KamerkringInloggen
Kamerstuk

Advies Afdeling advisering Raad van State Nader rapport

26 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 7d05405d4c2b1f19 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 582Wijziging van de Participatiewet, de Wetinkomensvoorziening en oudere en gedeeltelijkarbeidsongeschikte gewezen werklozewerknemers en de Wet inkomensvoorzieningoudere en gedeeltelijk arbeidsongeschiktegewezen zelfstandigen in verband met het oponderdelen in balans brengen van deze wettentussen bestaanszekerheid, re-integratie enhandhaving (Participatiewet in balans)Nr. 4 ADVIES AFDELING ADVISERING RAAD VAN STATE EN NADERRAPPORT1 Hieronder zijn opgenomen het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State d.d. 12 juni 2024 en het nader rapport d.d. 21 juni 2024,aangeboden aan de Koning door de Minister voor Armoedebeleid,Participatie en Pensioenen. Het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State is cursief afgedrukt.Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw Kabinet van 20 februari2024, nr. 2024000467, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling adviseringvan de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel vanwet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 12 juni2024, nr. W12.24.00035/III, bied ik U hierbij aan.De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.Bij Kabinetsmissive van 20 februari 2024, no. 2024000467, heeft UweMajesteit, op voordracht van de Minister voor Armoedebeleid, Participatieen Pensioenen, bij de Afdeling advisering van de Raad van State teroverweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet tot wijziging van deParticipatiewet, de Wet inkomensvoorziening en oudere en gedeeltelijkarbeidsongeschikte gewezen werkloze werknemers en de Wet inkomens-voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstan-digen in verband met het op onderdelen in balans brengen van dezewetten tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving, metmemorie van toelichting.Het wetsvoorstel voorziet in ruim twintig verschillende aanpassingen vande Participatiewet die op korte en middellange termijn realiseerbaar zijn.Daarmee geeft het voorstel invulling aan het zogenaamde spoor 1 van het1De oorspronkelijke tekst van het voorstel van wet en van de memorie van toelichting zoalsvoorgelegd aan de Afdeling advisering van de Raad van State is ter inzage gelegd bij hetCentraal Informatiepunt Tweede Kamer kst-36582-4ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 41 bredere programma «Participatiewet in Balans». De verschillendemaatregelen zien op uiteenlopende onderwerpen. Overkoepelend beoogtde regering met dit voorstel in de uitvoering van de Participatiewet demens meer centraal te stellen en van vertrouwen uit te gaan. Vereenvou-diging van regelgeving is tevens een belangrijk aandachtspunt.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft begrip voor de wensvan de regering om de verschillende beleidsdoelen van de Participatiewet,zoals garanderen van bestaanszekerheid, activering naar beloond werk enhandhaving van verplichtingen, meer in balans te brengen. De Afdelingwijst erop dat vervolgstappen noodzakelijk zijn en benadrukt het belangvan een fundamentele heroverweging van de beleidsuitgangspunten vande Participatiewet (spoor 2). Zij adviseert in de toelichting inzicht te biedenin de effecten van het voorstel op de toegang tot de arbeidsmarkt endaaraan ook uitdrukkelijk aandacht te besteden bij de invulling vanspoor 2.Daarnaast acht de Afdeling het noodzakelijk dat de toelichting naderingaat op de uitvoeringsgevolgen van het voorstel voor de gemeenten, inhet bijzonder op de financiële en personele gevolgen van de maatregelenter bevordering van maatwerk. Verder adviseert zij de voorgesteldegrondslag om bij algemene maatregel van bestuur de verstrekking vancategoriale bijzondere bijstand mogelijk te maken, dragend te motiverenen te voorzien in wettelijke waarborgen voor een terughoudend gebruik.Tot slot adviseert de Afdeling in te gaan op de uitzondering voor eerste-graads aanverwanten en bloedverwanten op het voeren van eengezamenlijke huishouding.In verband hiermee is aanpassing van de toelichting en zo nodig hetwetsvoorstel wenselijk.1. Achtergrond en inhoud wetsvoorstel a. Achtergrond De Participatiewet is in 2015 in werking getreden als vervanger van deWet werk en bijstand, de Wet sociale werkvoorziening en een groot deelvan de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong).Doelen van de Participatiewet zijn het (naar vermogen) ondersteunen vanmensen richting werk en het garanderen van een basaal inkomen alsmensen via werk of op een andere manier onvoldoende inkomen kunnengenereren. Daarnaast vindt er controle plaats op de verplichtingen die aande rechten zijn verbonden, waarvan handhaving het sluitstuk is. Deuitvoering van de Participatiewet ligt in handen van de gemeenten.Naar aanleiding van ontstane zorgen over «hardheden» in de Participa-tiewet is in 2021 door het kabinet-Rutte III een traject gestart tot verbe-tering van deze wet. In dat kader heeft een uitgebreide beleidsanalyseplaatsgevonden. De uitkomsten daarvan zijn opgenomen in het rapport«Participatiewet in Balans».2 Geconcludeerd wordt dat de vormgeving vanbestaanszekerheid complex is en het vangnetkarakter van de Participa-tiewet strikt wordt uitgelegd. Ook wordt de ondersteuning vanuit degemeenten als te beperkt ervaren, mede vanwege de sterke focus oparbeidsinschakeling. Ten slotte is sprake van een strikt sanctieregime bijde handhaving van verplichtingen, die op zichzelf al veel vragen van hetdoenvermogen van de betrokken burgers.32«Participatiewet in balans: uitkomsten beleidsanalyse», bijlage bij Kamerstukken II 2021/22,34 352, nr. 253.3«Participatiewet in Balans», paragraaf 2.8. Memorie van toelichting, paragraaf 1.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 42 Het wetsvoorstel geeft invulling aan het zogenaamde spoor 1 van hetbredere programma «Participatiewet in Balans». Dit spoor heeft tot doel tekomen tot een uitvoering van de Participatiewet waarbij de menselijkemaat en vertrouwen kernwaarden zijn. Spoor 2 bestaat uit een herover-weging van de beleidsuitgangspunten van de Participatiewet, waarbij desamenhang met het bredere stelsel van sociale zekerheid bekeken wordt.In spoor 3 wordt gewerkt aan het versterken van de vakkundigheid van deuitvoering. Daarbij wordt ingezet op een cultuurverandering van controlenaar dienstverlening. Dit spoor loopt parallel aan spoor 1 en 2.4b. Inhoud Het wetsvoorstel bestaat uit een pakket van ruim twintig verschillendemaatregelen,5 die voortvloeien uit de reeks beleidsopties voor de korte enmiddellange termijn in het rapport «Participatiewet in balans».6 Demaatregelen zien op uiteenlopende onderwerpen.7 Er worden zowelmaatregelen voorgesteld om de uitvoeringspraktijk op onderdelen teuniformeren als maatregelen om de handelingsruimte voor uitvoerendeprofessionals te vergroten. Overkoepelend beoogt de regering in deuitvoering de mens meer centraal te stellen en van vertrouwen uit tegaan.8 Vereenvoudiging van regelgeving is tevens een belangrijkaandachtspunt.Aanvullend wordt voorgesteld om de meeste wijzingen van de Participa-tiewet ook door te voeren in de – met de Participatiewet vergelijkbare –Wet inkomensvoorziening en oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschiktegewezen werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudereen gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Dit gebeurt nietals een bepaalde wijziging niet nodig is of niet aansluit bij dezeregelingen.92. Algemene beoordeling De Afdeling begrijpt de wens van de regering om de verschillendebeleidsdoelen van de Participatiewet, zoals garanderen van bestaansze-kerheid, activering naar beloond werk en handhaving van verplichtingen,een evenwichtig geheel te laten vormen. Daarbij is het begrijpelijk datmaatregelen voor de korte en middellange termijn (spoor 1) wordenonderscheiden van een fundamentele herziening van de Participatiewet(spoor 2). De Afdeling onderschrijft daarnaast het beter laten aansluitenvan de uitvoeringspraktijk van gemeenten op de Participatiewet.Het aanbrengen van evenwicht in de Participatiewet vraagt om maatre-gelen op verschillende terreinen. Uit de toelichting komt naar voren dat demaatregelen in het wetsvoorstel in meer of mindere mate met elkaarsamenhangen. Daarbij speelt een rol dat sommige maatregelen voor degemeentelijke uitvoeringspraktijk nieuw zijn, terwijl een ander deel van demaatregelen neerkomt op codificatie van bestaande uitvoeringspraktijken.Het algehele effect van het voorstel op de balans in de Participatiewet laatzich daarom niet eenvoudig vaststellen.Hieraan draagt bij dat het voorstel streeft naar zowel vereenvoudiging vanregelgeving als het willen aansluiten bij individuele omstandigheden. Ditleidt ertoe dat vereenvoudigde regels ook passend moeten zijn voor de4Memorie van toelichting, paragraaf 2.2. Zie ook Kamerstukken II 2022/23, 34 252, nr. 260.5In de memorie van toelichting, paragraaf 1.3, is een overzicht van de maatregelen opgenomen.6«Participatiewet in Balans», hoofdstuk 3. Zie ook bijlage I van het rapport.7Memorie van toelichting, paragraaf 2.3.8Memorie van toelichting, paragraaf 2.2.1, 2.3.9Zie nader de memorie van toelichting, paragraaf 6.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 43 doelgroep en dat voor het bieden van maatwerk bepaalde kaders gaangelden. Dergelijke spanningen tussen beide doelen kunnen invloedhebben op de realisatie daarvan. Ook andere wetsvoorstellen, bijvoor-beeld ter zake van de handhaving binnen de sociale zekerheid,10 enontwikkelingen op het terrein van inkomenszekerheid en de arbeidsmarkthebben invloed op de effecten van dit wetsvoorstel en de balans in deParticipatiewet.Tegen deze achtergrond benadrukt de Afdeling het belang van eenfundamentele heroverweging van de beleidsuitgangspunten van deParticipatiewet, dat als een noodzakelijke vervolgstap moet wordenbeschouwd op de maatregelen in dit wetsvoorstel. Uit de toelichting blijktniet duidelijk hoe dit zogenoemde spoor 2 inhoudelijk samenhangt met ditvoorstel, welke stappen in het kader van spoor 2 al zijn gezet en welkeandere stappen op welke termijn gezet zullen worden. De Afdeling achthet van belang dat de toelichting hierin meer inzicht geeft en daarbijingaat op de vraag hoe verzekerd is dat deze herziening daadwerkelijkgestalte krijgt.De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de verhoudingvan spoor 2 tot dit wetsvoorstel, zowel inhoudelijk als wat betreft devoortgang.Ik dank de Afdeling voor de opmerking dat de fundamentele herzieningeen noodzakelijke vervolgstap is bij het in balans brengen van deParticipatiewet. Samen met het aannemen van de motie waarbij deTweede Kamer zich uitspreekt voor het doorgang vinden van de voorge-nomen aanpassingen in de Participatiewet (Kamerstukken II 2023/24,34 352, nr. 316) biedt dit een goede basis voor het vervolgtraject. Dememorie van toelichting is op dit punt aangevuld (paragraaf 2.2.2).3. Breder perspectief op participatie De Participatiewet kent een sterke gerichtheid op uitstroom uit de bijstandnaar betaald werk. Volgens de toelichting schuurt dit echter met derealiteit, omdat arbeidsinschakeling voor een aanzienlijk deel van debijstandsgerechtigden geen reëel perspectief blijkt te zijn.11 Vanuit hetoogpunt om meer rekening te houden met ieders mogelijkheden wordtdaarom voorgesteld alleen de generieke participatieplicht te handhaven.De maatregelen ten aanzien van het niet voldoen aan de specifiekearbeidsverplichtingen komen in de wet te vervallen om gemeenten meerhandelings- en beleidsruimte te geven.12Daarnaast wordt de verplichting tot een tegenprestatie vervangen dooreen verplichting tot maatschappelijke participatie. Dit betekent datbelanghebbenden niet langer door de gemeente opdragen onbeloondemaatschappelijk nuttige werkzaamheden hoeven te verrichten. In plaatsdaarvan zijn zij gehouden tot het verrichten van onbeloonde activiteitendie gericht zijn op deelname aan het maatschappelijk leven.13 Belangheb-benden kunnen de maatschappelijke participatie zelf vormgeven.14Voorwaarde is wel dat dit de arbeidsinschakeling niet belemmert of nietleidt tot verdringing op de arbeidsmarkt.10Zie ook de memorie van toelichting, paragraaf 2.5.11Memorie van toelichting, paragraaf 5.1.12Huidig artikel 18, vierde tot en met achtste lid, Pw.13Voorgesteld artikel 9, eerste lid, onderdeel c, en artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Pw.14Voorgesteld artikel 9, achtste lid, Pw. Zie ook de memorie van toelichting, paragraaf 5.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 44 a. Maatschappelijke participatie De Afdeling heeft begrip voor de wens van de regering om anderevormen van participatie dan betaalde arbeid een gelijkwaardiger positie tegeven.15 Zoals uit de toelichting blijkt, is uitstroom naar betaald werk nietvoor iedereen een reële mogelijkheid.16 Maatschappelijke participatie inde zin van het verrichten van onbeloonde activiteiten, gericht opdeelname aan het maatschappelijk leven is dan het hoogst haalbare.Volgens de regering kan maatschappelijke participatie ook voor mensendie op kortere termijn of op de wat langere duur wel zouden kunnenwerken, van toegevoegde waarde zijn op de route naar betaald werk.Met de voorgestelde maatschappelijke participatie blijft de tweedeling inde Participatiewet tussen betaald werk en onbeloonde activiteitenweliswaar behouden, maar kunnen meer soorten onbeloonde activiteitenworden verricht, mede omdat de bijstandsgerechtigde zelf de maatschap-pelijke participatie kan vormgeven. Gemeenten kunnen dergelijkeonbeloonde activiteiten niet langer opdragen aan bijstandsgerechtigden.Niet duidelijk is welke rol de gemeente heeft als een bijstandsgerechtigdeniet zelf invulling geeft aan zijn verplichting tot maatschappelijkeparticipatie. Mede gelet op de mate van zelfredzaamheid en het doenver-mogen van bijstandsgerechtigden, is het wenselijk dat de toelichtinghierop nader ingaat.De Afdeling adviseert de toelichting op dit punt aan te vullen.De Afdeling merkt op dat onbeloonde activiteiten in het kader vanmaatschappelijke participatie niet aan bijstandsgerechtigden kunnenworden opgedragen en vraagt zich af welke rol de gemeente heeft als eenbijstandsgerechtigde niet zelf invulling geeft aan zijn verplichting totmaatschappelijke participatie.De regering wil graag verhelderen dat maatschappelijke participatie alsre-integratievoorziening kan worden aangeboden aan bijstandsgerech-tigden die kunnen re-integreren op de arbeidsmarkt. Ook aan bijstandsge-rechtigden die nog geen mogelijkheden hebben tot arbeidsinschakelingkunnen onbeloonde activiteiten in het kader van maatschappelijkeparticipatie of ondersteuning worden aangeboden. Gemeenten kunnenhierover afspraken maken met een bijstandsgerechtigde. De bijstandsge-rechtigde is gehouden gemaakte afspraken na te komen. Daarnaast krijgteen bijstandsgerechtigde het recht om zelf het initiatief te nemen totmaatschappelijke participatie. De gemeente moet in voorkomend gevalwel beoordelen of de activiteit niet aan arbeidsinschakeling in de wegstaat of leidt tot verdringing, en passend optreden waar nodig. Deregering verwacht dat het initiatief en de betrokkenheid van de persoonbij het invullen van zijn eigen participatie bijdraagt aan de bereidheid omde generieke participatieplicht na te komen. Mocht een persoon volhardenin het niet willen meewerken aan deze verplichting dan staat demogelijkheid open voor de gemeente om een passende maatregel op teleggen in de vorm van het verlagen van de uitkering. Het wetsvoorstelverplicht gemeenten om beleid ter zake van maatschappelijke participatieen de ondersteuning daarbij in hun verordening op te nemen. Hierin geeftde raad zijn visie op maatschappelijke participatie, op welke wijzemogelijke verdringing wordt voorkomen en binnen welk kader mensenzelf aan deze activiteiten invulling kunnen geven. De regering heeft dememorie van toelichting op dit punt aangevuld (paragraaf 5.2.3 enhoofdstuk 5.3).15Zie memorie van toelichting, paragraaf 5.2.1.16Memorie van toelichting, paragraaf 4.1, 5.1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 45 Op de tweede opmerking van de Afdeling wordt ingegaan onder «b.Arbeidsmarkt».b. Arbeidsmarkt In breder verband roept de introductie van maatschappelijke participatievragen op over (de inclusiviteit van) de arbeidsmarkt. De Afdeling wijst opeen aantal uitdagingen en dilemma’s ten aanzien van de uitstroom naararbeid vanuit de bijstand en betrekt daarbij ook de voorgestelde bijstands-regeling.Vanwege de demografische ontwikkelingen zijn in verschillende sectorengrote tekorten op de arbeidsmarkt te verwachten. Uit dat oogpunt is hetwenselijk dat de mogelijkheden om mensen vanuit de Participatiewetweer aan het werk te krijgen, optimaal worden benut. Dit hangt niet alleenaf van de individuele omstandigheden van bijstandsgerechtigden, maarook van de toegankelijkheid van de arbeidsmarkt. Beleidsmatigeoverwegingen, zoals de hoogte van het wettelijke minimumloon en demate van flexibiliteit op de arbeidsmarkt, hebben invloed op de mogelijk-heden voor bijstandsgerechtigden om aan het werk te gaan.Andere maatregelen in dit wetsvoorstel kunnen ook effecten hebben opde toegang tot de arbeidsmarkt. De Afdeling wijst in dit verband op devoorgestelde verruiming van de bijverdienmogelijkheden. Voor allebijstandsgerechtigden tussen de 18 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijdgeldt dat gedurende één jaar 15% van het netto inkomen uit arbeid in dedesbetreffende maand buiten beschouwing kan worden gelaten. Degemeente kan na een jaar de bijverdienregeling verlengen als iemand zijnuren vanwege individuele omstandigheden niet binnen afzienbare termijnkan uitbreiden met uitstroom als resultaat.Het doel van de bijverdienregeling is om werken vanuit de bijstand of incombinatie aantrekkelijker te maken. In de toelichting wordt rekenschapgegeven van de armoedeval die ontstaat in het geval van terugkeer naarde bijstand of van uitstroom uit de bijstand en verwerving van een nettoinkomen rond de bijstandsnorm.17Mede gelet op de potentiële armoe-deval is het de vraag in hoeverre de maatregelen die bedoeld zijn omuitstroom te stimuleren niet een prikkel vormen om in de uitkeringssi-tuatie te blijven. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor het voorgesteldebufferbudget.De verschillende maatregelen in samenhang bezien roepen de vraag op ofzij niet zullen leiden tot een scherper onderscheid tussen diegenen die desprong naar de arbeidsmarkt kunnen en willen maken en diegenen diestructureel in een uitkeringssituatie verblijven. Gelet op de relatief groteomvang van deze laatste groep van personen,18 is een fundamenteledoordenking van de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie op grond vande Participatiewet daarom aangewezen: Op welke wijze wil men omgaanmet de groep die structureel in een uitkeringssituatie zit? Zijn er mogelijk-heden om arbeidsparticipatie verbeteren? En is uitstroom naar betaaldearbeid daarbij de enige optie?17Memorie van toelichting, paragraaf 4.2.4.18Memorie van toelichting, paragraaf 4.1: «Voor een groot deel van de bijstandspopulatie isvolledige uitstroom naar arbeid, zeker op korte termijn, echter geen reëel perspectief. Het gaatdan naar verwachting om een groot deel van de deelpopulatie die al geruime tijd op bijstandis aangewezen: 70% van de totale doelgroep meer dan 2 jaar en 55% van de totale doelgroepmeer dan 10 jaar.«Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 46 De Afdeling adviseert in de toelichting inzicht te bieden in de effecten vanhet voorstel op de toegang tot de arbeidsmarkt en de geschetsteproblematiek tevens uitdrukkelijk aan de orde te stellen bij de invullingvan spoor 2.Het uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan de Participatiewet is dat eenbijstandsuitkering in principe tijdelijk is en dat men weer uitstroomt naarwerk. Het vrijlaten van inkomsten uit werk, kan de arbeidsinschakelingstimuleren en daarmee dus de kans op toegang tot de arbeidsmarktvergroten. Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven blijkt uitonderzoek dat deeltijdarbeid een waardevolle tussenstap kan zijn;deeltijdarbeid vergroot de kans dat bijstandsgerechtigde uiteindelijkvolledig uitstroomt naar werk. Gemeenten hebben er ook financieelbelang bij om mensen volledig te laten uitstromen naar werk. Het is aande gemeente om te beoordelen of in de individuele situatie de deeltijd-arbeid aan de arbeidsinschakeling bijdraagt en of de vrijlating vantoepassing is. Als de bijstandsgerechtigde gezien zijn mogelijkheden meerarbeid zou kunnen verrichten dan via de door hem gekozen deeltijdarbeid,dan kan de gemeente ervoor kiezen de vrijlating niet toe te passen, omdatdie anders averechts werkt. Zo wordt voorkomen dat iemand onnodig inde uitkeringssituatie blijft.Het is echter niet voor iedereen mogelijk om genoeg te verdienen om uitte stromen uit de bijstand. Sommigen blijven aangewezen op eendeeltijdbaan aangevuld met inkomen uit de bijstandsuitkering. Omdeeltijdwerk te stimuleren, is het belangrijk dat het verrekenen van hetinkomen niet leidt tot fluctuaties in inkomen met eventuele financiëleproblemen tot gevolg. In de gevallen dat dat wel gebeurt, kan hetbufferbudget worden ingezet. De financiële zekerheid die het bufferbudgetkan geven, verhoogt de kans op uitstroom. Een eventuele armoedevalontstaat wanneer mensen uitstromen uit de bijstand en het inkomen lageruitvalt dan de bijstandsuitkering gecombineerd met een inkomstenvrij-lating en/of bufferbudget. Voor het opvangen van deze eventuelearmoedeval bij uitstroom uit de bijstand bestaat de mogelijkheid voorgemeenten om een stimuleringspremie in te zetten.De veronderstelling die aan de Participatiewet ten grondslag ligt is, zoalsgezegd, dat iedereen die deel uitmaakt van de doelgroep van de Participa-tiewet in principe direct of op termijn betaald werk kan verrichten. Alleenals iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld inartikel 9, vijfde lid van de Participatiewet, kan diegene structureelontheven worden van de arbeidsverplichtingen. Dit betreft slechts 2% vande populatie.De huidige Participatiewet gaat ervan uit dat de overige mensen uit dedoelgroep van de Participatiewet mogelijkheden hebben om te werken,direct of op den duur. Een deel hiervan kan direct en zonder onder-steuning werken. Deze mensen stromen snel uit de bijstand wat ook medeafhankelijk is van de actuele arbeidsvraag. Een ander deel kan alleen metondersteuning op de arbeidsmarkt terecht. Instrumenten als bijvoorbeeldloonkostensubsidie, persoonlijke ondersteuning in de vorm van bijvoor-beeld een jobcoach of werkplekaanpassingen kunnen drempelswegnemen om deze mensen te laten werken. Ook de banenafspraak metde daaraan gekoppelde instrumenten (de no-riskpolis en het loonkosten-voordeel) kan deze mensen in voorkomende gevallen de steun in de ruggeven richting betaald werk. Als de vraag naar begeleiding op dewerkplek of werkplekaanpassing dermate groot is dat niet kan wordenverwacht dat een reguliere werkgever die biedt, dan is de gemeenteervoor verantwoordelijk diegene een dienstbetrekking in de vorm vanbeschut werk te bieden. Een groot deel van de doelgroep van deParticipatiewet staat echter ver van de arbeidsmarkt af terwijl zij wel enigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 47 mogelijkheden heeft om op den duur een vorm van (betaald) werk teverrichten (Sociaal Cultureel Planbureau, Een brede blik op bijstand; juni2023). De afstand kan veroorzaakt worden door persoonlijke problemen,zoals sociale isolatie, dakloosheid, schulden- of verslavingsproblematiek.Voor de mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt kanmaatschappelijke participatie de eerste trede op de voor hen hoge ladderzijn op weg naar betaalde arbeid, terwijl onderliggende problematiekaangepakt wordt. Gemeenten kunnen deze mensen ondersteuning biedennaar of in de vorm van maatschappelijke participatie. Dit kan bijvoorbeelddoor mensen te helpen op weg naar een zorgtraject, een activiteit in eenbuurthuis of vrijwilligerswerk, om mensen te laten wennen aan werkritmeen verantwoordelijkheden. Hoewel het uiteindelijke doel voor dezemensen binnen het kader van de Participatiewet altijd een vorm vanbetaald werk zal zijn, zal het soms moeilijk blijken om de volgende stap tezetten. Maatschappelijke participatie blijkt voor een aantal van henuiteindelijk het maximaal haalbare. En is ook wenselijk door de zingevingdie mensen hierbij ervaren.Gemeenteraden moeten het lokale beleid inzake ondersteuning bijmaatschappelijke participatie in hun verordening vastleggen. Hier ligt duseen duidelijke verantwoordelijkheid bij de gemeente.Iemand uit de doelgroep van de Participatiewet kan ook zelf een vorm vanmaatschappelijke participatie initiëren en hiermee invulling geven aan degenerieke participatieplicht. Hiervoor hoeft betrokkene niet vooraftoestemming te vragen aan de gemeente. Maatschappelijke participatiemag niet in de weg staan aan arbeidsinschakeling of leiden totverdringing. Daarmee komt de relevante toetreding tot de arbeidsmarktniet in gevaar. Het is aan de gemeente om te beoordelen of hiervan in eenvoorkomend geval sprake is.Gemeenten hebben aangegeven dat de voorstellen voor maatschappelijkeparticipatie die deel uitmaken van het wetsvoorstel hen helpen in deuitvoering en dat deze meer recht doen aan de heterogene samenstellingvan de doelgroep van de Pw. In spoor 2 van het programma Participa-tiewet in balans wordt verder uitgewerkt hoe recht kan worden gedaanaan deze heterogeniteit, om de ondersteuning van mensen verder teverbeteren.In spoor 2 van Participatiewet in balans wordt gekeken naar een bredere,meer fundamentele herziening van de Participatiewet, waarbij de huidigewet, en de beleidstheorie waarop deze is gebaseerd, kritisch tegen hetlicht worden gehouden. Eén van de onderdelen waarop deze herzieningbetrekking heeft, is de veronderstelling die nu aan de wet ten grondslagligt dat alle personen die onder de doelgroep van de Participatiewet vallenin principe (op termijn) naar betaald werk zijn toe te leiden. De realiteit dieuit verschillende onderzoeken naar voren komt, is dat betaald werk vooreen significante groep ook in de toekomst niet haalbaar is. In spoor 2wordt daarom de vraag gesteld hoe deze groep verder ondersteund kanworden, en waar deze ondersteuning op gericht zou moeten zijn. Inverschillende beleidsopties worden hiervoor varianten uitgewerkt waarinaandacht is voor het doel van de ondersteuning, de rechten van demensen die van deze ondersteuning gebruik kunnen maken en de manierwaarop de ondersteuning aansluit op de andere gemeentelijke taken inhet sociaal domein en het bredere stelsel.Met het oog op de verdere uitwerking van spoor 2, wordt de reikwijdtevan het experimenteerartikel verder verbreed (artikel 83 Pw). De regeringacht het wenselijk om een experiment uit te voeren met een ontheffingvan de verplichtingen op basis van criteria die afwijken van de criteriavoor permanente ontheffing die momenteel genoemd staan in artikel 9,vijfde lid, van de Pw. De resultaten van het experiment kunnen wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 48 gebruikt bij de bredere, meer fundamentele herziening van de Participa-tiewet in spoor 2. Daarnaast wordt het experimenteerartikel uitgebreid inverband met de constatering dat met sommige instrumenten van deParticipatiewet die als doel hebben om mensen te laten uitstromen naarwerk, zoals loonkostensubsidie, nu niet kan worden geëxperimenteerd. Ditterwijl daar wel behoefte aan is (Motie Palland en Kathmann, 2023/24,36 410 XV, nr. 47). Het wetsvoorstel en de memorie van toelichting zijn opdit punt aangepast.4. Uitvoering Het wetsvoorstel beoogt in de uitvoering de mens meer centraal te stellenen van vertrouwen uit te gaan. Daartoe wordt, onder andere, de hande-lingsruimte voor de uitvoerende professional vergroot.19 Volgens detoelichting wordt deze ruimte op dit moment onvoldoende ingevuld dooreen te enge interpretatie van bestaande wet- en regelgeving, maar ookdoor een gebrek aan belangrijke randvoorwaarden, zoals kennis endeskundigheid of voldoende personele of financiële capaciteit. Om detoepassing van maatwerk bij de uitvoering van de Participatiewet tebevorderen, voorziet het wetsvoorstel onder meer in zogenoemdemaatstafbepalingen en «kan»-bepalingen.20 Ook het bufferbudget staat indit teken.Uit de toelichting blijkt dat het verruimen van de mogelijkheden voormaatwerk niet vrijblijvend zal zijn. Voor de gemeenten geldt dat eenbevoegdheid ook een verantwoordelijkheid meebrengt.21 Van gemeentenwordt daarom ook verwacht dat zij van «kan-bepalingen» gebruik zullenmaken. In het verlengde hiervan dienen gemeenten beleid te ontwikkelenom willekeur te voorkomen bij de uitoefening van hun bevoegdheid. Bijhet opstellen van de verordeningen waarin de beleidskeuzes kenbaarworden vastgelegd, dienen gemeenten ook bijstandsgerechtigden ofvertegenwoordigers van hen te betrekken.22De Afdeling merkt op dat het wetsvoorstel, in het bijzonder de bevor-dering van maatwerk in de uitvoering van de Participatiewet, eenwezenlijk beroep doet op de gemeentelijke uitvoeringscapaciteit. Het valtop dat in de toelichting niet in een afzonderlijke paragraaf wordt ingegaanop de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het voorstel, maar dat ditin het kader van de consultatie aan bod komt. Hieruit blijkt dat de(financiële) gevolgen voor de gemeenten nog niet duidelijk zijn, omdat hetonderzoek hiernaar pas wordt uitgevoerd bij de nadere uitwerking vanmaatregelen in lagere regelgeving. Daardoor is nu niet duidelijk of voorde gemeenten de noodzakelijke randvoorwaarden, in het bijzonder depersonele en financiële capaciteit, aanwezig zijn om in de uitvoering devergrote handelingsruimte te kunnen benutten.MaatwerkDe Afdeling benadrukt in dit verband dat het bieden van maatwerk eenarbeidsintensieve aangelegenheid is. Het vereist niet alleen voldoendetijd, maar vraagt ook om specifieke vaardigheden van de uitvoerendeprofessional.23 Hieraan wordt gelijktijdig in het zogenoemde spoor 319Memorie van toelichting, paragraaf 2.3.4.20Zie memorie van toelichting, paragraaf 3.1. Een maatstafbepaling biedt ruimte om in bepaaldegevallen van de maatstaf te kunnen afwijken. Een «kan»-bepaling geeft gemeenten discretio-naire ruimte om in bepaalde gevallen maatwerk te kunnen bieden.21Memorie van toelichting, paragraaf 2.3.4.22Memorie van toelichting, onderdeel 3C.23Uitvoeringstoets VNG. Zie ook Algemene Rekenkamer, Grip op de menselijke maat, p. 7,46–47.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 49 gewerkt. Het wettelijk verankeren van ruimte voor maatwerk betekent datde capaciteitsbehoefte in de gemeentelijke uitvoering (nog) verdertoeneemt. Tegelijkertijd is het door de huidige situatie op de arbeidsmarktook voor gemeenten moeilijk om voldoende gekwalificeerd personeel tevinden. Naast toereikende financiële middelen is dus evenzeer van belangdat duidelijke en realistische verwachtingen bestaan over het kunnenbieden van maatwerk in de praktijk.Decentrale uitvoeringspraktijkIn het verlengde hiervan wijst de Afdeling erop dat ruimte bieden voormaatwerk op decentraal niveau meebrengt dat verschillen in de uitvoeringtussen gemeenten kunnen toenemen. Het is belangrijk om te erkennen datverschillen in de uitvoering horen bij een decentrale uitvoeringspraktijk.Gemeenten bepalen zelf hoe zij binnen de wettelijke kaders maatwerkwillen leveren. Om onder andere het risico op willekeur te verkleinen, iswel van belang dat voor alle gemeenten de randvoorwaarden op ordezijn. Voorkomen zou moeten worden dat de toepassing van maatwerkenkel afhangt van verschillen in beschikbare tijd en capaciteit tussengemeenten.Gelet op het voorgaande merkt de Afdeling op dat een integrale beoor-deling van het voorstel niet goed mogelijk is, nu de toelichting onvol-doende inzicht biedt in de uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel voor degemeenten. Mede gelet op artikel 2 van de Financiële-verhoudingswetacht de Afdeling het daarom noodzakelijk dat in de toelichting wordtingegaan op de financiële en personele consequenties van het voorstelvoor de gemeenten.24 Dit geldt in het bijzonder voor de maatregelen ommaatwerk te bevorderen. Ook met het oog op een zorgvuldige parlemen-taire behandeling van het wetsvoorstel kan in dit verband niet wordenvolstaan met een verwijzing naar de nog op te stellen lagere regelgeving.De Afdeling adviseert in de toelichting nader in te gaan op de uitvoeringvan het wetsvoorstel, in het bijzonder op de financiële en personelegevolgen van de maatregelen ter bevordering van maatwerk, en daarbijaandacht te besteden aan de voor de burger te wekken verwachtingenmet betrekking tot het bieden van maatwerk door gemeenten.De Afdeling merkt op dat een integrale beoordeling van het wetsvoorstelniet goed mogelijk is, omdat de toelichting onvoldoende inzicht biedt inde uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel door gemeenten. De regeringerkent dat de uitvoerbaarheid niet als los hoofdstuk is opgenomen in hetwetsvoorstel, maar deelt niet het standpunt van de Afdeling dat hetwetsvoorstel niet integraal op uitvoerbaarheid beoordeeld kan worden. Deuitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel is vanaf het begin een belangrijkuitgangspunt geweest. Vanaf de start zijn daarom onder meer diversegemeenten, de VNG, Divosa en SVB betrokken bij de vormgeving hiervan.Zij hebben ook uitgebreide uitvoeringstoetsen uitgevoerd. Ook zijn velebelangenorganisaties en ervaringsdeskundigen betrokken (zie ookparagraaf 1.4 van de memorie van toelichting). Er hebben gedurende hetgehele traject onder meer ronde tafelgesprekken en digitale gesprekkenplaatsgevonden en er zijn bijvoorbeeld schriftelijke rondes geweestwaarin concrete voorstellen van commentaar konden worden voorzien.De uitvoerbaarheid voor gemeenten en SVB komt op diverse plekken inde toelichting aan bod. De regering heeft naar aanleiding van de24In artikel 2 Financiële-verhoudingswet staat dat indien beleidsvoornemens van het Rijk leidentot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door gemeenten in een afzon-derlijk onderdeel van de toelichting wordt gestaafd wat de financiële gevolgen van dewijziging voor gemeenten zijn. Dit afzonderlijke onderdeel ontbreekt in de toelichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 410 opmerking van de Afdeling een paragraaf over de uitvoerbaarheid van ditwetsvoorstel toegevoegd in hoofdstuk 9. De financiële gevolgen voorgemeenten zijn reeds in beeld gebracht in hoofdstuk 8 van de memorievan toelichting. Het is gebruikelijk dat bij de nadere regelgeving ook op definanciële impact wordt ingegaan. Daartoe vinden – versterkt door deafspraken die zijn gemaakt met de VNG op dit punt – gesprekken met henplaats.Tevens heeft de regering reeds erkend dat dit wetsvoorstel impact heeftop gemeenten, zeker waar het gaat om maatwerk, en andere werkwijzevraagt van uitvoerende professionals, onder andere bij het toepassen vanhet bufferbudget. Vanuit dat besef is binnen het programma Participa-tiewet in balans spoor 3 ingericht. De regering erkent samen met onderandere gemeenten en uitvoerende professionals dat de uitvoeringspraktijkmoet kunnen meegroeien met het toepassen van kernwaarden alseenvoud en menselijke maat. Daartoe worden de professionals van derelevante partijen (VNG, Divosa, SAM en de LCR) in de gelegenheidgesteld om zich te ontwikkelen; de rol van het ministerie is daarbijondersteunend en (financieel) faciliterend.Tot slot is, om nader inzicht te geven in de wijziging van de lagereregelgeving, een passage toegevoegd over de voorgenomen wijzigingvan het Besluit bijstand voor zelfstandigen. De overige voorziene lagereregelgeving is toegelicht in de memorie van toelichting.5. Categoriale bijzondere bijstand Het wetsvoorstel introduceert een grondslag in de Participatiewet vooreen algemene maatregel van bestuur (amvb) op basis waarvan catego-riale bijzondere bijstand kan worden verleend.25 In de amvb kan deregering uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijkekosten van het bestaan, die door een of meer categorieën belangheb-benden niet voldaan kunnen worden uit de bijstandsnorm, aanwijzen alskostensoorten waarvoor categoriaal bijzondere bijstand kan wordenverstrekt.Volgens de toelichting is de afgelopen jaren gebleken dat een categoriaalin te zetten inkomensondersteuningsinstrument wenselijk is.26 Gesteldwordt dat een categoriale verstrekking niet-gebruik voorkomt, terwijl deuitvoeringslasten relatief beperkt zijn. Met de voorgestelde grondslag kande regering flexibel inspelen op bredere behoeften aan inkomensonder-steuning.27 Een exact kader voor de uitoefening van deze bevoegdheidwordt daarom niet gegeven. Wel moet steeds worden afgewogen of ditinstrument het meest geëigende is, aldus de toelichting.De Afdeling merkt op dat het voorstel om bij amvb de verstrekking vancategoriale bijzondere bijstand mogelijk te maken, vragen oproept. Zijneemt daarbij in overweging dat bij de totstandkoming van de Participa-tiewet juist bewust is gekozen voor een beperking van de categorialebijzondere bijstand. Zo werd toen onder meer gewezen op demogelijkheid voor gemeenten om binnen de wettelijke kaders van deindividuele bijzondere bijstand specifieke groepen aan te wijzen dievanwege hun bijzondere omstandigheden bepaalde noodzakelijke kosten25Voorgesteld artikel 35, negende lid, Pw (artikel I, onderdeel U, van het wetsvoorstel).26Memorie van toelichting, paragraaf 3.7.27Zie ook de toelichting bij beleidsoptie A5 in «Participatiewet in Balans», paragraaf 3.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 411 hebben en daarom in aanmerking komen voor individuele bijzonderebijstand.28Uit de toelichting blijkt niet waarom de mogelijkheid voor gemeenten omindividuele bijzondere bijstand op basis van groepskenmerken teverlenen, nu niet (meer) toereikend zou zijn. Daarnaast is het onduidelijkhoe de hier voorgestelde vorm van categoriale bijzondere bijstanddaarvan precies verschilt. In tegenstelling tot andere wettelijke grond-slagen voor categoriale bijzondere bijstand,29 impliceert de voorgesteldegrondslag namelijk dat net zoals bij individuele bijzondere bijstand zalmoeten worden nagegaan of de aangewezen kosten ook daadwerkelijknoodzakelijk zijn of gemaakt zijn.Ook voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk is van belang op welkewijze de categoriale bijzondere bijstand moet worden verstrekt. DeAfdeling wijst daarbij op de aanzienlijke opgave die de relatief eenvoudigopgezette energietoeslag vormde voor de uitvoering door gemeenten.30Mede gelet op de decentralisatie- en maatwerkgedachte bij de uitvoeringvan de Participatiewet, is verder van belang dat de verdeling van definanciële risico’s tussen het Rijk en de gemeenten dient aan te sluiten bijde mate waarin het verstrekken van categoriale bijzondere bijstanddwingend is voor gemeenten.De Afdeling concludeert dat de toelichting onvoldoende motiveertwaarom de voorgestelde grondslag om bij amvb de verstrekking vancategoriale bijzondere bijstand mogelijk te maken, noodzakelijk is. Ookgeeft de toelichting geen rekenschap van de bijbehorende uitvoerings- enfinanciële aspecten. De Afdeling acht het van belang dat deze gevolgenuitdrukkelijk worden betrokken in de afwegingen. Mede gelet op dedecentrale uitvoeringspraktijk adviseert zij daarnaast in de wet te voorzienin toereikende procedurele en materiële waarborgen voor een terug-houdend gebruik van deze grondslag.De Afdeling adviseert de noodzaak van de grondslag om bij amvbcategoriale bijzondere bijstand te kunnen verstrekken dragend temotiveren en te voorzien in wettelijke waarborgen voor een terughoudendgebruik van deze grondslag.Met de grondslag voor categoriaal bijzondere bijstand werd beoogd omeen instrument te bieden op basis waarvan in een volgende crisis snellergehandeld zou kunnen worden en mensen sneller financieel geholpenzouden worden. In de afgelopen tijd is door de aanpak van de energie-crisis en bij het vinden van een oplossing voor de zogenaamde «alleenver-dienersproblematiek» gebleken dat categoriale bijzondere bijstand nietaltijd het juiste instrument is om de getroffen groep te bedienen. Dezetwijfel wordt versterkt door de opmerkingen van de Afdeling.Alles overwegende, komt de regering tot de conclusie dat een grondslagvoor het verlenen van categoriale bijzondere bijstand op grond van lagereregelgeving, mogelijk niet het haakje biedt dat in een volgende crisis degoede basis vormt om een groep, breder dan bijstandsgerechtigden, tedienen. Ook kunnen onvoldoende wettelijke waarborgen wordenopgenomen die de zorg wegnemen dat het uitsluitend in zeer uitzonder-28Kamerstukken II 2013/14, 33 801, nr. 3. Zie ook Kamerstukken II 2006/07, 30 800 XV, nr. 7 enartikel 35, eerste lid, van de Participatiewet.29Zie artikel 35, derde en vierde lid, van de Participatiewet. Zie ook artikel 35, derde tot en metzesde lid, van de voormalige Wet werk en bijstand.30Zo werd voor de verlenging van de energietoeslag tot 31 december 2023 een bedrag van€ 900 miljoen beschikbaar gesteld, waarvan € 100 miljoen voor de uitvoeringskosten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 412 lijke gevallen wordt ingezet. Meer waarborgen timmert de grondslagdermate dicht dat bij het niet de flexibiliteit en ruimte biedt die nodig is ineen crisis. Om die reden is deze grondslag uit het wetsvoorstel gehaald.6. Gezamenlijke huishouding Het wetsvoorstel past naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad debepaling aan wanneer sprake is van het voeren van een gezamenlijkhuishouding.31 De Hoge Raad heeft overwogen dat de uitzondering voortweedegraads bloedverwanten waarvan één een zorgbehoefte heeft, leidttot een ongelijke behandeling van niet-verwante personen in overigensdezelfde situatie, waarvoor geen afdoende rechtvaardigingsgrondbestaat.32 Het voorstel heft deze ongelijke behandeling op en doetdaarmee recht aan de uitspraak van de Hoge Raad.33De Afdeling merkt op dat de uitzondering voor eerstegraads aanver-wanten en bloedverwanten in de betreffende bepaling niet wordtgewijzigd. De toelichting motiveert niet waarom deze uitzondering op hetvoeren van een gezamenlijke huishouding in stand wordt gehouden. Methet oog op het gelijkheidsbeginsel adviseert de Afdeling te motiverenwaarom de uitzondering voor eerstegraads aanverwanten en bloedver-wanten gerechtvaardigd blijft.34De Afdeling adviseert de uitzondering voor eerstegraads aanverwanten enbloedverwanten toe te lichten en zo nodig het wetsvoorstel aan te passen.Het oorspronkelijke artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de toenmaligeWet werk en bijstand bevatte uitsluitend een uitzondering voor eerste-graads aan- en bloedverwanten. Voor hen werd en wordt er nooit eengezamenlijke huishouding aangenomen. De ratio hierachter is dewettelijke onderhoudsplicht die binnen die relaties, waaronder deouder-kindrelatie, op grond van het Burgerlijk Wetboek geldt (zie art. 1:392BW en verder).In 2004 is bij amendement in de Wet werk en bijstand toegevoegd dat erook geen sprake is van een gezamenlijke huishouding ingeval van eenbloedverwant in de tweede graad, indien er bij één van die bloedver-wanten een zorgbehoefte bestaat (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 62,amendement van de leden Noorman-Den Uyl en Bakker). Dit discrimina-toire onderdeel, dat ook als zodanig is geduid door de CRvB en de HR(meest recent: CRvB 24 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:218, HR8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3081), wordt met dit wetsvoorstelgewijzigd. Deze wijziging leidt ertoe dat voor iedereen met een zorgbe-hoefte geldt dat van een gezamenlijke huishouding geen sprake is, zolangdie zorgbehoefte bestaat, gelet op grote belang dat wordt gehecht aan hetbieden van ruimte voor mantelzorg.De regering ziet geen aanleiding de oorspronkelijke uitzondering die geldtvoor eerstegraads aan- en bloedverwanten te wijzigen. De ratio voor dezeuitzondering geldt nog steeds en heeft een zelfstandige betekenis, los vande wijziging die nu wordt voorgesteld. De uitzondering op de gezamen-31Artikel 3, tweede lid, Pw.32Hoge Raad 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3081.33Voorgesteld artikel 3, tweede lid, onderdeel a, Pw.34In de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en bijstand wordt gewezen op de huidigeof vroegere afhankelijkheidsrelatie tussen kind en ouders. Vermeld wordt dat tussen ouders en(stief)kinderen geen sprake is van een vrijwillige keuze om een gezamenlijke huishouding tevoeren, wat wel ten grondslag ligt aan de huwelijkse samenlevingsvorm. Eerstegraadsaanverwantschap is breder dan stiefkinderen. Ook de (ex-)partner van een eerstegraadsbloedverwant is een eerstegraads aanverwant.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 413 lijke huishouding die nu wordt geïntroduceerd als er een zorgbehoeftebestaat, geldt voor iedereen, naast de eerstegraads aan- en bloedver-wanten. Bij hen wordt immers ook zonder zorgbehoefte geen gezamen-lijke huishouding aangenomen.De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmer-kingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordathet voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt ingediend.De vice-president van de Raad van State,Th. C. de GraafBij gelegenheid van het nader rapport is het onderwerp handhaving noggewijzigd. Gelet op de ontwikkeling en de samenhang met hetwetsvoorstel handhaving sociale zekerheid, is de grondslag voor dealgemene maatregel van bestuur in het kader van het maatregelenbeleidop één punt aangepast. Die aanpassing vindt plaats in de artikelen 18 en47c van de Pw, artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ. Dezeaanpassing maakt het mogelijk om bij algemene maatregel van bestuurruimte te bieden voor het afzien van het opleggen van een maatregel. Demaatregelen zijn opgedeeld in een viertal, naar zwaarte oplopendecategorieën. De regering is voornemens om in ieder geval voor de eerstetwee categorieën mogelijk te maken dat wordt afgezien van het opleggenvan een maatregel. De regering onderzoekt in het kader van hetwetsvoorstel handhaving sociale zekerheid nog of dit ook voor de derdeen de vierde categorie wenselijk is. De wijzigingen die in dit wetsvoorstelzijn opgenomen zullen zo nodig nader worden afgestemd op hetwetsvoorstel handhaving sociale zekerheid.Tevens is in het wetsvoorstel de onderlinge verhouding tussen dealgemene maatregel van bestuur en de verordeningsplicht vangemeenten verduidelijkt.Tot slot is van de gelegenheid gebruik gemaakt om enkele redactionele entechnische wijzigingen door te voeren in het wetsvoorstel en de memorievan toelichting.Ik verzoek U het hierbij gevoegde voorstel van wet en de memorie vantoelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.De Minister voor Armoedebeleid, Participatie en Pensioenen,C.J. SchoutenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 414

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.