Verslag van een schriftelijk overleg over het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit energie vervoer en het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2413 (RED III)(Kamerstuk 32813-1518)
Brontekst
Versie 717d9713e1a678b5 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 813Kabinetsaanpak Klimaatbeleid29 383Regelgeving Ruimtelijke Ordening en MilieuNr. 1532 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 4 september 2025 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infra-structuur en Waterstaat over de brief van 20 juni 2025 over het Ontwerp-besluit tot wijziging van het Besluit energie vervoer en het Besluitbrandstoffen luchtverontreiniging in verband met de implementatie vanRichtlijn (EU) 2023/2413 (RED III) (Kamerstuk 32 813, nr. 1518).De vragen en opmerkingen zijn op 17 juli 2025 aan de Staatssecretaris vanInfrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 4 september 2025zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,P. de GrootAdjunct-griffier van de commissie,C. Martin kst-32813-1532ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15321 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties InhoudsopgaveInleiding2GroenLinks-PvdA-fractie2VVD-fractie3ChristenUnie-fractie6SGP-fractie6 InleidingDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van destukken en hebben hier enkele vragen en opmerkingen bij.De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken enhebben hierover nog enkele vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van het Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit energievervoer en het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging in verband metde implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2413 (RED III). Deze ledenhebben nog enkele vragen.De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorliggende ontwerpbesluit. Zij hebben nog enkele vragen.GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ondersteunen het uitgangspuntdat niet de bijgemengde hoeveelheid biobrandstof van belang is, maar deklimaateffecten. Wijziging van het oude systeem kan daarom rekenen opde steun van deze leden. Zij gaan er ook van uit dat hiermee een groterpotentieel ontstaat van nieuwe alternatieve brandstoffen met hopelijk eenkleinere voetafdruk en een groter potentieel voor opschaling. Is deStaatssecretaris het met deze leden eens, dat verdere opschaling van deproductie van klassieke niet-problematische biobrandstoffen zeer beperktis? De hoeveelheid afgewerkte frituurolie zal immers niet exponentieeltoenemen en de concurrentie met voedsel en voedergewassen, of natuuris nu al veel te hoog.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lazen afgelopen week in demedia over de grootschalige fraude met biobrandstoffen. Als de Neder-landse Emissieautoriteit (NEa) naar eigen zeggen «geen idee» heefthoeveel er wordt gefraudeerd, hoe kunnen we dan weten of bijmengingook de klimaatdoelstellingen dient? Wat is de Staatssecretaris van planom te doen om fraude effectief te bestrijden?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen dat de adviezen metbetrekking tot de regeldruk wijzen op de toenemende complexiteit onderhet nieuwe stelsel. De ervaring leert dat een grotere complexiteit van eensysteem, bij een fors hogere vraag en gebrekkige transparantie entoezicht, leidt tot meer fraude. Deelt de Staatssecretaris de zorg van dezeleden? Hoe wordt voorkomen, dat de nieuwe regels leiden tot nieuwevormen van fraude of een grotere last voor de controlerende instanties?Zijn deze instanties voldoende toegerust op de extra taken?Ten slotte vinden de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie het ergbezwaarlijk als sectoren worden uitgesloten of de mogelijkheid krijgen omhun aandeel uit te plaatsen naar andere sectoren. De luchtvaart en deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15322 zeevaart zijn bij uitstek de sectoren die fors achter lopen in het nemen vanstappen naar een klimaatneutrale operatie. Het doel van bijmenging isimmers niet alleen het op korte termijn verminderen van een kleinpercentage klimaatschadelijke emissies, maar ook en vooral het aanjagenvan de transitie naar die klimaatneutrale operatie. Dat vergt niet alleenbrandstoffen met een lagere impact, maar aanpassing in de hele keten,van productie naar bunkerbedrijven, motortechniek et cetera. Is deStaatssecretaris het met deze leden eens dat schuilen achter concurrentie-argumenten, het betalen van een aflaat of een deal met andere sectoren,niets bijdraagt aan het versnellen van de transitie van de lucht- enscheepvaart? Welke additionele maatregelen gaat de Staatssecretaris dezesectoren opleggen om ze te dwingen tot een andere werkwijze en tochtijdig in 2050 klimaatneutraal te opereren?VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hechten aan investeringszekerheid voorproducenten van hernieuwbare brandstoffen. Veel projecten vergenlangdurige voorbereiding en een lange terugverdientijd, en vragen omvoorspelbaar en geloofwaardig overheidsbeleid. In het commissiedebatDuurzaam vervoer van 22 april 2025 gaf de Staatssecretaris aan teverkennen of de brandstofverplichtingen kunnen worden doorgetrokkentot 2040. Deze leden vragen de Staatssecretaris wat de uitkomsten uitdeze verkenning zijn.De leden van de VVD-fractie stellen dat net zoals eerder een tijdelijkeverhoging van de jaarverplichting is ingevoerd om een terugval in de inzetvan hernieuwbare brandstoffen te voorkomen, nu al overwogen zoukunnen worden om – vooruitlopend op een eventueel nieuwe Europeserichtlijn (zoals RED IV) – de jaarverplichting ook na 2030 op niveau tehouden. Duitsland heeft recentelijk al een voorstel gepresenteerd vooreen groeipad tot 2038. Het doortrekken van de verplichting na 2030voorkomt een beleidsmatige kloof, biedt de markt tijdig duidelijkheid overde verwachte beleidsrichting, draagt bij aan energie-onafhankelijkheid enversterking van de nationale productiecapaciteit. Deze leden vragen deStaatssecretaris of hij het hiermee eens is.De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om inhet kader van het Besluit energie vervoer al een indicatieve doorkijk op tenemen richting de periode na 2030, bijvoorbeeld in de vorm van groei-paden voor 2035 en 2040. Kan de Staatssecretaris daarbij ook toelichtenhoe andere lidstaten omgaan met het bieden van langetermijnzekerheid,en of het wenselijk is dat Nederland daarbij aansluit?De leden van de VVD-fractie merken op dat het conceptbesluit Annex IXb-brandstoffen uitsluit van toepassing in de zeevaart. Dit leidt tot verlies vande meest kostenefficiënte oplossing en tast de Nederlandse bunkerpositieaan. Deze leden vragen de Staatssecretaris waarom hij ervoor kiest omgebruik van IXb-brandstoffen niet toe te staan in de zeevaart, maar dit welzonder beperkingen toe te staan in de luchtvaart voor compliancedoeleinden in andere EU-landen, die daarnaast ook volledig meetellenvoor de RED III, ReFuelEU Luchtvaart de doelen van het Europese UnieEmissions Trading System (EU-ETS). Hoe verhoudt deze keuze voorRED III zich tot de mogelijkheden die FuelEU Zeevaart en EU-ETS bieden,waar Annex IXb-brandstoffen voor zeevaart juist worden toegestaan? Hoemoeten bunkeraars omgaan met de marktvraag enerzijds naarIXb-brandstoffen, die hun klanten wel helpt verduurzamen, maar die zijvervolgens niet mogen meetellen in hun verduurzamingsdoelstelling?Heeft de Staatssecretaris gekeken naar de gevolgen van het verschiltussen de Nederlandse RED III-regels voor zeevaart en de EuropeseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15323 FuelEU-verplichtingen? Daarnaast, is het uitsluiten van IXb-brandstoffendaarbij meegenomen, met het oog op de concurrentiepositie vanRotterdam als bunkerhaven?De leden van de VVD-fractie merken op dat de limiet op het gebruik vanAnnex IXb-biobrandstoffen in RED III is vastgesteld op 1,7%, terwijllidstaten onder voorwaarden hiervan mogen afwijken. Tegelijkertijd is delijst met toegestane grondstoffen binnen Annex IXb uitgebreid, maar is delimiet zelf niet verhoogd. In het Nederlandse voorstel geldt bovendien datminimaal de hoeveelheid die in 2023 in het wegvervoer is ingezet,beschikbaar moet blijven voor deze sector, terwijl de resterende ruimteonder de limiet wordt verdeeld over land en binnenvaart. Deze ledenvragen of de Staatssecretaris van mening is dat deze benadering rechtdoet aan de verbreding van de grondstoffenbasis en voldoende ruimtebiedt om het potentieel van deze duurzame brandstoffensector tebenutten. Kan de Staatssecretaris uitleggen waarom hij ervoor heeftgekozen de limiet niet te verhogen, terwijl het aanbod (en potentieelduurzaam gebruik) juist is toegenomen?De leden van de VVD-factie constateren dat Bijlage IX-B van de RED recentis uitgebreid met grondstoffen. Is de Staatssecretaris het met deze ledeneens dat daarom de hoogte van de limiet moet worden herzien? Kan deadditionele nationale ambitie die voortkomt uit de Voorjaarsnota 2025hiervoor worden benut? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat biobrand-stoffen geproduceerd uit afval- en residustromen die zijn vermeld opBijlage IX-B van de RED ongelimiteerd bijdragen aan de verplichtingopgenomen in de FuelEU Maritieme Verordening? Is de Staatssecretarishet eens met deze leden dat het wenselijk is om deze biobrandstoffen nietgeheel uit te zonderen van de brandstoftransitieverplichting voor dezeevaart maar, eventueel beperkt, te accepteren met het oog op mogelijkeopschaling van de inzet in deze sector?De leden van de VVD-fractie constateren dat in de ARA-regio (haven-gebied van de steden Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen) momenteelgoedkope T1 bio-bunkerleveringen worden verricht met hernieuwbarebrandstoffen uit China. Door de T1-status zijn deze leveringen «niet in deEU» en daarmee niet onderworpen aan EU-invoerrechten, noch aanrechten op grond van EU-handelsbeschermingsinstrumenten(antidumping, antisubsidie of vrijwaringsmaatregelen). Deze non-EUbiobrandstoffen worden gebruikt voor het vervullen van meerdere andereEuropese doelstellingen, zoals FuelEU Zeevaart en EU-ETS. Zo profiteertzulke hernieuwbare brandstof dubbel: het telt mee voor de EU-doel-stellingen voor hernieuwbare energie, maar ontduikt tegelijkertijd deopgelegde EU-handelsregels. Deze praktijk creëert een zeer ongelijkspeelveld en zet daarmee Nederlandse en Europese producenten opachterstand. Deze leden vragen of de Staatssecretaris ermee bekend is datdergelijke leveringen (ook) niet in lijn zijn met het gevoerde massabalans-en anti-dumpingbeleid van de Europese Commissie. Klopt het datleveringen onder het T1-regime niet meetellen voor de nationalerapportage naar Brussel vanwege hun fiscale status? Hoe verhoudt ditzich tot de eis vanuit RED III dat zeevaart energieverbruik maar beperktmag meetellen voor de RED III-doelstelling? Is de Staatssecretaris het metdeze leden eens dat T1-bunkerleveringen van hernieuwbare brandstoffen,Nederlandse en Europese hernieuwbarebrandstofproducenten oponeerlijke wijze op achterstand zetten en daarom beleidsmatig ongewenstzijn? Deelt de Staatssecretaris daarnaast ook de gedachte datT1-leveringen strijdig zijn met het kabinetsvoornemen om nationaleproductie van hernieuwbare energie actief te ondersteunen, zoalsvastgelegd in het regeerakkoord? Zou Nederland er niet wijs aan doen omalleen T2-biobrandstofleveringen toe te staan voor alle EuropeseTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15324 beleidsdoelstellingen, omdat alleen zo kan worden bewerkstelligd datEuropese partijen niet op oneerlijke wijze op achterstand worden gezet, ende producten ook daadwerkelijk op de Europese markt worden gezet?Welke maatregelen neemt de Staatssecretaris om ervoor te zorgen dat hettoekomstige RED III-subsysteem voor de zeevaart eerlijk, transparant engoed functioneert, nu de overheid de accijnswetgeving als grondslag voorhet beleid specifiek voor zeevaart lijkt te verlaten, ten faveure van eenticketingsysteem op basis van een bunkerleveringsverklaring?De leden van de VVD-fractie stellen dat FAME (biodiesel uit afval) een vande meest kosteneffectieve middelen is om CO2-uitstoot in het wegvervoerte reduceren. In de wijziging van het Besluit brandstoffen luchtverontrei-niging wordt het maximumaandeel biogebaseerde bestanddelen in FAMEverhoogd van B7 (7%) naar B10 (10%). Dit levert een extra broeikasgasre-ductie van 36% op voor het hele dieselsegment. Met deze B10-norm is ereen kans om verduurzaming via bestaande infrastructuur (aan de pomp)op te schalen. Erkent de Staatssecretaris dat het aanpassen van deFAME-bijmengverplichting van B7 naar B10 een zeer grote, onmiddellijkebijdrage kan leveren aan de nationale transportdoelen voor personen-auto’s, maar vooral in het zwaar wegtransport, en dat deze opschalingrelatief kostenneutraal is voor huishoudens? Is de Staatssecretaris bereiddeze kosteneffectieve oplossing actief te ondersteunen, bijvoorbeeld viatechnologieneutrale stimulering of een verplichte (gefaseerde) uitrol vanB10 aan de pomp, zodat een gelijk speelveld ontstaat met omliggendelanden zoals Duitsland waar B10 al breed beschikbaar is aan de pompvoor alle transportsegmenten?De leden van de VVD-fractie willen graag weten in hoeverre het benuttenvan voedsel- en voedergewassen kan bijdragen aan betaalbaarheid. Is hetuit het oogpunt van betaalbaarheid en het voorkomen van bunkertoe-risme niet wenselijk om in de binnenvaart een beperkt aandeel voedsel-en voedergewassen te benutten? Kan Nederland dit maximale aandeel opgrond van de RED III verhogen ten opzichte van de limiet die isopgenomen in het conceptbesluit? Herkent de Staatssecretaris dat hetaccepteren van deze grondstoffen kan bijdragen aan meer duurzaamgeteelde gewassen uit Europa waarvan de opbrengst ten goede komt aaneiwitvoorziening voor diervoeders en tegelijk aan duurzame biobrand-stoffen?De leden van de VVD-fractie achten het van groot belang dat de energie-transitie in de vervoerssector niet leidt tot onevenredige prijsstijgingenaan de pomp. In dit kader hebben deze leden kennisgenomen van het CEDelft-onderzoek waarin de prijseffecten van de RED III-implementatieworden geschat op een prijsdaling van 1 tot 3 cent per liter benzine(zonder btw) en een prijsstijging van 7 tot 11 cent per liter diesel (zonderbtw) in 2030. Tegelijkertijd is in de voortgangsbrief aangegeven dat veelaannames onzeker zijn en dat de werkelijke impact afhankelijk is vantoekomstige keuzes en marktdynamiek. Hoe beoordeelt de Staatssecre-taris de kans dat de uiteindelijke effecten op de prijs aan de pomp groteruitvallen dan in het CE Delft-model is berekend? Welke monitoring wordtopgezet om dat in de praktijk te volgen en op welk moment wordtoverwogen om maatregelen te treffen als de betaalbaarheid voorconsumenten alsnog onder druk komt te staan?De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat consumentenbegrijpen waarom de brandstofprijs verandert en welk deel daarvan temaken heeft met klimaatbeleid. Dit is cruciaal voor draagvlak en transpa-rantie. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om in de toekomsttransparanter te communiceren over het aandeel van klimaatbeleid in deprijs aan de pomp? Kan hij toezeggen dat bij toekomstige aanpassingenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15325 aan de brandstoftransitieverplichting vooraf ook de consumentenimpactexpliciet wordt meegewogen en gedeeld?ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie vinden het een goede zaak dat decorrectiefactor in de raffinageroute voor inname groene waterstof isaangepast van 0,4 naar 1,0. Met een correctiefactor van 1,0 zakt echter welhet afnamepotentieel ten opzichte van een correctiefactor van 0,4:namelijk 2,5 keer minder ten opzichte van de eerdere plannen. Deze ledenzien dat in het ontwerpbesluit hier enigszins rekening mee wordtgehouden door de verplichting voor de inzet van groene waterstof in demobiliteit te verhogen van 4 PJ (Petajoule) naar 7,5 PJ: een factor 1,9 (inplaats van 2,5). Deze leden vragen op basis waarvan de Staatssecretarisheeft gekozen voor een verhoging van het aantal PJ van 4 naar 7,5. Ziet deStaatssecretaris mogelijkheid om de verhoging van 4 PJ naar 7,5 PJverder door te trekken, om meer zekerheid te creëren in voldoende vraagen, in lijn met het principe van vraagcreatie, ook het aanbod van groenewaterstof? Kan de Staatssecretaris in dit kader ook een update geven overde uitvoering van de motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 31 239, nr. 409) die deregering verzoekt om in Europees verband en in de verdere uitwerkingvan de Clean Industrial Deal te pleiten voor stimulering van de vraagkant,onder meer met normen die het gebruik van hernieuwbare waterstofverderop in de keten bevorderen?SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie horen graag hoe de keus om het gebruik vanannex IX-b-biobrandstoffen niet toe te staan in de scheepvaart zichverhoudt tot de keus om dit wel toe te staan in de luchtvaart.De leden van de SGP-fractie vragen graag aandacht voor (conventionele)biobrandstoffen die als zogenaamde T1-goederen niet de Europese marktopgaan, gevrijwaard zijn van invoerheffingen en in havengebiedenopgeslagen worden. Is de veronderstelling juist dat deze biobrandstoffenwel ingezet worden om aan Europese doelstellingen en regelgeving tevoldoen, zoals FuelEU Zeevaart en ETS? Deelt de Staatssecretaris deanalyse dat dit in strijd is met de door de Europese Commissie voorge-stane massabalansmethode en het anti-dumpingbeleid? Deelt deStaatssecretaris de mening dat deze handelwijze ongewenst is en datNederlandse en Europese producenten van biobrandstoffen hierdoor opachterstand gezet worden? Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen datinzet van T1-biobrandstoffen om te voldoen aan Europese en nationaledoelstellingen en regels, zoveel mogelijk voorkomen wordt, zo vragendeze leden.II. Reactie van de Staatssecretaris Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de vragen van de leden vande fracties van GL-PvdA, VVD, CU en SGP van de vaste commissie vanInfrastructuur en Waterstaat van 17 juli 2025 met betrekking tot dewijziging van het Besluit energie vervoer en het Besluit brandstoffenluchtverontreiniging i.v.m. de implementatie van RED-III (Kamerstuk2024–2025, 32 813, nr. 1518).In het navolgende ga ik in op de vragen en opmerkingen in het verslag,waarbij de volgende onderwerpen aan de orde komen:1.Maatregelen om de lucht- en scheepvaartsectoren te verduurzamen2.Biobrandstoffenblends3.Grondstoffen voor de productie van biobrandstoffen4.Uitvoering en handhavingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15326 5.Effecten op de prijs aan de pomp6.Renewable fuels of non-biological origin (RFNBO’s)7.Onderwerpen die niet in dit Besluit geregeld worden1. Maatregelen om de lucht- en scheepvaartsectoren te verduurzamen 1.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het erg bezwaarlijk alssectoren worden uitgesloten of de mogelijkheid krijgen om hun aandeeluit te plaatsen naar andere sectoren. De luchtvaart en de zeevaart zijn bijuitstek de sectoren die fors achterlopen in het nemen van stappen naareen klimaatneutrale operatie. Het doel van bijmenging is immers nietalleen het op korte termijn verminderen van een klein percentageklimaatschadelijke emissies, maar ook en vooral het aanjagen van detransitie naar die klimaatneutrale operatie. Dat vergt niet alleen brand-stoffen met een lagere impact, maar aanpassing in de hele keten, vanproductie naar bunkerbedrijven, motortechniek et cetera. Is de Staatsse-cretaris het met deze leden eens dat schuilen achter concurrentieargu-menten, het betalen van een aflaat of een deal met andere sectoren, nietsbijdraagt aan het versnellen van de transitie van de lucht- en scheepvaart?Welke additionele maatregelen gaat de Staatssecretaris deze sectorenopleggen om ze te dwingen tot een andere werkwijze en toch tijdig in2050 klimaatneutraal te opereren?Brandstofleveranciers aan de zeevaartsector worden met dit voorstelverplicht om hernieuwbare energie te leveren. Er wordt nog altijd ingezetop het behalen van het doel om in 2050 klimaatneutraal te opereren, endit voorstel draagt daaraan bij.Er is geen nationale competentie om binnen de RED een brandstoftransi-tieverplichting op te leggen aan brandstofleveranciers aan de luchtvaart-sector, omdat dit al wordt gereguleerd door een aparte Europeseverordening (ReFuelEU Aviation; lex specialis ten opzichte van de RED III).De Nederlandse ambitie was om hogere doelen te stellen voor deluchtvaartsector, maar met de RED-instrumentaria is dit niet mogelijk.2.De leden van de VVD-fractie merken op dat het conceptbesluit Annex IXb-brandstoffen uitsluit van toepassing in de zeevaart. Dit leidt tot verlies vande meest kostenefficiënte oplossing en tast de Nederlandse bunkerpositieaan. Deze leden vragen de Staatssecretaris waarom hij ervoor kiest omgebruik van IXb-brandstoffen niet toe te staan in de zeevaart, maar dit welzonder beperkingen toe te staan in de luchtvaart voor compliancedoeleinden in andere EU-landen, die daarnaast ook volledig meetellenvoor de RED III, ReFuelEU Luchtvaart de doelen van het Europese UnieEmissions Trading System (EU-ETS). Hoe verhoudt deze keuze voorRED III zich tot de mogelijkheden die FuelEU Zeevaart en EU-ETS bieden,waar Annex IXb-brandstoffen voor zeevaart juist worden toegestaan? Hoemoeten bunkeraars omgaan met de marktvraag enerzijds naarIXb-brandstoffen, die hun klanten wel helpt verduurzamen, maar die zijvervolgens niet mogen meetellen in hun verduurzamingsdoelstelling?Heeft de Staatssecretaris gekeken naar de gevolgen van het verschiltussen de Nederlandse RED III-regels voor zeevaart en de EuropeseFuelEU-verplichtingen? Daarnaast, is het uitsluiten van IXb-brandstoffendaarbij meegenomen, met het oog op de concurrentiepositie vanRotterdam als bunkerhaven?3.De leden van de VVD-fractie merken op dat de limiet op het gebruik vanAnnex IXb-biobrandstoffen in RED III is vastgesteld op 1,7%, terwijllidstaten onder voorwaarden hiervan mogen afwijken. Tegelijkertijd is delijst met toegestane grondstoffen binnen Annex IXb uitgebreid, maar is deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15327 limiet zelf niet verhoogd. In het Nederlandse voorstel geldt bovendien datminimaal de hoeveelheid die in 2023 in het wegvervoer is ingezet,beschikbaar moet blijven voor deze sector, terwijl de resterende ruimteonder de limiet wordt verdeeld over land en binnenvaart. Deze ledenvragen of de Staatssecretaris van mening is dat deze benadering rechtdoet aan de verbreding van de grondstoffenbasis en voldoende ruimtebiedt om het potentieel van deze duurzame brandstoffensector tebenutten. Kan de Staatssecretaris uitleggen waarom hij ervoor heeftgekozen de limiet niet te verhogen, terwijl het aanbod (en potentieelduurzaam gebruik) juist is toegenomen?4.De leden van de VVD-factie constateren dat Bijlage IX-B van de RED recentis uitgebreid met grondstoffen. Is de Staatssecretaris het met deze ledeneens dat daarom de hoogte van de limiet moet worden herzien? Kan deadditionele nationale ambitie die voortkomt uit de Voorjaarsnota 2025hiervoor worden benut? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat biobrand-stoffen geproduceerd uit afval- en residustromen die zijn vermeld opBijlage IX-B van de RED ongelimiteerd bijdragen aan de verplichtingopgenomen in de FuelEU Maritieme Verordening? Is de Staatssecretarishet eens met deze leden dat het wenselijk is om deze biobrandstoffen nietgeheel uit te zonderen van de brandstoftransitieverplichting voor dezeevaart maar, eventueel beperkt, te accepteren met het oog op mogelijkeopschaling van de inzet in deze sector?In Europees verband is een limiet gesteld op Annex IXb-grondstoffen.Nederland zit al boven deze limiet, waardoor er op nationaal niveau eenkeuze gemaakt moet worden over de toegestane inzet van deze brand-stoffen per sector (en tot op welke hoogte). Het is van belang omAnnex IXb-grondstoffen te blijven inzetten in de wegsector, om eenstijging van de prijs aan de pomp te voorkomen. Daarom wordt dehuidige inzet van Annex IXb-grondstoffen in de wegsector doorgezet. Hetresterende potentieel binnen de limiet wordt ingezet in de binnenvaart-sector, omdat deze sector aan het begin van de verduurzaming staat. Er iservoor gekozen om Annex IXb grondstoffen niet inboekbaar te makenvoor de zeevaart. Dit is een voortzetting van de huidige situatie, waarin delevering aan zeevaart ook geen Annex IXb-grondstoffen kunnen wordeningeboekt. Daarnaast heeft de zeevaart een lagere procentueleverplichting dan de andere sectoren. In het Memorandum of Under-standing (MoU) met België is het uitsluiten van Annex IXb-grondstoffen inde invulling van het hernieuwbare gedeelte van de verplichting meege-nomen.De limiet op Annex IXb-biobrandstoffen is op Europees niveauvastgelegd. Dit betekent dat deze limiet in Europees verband verhoogdkan worden. Annex IXb-grondstoffen zijn van belang voor de opschalingvan hernieuwbare brandstoffen. Daarom is Nederland voorstander vanhet verhogen van de limiet in Europees verband. Aan de andere kant leidtde limiet ertoe dat rest- en afvalstromen uit Annex IXa-grondstoffenworden opgeschaald. Voor de invulling van de verplichtingen diescheepvaartmaatschappijen hebben binnen FuelEU Maritime en EU-ETSzijn deze voorwaarden niet van toepassing. Een scheepvaartmaatschappijkan nultelling krijgen binnen EU-ETS als de gebruikte hernieuwbarebrandstoffen voldoen aan de vereisten van de Richtlijn hernieuwbareenergie. Binnen FuelEU Maritime mogen hernieuwbare brandstoffen dievoldoen aan deze vereisten meegerekend worden voor een lagerebroeikasgasintensiteit. Dit is ook mogelijk binnen FuelEU Maritime voorbijvoorbeeld fossiele brandstoffen met een lagere broeikasgasintensiteit,zoals LNG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15328 2. Biobrandstoffenblends 5.De leden van de VVD-fractie stellen dat FAME (biodiesel uit afval) een vande meest kosteneffectieve middelen is om CO2-uitstoot in het wegvervoerte reduceren. In de wijziging van het Besluit brandstoffen luchtverontrei-niging wordt het maximumaandeel biogebaseerde bestanddelen in FAMEverhoogd van B7 (7%) naar B10 (10%). Dit levert een extra broeikasgasre-ductie van 36% op voor het hele dieselsegment. Met deze B10-norm is ereen kans om verduurzaming via bestaande infrastructuur (aan de pomp)op te schalen. Erkent de Staatssecretaris dat het aanpassen van deFAME-bijmengverplichting van B7 naar B10 een zeer grote, onmiddellijkebijdrage kan leveren aan de nationale transportdoelen voor personen-auto’s, maar vooral in het zwaar wegtransport, en dat deze opschalingrelatief kostenneutraal is voor huishoudens? Is de Staatssecretaris bereiddeze kosteneffectieve oplossing actief te ondersteunen, bijvoorbeeld viatechnologieneutrale stimulering of een verplichte (gefaseerde) uitrol vanB10 aan de pomp, zodat een gelijk speelveld ontstaat met omliggendelanden zoals Duitsland waar B10 al breed beschikbaar is aan de pompvoor alle transportsegmenten?De Europese Richtlijn brandstofkwaliteit verplicht brandstofleveranciersom in ieder geval B7 op de markt te brengen, maar maakt het voorbrandstofleveranciers daarnaast mogelijk om ook een diesel met eenmaximum FAME-gehalte van 10% te leveren. Tankstations die meerderesoorten diesel aanbieden zullen naar alle waarschijnlijkheid dus ook B10gaan aanbieden, naast een eigen premium-diesel. Een deel van hetwagenpark kan door technische aspecten momenteel niet rijden op B10.Een verplichte uitrol van B10 aan de pomp is hierdoor geen haalbarestimulans voor de transitie van de wegsector. De regering ziet het belangvan hogere blends in diesel om de opschaling van hernieuwbarebrandstoffen te bevorderen.3. Grondstoffen voor de productie van biobrandstoffen 6.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ondersteunen het uitgangspuntdat niet de bijgemengde hoeveelheid biobrandstof van belang is, maar deklimaateffecten. Wijziging van het oude systeem kan daarom rekenen opde steun van deze leden. Zij gaan er ook van uit dat hiermee een groterpotentieel ontstaat van nieuwe alternatieve brandstoffen met hopelijk eenkleinere voetafdruk en een groter potentieel voor opschaling. Is deStaatssecretaris het met deze leden eens, dat verdere opschaling van deproductie van klassieke niet-problematische biobrandstoffen zeer beperktis? De hoeveelheid afgewerkte frituurolie zal immers niet exponentieeltoenemen en de concurrentie met voedsel en voedergewassen, of natuuris nu al veel te hoog.Voor de inzet van grondstoffen voor de productie van biobrandstoffengelden strenge duurzaamheidseisen. Deze houden onder andere in dat hetgebruik van grondstoffen voor biobrandstofproductie niet mag leiden totconcurrentie met landgebruik voor voedsel- en voedergewassen of natuurof tot verstoring van de biodiversiteit. De grondstoffen die onder decategorie «conventioneel» ingeboekt kunnen worden hebben een laagrisico op indirecte landsgebruiksveranderingen. (ILUC: Indirect Land-UseChange). Echter, door de limiet op voedsel- en voedergewassen is de inzetvan grondstoffen met een risico op indirecte veranderingen in landgebruiklaag. Op dit vlak is Nederland strenger dan andere Europese landen,onder andere omdat het een lagere limiet stelt op brandstoffen geprodu-ceerd uit conventionele grondstoffen. Daarnaast is, n.a.v. afspraken in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 15329 Klimaatakkoord, de inzet van biobrandstoffen uit soja en palmoliewettelijk uitgesloten.De overstap op een nieuw systeem leidt op verschillende manieren toteen groter opschaalpotentieel van biobrandstoffen anders dan conventi-onele biobrandstoffen. Ten eerste zijn er extra grondstoffen toegevoegdop de Annex IXa-lijst, waarvoor een sub-verplichting geldt. Ten tweedevervalt de dubbeltelling van Annex IXa-, en Annex IXb-grondstoffen,waardoor grondstoffen uit categorie «overig» meer waard worden. Ditmaakt dat een aanzienlijke groep grondstoffen anders dan voedsel- envoedergewassen aantrekkelijker wordt voor biobrandstofproductie. Tenderde wordt met de overstap op CO2-ketenemissiesturing biobrandstoffenuit afvalstromen en residuen aantrekkelijker voor biobrandstofproductie.Afsluitend leidt ook de verhoging van de brandstoftransitieverplichting,terwijl de limiet op conventionele grondstoffen gelijk blijft, resulterend uitde voorjaarsnota jl., tot het grote opschaalpotentieel van dergelijkebiobrandstoffen.7.De leden van de VVD-fractie willen graag weten in hoeverre het benuttenvan voedsel- en voedergewassen kan bijdragen aan betaalbaarheid. Is hetuit het oogpunt van betaalbaarheid en het voorkomen van bunkertoe-risme niet wenselijk om in de binnenvaart een beperkt aandeel voedsel-en voedergewassen te benutten? Kan Nederland dit maximale aandeel opgrond van de RED III verhogen ten opzichte van de limiet die isopgenomen in het conceptbesluit? Herkent de Staatssecretaris dat hetaccepteren van deze grondstoffen kan bijdragen aan meer duurzaamgeteelde gewassen uit Europa waarvan de opbrengst ten goede komt aaneiwitvoorziening voor diervoeders en tegelijk aan duurzame biobrand-stoffen?In het Klimaatakkoord is afgesproken om niet meer voedsel- en voederge-wassen in te zetten voor de productie van biobrandstoffen dan het niveauvan 2020, en in plaats daarvan in te zetten op biobrandstoffen uit rest- enafvalstromen. Daarnaast is de lijn van het duurzaamheidskader biogrond-stoffen om biogrondstoffen zo hoog mogelijk in te zetten. Bovendiennemen gewassen veel ruimte in beslag in vergelijking met rest- enafvalstromen. Deze grond is onder andere nodig om circulaire bouwmate-rialen te kweken en om de natuur te herstellen. Alternatieve grondstoffenuit de landbouwsector met meer potentie voor biobrandstofproductie zijnbijvoorbeeld tussengewassen, vanggewassen en reststromen vanlandbouwgewassen.Omdat het aandeel voedsel- en voedergewassen voorheen werd ingezetin de wegsector, is ervoor gekozen om deze situatie te behouden. Hetverlagen van de inzet in de wegsector en het verhogen van de inzet in debinnenvaartsector zou kunnen leiden tot verhoging van de prijs aan depomp.4. Uitvoering en handhaving 8.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lazen afgelopen week in demedia over de grootschalige fraude met biobrandstoffen. Als de Neder-landse Emissieautoriteit (NEa) naar eigen zeggen «geen idee» heefthoeveel er wordt gefraudeerd, hoe kunnen we dan weten of bijmengingook de klimaatdoelstellingen dient? Wat is de Staatssecretaris van planom te doen om fraude effectief te bestrijden?9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 153210 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie stellen dat de adviezen metbetrekking tot de regeldruk wijzen op de toenemende complexiteit onderhet nieuwe stelsel. De ervaring leert dat een grotere complexiteit van eensysteem, bij een fors hogere vraag en gebrekkige transparantie entoezicht, leidt tot meer fraude. Deelt de Staatssecretaris de zorg van dezeleden? Hoe wordt voorkomen, dat de nieuwe regels leiden tot nieuwevormen van fraude of een grotere last voor de controlerende instanties?Zijn deze instanties voldoende toegerust op de extra taken?De inzet van hernieuwbare biobrandstoffen in sectoren waar elektrificatie(nog) niet mogelijk is, is een goede manier om ook deze sectoren teverduurzamen. Daarbij dient de inzet van biobrandstoffen de klimaat-doelen. Deze brandstoffen vervangen namelijk de inzet van de fossielevariant. De frauderisico’s binnen de biobrandstoffenketen hebben nietbetrekking op de vraag of een brandstof fossiel of hernieuwbaar is, maarop de herkomst van de hernieuwbare grondstof die wordt ingezet. Dooronder de RED III te sturen op ketenemissiereductie wordt de CO2-reductiedie de inzet van een hernieuwbare brandstof oplevert beloond, watdaarmee ook bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelstellingen.Voor een robuust systeem zijn transparantie in de biobrandstoffenketenen goed toezicht en effectieve handhaving nodig. Nederland zet zich in omhet totale systeem van toezicht (privaat en publiek) zo sterk mogelijk temaken om misstanden vroegtijdig op te sporen, te voorkomen en tebestraffen.Momenteel heeft Nederland al een sterk publiek controlesysteem voor detoeleveringsketen van biobrandstoffen, maar dat heeft een beperkte(nationale) reikwijdte. De invoering van een Europese databank (deUniedatabank) zal de internationale keten in de toekomst transparantermaken. Om het publieke toezicht op de keten nog verder te verbeteren,heeft het ministerie samen met de NEa – in het kader van de wijzigingenmet betrekking tot de Europese uitvoeringsverordening 2022/996 – deEuropese Commissie opgeroepen tot het opzetten van een Europeessamenwerkingsverband van nationale toezichthouders. Dit verband moetde middelen en het mandaat hebben om onderzoek uit te voeren entoezicht te houden op de private certificeringsorganisaties (vrijwilligeschema’s). In het geval van fraudevermoedens moet dit verband actiekunnen ondernemen. Dit geldt voor fraudevermoedens binnen Europesestromen en productiefaciliteiten, maar ook voor situaties buiten Europa.Nederland is nauw betrokken bij het wijzigingstraject van de Europeseuitvoeringsverordening 2022/996. De Nederlandse voorstellen wordenzorgvuldig door de Commissie meegenomen. Naar verwachting is deverordening eind 2025 afgerond. Uw Kamer zal hiervan op de hoogteworden gehouden. Daarnaast heeft de NEa de afgelopen jaren geïnves-teerd om het toezicht en de samenwerkingen met andere instanties zoalsde ILT en de Douane te versterken. De NEa werkt aanvullend aan deontwikkeling van haar toezichtinstrumenten.Naast het versterken van het publieke toezicht, wordt er ook gewerkt aanhet versterken van het private toezicht. Onafhankelijke certificeringsorga-nisaties en audits vormen een systeem van privaat toezicht. Naaraanleiding van zorgen over fraude heeft ISCC, het grootste vrijwilligeschema ter wereld, diverse maatregelen gepresenteerd om het privatetoezicht te versterken.In diverse HUF-toetsen heeft de NEa haar conclusies en adviezen gedeeldover de fraudebestendigheid van de voorstellen. De NEa concludeert datde voorstellen fraudebestendig zijn, mits hun adviezen opgevolgdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 153211 worden, zoals het schrappen van dubbeltelling. De dubbeltelling isinmiddels geschrapt.10.De leden van de VVD-fractie constateren dat in de ARA-regio (haven-gebied van de steden Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen) momenteelgoedkope T1 bio-bunkerleveringen worden verricht met hernieuwbarebrandstoffen uit China. Door de T1-status zijn deze leveringen «niet in deEU» en daarmee niet onderworpen aan EU-invoerrechten, noch aanrechten op grond van EU-handelsbeschermingsinstrumenten(antidumping, antisubsidie of vrijwaringsmaatregelen). Deze non-EUbiobrandstoffen worden gebruikt voor het vervullen van meerdere andereEuropese doelstellingen, zoals FuelEU Zeevaart en EU-ETS. Zo profiteertzulke hernieuwbare brandstof dubbel: het telt mee voor de EU-doel-stellingen voor hernieuwbare energie, maar ontduikt tegelijkertijd deopgelegde EU-handelsregels. Deze praktijk creëert een zeer ongelijkspeelveld en zet daarmee Nederlandse en Europese producenten opachterstand. Deze leden vragen of de Staatssecretaris ermee bekend is datdergelijke leveringen (ook) niet in lijn zijn met het gevoerde massabalans-en anti-dumpingbeleid van de Europese Commissie. Klopt het datleveringen onder het T1-regime niet meetellen voor de nationalerapportage naar Brussel vanwege hun fiscale status? Hoe verhoudt ditzich tot de eis vanuit RED III dat zeevaart energieverbruik maar beperktmag meetellen voor de RED III-doelstelling? Is de Staatssecretaris het metdeze leden eens dat T1-bunkerleveringen van hernieuwbare brandstoffen,Nederlandse en Europese hernieuwbarebrandstofproducenten oponeerlijke wijze op achterstand zetten en daarom beleidsmatig ongewenstzijn? Deelt de Staatssecretaris daarnaast ook de gedachte datT1-leveringen strijdig zijn met het kabinetsvoornemen om nationaleproductie van hernieuwbare energie actief te ondersteunen, zoalsvastgelegd in het regeerakkoord? Zou Nederland er niet wijs aan doen omalleen T2-biobrandstofleveringen toe te staan voor alle Europesebeleidsdoelstellingen, omdat alleen zo kan worden bewerkstelligd datEuropese partijen niet op oneerlijke wijze op achterstand worden gezet, ende producten ook daadwerkelijk op de Europese markt worden gezet?Welke maatregelen neemt de Staatssecretaris om ervoor te zorgen dat hettoekomstige RED III-subsysteem voor de zeevaart eerlijk, transparant engoed functioneert, nu de overheid de accijnswetgeving als grondslag voorhet beleid specifiek voor zeevaart lijkt te verlaten, ten faveure van eenticketingsysteem op basis van een bunkerleveringsverklaring?11.De leden van de SGP-fractie vragen graag aandacht voor (conventionele)biobrandstoffen die als zogenaamde T1-goederen niet de Europese marktopgaan, gevrijwaard zijn van invoerheffingen en in havengebiedenopgeslagen worden. Is de veronderstelling juist dat deze biobrandstoffenwel ingezet worden om aan Europese doelstellingen en regelgeving tevoldoen, zoals FuelEU Zeevaart en ETS? Deelt de Staatssecretaris deanalyse dat dit in strijd is met de door de Europese Commissie voorge-stane massabalansmethode en het anti-dumpingbeleid? Deelt deStaatssecretaris de mening dat deze handelwijze ongewenst is en datNederlandse en Europese producenten van biobrandstoffen hierdoor opachterstand gezet worden? Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen datinzet van T1-biobrandstoffen om te voldoen aan Europese en nationaledoelstellingen en regels, zoveel mogelijk voorkomen wordt, zo vragendeze leden.Voor de Europese verplichtingen voor scheepvaartondernemingen,binnen FuelEU Maritime en EU-ETS, is de reikwijdte bepaald op basis vande reizen van een schip (kortweg tellen reizen binnen de EU volledig mee,reizen tussen een EU- en niet-EU-haven voor 50%), en niet de locatie vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 153212 bunkering. Brandstoffen tellen daarin mee, ongeacht waar dezegebunkerd zijn en onder welk douaneregime. Echter moetenhernieuwbare brandstoffen wel voldoen aan de vereisten van de Richtlijnhernieuwbare energie voor de duurzaamheid en broeikasgasemissiere-ductie, om ook als hernieuwbare brandstoffen mee te tellen.Voor de wettelijke systematiek Energie Vervoer van titel 9.7 van de Wetmilieubeheer is de uitgangspositie dat op alle leveringen in Nederland,ongeacht de douanestatus ervan, een verplichting wordt gelegd. Voor delevering van biobrandstoffen kunnen wel voorwaarden worden gesteldvoor het inboeken binnen de Regeling energie vervoer. Op basis van designalen vanuit de biobrandstofproducenten wordt er gekeken naar dezespecifieke leveringen van biobrandstoffen, de wenselijkheid enmogelijkheid van het inboeken van deze biobrandstoffen binnen EnergieVervoer. Hierbij wordt meegenomen hoe deze leveringen binnen devereisten van de RED passen. Er wordt hierbij rekening gehouden met hetuitgangspunt van «behoud concurrentiepositie», zoals beschreven in deNota van Toelichting van de voorgehangen ontwerpwijziging Besluitenergie vervoer, zodat er geen ongelijk speelveld ontstaat.5. Effecten op de prijs aan de pomp 12.De leden van de VVD-fractie achten het van groot belang dat de energie-transitie in de vervoerssector niet leidt tot onevenredige prijsstijgingenaan de pomp. In dit kader hebben deze leden kennisgenomen van het CEDelft-onderzoek waarin de prijseffecten van de RED III-implementatieworden geschat op een prijsdaling van 1 tot 3 cent per liter benzine(zonder btw) en een prijsstijging van 7 tot 11 cent per liter diesel (zonderbtw) in 2030. Tegelijkertijd is in de voortgangsbrief aangegeven dat veelaannames onzeker zijn en dat de werkelijke impact afhankelijk is vantoekomstige keuzes en marktdynamiek. Hoe beoordeelt de Staatssecre-taris de kans dat de uiteindelijke effecten op de prijs aan de pomp groteruitvallen dan in het CE Delft-model is berekend? Welke monitoring wordtopgezet om dat in de praktijk te volgen en op welk moment wordtoverwogen om maatregelen te treffen als de betaalbaarheid voorconsumenten alsnog onder druk komt te staan?13.De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat consumentenbegrijpen waarom de brandstofprijs verandert en welk deel daarvan temaken heeft met klimaatbeleid. Dit is cruciaal voor draagvlak en transpa-rantie. Welke mogelijkheden ziet de Staatssecretaris om in de toekomsttransparanter te communiceren over het aandeel van klimaatbeleid in deprijs aan de pomp? Kan hij toezeggen dat bij toekomstige aanpassingenaan de brandstoftransitieverplichting vooraf ook de consumentenimpactexpliciet wordt meegewogen en gedeeld?Het voorspellen van de prijzen aan de pomp is complex door de onzeker-heden over toekomstige ontwikkelingen. CE Delft heeft in opdracht vanhet ministerie en de RVO een onderzoek uitgevoerd naar de effecten vande verplichting die de RED III oplegt aan brandstofleveranciers.Hernieuwbare brandstoffen zijn op dit moment duurder dan fossielebrandstoffen. De verplichting leidt, zoals de leden van de VVD-fractieaangeven, tot een prijsstijging aan de pomp. Dat is onder meerbeschreven in de meest recente voortgangsbrief. Uit het onderzoek vanCE-Delft blijkt dat de prijsstijgingen aan de pomp als gevolg vanOPEC-landen die aan de oliekraan draaien, groter zijn. De ontwikkelingenvan de brandstofprijzen worden gemonitord. Door meer hernieuwbareenergie te gebruiken wordt Nederland minder afhankelijk van dezelanden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 153213 Aanvullend op het onderzoek heeft CE Delft een rekenmodel ontwikkeld,zodat de RVO in de toekomst ontwikkelingen en veranderende beleids-keuzes kan doorberekenen. Dit kan dus inderdaad gebruikt worden bijtoekomstige aanpassingen van de brandstoftransitieverplichtingen.6. Renewable fuels of non-biological origin (RFNBO’s) 14.De leden van de ChristenUnie vragen op basis waarvan de Staatssecre-taris heeft gekozen voor een verhoging van het aantal PJ van 4 naar 7,5.Ziet de Staatssecretaris mogelijkheid om de verhoging van 4 PJ naar7,5 PJ verder door te trekken, om meer zekerheid te creëren in voldoendevraag en, in lijn met het principe van vraagcreatie, ook het aanbod vangroene waterstof? Kan de Staatssecretaris in dit kader ook een updategeven over de uitvoering van de motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 31 239,nr. 409) die de regering verzoekt om in Europees verband en in de verdereuitwerking van de Clean Industrial Deal te pleiten voor stimulering van devraagkant, onder meer met normen die het gebruik van hernieuwbarewaterstof verderop in de keten bevorderen?De verhoging van 4 naar 7,5 PJ is voorgesteld op basis van het onderzoekvan TNO, waarin is berekend wat de impact op de prijs aan de pomp isvan verschillende hoogtes van de subverplichting bij verschillendecorrectiefactoren. Het ministerie heeft in samenspraak met het Ministerievan Klimaat en Groene Groei, gezien het voorstel om de correctiefactorvast te stellen op 1,0 voor RFNBO’s in de raffinage, bezien welke hoogtevoor het subdoel een goede balans biedt tussen stimulering vanhernieuwbare waterstofproductie en de impact op de prijs aan de pomp.Dit voorstel leidt tot een gelijke prijsverhoging aan de pomp als heteerdere voorstel van een correctiefactor 0,4 en biedt ruimte voor de t/m2030 voorziene elektrolyseprojecten. Verdere verhoging zou leiden tothogere kosten aan de pomp.7. Overige onderwerpen Het verlengen van de brandstoftransitieverplichting tot 204015.De leden van de VVD-fractie hechten aan investeringszekerheid voorproducenten van hernieuwbare brandstoffen. Veel projecten vergenlangdurige voorbereiding en een lange terugverdientijd, en vragen omvoorspelbaar en geloofwaardig overheidsbeleid. In het commissiedebatDuurzaam vervoer van 22 april 2025 gaf de Staatssecretaris aan teverkennen of de brandstofverplichtingen kunnen worden doorgetrokkentot 2040. Deze leden vragen de Staatssecretaris wat de uitkomsten uitdeze verkenning zijn.16.De leden van de VVD-fractie stellen dat net zoals eerder een tijdelijkeverhoging van de jaarverplichting is ingevoerd om een terugval in de inzetvan hernieuwbare brandstoffen te voorkomen, nu al overwogen zoukunnen worden om – vooruitlopend op een eventueel nieuwe Europeserichtlijn (zoals RED IV) – de jaarverplichting ook na 2030 op niveau tehouden. Duitsland heeft recentelijk al een voorstel gepresenteerd vooreen groeipad tot 2038. Het doortrekken van de verplichting na 2030voorkomt een beleidsmatige kloof, biedt de markt tijdig duidelijkheid overde verwachte beleidsrichting, draagt bij aan energie-onafhankelijkheid enversterking van de nationale productiecapaciteit. Deze leden vragen deStaatssecretaris of hij het hiermee eens is.17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 153214 De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om inhet kader van het Besluit energie vervoer al een indicatieve doorkijk op tenemen richting de periode na 2030, bijvoorbeeld in de vorm van groei-paden voor 2035 en 2040. Kan de Staatssecretaris daarbij ook toelichtenhoe andere lidstaten omgaan met het bieden van langetermijnzekerheid,en of het wenselijk is dat Nederland daarbij aansluit?Inmiddels is duidelijk geworden dat Frankrijk en Duitsland de verplich-tingen op brandstofleveranciers aan de weg- en scheepvaartsectorendoortrekken tot respectievelijk 2035 en 2040. Om investeringszekerheid tebieden verkent het ministerie de mogelijkheden van een verlenging. DeRVO is gevraagd om scenario’s met groeipaden te analyseren voor eenverlenging van de brandstoftransitieverplichting tot en met 2040. Dezeverkenning zal naar verwachting dit najaar afgerond worden, en uwKamer zal daarna geïnformeerd worden.Deze verlenging wordt niet meegenomen in deze implementatie, omdatdeze implementatie al op 1 januari 2026 in werking moet treden. Er ismeer tijd nodig om de verlenging voor te bereiden. Het is belangrijk datde besluitvorming over het doortrekken van de brandstoftransitiever-plichting zorgvuldig wordt voorbereid, juist ook om voldoende zekerheidte geven aan investerende partijen. Als nu een indicatief doel wordtopgenomen in het Besluit energie vervoer dat volgend jaar opnieuw zoumoeten worden aangepast, dan kan geen bedrijf daarop een businesscase baseren. De voorkeur heeft daarom om zo snel mogelijk volgend jaarde besluitvorming te laten plaatsvinden over het doortrekken van debrandstoftransitieverplichting tot 2040.Toegestane grondstoffen in de scheep- en luchtvaartsector18.De leden van de SGP-fractie horen graag hoe de keus om het gebruik vanannex IXb-biobrandstoffen niet toe te staan in de scheepvaart zichverhoudt tot de keus om dit wel toe te staan in de luchtvaartEr komt geen RED-gerelateerde brandstoftransitieverplichting voorgeleverde brandstoffen aan de luchtvaartsector, omdat dit al wordtgereguleerd door een aparte Europese verordening (ReFuelEU Aviation;lex specialis ten opzichte van de RED III).In zowel de luchtvaart- als scheepvaartsector blijft het gebruik vanAnnex IXb grondstoffen toegestaan. Echter, door de limiet op Annex IXb-grondstoffen is er nationaal voor gekozen om dit niet inboekbaar temaken (d.w.z. mee te laten tellen voor de invulling van de brandstoftransi-tieverplichting) voor de zeevaart. Omdat er geen verplichting komt voorluchtvaart zullen deze grondstoffen ook daar niet inboekbaar zijn (maardus wel worden toegestaan).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 153215
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.