Voorstel van wet
Brontekst
Versie e16b850375227740 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 922Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 inverband met de verstrekking van eenaanvullende tegemoetkoming aan studenten dieonder het studievoorschotstelsel hebbengestudeerdNr. 2 VOORSTEL VAN WET Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden,Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het billijk is aanstudenten die onder het studievoorschotstelsel hebben gestudeerd eenaanvullende tegemoetkoming te verstrekken;Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van Stategehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedge-vonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:ARTIKEL I. WIJZIGING WET STUDIEFINANCIERING 2000 De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd: ANa artikel 11.5 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:Artikel 11.6. Grondslag verwerking gegevens over gezondheid 1. Onze Minister is bevoegd om gegevens over gezondheid als bedoeldin artikel 4, onderdeel 15, van de Algemene verordening gegevensbe-scherming te verwerken, voor zover dit noodzakelijk is in het kader vanbesluiten over voorzieningen als bedoeld in het tweede lid.2. De voorzieningen, bedoeld in het eerste lid, zijn de in de volgendeartikelen omschreven voorzieningen:a. artikel 4.12;b. artikel 4.13;c. artikel 4.14, eerste lid;d. artikel 4.14, tweede lid;e. artikel 4.14, derde lid;f. artikel 4.14, vierde lid;g. artikel 5.2b; kst-36922-2ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 21 h. artikel 5.15;i. artikel 5.16, eerste lid;j. artikel 5.16, tweede lid;k. artikel 5.16, derde lid;l. artikel 5.16, vierde lid;m. artikel 12.30;n. artikel 12.31.Artikel 11.7. Waarborgen verwerking gegevens over gezondheid 1. Onze Minister bewaart de in het kader van besluiten over voorzie-ningen als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid, verwerkte gegevens overgezondheid tot tien jaar nadat het desbetreffende besluit is genomen.2. In afwijking van het eerste lid bewaart Onze Minister de gegevens,bedoeld in het eerste lid, tot vijf jaar nadat de rechten en verplichtingenvan de betrokkene uit hoofde van deze wet zijn geëindigd, indien dezetermijn van vijf jaar verstrijkt voordat de termijn van tien jaar, bedoeld inhet eerste lid, is verstreken.3. In afwijking van het eerste lid bewaart Onze Minister het gegeven dateen voorziening als bedoeld in artikel 11.6, tweede lid, is toegekend engegevens over aan het besluit tot toekenning van zo’n voorzieningverbonden rechtsgevolgen tot vijf jaar nadat de rechten en verplichtingenvan de betrokkene uit hoofde van deze wet zijn geëindigd, indien dezetermijn van vijf jaar verstrijkt nadat de termijn van tien jaar, bedoeld in heteerste lid, is verstreken.4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid bewaart OnzeMinister de gegevens, bedoeld in het eerste lid, tot twee jaar na hetoverlijden van de betrokkene, indien deze termijn van twee jaar verstrijktvoordat de desbetreffende termijn of termijnen, bedoeld in het eerste,tweede en derde lid, is of zijn verstreken.5. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, zijn uitsluitend toegankelijkvoor onder het gezag van Onze Minister vallende daartoe geautoriseerdepersonen. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over deautorisatie van deze personen. BArtikel 12.30 wordt als volgt gewijzigd:1. In het opschrift wordt na «Tegemoetkoming» ingevoegd «enaanvullende tegemoetkoming».2. Het eerste lid komt te luiden:1. In dit artikel wordt begrepen onder:tegemoetkoming: een tegemoetkoming van Onze Minister, niet zijndestudiefinanciering in de zin van artikel 3.1, in verband met het volgen vanhoger onderwijs in een periode waarin een ho-student ingevolge de Wetstudievoorschot hoger onderwijs geen aanspraak kon maken op eenbasisbeurs;aanvullende tegemoetkoming: een aanvullende tegemoetkoming vanOnze Minister, niet zijnde studiefinanciering in de zin van artikel 3.1, inverband met het volgen van hoger onderwijs in een periode waarin eenho-student ingevolge de Wet studievoorschot hoger onderwijs geenaanspraak kon maken op een basisbeurs.3. Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd:a. In de aanhef wordt «een tegemoetkoming» vervangen door «detegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming» en vervalt «die».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 22 b. In onderdeel a wordt voor «in de periode» ingevoegd «die».c. In onderdeel b wordt voor «gedurende de periode» ingevoegd «die».d. Onderdeel c komt te luiden:c. die:1°. binnen de diplomatermijn hoger onderwijs of, indien hij geenstudiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voorhet eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolgeen opleiding als bedoeld in artikel 5.7 heeft afgerond; of2°. als direct gevolg van bijzondere omstandigheden van structureleaard als bedoeld in artikel 5.16, derde lid, niet in staat is binnen dediplomatermijn hoger onderwijs, of indien hij geen studiefinancieringheeft aangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeftingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg het afsluitendexamen te behalen; of3°. op enig moment binnen de diplomatermijn hoger onderwijs, ofindien hij geen studiefinanciering heeft aangevraagd, binnen tien jaarnadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijs,duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft in de zinvan de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten of nietlanger in staat is om met arbeid meer dan 20% te verdienen van hetmaatmaninkomen in de zin van die wet en recht op arbeids-ongeschiktheidsuitkering op grond van hoofdstuk 3 van die wet bestaat.4. Onder vernummering van het derde tot en met zevende lid tot vijfdetot en met negende lid worden twee leden ingevoegd, luidende:3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel c, onder 1°, 2° en 3°, wordtvoor degene die geen studiefinanciering heeft aangevraagd en die alsdirect gevolg van bijzondere omstandigheden van tijdelijke aard alsbedoeld in artikel 5.16, eerste lid, of bijzondere omstandigheden vanstructurele aard als bedoeld in artikel 5.16, tweede lid, niet in staat isbinnen de termijn van tien jaar met goed gevolg het afsluitend examen tebehalen, de termijn van tien jaar verlengd met de duur van die bijzondereomstandigheden, met dien verstande dat de termijn ten hoogste vijftienjaar bedraagt.4. Bij de toepassing van het tweede lid wordt voor degene die op grondvan artikel 5.16, vierde lid, een nieuwe aanspraak op studiefinancieringheeft ontvangen alleen de periode van de nieuwe aanspraak op studiefi-nanciering betrokken.5. In het vijfde lid (nieuw) wordt «De tegemoetkoming bedraagt»vervangen door «De tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkomingbedragen», wordt voor «per maand» ingevoegd «, onderscheidenlijk€ 44,50,» en wordt «de rechthebbende op een tegemoetkoming»vervangen door «de rechthebbende op de tegemoetkoming en aanvul-lende tegemoetkoming».6. In het zesde lid (nieuw) wordt «het derde lid» vervangen door «hetvijfde lid» en wordt na «wordt» ingevoegd «voor de rechthebbende op detegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming, bedoeld in het tweedelid, onderdeel c, onder 1°».7. Het zevende lid (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:a. In onderdeel a wordt na «tegemoetkoming» ingevoegd «en aanvul-lende tegemoetkoming».b. In onderdeel b wordt na «tegemoetkoming» ingevoegd «en aanvul-lende tegemoetkoming» en wordt «wordt» vervangen door «worden».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 23 8. In het achtste lid (nieuw) wordt «het bedrag» vervangen door «debedragen», wordt «derde lid» vervangen door «vijfde lid» en wordt«artikel 11.1» vervangen door «artikel 11.1, eerste lid».9. In het negende lid (nieuw) wordt «een tegemoetkoming» vervangendoor «de tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming».ARTIKEL II. INWERKINGTREDING Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalentijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvanverschillend kan worden vastgesteld. In dat besluit kan worden bepaalddat artikel I, onderdeel B, van deze wet voor zover het betreft artikel 12.30,vijfde en achtste lid, van de Wet studiefinanciering 2000, terugwerkt tot enmet 1 september 2026.Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst endat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulksaangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.GegevenDe Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 24
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.