons onafhankelijker te maken. Ook dat is echt wetenschappelijk en geen ideologie. De voorzitter: Tot slot, kort afrondend de heer Flach voordat ik naar mevrouw Bromet ga. De heer Flach (SGP): Volgens mij heb ik dat ook niet gezegd. De voorzitter: Dat is heel kort. Mevrouw Bromet (PRO): Het komt natuurlijk ook omdat "ideologie" bijna als een verwijt klinkt, terwijl de standpunten die bijvoorbeeld PRO heeft over de veestapel ingebed zijn in de vragen: wat kan de aarde dragen en wat kunnen we voor de mensheid betekenen als iedereen te eten wil hebben? Hoe kijkt de heer Flach daarnaar? Je moet dan toch breder kijken dan alleen het idee dat iedereen recht heeft op een stukje vlees? De heer Flach (SGP): Ik snap dat zeker wel. Maar een even nuchtere constatering is toch wel dat er de komende jaren een grote behoefte zal blijven aan vlees en dierlijke producten. Dat is een feit, een gegeven. Sterker nog, je ziet de behoefte aan zuivel op de wereld alleen nog maar toenemen. Als we dan in een land als Nederland, waar veeteelt op een ongekend hoge standaard functioneert in een vruchtbare delta waarvan 9% van de grond uit veen bestaat waarop je eigenlijk het beste vee kunt houden — dat geldt trouwens ook voor andere gronden — de veeteelt terugdringen, helpt dat in ieder geval niet om iedereen op de aardbol een stukje van die mogelijkheid te geven om vlees te kunnen eten. Als we het hier weghalen, komt het niet zomaar elders terug, of het komt terug met veel meer milieu-impact. Mevrouw Bromet (PRO): De SGP roemt de kennisintensieve sector op het gebied van de landbouw in Nederland. Ik wil dat best beamen, maar is het dan niet veel beter om te focussen op fermentatie en nieuwigheden als kweekvlees in plaats van te blijven slepen met kalveren uit heel Europa om ze hier vervolgens vet te mesten en daarna te exporteren naar Italië? Is dat dan wat je moet doen met zo'n hoogwaardig land? De heer Flach (SGP): Mevrouw Bromet weet dat de SGP in ieder geval uitgaat van de gedachte dat dit ons allemaal gegeven is in de schepping. Kweekvlees was daar geen onderdeel van. Dieren zijn nu eenmaal zo ontstaan en geschapen dat hun mest een positieve invloed heeft op de groei van grassen en gewassen. Het is nu eenmaal zo dat hun vlees eetbaar is. Nederland is zeker heel hoogwaardig. Allereerst doen we het op de meest duurzame manier van Europa, en ik denk ook wel van de wereld. Kijk naar de productie. Je kunt daarvan vinden wat je wilt, maar een koe geeft alleen meer dan 10.000 liter melk als zij heel erg goed in haar vel zit. En dat zie je eigenlijk alleen maar in Nederland. De voorzitter: Ook de heer Flach mag iets compacter worden in zijn antwoorden. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik heb een persoonlijk feit. Er werden mij woorden in de mond gelegd. De keuze die wij maken als Partij voor de Dieren heeft te maken met de wetenschappelijke conclusies. Het gaat niet alleen maar over wat wij leuk vinden. Het gaat vooral over wat goed is voor Nederland. Uit al die onderzoeken blijkt dat het juist strategisch goed is om nu over te schakelen naar meer plantaardig en minder dierlijk. Juist over onze vruchtbare delta zeggen wetenschappers: je moet je landbouwgrond bij voorkeur inzetten voor gewassen die rechtstreeks voor menselijke consumptie kunnen worden gebruikt. De voorzitter: Dit is geen persoonlijk feit, lid Kostić, dus de teller loopt. Kamerlid Kostić (PvdD): Oké, dan maak ik 'm even rustig af, want dit is wel echt belangrijk. Wetenschappers zeggen echt: juist omdat je zulke belangrijke landbouwgrond hebt, moet je die zo veel mogelijk voor menselijke consumptie gebruiken. En dat kan ook. Nu gebruiken we niet alleen bijna de helft van ons land voor de veehouderij, maar gebruiken we ook nog eens een extra Nederland aan landoppervlakte om al onze dieren te kunnen voeden. Dat is super inefficiënt en dat werkt tegen de voedselzekerheid in. Laten we daar gewoon nuchter naar kijken en laten we die transitie maken. De voorzitter: Dank u wel. Daarmee heeft u uw laatste interruptie gebruikt. Ik kijk naar de heer Flach om hierop te reageren, als hij daar behoefte aan heeft. Anders kan hij zijn betoog vervolgen. De heer Flach (SGP): Nee, ik denk daar honderd procent anders over. De voorzitter: Nou, dan vervolgt u uw betoog. De heer Flach (SGP): Ik wil het over de voedselstrategie hebben. De agenda voedselzekerheid focust op acute verstoringen in de voedselketen. Dat is heel goed, maar het is nog wel iets anders dan het behoud van de voedselzekerheid op de langere termijn. De Kamer heeft het kabinet gevraagd om voor de zomer met een integrale nationale voedselstrategie te komen. Daar zie ik nog weinig van. Komt deze voedselstrategie voor het begrotingsdebat? Waarom vindt de SGP dit zo belangrijk? Eerder heb ik gewezen op de dalende landbouwproductie in Zuid-Europa vanwege de klimaatproblematiek. In heel Frankrijk waren deze zomer fors lagere oogsten door de droogte. We moeten dan zuinig zijn op onze vruchtbare landbouwgronden. Die landbouwgronden hebben ook dierlijke mest, veehouderij en een goede zoetwatervoorziening nodig en dat is helaas niet vanzelfsprekend. De druk op zowel landbouwgronden als veehouderij is groot. We hebben meer dierlijke mest in plaats van kunstmest nodig, maar we doen juist een stap achteruit. Beseft het kabinet dat Zeeuwse akkerbouwers met argusogen kijken naar de grondgebondenheidsnorm voor melkveebedrijven? Voorzitter. Hoe gaat de staatssecretaris het belang van de voedselzekerheid verankeren in het convenant gewasbescherming? Het ene na het andere gewasbeschermingsmiddel verdwijnt, terwijl het er bij de aardappel- en groenteteelt nu echt om gaat spannen. Hier maak ik me grote zorgen om. We moeten zeker werk maken van minder milieubelasting, maar niet door aan de voorkant de medicijnkast te halveren. Het zet de teelt van Hollandse aardappelen en spruiten op het spel. We willen hiervoor toch geen importafhankelijkheid? Dit kan bovendien import zijn uit landen waar hier verboden middelen gewoon wel gebruikt mogen worden. Voedselzekerheid gaat over beschikbaarheid, gebruik, stabiliteit en toegang en de staatssecretaris wil focussen op beschikbaarheid en stabiliteit. Waarom is toegang, inclusief betaalbaarheid, voor hem bijzaak? Nederlandse voedselproducten zijn in het schap goedkoper dan het Europese gemiddelde. Dat is niet omdat we Oost-Europese kostprijzen hebben, maar omdat we veel voedsel produceren. Hoe meer voedselproductie, hoe minder voedselarmoede. Als we de tomaten- en paprikateelt hier halveren, zal zich dat doorvertalen in de supermarktprijs terwijl tomaten en paprika's zo gezond zijn. Dat hebben we net nog gewisseld. Neemt de staatssecretaris het aspect betaalbaarheid mee in zijn voedselstrategie? Tot slot wil ik het nog hebben over imkers. Naast wilde bijen zijn ook honingbijen nodig voor bestuiving van voedselgewassen, in de fruitteelt, in kassen en op akkers. Imkers hebben echter een groot probleem. Steeds meer gemeenten en terreinbeherende organisaties weren bijenkasten bij natuurgebieden. Een deel van het jaar zijn de honingbijen echter afhankelijk van deze natuurgebieden. Deze bijenblokkade kan op termijn negatieve gevolgen hebben voor onze voedselvoorziening. Ziet de staatssecretaris het probleem en gaat hij in overleg met gemeenten en terreinbeheerders om ervoor te zorgen dat imkers die al decennialang bijenkasten hebben in natuurgebieden gewoon door kunnen gaan? Want maatwerk is nodig om de vermeende concurrentie met wilde bijen zo nodig in te perken. De voorzitter: Dank u wel. Dan ga ik naar het lid Kostić. Kamerlid Kostić (PvdD): Dank u wel, voorzitter. Als we het hebben over voedselzekerheid, dan moeten we het hebben over de grote koe in de kamer. Minder vee betekent meer voedselzekerheid, beste mensen. En minder problemen met onder andere stikstof, ruimtetekort en dierenleed. Het eerste dat ze deden tijdens de Tweede Wereldoorlog om genoeg mensen te kunnen voeden — mevrouw Bromet zei het al — is het aantal dieren in de veehouderij inkrimpen. Dat zit als volgt. Een groot deel van ons land wordt nu gebruikt voor de landbouw en bijna de helft daarvan is veehouderij, waarbij we bijvoorbeeld negen keer meer kalfsvlees produceren dan we zelf nodig hebben. Om al die dieren te kunnen voeden, gebruiken we een heel extra Nederland aan oppervlakte in het buitenland. We importeren meer calorieën en eiwitten dan we zelf produceren. Dat komt door onze te grote focus op vlees en zuivel. Dat blijkt dus extreem inefficiënt en maakt ons afhankelijk van het buitenland. En je krijgt er ook nog eens een enorme hoeveelheid dierenleed, ongezonde uitstoot en mest bij. Als je de som maakt, volgens experts van onder andere de Wageningen Universiteit, kom je tot de conclusie — ik citeer — dat de omvangrijke Nederlandse landbouwexport niet bijdraagt aan de voedselzekerheid in andere landen. Die draagt juist aan voedselonzekerheid, ook in Nederland. Kan de staatssecretaris deze wetenschappelijke conclusie bevestigen? De oplossing hiervoor is duidelijk volgens de experts. De Kamer heeft het zelf gehoord tijdens het rondetafelgesprek met wetenschappers afgelopen week. Als we willen werken aan voedselzekerheid, moeten we overschakelen naar meer plantaardige producten van eigen bodem. Daarmee wordt de afhankelijkheid van buitenlandse grond en grondstoffen verkleind en hebben we meer dan genoeg voedsel voor de toekomst. En er is ook nog eens ontzettend veel bijvangst: minder stikstofuitstoot, minder watervervuiling. We hebben minder ruimte nodig voor ons voedsel en er komt meer ruimte voor natuur en woningbouw. Onze omgeving wordt gezonder, onze voeding wordt gezonder. Nederland wordt gezonder, zeker als we inzetten op gifvrije en biologische landbouw. De voorzitter: U heeft een interruptie van de heer Lohman van het CDA. De heer Lohman (CDA): Ik hoorde u een aantal keer spreken over de rondetafel die we hier hadden. Ten eerste hadden we natuurlijk verschillende wetenschappers aan tafel. Ik vind het dus wel lastig om te zeggen "al die wetenschappers zeiden hetzelfde", want ik heb toch wel verschillende inkleuringen rondom hetzelfde thema gehoord. Petra Berkhout van de Wageningen Universiteit had het bijvoorbeeld over competitief voordeel: wat doe je op welke plek? Kunt u misschien daarop reflecteren in relatie tot die veehouderij? We hebben ons in Nederland natuurlijk onder andere gespecialiseerd in veehouderij. Hoe sluit dat aan bij de rest van uw betoog? Kamerlid Kostić (PvdD): Heel goed. Mevrouw Petra Berkhout zei ook duidelijk dat het belangrijk is dat we de transitie naar meer plantaardig en minder dierlijk maken. Ook werd de conclusie gedeeld dat juist in een land waar veel vruchtbare grond is, het uitgangspunt moet zijn dat de grond zo efficiënt mogelijk moet worden gebruikt voor het direct voeden van mensen. Nu doen we het juist andersom. We zijn te veel grond aan het gebruiken voor het voeden van dieren. Sterker nog, op dit moment hebben we nog een heel extra Nederland aan landoppervlakte nodig om alle dieren in ons land te kunnen voeden. De inkleuring is hier en daar anders, maar de algemene conclusie is heel duidelijk: er moet een integrale aanpak komen, er moet gewerkt worden aan de voedselverspilling en er moet iets gedaan worden aan de klimaatverandering. Absoluut. Dat staat ook in de algemene informatie die is gedeeld met de Kamer. Maar alle wetenschappers zeggen ook dat we toe moeten naar meer plantaardig en minder dierlijk. Dat is echt een essentieel onderdeel van de transitie. De heer Lohman (CDA): Ik ben nog even aan het puzzelen over de discussie of wat op wereldschaal klopt, ook klopt op een bepaalde plek in de wereld. Ik kom daar zo meteen nog even op terug. Ik heb een vraag over de consumptie. Die kwam in de rondetafel ook veel naar voren. Laten we aannemen dat een betere verhouding tussen plantaardig en dierlijk beter is; dat zeiden veel wetenschappers ook. De bottleneck is: hoe zorgen we ervoor dat de consumptie daarop ingericht wordt? Vanuit ons perspectief is het lastig om dat puur van overheidswege te doen. Zou u daarop kunnen reflecteren? Kamerlid Kostić (PvdD): Ja, absoluut. Ten eerste moeten we misschien beseffen dat de huidige landbouw niet zomaar is ontstaan. Het is geen natuurlijk marktmechanisme of zo. We hebben behoorlijk wat stimulans in de landbouw gepompt en daarmee is de landbouw gestuurd. Er gaat natuurlijk heel veel subsidiegeld naar verschillende potjes. We zijn als politiek al aan het sturen; daar moeten we ons niet in vergissen. Het eerste dat we moeten doen, is kijken naar de middelen die we nu gebruiken en hoe we die efficiënter kunnen inzetten om onze landbouw toekomstbestendiger te maken. Dat is één. Ten tweede is er een voorstel aangenomen voor een actieplan voor plantaardige voeding, dat volgens mij ook gedragen is door het CDA. Een onderdeel daarvan is de consumptie. Ik ben het namelijk helemaal eens met het CDA: je moet het in samenhang bekijken. Je kunt niet alleen maar sturen op consumptie of alleen maar sturen op productie. Het moet integraal samengaan. Na 40 jaar discussie denk ik dat we er echt aan toe zijn om te erkennen dat we die stap nu met z'n allen moeten maken. We zijn allemaal bereid te praten over hoe die stap precies ingevuld wordt, maar laten we het feit dat die stap moet worden gezet, niet ontkennen. De voorzitter: Dank u wel. Vervolgt u uw betoog. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik denk dat veel mensen thuis dit ook belangrijk zullen vinden. We voorkomen hiermee een heleboel dierenleed. Als je weet dat we in Nederland per jaar meer dan 600 miljoen wezens met gevoel op elkaar proppen, verknippen en slachten, dat 20 miljoen dieren niet eens het slachthuis bereiken omdat ze in de stal zijn doodgegaan van ellende en dat door de ammoniakdampen in de stallen meer dan de helft van de kalfjes in de kalverhouderij aan longaandoeningen lijdt, dan heb je echt de plicht om te kijken hoe we ons voedselsysteem zo kunnen inrichten dat we die pijn en ellende zo veel mogelijk kunnen voorkomen. Kan de staatssecretaris in oktober met een brief komen waarin hij onderbouwd reageert op de conclusies en aanbevelingen van de wetenschappers tijdens het rondetafelgesprek? Ik heb hier de stukken voor mij. Kan hij daarbij vermelden welke aanbevelingen hij meeneemt in zijn Strategische Agenda Voedselzekerheid? Tijdens de APB is een voorstel van onder andere de Partij voor de Dieren aangenomen dat vraagt om het Actieplan Meer Plantaardige Voeding te verwerken in het beleid van de staatssecretaris. Hoe gaat de staatssecretaris dat voorstel precies uitvoeren? Is hij bereid de benodigde middelen hiervoor beschikbaar te stellen? Voorzitter. Het is goed dat het kabinet wil werken aan voedselzekerheid, maar dan wel graag integraal en niet met het kortetermijndenken dat we nu zien. Als je dat doet, probeer je met stukjes tape een lekkend containerschip te repareren. De essentie van strategisch zijn, is vooruitdenken. De Adviesraad Internationale Vraagstukken waarschuwt niet voor niets voor het risico van een te sterke focus op de korte termijn. Kan de staatssecretaris daarop reflecteren? Laten we proberen het probleem bij de wortel aan te pakken. De transitie naar plantaardig en minder dierlijk is dus een win-win-winsituatie, een no-brainer. Jonge ondernemers in de hele keten staan te popelen om de handschoen op te pakken. Er is een wereld te winnen als we het oude model dat gericht is op de vee-industrie durven los te laten. Laten we ervoor kiezen om Nederland beter, veiliger en gezonder te maken voor mens en dier. Ik zou via de bode graag twee stukken willen overhandigen aan de staatssecretaris. Het zijn de wetenschappelijke conclusies, waarop ik graag een reflectie wil, en het Actieplan Meer Plantaardige Voeding. De voorzitter: Dat gaan we zo meteen doen als de bode weer binnen is. Ik heb nog twee interrupties voor u: een van de heer Lohman en volgens mij ook een van mevrouw Van der Plas. Aan zowel de leden die interrupties plegen als de leden die antwoorden wil ik vragen om compact te zijn, willen wij 17.00 uur redden met elkaar. De heer Lohman (CDA): Deelt lid Kostić het beeld dat de vraag naar eiwitten wereldwijd toeneemt? Kamerlid Kostić (PvdD): Absoluut, en wij kijken daarbij ook naar de wetenschap, naar al die wetenschappers die ons hebben geïnformeerd. Zij zeggen dat we prima onze mensen kunnen voeden en zelfs kunnen bijdragen aan voedselzekerheid in een bredere omgeving. Dat kan juist beter en efficiënter door die stap te maken naar meer plantaardige eiwitten. De heer Lohman (CDA): En denkt u dat deze trend, de stijgende vraag naar eiwitten, die echt mondiaal is — 10 miljard mensen — te keren is, puur door op consumptie te sturen? Zo niet, wat zijn dan alternatieven? Kamerlid Kostić (PvdD): Nee, wat ik net zei ook, je kan niet aan één knop draaien, want dat werkt niet. Je moet een integraal beleid hebben. Je moet dus sturen aan de productiekant én aan de consumptiekant. Belangrijker nog, je moet een inspirerend verhaal vertellen. We doen allemaal alsof het één grote ellende is als we het net wat anders gaan inrichten, iets meer plantaardig en iets minder dierlijk, maar er zijn zó veel voordelen en zó veel ondernemers staan te popelen ... Neem de jongens van de Nieuwe Melkboer, die op Nedersoja zijn overgestapt voor plantaardige zuivel. Heel veel ondernemers staan te popelen om er iets van te maken. Ik zou zeggen, laat die achterhoede even voor wat die is en laten we na 40 jaar discussie doorgaan naar een toekomstbestendige landbouw. Mevrouw Van der Plas (BBB): Lid Kostić heeft het over meer plantaardig en zegt: we moeten deze stap maken. Dan vraag ik mij af hoe zij dat voor zich ziet. Ze heeft het over móéten. Moet de overheid ... Hoe gaan we dat doen? Gaan we mensen dan vertellen dat ze bepaalde producten niet meer mogen eten? Of mogen bepaalde producten niet meer of minder in de schappen liggen? Volgens mij hebben we een markteconomie waarin mensen hun eigen keuzes maken en leven we niet in tijden van communisme. Kamerlid Kostić (PvdD): Ja, dat klopt helemaal. Nergens in ons programma staat dat we iets gaan opdringen aan mensen, absoluut niet. De Partij voor de Dieren zegt altijd: wees eerlijk. Al die wetenschappers concluderen dat het voedselbeleid, ons voedselsysteem zoals we dat nu hebben ingericht niet werkt — niet voor mensen, niet voor dieren. Het werkt strategisch niet, het is gewoon een doodlopende weg. Die discussie hebben we al 40 jaar en die loopt gewoon vast. Wat moet je doen? Ten eerste eerlijk zijn, dan neem je mensen mee. Ten tweede de middelen die je nu besteedt, het belastinggeld van burgers, verstandiger besteden. Ten derde gebruikmaken van de koplopers, van ondernemers die staan te popelen om aan de slag te gaan in deze transitie. Geef ze ruimte en haal ze naar voren als voorbeeld, in plaats van steeds te vervallen in oude patronen. Mevrouw Van der Plas (BBB): In 2021 verbood de Sri Lankaanse regering boeren om nog gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken, net als kunstmest. Boeren moesten van de ene op de andere dag verplicht biologisch boeren. Dit leidde tot een enorme keldering in de landbouwproductie. De rijstoogst daalde met 20%, de theeproductie daalde en het leidde er ook toe dat het land diep in de financiële problemen kwam, waardoor er een volksopstand kwam. Er kwam honger en er was sprake van een enorme inflatie. Ik neem aan dat het lid Kostić ervan op de hoogte is dat als we plantaardig willen telen, we daarbij bijvoorbeeld gewasbeschermingsmiddelen nodig hebben. Hoe ziet het lid Kostić dat in de toekomst voor zich in Nederland? De voorzitter: Dank u wel. Dit was uw tweede interruptie. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik vind het jammer, nogmaals, dat de BBB niet kijkt naar ten eerste de wetenschap en ten tweede de potentie, de innovaties die we hebben en de ondernemers die daarmee bezig zijn. Iedereen, ook de mensen thuis, wil het liefst een appel zonder gif, wil het liefst niet wonen in de buurt van waar gif wordt gespoten. Dat is immers bewezen niet zo goed voor je. Als we met elkaar kunnen regelen dat het zonder dat gif kan, of zo min mogelijk gif, dan is dat een fantastisch verhaal. Dat is ook nog eens goed voor de bodem en voor de bestuivers waarvan we afhankelijk zijn voor de bestuiving van onze plantjes en uiteindelijk dus ook voor ons voedsel. Dus de overstap naar een gifvrije landbouw, zorgt er, als je het goed inricht — dat kan natuurlijk niet morgen, dat lukt helaas niet, maar zo snel mogelijk — voor dat we juist op langere termijn meer voedselzekerheid hebben en een gezonde bodem en gezond water. Wat wil je nog meer? De voorzitter: Dank u wel. Mevrouw Keijzer heeft een interruptie voor u. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Als je naar lid Kostić zit te luisteren, denk je: dat moeten we maar doen, dat plantaardige eten. Maar neemt zij daar ook in mee dat je zo'n beetje vijf keer meer jonge kapucijners moet eten dan rosbief om voldoende eiwitten binnen te krijgen? Neemt zij ook mee dat je bijvoorbeeld die hele belangrijke aminozuren, ketenaminozuren — leucine wordt dat volgens mij genoemd — mist en dat dat vervolgens betekent dat je dus een vrachtwagen aan extra calorieën tot je moet nemen, waardoor je weer dik wordt, om uiteindelijk, zeker op mijn leeftijd, voldoende eiwitten binnen halen? Dit los nog van de vraag of je het lekker vindt. Eten is toch ook wel iets wat vooral heel erg lekker moet zijn en dat is volgens mij ontzettend persoonlijk. Kamerlid Kostić (PvdD): Jazeker, eten moet lekker zijn. Ik kan bevestigen dat plantaardig eten echt lekker kan zijn. Het is maar hoe je het bereidt. Ik wil best een kookworkshop geven aan mevrouw Keijzer. Dat ten eerste. Ten tweede heb ik net al gezegd: lieve mensen, kijk naar mij. Mijn bloedwaarden zijn nog nooit zo goed geweest als sinds ik plantaardig ben gaan eten. Je moet gewoon goed afgewogen, gemixt plantaardig eten en je goed laten informeren. Dan heb je minder kans op hart- en vaatziekten, suikerziekte en al die andere ellende. Dus ik zou zeggen: er is een wereld te winnen. Laten gewoon samen aan de slag gaan, ook met de ondernemers die staan te popelen. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Je moet natuurlijk helemaal niks. Dat is denk ik het fundamentele verschil. Mensen maken zelf wel uit wat ze eten en hoe ze koken. Maar goed, daarmee is in ieder geval dat fantastische verhaal over gezond plantaardig eten gedebunkt. Dan even de vervolgstap. Als we zouden stoppen met vlees eten en gebruik maken van zuivel in Nederland, dan gaan we allemaal plantaardig eten. Dan komt vervolgens komt de Partij voor de Dieren weer om de hoek kijken ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen. Dan moet dat allemaal weer stoppen. Ziet de Partij voor de Dieren nou echt niet dat dit, dat beleid van de Partij voor de Dieren, uiteindelijk in die zin ook een beetje communistische trekken heeft? We hebben in landen waar dat geprobeerd is, gezien waar dat eindelijk toe geleid heeft. En je mag het vinden van mij, hè. Maar doe alsjeblieft niet alsof dan het paradijs aanstaande is, want dat is zeker niet zo. De voorzitter: Dat was een interruptie van een minuut, mevrouw Keijzer. Dus daarmee heeft u uw eerste interruptie gehad. Ik ga even naar het lid Kostić. Kamerlid Kostić (PvdD): Dit is wel een strategie van mevrouw Keijzer. Ze probeert er van alles bij te halen en mij woorden in de mond te leggen. Ik heb nergens gezegd dat iets moet. Ik schets een toekomstperspectief voor de landbouw, voor de voedselzekerheid dat goed is voor ons allemaal, voor de dieren, voor de natuur, voor water, dat zorgt voor voedselzekerheid op langere termijn en dat strategisch heel slim is. En dat zeg ik niet vanuit de Partij voor de Dieren. Dat zeggen dus al die wetenschappers. Dus ik zou zeggen richting mevrouw Keijzer: kijk daar nou nog eens goed naar. En misschien moet mevrouw Keijzer zelf even stoppen met zo communistisch, of ze het ook wil noemen, per se blijven drammen op de huidige veestapel maar in stand houden. Het is gewoon onhoudbaar. Het is feitelijk onhoudbaar en dat gaat ook ten koste van de kiezers van mevrouw Keijzer. Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower): Ik was benieuwd wie de rondetafel over voedselzekerheid heeft georganiseerd. De voorzitter: Was dat een vraag aan het lid Kostić? Kamerlid Kostić (PvdD): Dat was de Kamercommissie, in een procedurevergadering. Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower): Ik heb 'm uiteraard teruggekeken en er viel mij iets op. De wetenschappers over wie het lid Kostić het steeds heeft zijn proplantaardig, maar ik heb een hele lijst met wetenschappelijke onderzoeken die juist het belang van dierlijke eiwitten onderschrijven. Hoe kijkt het lid Kostić tegen die wetenschappelijke artikelen aan? Kamerlid Kostić (PvdD): Ten eerste stond het iedereen vrij om sprekers aan te dragen. Dit is uiteindelijk waar de commissie mee akkoord is gegaan. Ten tweede heb ik geen idee welke lijst van wetenschappers mijn collega voor zich heeft, maar ik heb me er behoorlijk goed in verdiept. Er bestaat zoiets als wetenschappelijke consensus, waar dus een overgrote meerderheid van de wetenschap het over eens is, en die is heel duidelijk. We hebben het niet over de minste, hè. We hebben het over de Wageningen Universiteit, Harvard en Leiden. Al die mensen zeggen: lieve mensen, niemand wordt iets opgedrongen, maar het is … De voorzitter: Rondt u af. Kamerlid Kostić (PvdD): … strategisch slim om de keuze te maken voor meer plantaardig en minder dierlijk. De heer Lohman (CDA): Ik voel wel de behoefte om daar even op te reageren. Ten eerste kwam het inderdaad vanuit de commissie. Ten tweede zat ik ook in die voorbereidingsgroep. Ik wil eigenlijk twee dingen benoemen. Ik vind dat we echt moeten uitkijken om als wetenschappers iets zeggen, hier in de Kamer wetenschappelijke consensus uit te roepen. Dat is even een opmerking naar het lid Kostić. Aan de andere kant moeten we uitkijken om als een andere wetenschapper iets anders zegt, te doen alsof dat dan het tegendeel bewijst. Laten we die wetenschappelijke discussie dus even helder houden en onze rol als politiek ook. De voorzitter: Waarvan akte. U hoeft niet te reageren, zeg ik even tegen het lid Kostić. Kamerlid Kostić (PvdD): Daar wil ik me volledig bij aansluiten. Ik zou ook tegen iedereen zeggen: lees die stukken van Wageningen, van Leiden, et cetera en trek zelf uw conclusies. De voorzitter: Yes. De heer Flach. De heer Flach (SGP): Het is fijn dat het lid Kostić zich daarbij aansluit — ik vind het op zich wijze woorden van de heer Lohman — maar doet het lid Kostić in de praktijk niet. Ik heb denk ik veertien keer gehoord "alle wetenschappers" of "al die wetenschappers". Daarmee ontstaat toch, gewild of ongewild, de indruk dat de rest die het daar niet mee eens is maar wat uit zijn nek zit te kletsen. Ik wens dus echt te benadrukken dat er geen consensus is die bewijst dat het verhaal van het lid Kostić de enige werkelijkheid is. Er is voldoende wetenschappelijk bewijs dat je bijvoorbeeld dierlijke eiwitten in veel hogere concentraties tot je kunt nemen dan plantaardige eiwitten en dat soort zaken. Dus laten we inderdaad de wetenschap de wetenschap laten en laten we duidelijk zijn dat we het hier hebben over politieke keuzes die we maken op basis van wetenschappelijke inzichten. We zitten hier geen wetenschappelijk debat te voeren. De voorzitter: Het lid Kostić mag daar kort op reageren en ik vraag aan mevrouw Van der Plas om dat dan niet buiten de microfoon te doen. Kamerlid Kostić (PvdD): Politieke keuzes maak je op basis van feiten. Er wordt heel veel desinformatie gedeeld, dus vandaar dat ik gewoon wetenschappers heb geciteerd: hele duidelijke conclusies vanuit Wageningen en Leiden. Dat staat even los van consensus. Als het gaat om consensus durf ik wel te zeggen — mensen thuis kunnen me factchecken — dat er inderdaad wel wetenschappelijke consensus bestaat over het feit dat we toe moeten naar een vorm van meer plantaardig en minder dierlijk. Dat durf ik te stellen en dan is het aan de rest om dat te factchecken. De heer Flach (SGP): Kort, voorzitter. Als het lid Kostić meent collega's van het verspreiden van desinformatie te moeten beschuldigen, dan voel ik niet meer de neiging om met mijn collega in debat te gaan. Dan stopt het gewoon. De voorzitter: Op dit punt, meneer Jansen? Kort. De heer Chris Jansen (PVV): Wat de heer Flach zegt, is ook mijn lijn. Ik heb hier een lijstje met elf wetenschappers die het tegendeel beweren van wat het lid Kostić zegt en dat zijn geen koekenbakkers. Dat zijn mensen die internationaal stukken hebben gepubliceerd. Ik vind het eigenlijk gewoon dramatisch dat hier wordt gedaan alsof die mensen er niet toe doen. Er zijn gewoon verschillende meningen en op het moment dat je tien wetenschappers in één kamer hebt, krijg je elf of twaalf meningen. Zo is gewoon de situatie. De voorzitter: Volgens mij hebben wij op dit moment genoeg gewisseld op dit punt. Helder hoe u erin staat. Ik ga naar mevrouw Bromet voor haar betoog in eerste termijn. Mevrouw Bromet (PRO): Wat zich wreekt in dit debat, is dat er geen gemeenschappelijk uitgangspunt is over wat er aan de hand is in de wereld, dat daar al onenigheid over is. Als wij hier als Kamer een expertmeeting organiseren, mensen daar geen namen voor aandragen en dan in het debat wel aan komen waaien en zeggen "ik heb ook nog een lijstje van tien experts", dan vind ik dat je echt af bent. Maar dat vooraf. We hebben hier een debat over voedselzekerheid en dat gaat in zekere zin ook over afhankelijkheid, afhankelijkheid van andere landen. Kijk, je kan natuurlijk zeggen "ik heb recht op vlees" of, zoals mevrouw Keijzer zegt, "je moet niks, dat maken de mensen zelf wel uit". Maar ik zou zeggen: ik zit hier niet voor niks. Ik zit hier niet als iemand die af en toe ook weleens vlees eet. Ik zit hier als parlementariër om te kijken welke problemen we op ons af zien komen in de toekomst en hoe we die kunnen afwenden. De voorzitter: Daar heeft de heer Jansen een interruptie op. De heer Chris Jansen (PVV): We zitten hier niet om te jij-bakken, we zitten hier om met z'n allen het goede te doen voor Nederland. Maar als dan een partij als PRO met deze opmerking komt, terwijl die zelf een technische briefing laat vallen, niet aanwezig is, en dan vertelt in de procedurevergadering dat dat is omdat daar wetenschappers bij waren die PRO niet bevielen … Met alle respect: dan is dit de laatste partij die deze opmerking mag maken. Mevrouw Bromet (PRO): Ik vind dat wij als parlementariërs een grote rol moeten spelen in het kijken naar toekomstige generaties, naar het beschermen van de aarde en naar crisissituaties waarin de voedselzekerheid op het spel kan komen te staan. Daarvoor moet je inderdaad kijken naar de landbouw in Nederland. Daarvoor moet je inderdaad kijken naar de distributie van voedsel. Dat kun je ideologie noemen, maar dat noem ik gewoon: zorgen voor de mensen in Nederland. Er is al een aantal keer een interruptie geweest over de Tweede Wereldoorlog. Toen was de regering zo verstandig om vooruit te kijken en de veestapel drastisch in te krimpen, zodat er voedsel voor mensen overbleef. Ik zou aan de staatssecretaris willen vragen of er nu ook een dergelijk plan ligt. We zitten in een situatie waarin oorlog steeds dichterbij komt. Ik vraag me af of de regering van nu net zo'n vooruitziende blik heeft als de regering van toen. Ligt er een plan klaar? Voorzitter. Voedselzekerheid betekent ook dat je kijkt naar het assortiment. We hebben namelijk helemaal geen gebrek aan voedsel op dit moment. Kijk naar de supermarkten en wat mensen echt nodig hebben: 80% van de producten in de supermarkt zijn helemaal niet nodig voor de menselijke gezondheid, maar worden wel geproduceerd. Daar ondervinden we een heleboel nadelen van: overgewicht, diabetes. Er zijn allerlei welvaartsziektes die veroorzaakt worden door producten die helemaal niet bijdragen aan voedselzekerheid, maar eerder de volksgezondheid bedreigen. Ik zou ook iets willen zeggen over de noodpakketten. Afgelopen vrijdag kwam inderdaad het rapport van Clingendael uit. De boodschap aan de Nederlander is nu dat je niet voor drie, maar voor acht dagen voedsel in huis moet halen; dat wijst trouwens ook wel op de urgentie van dreigende buitenlandse invloeden. Voor mij is dat geen enkel probleem, maar stel dat je heel klein woont. Hoe moet je dan voor je gezin drie liter water per dag opslaan? Voor 8 dagen gaat het dan om 24 flessen water. Als je met z'n vieren woont, moet je dan 100 flessen water in huis halen. Waar zet je die neer? Welke conclusies verbindt de staatssecretaris aan dit advies van Clingendael? Op welke manier gaan we dat wijder verspreiden? Voorzitter. Een onderwerp dat vandaag nog niet aan de orde is gekomen, is de voedselverspilling. Het Burgerberaad Klimaat adviseert om voedselverspilling serieus te nemen als klimaatactie, en daarbij de hele voedselketen te betrekken, van producent tot consument. Zorg voor beleid en praktische ondersteuning die bewustwording en een gedragsverandering ten aanzien van voedselverspilling kan stimuleren. Zorg ook voor duidelijkheid over de houdbaarheidsdatum. Zorg ervoor dat mensen, maar ook bedrijven, weten wat ze moeten doen om voedselverspilling te voorkomen. Graag een reactie van de staatssecretaris. Ik wil ook aandacht vragen voor Caribisch Nederland, want dat is ook Nederland. Het eiland Saba heeft bijvoorbeeld maar voor één dag drinkwatervoorraden. Begin dit jaar werd 18 miljoen beschikbaar gesteld om de voedselzekerheid in Caribisch Nederland te bevorderen. Ik vraag de staatssecretaris: "Is dat nou genoeg? Wat zijn de prognoses? Komen er ook nog extra middelen?" Voorzitter. Ten slotte de bijen. Daar had een collega het net ook al over. De economische waarde van de bestuiving van honingbijen in Nederland wordt geschat op 2,41 miljard per jaar. Wij kunnen niet zonder gezonde bestuiving door bijen. Ook de Natuurherstelverordening vanuit Europa onderstreept het belang van de bestuivers en stelt dat de afname van de bestuiverpopulaties per 2030 gekeerd moet zijn. Dat is al over vier jaar. Ik vraag de staatssecretaris: "Hoe staat het ervoor met die doelstelling? Welke extra maatregelen gaat hij nemen als dat nodig is?" Zonder bestuivers hebben wij namelijk ook geen voedsel. De voorzitter: Dank u wel. Meneer Lohman, het woord is aan u. U heeft vier minuten in eerste termijn. De heer Lohman (CDA): Dank u wel, voorzitter. Ik doe mijn inbreng mede namens de ChristenUnie. Voorzitter. In het debat over voedselzekerheid botsen vaak twee verhalen. Het eerste verhaal is: Nederland voedt de wereld. Het andere verhaal is: minder dieren, meer natuur. We hebben het zojuist gehoord. Lubach maakte vorige week een onderhoudend filmpje over deze grijsgedraaide plaat, maar ook hij ging met zijn conclusie veel te kort door de bocht: de veehouderij vraagt veel land, dus de oplossing voor voedselzekerheid is minder vee. Beide verhalen hebben een kern van waarheid, maar versmallen voedselzekerheid tot de vraag hoeveel we produceren. De stikstofcrisis maakt iets anders pijnlijk duidelijk. Boeren en tuinders die ik spreek, vragen: waar gaat de Nederlandse landbouw naartoe, wat is de visie? Voorzitter. Het CDA draagt medeverantwoordelijkheid voor het uitblijven van deze visie. De laatste actuele visie, de kringlooplandbouwvisie, ligt op het ministerie te verstoffen. Daarom zijn we op dit moment bezig met een nieuwe fractievisie. In de wetenschap dat we dit niet alleen kunnen, doe ik graag een open uitnodiging aan coalitie en oppositie om met elkaar na te denken over de vraag of we tot een breedgedragen voedsel- en landbouwvisie kunnen komen. Misschien kan dit debat daartoe een opmaat zijn. De voorzitter: Hartstikke goed. Daarover krijgt u een interruptie van mevrouw Bromet. Mevrouw Bromet (PRO): Het lijkt me hartstikke goed dat het CDA dat doet. PRO heeft ook een landbouwvisie gepresenteerd vorig jaar. Daar waren ook CDA'ers bij aanwezig. Maar ik dacht dat de laatste landbouwvisie van de heer Boswijk was. Vergeet u die niet? De heer Lohman (CDA): Dat klopt, ja. Dat weet u heel goed. De laatste fractievisie is van Derk Boswijk en komt uit de periode dat het vooral ging over polarisatie. Dus wij vonden het belangrijk om een nieuwe CDA-fractievisie te schrijven. Die kringlooplandbouwvisie is, zoals ik het begrijp, inderdaad nog steeds de formele visie van de regering. Ik heb alleen niet het idee dat daaraan heel veel invulling gegeven wordt. Mevrouw Bromet (PRO): Dat komt, denk ik, doordat er nooit maatregelen bij die kringloopvisie gekomen zijn. Dat denk ik dan. Ik wil graag de uitnodiging van het CDA aannemen, want ik denk dat het best nuttig kan zijn om onze visies naast elkaar te leggen en ik denk dat er ook heel veel overlap is. De heer Lohman (CDA): Die uitnodiging neem ik van harte aan. Heel fijn dat u die handreiking doet. Nee, we gaan niet "weer over links"; die uitnodiging staat voor iedereen, collega Den Hollander. Voorzitter. Wij hebben van het nadenken over en het maken van die visie geleerd. De oorsprong en de kracht van het Nederlandse voedselsysteem moeten we niet alleen zoeken in de productieverhoging van na de Tweede Wereldoorlog, maar in de landbouwcrisis van 1886. De landbouw in ons kleine land kon toen niet concurreren met landen waar op grotere schaal gewerkt kon worden. Daarom investeerden we in coöperaties, kennisinstellingen, handelsrelaties en besloten we in te zetten op het toevoegen van waarde. Hierdoor ontstond een exportgerichte "veredelingslandbouw" — dat is een beetje een oude term, maar ik vond het wel mooi om die te gebruiken — met een belangrijke plek voor het dier in dat systeem. Dat is onze kracht. In de opzet voor onze nieuwe visie staan daarom drie keuzes centraal. Ten eerste is dat voortbouwen op wat Nederland sterk heeft gemaakt: onze vruchtbare delta, kennis, coöperaties, exportgerichte veredelingslandbouw en een moderne voedselverwerkende industrie. Het gaat om betaalbaar voedsel voor iedereen met blijvende ruimte voor grondgebonden veehouderij en innovatieve hightechtuinbouw. Ten tweede moet die land- en tuinbouw passen binnen de milieugebruiksruimte, en een beweging maken naar meer circulaire landbouw. De politiek moet duidelijke doelen stellen en keuzes maken in de verdeling van ruimte. Boeren en tuinders kunnen vervolgens zelf de mogelijkheid krijgen om deze doelen te bereiken. Ten derde vraagt de omslag verantwoordelijkheid van de hele keten. Een boer of tuinder kan alleen investeren als verwerkers, banken en afnemers perspectief bieden. Daarom heb ik een aantal vragen aan de staatssecretaris. In het regeerakkoord wordt gesproken van "productschappen 2.0". Ook de SER bepleit een publiek-private organisatie, net als de initiatiefnemers van het manifest 2050. In de glastuinbouw is men zich al aan het verenigen. Hoe ziet de staatssecretaris de totstandkoming van die productschappen 2.0 voor zich en welke voorbereidingen worden er getroffen? Hoe voorkomt de staatssecretaris dat de stapeling van beleidskosten en onzekerheid juist de investeringsruimte wegneemt die nodig is voor crisisbestendigheid en verduurzaming? Het Clingendaelrapport laat zien dat de voorraadvorming voor soja, aminozuren en vitamines tijdelijk kan helpen, maar dat dat afhankelijkheden niet wegneemt. Welke van deze afhankelijkheden vindt de staatssecretaris het meest urgent en welke structurele oplossingen hebben daarbij zijn voorkeur? Voorzitter. Ons voedselsysteem is te complex om elkaar te blijven bevechten op meer of minder vee. We moeten weer gaan begrijpen wat de kracht van de Nederlandse voedselvoorziening is en wat onze positie in de wereld is. We importeren grondstoffen en exporteren kennis, technologie en hoogwaardige producten. Samenwerking tussen boeren, tuinders, coöperaties, bedrijven en kennisinstellingen is de bijdrage van Nederland aan wereldwijde voedselzekerheid. Die kracht moeten we opnieuw organiseren. De voorzitter: Dank u wel, meneer Lohman. Mevrouw Bromet (PRO): Ik vind het wel een beetje vaag klinken allemaal, maar dat komt dan waarschijnlijk nog wel in die visie. De zaadveredeling is iets heel belangrijks voor Nederland. Waarom leggen we daar niet wat meer nadruk op, in plaats van op de nadelen van de kalverhandel? De heer Lohman (CDA): Uw vraag is of we meer nadruk moeten leggen op de zaadveredeling dan op de kalverhandel? Mevrouw Bromet (PRO): Je kan natuurlijk zeggen "de landbouw in Nederland", maar er zijn dingen die niet zo goed gaan en er zijn dingen die fantastisch gaan. Ik hoor eigenlijk dat het een grote mix wordt bij het CDA. De heer Lohman (CDA): Als het een visie in wording is, in vier minuten, dan is er natuurlijk nog wat ruimte voor specifieke invulling. Volgens mij verschillen we in onze blik op hoe je zoiets voor elkaar gaat krijgen. Ik denk niet dat wij zeggen: deze sector vinden wij niet passen en die sector wel. Het gaat over de vraag — dat heb ik volgens mij wel gezegd — wat de randvoorwaarden zijn binnen de milieugebruiksruimte. Het stikstofbeleid dat we nu hebben is daar een symbool van. Dat ga je neerzetten. Daar moet de overheid duidelijke doelen op zetten. Dan is het vervolgens aan de sector om te kijken of dat haalbaar is voor hen — je kan bijvoorbeeld ook innovatie gebruiken om die doelstellingen te behalen — en of de sector zich binnen die omstandigheden kan doorontwikkelen. Dat is dan een uitkomst van het systeem. Dat is, denk ik, een andere gedachtegang dan die van mevrouw Bromet, waarbij we zeggen als overheid: dit mag wel en dit mag niet. Maar goed, daar kunnen we in onze visie nog verder over spreken. Mevrouw Podt (D66): Dit was een mooi betoog van de heer Lohman over de toekomst van de landbouw. Het was een dappere poging om er een beetje boven te gaan hangen, boven wat er net allemaal gebeurde. Ik weet de precieze woorden niet helemaal, maar hij zei in een van zijn zinnen: we zullen een land zijn dat grondstoffen importeert en vervolgens volledige producten exporteert. Op zich lijkt dat me ook het geval voor de toekomst van de landbouw. Een van de conclusies en een van de dingen waar het debat steeds over ging is wel: juist dat importeren van dingen maakt ons heel kwetsbaar en afhankelijk. Nou stelde hij zelf de vraag aan de staatssecretaris. Wat zou hij zelf willen zeggen over welke afhankelijkheden we misschien niet helemaal kunnen wegnemen, maar wel kunnen verminderen? Wat vindt hij daar zelf van? De heer Lohman (CDA): Ik denk dat mevrouw Podt een hele goede vraag stelt. Dit is ook de discussie die we hier moeten hebben. Het beeld dat wij hebben in de wereld als bijdrager aan de voedselvoorziening, gaat niet alleen om productie en vruchtbare grond, maar ook over de plek in de wereld met de haven van Rotterdam. Daardoor hebben we altijd toegevoegde waarde gehad op het gebied van doorvoer. Ik denk niet dat we dat helemaal moeten veranderen. Sterker nog, dat moeten we als kracht gaan gebruiken. Dat wij die doorvoerplek zijn, is juist een bijdrage die wij leveren aan de voedselzekerheid in de wereld. Als we het bijvoorbeeld hebben over eiwitten … Ik ga het niet over vee hebben, maar toch wel over eiwitten. De voorzitter: Wel compact graag. De heer Lohman (CDA): Ik weet dat het kort moet, maar het zijn moeilijke vragen, voorzitter. De voorzitter: Ik weet het, maar het is … De heer Lohman (CDA): Ik probeer het heel snel te doen. Ik ga dus inzoomen op eiwitten. Ik zou het anders willen, maar ik denk dat het niet realistisch is om te denken dat wij als Europa onafhankelijk worden op het gebied van eiwitten, dus dat wij dat helemaal op ons eigen grondgebied kunnen gaan telen. Misschien kan dat als Oekraïne onderdeel wordt van de Europese Unie. We moeten proberen om dat te mitigeren en dus iets meer eiwitteelt te doen. Echter, ik ben geen tegenstander van eiwitten produceren waar dat goed kan, dus onder andere in Zuid-Amerika, op het moment dat daar de omstandigheden duurzamer worden — dat wordt langzamerhand ook zo — en deels de rol van eiwithub in Europa te blijven spelen. De voorzitter: U bent door uw interrupties heen, mevrouw Podt. Dat is tragisch, maar het is wel zo. Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower): Ik ben benieuwd naar de visie van het CDA op kweekvlees. De voorzitter: Dat is een grote vraag, meneer Lohman. Ik geef u maximaal 30 seconden om daar antwoord op te geven. De heer Lohman (CDA): Het CDA ziet dat als een van de oplossingen om de eitwitvraag in te vullen. De voorzitter: Heel goed, dank u wel. Dan ga ik naar mevrouw Den Hollander van de VVD, voor haar termijn. Mevrouw Den Hollander (VVD): Dank u wel, voorzitter. Voor de VVD begint voedselzekerheid bij sterke boeren, innovatieve bedrijven, open handelsstromen en ruimte voor doorontwikkeling naar innovatieve voeding en minder voedselverspilling. De wereldbevolking is de laatste 60 jaar veel meer vlees gaan eten en de voorspelling is dat hier de komende 10 jaar nog 10% tot 15% bij gaat komen. We kunnen Nederland niet los zien van de rest van de wereld. Voor de VVD is het daarom belangrijk om het debat over voedselzekerheid ook niet los te zien van het belang van de landbouw voor de handel. Ruim 20% van de totale Nederlandse export zit in landbouwproducten. Deelt de staatssecretaris de opvatting van de VVD dat voedselzekerheid niet alleen vraagt om voldoende productie voor Nederland zelf, maar ook om behoud van onze sterke landbouwexportpositie? Volgens de VVD is de eerste mogelijkheid om bij te dragen aan meer voedselzekerheid en minder landgebruik gelegen in het verhogen van de hoeveelheid voedsel die wordt geproduceerd op een gelijkblijvende hoeveelheid grond door toepassing van betere landbouwpraktijken en/of via technologische innovaties. Binnen het pakket voor landbouw, natuur en stikstof willen we daarom inzetten op intensivering waar dat kan en extensivering waar de natuuropgave dit vraagt. Is er in het maatregelenpakket voldoende ruimte voor intensieve bedrijven om door te ontwikkelen naar hightechvoedselproductie, in evenwicht met de leefomgeving? Voorzitter. Als het gaat over voedselzekerheid is het belangrijk om op z'n minst ook stil te staan bij de rol van innovatie. Nederland is wereldwijd koploper in efficiënte voedselproductie, glastuinbouw en landbouwmechanisatie. Het is belangrijk om deze waarden te erkennen en waar nodig verder te ondersteunen. De VVD ziet graag ruimte voor innovatie in zowel de gangbare landbouwsector als alle nieuwe ontwikkelingen. We denken daarbij aan kweekvlees, precisiefermentatie, CRISPR-Cas en andere innovaties. We zijn heel enthousiast over de besluitvorming over de nieuwe genomische technieken, de NGT's, die in Brussel in juli jongstleden in werking zijn getreden. Het duurt echter nog twee jaar voordat die op grotere schaal toegepast kunnen gaan worden. De komende tijd is meer onderzoek nodig om de NGT's voor meer gewassen technisch toepasbaar te maken of verder te ontwikkelen. Is de staatssecretaris bereid om meer experimenteerlocaties mogelijk te maken waar nieuwe landbouwtechnologie sneller kan worden getest, vergund en opgeschaald? Kan hij daarbij aangeven hoe het staat met de innovatieagenda, waar de VVD bij de begroting om gevraagd heeft? Voorzitter. Net zoals het bij de energietransitie van belang is om een woning goed te isoleren om energieverlies te voorkomen, is het bij voedselzekerheid van groot belang om voedselverspilling tegen te gaan. Elke kilo voedsel die niet verloren gaat, hoeft ook niet opnieuw te worden geproduceerd, vervoerd of geïmporteerd. Is de staatssecretaris bereid om het tegengaan van voedselverlies en -verspilling op te nemen in de Strategische Agenda Voedselzekerheid? Voorzitter. Supermarkten zorgen ervoor dat het voedsel bij de consument terechtkomt en hebben een belangrijke rol in beschikbaarheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van voedsel. Ook kunnen zij een belangrijke rol spelen in het verminderen van voedselverspilling en in het helpen van de klant bij het maken van bewuste keuzes. Deelt de staatssecretaris de mening van de VVD dat voedselzekerheid niet alleen over de primaire productie gaat, maar dat er ook een belangrijke opgave ligt voor de consument? Welke bijdrage verwacht hij daarbij van de supermarkten? Voorzitter. Tot slot willen we ook nog stilstaan bij de voedselverwerkende industrie voor het belang van voedselzekerheid. Hier wordt zuivel verwerkt en worden groenten gesneden, maaltijden bereid en producten verpakt. Het zijn ondernemers die investeren, innoveren en werkgelegenheid creëren. Vooral middelgrote bedrijven staan onder druk. Arbeidskosten stijgen, energie is duurder geworden en klimaatverandering leidt tot hoge grondstofprijzen. De marges staan onder druk. Een toekomstbestendig voedselsysteem vraagt om sterke boeren, loonwerkers, betrokken supermarkten en een financieel gezonde, innovatieve voedselverwerkende sector. Op welke wijze gaat de staatssecretaris de hele keten, van boer tot bord, meenemen in de strategische agenda, met daarbij nadrukkelijk ook aandacht voor de voedselverwerkende industrie? Voorzitter. Alleen met sterke boeren, innovatieve bedrijven, betrokken supermarkten en een gezonde voedselverwerkende industrie houden we voedsel voor mensen betaalbaar, beschikbaar en betrouwbaar, in Nederland en daarbuiten. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Den Hollander, maar u bent nog niet helemaal klaar, want mevrouw Bromet wil graag nog wat aan u vragen. Mevrouw Bromet (PRO): Ik ben wel nieuwsgierig naar de rol van de consument. Hoe ziet de VVD die? Mevrouw Den Hollander (VVD): De rol van de consument is om goed en gezond voedsel te kopen. Mevrouw Bromet (PRO): Maar dat is meer een oproep aan de consument dan dat je er zelf bemoeienis mee hebt als politiek. Hoe moet ik dat zien? Mevrouw Den Hollander (VVD): De VVD is er niet zo'n voorstander van om de consument zaken op te leggen. Wij vragen de staatssecretaris om ook de rol van de supermarkten in ogenschouw te nemen als het gaat om voorlichting aan de consument. Als overheid hebben wij zelf ook een rol in de voorlichting, maar wij zijn geen voorstander van opleggen. De voorzitter: Mevrouw Podt? Nee. Jammer, jammer. Tragisch, hè? Volgens mij is het tijd voor de heer Jansen, voor zijn eerste termijn. De heer Chris Jansen (PVV): Voorzitter, ik heb overigens nog interrupties te koop als andere partijen interesse hebben. Voorzitter. Voor de PVV is één ding glashelder. Echte Nederlandse voedselzekerheid staat of valt met een sterke, zelfstandige, Nederlandse agrarische sector en visserij. Onze eigen boeren, tuinders en vissers zorgen dag in, dag uit voor hoogwaardig, veilig en betaalbaar eten op de borden van onze burgers. Zij zijn het fundament van onze voedselvoorziening. Toch zien we dat dit fundament steeds meer onder druk wordt gezet. De verschrikkelijke stikstofbrief van dit kabinet moet per direct van tafel. Er is geen stikstofprobleem. Er is een D66-probleem, gesteund door VVD en CDA, en de linkse kliek in de Kamer. De natuur staat niet op omvallen. Onze boeren, tuinders en vissers worden door dit kabinet massaal uitgerookt. Er komt steeds meer verzet uit het land, maar dit kabinet weigert te erkennen dat haar beleid het einde betekent voor de boeren, tuinders en vissers. Dit alles wordt ook nog eens versterkt door geopolitieke ontwikkelingen, zoals de afsluiting van de Straat van Hormuz. Dit toont maar weer eens aan hoe kwetsbaar internationale ketens zijn. Mevrouw Den Hollander (VVD): De PVV is altijd heel goed in zeggen wat er niet goed gaat in het kabinetsbeleid, maar ik ben ook wel nieuwsgierig naar hoe de PVV het dan voor zich ziet dat de boeren die graag een vergunning willen krijgen voor een staluitbreiding of iets dergelijks, snel uitzicht krijgen op iets als de brief van Van Essen van tafel gaat. De heer Chris Jansen (PVV): Ik denk dat we ook met de brief van Van Essen op tafel, de komende tijd helemaal geen zekerheid kunnen bieden aan de boeren. Dat is namelijk het grote probleem. Er is nul komma nul zekerheid dat we met deze brief de stikstofproblematiek van tafel krijgen. Dat is ook het grote probleem dat de PVV hiermee heeft. De voorzitter: Een vriendelijke reminder dat wij aan een debat over voedselzekerheid bezig zijn en niet aan een stikstofdebat. Ik kan me voorstellen dat u een heel klein beetje in de verleiding komt. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik vraag de PVV wat haar oplossing is, niet om te herhalen wat niet de oplossing is. We denken daar anders over en dat kunnen we in een ander debat bespreken. Mijn vraag aan de PVV is wat dan wél de oplossing is. De heer Chris Jansen (PVV): Volgens mij hebben wij al meerdere keren, ook in andere debatten, aangegeven wat de oplossing is. Laten we vooral met z'n allen een keer normaal doen, stoppen met praten over crisis en problemen, en kijken naar wat wij binnen Nederland wel kunnen realiseren. Dat is namelijk het grote dilemma waar wij op dit moment met z'n allen tegen aanlopen. Maar een deel van deze Kamer praat iedere keer maar weer over crisis, ellende en dwingen, en over dat we een bepaalde richting op moeten. Dat is een zinloze discussie. Alles gaat hartstikke goed in dit land. De natuur gaat ook prima. De voorzitter: Eens even kijken wat meneer Lohman daarvan vindt. De heer Lohman (CDA): Ja, mijn vraag is … De voorzitter: Geen gesprekken buiten de microfoon graag. Het woord is aan de heer Lohman. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Voorzitter, ik heb een punt van orde. Ik vind het echt ongepast om buiten de microfoon een collega te betichten van desinformatie … De voorzitter: Ja, die opmerking maakt ik al. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Kom op, zeg. De voorzitter: Ja, die opmerking maakte ik net. Nee, u gaat het ook niet in de microfoon zeggen, lid Kostić, want u heeft geen interrupties meer. Dat betekent dus ook dat u buiten de microfoon ook niks te zeggen heeft. De heer Lohman (CDA): Mijn vraag aan de PVV is op welke manier die denkt dat het gebruiken van termen als "uitroken" en het "wegjagen" van boeren bijdraagt aan enige vorm van perspectief voor de agrarische sector in het maatschappelijke debat? De heer Chris Jansen (PVV): Nou, het maakt in ieder geval wel heel duidelijk waar dit kabinet mee bezig is. Dat doet het gesteund door de partijen die ik net noemde: D66, VVD, CDA en de linkse kliek. De heer Lohman (CDA): Dit is ook geen antwoord op mijn vraag. Dan wil ik daar ook geen vraag van maken, maar ik vind het echt zo zonde dat we over de echte belangrijke thema's in dit land zo'n cultuuroorlog maken, die platgeslagen wordt tot: brief van tafel of niet. Laten we in deze Kamer nou eens gaan samenwerken om de problemen in de agrarische sector op te lossen. De heer Chris Jansen (PVV): Het is altijd interessant om te zien dat als het CDA in de coalitie zit, er wordt gevraagd om samenwerking en dat bij een vorig kabinet het CDA de partij was die overal nee tegen zei, ook rondom immigratie. Maar goed, ik ga door met mijn betoog, als dat mag, voorzitter. De voorzitter: Ho, nee. Dat gaat u niet, want mevrouw Den Hollander wil daar graag nog wat over vragen. Mevrouw Den Hollander (VVD): De PVV heeft nog niet zo lang geleden ook een keer in de coalitie gezeten en probeerde toen met oplossingen te komen. Ik zou de heer Jansen nogmaals willen uitdagen: wat is nou de oplossing? Of is er volgens de PVV daadwerkelijk geen enkel probleem in Nederland op geen enkel gebied, ook niet op migratie? Dat is namelijk wat de heer Jansen net zei. De heer Chris Jansen (PVV): Laten we zeggen dat we op een aantal terreinen enorme problemen over ons afroepen, wederom door het beleid van een aantal partijen hier in de Kamer. Immigratie is een megaprobleem. Dat willen wij helemaal niet, want dat werkt bijvoorbeeld ook weer door in de huizenbouwproblematiek, die ook is veroorzaakt door diezelfde partijen. Zo zijn er nog meer zaken … De voorzitter: En ook dat is niet de orde van deze vergadering, meneer Jansen. De heer Chris Jansen (PVV): Voorzitter, ik kom terug bij voedselzekerheid, als dat mag. Vanwege ruimtegebrek door de andere keuzes die deze partijen maken, komen we namelijk in de discussie over dat boeren en vee moeten wijken. Daar is de PVV het simpelweg niet mee eens. De voorzitter: Meneer Lohman kan hier kort nog een interruptie op plaatsen. De heer Lohman (CDA): Weet meneer Jansen wat het ruimtegebruik is? Weet hij hoeveel procent we nodig hebben voor de woningbouw in Nederland? De heer Chris Jansen (PVV): Dat ligt ook weer aan hoeveel mensen wij er jaarlijks in het land bij krijgen. Op het moment dat de grenzen gewoon dichtgaan en wij niet jaarlijks een stad ter grootte van Zoetermeer erbij krijgen aan mensen die hier politiek asiel aanvragen, hebben wij die problematiek een stuk minder. De voorzitter: Vervolgt u uw betoog, meneer Jansen. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ik wil even een punt van orde maken. De voorzitter: Nee, u bent nog niet aan de beurt, want meneer Lohman gaat eerst het tweede deel van zijn interruptie doen en dan kijk ik even naar u. O, een punt van orde? Oké. Mevrouw Van der Plas dan. Ik ben daar streng op, hoor. Mevrouw Van der Plas (BBB): Ik wil even een punt van orde maken. We hebben echt weinig tijd. Wij willen de staatssecretaris ook nog bevragen. Dit zijn wel allemaal belangrijke onderwerpen, die voorbijkomen, maar ik ben wel een beetje bang dat we straks de bevraging van de staatssecretaris erdoorheen moeten jassen en ook weer geen tweede termijn hebben. Ik zou de voorzitter dus willen vragen om inderdaad wel bij de orde van het debat te blijven. De voorzitter: Uitstekend. Jazeker. Als meneer Lohman dus over voedselzekerheid een interruptie heeft voor de heer Jansen is dat akkoord. De heer Lohman (CDA): Het ging over het landgebruik. Dat is een paar procent. Dat staat niet in verhouding tot de hoeveelheid land die we nodig hebben voor voedselproductie. De voorzitter: Meneer Jansen gaat verder met zijn betoog over voedselzekerheid. De heer Chris Jansen (PVV): Elk procent is er één te veel in het landgebruik, maar goed. Ik was bij de straat van Hormuz en daar werd weer eens aangetoond hoe kwetsbaar internationale ketens zijn. De stijgende prijzen van aardgas, brandstof en kunstmest raken onze primaire producenten recht in het hart. Wat is de reactie van de staatssecretaris? In zijn brief kondigt hij de Strategische Agenda Voedselzekerheid aan, maar de planning is natuurlijk dramatisch. Het Landelijk Crisisplan Voedselzekerheid volgt pas begin 2027 en de definitieve strategische agenda wordt pas voor de zomer van 2027 naar de Kamer gestuurd. Maar de problemen bij onze boeren en vissers en de stijgende boodschappenprijzen voor onze burgers spelen nu. Die kunnen niet wachten tot ergens in 2027. Is de staatssecretaris bereid om, vooruitlopend op deze agenda, acute noodmaatregelen te nemen om de productiekosten voor onze agrarische sector te drukken en zo ook de voedselprijzen voor burgers betaalbaar te houden? Prognoses laten zien dat de voedselprijsinflatie kan oplopen tot 7% in 2027. De WUR-analyse toont klip-en-klaar aan wie de klappen opvangen: lage inkomens, alleenstaanden en gezinnen met kinderen. Hoe gaat dit kabinet voorkomen dat deze inkomens, die op heel veel terreinen de hoofdprijs betalen, ook hierdoor weer keihard worden geraakt, is mijn vraag. Voorzitter. Onze boeren worden klemgezet door een stapeling van beleid. Terwijl de kunstmestprijzen fors zijn gestegen en het Europese CBAM-mechanisme kunstmest nog eens 10% tot 20% duurder maakt, wordt de melkveehouderij geconfronteerd met het wegvallen van de derogatie. Daarnaast zien we dat onze akkerbouwers en tuinders steeds meer cruciale gewasbeschermingsmiddelen niet meer mogen gebruiken. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: dwingt de overheid onze boeren zo niet juist in grotere afhankelijkheid van het buitenland? Voorzitter. Ook de visserij staat op omvallen. Ongeveer 40% tot 50% van de grote boomkorkotters ligt stil in de haven, omdat uitvaren bij een gasolieprijs van meer dan €1 per liter ronduit verliesgevend is. De toezegging van 25 miljoen euro voor energie-efficiency is dan ook een doekje voor het bloeden, dat de acute nood op het water niet wegneemt. Kortom, de Nederlandse visserij gaat kapot en het kabinet lijkt weg te kijken. Is de staatssecretaris bereid om met aanvullende overbruggingssteun voor de kottervloot te komen? Graag een reactie. Voorzitter. Tot slot benoem ik de reactie op de motie-Dijk over marktmacht in de voedselindustrie. De staatssecretaris stelt op basis van de ACM-monitoren dat er geen onevenredige verdeling van ketenmarges is. Tegelijkertijd erkent de brief dat meerkosten voor verduurzaming op het boerenerf vaak niet worden vergoed, terwijl de burger wel de hoofdprijs betaalt aan de kassa. Hoe zit dat dan, vraag ik aan de staatssecretaris. Hoe kan het dat de marges ergens in de keten lijken te verdwijnen? Graag een reactie. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, meneer Jansen. Mevrouw Den Hollander meldt zich nog voor een korte interruptie. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik heb een kleine vraag over de visserij. Daarvoor komt de PVV daadwerkelijk met een soort van oplossing, lijkt het, namelijk een extra bijdrage voor de kottervloot. Is daar dan ook een dekking voor? Heeft de PVV die ook bedacht? De heer Chris Jansen (PVV): Nee, want ik vraag juist aan de staatssecretaris of hij daartoe bereid is. Zodra de staatssecretaris "ik ben ertoe bereid" zegt, kunnen wij intern kijken. Volgens mij hebben we standaard een lijstje met punten waarop wij flink kunnen bezuinigen. Denk aan ontwikkelingshulp. Dat levert enkele miljarden op. Zo zijn er nog wel een aantal andere posten. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar ook het terugdringen van de immigratie zou enorm kunnen helpen om geld te vinden voor andere zaken. De voorzitter: Dan zijn we toe aan de termijn van mevrouw Ten Hove van Groep Markuszower. Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower): Dank, voorzitter. Nederland kent een hoge mate van voedselzekerheid, maar laten we onszelf niets wijsmaken; dat is namelijk niet vanzelfsprekend. Geopolitieke spanningen nemen toe, handelsroutes worden kwetsbaarder en oorlogen en conflicten raken energie, grondstoffen, transport en voedselstromen rechtstreeks. Uiteindelijk merkt iedereen in ons land dat aan de beschikbaarheid en de prijs van boodschappen. Het kabinet heeft gekeken naar de gevolgen van de mogelijke afsluiting van de Straat van Hormuz. De conclusie is helder: niet direct grote voedseltekorten, maar wel onmiddellijk hoge voedselprijzen. Dat is precies waarom DNA zich grote zorgen maakt over de richting die dit kabinet voor Nederland kiest. Terwijl de wereld onzekerder wordt, kiest dit kabinet voor het verkleinen van onze eigen productiecapaciteit, voor sanering van boerenbedrijven, voor het verminderen van de veestapel en ook voor sanering van de visserij. Voorzitter. Dat vinden wij de omgekeerde wereld. Een kabinet dat spreekt van een weerbaar en zelfvoorzienend Nederland zou er juist voor moeten zorgen dat Nederland voldoende voedsel kan blijven produceren wanneer internationale handelsstromen onder druk komen te staan. Dat is niet alleen onze opvatting. Ook de NAVO ziet voedselzekerheid inmiddels nadrukkelijk als onderdeel van weerbaarheid en veiligheid. De NAVO publiceerde deze maand nieuwe eisen voor nationale weerbaarheid. Daarin staat expliciet dat landen plannen moeten hebben om de voedselvoorziening tijdens crisis en conflicten veilig te stellen. Daarbij gaat het niet alleen om voedselvoorraden, maar ook om de continuïteit van de voedselsector, kritieke productiemiddelen en toeleveringsketens. Secretaris-generaal Mark Rutte koppelde die weerbaarheid aan het vermogen van landen om maatschappelijke voorzieningen tijdens crises overeind te houden. De NAVO noemt voedselvoorziening daarbij expliciet als een voorziening die zowel de samenleving als de krijgsmacht moet kunnen blijven ondersteunen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is daarom heel simpel: hoe kan Nederland enerzijds de NAVO-eisen voor voedselvoorziening onderschrijven, maar anderzijds beleid voeren dat onze eigen voedselproductie structureel verkleint? DNA is daarnaast kritisch op het Mercosur-akkoord. Recent werd opnieuw duidelijk hoe belangrijk controle op voedselveiligheid en resistentie is, toen onder andere Braziliaans vlees vanwege de te grote hoeveelheden antibiotica niet tot de Europese markt werden toegelaten. Hoe rijmt het kabinet dit met de eigen agenda om strategische afhankelijkheden te verminderen? Klimaatverandering maakt voedselzekerheid alleen maar belangrijker. Juist daarom moeten we onze productiecapaciteit behouden. Als delen van de wereld door klimaatverandering, oorlog of geopolitieke instabiliteit met voedseltekorten worden geconfronteerd, kunnen wij niet simpelweg zeggen: dan importeren we het wel. Want wat als die handelsstromen er niet zijn? Wat als energie nog duurder wordt, transport stilvalt of een belangrijke handelsroute wordt afgesloten? Dan blijkt ineens wat voedselzekerheid werkelijk betekent. DNA wil daarom geen papieren maar echte voedselzekerheid. Dat betekent ruimte voor boeren, ruimte voor vissers en een sterke Nederlandse agrosector. Zuinig zijn op onze natuur en voedsel produceren kunnen wat ons betreft prima samengaan. Dat hebben boeren generatieslang bewezen. Wie werkelijk een weerbaar Nederland wil, moet niet alleen investeren in defensie en energiezekerheid. Dan moet je ook zorgen dat je morgen nog boeren hebt die ons voedsel kunnen produceren. Onze boeren zijn onderdeel van onze strategische weerbaarheid, onze voedselzekerheid. Dank u wel, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Ten Hove. Dan ga ik naar mevrouw Podt van D66. Mevrouw Podt (D66): Dank u wel, voorzitter. Wie in Nederland door een overvolle supermarkt loopt, denkt wellicht niet dat voedselzekerheid hoog op de agenda van de Tweede Kamer zou moeten staan. Toch komt het, ook de laatste tijd weer, geregeld in debatten voorbij. Stort onze voedselvoorziening ineen als we onze landbouw anders vormgeven in Nederland? Daar kom ik zo op terug. Het antwoord is overigens nee. Maar het is wel goed om dit debat te hebben, want iedereen wil dat we morgen, over 10 jaar en over 50 jaar nog steeds voldoende voedsel kunnen produceren, ook als het klimaat verandert of ergens ter wereld een conflict uitbreekt. Bij een sterk Nederland hoort een sterke voedselvoorziening. Dat wil zeggen: minder afhankelijk zijn van andere landen, onze voedselproductie weerbaar maken en voorbereid zijn op crisis. Voorzitter, ik zei het net al even: we moeten het even hebben over sojaschroot. Weinig Nederlanders hebben ervan gehoord, maar het is een van de beste manieren om onze afhankelijkheden te illustreren. Sojaschroot is een essentiële component van veevoer. Als je vlees of eieren eet, eet je dus indirect sojaschroot. Maar soja importeren we op grote schaal uit Zuid-Amerika. Loopt er internationaal dus iets verkeerd, dan komt die productie in gevaar. Instituut Clingendael adviseert de Nederlandse overheid daarom voor twee à drie maanden sojaschroot op te slaan, maar constateert zelf al dat we in Nederland zo veel soja gebruiken dat de haalbaarheid daarvan beperkt is. Kortom, als we minder afhankelijk willen worden, overigens ook van kunstmest of energie, moeten we juist anders nadenken over onze voedselvoorziening: meer ruimte voor plantaardig, meer ruimte voor voedsel dat we zelf eten, in plaats van onze dieren, en meer ruimte voor innovatief en nieuw voedsel. Dat is goed nieuws voor Nederlandse bonentelers, voor Nederlandse groentetuinbouwers, die steeds vaker produceren met heel weinig bestrijdingsmiddelen, voor onze productie van innovatie zaden en voor de vele bedrijven in Nederland die vooroplopen in nieuwe eiwitten, kweekvlees en fermentatie. Hoe kijkt de staatssecretaris naar de oproep van meer dan 50 producenten en ketenpartners voor meer plantaardige voeding, juist ook voor onze voedselzekerheid? Welke maatregelen neemt de staatssecretaris om het vestigings- en groeiklimaat voor innovatieve voedselbedrijven, zoals kweekvleesproducten, te waarborgen? Hoe zet hij zich in voor snellere Europese toelating? Wordt deze staatssecretaris de eerste die kweekvlees op de Nederlandse markt laat komen? Voorzitter. Er komen veel plannen aan: het stikstofpakket, het convenant gewasbescherming en de eiwitstrategie. Wordt ieder plan dat de komende tijd naar buiten komt ook gelegd langs de "draagt het bij aan een sterker Nederland"-meetlat? Oftewel, vermindert het onze afhankelijkheid van geïmporteerd veevoer, kunstmest, energie en andere zaken? Voorzitter. Boeren krijgen steeds vaker te maken met extreem weer. Denk aan droogte, zoals de afgelopen zomer, maar ook aan te veel water. Dat zet onze weerbaarheid op lange termijn onder druk. Voedselzekerheid en verduurzaming gaan daarom hand in hand. Een gezonde bodem, stabiel klimaat en voldoende water bepalen uiteindelijk wat er van het land komt. Daarom zullen de maatregelen op het gebied van stikstof, klimaat en natuurherstel ook moeten bijdragen aan die weerbaarheid op de lange termijn, net als het voorkomen van droogte. Kan de staatssecretaris in zijn voedselzekerheidsstrategie expliciet aandacht geven aan meer inzet op het voorkomen van droogteschade, bijvoorbeeld door water beter vast te houden en via het grondwaterpeil? Voorzitter. Ten slotte noem ik nog onze paraatheid voor als er toch een crisis volgt. Vorige week werd bekend dat de staatssecretaris wil dat mensen voor acht dagen aan voedsel voorradig hebben om voorbereid te zijn op een crisis. Mijn indruk was dat dat nieuws een beetje verloren ging in ons gekrakeel in de plenaire zaal. Op dit moment heeft nog geen 50% van de mensen een pakket voor drie dagen in huis. Hoe gaat het kabinet er dus voor zorgen dat echt iedereen in Nederland is voorbereid, ook mensen die misschien wat minder zelfredzaam zijn? Voorzitter. Voedselzekerheid betekent voor D66 dat Nederland en Europa ook in een veranderende wereld voldoende en duurzaam voedsel kunnen blijven produceren. Dat vergt in de eerste plaats wat van de manier waarop we ons voedselsysteem inrichten: minder afhankelijkheden, weerbaar op de lange termijn en voorbereid op een crisis. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel, mevrouw Podt. Mevrouw Keijzer voor haar eerste termijn. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Dank u wel, voorzitter. Ik heb de brief van de staatssecretaris, van 8 juli 2026, over een voedselzekerheidsagenda gelezen. Dat klinkt allemaal heel mooi, alleen is er nog iets aan de hand, namelijk de stikstofplannen van het kabinet, waar de staatssecretaris onderdeel van uitmaakt. Dan heb je drie fundamentele botsingen. Hij wil eigen voedselproductie behouden, alleen zal de agenda van Van Essen de productie uiteindelijk beperken. Als je de landbouw met 42% tot 46% vermindert, betekent dat dat voor heel veel boerenbedrijven faillissement of gedwongen stoppen heel snel in beeld komen. De voorzitter: Ahum. Twee excuses, want meneer Lohman heeft ook een vraag voor u. De heer Lohman (CDA): Is mevrouw Keijzer zich ervan bewust dat die 42% tot 46% over emissie gaat? Dat gaat dus niet over de landbouw. Dat kunnen we volgens mij niet gelijktrekken. Bent u het daarmee eens? Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Ja, maar als je je vervolgens realiseert dat dat betekent dat de veestapel met 40% moet krimpen, dan heb je het wel meteen over boerenbedrijven. De heer Lohman (CDA): Nee, ook die conclusie die getrokken wordt, kun je niet een-op-een afleiden uit het PBL-rapport, dat u volgens mij aanhaalt. Het gaat niet over een krimp van 40%. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Als je naar het rapport van PBL kijkt, heb je al helemaal een gigantisch probleem, want met die plannen zijn alle natuurgebieden nog buiten beeld. Ik zit dus aan de voorzichtige kant. Voorzitter, ik ga verder. De staatssecretaris wil sterke boerenbedrijven. Alleen, zijn collega in het kabinet wil minder ruimte om te boeren. Deze staatssecretaris wil dat boeren economisch sterk blijven, terwijl het beleid van Van Essen ertoe leidt dat er veel minder ruimte is voor sterke boerenbedrijven, zeker als je kijkt naar de stapeling van alle punten en de cirkels rondom natuurgebieden. De derde botsing … De voorzitter: Daar heeft mevrouw Den Hollander eerst nog een vraag over. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik vraag me af of mevrouw Keijzer weleens gehoord heeft van het trappetje van Remkes. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Ja, dat heb ik. Mevrouw Den Hollander (VVD): Dat is heel fijn. Wat is dan de eerste trede van het trappetje van Remkes? Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Ik ga hier niet meedoen aan een overhoring, want ik heb inmiddels heel wat diploma's in mijn rugzakje zitten. Het trappetje van Remkes is overigens alweer een hele tijd geleden. In datzelfde rapport stond ook de zin die ging over wanhoop in de ogen van redelijke mensen. Dat vind ik vele malen belangrijker dan elkaar hier overhoren over trappetjes. Ik denk dat ik gewoon verderga met mijn betoog, tenzij mevrouw Den Hollander hier nog een interruptie over heeft. Wat hier uiteindelijk aan de orde is, is het volgende. We zitten hier om te spreken over een agenda voedselzekerheid, die op zichzelf mooi in elkaar zit met mooie woorden. Daartegenover staat het beleid van een collega in hetzelfde kabinet, dat uiteindelijk botst met de agenda van deze staatssecretaris. Daar heb ik aan het einde van de derde fundamentele botsing een vraag over. De voorzitter: Ik zou zeggen: gaat u daarmee door. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Ik dacht dat mevrouw Den Hollander weer naar de interruptiemicrofoon ging, maar dat was niet zo. De voorzitter: We doen interrupties in tweeën. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): O, dus ze zijn op. Deze staatssecretaris wil minder afhankelijk worden, terwijl er met het beleid dat gevoerd wordt door zijn collega in het kabinet uiteindelijk sprake zal zijn van meer afhankelijkheid, zeker omdat er nog een generieke korting op productierechten in 2035 achter de hand gehouden wordt. Er worden dus mooie woorden gesproken door de ene staatssecretaris, die haaks staan op het beleid van de andere. Het is ouderwets D66-krimpbeleid, dat gesteund wordt door in ieder geval een groot gedeelte van de aanwezigen in deze commissie. Het zal leiden tot minder voedselzekerheid en, ook niet onbelangrijk, een kaalslag op het platteland. Voorzitter. Lubach, en zijn op zichzelf grappige filmpjes, is al voorbijgekomen. Daar wordt voorbijgegaan aan het feit dat wij weliswaar voor een deel produceren voor de export, maar dat is op Europees niveau. Ik vind het altijd heel erg bijzonder om vast te stellen dat ik naast mij allerlei mooie gedragen woorden hoor over verantwoordelijkheid voor het voeden van delen van de wereld waar het niet zo goed gaat met de voedselvoorziening en de voedselzekerheid, maar dat dat blijkbaar niet geldt voor dat deel van de Europese Unie dat gewoon onze boeren zijn. Ik vind dat altijd heel bijzonder om te horen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is vrij simpel: wat is het effect van deze stikstofplannen op de Nederlandse voedselproductie? Hoeveel boerenbedrijven kunnen straks nog doorgaan? Ik zou het op prijs stellen om het niet in algemene percentages te horen, maar om gewoon te horen wat dit nou betekent voor de boerenbedrijven in Nederland. Is er een ondergrens voor de nationale voedselproductie? Zo ja, welke is dat? Is het doorgerekend of die ondergrens, voor zover die vastgesteld is, overeind blijft met de stikstofplannen? Zo ja, wanneer kunnen we die cijfers ontvangen? Als de conclusie dan zorgwekkend is, wat volgens mij niet anders kan, wil dit kabinet dan nog steeds, gesteund door zo'n beetje alle partijen aan mijn rechterhand, doorgaan met dit desastreuze beleid? En nee, een aantal partijen niet. Mevrouw Ten Hove niet, de heer Jansen niet, de heer Flach niet en uiteraard mevrouw Van der Plas niet. Maar voor de rest is dat geen meerderheid en is het vrij somber. De interrupties op het gebied van de zegeningen van een plantaardige agenda hoef ik hier niet te herhalen, want dat heb ik net uitgebreid gedaan. Dank u. De voorzitter: Dank u, mevrouw Keijzer. Mevrouw Den Hollander (VVD): Het is niet mijn bedoeling om mevrouw Keijzer te overhoren, maar mevrouw Keijzer heeft zelf een tijdje in het kabinet gezeten en moet zich ervan bewust zijn dat het kabinet altijd met één mond spreekt. Ik kan me dus voorstellen dat deze twee waarheden naast elkaar bestaan en door het hele kabinet gedeeld worden. De vraag die de VVD heeft gesteld, gaat ook over hoe je binnen het pakket ruimte houdt voor innovatieve bedrijven en hightech voedselproductie. Deelt mevrouw Keijzer dat met de VVD? Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Nee. Als je je eigen voedselproductie wil behouden, sterke boerenbedrijven wil houden en minder afhankelijk wil worden van het buitenland, wat in de brief van deze staatssecretaris staat, dan staat dat namelijk haaks op een beleid dat uiteindelijk sowieso gigantisch terug zal gaan in productierechten. Daarbij komt ook nog eens economische onzekerheid omdat er uiteindelijk een generieke korting in 2035 boven de markt blijft hangen en je dus simpelweg heel moeilijk aan financiering kunt komen. Dat staat nog los van de vraag of er überhaupt vergunningen loskomen als — ik citeer het planbureau — je in zo'n beetje de helft van de natuurgebieden nog steeds niet kunt voldoen aan de stikstofdroom of -nachtmerrie; het is maar net hoe je het bekijkt. De voorzitter: Dan zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. We schorsen tot 16.00 uur, heb ik met de staatssecretaris afgesproken. Dan zien wij elkaar hier weer, om in het laatste uur hopelijk de beantwoording van de staatssecretaris en wellicht nog een tweede termijn af te ronden. De vergadering wordt van 15.45 uur tot 16.03 uur geschorst. De voorzitter: Goed, beste mensen, welkom terug bij dit debat over voedselzekerheid. We gaan zo naar de beantwoording van de staatssecretaris. We hebben echt strak tot 17.00 uur en geen minuut langer, dus we gaan gauw over naar de beantwoording door de staatssecretaris, met hetzelfde regime als voor de schorsing. Mijn verzoek aan u is om echt te bedenken of uw interruptie nodig is. Alles tot een halve minuut is gratis en alles daarboven kost u twee interrupties. U heeft er vier in tweeën. Staatssecretaris, wilt u voor onze administratie even beginnen met welke mapjes u heeft? Staatssecretaris Erkens: Zeker, voorzitter. Ik heb een korte inleiding, gevolgd door het mapje strategische afhankelijkheden, het mapje Strategische Agenda Voedselzekerheid en een hele grote map overig. Er kwamen namelijk heel veel diverse onderwerpen langs. De voorzitter: Oké, heel goed. Steekt u van wal, staatssecretaris. Staatssecretaris Erkens: Dank, voorzitter. Voedselzekerheid was tot voor kort voor de meesten van ons een vanzelfsprekendheid. We gaan naar de supermarkten en de schappen zijn goedgevuld met een gevarieerd aanbod. Maar in de laatste jaren is duidelijker geworden dat een groot, betaalbaar en divers voedselaanbod minder vanzelfsprekend is dan we normaal zijn gaan vinden. De gevolgen van klimaatverandering — denk aan de droogte deze zomer — en geopolitieke spanningen, zoals de blokkade van de Straat van Hormuz of de Russische agressieoorlog in Oekraïne, hebben een directe impact op onze voedselvoorziening. Dat gaf ook uw Kamer in meerdere inbrengen aan. Deze ontwikkelingen leiden in Nederland en de Europese Unie tot op heden niet tot voedseltekorten, maar zetten door stijgende kosten van energie, grondstoffen en voedingsmiddelen en door de verstoringen van logistieke ketens wel de stabiliteit van onze voedselvoorziening onder druk. Dit soort crises gaan we waarschijnlijk vaker zien. We ervaren op dit moment al een stapeling van gebeurtenissen die haar weerslag vindt in de mondiale voedselketens. Daarom zet het kabinet zich in voor een weerbaar voedselsysteem, onder andere via de aangekondigde voedselzekerheidsagenda. Een weerbaar voedselsysteem betekent niet dat wij zelfvoorzienend moeten worden, maar wel dat we met een combinatie van diverse binnenlandse voedselvoorzieningsketenactiviteiten en mogelijkheden voor import en export zorgen voor risicospreiding, en daarmee ook voor veerkracht. Daarnaast draagt dat bij aan onze welvaart. Voorzitter. Volledige zelfvoorziening is een illusie in dit scenario, want Nederland is in grote mate afhankelijk van de import van veevoer, plantaardige oliën en kunstmest, maar ook tropisch fruit, energie en digitale diensten. Er zijn ook heel veel inputs nodig voor de productie in Nederland. Juist door voedsel te verbouwen op plekken met een comparatief voordeel bouwen we aan een efficiënt en duurzaam voedselsysteem. Maar een blind vertrouwen in vrijhandel is evenmin een optie. In een onrustige wereld kunnen importstromen plotseling wegvallen en kunnen afhankelijkheidsrelaties worden ingezet als een drukmiddel. De oplossing ligt dus in een combinatie: een sterke nationale voedselproductie gecombineerd met betrouwbare importstromen en een spreiding van risico's. Zo nemen we meer regie om in een onzekere wereld voedselzekerheid te garanderen. Een belangrijk uitgangspunt van de agenda is focus. Ik ben me ervan bewust dat ik met mijn keuze voor een agenda gericht op weerbaarheid niet alle uitdagingen van het voedselsysteem in één keer beetpak, maar dit is wel degelijk een urgent en noodzakelijk onderdeel ervan. Ik kies daar bewust voor, ook om verwatering te voorkomen en om die agenda komend jaar op te leveren aan uw Kamer. Met concrete acties dragen we bij aan een veerkrachtig voedselsysteem in Nederland op de lange termijn, waardoor de hoge standaard van voedselzekerheid in de toekomst geborgd moet blijven worden. Dan ga ik naar mijn eerste mapje, voorzitter, maar ik zie dat er al interrupties zijn. De voorzitter: We gaan de interrupties steeds aan het eind van elk blokje doen. Dat was ik vergeten te zeggen. We zijn aan het eind van de inleiding, dus wat mij betreft kunnen we nu een rondje maken. Mevrouw Bromet (PRO): Dit lijkt me een realistisch startpunt voor de agenda, maar de staatssecretaris zegt dat hij wil gaan focussen. Kan hij iets meer vertellen over de focus die hij dan aanbrengt? Staatssecretaris Erkens: In de voedselzekerheidsagenda richten we ons op veerkracht bij ontwrichtende evenementen wereldwijd. Denk dan aan geopolitieke onrust, het wegvallen van importstromen, uitzonderlijke droogte of te veel regen. Daar gaan we drie dingen voor doen. Het ene is kijken of de keten zelf veerkrachtig genoeg is, van primaire productie tot verwerking en logistiek, om zich aan te passen aan die omstandigheden. Het tweede heeft te maken met het afnemen van risico's die nu bestaan in onze import- en exportrelaties. Daarbij kun je denken aan de inzichten van het Clingendaelonderzoek over importafhankelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan antibiotica voor het vee uit China, maar andersom inderdaad aan overmatige afhankelijkheid van de export van een product naar één markt. Ook in dit geval is China misschien een goed voorbeeld. We hebben gezien dat een aantal producten uit Nederland in de bredere discussie rondom Nexperia en natuurlijk ook in de periode daarna aan sancties onderhevig waren. Het derde stuk gaat over de weerbaarheid in een crisis zelf, de acute noodsituatie. Stel dat het ergste gebeurt en we echt in een noodscenario zitten, zijn we dan voorbereid om iedereen in Nederland van voldoende voedsel te kunnen voorzien? Die drie gebieden hebben nu de focus. Mevrouw Bromet (PRO): Ik denk dat het een goede focus is, dus ik wil dat ondersteunen. Wij hebben zelf als commissie ook een wildcardsessie gedaan om te kijken hoe je je als overheid moet voorbereiden op noodsituaties. Dat vond ik heel veel inzicht geven. Succes. Staatssecretaris Erkens: Dank u. De voorzitter: Dan ga ik naar mevrouw Ten Hove. Mevrouw Ten Hove (Groep Markuszower): Ik hoorde de staatssecretaris zeggen: het spreiden van risico's. Aangezien u nog bezig met de voedselagenda, zouden we dan nu niet een grote rode pauzeknop ten aanzien van het stikstofbeleid moeten hebben, omdat we nu het risico lopen dat heel veel boerenbedrijven stoppen? Misschien blijkt volgend jaar wel dat we die helemaal niet kunnen missen. Is de staatssecretaris bereid om daar op het ministerie nog eens goed over te spreken? Staatssecretaris Erkens: Nee, daar ben ik niet toe bereid. Ik zal dadelijk uitgebreider ingaan op vragen daarover, onder andere van het lid Keijzer. De inzet van het kabinet is om de vergunningverlening vlot te trekken en reductie op het bied van stikstof te bewerkstelligen. Dat zal wat betekenen voor de samenstelling van de landbouwsector, maar de insteek van dit kabinet is dat wij over vijf à tien jaar nog steeds een heel sterke landbouwnatie zijn met een goede exportpositie, die ook in staat is de voedselzekerheid te borgen. Ik zal dadelijk ook meer ingaan op die raakvlakken en hoe die aan elkaar gerelateerd zijn. Mevrouw Podt (D66): Ook ik ben op zich blij met de focus, maar je ziet in dit debat natuurlijk ook wat aanpalende thema's die over weerbaarheid op iets langere termijn of iets breder gaan. Ziet de staatssecretaris zichzelf nou ook als een soort portefeuillehouder daarop om ook te zorgen dat ... Want dat zijn uiteindelijk natuurlijk toch communicerende vaten met de agenda die hij zelf maakt. Staatssecretaris Erkens: Dat is een terechte vraag. De agenda heeft focus op de drie speerpunten die ik net noemde. Tegelijkertijd lopen er heel veel andere trajecten die uiteraard ook raakvlakken hebben met zo'n agenda, dus ik zie het wel degelijk als mijn rol om die aan elkaar te verbinden. Een aantal van de vragen die langskwamen, betroffen de dossiers van voedselverspilling, plantaardige eiwitten, kweekvlees en innovatie. Waar we haakjes kunnen slaan met de agenda zullen we dat de komende periode ook doen. Dat zit trouwens niet alleen bij LVVN, dus ik wil proberen ook andere departementen aan te haken bij deze agenda waar het nodig is, juist om te voorkomen dat je in isolement per commissie hier in de Kamer een debat voert en wij uiteindelijk allemaal naar elkaar gaan verwijzen, omdat het niet bij ons beleidsterrein zit. Ik probeer dus de collega's ook echt proactief mee te nemen hierin. De voorzitter: Ik ga eerst naar de heer Flach, dan ga ik naar het lid Kostić en dan ga ik … O ja, sorry, u krijgt zo het woord, maar dat is ongeveer de volgorde. Dan kunt u daar rekening mee houden. Daarna is mevrouw Keijzer. Mevrouw Podt (D66): Ik wilde alleen maar even zeggen: dat is ook fijn voor ons, want dan weten we wie we moeten aanspreken. Staatssecretaris Erkens: Het zal blijken of dat fijn voor mij is, maar … De heer Flach (SGP): De staatssecretaris is natuurlijk niet doof voor allerlei signalen van verschillende sectorpartijen, of je het nou hebt over de melkveehoudersvereniging of de vereniging van varkenshouders. Het mag helder zijn dat de grootste bedreiging van de continuïteit en weerbaarheid van onze eigen voedselzekerheid op dit moment het beleid is van het ministerie van de staatssecretaris zelf. Ik hoop dat de staatssecretaris daarop ingaat, maar ik zou hem nu de algemene vraag willen stellen of hij ziet dat het beleid dat uitgerold dreigt te gaan worden vanuit zijn ministerie, een grote intrinsieke bedreiging kan vormen van de voedselzekerheid. Je kan wel willen dat er over vijf of tien jaar nog een robuuste sector is vol met enthousiaste ondernemers met een toekomstperspectief, maar daarmee is het nog niet zo. De signalen zouden hem toch echt tot andere gedachten moeten brengen, zou ik zeggen. Wil de staatssecretaris daar eens op reflecteren? Staatssecretaris Erkens: Daar kan ik zeker op reflecteren. Ik kan erkennen dat het beeld bestaat dat het grote impact kan hebben. Dat is ook logisch, want een deel van het beleid is nog niet volledig geconcretiseerd of uitgewerkt, onder andere het ondersteuningspakket daarbinnen. Tegelijkertijd is voedselzekerheid geen zwart-wit onderwerp wat dat betreft. We hebben in de interruptiedebatten in de Kamer al best wat uitwisseling gezien. Je kunt niet stellen dat productie van vlees in Nederland per se schadelijk is voor voedselzekerheid, maar het brengt kwetsbaarheden met zich mee. Het zorgt ervoor dat je inderdaad meer moet importeren op het gebied van veevoer, antibiotica en ga zo maar door. Andersom betekent het ook niet dat als je minder vlees zou produceren, dat per se goed is voor de voedselzekerheid. Het zit vrij complex in elkaar. Er zitten afhankelijkheden. Landen specialiseren zich in bepaalde zaken. Het argument is net ook uitgewisseld dat wij in onze delta relatief hoogproductief zijn daarbinnen. De voedselzekerheid borgen wij op twee vlakken in de uitwerking van dit pakket. Dat doen we via het ondersteuningspakket, met het verschaffen van duidelijkheid over hoe de samenstelling van de sector kan veranderen, terwijl we daarbij wel een sterke landbouw houden. Dat is aspect nummer één. Daarnaast hebben we de WUR gevraagd een reflectie te geven op de sociaal-economische impact, ook met een ondersteuningspakket erbij, en de raakvlakken met voedselzekerheid. Die reflectie, met die inzichten, zal dit jaar nog naar de Kamer komen, zodat u die kunt meenemen in de debatten die u hier nog over heeft. De heer Flach (SGP): Dank voor het antwoord. Er ligt 20 miljard klaar. Dat bedrag zal voor een belangrijk deel ingezet worden om boeren te laten stoppen. Is de staatssecretaris het dan op z'n minst met me eens dat stoppende boeren geen versterking zijn van de weerbaarheid en de voedselzekerheid? Staatssecretaris Erkens: Nee, voorzitter. Het punt dat de heer Flach maakt kan ik grotendeels volgen, maar voedselzekerheid is een heel stuk breder dan dit. Je moet ook kijken naar de logistieke functie die Nederland heeft op het gebied van voedsel, de verwerkende industrie en de innovatie die plaatsvindt op het gebied van veredeling. Vandaar dat ik net aangaf dat dit geen zwart-witdossier is waarbij je heel makkelijk kunt zeggen dat de voedselzekerheid onder druk staat. Het ligt ook aan de keuzes die wij hierin de komende periode met de Kamer zullen maken. In dit debat probeer ik in ieder geval een aantal van de beleidslijnen toe te lichten die ik vanuit mijn portefeuille oppak op het gebied van voedselzekerheid. De innovatieagenda zal zo langskomen. Daarmee kunnen we de voedselzekerheid op andere aspecten versterken. Kamerlid Kostić (PvdD): Een grote zorg van ons was erin gelegen dat we niet integraal en niet op de langere termijn zouden kijken, maar als ik de staatssecretaris zo hoor, zegt hij: nee, dat gaan we nog verwerken. Hij gaat dus bijvoorbeeld de adviezen van de experts opvolgen waarin staat dat we integraal moeten kijken naar verduurzaming van de productie, het klimaat, de eiwittransitie en minder voedselverspilling, dus dat hele pakket, waarbij je ook kijkt naar gezonde voeding, zodat je een echte strategie hebt voor de langere termijn. Klopt dat? Staatssecretaris Erkens: Dat klopt grotendeels, maar het is geen onderdeel van de voedselzekerheidsagenda die ik voor volgende zomer wil opleveren, met concrete acties. Die is echt gericht op de weerbaarheid voor bijvoorbeeld geopolitieke schokken, zoals ik al zei. Ik wil u echt iets concreets toesturen, met voorstellen voor zowel het Rijk als de keten zelf om acties te ondernemen. Daarnaast lopen er uiteraard ook trajecten op het gebied van de eiwitstrategie — volgens mij heeft de heer Lohman dat in een motie gevraagd — en de innovatieagenda. Ook hebben we het klimaatbeleid van onder andere KGG. Al die raakvlakken zullen we uiteraard meenemen, maar ik kom niet met een hele brede agenda, omdat we dan met elkaar het risico lopen dat er dan mooie visiestukken liggen, maar u een jaar later nog steeds niet wijzer bent over wat wij gaan doen. Kamerlid Kostić (PvdD): Het gaat niet per se om de breedheid, maar het gaat om integraliteit, dus dat je maatregelen neemt die op meerdere punten iets positiefs doen. Je kunt natuurlijk niet zeggen: ik doe aan weerbaarheid, maar ik neem de verduurzaming van de productie, het klimaat, de eiwittransitie, voedselverspilling en gezondheid niet mee. Dat is een beetje gek. Dat is immers uiteindelijk allemaal onderdeel van het verhaal van de weerbaarheid. Klopt dat? Staatssecretaris Erkens: Het is grotendeels onderdeel van het verhaal van de weerbaarheid. Ik snap de vraag van het lid Kostić hierover. Die trajecten lopen hier parallel aan. We hebben onlangs de week tegen voedselverspilling gehad en we zien dat we goede stappen zetten richting het doel van halvering van de voedselverspilling in 2030. Al die trajecten lopen door en waar we raakvlakken kunnen pakken, doen we dat, maar binnen de agenda ... Laat ik een van de drie speerpunten nogmaals noemen. Met het oog op een complete ontwrichting van de handelsstromen is de discussie toch vaak: moeten we bepaalde voorraden opbouwen en welke afspraken maken we met supermarkten? De integraliteit zul je niet in alles hoeven mee te nemen, omdat het soms ook best specifiek is, maar waar we vanuit die andere trajecten raakvlakken hebben, nemen we die mee. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Ik hoorde de staatssecretaris net zeggen dat hij wil dat Nederland een even sterk exportland op het gebied van voedsel blijft als het nu is. Het gaat nu om ongeveer 140 miljard, waarvan 49 miljard wederuitvoer is. Zo'n 88 miljard is dus export. Is dat het cijfer dat hij ook over tien jaar nog wil hooghouden? Staatssecretaris Erkens: Ik ga me er niet aan wagen om voorspellingen te doen over de economische omvang, want er gaat de komende jaren nog heel veel gebeuren in de wereld, waardoor zo'n cijfer dan ook anders kan zijn, maar de inzet is inderdaad dat we als Nederland een hele sterke landbouwnatie blijven, waar anderen tegen opkijken, ook op het gebied van innovatie. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Niemand is tot het onmogelijke gehouden, dus als zich buiten Nederland rampen voordoen, zul je mij niet horen, maar als je dit zo stevig neerzet, met zo'n stevige brief eronder, moet je wel bereid zijn om te zeggen: binnen Nederland is het doel nog wel steeds die 88 miljard pure export van in Nederland geproduceerd voedsel. Dat lef moet je dan wel hebben, want anders kan ik niet anders dan tot de conclusie komen dat het heel veel mooie woorden zijn, maar dat alles compleet en volledig afhankelijk is van het beleid dat de minister van LVVN voert op het gebied van stikstof, CO2, ammoniak, gve's en allerlei andere beperkingen van de productierechten. Dan ben je eerlijk en dat is altijd fijn. Staatssecretaris Erkens: Zeker, voorzitter, en dat moet ook de insteek van iedereen hier zijn. Ik had niet verwacht dat het lid Keijzer doelen zou stellen aan de economische omvang, want zoals ze zelf ook wel weet, is dat uiteindelijk aan de vrije markt en hoe die op zaken inspeelt. Tegelijkertijd gaat het stikstofpakket over twee zaken. Punt één is, als je kijkt naar voedselzekerheid, het vlottrekken van de vergunningverlening. Dat is ook nodig om ook in de toekomst een weerbare voedselsector te hebben, want als je niet kunt investeren, niet kunt innoveren of je bedrijf niet kunt ombouwen, raken we uiteindelijk achter en verslechtert de positie. Punt twee is de vormgeving van het steunpakket, waarvoor we bij de WUR een onderzoek naar de sociaal-economische impact hebben uitgezet. Dat komt nog dit jaar naar de Kamer. Daarin hebben we expliciet gevraagd wat de impact op voedselzekerheid is en wat je mogelijk zou moeten doen als die impact bijsturing vergt. Dat debat gaan we uiteraard ook met de Kamer voeren. De heer Chris Jansen (PVV): Laat ik beginnen met de volgende constatering. Aan het begin van dit jaar heb ik een motie ingediend over voedselzekerheid. Die heeft de staatssecretaris namens het kabinet overgenomen. Ik betwijfel echter of de intentie die ik met die motie had, overeenkomt met de uitwerking die de staatssecretaris voor ogen heeft. Ik hoor de staatssecretaris namelijk zeggen dat het geen zwart-witdiscussie is, maar dat is het natuurlijk wel. Iedere veehouder die verdwijnt, komt niet meer terug. Wanneer er te veel veehouders verdwijnen, komt de voedselzekerheid steeds verder onder druk te staan. Er is geen enkele manier om dat terug te draaien anders dan richting plantaardig gaan en dat was niet de intentie van de motie die ik heb ingediend. Ik ben benieuwd of de staatssecretaris het volgende kan aangeven. Hoeveel bedrijven zullen er volgens hem vanwege het beleid dat nu wordt ingezet, zie de stikstofbrief, verdwijnen? Hoeveel procent van de veehouderijen is dat? Over hoeveel dieren praten we dan? Staatssecretaris Erkens: Aan de motie die is ingediend, geven wij uitvoering door onder andere met een heel serieuze agenda op het gebied van voedselzekerheid te komen. Het is zeker geen zwart-witdiscussie hierbinnen, want als die discussie zwart-wit zou zijn, zou je, zoals ik net heb aangegeven, ook moeten ingaan op het feit dat we veel meer vlees produceren dan we consumeren. Ik vind dat niet per definitie een probleem, want je specialiseert je. We produceren minder tarwe en andere gewassen in Nederland dan we consumeren. Import en export horen erbij. Ik heb net aangegeven dat de impact van het stikstofpakket nu wordt doorgerekend door de WUR, zodat we het tijdig kunnen bespreken in de Kamer. Dat gaat echt over de sociaal-economische impact, maar het gaat natuurlijk ook deels om een verandering van de samenstelling: wat produceer je met elkaar, doe je dat innovatief en productief, en hebben we de randvoorwaarden op orde om voldoende voedsel te kunnen blijven produceren? Dat is de insteek die we hebben. De heer Chris Jansen (PVV): Het is prima dat het allemaal wordt doorgerekend, maar er vallen gewoon dagelijks bedrijven om. Mobilisation for the Environment blijft bedrijven uitroken. Daar komt mijn opmerking over "uitroken" ook vandaan. Zij zijn gewoon bezig, met subsidiegeld van de overheid, om veehouderijen uit te roken. Hoe gaat de staatssecretaris dit stoppen zonder dat de stikstofbrief on hold wordt gezet? Staatssecretaris Erkens: Het risico is dat ik nu in een stikstofdebat ga belanden, maar ik denk dat in de bredere aanpak wel is aangegeven dat je, als je wilt afzien van dergelijke handhavingsverzoeken, ook een verhaal moet hebben bij de rechter om die te kunnen afwijzen. Ik denk dat je juist met juridisch geborgd stikstofbeleid, met oog voor perspectief voor de sector en met een toekomstperspectief voor die grote economische omvang, kunt afzien van dit soort verzoeken en die onzekerheid kunt wegnemen. Mevrouw Bromet (PRO): De indruk wordt gewekt dat de voedselproductie afneemt als er minder boerenbedrijven zijn. In de afgelopen 40 jaar hebben we gezien dat het aantal boerenbedrijven drastisch is afgenomen. Heeft dit betekend dat de voedselproductie ook is afgenomen? Staatssecretaris Erkens: Het aantal boerenbedrijven is afgenomen, grotendeels door de schaalvergroting die heeft plaatsgevonden en ten dele door andere oorzaken. Schaalvergroting is daar een grote reden in. Het aantal bedrijven is dus inderdaad niet per se gerelateerd aan de voedselzekerheid, zoals ik net zei. Nogmaals, het is geen zwart-witdiscussie. De voorzitter: Volgens mij bent u dan toe aan uw eerste mapje, of toch niet? Staatssecretaris Erkens: Misschien heb ik een deel van de antwoorden al gegeven. De voorzitter: Ja, precies, dus daar gaat u dan straks vast kritisch doorheen. Mevrouw Van der Plas (BBB): De staatssecretaris zegt: het aantal boerenbedrijven is afgenomen en dat is niet per se gerelateerd aan voedselzekerheid. Ik wil de staatssecretaris erop wijzen dat er in 2019 nog 12,3 miljoen varkens waren. Dat zijn er nu minder dan 10 miljoen. Ik heb het dan over 2019 ten opzichte van nu. Nu hebben we 240.000 runderen minder. Het aantal kippen was in 2019 rond de 100 miljoen; dat is nu nog geen 90 miljoen. De voedselproductie lijdt daar dus wel degelijk onder. De periferie eromheen, iedereen die werk heeft dankzij de agrarische sector, lijdt daar ook onder. Dat mogen we toch niet ontkennen? Staatssecretaris Erkens: Nee, zeker niet, maar de vraag was: leidt het enkele feit dat er minder bedrijven zijn tot minder voedselzekerheid? We hebben gezien dat schaalvergroting hier een rol in heeft gespeeld, maar ik heb zelf aangegeven dat die niet de enige oorzaak is geweest. Een deel van de sector lijdt daar zeker onder. Daar hebben we ook oog voor. Daarom hebben we nu met de WUR dat onderzoek uitgezet, om dat steunpakket zo goed mogelijk vorm te geven en om dat perspectief te kunnen bieden. Ik geloof ook echt dat we met het beleid dat we met elkaar voorstaan en met de kracht en vitaliteit van de sector in Nederland, vanuit de veeteelt, maar ook vanuit de glastuinbouw en de veredelingssector, we over vijf à tien jaar een sterke landbouwsector behouden, ook in deze geopolitiek onzekere tijden. De voorzitter: Volgens mij bent u dan nu toe aan uw eerste blokje. Staatssecretaris Erkens: Ja, voorzitter. Ik heb wel het gevoel dat ik de meeste vragen al beantwoord heb. Het was dus inderdaad een goede overhoring, waarbij ik niet in mijn mapjes kon kijken. Dank aan de Kamer daarvoor. Welke verantwoordelijkheid ziet de staatssecretaris voor de groeiende wereldwijde voedselvraag? Ik denk dat dit ook relateert aan de studie die net door de WUR is uitgevoerd. Nogmaals, het benadrukt dat het geen zwart-witdiscussie is. We zien inderdaad dat Nederland aan de ene kant, voor de grote kwantiteit en volumes, ook importeert om de voedselproductie hier in stand te houden. Nederland is wereldwijd echt onderscheidend in de innovatie en de kennis die we gebruiken, maar ook in de veredelingssector, waarmee we over de hele wereld die mooie producten neerzetten. Nederland speelt hierin dus wel degelijk een belangrijke rol. Het is in de toekomst ook ons voornemen om dat te blijven doen. Naast de discussies die we net gehad hebben, betekent dit ook een grote inzet op innovatie. We hebben niet voor niks een strategische innovatieagenda opgezet, waar dadelijk in het blokje overig nog een aantal vragen over komen. Voorzitter. Komt de regering met een oproep aan huishoudens om te zorgen voor een grotere voorraad houdbaar voedsel, zodat ze acht in plaats van drie dagen kunnen overbruggen? Volgens mij was dat een vraag van mevrouw Podt en de heer Flach. Nee, die oproep doen we op dit moment niet. De oproep blijft: hou een voorraad van drie dagen aan. We zien inderdaad dat een groot deel van de Nederlanders dat nog niet doet. Tegelijkertijd — volgens mij gaf het lid Bromet dat al aan — kun je je afvragen hoe je voor acht dagen een voorraad kunt aanleggen in een klein appartement. Dat is inderdaad vrij moeilijk. De insteek van het kabinet is dus om, met het advies van Clingendael, eerst te gaan kijken of je die verantwoordelijkheid voor de dagen die volgen na die drie dagen kunt beleggen bij bijvoorbeeld supermarkten en distributiecentra. Dat gaan we de komende maanden oppakken met de keten. Dat is wel onze voorkeursroute in opvolging van dit advies. Mevrouw Bromet (PRO): Hoe moet ik dat voor me zien? Gaan de supermarkten zorgen voor ingeblikt voedsel, of gaat het dan wel om vers voedsel dat ze op voorraad moeten houden? Staatssecretaris Erkens: De komende maanden gaan we die discussies aan met de keten. Ik wil dus even oppassen dat ik hier te veel eigen ideeën neerleg, die misschien in de praktijk deels niet haalbaar zullen zijn in de keten. U moet daarbij denken aan distributiecentra, logistieke knooppunten en de supermarkten in de wijk. Ook kunt u inderdaad denken aan een model dat niet is ingericht op hele korte ketens, waarbij we binnen 24 uur alles aanvullen en het weer verkocht zien worden, maar een model waarin je op sommige goederen, waar de grote kwetsbaarheden in zitten, toch een aantal dagen extra kunt aanhouden, op de plekken in de keten die het meeste kostenefficiënt zijn. Er zit namelijk wel een kostenaspect aan. Mevrouw Podt (D66): Mijn vraag was ook nog iets breder: hoe zorgen we nou dat mensen die iets kwetsbaarder zijn ook in staat worden gesteld om in ieder geval die drie dagen te halen? Als op dit moment maar 50%, of nog niet eens 50%, van de mensen dit in huis heeft, denk ik dat sommige mensen nog wat extra aandacht nodig hebben. Staatssecretaris Erkens: Dat is een terechte vraag. Wij blijven die oproep doen en communiceren daar als Rijk ook gewoon over. Als blijkt dat wij bepaalde doelgroepen onvoldoende bereiken, zullen we daar wat extra aandacht aan moeten geven. Ik ben bereid dat gewoon op te pakken in een gesprek met mijn collega van, volgens mij, JenV, die deze campagne trekt, en dat met hem te bespreken. Voorzitter, dat was het mapje strategische voorraden. De voorzitter: Heel goed. Dan gaan we nu over naar het mapje strategische agenda. Ik stel voor dat als daar vragen over zijn, we even wachten totdat alle vragen zijn behandeld. Staatssecretaris Erkens: Het mapje strategische agenda hebben we grotendeels ook besproken, voorzitter. Maar het mapje overige heeft nog heel veel mogelijke vragen van u allen, waar u vast en zeker nog interrupties over pleegt. Het lid Kostić heeft gevraagd of ik in oktober met een brief kan komen waarin ik onderbouwd reageer op de conclusies en aanbevelingen. De voedselzekerheidsagenda leveren we op voor de zomer van 2027. In de uitwerking daarvan kijken we ook graag naar de gegeven aanbevelingen. Ik ben niet voornemens om daar in oktober een losse brief over te sturen, maar ik ben wel bereid om het mee te nemen in de uitwerking van de agenda. Als we voor oktober op alle aanbevelingen moeten reageren, zou dat zomaar het hele team een aantal weken bezig kunnen houden, terwijl we voor deze agenda heel veel willen uitwerken. Maar we kunnen — ik zie mogelijk een interruptie komen — vast en zeker in een volgende voortgangsbrief kort ingaan op hoe we het meenemen. Een reactie op elk mogelijk punt is echter nogal een kluif. De voorzitter: Lid Kostić, de staatssecretaris maakt eerst het blokje af. Staatssecretaris Erkens: Het blokje gaat heel snel, voorzitter. De data van de voedselzekerheidsagenda heb ik gedeeld. Voor de zomer van 2027 krijgt u die als Kamer toegestuurd. We hebben ook gepraat over afhankelijkheid van het buitenland. De universiteit van Wageningen onderzoekt nu de impact. Uw Kamer krijgt die studie dit jaar. Daarnaast vind ik het feitelijk belangrijk om te noemen dat we als Nederland op dit moment een ruime zelfvoorzieningsgraad van dierlijke producten, het behoud van plantaardige producten en mogelijkheden voor import hebben. Onze uitgangspositie als Nederland op het gebied van voedselzekerheid is dus gewoon vrij sterk. Voorzitter. De laatste vraag in dit mapje is van het lid Den Hollander. "Op welke wijze gaat de staatssecretaris de hele keten van boer tot bord meenemen in de strategische agenda, met daarbij nadrukkelijk aandacht voor de voedselverwerkende industrie?" De voedselzekerheidsagenda is nadrukkelijk gericht op het versterken van de weerbaarheid van de gehele voedselvoorzieningsketen. Dit betreft in ieder geval primaire productie, logistiek, opslag, distributie, retail, toeleveranciers en, uiteraard, de verwerkende industrie. We proberen inderdaad al deze stakeholders de komende maanden te betrekken bij het uitwerken van de agenda. Voedselzekerheid en weerbaarheid kan het Rijk namelijk niet alleen borgen. We zullen inderdaad de hele keten vragen om daar een rol in te spelen. We zullen die acties ook dusdanig verdelen dat we niet alleen vanuit het Rijk beleid maken, maar we ook in de praktijk gaan zien dat het gebeurt. De voorzitter: Ik heb vier interrupties genoteerd. We beginnen bij het lid Kostić. Dan ga ik naar mevrouw Den Hollander, mevrouw Van der Plas en mevrouw Bromet. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik heb vier vragen gesteld. Een daarvan is nu beantwoord, maar ik wil best wachten tot het einde. Misschien komen ze op de een of andere manier nog. Nu heb ik echt een interruptie. Dank voor de toezeggingen om de duidelijke aanbevelingen van onderzoekers mee te nemen in de strategische agenda en daarop ook op hoofdlijnen terug te komen in een tussenbrief. Ik ben wel benieuwd wanneer die tussenbrief ongeveer verwacht wordt. Staatssecretaris Erkens: Dat zullen we nog nagaan. We zullen het u voor 17.00 uur laten weten, als er zo dadelijk een appje binnenkomt bij mijn buurman. Er luisteren heel veel mensen mee. Ik ga er sowieso van uit dat we dit jaar nog een voortgangsbrief sturen. Maar we kunnen het dadelijk ook bevestigen. Mevrouw Den Hollander (VVD): Dank, staatssecretaris, dat u dus de hele keten van boer tot bord meeneemt. Ik zou nog even nadrukkelijk aandacht willen vragen voor de loonbedrijven. Er wordt namelijk veel gesproken over boeren en daarna gaat het over de voedselverwerking, maar die loonbedrijven hebben ook een hele belangrijke rol. Zij worden nog weleens over het hoofd gezien. Dat verwijt hebben we ook gekregen in de discussie rondom de stikstofbrief. Zou de staatssecretaris daar nog even een bevestiging van kunnen geven? Staatssecretaris Erkens: Daar ben ik toe bereid. Mevrouw Den Hollander maakt een goed punt. Volgens mij zag ik er vanochtend nog een stuk over in De Telegraaf staan. Ik had het zelf dus ook gezien. Mevrouw Van der Plas (BBB): De staatssecretaris had het over het onderzoek door Wageningen Universiteit. Ik zou willen vragen of wij de onderzoeksvragen die worden gesteld, kunnen ontvangen. Staatssecretaris Erkens: Als we die studie toesturen, kunnen we die zeker meesturen. Mevrouw Bromet (PRO): Ik begrijp de focus op disruptieve evenementen. Het kan natuurlijk iets zijn van drie of acht dagen. Daar hebben we het nu namelijk over voor wat betreft de voorraadvorming in je eigen huis. Maar het kan ook vijf jaar betekenen. Wordt dat ook meegenomen? Ik had ook nog een vraag gesteld over de plannen die de Nederlandse regering in de jaren dertig maakte en ook ten uitvoer bracht. Maakt dat ook onderdeel uit van het plan? Staatssecretaris Erkens: Dat is de eerste vraag in het volgende mapje, maar die had natuurlijk in een ander mapje kunnen zitten. Er zijn inderdaad twee zaken, denk ik. Ja, we nemen ook langetermijndisruptie mee in de Voedselzekerheidsagenda. Dat is wel een vraagstuk dat we ook expliciet deels Europees oppakken, waarbij we zien dat Europa relatief sterk staat op het gebied van voedselzekerheid. Daarbij zijn er plannen die we uitwerken met elkaar voor wat we doen als inderdaad grote importstromen wereldwijd wegvallen. Dat nemen we ook mee in deze agenda. Dan ga ik zo in op de vraag over de jaren dertig en veertig. Volgens mij ging dat over het noodscenario en de meest extreme scenario's die we kunnen bedenken. Ik beantwoord die vraag gewoon, voorzitter. Volgens mij is dat beter. Dan kunnen er nog interrupties op komen. We werken aan het landelijk crisisplan voedselzekerheid. Dat komt begin 2027 naar uw Kamer toe. Dat hele traject heeft het vorige kabinet trouwens uitgezet. Dat plan legt de verantwoordelijkheden en maatregelen vast voor het geval zich zo'n crisis voordoet. Dat doen we in nauwe samenwerking met sectorpartijen en overheden. Daarvoor kijken we naar een groot deel uiteenlopende scenario's. We hebben geen plan klaarliggen voor het verminderen van de veestapel in dat geval zoals tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar we verkennen wel de uithoeken van noodscenario's. Aan de hand daarvan zullen we ook kijken welke mogelijke afspraken we moeten maken in de keten om in ieder geval voorbereid te zijn op wat voor scenario zich ook kan voordoen in deze wereld. De voorzitter: Was dit dan de eerste ... Staatssecretaris Erkens: Dit was een beantwoording van de interruptie aan de hand van de eerste vraag van het volgende blokje. Ik weet niet of er nog vragen zijn. De voorzitter: Dit was dus een brugantwoord. Dan gaan we hier nog één interruptie op toestaan en gaan we daarna door naar het grote mapje. Mevrouw Van der Plas (BBB): Nog even in aanvulling op mijn vraag van zojuist over die onderzoeksvragen. Die zou ik wel graag snel willen hebben, omdat we dan ook kunnen zien of de juiste vragen meegenomen worden en of er nog wat mist. Die krijgen we dus liever niet pas over een paar maanden, zodat we daar zelf ook nog even goed naar kunnen kijken. Staatssecretaris Erkens: Dat kan. Ik kan daar even geen tijdslijn voor geven, maar ik vind het logisch dat we dat op tijd naar u sturen en niet over een aantal maanden. Daarmee kan ik trouwens aan lid Kostić bevestigen dat de voortgangsbrief voedselzekerheid voor het einde van het jaar komt. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Was dit nu het kopje of mapje crisissituaties, of komt dat nu? De voorzitter: Dit was het mapje strategische agenda. Daarna komt een mapje overig. Daar zou crisis zomaar in kunnen zitten. Of hebben we dat nu eigenlijk zo'n beetje gehad? Staatssecretaris Erkens: Het mapje overig schiet eigenlijk alle kanten op, dus daar kan zomaar ook nog crisis in zitten. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Nou, dan doe ik het gewoon meteen. Mag ik dan nu gewoon een interruptie plegen, voorzitter? De voorzitter: Dan sta ik u een interruptie toe en gaan we daarna naar het mapje overig, omdat dat volgens mij ook weer een hele hoop beslaat. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Ja, omdat ik net ook hoorde over voedselzekerheid. God verhoede, maar als nou over tien jaar die agenda-Van Essen uitgerold is en we nog 10% à 20% boeren hebben, dan is ons veengebied moeras. Op klei komen dan weer bossen, stel ik me zo voor. Dan hebben alle partijen die altijd bezig zijn met gewasbescherming als gif kwalificeren hun zin gehad en dan mislukken allerlei oogsten, voor zover die tot wasdom komen. Hoe ga je dan zorgen voor voldoende eten op het moment dat internationale exportketens om welke reden dan ook stil komen te vallen? Staatssecretaris Erkens: Wat nu geschetst wordt, is wel heel erg een doemscenario en een beetje een karikatuur van de plannen die er zijn. Het gaat om een stikstofreductie van 42% tot 46%. Dat willen we onder andere bereiken door innovatie mogelijk te maken, deels door extensivering. Dat betekent inderdaad wel op hetzelfde land minder dieren hebben, maar het kan ook betekenen dat er omgeschakeld wordt naar een andere vorm van productie. Wij proberen inderdaad de vergunningverlening vlot te trekken, waardoor bedrijven kunnen investeren en toekomstperspectief krijgen. Daarnaast zetten we over de hele linie in op een robuuste, innovatieve landbouw- en tuinbouwsector om de voedselzekerheid in de toekomst te borgen. De agenda die we nu bespreken, gaat eigenlijk gewoon over die geopolitieke ontwrichting en hoe we daarvan inderdaad de grootste risico's wegnemen, maar het staat voorop dat we ook over tien jaar een robuuste landbouwsector willen hebben. Daarvoor is vergunningverlening een belangrijke randvoorwaarde. De voorzitter: Mevrouw Keijzer, u bent door uw interrupties heen. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): O, ik dacht … Het is niet in tweeën? En als ik er nou minder dan 30 seconden over doe? Dan mag het wel, hè? De voorzitter: Nee, dat kan dan niet meer. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Dat kan dan ook al niet meer! De voorzitter: Dan bent u er doorheen. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Nou, heel jammer. Veel tragischer dan bij mevrouw Podt, vind ik. De voorzitter: Nog veel tragischer dan bij mevrouw Podt net, ja. Maar wellicht komt er zo meteen nog wat aan bod. Ik kijk even naar meneer Lohman. Die ziet van een interruptie af. Dan gaan we nu naar het blokje overig, heel veel en nog meer. Staatssecretaris Erkens: Ja, het gaat over voedselzekerheid. De voorzitter: We hebben daar nog een kleine 25 minuten voor, dus we gaan eerst nog even door alle antwoorden heen en dan gaan we daarna strak interrumperen. Staatssecretaris Erkens: Voorzitter. Het gaat over voedselzekerheid en alle hoekstenen en scenario's. Misschien is het heel typerend dat de Kamer ook alle mogelijke hoeken heeft afgetast in dit debat, tot aan gezondheidsresultaten en de voordelen van wat we allemaal thuis eten aan toe. Ik zal mijn eigen gezondheidsresultaten niet gaan toelichten, dus maakt u zich geen zorgen. Dat is misschien uit Amerika overgewaaid — dat kan natuurlijk — maar daar ga ik niet in mee. Voorzitter. Het lid Kostić vroeg naar het AIV-advies over een te sterke focus op de korte termijn: kan de staatssecretaris reflecteren op dat advies, waarin staat dat we meer oog moeten hebben voor de lange termijn? Dat hebben we net deels beetgepakt, ook wat betreft de raakvlakken die we meenemen in de voedselzekerheidsagenda. De lange termijn krijgt zeker een belangrijke plek in die agenda, heb ik aangegeven. Zoals beschreven in de kabinetsreactie op het advies, die ik samen met minister Sjoerdsma heb ingestuurd, zullen we ook binnen internationale programma's en met name binnen ontwikkelingssamenwerking inzetten op langetermijnpartnerschappen die gericht zijn op het vergroten van de mondiale voedselzekerheid in een geselecteerd aantal partnerlanden. Wij werken daarbij aan een structurele, meerjarige koers, waarbij voedselzekerheid verankerd wordt in langlopende partnerschappen, alsook in de Nederlandse strategische agenda en de Europese inzet. Voorzitter. Dan een vraag van het lid Bromet over voedselzekerheid in Caribisch Nederland. Het belang van de beschikbaarheid van voldoende en veilig voedsel staat vanzelfsprekend niet ter discussie. Daarom heeft het vorige kabinet 24 miljoen euro beschikbaar gesteld voor voedselzekerheid op de zes eilanden. Daarnaast zijn er nu in het Natuur- en milieubeleidsplan middelen beschikbaar voor initiatieven die bijdragen aan de lokale voedselproductie. Tot slot komt het kabinet binnenkort ook met een appreciatie van het rapport van de Algemene Rekenkamer over strategische voorraden op Caribisch Nederland. Daarbij kunnen we uiteraard ook uitgebreider ingaan op uw vraag. Mevrouw Den Hollander vroeg: deelt de staatssecretaris de opvatting van de VVD dat voedselzekerheid niet alleen vraagt om voldoende productie voor Nederland zelf, maar ook om behoud van onze sterke landbouwexportpositie? Voedselzekerheid vraagt om een robuuste en veerkrachtige eigen productie. Dat zal altijd betekenen dat je afhankelijk bent van import en export. Een sterke exportpositie is daarin dus ook van belang. Die zullen we ook in de toekomst behouden. Een van de sectoren die zelf in het debat tussen de Kamerleden langskwam en die ik zelf heel mooi vind, is uiteraard ook de veredelingssector, waarin hoogtechnologische bedrijven miljarden verdienen aan de wereldwijde export van kennis en innovatieve producten. Hetzelfde geldt voor heel andere belangrijke delen van de primaire productie. Voorzitter. Dan een vraag van het lid Podt over kweekvlees: wordt de staatssecretaris de eerste die kweekvlees op de Nederlandse markt brengt? Momenteel bevindt kweekvlees zich in Europa nog in de fase voor markttoegang. Er zijn twee Europese bedrijven die een dossier voor de voedselveiligheidtoets bij de Europese autoriteiten hebben ingediend, waaronder Mosa Meat uit Nederland. Als de bedrijven deze technische procedure goed doorlopen, volgt stemming. Ik maak mij er in Nederland hard voor om die stemming goed te laten verlopen, samen met mijn collega van VWS. We doen dus wat we kunnen doen. Voorzitter. Dan nog een vraag van het lid Podt over hoe we het vestigingsklimaat voor innovatieve voedselbedrijven beter maken. De Europese toelating heb ik net benoemd. We hebben de Agrifood Innovatieagenda gelanceerd. Die zet in op het versnellen van innovatie in de vier domeinen op het gebied van voedsel, waaronder innovatieve nieuwe voedselproductiemethoden, maar ook robotisering, kunstmatige intelligentie, veredeling, de volgende stappen en ga zo maar door. Het plan van aanpak en wat we als Nederland in die vier domeinen willen bereiken, zullen we eind dit jaar proberen vast te stellen en met uw Kamer te delen. Volgend jaar organiseren we ook een grote investeerderstop om investeerders in binnen- en buitenland geïnteresseerd te krijgen in verdere investeringen in de innovatieve delen van ons agrodomein. We zetten er als kabinet dus ook heel stevig op in om de volgende stappen daarin te zetten. De VVD vroeg ook nog of we bereid zijn om meer experimenteerlocaties mogelijk te maken. Dat ging volgens mij specifiek ook over NGT's en bijvoorbeeld pilots voor een aantal nieuwe teelten. Het kabinet is van plan via de taskforce extra middelen beschikbaar te stellen voor nieuwe experimenteerlocaties. Daarmee willen we het netwerk uitbreiden naar twaalf experimenteerlocaties. We werken nu dus ook, zoals ik net aangaf, die vier innovatiedomeinen verder uit met de Nederlandse stakeholders, dus de ondernemers, de kennisspelers et cetera. Ook kijken we naar de relatie tot de experimenteerlocaties en hoe we die kunnen inzetten. Voorzitter. De heer Lohman vroeg: hoe voorkomt de staatssecretaris dat de stapeling van beleidskosten en onzekerheid ertoe leidt dat de investeringsruimte weggaat. Vooropstaat dat er heel veel op ondernemers af komt. Dat hebben we net in de interruptiedebatjes natuurlijk ook gewisseld. We hebben die studie uitgezet bij Wageningen om dat inzichtelijk te maken en tijdig te kunnen bijsturen, mochten daar grote knelpunten ontstaan. Daarnaast werd volgens mij ook door het lid Lohman de AMvB over dierwaardigheid genoemd in deze vraag. Ik zie hem nee schudden, dus dan hoef ik die ook niet te beantwoorden. Ik zie dat het lid Kostić daarover een vraag heeft gesteld. We kijken daarbij expliciet naar welke maatregelen we op de korte termijn in de AMvB vastleggen en die een ondernemer al kan nemen. Grotere maatregelen verder in de tijd worden vastgelegd met een evaluatiebepaling. Dat betekent dat eerst het volgende gewogen moet worden. Eén. Is het voor een ondernemer mogelijk om die stap te zetten? Twee. Zit het verdienmodel goed genoeg in elkaar om die afzet in de keten voor elkaar te krijgen? Die waarborgen hebben we dus inderdaad ingebouwd. Voorzitter. De heer Flach vroeg: "Waarom is toegang, inclusief betaalbaarheid, binnen voedselzekerheid een bijzaak? Wordt dat meegenomen?" Het is allesbehalve een bijzaak. De voedselzekerheidsagenda richt zich op het weerbaar maken van de voedselvoorziening in Nederland. Dat moet ook verdere prijspieken voorkomen, omdat die kwetsbaarheden ingebouwd zijn. Op die manier is betaalbaarheid wel degelijk een centraal aspect daarbinnen, omdat je daarmee ook gewoon prijsschokken kan voorkomen. Voorzitter. Lid Den Hollander vroeg: deelt de staatssecretaris dat voedselzekerheid niet alleen over de primaire productie gaat, maar dat er ook een belangrijke opgave bij de consument ligt? Ja, die hebben hierin een belangrijke rol te spelen, onder andere in de verantwoorde keuzes die zij maken, maar ook bij het tegengaan van voedselverspilling. Dat is net ook al langsgekomen. Daar zetten we als Rijk actief op in met enkele campagnes. Ook voor supermarkten geldt dat zij een rol hebben. Ik vind het daarbij van belang om te noemen dat ook de out-of-homesector, de horeca, een rol te spelen heeft, want heel veel van ons voedsel halen we natuurlijk ook via andere onderdelen van de voedselketen, niet zijnde de supermarkten. Met deze partijen hebben we de komende maanden ook gesprekken over de afzet van onder andere Nederlandse producten en hoe we dat de komende jaren goed borgen. Voorzitter. Dan voedselverspilling. Het lid Bromet had het inderdaad ook nog over het burgerberaad klimaat en wat we doen met de adviezen. Ook de duidelijkheid over de houdbaarheidsdatum en de vraag of mensen weten waar het voedsel vandaan komt, kwamen onder andere lang. De adviezen sluiten goed aan bij de beleidsinzet die we al hebben. We zullen in het najaar van 2026 een Kamerbrief sturen, waarin we ook ingaan op deze specifieke adviezen op het gebied van voedselverspilling. Dit najaar komt die brief uw Kamer dus toe. Voorzitter. Dan de vraag van het lid Podt. Het schiet echt alle kanten op in dit mapje. Mijn excuses daarvoor. Misschien kunnen we dadelijk een intermezzo houden voor vragen. Of wilt u liever dat ik het afmaak, voorzitter? De voorzitter: Ik kijk even naar de klok. Staatssecretaris Erkens: Ik begin mezelf nu ook te veel te horen, maar dat is misschien voor u nog erger dan voor mij, voorzitter. Ik zal proberen de beantwoording kort te houden, maar wel zo concreet mogelijk om vervolgvragen te voorkomen. Het lid Podt vroeg: hoe kijken we naar de oproep van 50 producenten en ketenpartners voor meer plantaardige voeding, juist voor voedselzekerheid? Die oproep sluit aan bij meerdere ambities van het kabinet, onder andere voor voedselzekerheid, het verduurzamen van de voedselproductie en een voedselomgeving waarin consumenten zelf een gezonde keuze kunnen maken. Ik vind diversificatie ook echt een belangrijk thema hierbinnen. Wanneer je praat over voedselzekerheid, is een robuust systeem meer gediversifieerd. Er kunnen zich namelijk evenementen en noodscenario's voordoen die we nu niet kunnen voorspellen. Als je een gediversifieerd systeem en een gediversifieerde productie hebt, ben je dus minder kwetsbaar voor zo'n schok. Dat kan aan de ene kant een teelt zijn die het heel moeilijk gaat krijgen door een nieuwe plaag die opkomt en die niet meer bestreden kan worden. Het kan ook gaan over een dierziekte die opkomt of over handelsstromen die onderbroken worden. Juist diversificatie maakt ons systeem dus robuuster. Denk ook aan de import van eiwitbronnen et cetera die worden gebruikt. Als we die kwetsbaarheden met elkaar willen afbouwen, helpt diversificatie hierbinnen wel. Voorzitter. Het lid Kostić had een vraag over het actieplan voor plantaardige voeding en een voorstel daarover dat tijdens de APB is aangenomen. De oproep voor het actieplan sluit aan bij meerdere ambities van het kabinet, onder andere voor voedselzekerheid en verduurzaming. Dat betreft eigenlijk hetzelfde als wat ik net zei. De komende tijd bekijken we deze oproep zorgvuldig en nemen we die mee in het beleid om de voedselvergeving en voedselconsumptie te verduurzamen. Onderdeel van het beleid is om ook afspraken te maken met ketenpartijen. We zullen die dus ook bij de uitvoering van de motie meenemen. We informeren uw Kamer in november over de inzet op duurzaam voedselbeleid en over de uitvoering van de motie. De heer Lohman had dan vragen over de productschappen 2.0. Hij gaf aan dat de SER alsook de initiatiefnemers van het manifest 2050 bepleiten dat er een publiek-private organisatie moet komen. De glastuinbouw zet daar al stappen in. "Hoe ziet de staatssecretaris de totstandkoming daarvan voor zich en welke voorbereidingen worden getroffen?" Het kabinet wil de uitvoeringskracht van de sector vergroten. De SER heeft inderdaad begin juli een advies uitgebracht over dit onderwerp. Die inzichten nemen we ook mee in de uitwerking van de ambitie, onder andere uit het coalitieakkoord. De minister bereidt op dit moment een reactie voor op het advies van de SER en zal ook aangeven welke stappen het kabinet zal zetten om te starten met de oprichting van een publiek-private organisatie. Ook deze reactie kunt u voor het kerstreces ontvangen, deel ik u mede. Dan de vraag van de heer Flach over voedselzekerheid en het convenant gewasbescherming. Met de ondertekening van het hoofdlijnenakkoord hebben we een belangrijke eerste stap gezet naar een toekomstbestendige gewasbescherming met een fors lagere milieubelasting. Een van de doelen van het convenant is ook echt langetermijnperspectief te geven aan de telers en duidelijkheid te bieden, namelijk hoe zij op een rendabele wijze gezond voedsel kunnen blijven telen in Nederland. Daarvoor ziet het convenant op afspraken, zoals het opstellen van een kennis- en innovatieprogramma voor weerbare planten. Denk ook aan CRISPR-Cas, dat nu toegestaan gaat worden. Maar het betreft ook alternatieve middelen in het middelenpakket, om ervoor te zorgen dat wanneer een middel van de markt afgaat, je ook een alternatief krijgt met minder schadelijke impact, zodat die teelten in Nederland beschermd kunnen blijven worden. Voorzitter. De afspraken gaan we de komende maanden met de sector verder uitwerken. Ik geloof dat voedselzekerheid door zo'n convenant te sluiten juist geborgd kan worden, omdat we aan de ene kant zien dat er heel veel maatschappelijke druk is om de schadelijkheid van gewasbescherming te verminderen en aan de andere kant zien dat het middelenpakket en een andere manier van gewasbescherming noodzakelijk zijn. Juist via een convenant kunnen we volgens mij die twee belangen bij elkaar brengen. Het alternatief is eigenlijk wat we ook al zien in een aantal andere dossiers, namelijk dat provincies en gemeenten nu zelf maatregelen treffen. We zien dat middelen verdwijnen, maar tegelijkertijd werken we ook niet werken aan een perspectief. Juist een ambitieus convenant kan ervoor zorgen dat we hierbij twee vliegen in één klap slaan. Voorzitter. Dan was er een vraag van de heer Flach over de Zeeuwse akkerbouwers die met argusogen kijken naar de grondgebondenheidsnorm voor melkveebedrijven. Ik ga er daarbij van uit dat u bedoelt dat Zeeuwse akkerbouwers zich zorgen maken dat de grondgebondenheidsnorm ervoor zorgt dat zij een tekort aan dierlijke mest kunnen krijgen. In de uitwerking van grondgebondenheid wordt gekeken naar regio's met een lage veebezetting, zoals Zeeland. In de samenwerkingsovereenkomsten wordt in het concept een afstandsgrens van 25 kilometer gehanteerd waarbinnen die samenwerkingsovereenkomsten kunnen worden afgesloten. Dat betekent niet dat mest niet verder dan 25 kilometer getransporteerd kan worden. Ik hoop dat daarmee ook die zorg ten dele weggenomen kan worden. U zult ook eind dit jaar, als het goed is, een wetsvoorstel zien dat in consultatie wordt gebracht. In principe betekent die 25 kilometer niet dat akkerbouwers in Zeeland niet meer aan mest kunnen komen. Als dat een zorg is, dan hoop ik dat die hiermee weg is. Voorzitter. De PVV had nog een vraag: dwingen we onze boeren tot een grotere afhankelijkheid van het buitenland? Het gaat volgens mij over de toenemende kosten die u noemt voor boeren en vissers en de strikte regels die wij stellen. We zien die ontwikkelingen natuurlijk ook al jarenlang plaatsvinden. We werken daarom ook aan het weerbaar maken van de keten en aan het zorgen voor een sterkere concurrentiepositie. Vergunningverlening moet daar wel een belangrijke rol in spelen. U bent daarbij specifiek ingegaan op de visserij en vroeg of we bereid zijn daar iets voor te doen. U gaf aan dat de energie-efficiëntieregeling een doekje voor het bloeden was. Nu vind ik 25 miljoen een mooie regeling, maar we hebben daarnaast op dit moment een tijdelijke overbruggingsregeling openstaan. Die bedragen zullen in deze periode worden uitgekeerd. Die gaan echt over die brandstofcompensatie. Daarmee proberen we, naast die energie-efficiëntieregeling — volgens mij is het iets meer dan 12 miljoen à 13 miljoen euro — brandstofcompensatie aan de vissers te geven. Ik ben nauw met hen in gesprek over wat we gaan doen als de situatie veel langer blijft aanhouden, want de Straat van Hormuz is inderdaad nog steeds niet helemaal open. Voorzitter. Dan: welke concrete inzet pleegt de staatssecretaris in Brussel om meer stikstof uit dierlijke mest verantwoord te kunnen benutten? Het kabinet beschouwt het gebruik van circulaire meststoffen als een belangrijke weg om minder afhankelijk te worden van kunstmest. Met de toelating van RENURE kunnen agrariërs kunstmestvervangers uit dierlijke mest gebruiken boven op de gebruiksnorm voor dierlijke mest die geldt vanuit de Nitraatrichtlijn. Het is inderdaad belangrijk dat we onze afhankelijkheid van kunstmest verkleinen, passend binnen de milieukaders. We blijven daarvoor ook aandacht vragen in Brussel. Dan gaat het nog — ik ben er toch wel bijna doorheen — over de bestuivers. "Hoe staat het ervoor met de doelstelling op het gebied van de bestuivers en welke maatregelen worden daarop getroffen? Want zonder bestuivers hebben wij geen voedsel." De initiatieven die lopen binnen de Nationale Bijenstrategie worden gecontinueerd. Dat zijn de Kennisimpuls Bestuivers, de subsidies voor bijenlandschappen en ruimte voor bestuivers. De subsidie voor de realisatie van bijenlandschappen is uitgebreid met 6 miljoen euro voor de periode 2027-2030. Aanvullende maatregelen om de negatieve trend te keren voor 2030 worden uitgewerkt in het definitieve Natuurplan. Voorzitter. Plannen maken is daarbij belangrijk, maar we moeten ook aan de slag met de uitvoering ervan. Dat biedt mij een bruggetje naar de vraag van de heer Flach over de bijenkassen in natuurgebieden. Wij zijn het op dit moment aan het onderzoeken. Maatregelen worden verder uitgewerkt in het definitieve Natuurplan van de Natuurherstelverordening, zoals ik al aangaf. Dit komt in september 2027. Daarbij zouden we ook het punt van de heer Flach mee kunnen nemen. Ik begrijp wel dat er een discussie gaande is over de concurrentie tussen de leefgebieden van de wilde bestuivers en de bijenkassen die in de buurt van de natuurgebieden staan. We moeten daar zorgvuldig naar kijken. Nogmaals, we kunnen zeker bekijken of het goed genoeg gebeurt en of we niet onnodig extra druk zetten. Voorzitter. Ik ga er gezien de tijd iets sneller doorheen, anders gaat u mij dadelijk zelf afbreken. Is er voldoende ruimte voor intensieve bedrijven om door te ontwikkelen naar hightech voedselproductie in evenwicht met de leefomgeving, vraagt het lid Den Hollander. Een groot deel van de reductieopgave willen we bereiken door emissienormen op bedrijfsniveau vast te leggen. Daarbij zijn ondernemers zelf aan zet om te sturen op het behalen van de doelen, bijvoorbeeld door het inzetten van technische innovaties. Ook intensievere vormen van veehouderij blijven daarbij mogelijk. Zoals aangegeven in de kabinetsbrief, is het in sommige gebieden dan wel nodig dat er een extensievere vorm van landbouw ontstaat. Voorzitter. "De omvangrijke Nederlandse export draagt niet bij aan voedselzekerheid in andere landen; kunnen we die wetenschappelijke conclusie bevestigen?" De conclusies uit het WUR-onderzoek, waar deze vraag naar verwijst, zijn van de WUR. Ik ga daar zelf niet aan tornen, want ik als niet-wetenschapper heb dat onderzoek niet gedaan. Het artikel levert een goede bijdrage aan het denken over ons voedselsysteem. Ik zie het onderzoek vooral als een denkoefening die uiteraard niet geschikt is om zomaar in te voeren. De onderzoekers erkennen dat zelf ook. Het onderzoek levert wel inzichten op in de werking van ons huidige voedselsysteem. Ik geef daarbij aan dat wij wel een belangrijke rol spelen als logistieke doorvoerhaven van voedsel. Innovatie, veredeling, de glastuinbouw, de kennisinnovaties die ook vanuit de veeteelt de hele wereld overgaan: Nederland doet echt veel. Maar ik denk dat het inderdaad een meer gemêleerd beeld is dan we misschien soms zien in het publieke debat. Voorzitter. De vragen over visserij hebben we al gehad. Dan ligt er nog een vraag van het lid Ten Hove over de NAVO-eisen. Een weerbaar en crisisbestendig voedselsysteem betreft meer dan alleen de nationale voedselproductie. We voeren geen beleid om de nationale voedselproductie te verkleinen. We voeren beleid om met elkaar de vergunningverlening vlot te trekken. Ik heb zojuist al toegelicht dat we ook inzetten op een sterke agroketen die Nederland weerbaar en robuust houdt, ook over vijf à tien jaar. Het is daarbij van belang dat ook de strategische agenda echt invulling geeft aan wat de NAVO van ons vraagt: hoe ben je weerbaar, kun je omgaan met schokken, welke grote kwetsbaarheden en afhankelijkheden in relatie tot chantage heb je en hoe mitigeer je die, wat doe je in een acute crisis en ben je daarop voorbereid zodat de samenleving gewoon kan blijven functioneren? Voorzitter. Volgens mij heb ik de meeste vragen gehad. Nee, ik heb nóg een mapje "overig" hoor ik nu. Sorry, u heeft heel veel vragen gesteld die niet in de andere mapjes passen. De voorzitter: Overig en overig 2.0. U gaat nu overig 2.0 doen. Staatssecretaris Erkens: Ik hoop maar dat er een tweede termijn plenair wordt aangevraagd, want er zijn nogal wat vervolgvragen, zie ik. De voorzitter: Dat klopt. Staatssecretaris Erkens: Ik weet niet of het nog lukt om die op tijd te beantwoorden als ik door blijf lezen. Voor wat betreft de stikstofplannen heb ik het WUR-onderzoek dat naar uw Kamer komt al genoemd. Mevrouw Van der Plas heeft gevraagd die vragen eerder te krijgen. Dan het Mercosur-akkoord. Recent werd duidelijk hoe belangrijk de controle op voedselveiligheid en resistentie is. Hoe rijmt dit met de agenda om de strategische kwetsbaarheden te verminderen? Voedselvoorziening is een systeemvraagstuk. Diversificatie via vrijhandel maakt het minder kwetsbaar voor chantage uit andere gebieden. Mercosur biedt trouwens ook voor sommige onderdelen van de agroketen grote commerciële kansen; het is dus niet zo dat het alleen maar een bedreiging is voor de agroculturele sector in Nederland. Los van het Mercosur-akkoord moet import ook voldoen aan de Europese productstandaarden. Het Europese importverbod per 3 september op rundvlees ut Brazilië toont aan dat de controles werken en dat we maatregelen nemen als er dingen gebeuren die niet door de beugel kunnen. Voorzitter. Dan een vraag van mevrouw Podt over droogte. Kunnen we meer inzetten op het voorkomen van droogte via bijvoorbeeld buffers? Ja, vanuit het Actieprogramma klimaatadaptatie landbouw werken we met stakeholders aan oplossingen. We trekken daarbij echt lering uit de zomer die plaatsgevonden heeft. Ik heb afgesproken met de minister van IenW dat we terugkijken naar de afgelopen zomer en met de sector in gesprek gaan over hoe we komende zomers die weerbaarheid kunnen vergroten. Ik ben zelf op werkbezoek geweest bij onder anderen een glastuinbouwer. Deze ondernemer had een grote buffer aangelegd. Die zat dus nog prima deze zomer en zou mogelijk een deel van de collega's in de komende jaren kunnen helpen. Dus er is beweging en we gaan daar als kabinet inderdaad meer aandacht aan geven. Voorzitter. Dan een vraag van de PVV over de marges in de keten en waarheen die verdwijnen. De prijzen van Nederlandse boodschappen worden door veel factoren beïnvloed, niet alleen door de marges van de bedrijven. Veel factoren zijn extern, denk aan de energieprijzen die omhooggaan en ook doorwerken in de keten, door crises en oorlog buiten de Europese Unie. In een reactie op de motie van het lid Dijk van de SP over de concentratie van marktmacht en prijsopdrijving zijn we ook ingegaan op die marges van Nederlandse voedselbedrijven. De ACM verwacht aan het eind van dit kalenderjaar ook een onderzoek te presenteren over die boodschappenprijzen. Daarin gaan ze ook in op de marges van de supermarkten. Ook zijn er vragen van de heer Jansen over de sluiting van de Straat van Hormuz. Het kabinet deelt de zorgen van de Kamer over de ontwikkeling van de voedselprijzen. Daar zit een vertraging in. Effecten eerder in de keten vertalen zich dus op een later moment, waarschijnlijk dit najaar, door in de voedselprijzen. Dat heeft Clingendael ook onderzocht op ons verzoek. Het kabinet heeft voor het directe effect aan de primaire kant begin dit jaar ook een steunpakket op dit vlak aangekondigd, onder andere voor de visserij. We blijven hier uiteraard de vinger aan de pols houden. Voorzitter. Ik heb de vragen grotendeels beantwoord. Volgens mij komt er nog een tweede termijn en worden daar nog vragen gesteld. De voorzitter: Zeker. Ik had nog twee interrupties gezien, eentje van de heer Lohman en eentje van de heer Flach. Het is al 17.00 uur. Zijn ze heel hard nodig? Of kunt u uw vraag straks in tweede termijn stellen? De heer Flach (SGP): Ik had twee vragen, de tweede bewaar ik dan voor het tweeminutendebat. De andere gaat over die gve in Zeeland. Voordat er onduidelijkheid over ontstaat, de volgende vraag, want het antwoord van de staatssecretaris vond ik niet helemaal duidelijk. Sowieso vind ik een gve een draak van een ding en moeten we dat vooral niet doen. Daarin wordt nu een afstandsnorm van 25 kilometer geschetst, maar, zo zei de staatssecretaris, "dat hoeft niet te betekenen dat je niet buiten 25 kilometer ook mest mag transporteren". Dat lijkt met elkaar in tegenspraak. Mag je nu wel of niet mest verhandelen buiten die 25 kilometer? De voorzitter: Dan de vraag van de heer Lohman. De heer Lohman (CDA): Ik wil toch inderdaad nog iets vragen over de ketenaanpak. Ik heb hier al meerdere keren vragen over gesteld en uw antwoord vind ik toch wat procedureel. Er zijn echt grote zorgen over hoe we die omslag in de agrarische sector nou gaan maken. Hoe kan de overheid nou echt met de keten tot bindende afspraken komen om die last samen te gaan dragen? Daar krijg ik nog steeds geen antwoord op, en ik denk dat het ook goed is voor de tweede termijn. Daar wil ik me echt in vast gaan bijten. Staatssecretaris Erkens: Ik kan twee dingen doen. Ik kan nu heel gehaast antwoord geven of in de tweede termijn uitgebreid antwoorden. Wat hebben de Kamerleden liever? De voorzitter: We hebben geen tweede termijn, dus wellicht kunt u een kort briefje hierover sturen. Staatssecretaris Erkens: Zal ik dat doen? Volgens mij is dat het beste, ook voor de beantwoording van de vraag van de heer Flach, omdat er best onrust over dit onderwerp is. Volgens mij kunnen we een deel van die zorgen wegnemen. Ik stuur dus een kort briefje. De voorzitter: Heel goed, fijn, dank u wel. Dat betekent dat we aan het einde gekomen zijn van dit debat. Ik heb een aantal toezeggingen genoteerd. U vindt het vast goed als ik die niet herhaal; we hebben ze wel opgeschreven. Er wordt mij nu gevraagd om ze toch snel door te nemen. Oké, ik ga ze heel snel met u doornemen. De staatssecretaris zal een voortgangsbrief inzake voedselzekerheid aan de Kamer sturen voor het einde van dit jaar en daarbij ingaan op hetgeen de genodigden van het rondetafelgesprek over voedselzekerheid van 10 september 2026 daar hebben ingebracht. De staatssecretaris zal de onderzoeksvragen aan de WUR inzake de impact op de voedselzekerheid op korte termijn aan de Kamer sturen. Dat is een toezegging aan mevrouw Van der Plas. Dan een toezegging aan mevrouw Bromet. De staatssecretaris zal in het najaar van 2026 ingaan op de uitwerking van de uitkomsten van het Klimaatberaad over voedselverspilling. Tot slot een toezegging aan het lid Kostić. De staatssecretaris zal voor november 2026 in een brief aan de Kamer ingaan op de uitvoering van het actieplan voor plantaardige voeding, inclusief welke middelen daarbij horen. Ik zie nog twee vingers. Eerst mevrouw Den Hollander en dan mevrouw Keijzer. Mevrouw Den Hollander (VVD): Voorzitter, volgens mij heb ik ook de toezegging gehad dat de staatssecretaris beslist ook aandacht heeft voor de loonbedrijven in de hele aanpak rondom voedseltransitie en stikstof. De voorzitter: Ik zie de staatssecretaris knikken. Staatssecretaris Erkens: In de voedselzekerheidsagenda en de uitwerking daarvan. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Het was op zichzelf geen toezegging, maar de staatssecretaris gaf aan dat er eind dit jaar een onderzoek komt naar de sociaal-economische effecten van de stikstofplannen. Hij koppelde daaraan, volgens mij, dat hij dan ook inzage zal geven in het effect daarvan voor de export. Heb ik dat goed begrepen? Staatssecretaris Erkens: Ja, op de voedselzekerheid. Mevrouw Keijzer (Lid Keijzer): Dat is iets anders dan export, dus daarom vraag ik het nu expliciet na. De voorzitter: Wellicht kunt u dat in die brief toelichten. Staatssecretaris Erkens: Het gaat sowieso om de voedselzekerheid, maar ik denk dat met het delen van de vraag van mevrouw Van der Plas, u ook precies ziet wat er in het onderzoek onderzocht is. De heer Lohman (CDA): Mij is nog niet helemaal duidelijk of er ook een brief komt met een uitgebreid antwoord op de ketenaanpak. De voorzitter: Uw vraag. De heer Lohman (CDA): Dat is de vraag. Staatssecretaris Erkens: Er komt een briefje uw kant op met de vraag van de heer Flach en die van u. Volgens mij is er nog een aantal korte verzoeken. We zullen gewoon proberen die te bundelen. Het wordt dus een diversenbrief. De voorzitter: Dank. Volgens mij wil mevrouw Van der Plas een tweeminutendebat aanvragen, zeg ik voor de vorm. Mevrouw Van der Plas (BBB): Dat heeft u goed gezien. Ik wil bij dezen graag een tweeminutendebat aanvragen. De voorzitter: En daarbij is mevrouw Van der Plas uiteraard de eerste spreker. Ik dank u allen hartelijk voor uw aanwezigheid, uw constructieve bijdrage en het dynamische debat van vanmiddag. Dank aan de staatssecretaris, de ondersteuning en aan allen die hebben meegekeken. Ik wens u nog een hele fijne middag en avond. Sluiting 17.04 uur. ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag CD van 23 september 2026 Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag CD van 23 september 2026 1
Gerelateerde bronnen
- Voedselzekerheid
Conceptverslag Voedselzekerheid
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.