KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag

24 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 53a10f38417e95a8 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 918Wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijkemaatregelen terrorismebestrijding in verbandmet de permanentmaking van die wet en enkeleandere wijzigingenNr. 5 VERSLAGVastgesteld 24 april 2026 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, belast met het voorbe-reidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer als volgt verslaguit te brengen. Onder het voorbehoud dat de hierin gestelde vragen engemaakte opmerkingen voldoende zullen zijn beantwoord, acht decommissie de openbare behandeling van het voorstel van wetgenoegzaam voorbereid.I.Algemeen11.Inleiding32.Terroristische dreiging en contraterrorisme42.1Aanhoudende dreiging42.2Terrorismeveroordeelden met hoger dreigingsprofiel uitdetentie53.De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelenterrorismebe-strijding63.1Onderdeel van de persoonsgerichte aanpak63.2Doelstelling63.3De bestuurlijke maatregelen64.Evaluatie Twbmt, beleidsreactie en voorgesteldemaatregelen84.1Conclusies evaluatierapport84.2Beleidsreactie84.2.1Noodzaak behoud vrijheidsbeperkende maatregelen84.2.2Schrappen grondslag afwijzen aanvraag voor eenbesluit af te wijzen, of een genomen besluit in te trekken94.2.3Evalueren11II.Overig11 I. Algemeen De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel tot wijziging van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatre-gelen terrorismebestrijding in verband met de permanentmaking van diewet en enkele andere wijzigingen (hierna: het wetsvoorstel). Deze leden kst-36918-5ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 51 onderschrijven het belang van een doelmatige en efficiënte aanpak vanterrorisme en extremisme om de nationale veiligheid te garanderen.Tegelijkertijd constateren voornoemde leden dat het wetsvoorstelingrijpende maatregelen bevat die tot een beperking van diversegrondrechten kunnen leiden, wat vraagt om een uitgebreide onder-bouwing van de noodzaak van het wetsvoorstel. De aan het woord zijndeleden zijn daarnaast van mening dat een doelmatige aanpak vanterrorisme vraagt om zowel het nemen van maatregelen met betrekkingtot de veiligheid als maatregelen met betrekking tot preventie. In dat kaderhebben deze leden nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Zij delen de noodzaak die de regering beschrijft omde Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (hierna:Twbmt) permanent te maken. Deze leden zien met de regering deblijvende noodzaak om te kunnen beschikken over bestuurlijke maatre-gelen ter bescherming van de nationale veiligheid. Zij stellen nog enkelevragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling enook enige verbazing kennisgenomen van het wetsvoorstel. De oorspron-kelijke wet kende vanwege het vergaande karakter van de in die wetopgenomen bestuurlijke maatregelen die meerdere grondrechten raakten,een horizonbepaling die de wet in 2022 deed vervallen. Uit de kritischeevaluatie van die tijdelijke wet bleek toen al dat de bestuurlijke maatre-gelen te weinig toegevoegde waarde hadden. Het wetsvoorstel totverlenging van de wet stuitte ook op kritiek van de Afdeling adviseringvan de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling achtte hetverlengingsvoorstel onvoldoende onderbouwd. De toen nog beide fractiesvan GroenLinks en PvdA stemden tegen het wetsvoorstel tot verlenging.Desalniettemin werd de tijdelijke wet in 2022 met vijf jaar verlengd.De tweede evaluatie van de Twbmt uit 2024 is wat de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie betreft duidelijk: de evaluatie wijst erop dat detijdelijke wet nauwelijks is «toegepast en dan vaak ook nog in aanvullingop een strafrechtelijk traject. De wet voorziet kennelijk niet in eenwerkelijke behoefte»1. Bovendien is uit de evaluatie niet gebleken «dat erterroristische activiteiten zijn ontplooid die met toepassing van de Twbmthadden kunnen worden voorkomen»2. En «[g]een van de door onsgeïnterviewde professionals van gemeenten, de politie of Zorg- enVeiligheidshuizen, die op lokaal niveau betrokken zijn bij de aanpak vanradicalisering, heeft aangegeven grote behoefte te hebben aan de wet. Ditrechtvaardigt de algemene conclusie dat de Twbmt geen noodzakelijkinstrument is in de bestrijding van terroristische activiteiten»3.Daarnaast is gebleken dat ook de rechter in meerdere gevallen heeftgeoordeeld dat er onvoldoende onderbouwing was voor een maatregel.Ook wordt er in de evaluatie op gewezen dat artikel 38z van het Wetboekvan Strafrecht inmiddels is gaan voorzien in de mogelijkheid «om inafgeronde strafzaken met betrekking tot terroristische misdrijven (mitsuitgemond in een veroordeling tot een vrijheidsstraf of tbs) blijvendgedragsbeïnvloedende en/of vrijheidsbeperkende maatregelen toe tepassen»4. En als er in een strafzaak met betrekking tot een terroristischmisdrijf geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, geldt ooknaar de mening van deze leden dat het strafrecht het ultimum remedium1Evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, Nood zoekt wet,juli 2024, bijlage bij Kamerstuk 29 754, nr. 730, p. 153.2Idem.3Idem.4Idem, p. 154.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 52 moet blijven en is een bestuursrechtelijke maatregel die na een strafrech-telijk vonnis zou moeten komen, dus ongewenst. Ten slotte stuit hetvoorliggend wetsvoorstel nu wéér op een kritisch advies van de Afdeling.Voornoemde leden kunnen zich aansluiten bij de woorden van deAfdeling, namelijk dat er «geen reden [is] om af te zien van de eerder naarvoren gebrachte vraagtekens bij deze wettelijke maatregelen, temeer nietnu wordt voorgesteld de wet permanent te maken». Temeer ook daar devoorgestelde bestuurlijke maatregelen meerdere grondrechten raken, ziende aan het woord zijnde leden geen reden om de tijdelijke wet permanentte maken. Zij vragen de regering het wetsvoorstel beter te onderbouwenanders dan de redenering dat het handig kan zijn «voor het geval dat» omde bestuurlijke maatregelen alvast in de spreekwoordelijke gereed-schapskist te hebben.Deelt de regering de mening van deze leden dat het in het kader van hetvoorkomen van terroristische aanslagen effectiever is om te voorkomendat mensen afglijden naar terroristisch gedachtegoed en gedrag? Zo ja,hoe gaat de regering daar gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelen hebben hierover enkele vragen.De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen aan de regering over dit wetsvoorstel.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelen hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel.1. Inleiding De leden van de D66-fractie merken op dat bij de invoering van de Twbmtis benoemd dat de bestuurlijke maatregelen niet los kunnen wordengezien van het gehele palet aan maatregelen om radicalisering tegen tegaan. Deze leden delen de mening dat een effectieve aanpak vanterroristisch en extremistisch gedachtegoed vraagt om zowel maatregelenmet betrekking tot het beschermen van de nationale veiligheid alsmaatregelen ten behoeve van preventie. Voornoemde leden vragen deregering dan ook het volledige pakket aan maatregelen uiteen te zettenwaarbinnen de bestuurlijke maatregelen een rol vervullen en vragen deregering daarbij expliciet uiteen te zetten welke maatregelen wordengetroffen ten behoeve van preventie van radicalisering. Hoe beoordeelt deregering de balans tussen veiligheidsmaatregelen enerzijds en de inzet oppreventie anderzijds? Is deze balans met het huidige wetsvoorstelvoldoende gewaarborgd?De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering de noodzaak van deTijdelijke wet onderschrijft door te verwijzen naar het DreigingsbeeldTerrorisme Nederland (hierna: DTN) van juni 2025, waaruit blijkt dat dejihadistische dreiging van geradicaliseerde individuen in Nederlandonverminderd hoog is. Kan de regering bevestigen dat dit beeld vrijwelonveranderd is aan de hand van het DTN van december 2025? Is ersindsdien sprake van andere soorten dreigingen, een afname of intensiteitvan bepaalde vormen van jihadisme?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 53 2. Terroristische dreiging en contraterrorisme 2.1 Aanhoudende dreiging De leden van de D66-fractie lezen dat de regering onder andere hethuidige dreigingsbeeld, de zorgen over online radicalisering en de relatiefsnel veranderende omstandigheden in de wereld benoemt als redenenom tot een andere weging te komen ten aanzien van de noodzaak voorbehoud van de Tijdelijke wet dan de onderzoekers in het evaluatierapport.Deze leden onderschrijven het dreigingsbeeld dat de regering schetst metbetrekking tot jihadistische, rechts-terroristische, anti-institutionele enandere groeperingen. Daarnaast delen voornoemde leden de zorgen overde snelheid van online radicalisering en de steeds grotere impact vansociale media op het ontwikkelen van extremistisch gedachtegoed. De aanhet woord zijnde leden zien echter niet hoe deze problematiek wordtondervangen met de permanentmaking van de Twbmt. Kan de regeringuiteenzetten hoe de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstelbijdragen aan het tegengaan van deze online ontwikkelingen?De leden van de D66-fractie lezen voorts dat de regering concludeert datde maatregelen nog steeds noodzakelijk zijn met het oog op hetbestaande terroristische dreigingsniveau. Deze leden erkennen dat hetdreigingsniveau van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding enVeiligheid (hierna: NCTV) onverminderd hoog is. Tegelijkertijd bestaat demogelijkheid dat het dreigingsniveau in de toekomst zal afnemen. Kan deregering toelichten waarom desondanks is gekozen voor een permanentewet in plaats van een verlenging van de wet tot het dreigingsniveausubstantieel is afgenomen? Is de regering van mening dat de voorge-stelde maatregelen en de mogelijk daaraan verbonden inbreuk opgrondrechten nog steeds noodzakelijk, proportioneel en uitlegbaar zijnwanneer het dreigingsniveau sterk is afgenomen? Kan de regering dit perbestuurlijke maatregel toelichten?De leden van de VVD-fractie lezen in de beantwoording van feitelijkevragen bij de Voorjaarsnota 2026 dat er in 2023 vijfentwintig verdachtenvan terroristische misdrijven zijn geregistreerd bij het Openbaar Ministerie(hierna: OM). In 2024 waren dat er veertig. Er zijn nog geen cijfersbeschikbaar uit 2025. Mede uit deze cijfers en de jaarrapporten van deAlgemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, de Militaire Inlichtingen- enVeiligheidsdienst en het recente DTN blijkt dat het dreigingsniveausubstantieel blijft. Er is volgens het recente DTN een hoge voorstelbareterroristische dreiging en er is een reële kans dat een aanslag inNederland zal plaatsvinden. Kan de regering ingaan op de maatregelendie tijdens de kabinetsperiode worden getroffen om deze dreiging tebeperken? Welke maatregelen worden er naast permanentmaking van deTwbmt genomen om bijvoorbeeld de toegenomen snelle online radicali-sering van eenlingen tegen te gaan?De leden van de CDA-fractie lezen dat de terroristische dreiging onver-minderd actueel is en de kans op een aanslag reëel blijft. De dreigingkomt vooral voort uit jihadistische groepen uit ISIS-provincies diejihadisten aansturen op aanslagen. Dit gedachtegoed wordt met nameverspreid via sociale media, wat veel terechtkomt bij tieners en jongvol-wassenen. Deze leden constateren dat eind 2022 de motie van het lid Kuik(Kamerstuk 29 754, nr. 658) is aangenomen om een pilot te starten om deaanpak van online radicalisering te versterken door jongeren dieradicaliserende content opzoeken, online om te leiden naar anti-extremistische content. Kan de regering al resultaten delen van deze pilot,die in januari 2026 is uitgerold op Instragram, Facebook en Threads? Zonee, wanneer kan de Tweede Kamer de eerste resultaten verwachten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 54 De leden van de CDA-fractie vragen tevens of de regering bereid is teonderzoeken of met andere platformen vergelijkbare pilots kunnenworden opgezet om radicalisering tegen te gaan, zoals gamingplatformenof andere platformen waar veel jongeren actief op zijn. Daarnaast vragendeze leden, nu de regering in de memorie van toelichting schrijft dat deonline radicalisering zich manifesteert over landsgrenzen heen, of deregering bereid is om de pilot onder de aandacht te brengen bij andereEuropese lidstaten.De leden van de SGP-fractie vragen of het klopt dat op grond van deTijdelijke wet in de afgelopen zes jaren slechts tweemaal een maatregel isopgelegd, te weten een meldplicht. Hoe verhouden deze cijfers zich tot deaanhoudende dreiging die beschreven wordt door de regering?2.2 Terrorismeveroordeelden met hoger dreigingsprofiel uit detentie De leden van de VVD-fractie stellen dat ook de komende jaren een aantalterrorismeveroordeelden met een hoog dreigingsprofiel uit detentie zalkomen. In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt over deze groep,waarbij specifiek aandacht is besteed aan de groep waarvan het Nederlan-derschap is ingetrokken. Kan de regering een stand van zaken geven metbetrekking tot de uitvoering van de afspraken uit het coalitieakkoord?De leden van de VVD-fractie brengen in herinnering dat de rechtertegenwoordig ook de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkendemaatregel (hierna: GVM) kan opleggen bij veroordeling wegens eenterroristisch misdrijf. Hier is een specifieke wettelijke grondslag voorgecreëerd. Kan de regering toelichten hoe vaak inmiddels de GVM isopgelegd aan terrorismeveroordeelden? En hoe vaak is de tenuitvoer-legging van deze maatregel gelast? Acht de regering het wenselijk dat hetOM bij het uitspreken van strafeisen wegens terrorismedelicten ook vakeraan de rechter verzoekt een GVM op te leggen? Hoe vaak is dat in 2024,2025 en tot nu toe in 2026 gebeurd?De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeelden dienaast het Nederlanderschap nog een andere nationaliteit hebben enbinnenkort vrijkomen, het Nederlanderschap kan worden ingetrokken.Deze leden vragen hoeveel terrorismeveroordeelden de komende tweejaar vrijkomen en of voor elke terrorismeveroordeelde met een dubbelenationaliteit geldt dat het Nederlanderschap wordt ingetrokken. Ookvragen voornoemde leden hoe de regering gaat voorkomen dat wanneerhet Nederlanderschap is ingetrokken maar het vertrek naar het derde landniet wordt gerealiseerd, deze persoon onder de radar verdwijnt enonrechtmatig in Nederland verblijft met het risico op radicalisering. Wordtover de terugkeer van deze groep veroordeelden afspraken gemaakt metderde landen?De leden van de CDA-fractie lezen dat bij terrorismeveroordeelden zonderdubbele nationaliteit door betrokken ketenpartners wordt ingezet op hethouden van zoveel mogelijk zicht op deze personen. Kan de regeringnader uiteenzetten welke ketenpartners hierbij betrokken zijn, hoe deinformatie- en gegevensdeling op een adequate manier is ingericht en opwelke manier zicht wordt gehouden op de veroordeelden die vrij zijngekomen?De leden van de CDA-fractie lezen dat een GVM zoals opgenomen in deWet langdurig toezicht, binnen het strafrechtelijk kader niet altijd kanworden toegepast op terrorismeveroordeelden. De regering benadruktdaarom het belang van de Twbmt, die ook ziet op preventieve werking enhet voorkomen van recidive. Heeft de regering overwogen om de WetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 55 langdurig toezicht aan te passen, zodat terrorismeveroordeelden dievrijkomen, vaker hieronder kunnen vallen en, zo nee, waarom niet?Kunnen de maatregelen in het wetsvoorstel de Wet langdurig toezicht nudoorkruisen of kan dit niet naast elkaar bestaan?De leden van de SGP-fractie vragen de regering te reageren op kritiek datde uitvoering van de meldplicht veel te wensen overlaat en dat de wijzevan uitvoeren vaak niet bijdraagt aan het daadwerkelijk verwerven vangoede informatie. Welke inspanningen verricht de regering om dit teverbeteren?De leden van de SGP-fractie constateren op basis van het evaluatieon-derzoek dat in acht van de negen gevallen een bestuurlijke maatregel isingezet na een strafrechtelijke procedure. Deze leden vragen of deregering kan duiden in hoeveel gevallen naar verwachting de inzet vanartikel 38z van het Wetboek van Strafrecht soelaas had kunnen bieden.3. De Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding 3.1 Onderdeel van de persoonsgerichte aanpak De leden van de CDA-fractie lezen dat in een casusoverleg gezamenlijk deaanpak van radicaliserende of geradicaliseerde personen wordt besprokentussen verschillende ketenpartners. Op welke manier is de gegevens-deling hierbij geborgd, zodat lokale partners uit het sociale en zorgdomeinen nationale partners zoals de politie en reclassering, beschikken overvoldoende en dezelfde informatie over de persoon in kwestie? Onderwelke voorwaarden kan de NCTV aansluiten bij de casusoverleggen?3.2 Doelstelling De leden van de D66-fractie constateren dat met het onderhavigewetsvoorstel de Minister van Justitie en Veiligheid de bevoegdheid krijgtvrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen aan een persoon die opgrond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht metterroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Het gaat daarbijom personen die in strafrechtelijke zin nog niets verwijtsbaars doen, maarwiens gedragingen wel een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.Deze leden merken op dat onduidelijk is wanneer sprake is van het «inverband kunnen worden gebracht» of «het ondersteunen» van terroris-tische activiteiten, waarbij de gedragingen niet strafbaar zijn. Kan deregering daarom uiteenzetten welke activiteiten hieronder kunnen vallen?Wat wordt concreet bedoeld met «het ondersteunen» van terroristischeactiviteiten? In welke concrete omstandigheden zou hier sprake van zijnzonder dat strafrechtelijk optreden mogelijk is? Kan de regering een aantalvoorbeelden schetsen?De leden van de BBB-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel een tijdelijkewet permanent wordt gemaakt, terwijl uit evaluaties blijkt dat de wetslechts beperkt is toegepast en de effectiviteit moeilijk aantoonbaar is.Deze leden vragen de regering daarom allereerst om een nadereonderbouwing van de effectiviteit van de wet. Op basis waarvan conclu-deert de regering dat deze bevoegdheden daadwerkelijk bijdragen aan hetvoorkomen van terroristische dreiging?3.3 De bestuurlijke maatregelen De leden van de D66-fractie constateren uit de evaluatie van de Tijdelijkewet dat de meldplicht, die bedoeld is om zicht te krijgen op geradicali-seerde personen, op dit moment weinig effectief is, omdat de meldmo-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 56 menten niet altijd zinvolle interactie opleveren. Zo ontbreken de noodza-kelijke vaardigheden hoe om te gaan met geradicaliseerde individuen bijmedewerkers waarbij een persoon zich moet melden. Deze leden zijn vanmening dat de meldplicht extra waarde zou hebben als de contactmo-menten die daaraan zijn verbonden, ook daadwerkelijk zicht geven op hetgedachtegoed van de betrokken persoon en of (verdere) radicaliseringplaatsvindt. Voornoemde leden vragen de regering dan ook toe te lichtenhoe, met de permanentmaking van de meldplicht, extra kan wordeningezet op het vergroten van dergelijke vaardigheden bij relevanteinstanties en werkgevers. Welke concrete wijzigingen vinden plaats in deuitvoering van de meldplicht om het instrument te verbeteren?De leden van de VVD-fractie constateren dat in het DTN vaak wordtgeconstateerd dat er personen zijn die radicaliseren of sterk geradicali-seerd zijn en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid. Welkeconcrete gevolgen zouden er ontstaan als de Twbmt zou komen tevervallen per 1 maart 2027?De leden van de PVV-fractie vragen of de regering een voorbeeld kangeven van een hypothetische casus waarin andere middelen, zoals hetstrafrecht, niet kunnen worden ingezet en deze bestuurlijke middelennoodzakelijk zijn.De leden van de CDA-fractie lezen dat een maatregel die opgelegd kanworden op basis van de Twbmt, noodzakelijk moet zijn met het oog op debescherming van de nationale veiligheid. Kan de regering ingaan op dezwaarte van die toets en wanneer er wel en niet sprake is van debescherming van de nationale veiligheid.De leden van de CDA-fractie vragen of de regering de cijfers kan duidenrondom de aantal opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen tussen2017 en 2027. Wat is de reden dat de aantallen relatief laag liggen? Heeftdat te maken met juridische of praktische bezwaren of heeft dit andereoorzaken?De leden van de BBB-fractie vragen ten aanzien van het gebiedsverbod deregering te reflecteren op hoe vaak deze maatregel sinds de invoering vande wet is toegepast. Deze leden vragen hoe effectief een gebiedsverbod isin situaties waarin sprake is van een concrete terroristische dreiging. Inhoeverre voorkomt een dergelijke maatregel daadwerkelijk dat iemand totgeweld overgaat? De aan het woord zijnde leden vragen daarnaast of insituaties van serieuze dreiging niet een zwaardere maatregel overwogenzou moeten worden. Waarom wordt niet gekozen voor een vorm vantijdelijke administratieve detentie of een andere administratieve vrijheids-benemende maatregel indien sprake is van een concrete dreiging, maarstrafrechtelijk ingrijpen (nog) niet mogelijk is?De leden van de SGP-fractie maken uit de toelichting op dat inmiddelsmeer maatregelen zijn opgelegd dan in het evaluatieonderzoek uit 2024 telezen valt. Deze leden vragen of de regering het overzicht zoals weerge-geven op pagina 109 van het onderzoek, kan aanvullen met de nieuwegegevens en of zij een duiding kan geven van de meest recente maatre-gelen die zijn opgelegd.De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre het doel van het gebieds-verbod op grond van de Tijdelijke wet ook bereikt kan worden met eengebiedsverbod door de burgemeester of burgemeesters dan wel op basisvan een civielrechtelijke procedure.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 57 De leden van de SGP-fractie vragen of het gebiedsverbod dat onder deTijdelijke wet aan een drietal personen is opgelegd, ook gepaard ging meteen enkelband. Eveneens vragen zij of de regering kan aangeven wat hetgeografische bereik was van de gebiedsverboden die zijn opgelegd.De leden van de SGP-fractie of het toepassen van een enkelband volgensde regering in beginsel voor de hand ligt gezien het ernstige karakter vande maatregel van een gebiedsverbod op basis van de voorgesteldebijzondere bestuursrechtelijke regeling.4. Evaluatie Twbmt, beleidsreactie en voorgestelde maatregelen 4.1 Conclusies evaluatierapport De leden van de D66-fractie lezen in de wetsevaluatie dat de bestuurlijkemaatregelen uit de Tijdelijke wet in de afgelopen jaren zelden zijntoegepast en als deze zijn toegepast deze vaak in aanvulling op eenstrafrechtelijk traject van toepassing waren. Deze leden lezen in dememorie van toelichting dat een van de argumenten vóór hetwetsvoorstel juist is dat preventief ingrijpen mogelijk wordt als strafrech-telijk ingrijpen geen uitkomst biedt. Voornoemde leden vragen deregering dan ook te reflecteren op deze doelstelling van het wetsvoorstel.Welk gat vullen de maatregelen op als de maatregelen niet preventiefmaar in aanvulling op een strafrechtelijk traject worden opgelegd?4.2 Beleidsreactie 4.2.1 Noodzaak behoud vrijheidsbeperkende maatregelen De leden van de VVD-fractie stellen dat het contactverbod van de Twbmtin de huidige vorm fysiek van aard is. Tegelijkertijd hebben zij zeker in deafgelopen paar jaren gezien dat er een toename is van online radicali-sering, met name bij jongeren. De aan het woord zijnde leden menen datdaarmee de aard van de dreiging van terrorisme is veranderd ten opzichtevan 1 maart 2017, toen de Twbmt in werking trad. Heeft de regeringonderzoek gedaan naar uitbreiding van het contactverbod uit de Twbmtnaar online contacten? Zo nee, waarom niet? Voornoemde leden stellendat een online contactverbod in sommige gevallen effectiever kan zijn omde nationale veiligheid te beschermen dan een fysiek contactverbod. Watis hiervoor nodig? En is de regering bereid deze uitbreiding voor tebereiden?De leden van de PVV-fractie lezen dat er in 2027 weer jihadistischeterrorismeveroordeelden vrijgelaten zullen worden. Zij vragen de regeringom hoeveel personen het gaat.De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of zij een update kangeven over potentiële uitreizigers uit Nederland of Europa richting Syrië,Somalië of Afghanistan met betrekking tot het aansluiten bij een kalifaat.Zijn sinds het DTN uit december 2025 nieuwe signalen binnengekomenover een stroom richting die gebieden?De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering schrijft dat dehandhaving van een gebiedsverbod met een enkelband ervoor zorgt dattijdig ingegrepen kan worden bij een dreiging richting personen ofobjecten in het verboden gebied. Deze leden vragen of bij een gebieds-verbod als preventieve bestuurlijke maatregel een enkelband standaardonderdeel is van de maatregel.De leden van de CDA-fractie vragen onder welke voorwaarden de NCTVkan aansluiten bij de casusoverleggen radicalisering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 58 De leden van de CDA-fractie constateren dat uit de evaluatie van deTijdelijke wet blijkt dat de meldplicht maar beperkt leidt tot zicht op depersoon die zich moet melden en dat de regering uitvoeringspartijen heeftgevraagd om van de meldplicht een contactmoment te maken metprofessionals binnen de radicaliseringsaanpak. Kan de regering verderingaan op de uitwerking van de meldplicht en op welke wijze meer zichtkan worden gekregen op de persoon die zich moet melden? Deze ledenzijn vooral benieuwd of de meldplicht dus ook automatisch leidt totindividueel, inhoudelijk contact. Welke professionals zijn betrokken bij eendergelijk contactmoment en op welke manier wordt geborgd dat relevanteinformatie onderling wordt gedeeld tussen de instanties die hierbijbetrokken zijn?4.2.2 Schrappen grondslag afwijzen aanvraag voor een besluit afte wijzen, of een genomen besluit in te trekken De leden van de VVD-fractie zijn niet overtuigd van de noodzaak van hetschrappen van artikel 6 van de Twbmt, waarin een grondslag is geregeldvoor het afwijzen of intrekken van een subsidie, vergunning of ontheffingals de aanvrager in verband kan worden gebracht met terroristischeactiviteiten of als er een ernstig gevaar bestaat dat de subsidie ofvergunning wordt gebruikt ten behoeve van (ondersteuning aan)terroristische activiteiten. Zij hebben hierover nog een aantal vragen.De leden van de VVD-fractie merken op dat de tekst van het coalitieak-koord 2026 over de Twbmt helder is. In het coalitieakkoord is namelijkafgesproken dat de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakt. Er is nietafgesproken dat een deel van de Tijdelijke wet permanent wordt gemaakten een ander deel komt te vervallen. De tekst laat aldus geen ruimte omeen deel van deze wet te laten vervallen. Kan de regering toelichtenwaarom zij desondanks voorstelt artikel 6 van de Twbmt te schrappen?De leden van de VVD-fractie constateren voorts dat het NederlandsGenootschap van Burgemeesters (hierna: NGB) in zijn consultatiereactieheeft gesteld dat het de onderbouwing van het schrappen «bijzondermatig» vindt. Het enkele feit dat een bepaling niet is toegepast, is volgenshet NGB geen gegronde reden om deze vervolgens te laten vervallen. Hoekijkt de regering hiernaar? Als er bij bestuursorganen en/of vertegenwoor-digers van veiligheidspartners zoals het NGB nog wel de behoefte bestaataan dit instrument, kan de regering dan niet beter in gesprek gaan metalle relevante partners in de veiligheidsketen om te bezien hoe debestaande bevoegdheid beter toepasbaar kan worden gemaakt voor depraktijk?De leden van de VVD-fractie constateren dat bij de verlenging van deTwbmt (Kamerstuk 35 917, nr. 6) de regering specifiek nut en noodzaakvan artikel 6 verdedigde door dit onder andere te illustreren aan de handvan een voorbeeld. Toen schreef de regering dat bij deze bevoegdheid kanworden gedacht aan de verstrekking van een subsidie voor een stichtingdie activiteiten organiseert voor de jeugd in een wijk met problemen methangjongeren, terwijl nadien blijkt dat (leden van) het bestuur van destichting waaraan de subsidie is verleend, banden blijkt te hebben meteen terroristische organisatie, zodat het ernstige gevaar bestaat dat desubsidie mede zal worden aangewend voor terroristische activiteiten of deondersteuning daarvan. Is daar anno 2026 geen sprake meer van? Kan deregering volledig uitsluiten dat bovenstaand voorbeeld dat bij deverlenging van de Twbmt relevant werd geacht, zich ooit in de toekomstnog zal kunnen voordoen? En, zo nee, waarom kiest de regering er dantoch niet voor om artikel 6 in stand te laten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 59 De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering in de memorie vantoelichting schrijft dat naast het onderzoek van het WetenschappelijkOnderzoek- en Datacentrum (hierna: WODC) ook «organisaties in hetveiligheidsdomein» geen meerwaarde zien in de maatregel van artikel 6van de Twbmt. Kan de regering deze stelling nader onderbouwen met deadviezen van deze organisaties? Welke organisaties hebben in 2012 en2017 nog wel positief geadviseerd over artikel 6 van de Twbmt en zien opdit moment geen meerwaarde?De leden van de VVD-fractie constateren dat in het WODC-onderzoek isuitgevraagd of het intrekken of weigeren van een beschikking een effectiefmiddel is om deelname aan of ondersteuning van terrorisme te verhin-deren. 42% van de respondenten was het (helemaal) eens met de stellingdat dit een effectieve maatregel is, ondanks dat deze nog niet in depraktijk is toegepast. Meer respondenten verwachten zelfs dat dezemaatregel effectiever is dan de meldplicht en het contact- en gebieds-verbod. Hoe kijkt de regering hiernaar?In het WODC-onderzoek wordt voorts geconcludeerd dat er «blijkbaargeen situaties waren waarin er behoefte was aan de maatregel of waarindeze uitkomst bood».5 Kan de regering toelichten of deze conclusieovereenkomt met de ervaringen uit de praktijk? De leden van deVVD-fractie benadrukken dat eenentwintig respondenten bij hetWODC-onderzoek hebben laten weten dat er lokaal te weinig kennis isover de toepassing van de maatregelen en twintig respondentenaangaven dat de mogelijkheden die de Twbmt biedt, niet bekend waren.Zou dat ook niet een reden kunnen zijn waarom de maatregel van artikel 6van de Twbmt nog niet is toegepast? Graag ontvangen de aan het woordzijnde leden een reactie van de regering op dit punt.De leden van de VVD-fractie stellen dat de dreiging van terrorisme aanverandering onderhevig is. Hierdoor kunnen zich na verloop van tijdgrotere kansen voordoen op situaties waarbij het noodzakelijk is omvrijheden van individuen te beperken zodra hun gedragingen in verbandworden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuningdaarvan en de nationale veiligheid beschermd moet worden. Daarommoet er wat deze leden betreft een wettelijke grondslag zijn om eenaanvraag voor een besluit af te wijzen of een genomen besluit in tetrekken als het ernstige gevaar bestaat dat de activiteit waarop het besluitbetrekking heeft, (mede) zou worden gebruikt ten behoeve van terroris-tische activiteiten of de ondersteuning daarvan. Deze bevoegdheid biedtdaartoe de mogelijkheid en maakt het mogelijk dat de overheid kaningrijpen als ongewild en indirect wordt bijgedragen of dreigt te wordenbijgedragen aan terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan.Kan de regering nader toelichten waarom de bevoegdheid jarenlang isverdedigd en nu zonder dragende motivering wordt geschrapt? Deelt zijde mening dat juist gelet op snelle fluctuaties van het dreigingsniveau, hetnoodzakelijk kan zijn om snel te handelen, ook ten aanzien van debevoegdheid die is geregeld in artikel 6 van de Twbmt?De leden van de PVV-fractie merken op dat in het oorspronkelijke voorstelde regering de noodzaak zag om een aanvullende weigerings- enintrekkingsgrond te creëren voor subsidies, vergunningen, ontheffingen oferkenningen. Zonder deze grondslag zou het namelijk niet toepasbaar zijnop alle vormen in voorgenoemde opsomming. Kan de regering aangevenof er bij het ontbreken van deze maatregel alsnog een grondslag bestaatom de aanvraag voor alle vormen van subsidie, vergunning, ontheffing of5Evaluatie van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding, Nood zoekt wet,juli 2024, bijlage bij Kamerstuk 29 754, nr. 730, p. 77.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 510 erkenning te weigeren of in te trekken. Zo nee, zou dit alsnog kunnenleiden tot het financieren of faciliteren van een terroristische organisatie?De leden van de SGP-fractie vragen waarom volgens de regering niet hetrisico bestaat dat subsidies, vergunningen en erkenningen als noodza-kelijk middel kunnen dienen om een bedreiging voor de nationaleveiligheid te kunnen vormen. Mogelijk is hiervan minder sprake bijfinanciële middelen, maar een vergunning om in bepaald gebiedactiviteiten te ontplooien kan een relevant onderdeel zijn van debedreiging. Zij vragen een nadere toelichting op het besluit om dit middelte schrappen, mede gezien het feit dat de regering erkent dat ook andereinstrumenten in veel jaren niet of nauwelijks gebruikt worden.4.2.3 Evalueren De leden van de BBB-fractie vragen wie toezicht houdt op de inzet van debevoegdheden uit deze wet. Welke instantie controleert de proportiona-liteit en rechtmatigheid van de opgelegde maatregelen? In het bijzondervragen deze leden wie toezicht houdt op de verwerking van persoonsge-gevens binnen het kader van deze wet en hoe dit toezicht in de praktijk isingericht.II. Overig De leden van de PVV-fractie vragen of de meest recente aantallenuitreizigers met de Kamer gedeeld kunnen worden.De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij aan kan geven hoevaak het Nederlanderschap is ingetrokken op grond van artikel 14 van deRijkswet op het Nederlanderschap.De leden van de PVV-fractie vragen om het overzicht van terroristischearrestaties wegens aanslagplanning van de afgelopen vijf jaar uit tesplitsen naar stroming.De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij de mening deelt datvoorgestelde bestuurlijke maatregelen gewoonweg genegeerd kunnenworden en dat administratieve detentie daarom noodzakelijk is alspreventieve maatregel om de nationale veiligheid te waarborgen.De leden van de BBB-fractie vragen waarom de regering kiest voorpermanentmaking van de wet. Gezien het ingrijpende karakter van debevoegdheden en de blijvende discussie over nut en noodzaak, ligt eennieuwe verlenging met een horizonbepaling volgens deze leden meervoor de hand. Kan de regering toelichten waarom niet opnieuw wordtgekozen voor een verlenging met bijvoorbeeld vijf jaar, zodat hetparlement periodiek opnieuw kan toetsen of deze wet nog noodzakelijk enproportioneel is?De voorzitter van de commissie,EerdmansDe griffier van de commissie,BurgerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 918, nr. 511

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 052c481526dd7965

14 okt 2026 · 1dc083735882cb5f

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.