KamerkringInloggen
Kamerstuk

Voorstel van wet

16 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 28f86e2460cd1340 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 636Vaststelling van Boek 1, Hoofdstuk 10, en deBoeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Tweede vaststellingswetWetboek van Strafvordering)Nr. 2 VOORSTEL VAN WET Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is Boek 1,Hoofdstuk 10, en de Boeken 7 en 8 van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering vast te stellen;Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van Stategehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedge-vonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:ARTIKEL I Boek 1, Hoofdstuk 10, van het Wetboek van Strafvordering komt teluiden:HOOFDSTUK 10 TENUITVOERLEGGING Artikel 1.10.1 1. De tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen, strafvorderlijkebeslissingen tot vrijheidsbeneming en andere strafvorderlijke beslissingenvindt plaats door Onze Minister.2. Onder strafrechtelijke beslissingen worden verstaan:a. rechterlijke beslissingen tot oplegging van een straf of maatregel;b. strafbeschikkingen.3. Onder strafvorderlijke beslissingen tot vrijheidsbeneming wordenverstaan:a. bevelen tot inverzekeringstelling waarbij de officier van justitie heeftbevolen dat de tenuitvoerlegging plaatsvindt in een huis van bewaring;b. bevelen tot voorlopige hechtenis;c. bevelen tot gijzeling van een getuige;d. bevelen van de officier van justitie dat de vrijheidsbeneming, bedoeldin artikel 7.2.2, plaatsvindt in een huis van bewaring.4. Onder andere strafvorderlijke beslissingen worden in dit artikelverstaan:a. transacties; kst-36636-2ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 21 b. ontnemingsschikkingen;c. gedragsaanwijzingen;d. beslissingen tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 4.3.12.5. De tenuitvoerlegging omvat mede de beslissingen die wordengenomen in het kader van die tenuitvoerlegging.Artikel 1.10.2 1. De tenuitvoerlegging vindt, zodra deze is toegelaten, zo spoedigmogelijk plaats.2. Een beslissing wordt niet tenuitvoergelegd zolang daartegen eengewoon rechtsmiddel openstaat of, als een gewoon rechtsmiddel isaangewend, totdat het is ingetrokken of daarop onherroepelijk is beslist,tenzij de wet anders bepaalt.3. Indien het optreden van Onze Minister niet kan worden afgewachtmet betrekking tot de tenuitvoerlegging van een strafvorderlijke beslissingtot vrijheidsbeneming, neemt het openbaar ministerie de maatregelen dienoodzakelijk zijn om te voorkomen dat de verdachte, de veroordeelde ofde getuige zich onttrekt aan de vrijheidsbeneming.Artikel 1.10.3 Bij de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen wordt rekeninggehouden met alle in aanmerking komende belangen, waaronder deveiligheid van de samenleving, de belangen van het slachtoffer en deresocialisatie van de veroordeelde.Artikel 1.10.4 1. Onze Minister kan de uitoefening van een of meer van zijn bevoegd-heden schriftelijk opdragen aan een ambtenaar die werkzaam is onder zijnverantwoordelijkheid.2. De bevoegdheid wordt uitgeoefend in naam en onder verantwoorde-lijkheid van Onze Minister.3. Afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht is vantoepassing.Artikel 1.10.5 1. Onze Minister kan voor de tenuitvoerlegging algemene of bijzondereopdrachten geven aan:a. de opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b toten met d;b. andere ambtenaren of functionarissen voor zover zij door OnzeMinister zijn aangewezen voor de tenuitvoerlegging van deze opdrachten.2. Voor de tenuitvoerlegging aan boord van een Nederlands schip ofzeevissersvaartuig dan wel op een door Onze Minister aangewezeninstallatie ter zee kan de bijzondere opdracht worden gegeven aan deschipper of, bij een aangewezen installatie, aan de leidinggevende.3. Artikel 1.3.16, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op alleambtenaren die de opdracht geven en op alle ambtenaren die de opdrachtuitvoeren.Artikel 1.10.6 1. Onze Minister kan aan een ieder bevelen de inlichtingen teverstrekken die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de tenuitvoerlegging.Artikel 2.7.58, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 22 2. Een bevel dat is gericht aan een opsporingsambtenaar hoeft niet teworden opgevolgd indien het belang van enig opsporingsonderzoek zichdaartegen verzet.Artikel 1.10.7 De tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen die niet plaatsvindtdoor Onze Minister, vindt plaats door het openbaar ministerie, tenzij uit dewet anders blijkt.Artikel 1.10.8 1. Het openbaar ministerie kan voor de tenuitvoerlegging die door hemplaatsvindt algemene of bijzondere bevelen geven aan de opsporings-ambtenaren, bedoeld in artikel 1.3.10, onderdelen b tot en met d.2. De artikelen 1.10.5, tweede lid, en 1.10.6 zijn van overeenkomstigetoepassing.Artikel 1.10.9 Op de bevoegdheden die in dit hoofdstuk en in Boek 7 aan het openbaarministerie zijn toegekend, is artikel 1.3.1 van overeenkomstige toepassing.Artikel 1.10.10 1. De kosten van de tenuitvoerlegging komen ten laste van de Staat,tenzij bij of krachtens de wet anders is bepaald.2. Alles wat uit de tenuitvoerlegging wordt verkregen, komt ten bate vande Staat, met uitzondering van wat wordt verkregen ten behoeve van hetslachtoffer.Artikel 1.10.11 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over het bepaalde in dit hoofdstuk.2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteldover de uitoefening van bevoegdheden die door Onze Minister zijnopgedragen aan ambtenaren die werkzaam zijn onder zijn verantwoorde-lijkheid.3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de Staatgeldsommen, verkregen uit de tenuitvoerlegging van geldboetes, op eendaarbij vast te stellen grondslag en naar daarbij vast te stellen regels tengoede laat komen aan een rechtspersoon die krachtens het publiekrecht isingesteld.ARTIKEL II Boek 7 van het Wetboek van Strafvordering komt te luiden:BOEK 7 TENUITVOERLEGGING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 23 TITEL 1.1 INFORMATIE-UITWISSELING Artikel 7.1.1 1. Het openbaar ministerie verstrekt de beslissingen, bedoeld in artikel1.10.1, eerste en vijfde lid, aan Onze Minister, uiterlijk twee weken nadatdeze voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn geworden. Indien de beslissingdirect voor tenuitvoerlegging vatbaar is, verstrekt het openbaar ministeriede beslissing direct aan Onze Minister.2. Het openbaar ministerie voegt bij de beslissing, in voorkomendegevallen, het advies van de rechter over de tenuitvoerlegging.Artikel 7.1.2 1. Het openbaar ministerie kan bij of direct na het verstrekken van eenbeslissing advies geven aan Onze Minister over tijdens de tenuitvoer-legging te nemen beslissingen. Het advies wordt uitgebracht vanwege hetbelang van de resocialisatie van de veroordeelde, de belangen van hetslachtoffer, de veiligheid van de samenleving of een ander zwaarwegendalgemeen belang.2. Het openbaar ministerie kan ambtshalve of op verzoek van OnzeMinister alsnog een advies uitbrengen of een advies aanvullen indienomstandigheden tijdens de tenuitvoerlegging daartoe aanleiding geven.Artikel 7.1.3 Indien Onze Minister van oordeel is dat er reden is voor de uitoefeningvan een aan het openbaar ministerie toegekende bevoegdheid, kan OnzeMinister het openbaar ministerie daarvan in kennis stellen. Het openbaarministerie stelt Onze Minister in kennis of uitoefening is gegeven aan debevoegdheid.TITEL 1.2 VATBAARHEID VOOR TENUITVOERLEGGING VAN STRAFRECH-TELIJKE BESLISSINGEN Artikel 7.1.4 1. In aanvulling op artikel 1.10.2, eerste lid, kan de ontnemingsmaat-regel pas worden tenuitvoergelegd na het onherroepelijk worden van deveroordeling, bedoeld in artikel 36e, eerste of derde lid, van het Wetboekvan Strafrecht.2. Indien een kennisgeving als bedoeld in artikel 4.3.30 is voorge-schreven, kan de tenuitvoerlegging van een vonnis of arrest plaatsvindenna de betekening van de kennisgeving. Bij een bij verstek gewezen vonnisof arrest waarbij zodanige kennisgeving niet is voorgeschreven, kan detenuitvoerlegging plaatsvinden na de uitspraak. Door hoger beroep ofberoep in cassatie wordt de tenuitvoerlegging opgeschort of geschorst.3. De opschorting of schorsing van het tweede lid vindt niet plaats:a. ten aanzien van bij het vonnis of arrest gegeven bevelen die dadelijkuitvoerbaar zijn;b. indien naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat hetrechtsmiddel is ingesteld na het verstrijken van de daarvoor gesteldetermijn en dat artikel 5.1.3, tweede lid, niet van toepassing is, tenzij opverzoek van degene die het rechtsmiddel heeft aangewend, en na zijnverhoor, indien hij dit bij het verzoek heeft gevraagd, de rechtbank of hetgerechtshof anders bepaalt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 24 Artikel 7.1.5 1. In afwijking van artikel 1.10.2, eerste lid, kan de tenuitvoerlegging vaneen strafbeschikking plaatsvinden twee weken na de toezending van dekopie van de strafbeschikking.2. Door verzet wordt de tenuitvoerlegging van de strafbeschikkingopgeschort of geschorst, tenzij naar het oordeel van de officier van justitievaststaat dat het verzet is gedaan na het verstrijken van de daarvoorgestelde termijn en dat artikel 5.1.3, tweede lid, niet van toepassing is. Bijde behandeling van het verzet kan de rechter op verzoek van de verdachtebepalen dat de tenuitvoerlegging van de strafbeschikking wordtopgeschort of geschorst. De opschorting of schorsing eindigt indien hetverzet niet-ontvankelijk wordt verklaard.3. Indien een procesinleiding wordt ingediend voor een feit waarvooreen strafbeschikking is uitgevaardigd, is de strafbeschikking niet meervatbaar voor tenuitvoerlegging. De tenuitvoerlegging die al is aange-vangen wordt geschorst.Artikel 7.1.6 Een straf of maatregel wordt niet tenuitvoergelegd na de dood van deveroordeelde, met uitzondering van de ontnemingsmaatregel.Artikel 7.1.7 1. Een straf of maatregel wordt niet tenuitvoergelegd na het verstrijkenvan de tenuitvoerleggingstermijn.2. De tenuitvoerleggingstermijn is een derde langer dan de termijn vanverjaring van het recht tot strafvordering.Artikel 7.1.8 1. De tenuitvoerleggingstermijn gaat in op de dag na die waarop destrafrechtelijke beslissing kan worden tenuitvoergelegd.2. De tenuitvoerleggingstermijn loopt niet gedurende de opschorting ofschorsing van de tenuitvoerlegging en gedurende de tijd dat de veroor-deelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen of uit zodanige vrijheidsont-neming ongeoorloofd afwezig is.3. Bij ongeoorloofde afwezigheid van een veroordeelde die zijn straf ofmaatregel ondergaat in een inrichting of instelling, begint voor die straf ofmaatregel een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn op de dag na die waaropde ongeoorloofde afwezigheid aanving. Bij herroeping van een voorwaar-delijke invrijheidstelling begint een nieuwe tenuitvoerleggingstermijn opde dag na die van de herroeping.4. Indien een geldelijke straf of maatregel is opgelegd en in de strafrech-telijke beslissing is bepaald dat het bedrag in gedeelten mag wordenvoldaan, dan wel Onze Minister uitstel van betaling heeft verleend ofbetaling in termijnen heeft toegestaan, wordt de tenuitvoerleggings-termijn verlengd met zes jaar.5. De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van veroordelingentot betaling als bedoeld in artikel 358, vierde lid, onderdelen a tot en metc, van de Faillissementswet niet gedurende de tijd dat de schuldsanerings-regeling natuurlijke personen van toepassing is op de veroordeelde.6. De tenuitvoerleggingstermijn loopt ten aanzien van geldsommen, totbetaling waarvan de veroordeelde op grond van een strafrechtelijkebeslissing is verplicht, niet gedurende de tijd dat op grond van artikel 5van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening een afkoelingsperiode isafgekondigd voor de veroordeelde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 25 TITEL 1.3 OPSCHORTING EN SCHORSING Artikel 7.1.9 1. De rechtbank kan de opschorting van de tenuitvoerlegging bevelenvan een bij onherroepelijk vonnis of arrest opgelegde vrijheidsstraf,taakstraf of maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatigedaders indien de veroordeelde na de uitspraak maar voordat de tenuit-voerlegging is aangevangen is gaan lijden aan een psychische stoornis.2. Na het herstel van de veroordeelde wordt op vordering van de officiervan justitie het bevel tot opschorting door de rechtbank ingetrokken.3. Een psychische stoornis van de veroordeelde staat niet in de weg aande tenuitvoerlegging van een andere straf of maatregel. Zo nodig wordtde curator op de gewone wijze uitgenodigd tot voldoening aan het vonnisof arrest. Indien de veroordeelde nog geen curator heeft, wordt deze voordit doel door de rechtbank benoemd op vordering van de officier vanjustitie.4. Ten aanzien van de vervangende hechtenis en de gijzeling zijn heteerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing.Artikel 7.1.10 1. Een verzoekschrift om gratie schort de tenuitvoerlegging van de strafwaarvan gratie wordt verzocht op indien de tenuitvoerlegging nog niet isaangevangen en het verzoekschrift betrekking heeft op een onherroepelijkvonnis of arrest met een veroordeling tot:a. een vrijheidsstraf van zes maanden of minder;b. een vrijheidsstraf van zes maanden of minder die voorwaardelijk nietis tenuitvoergelegd en waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen;c. een taakstraf.2. Een verzoekschrift om gratie schort voorts de tenuitvoerlegging vande straf of maatregel waarvan gratie wordt verzocht op indien detenuitvoerlegging, anders dan op verzoek van de veroordeelde, nog niet isaangevangen een jaar na het onherroepelijk worden van de straf ofmaatregel.Artikel 7.1.11 Een verzoekschrift om gratie heeft geen opschortende werking indien:a. de veroordeelde op een andere grond rechtens zijn vrijheid isontnomen of uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is;b. het verzoekschrift betrekking heeft op een straf of maatregel tenaanzien waarvan al eerder op een verzoekschrift om gratie is beschikt;c. het verzoekschrift wordt ingediend op het tijdstip dat de veroordeeldetot een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel zich bevindt op hetgrondgebied van een andere staat die een Nederlands verzoek om zijnuitlevering in behandeling heeft genomen of met het oog daarop zijnvoorlopige aanhouding heeft bevolen;d. het verzoekschrift betrekking heeft op straffen of maatregelenwaarvan de tenuitvoerlegging is overgedragen aan een andere staat.Artikel 7.1.12 1. Onze Minister stelt de veroordeelde in kennis van het ingaan van deopschorting van de tenuitvoerlegging die is verbonden aan het verzoek-schrift om gratie. De opschorting duurt totdat op het verzoekschrift isbeschikt.2. Indien een verzoekschrift om gratie van een vrijheidsstraf, van eenterbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege of van eenmaatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 26 ingediend, zonder dat de wet daaraan de opschorting van de tenuitvoer-legging verbindt, kan Onze Minister niettemin bepalen dat de tenuitvoer-legging wordt opgeschort of geschorst. Onze Minister stelt de veroor-deelde daarvan in kennis. De opschorting of schorsing gaat in op hetmoment van de kennisgeving en duurt totdat op het verzoekschrift isbeschikt.Artikel 7.1.13 Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld overhet bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in ieder gevalbetrekking op het tijdstip van de aanvang van de tenuitvoerlegging,bedoeld in artikel 7.1.10.TITEL 1.4 AANHOUDING, OPNEMING EN INVRIJHEIDSTELLING Artikel 7.1.14 1. Een door Onze Minister gegeven opdracht tot tenuitvoerlegging diestrekt tot aanhouding van een verdachte of veroordeelde bevat:a. een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de aan te houdenpersoon;b. een opgave van de beslissing of het bevel waarop de aanhoudingsteunt;c. een vermelding van de plaats waarnaartoe de aangehouden persoonmoet worden overgebracht, of van de rechter of ambtenaar voor wie deaangehouden persoon moet worden geleid.2. Degene die de aanhouding heeft verricht, geleidt de aangehoudenpersoon direct naar de plaats of voor de rechter of ambtenaar, in deopdracht vermeld.3. Degene die de aanhouding heeft verricht, stelt Onze Minister direct inkennis van de aanhouding.Artikel 7.1.15 1. De ambtenaar die is belast met de opdracht tot tenuitvoerlegging diestrekt tot aanhouding kan voor de aanhouding elke plaats betreden endoorzoeken.2. Voor de vaststelling van de verblijfplaats van de aan te houdenpersoon kan uitoefening worden gegeven aan de bevoegdheden in deartikelen 2.7.8 tot en met 2.7.13, 2.7.16, 2.7.35 tot en met 2.7.43, 2.7.45 toten met 2.7.50, 2.7.52, 2.7.69, 2.8.7 tot en met 2.8.9, 2.8.11, eerste lid, 2.8.13tot en met 2.8.16, 2.8.18, 8.2.6 en 8.2.7, in samenhang met devoorschriften in de artikelen 2.7.15, 2.7.56, 2.7.59 tot en met 2.7.64 en2.7.68, met dien verstande dat:a. een bevoegdheid slechts wordt uitgeoefend in geval de persoon bijonherroepelijk vonnis of arrest een vrijheidsstraf of een vrijheidsbene-mende maatregel is opgelegd voor een misdrijf waarvoor de bevoegdheidop grond van het desbetreffende artikel mag worden uitgeoefend dan welvoor een dergelijk misdrijf de voorlopige hechtenis van die persoon isbevolen;b. een bevoegdheid die op grond van het desbetreffende artikel alleenkan worden uitgeoefend na een machtiging van de rechter-commissaris,slechts wordt uitgeoefend na een zodanige machtiging.3. Indien de in het tweede lid genoemde artikelen de desbetreffendebevoegdheid toekennen aan een opsporingsambtenaar of een hulpofficiervan justitie, komt die bevoegdheid toe aan een ambtenaar, genoemd inartikel 1.10.8, eerste lid, dan wel aan zodanige ambtenaar die hulpofficiervan justitie is. De officier van justitie kan aan hen bevelen geven metbetrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 27 Artikel 7.1.16 1. Degene die is belast met de aanhouding van een persoon of met detenuitvoerlegging van een straf of maatregel, stelt na de aanhouding deidentiteit van de persoon vast op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8.2. Indien de aangehouden persoon beweert niet de persoon te zijntegen wie de opdracht of het bevel is gericht, zorgt Onze Minister vooreen eenduidige vaststelling van de identiteit. Indien Onze Minister vanoordeel is dat er reden is voor uitoefening van de bevoegdheden in deartikelen 2.6.6, 2.6.7 of 2.6.9, kan Onze Minister de officier van justitiedaarvan in kennis stellen.Artikel 7.1.17 1. De opneming in een inrichting of instelling van een persoon tegenwie een strafrechtelijke beslissing of een strafvorderlijke beslissing totvrijheidsbeneming wordt tenuitvoergelegd, vindt plaats op grond van:a. de strafrechtelijke beslissing, of een uittreksel daarvan;b. de strafvorderlijke beslissing tot vrijheidsbeneming; ofc. de opdracht tot tenuitvoerlegging van Onze Minister.2. In geval van een opdracht tot tenuitvoerlegging doet Onze Ministerhetzij de strafrechtelijke beslissing, of een uittreksel daarvan, hetzij destrafvorderlijke beslissing tot vrijheidsbeneming zo spoedig mogelijktoekomen aan de directeur van de inrichting of het hoofd van deinstelling.3. In geval van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, opgelegd bijeen mondeling vonnis of arrest, vindt de opneming plaats op grond van:a. het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een kopie daarvanof uittreksel daaruit;b. het bij de kopie van de oproeping gevoegde stuk, houdendeaantekening van het mondelinge vonnis of arrest; ofc. de opdracht tot tenuitvoerlegging van Onze Minister, dan wel eenkopie daarvan.4. In geval van een opdracht tot tenuitvoerlegging doet Onze Ministerhetzij het proces-verbaal van de terechtzitting, dan wel een kopie daarvanof uittreksel daaruit, hetzij het bij de kopie van de oproeping gevoegdestuk, houdende aantekening van het mondelinge vonnis of arrest, zospoedig mogelijk toekomen aan de directeur van de inrichting of hethoofd van de instelling.Artikel 7.1.18 1. De invrijheidstelling vindt plaats door de directeur van de inrichting:a. op de laatste dag van de straftijd;b. zodra het bevel tot vrijheidsbeneming door tijdsverloop zijngeldigheid verliest;c. na verlening van voorwaardelijke invrijheidstelling;d. na een opdracht tot invrijheidstelling van Onze Minister.2. Behoudens het bepaalde in het vierde lid vindt de invrijheidstelling inalle gevallen uiterlijk plaats op het moment waarop de straftijd verstrijkt ofhet bevel tot vrijheidsbeneming door tijdsverloop zijn geldigheid verliest.3. In gevallen waarin is bepaald dat een gedeelte van de straf niet zalworden tenuitvoergelegd, wordt dat gedeelte alleen meegerekend voorzover de tenuitvoerlegging daarvan is gelast.4. Invrijheidstelling vindt plaats binnen drie uur na het tijdstip waaropde opdracht tot invrijheidstelling van Onze Minister de directeur van deinrichting heeft bereikt. Indien de verdachte of veroordeelde op dat tijdstipnog niet is teruggekeerd in de inrichting, begint de termijn van drie uur telopen vanaf het moment van terugkeer in de inrichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 28 Artikel 7.1.19 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelsgesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in iedergeval betrekking op het geven van een opdracht tot tenuitvoerlegging diestrekt tot aanhouding.TITEL 1.5 DE RAADKAMER EN DE RECHTER-COMMISSARIS AFDELING 1.5.1 ALGEMEEN Artikel 7.1.20 1. Indien de rechtbank of de rechter-commissaris overeenkomstig debepalingen van dit boek een beslissing kan nemen inzake de tenuitvoer-legging, is – tenzij de wet anders bepaalt – tot het nemen van dezebeslissing bevoegd de rechtbank die het strafbare feit heeft berechtwaarvoor de straf of maatregel is opgelegd, dan wel de rechter-commissaris in die rechtbank.2. In geval van de tenuitvoerlegging van een buitenlandse rechterlijkebeslissing is bevoegd:a. de rechtbank die het verlof tot tenuitvoerlegging, bedoeld in artikel31, eerste lid, van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen,heeft verleend, dan wel de rechter-commissaris in die rechtbank; ofb. de rechtbank in het arrondissement waar de tenuitvoerleggingplaatsvindt, dan wel de rechter-commissaris in die rechtbank.3. De rechtbank of de rechter-commissaris kan de beslissing nemen opvordering van de officier van justitie of op verzoek van de veroordeelde,tenzij de wet anders bepaalt. De rechtbank of de rechter-commissaris kande beslissing ook ambtshalve nemen naar aanleiding van een vorderingof een verzoek, tenzij de wet anders bepaalt.4. Indien de rechtbank of de rechter-commissaris zich onbevoegd acht teoordelen over een verzoek of bezwaarschrift, wordt de zaak overgedragenaan de bevoegd geachte rechtbank of rechter-commissaris.Artikel 7.1.21 1. De veroordeelde heeft het recht zich te doen bijstaan door eenraadsman. Artikel 1.4.10 is van overeenkomstige toepassing.2. Indien de officier van justitie een vordering indient bij de rechtbankdan wel een vordering die strekt tot vrijheidsbeneming indient bij derechter-commissaris, en niet blijkt dat de veroordeelde een raadsmanheeft, brengt de officier van justitie de vordering ter kennis van hetbestuur van de raad voor rechtsbijstand, dat voor de veroordeelde eenraadsman aanwijst. In geval van een beslissing die niet op vordering vande officier van justitie dan wel in hoger beroep wordt genomen, geeft devoorzitter van het gerecht, indien niet blijkt dat de veroordeelde eenraadsman heeft, voorafgaand aan het onderzoek op de zitting aan hetbestuur van de raad voor rechtsbijstand opdracht tot aanwijzing van eenraadsman.3. De aanwijzing van de raadsman vindt plaats voor de duur van degehele aanleg waarin zij heeft plaatsgehad.4. De raadsman stelt de officier van justitie en de rechter-commissarisdan wel de rechtbank direct in kennis van zijn optreden voor de veroor-deelde. Indien hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld, stelt deraadsman het gerechtshof dan wel de Hoge Raad direct in kennis van zijnoptreden voor de veroordeelde.5. Indien de raadsman een eerder gekozen of aangewezen raadsmanvervangt, zijn het derde lid en artikel 1.4.11, vierde lid, tweede en derdezin, van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 29 6. De artikelen 1.4.16, 1.4.17 en 1.4.20 zijn van overeenkomstigetoepassing.AFDELING 1.5.2 DE RAADKAMER Artikel 7.1.22 1. Indien de rechtbank beslist op een verzoek of een bezwaarschrift vande veroordeelde, wordt het verzoek of bezwaarschrift door de griffier terkennis gebracht van de officier van justitie, die daarop zo spoedigmogelijk een conclusie neemt.2. De rechtbank kan zonder onderzoek op de zitting beslissen indien zij,na kennisneming van de stukken van het geding, van oordeel is dat devordering, het verzoek, het bezwaarschrift of het beroep kennelijkniet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.3. De officier van justitie roept de veroordeelde en, indien daartoeaanleiding is, degene die is belast met het reclasseringstoezicht, op totbijwoning van de zitting onder bijvoeging van de vordering of deconclusie. De oproeping van de veroordeelde wordt aan hem betekend. Inhoger beroep blijft bijvoeging van de vordering of de conclusieachterwege.4. Artikel 1.2.15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing opdegene die is belast met het reclasseringstoezicht. Op het recht van deveroordeelde en zijn raadsman om kennis te nemen van de op de zaakbetrekking hebbende stukken, is artikel 1.8.8, eerste tot en met derde lid,van overeenkomstige toepassing. Artikel 1.8.11 is van toepassing.5. Indien de zaak betrekking heeft op een vrijheidsbenemendemaatregel, kan de officier van justitie deskundigen oproepen voor dezitting. Bij het indienen van de vordering doet de officier van justitieopgave van de deskundigen die zullen worden opgeroepen. In deoproeping wordt de veroordeelde gewezen op welke deskundigen wordenopgeroepen en op het recht om de voorzitter van de rechtbank teverzoeken deskundigen voor de zitting te doen oproepen.6. Indien de zaak betrekking heeft op een vrijheidsbenemendemaatregel, kan de voorzitter van de rechtbank de officier van justitieambtshalve of op verzoek van de veroordeelde bevelen deskundigen op teroepen voor de zitting. Het verzoek en het bevel bevatten de namen en dewoon- of verblijfplaats, of, indien deze gegevens onbekend zijn, een zonauwkeurig mogelijke aanduiding van de deskundige. Het verzoek wordtafgewezen indien het oproepen van de deskundige niet in het belang isvan een behoorlijke behandeling van de zaak. De artikelen 4.1.4, zesde enachtste lid, 4.1.8, tweede en derde lid, en 4.1.9 zijn van overeenkomstigetoepassing.Artikel 7.1.23 1. In aanvulling op artikel 1.2.18, tweede lid, wordt degene die is belastmet het reclasseringstoezicht gehoord indien hij op de zitting aanwezig is.2. De officier van justitie en de veroordeelde zijn bevoegd gedurendehet onderzoek wijziging te brengen in de vordering of de conclusie,onderscheidenlijk het verzoek.Artikel 7.1.24 1. De rechtbank doet uiterlijk twee weken na de sluiting van hetonderzoek uitspraak. De Algemene termijnenwet is op deze termijn nietvan toepassing.2. In aanvulling op artikel 1.2.24, derde lid, wordt de beslissing invoorkomende gevallen ter kennis gebracht van degene die is belast methet reclasseringstoezicht dan wel bij de beslissing daarvan wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 210 ontheven, en van het hoofd van de instelling waar een terbeschikkingge-stelde van overheidswege wordt verpleegd.3. De beslissing waartegen een rechtsmiddel openstaat wordt aan deveroordeelde betekend, tenzij de veroordeelde bij de uitspraak aanwezigwas of de dag van de uitspraak hem tevoren is meegedeeld. Bij debetekening wordt kennis gegeven van het rechtsmiddel dat tegen debeslissing openstaat en van de termijn waarbinnen het rechtsmiddel kanworden aangewend.HOOFDSTUK 2 TOEZICHT, VOORWAARDEN EN OMZETTING TITEL 2.1 TOEZICHT Artikel 7.2.1 1. Onder toezicht wordt in dit artikel verstaan het toezicht op denaleving van:a. voorwaarden gesteld bij een:1°. beslissing tot niet-vervolging;2°. transactie;3°. schorsing van de voorlopige hechtenis;4°. straf of maatregel die geheel of gedeeltelijk niet wordttenuitvoergelegd;5°. onderbreking of voorwaardelijke beëindiging van de tenuitvoer-legging van een vrijheidsbenemende straf of maatregel;6°. terbeschikkingstelling;7°. verlening van gratie.b. maatregelen en aanwijzingen die het gedrag van de verdachte of deveroordeelde betreffen of diens vrijheid beperken;c. de bijkomende straf van ontzetting van het recht om ambten ofbepaalde ambten te bekleden en het recht om bepaalde beroepen uit teoefenen.2. Indien de rechter of de officier van justitie opdracht heeft gegeven tothet houden van reclasseringstoezicht, geeft Onze Minister een krachtensalgemene maatregel van bestuur aangewezen reclasseringsinstellingopdracht toezicht te houden en de verdachte of de veroordeelde tenbehoeve daarvan te begeleiden. Onze Minister kan ook ambtshalve eenopdracht geven of, indien daartoe aanleiding is, de opdracht geven aaneen andere reclasseringsinstelling.3. Indien de aard van een gestelde voorwaarde of aanwijzing daartoeaanleiding geeft, kan Onze Minister een andere instelling of persoonopdracht geven toezicht te houden.4. De verdachte of de veroordeelde is verplicht medewerking teverlenen aan het reclasseringstoezicht, daaronder begrepen demedewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsin-stelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijkacht.5. Bij het houden van toezicht wordt de identiteit van de verdachte of deveroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste entweede lid. De verdachte of de veroordeelde is verplicht ten behoeve vanhet vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemenvan een of meer vingerafdrukken of aan het ter inzage aanbieden van eenidentiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatie-plicht.6. Indien blijkt dat de verdachte of de veroordeelde een voorwaarde,straf, maatregel of aanwijzing niet naleeft, niet meewerkt aan het toezicht,of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel dealgemene veiligheid van personen of goederen dat eist, wordt daarvandirect melding gedaan aan de officier van justitie en Onze Minister.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 211 Artikel 7.2.2 1. De officier van justitie kan de aanhouding bevelen van de veroor-deelde indien:a. het ernstige vermoeden bestaat dat een voorwaarde of maatregel alsbedoeld in artikel 7.2.1 niet wordt nageleefd of, in geval van een terbe-schikkinggestelde, het belang van de veiligheid van anderen dan wel dealgemene veiligheid van personen of goederen dat eist; enb. aannemelijk is dat vrijheidsbeneming zal worden bevolen op grondvan deze titel, de artikelen 7.3.11 en 7.3.12 of artikel 17 van de Gratiewet.2. Indien het bevel van de officier van justitie niet kan wordenafgewacht, kan de hulpofficier van justitie de aanhouding bevelen. Dehulpofficier van justitie deelt de aanhouding direct mee aan de officier vanjustitie.3. Na de aanhouding dient de officier van justitie direct een vordering inop grond van artikel 7.2.3, eerste lid, of wordt toepassing gegeven aan deartikelen 7.3.11 en 7.3.12, dan wel artikel 17 van de Gratiewet.4. Onze Minister wordt direct in kennis gesteld van de aanhouding.Indien het een terbeschikkinggestelde betreft aan wie proefverlof isverleend, beslist Onze Minister zo spoedig mogelijk over de vrijlating ofde beëindiging van het proefverlof. Het derde lid blijft in dat geval buitentoepassing.5. In afwachting van de beslissing, bedoeld in het derde of vierde lid,vindt de vrijheidsbeneming van de aangehouden persoon plaats in eenpolitiecel of in een cel van de Koninklijke marechaussee. De officier vanjustitie kan bevelen dat de vrijheidsbeneming plaatsvindt in een huis vanbewaring.Artikel 7.2.3 1. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitiede volgende beslissingen nemen in het kader van de tenuitvoerleggingvan strafrechtelijke beslissingen:a. de voorlopige tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niettenuitvoergelegde vrijheidsstraf of maatregel van plaatsing in eeninrichting voor stelselmatige daders;b. de voorlopige voortzetting van de terbeschikkingstelling;c. het voorlopig alsnog van overheidswege verplegen dan wel devoorlopige hervatting van de verpleging van overheidswege van eenterbeschikkinggestelde;d. de voorlopige herleving van de terbeschikkingstelling;e. de tijdelijke opname van een terbeschikkinggestelde voor de duur vanmaximaal zeven weken in een door de rechter-commissaris aangewezeninstelling, dan wel de eenmalige verlenging van de tijdelijke opname metten hoogste zeven weken;f. de tenuitvoerlegging van de in het vonnis of arrest bevolen vervan-gende hechtenis die wordt tenuitvoergelegd iedere keer dat de veroor-deelde zich niet houdt aan de maatregel strekkende tot beperking van devrijheid of aan de voorwaarden verbonden aan de maatregel strekkendetot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.2. Indien de officier van justitie een vordering indient die strekt tot hetverkrijgen van een voorlopige beslissing, wordt tegelijkertijd een daarmeecorresponderende vordering ingediend bij de rechtbank die strekt tot hetverkrijgen van een definitieve beslissing.3. De rechter-commissaris beslist binnen drie dagen na indiening van devordering. De aangehouden veroordeelde wordt zo mogelijk gehoord. Deveroordeelde wordt niet in vrijheid gesteld zolang de rechter-commissarisgeen beslissing heeft genomen.4. Indien de rechter-commissaris de vordering afwijst, beveelt hij deinvrijheidstelling van de aangehouden veroordeelde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 212 5. Indien vervangende hechtenis wordt bevolen, bepaalt de rechter-commissaris de duur van de vervangende hechtenis, die ten minste ééndag beloopt. De duur van de vervangende hechtenis is ten hoogste wat isbepaald in het vonnis of arrest. De rechter-commissaris brengt devrijheidsbeneming op grond van het derde lid in mindering op devervangende hechtenis.6. Een tijdelijke opname kan plaatsvinden zonder bereidverklaring vande terbeschikkinggestelde.7. De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar.Artikel 7.2.4 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelsgesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in iedergeval betrekking op het toezicht op de naleving, waaronder de werkzaam-heden van de reclasseringsinstellingen.TITEL 2.2 VOORWAARDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN Artikel 7.2.5 1. Indien een voorwaarde is gesteld of een aanwijzing is gegeven totbetaling of storting van een schadevergoeding, een waarborgsom of eenander geldbedrag, bepaalt Onze Minister de dag waarop de betaling ofstorting uiterlijk moet plaatsvinden. Onze Minister stelt de veroordeeldehiervan tijdig in kennis.2. Onze Minister kan uitstel van betaling of storting verlenen en betalingof storting in termijnen toestaan. De termijn waarbinnen de storting vaneen waarborgsom plaatsvindt, is in geen geval langer dan drie maanden,te rekenen vanaf de dag waarop het vonnis of arrest voor tenuitvoer-legging vatbaar is geworden.3. Een waarborgsom wordt door Onze Minister teruggegeven aan deveroordeelde voor zover de waarborgsom niet is vervallen aan de Staatop grond van de beslissing, bedoeld in artikel 7.2.7, zevende lid. Deteruggave vindt plaats zodra vaststaat dat de bedoelde beslissing nietmeer kan worden genomen. De rechtbank kan bevelen dat gehele ofgedeeltelijke teruggave zal plaatshebben op een eerder tijdstip. Deaanspraak op teruggave is niet overdraagbaar.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over het bepaalde in dit artikel. De nadere regels hebben inieder geval betrekking op de plaats en wijze van betaling of storting en opde termijn waarbinnen de betaling of storting moet plaatsvinden.Artikel 7.2.6 1. Indien een proeftijd is verbonden aan een straf of maatregel, kan derechtbank:a. de proeftijd verkorten of verlengen;b. de bijzondere voorwaarden alsnog stellen, wijzigen of opheffen, of determijn wijzigen waarbinnen de bijzondere voorwaarden gelden binnen deproeftijd;c. de opdracht tot reclasseringstoezicht alsnog geven, wijzigen ofopheffen.2. De verlenging van de proeftijd bedraagt bij een voorwaardelijk niettenuitvoergelegde straf of maatregel ten hoogste de termijn die maximaalkan worden verbonden aan de proeftijd.3. In het geval, bedoeld in artikel 38, vierde lid, van het Wetboek vanStrafrecht, kan de rechtbank de voorwaarden zo nodig opnieuwvaststellen in de zes maanden voorafgaand aan de invrijheidstelling.Artikel 38, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 213 Artikel 7.2.7 1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie bevelen totde tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde strafof maatregel, of, al dan niet onder instandhouding of wijziging van devoorwaarden, een gedeelte daarvan.2. De vordering wordt ingediend indien naar het oordeel van de officiervan justitie een ernstig vermoeden bestaat dat de veroordeelde eenvoorwaarde niet naleeft of niet heeft nageleefd. De officier van justitie zietslechts af van indiening indien naar zijn oordeel kan worden volstaan meteen waarschuwing of met indiening van een vordering op grond vanartikel 7.2.6. De vordering wordt niet later ingediend dan drie maanden nahet einde van de proeftijd.3. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats. Indiende rechter-commissaris de voorlopige tenuitvoerlegging heeft bevolen,vindt het onderzoek plaats binnen een maand na ontvangst van devordering.4. De rechtbank kan het bevel tot voorlopige tenuitvoerlegging van derechter-commissaris opheffen zolang niet op de vordering is beslist.5. Bij toewijzing van de vordering kan de rechtbank de tenuitvoer-legging van een taakstraf gelasten in plaats van de tenuitvoerlegging vaneen vrijheidsstraf. De artikelen 22b tot en met 22d van het Wetboek vanStrafrecht en de artikelen 7.6.1 tot en met 7.6.7 en 7.6.21 zijn vanovereenkomstige toepassing.6. Bij toewijzing van de vordering beveelt de rechtbank dat de vrijheids-beneming ondergaan op grond van de beslissing van de rechter-commissaris in mindering wordt gebracht op de straf of maatregel. Indiende tenuitvoerlegging wordt gelast van een taakstraf, bepaalt de rechtbankvolgens welke maatstaf de aftrek zal plaatsvinden.7. Indien als voorwaarde een waarborgsom is gestort, kan de rechtbankbeslissen dat de waarborgsom geheel of gedeeltelijk vervalt aan de Staat.Artikel 7.2.8 Indien de vordering, bedoeld in artikel 7.2.7, is gebaseerd of mede isgebaseerd op een ernstig vermoeden van schending van de algemenevoorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd nietschuldig maakt aan een strafbaar feit, wordt de vordering gevoegdbehandeld bij de berechting van dat feit. Artikel 7.2.7, tweede tot en metvierde en zesde lid, is in dat geval niet van toepassing. Toewijzing van devordering op grond van overtreding van de algemene voorwaarde kanalleen plaatsvinden in geval van een veroordeling wegens het strafbarefeit.TITEL 2.3 OMZETTING VAN STRAFFEN EN MAATREGELEN IN EENSTRAFBESCHIKKING [gereserveerd]TITEL 2.4 RECHTSMIDDELEN Artikel 7.2.9 1. De officier van justitie en de veroordeelde kunnen beroep instellen bijde rechtbank tegen de beslissing van de rechter-commissaris over detenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bij de maatregelstrekkende tot beperking van de vrijheid of bij de maatregel strekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 214 2. De officier van justitie kan beroep instellen binnen twee weken na debeslissing. De veroordeelde kan beroep instellen binnen twee weken nade betekening van de beslissing of, indien geen betekening hoeft plaats tevinden, binnen twee weken na de beslissing.3. De voorzitter kan het bevel tot tenuitvoerlegging opheffen zolang nietop het beroep is beslist.4. De rechtbank beslist zo spoedig mogelijk. Zij verklaart het beroepniet-ontvankelijk of ongegrond dan wel gegrond. In het laatste gevalbeveelt de rechtbank wat volgens de wet behoort plaats te vinden.HOOFDSTUK 3 VRIJHEIDSSTRAFFEN TITEL 3.1 ALGEMEEN Artikel 7.3.1 Een vrijheidsstraf gaat in:a. ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenisbevinden ter zake van het feit waarvoor zij zijn veroordeeld, op de dagwaarop de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden;b. ten aanzien van andere veroordeelden, op de dag van de tenuitvoer-legging van de rechterlijke beslissing.Artikel 7.3.2 1. Indien de veroordeelde meerdere vrijheidsstraffen moet ondergaan,worden deze zo mogelijk aaneensluitend tenuitvoergelegd.2. Indien meerdere vrijheidsstraffen aaneensluitend wordentenuitvoergelegd:a. worden zij als één vrijheidsstraf aangemerkt voor de toepassing vanartikel 7.1.18, eerste lid;b. worden geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen, met uitzonderingvan vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt bij deverlening van voorwaardelijke invrijheidstelling.Artikel 7.3.3 De vrijheidsstraf wordt verminderd met de tijd die door de veroordeeldein het buitenland in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie isdoorgebracht op grond van een Nederlands verzoek om overlevering ofuitlevering ten behoeve van de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoer-legging van de vrijheidsstraf.Artikel 7.3.4 1. Onze Minister kan in uitzonderlijke gevallen strafonderbreking voorbepaalde tijd verlenen. De strafonderbreking duurt niet langer dannoodzakelijk.2. Onze Minister kan in uitzonderlijke gevallen strafonderbreking vooronbepaalde tijd verlenen aan vreemdelingen die niet in aanmerkingkomen voor voorwaardelijke invrijheidstelling.3. De strafonderbreking wordt verleend op verzoek van de veroor-deelde, op verzoek van de officier van justitie of ambtshalve.4. Tijdens de strafonderbreking is de tenuitvoerlegging van de vrijheids-straf geschorst.5. Ten aanzien van beslissingen over strafonderbreking is Hoofdstuk XIIIvan de Penitentiaire beginselenwet van toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 215 Artikel 7.3.5 1. De veroordeelde tot vrijheidsstraf die wegens een psychischestoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicapdaarvoor in aanmerking komt, kan worden geplaatst in een instelling voorde verpleging van terbeschikkinggestelden. In dat geval is artikel 7.4.1 vanovereenkomstige toepassing.2. Indien de veroordeelde tot vrijheidsstraf ook terbeschikkingstellingmet verpleging van overheidswege is opgelegd, wordt regelmatigbeoordeeld of de veroordeelde dient te worden geplaatst in een instellingvoor de verpleging van terbeschikkinggestelden. Indien de rechter eenadvies heeft gegeven als bedoeld in artikel 37b, tweede lid, van hetWetboek van Strafrecht, wordt dat advies betrokken bij de beoordeling.3. Onze Minister stelt de veroordeelde in kennis van de beslissing totplaatsing, de beslissing tot beëindiging van de plaatsing of de beslissingtot niet plaatsing in afwijking van het advies van de rechter, bedoeld inartikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.4. De plaatsing vindt plaats overeenkomstig de Wet forensische zorg.Artikel 7.3.6 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over het bepaalde in deze titel.2. De nadere regels die worden gesteld over strafonderbreking hebbenin ieder geval betrekking op de voorwaarden voor strafonderbreking, debevoegdheid tot en de wijze van verlening van strafonderbreking, en devoorwaarden die kunnen worden verbonden aan de strafonderbreking.3. De nadere regels die worden gesteld over de beoordelingen, bedoeldin artikel 7.3.5, tweede lid, hebben in ieder geval betrekking op defrequentie van de beoordelingen, op de te volgen procedure, waaronderde advisering door gedragsdeskundigen, en op de wijze waarop debeoordelingen plaatsvinden.TITEL 3.2 VOORWAARDELIJKE INVRIJHEIDSTELLING Artikel 7.3.7 1. De officier van justitie kan voorwaardelijke invrijheidstelling verlenen:a. aan de veroordeelde tot vrijheidsstraf van meer dan een jaar en tenhoogste twee jaar wanneer de vrijheidsbeneming ten minste een jaarheeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte vande straf een derde gedeelte is ondergaan;b. aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf van meer dan tweejaar wanneer twee derde gedeelte daarvan is ondergaan, met dienverstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstellingwordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaar.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:a. de rechter heeft bepaald dat een gedeelte van de vrijheidsstraf nietzal worden tenuitvoergelegd;b. de rechtbank heeft gelast dat de niet tenuitvoergelegde vrijheidsstrafof een gedeelte daarvan alsnog wordt tenuitvoergelegd;c. de veroordeelde een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf heeftin Nederland in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van deVreemdelingenwet 2000.3. Onder de straftijd wordt begrepen de tijd die door de veroordeelde inhet buitenland in verzekering, in voorlopige hechtenis of in detentie isdoorgebracht op grond van een Nederlands verzoek om overlevering ofuitlevering, tenzij die tijd met toepassing van artikel 2.5.24, derde lid,laatste zin, al in mindering is gebracht op een andere vrijheidsstraf die deveroordeelde heeft ondergaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 216 4. Bij de beslissing over het verlenen van voorwaardelijke invrijheid-stelling worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:a. de mate waarin en de wijze waarop de veroordeelde door zijn gedragheeft doen blijken van een bijzondere geschiktheid tot terugkeer in desamenleving;b. de mogelijkheden om eventuele aan de invrijheidstelling verbondenrisico’s te beperken en beheersen;c. de belangen van slachtoffers en andere relevante personen,waaronder de door de veroordeelde geleverde inspanningen om de doorhet strafbare feit veroorzaakte schade te vergoeden.5. De directeur van de inrichting en de reclasseringsinstelling adviserende officier van justitie over het al dan niet verlenen van voorwaardelijkeinvrijheidstelling en over de daarbij te stellen bijzondere voorwaarden.Artikel 7.3.8 1. Uiterlijk een maand voor het tijdstip, bedoeld in artikel 7.3.7, eerstelid, stelt de officier van justitie de veroordeelde in kennis van zijngemotiveerde beslissing over het al dan niet verlenen van voorwaardelijkeinvrijheidstelling. De beslissing kan ook inhouden dat een beslissing overhet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld metten hoogste zes maanden. De kennisgeving wordt betekend aan deveroordeelde.2. Indien geen voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, kan deveroordeelde na zes maanden verzoeken om alsnog voorwaardelijk invrijheid te worden gesteld. De officier van justitie beslist binnen tweemaanden na de ontvangst van het verzoek en stelt de veroordeelde inkennis van zijn gemotiveerde beslissing. De kennisgeving wordt betekendaan de veroordeelde. Indien alsnog voorwaardelijke invrijheidstellingwordt verleend, bepaalt de officier van justitie de dag van de voorwaarde-lijke invrijheidstelling. Indien na het verzoek opnieuw geen voorwaarde-lijke invrijheidstelling wordt verleend, zijn de vorige zinnen van overeen-komstige toepassing.Artikel 7.3.9 1. Voorwaardelijke invrijheidstelling vindt plaats onder de algemenevoorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd nietschuldig maakt aan een strafbaar feit.2. Bij de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen door de officier vanjustitie bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroor-deelde worden gesteld. De bijzondere voorwaarden kunnen inhouden:a. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaaldepersonen of instellingen;b. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaaldelocatie te bevinden of te vestigen;c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaaldeperiode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij eenbepaalde instantie;e. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en deverplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werkenaan bloedonderzoek of urineonderzoek;f. opneming in een zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, tenhoogste gelijk aan de proeftijd;g. een verplichting zich onder behandeling te stellen van eendeskundige of zorginstelling gedurende een bepaalde termijn, ten hoogstegelijk aan de proeftijd;h. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappe-lijke opvang gedurende een bepaalde termijn, ten hoogste gelijk aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 217 proeftijd;i. het deelnemen aan een gedragsinterventie;j. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;k. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;l. gehele of gedeeltelijke vergoeding van de door het strafbare feitveroorzaakte schade of het treffen van een regeling voor het betalen vande schadevergoeding in termijnen;m. de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied;n. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.3. De officier van justitie kan opdracht geven dat de reclassering toezichthoudt op de naleving van een bijzondere voorwaarde en de veroordeeldeten behoeve daarvan begeleidt.4. Indien een bijzondere voorwaarde is gesteld, is daaraan vanrechtswege de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde ten behoevevan het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan hetnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs alsbedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzageaanbiedt. In geval van reclasseringstoezicht geldt voorts van rechtswegede voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan hetreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbe-zoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolangals de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.5. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht wordenverbonden.6. De officier van justitie kan de bijzondere voorwaarden tussentijdswijzigen of opheffen. De officier van justitie stelt de veroordeelde inkennis van zijn gemotiveerde beslissing.Artikel 7.3.10 1. De proeftijd gaat in op de dag van de voorwaardelijke invrijheid-stelling. De proeftijd is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijkeinvrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar.2. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de proeftijdeenmaal met ten hoogste twee jaar verlengen.3. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de proeftijdtelkens met ten hoogste twee jaar verlengen indien ernstig rekeningermee wordt gehouden dat de veroordeelde die niet ter beschikking isgesteld en aan wie geen maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding ofvrijheidsbeperking is opgelegd opnieuw een misdrijf zal begaan waarvooreen maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperkingkan worden opgelegd, of indien dit noodzakelijk is ter voorkoming vanernstig belastend gedrag van die veroordeelde jegens slachtoffers ofgetuigen.4. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtenszijn vrijheid is ontnomen.Artikel 7.3.11 1. De officier van justitie herroept de voorwaardelijke invrijheidstellinggeheel of gedeeltelijk indien naar zijn oordeel een ernstig vermoedenbestaat dat de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft of niet heeftnageleefd.2. De officier van justitie herroept de voorwaardelijke invrijheidstellingook geheel of gedeeltelijk indien het gedrag van de veroordeelde zichheeft voorgedaan in de periode dat de proeftijd niet loopt.3. De officier van justitie herroept de voorwaardelijke invrijheidstellingindien de veroordeelde niet langer rechtmatig verblijf heeft in Nederlandin de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e of l, van de Vreemdelin-genwet 2000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 218 4. Indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 7.2.2,beslist de officier van justitie binnen drie dagen na de aanhouding. Deveroordeelde wordt niet in vrijheid gesteld zolang de officier van justitiegeen beslissing heeft genomen.5. De officier van justitie ziet slechts af van herroeping op grond van heteerste of tweede lid indien naar zijn oordeel kan worden volstaan met eenwaarschuwing of met het wijzigen van de bijzondere voorwaarden.6. Artikel 7.3.7, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.7. De officier van justitie stelt de veroordeelde in kennis van zijngemotiveerde beslissing. De kennisgeving wordt betekend aan deveroordeelde. De beslissing van de officier van justitie is dadelijkuitvoerbaar.Artikel 7.3.12 1. Indien de officier van justitie beslist tot herroeping van de voorwaar-delijke invrijheidstelling, gelast hij de verdere tenuitvoerlegging van devrijheidsstraf door opneming van de veroordeelde in een inrichting.2. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling gedeeltelijk is herroepen,wordt de veroordeelde opnieuw voorwaardelijk in vrijheid gesteld nadathet alsnog ten uitvoer te leggen gedeelte van de vrijheidsstraf isondergaan.3. Indien de officier van justitie niet beslist tot herroeping van devoorwaardelijke invrijheidstelling, wordt de voorwaardelijke invrijheid-stelling hervat.4. Indien de voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen nadat deveroordeelde is aangehouden, wordt de vrijheidsstraf geacht te zijn hervatop de dag van de aanhouding.Artikel 7.3.13 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelsgesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in iedergeval betrekking op de totstandkoming van de beslissing over het stellen,wijzigen of opheffen van bijzondere voorwaarden.TITEL 3.3 RECHTSMIDDELEN Artikel 7.3.14 1. De veroordeelde kan beroep instellen bij de Raad voor strafrechtstoe-passing en jeugdbescherming tegen de beslissing van Onze Minister tot:a. plaatsing in een instelling voor de verpleging vanterbeschikkinggestelden;b. beëindiging van de plaatsing in een instelling voor de verpleging vanterbeschikkinggestelden;c. niet plaatsing in een instelling voor de verpleging van terbeschikking-gestelden in afwijking van het advies van de rechter, bedoeld in artikel37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.2. Het beroep wordt ingesteld binnen een maand na de kennisgevingvan de beslissing.3. Hoofdstuk XVI van de Beginselenwet verpleging ter beschikkinggestelden is van overeenkomstige toepassing.Artikel 7.3.15 1. De veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbanktegen de beslissing van de officier van justitie tot:a. het niet verlenen van voorwaardelijke invrijheidstelling;b. het uitstellen van een beslissing over het verlenen van voorwaarde-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 219 lijke invrijheidstelling;c. herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen tweeweken na de betekening van de kennisgeving van de beslissing.3. Indien meerdere vrijheidsstraffen aaneensluitend worden tenuitvoer-gelegd, is tot kennisneming van het bezwaarschrift bevoegd de rechtbankdie in eerste aanleg heeft geoordeeld over het feit waarvoor de langsteonvoorwaardelijke vrijheidsstraf is opgelegd. Bij straffen van gelijkelengte zijn de rechtbanken gelijkelijk bevoegd.4. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats. Derechtbank beoordeelt of de officier van justitie bij de afweging van debetrokken belangen in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen.5. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk ofongegrond dan wel gegrond. Acht de rechtbank het bezwaarschriftgegrond, dan bepaalt zij het tijdstip waarop de veroordeelde voorwaar-delijk in vrijheid wordt gesteld of de voorwaardelijke invrijheidstellingwordt hervat. De rechtbank kan daarbij adviseren over de te stellenbijzondere voorwaarden.HOOFDSTUK 4 TERBESCHIKKINGSTELLING TITEL 4.1 ALGEMEEN Artikel 7.4.1 1. Onze Minister ziet erop toe dat de terbeschikkinggestelde die vanoverheidswege wordt verpleegd de nodige behandeling krijgt, deveiligheid van de samenleving in acht wordt genomen en de belangenvan het slachtoffer worden gediend.2. Onze Minister kan met betrekking tot bepaalde terbeschikkingge-stelden aan het hoofd van de instelling bijzondere aanwijzingen geven inhet belang van de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid vanpersonen of goederen, of in het belang van het slachtoffer.Artikel 7.4.2 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels wordengesteld over het bepaalde in dit hoofdstuk. De nadere regels hebben inieder geval betrekking op de procedure van verlenging van de terbeschik-kingstelling en op de procedure van de voorwaardelijke beëindiging vande verpleging van overheidswege.TITEL 4.2 VERLENGING EN WIJZIGING VAN DE TERBESCHIKKING-STELLING Artikel 7.4.3 1. De rechtbank beslist over een vordering tot verlenging van deterbeschikkingstelling.2. De officier van justitie dient de vordering tot verlenging in niet eerderdan twee maanden en niet later dan een maand vóór het tijdstip waaropde terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen.3. Indien de officier van justitie binnen vier maanden voor het tijdstipwaarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloop zal eindigen, eenvordering indient die strekt tot het alsnog van overheidswege verplegenvan de terbeschikkinggestelde dan wel tot de hervatting van de verplegingvan overheidswege, kan de vordering tot verlenging gelijktijdig met dievordering worden ingediend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 220 4. Een vordering tot verlenging die niet is ingediend met inachtnemingvan het tweede of derde lid, is niettemin ontvankelijk indien zij binnen eenredelijke termijn is ingediend en bijzondere omstandigheden aanwezigzijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheidvan personen of goederen, ondanks het belang van de terbeschikkingge-stelde, verlenging van de terbeschikkingstelling eist.5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, dient de officier van justitie,wanneer van het verzuim is gebleken na het tijdstip waarop de terbeschik-kingstelling door tijdsverloop is geëindigd, naast de vordering totverlenging bij de rechtbank, direct een vordering tot voorlopige voort-zetting van de terbeschikkingstelling in bij de rechter-commissaris.6. Zolang niet onherroepelijk op de vordering tot verlenging is beslist,blijft de terbeschikkingstelling van kracht. Indien de vordering wordttoegewezen na de dag waarop de terbeschikkingstelling door tijdsverloopzou zijn geëindigd indien geen vordering was ingediend, gaat de nieuwetermijn niettemin op die dag in.Artikel 7.4.4 1. Indien de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordtverpleegd, worden bij de vordering tot verlenging overgelegd:a. een recent opgemaakt, gemotiveerd en ondertekend advies van hethoofd of de directeur van de instelling;b. een kopie van de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijkegesteldheid van de terbeschikkinggestelde.2. Indien de terbeschikkinggestelde niet van overheidswege wordtverpleegd, wordt bij de vordering overgelegd een recent opgemaakt,gemotiveerd, gedagtekend en ondertekend advies van de reclassering envan een psychiater of een psycholoog, die zelf de terbeschikkinggesteldeheeft onderzocht.3. Indien de officier van justitie een verlenging vordert waardoor detotale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging vanoverheidswege een periode van vier jaar of van een veelvoud van vier jaarte boven gaat, wordt bij de vordering ook overgelegd een recentopgemaakt gezamenlijk advies van twee gedragsdeskundigen vanverschillende disciplines, waaronder een psychiater, dan wel adviezen vanieder van hen afzonderlijk. De gedragsdeskundigen mogen bij hetuitbrengen van het advies en ten tijde van het onderzoek dat zij daarvoorverrichten niet verbonden zijn aan de instelling waar de terbeschikkingge-stelde wordt verpleegd. Het voorgaande vindt geen toepassing indien deterbeschikkinggestelde weigert medewerking te verlenen aan hetonderzoek. Voor zover mogelijk maken de gedragsdeskundigengezamenlijk dan wel ieder van hen afzonderlijk rapport op over de redenvan de weigering. Zo mogelijk wordt door de officier van justitie eenander advies of rapport overgelegd over de wenselijkheid of noodzake-lijkheid van een verlenging van de terbeschikkingstelling, aan detotstandkoming waarvan de terbeschikkinggestelde wel bereid ismedewerking te verlenen.4. In het geval, bedoeld in het derde lid, kan Onze Minister opdrachtgeven dat de terbeschikkinggestelde voor ten hoogste zeven weken terobservatie wordt overgebracht naar een accommodatie, bedoeld in artikel90sexies van het Wetboek van Strafrecht, of een instelling voor klinischeobservatie. Het verblijf in de accommodatie of instelling geldt alsverpleging van overheidswege. De opdracht wordt niet gegeven dannadat de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman ter zake zijn gehoord,althans daartoe in de gelegenheid zijn gesteld. Artikel 1.4.8 is vanovereenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 221 5. Indien de vordering wordt ingediend binnen twee maanden na debeslissing in hoger beroep waarbij de terbeschikkingstelling met een jaaris verlengd, hoeft geen advies als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, teworden overgelegd.Artikel 7.4.5 1. De rechtbank kan de verpleging van overheidswege voorwaardelijkbeëindigen bij de verlenging van de terbeschikkingstelling.2. De rechtbank kan de verpleging van overheidswege ook voorwaar-delijk beëindigen indien het proefverlof van een terbeschikkinggesteldeten minste een jaar onafgebroken heeft voortgeduurd, zonder dat in dezeperiode de terbeschikkingstelling is verlengd.3. De rechtbank stelt ter bescherming van de veiligheid van anderen danwel de algemene veiligheid van personen en goederen voorwaardenbetreffende het gedrag van de terbeschikkinggestelde. De artikelen 38,eerste, tweede en vijfde lid, en 38a van het Wetboek van Strafrecht zijnvan overeenkomstige toepassing.Artikel 7.4.6 1. De rechtbank wijst een vordering tot verlenging van de terbeschik-kingstelling met verpleging van overheidswege niet af dan nadat deverpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaar-delijk beëindigd is geweest.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:a. de terbeschikkingstelling niet is opgelegd voor een misdrijf alsbedoeld in artikel 38e, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en detotale duur van de terbeschikkingstelling door toewijzing van de vorderingmeer dan vier jaar zou belopen;b. de rechtbank de terbeschikkingstelling beëindigt op grond van artikel7.4.11; ofc. de rechtbank toepassing geeft aan artikel 2.3 van de Wet forensischezorg.Artikel 7.4.7 1. De rechtbank kan beslissen tot het wijzigen, aanvullen of opheffenvan de voorwaarden die zijn verbonden aan de terbeschikkingstelling ofaan de voorwaardelijke beëindiging van de verpleging vanoverheidswege. De rechtbank kan ook beslissen tot het wijzigen van deopdracht, bedoeld in artikel 38, tweede lid, van het Wetboek van Straf-recht.2. De rechtbank kan bevelen tot het alsnog van overheidswegeverplegen van de terbeschikkinggestelde indien een aan de terbeschik-kingstelling verbonden voorwaarde niet is nageleefd of indien het belangvan de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid vanpersonen of goederen dat om andere redenen eist.3. De rechtbank kan bevelen tot hervatting van de verpleging vanoverheidswege indien een aan de voorwaardelijke beëindiging van deverpleging van overheidswege verbonden voorwaarde niet is nageleefd ofindien het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemeneveiligheid van personen of goederen dat om andere redenen eist.4. Indien de rechtbank een bevel tot het alsnog van overheidswegeverplegen of een bevel tot hervatting van de verpleging vanoverheidswege overweegt, kan zij bevelen dat de terbeschikkinggesteldeter observatie zal worden overgebracht naar een accommodatie, bedoeldin artikel 90sexies van het Wetboek van Strafrecht, of een instelling voorklinische observatie. Artikel 4.2.53, derde en vijfde lid, is van overeenkom-stige toepassing. Indien de terbeschikkinggestelde geen bekendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 222 verblijfplaats heeft of zich buiten Nederland ophoudt, wordt de termijnvan de terbeschikkingstelling geschorst totdat het bevel kan wordentenuitvoergelegd.5. De officier van justitie kan de aanhouding bevelen van de terbeschik-kinggestelde indien de rechtbank een bevel geeft als bedoeld in hettweede, derde of vierde lid. Artikel 7.2.2, tweede lid, is van toepassing. Nade aanhouding wordt de terbeschikkinggestelde direct overgebracht naareen door Onze Minister aangewezen accommodatie of instelling.Artikel 7.4.8 1. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats. Hetonderzoek vindt in ieder geval plaats binnen een maand na ontvangst vande vordering indien wordt beslist op een vordering tot het alsnog vanoverheidswege verplegen of een vordering tot hervatting van deverpleging van overheidswege. Het onderzoek vindt in ieder geval plaatsbinnen twee maanden na ontvangst van de vordering of de conclusie vande officier van justitie indien wordt beslist op een vordering tot verlengingvan de terbeschikkingstelling dan wel een vordering of verzoek tottoepassing van artikel 7.4.5, tweede lid, of artikel 7.4.7, eerste lid.2. De rechtbank kan bepalen dat het inzien van geneeskundige enpsychologische rapporten de terbeschikkinggestelde persoonlijk niet istoegestaan indien zij ernstig gevaar vreest voor de geestelijke gezondheidvan de terbeschikkinggestelde. De terbeschikkinggestelde kan een arts ofadvocaat, dan wel iemand die van de rechtbank bijzondere toestemmingheeft verkregen, machtigen de rapporten in te zien.3. In aanvulling op artikel 1.2.18, tweede lid, wordt de terbeschikkingge-stelde op zijn verblijfplaats gehoord indien de terbeschikkinggesteldeaangeeft niet te kunnen verschijnen op de zitting. Indien de terbeschik-kinggestelde zich ophoudt in een ander arrondissement, kan de rechtbankhet horen overdragen aan de rechtbank of de rechter-commissaris in datarrondissement.4. Indien de rechtbank voorwaardelijke beëindiging van de verplegingvan overheidswege of toepassing van artikel 2.3 van de Wet forensischezorg overweegt, en zij het voor de vorming van haar oordeel noodzakelijkacht zich nader te doen voorlichten over de wijze waarop en devoorwaarden waaronder de terugkeer van de terbeschikkinggestelde inhet maatschappelijk verkeer zou kunnen plaatsvinden, kan zij haarbeslissing voor ten hoogste drie maanden aanhouden.5. Indien de rechtbank voorwaardelijke beëindiging van de verplegingvan overheidswege of een aanvulling, wijziging of opheffing van devoorwaarden overweegt, wordt het slachtoffer, bedoeld in artikel 1.5.8,tweede lid, in de gelegenheid gesteld een verklaring af te leggen voorzover de voorwaarden inhoudelijk worden besproken tijdens hetonderzoek op de zitting. De verklaring heeft uitsluitend betrekking op devoorwaarden die direct de belangen van het slachtoffer raken. Deverklaring kan ook worden afgelegd door de personen, bedoeld in artikel1.5.8, derde tot en met zesde lid.6. Indien de rechtbank de vordering tot het alsnog van overheidswegeverplegen of de vordering tot hervatting van de verpleging vanoverheidswege afwijst, beveelt zij de invrijheidstelling van de terbeschik-kinggestelde die voorlopig van overheidswege wordt verpleegd.7. Het bevel tot het alsnog van overheidswege verplegen en het beveltot hervatting van de verpleging van overheidswege zijn dadelijkuitvoerbaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 223 TITEL 4.3 BEËINDIGING VAN DE TERBESCHIKKINGSTELLING Artikel 7.4.9 Een terbeschikkingstelling vervalt van rechtswege bij het onherroepelijkworden van:a. een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon opnieuw terbeschikking wordt gesteld;b. de afwijzing van een vordering tot herleving van de terbeschikking-stelling.Artikel 7.4.10 1. Onze Minister kan de terbeschikkingstelling beëindigen ten aanzienvan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft in dezin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000. Onze Minister kan terzake advies vragen aan de officier van justitie.2. Beëindiging kan slechts plaatsvinden ten aanzien van een vreem-deling voor wie een passende voorziening in het land van herkomst isgeregeld, gericht op in ieder geval vermindering van de stoornis en hetdaarmee samenhangende recidivegevaar.3. De beëindiging gaat in op het moment dat de vreemdeling Nederlanddaadwerkelijk is uitgezet. Aan de beëindiging wordt de voorwaardeverbonden dat de vreemdeling niet naar Nederland terugkeert.4. Indien Onze Minister voornemens is de terbeschikkingstelling tebeëindigen, stelt hij de terbeschikkinggestelde van dit voornemen inkennis. Bij de kennisgeving voegt Onze Minister, in voorkomendegevallen, het advies van de officier van justitie.Artikel 7.4.11 1. De rechtbank kan de terbeschikkingstelling beëindigen ten aanzienvan een vreemdeling die geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft in dezin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000.2. Artikel 7.4.10, tweede en derde lid, is van toepassing.Artikel 7.4.12 1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie bevelen datde terbeschikkingstelling herleeft indien de vreemdeling zich niet houdtaan de voorwaarde niet naar Nederland terug te keren.2. Indien tussen de datum van uitzetting en de datum van indiening vande vordering een periode van drie jaar of meer is gelegen, is artikel 7.4.4,derde en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.3. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats, en inieder geval binnen een maand na ontvangst van de vordering. Artikel7.4.8, tweede en derde lid, is van toepassing.4. Bij het bevel tot herleving van een terbeschikkingstelling metverpleging van overheidswege kan de rechtbank de verpleging vanoverheidswege voorwaardelijk beëindigen. De artikelen 7.4.5, derde lid, en7.4.8, vijfde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.5. Bij het bevel tot herleving van een terbeschikkingstelling ondervoorwaarden of een terbeschikkingstelling met voorwaardelijke beëin-diging van de verpleging van overheidswege kan de rechtbank degestelde voorwaarden wijzigen, aanvullen of opheffen. Artikel 7.4.8, vijfdelid, is van overeenkomstige toepassing.6. De rechtbank kan bevelen tot het alsnog van overheidswegeverplegen of tot hervatting van de verpleging van overheidswege.7. De termijn van de terbeschikkingstelling wordt geacht te zijn gaanlopen op het tijdstip waarop de vreemdeling is aangehouden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 224 TITEL 4.4 RECHTSMIDDELEN Artikel 7.4.13 1. De officier van justitie en de terbeschikkinggestelde kunnen hogerberoep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen debeslissing van de rechtbank over:a. verlenging of herleving van de terbeschikkingstelling;b. voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege;c. het alsnog van overheidswege verplegen;d. hervatting van de verpleging van overheidswege.2. De officier van justitie kan hoger beroep instellen binnen twee wekenna de beslissing. De terbeschikkinggestelde kan hoger beroep instellenbinnen twee weken na de betekening van de beslissing of, indien geenbetekening hoeft plaats te vinden, binnen twee weken na de beslissing.3. Het gerechtshof kan zonder onderzoek op de zitting beslissen indienhet, na kennisneming van de stukken van het geding, van oordeel is dathet hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.4. De voorzitter kan, zolang niet op het hoger beroep is beslist, deverpleging van overheidswege voorlopig beëindigen indien de vorderingtot verlenging van de terbeschikkingstelling is afgewezen door derechtbank.5. Artikel 7.4.8, tweede tot en met vijfde lid, is van overeenkomstigetoepassing.6. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. Het verklaart het hogerberoep niet-ontvankelijk of ongegrond dan wel gegrond. In het laatstegeval beveelt het gerechtshof wat volgens de wet behoort plaats tevinden.Artikel 7.4.14 1. De terbeschikkinggestelde kan een bezwaarschrift indienen bij derechtbank tegen het voornemen van Onze Minister tot beëindiging van deterbeschikkingstelling.2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen tweeweken na de kennisgeving van het voornemen. Bij de toepassing vanartikel 5.2.1, tweede lid, wordt onder het openbaar ministerie verstaanOnze Minister.3. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats. Derechtbank beoordeelt of Onze Minister bij de afweging van de betrokkenbelangen in redelijkheid tot de voorgenomen beslissing heeft kunnenkomen.4. Bij de toepassing van Boek 1, Titel 2.3, wordt in de artikelen 1.2.15,1.2.16, 1.2.17, 1.2.18, 1.2.20, 1.2.21 en 1.2.24 onder het openbaar minis-terie verstaan Onze Minister.5. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk ofongegrond dan wel gegrond. De beslissing van de rechtbank wordt aande terbeschikkinggestelde betekend.HOOFDSTUK 5 GELDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN TITEL 5.1 GELDBOETE EN SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL Artikel 7.5.1 1. Onze Minister brengt administratiekosten in rekening bij de inningvan een geldboete.2. Onze Minister bepaalt de dag of, in geval van toepassing van artikel24a van het Wetboek van Strafrecht, de dagen waarop de betaling uiterlijkmoet plaatsvinden van een geldboete of een schadevergoedingsmaat-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 225 regel en de administratiekosten. Onze Minister stelt de veroordeeldehiervan tijdig in kennis. De kennisgeving kan achterwege blijven indien inde strafbeschikking is vermeld op welke dag of dagen de betaling uiterlijkmoet plaatsvinden.3. Onze Minister kan uitstel van betaling verlenen en betaling intermijnen toestaan. Indien artikel 24a van het Wetboek van Strafrecht istoegepast, kan Onze Minister een voor de veroordeelde gunstigereregeling van de betaling toestaan.4. Indien de veroordeelde de regeling van de betaling niet nakomt,vervalt de regeling en wordt het bedrag dat in termijnen of gedeeltenmocht worden betaald onmiddellijk in zijn geheel opeisbaar.Artikel 7.5.2 1. Onze Minister maant de veroordeelde aan tot betaling indien hetbedrag van de geldboete of de schadevergoedingsmaatregel en deadministratiekosten niet in zijn geheel is voldaan binnen de daarvoorbepaalde termijn. Op de aanmaning is artikel 1.9.1, tweede lid, vantoepassing. Bij de aanmaning wordt het bedrag van rechtswege verhoogdmet € 20, tenzij de strafrechtelijke beslissing niet onherroepelijk is. OnzeMinister wijst de veroordeelde op het bepaalde in het tweede lid.2. Indien het verhoogde bedrag na verloop van de bij de aanmaningbepaalde termijn niet in zijn geheel is voldaan, wordt het bedrag, dan welhet nog verschuldigde gedeelte, van rechtswege verder verhoogd met eenvijfde, en ten minste met € 40.3. Indien de veroordeelde niet verwijtbaar in verzuim was en OnzeMinister alsnog uitstel van betaling verleent of betaling in termijnentoestaat, vinden het eerste en tweede lid geen toepassing zolang deveroordeelde de getroffen regeling van de betaling nakomt.4. Betalingen door de veroordeelde aan de Staat gedaan met betrekkingtot een schadevergoedingsmaatregel worden geacht in de eerste plaats testrekken tot voldoening van de hoofdsom en vervolgens tot voldoeningvan de ingetreden verhogingen. De verhogingen vervallen aan de Staat.5. Betalingen door de veroordeelde aan de Staat gedaan met betrekkingtot een geldboete worden geacht in de eerste plaats te strekken totvoldoening van de administratiekosten, vervolgens tot voldoening van deingetreden verhogingen, en ten slotte tot voldoening van de hoofdsom.Artikel 7.5.3 Indien de veroordeelde tot een schadevergoedingsmaatregel niet of nietvolledig heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling binnen achtmaanden na de dag waarop het vonnis of arrest onherroepelijk isgeworden, keert de Staat het resterende bedrag van de schadevergoe-dingsmaatregel uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is, of aande personen genoemd in artikel 1.5.10, tweede lid. De Staat verhaalt hetuitgekeerde bedrag en de ingetreden verhogingen op de veroordeelde.Artikel 7.5.4 1. Bij gebreke van volledige betaling binnen de daarvoor bepaaldetermijn wordt het verschuldigde bedrag, vermeerderd met de verho-gingen en de administratiekosten, na voorafgaande waarschuwingverhaald op de voorwerpen van de veroordeelde. Op de waarschuwing isartikel 1.9.1, tweede lid, van toepassing. In verband met het verhaal kanwoonplaats worden gekozen bij Onze Minister.2. Onze Minister kan afzien van het nemen van verhaal.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 226 3. Degene ten laste van wie verhaal plaatsvindt is de kosten daarvanverschuldigd, ook indien de strafrechtelijke beslissing wordt vernietigd nahet instellen van een gewoon rechtsmiddel. Onder de kosten van verhaalzijn begrepen de invorderingskosten.4. De kosten van verhaal op grond van de artikelen 7.5.6 en 7.5.7worden op gelijke voet als de geldboete onderscheidenlijk de schadever-goedingsmaatregel verhaald op de veroordeelde.Artikel 7.5.5 1. Op voorwerpen die zijn inbeslaggenomen op grond van artikel 2.7.19vindt verhaal plaats op de wijze die is voorzien in het Wetboek vanBurgerlijke Rechtsvordering, op grond van de onherroepelijke strafrechte-lijke beslissing waarbij de geldboete of de schadevergoedingsmaatregel isopgelegd.2. De strafrechtelijke beslissing geldt als de titel, bedoeld in artikel 704,eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Betekeningvan deze titel aan de veroordeelde en, indien het beslag onder een derdeis gelegd, aan de derde, kan plaatsvinden door betekening van eenkennisgeving van de opgelegde straf of maatregel, voor zover van belangvoor het nemen van verhaal.Artikel 7.5.6 1. Op voorwerpen van de veroordeelde die niet zijn inbeslaggenomenop grond van artikel 2.7.19 vindt verhaal plaats op grond van eendwangbevel. Het dwangbevel geeft het recht die goederen aan te tastenzonder vonnis van de burgerlijke rechter. Verhaal kan ook wordengenomen op voorwerpen als bedoeld in artikel 2.7.19, vierde en vijfde lid,die niet al zijn inbeslaggenomen voor het onherroepelijk worden van destrafrechtelijke beslissing.2. Het dwangbevel wordt in naam van de Koning uitgevaardigd doorOnze Minister. Het wordt tenuitvoergelegd als een vonnis van deburgerlijke rechter.3. De ambtenaar, bedoeld in artikel 1.10.5, eerste lid, kan in afwachtingvan de komst van de deurwaarder de maatregelen nemen die redelij-kerwijs nodig zijn om voor verhaal vatbare voorwerpen veilig te stellen.Deze maatregelen kunnen de vrijheid beperken van personen die zich terplaatse bevinden.Artikel 7.5.7 1. Verhaal kan zonder dwangbevel worden genomen op:a. inkomsten in geld uit arbeid van de veroordeelde;b. pensioenen, wachtgelden en andere uitkeringen waarop de veroor-deelde aanspraak heeft;c. het tegoed van een rekening bij een bank als bedoeld in artikel 1:1van de Wet op het financieel toezicht, waarover de veroordeelde te eigenbate mag beschikken, alsmede, indien de bank en de veroordeelde insamenhang met die rekening een overeenkomst inzake krediet zijnaangegaan, op het op grond van die overeenkomst verstrekte krediet.2. Verhaal zonder dwangbevel kan niet worden genomen als deveroordeelde valt onder de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen,bedoeld in Titel III van de Faillissementswet.3. Verhaal zonder dwangbevel vindt plaats door middel van eenkennisgeving van Onze Minister aan degene onder wie verhaal wordtgenomen. De kennisgeving bevat een aanduiding van de veroordeelde envermeldt welk bedrag nog verschuldigd is, bij welke strafrechtelijkebeslissing de geldboete of de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd,alsmede de plaats waar de betaling moet plaatsvinden. De kennisgevingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 227 wordt overgedragen aan degene onder wie verhaal wordt genomen.Daarna wordt zij, nadat met het verhaal een aanvang is genomen,overgedragen aan de veroordeelde.4. Door de overdracht van de kennisgeving is degene onder wie verhaalwordt genomen verplicht tot betaling aan de Staat van het in de kennis-geving bedoelde bedrag, voor zover de veroordeelde op hem eenopeisbare vordering heeft of verkrijgt. Onze Minister bepaalt de termijnwaarbinnen de betaling moet plaatsvinden. De verplichting tot betalingvervalt zodra het verschuldigde bedrag is betaald of verhaald en uiterlijkwanneer twee jaar is verstreken na de dag van de overdracht van dekennisgeving.5. Degene onder wie verhaal wordt genomen kan zich niet ten nadelevan de Staat beroepen op het tenietgaan of de vermindering van zijnschuld door betaling of door verrekening met een tegenvordering dan inde gevallen waarin hij daartoe ook bevoegd zou zijn geweest bij een ophet tijdstip van de betekening overeenkomstig het Wetboek van Burger-lijke Rechtsvordering gelegd beslag onder derden. Indien een andereschuldeiser beslag heeft gelegd op de vordering waarop verhaal wordtgenomen, is artikel 478 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvorderingvan overeenkomstige toepassing. Het verhaal wordt gelijkgesteld met eenbeslag onder derden voor de toepassing van de artikelen 33 en 301 van deFaillissementswet.6. Indien verhaal is genomen op vordering van de veroordeelde totperiodieke betalingen als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b, zijnde artikelen 475a tot en met 475g van het Wetboek van BurgerlijkeRechtsvordering van overeenkomstige toepassing.Artikel 7.5.8 1. Indien bij een geldboete volledig verhaal onmogelijk is gebleken ofdaarvan is afgezien, wordt de in het vonnis of arrest bepaalde vervan-gende hechtenis tenuitvoergelegd, na voorafgaande waarschuwing. Opde waarschuwing is artikel 1.9.1, tweede lid, van toepassing.2. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis vindt niet eerderplaats dan twee weken na de dag van de waarschuwing, tenzij deveroordeelde geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland heeft.3. Indien een gedeelte van het verschuldigde bedrag is voldaan ofverhaald, vermindert de duur van de vervangende hechtenis naarevenredigheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeeltevan een dag vervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, danvindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.4. Het derde lid is ook van toepassing indien de betaling plaatsvindtnadat al een deel van de vervangende hechtenis is tenuitvoergelegd.Artikel 7.5.9 Onze Minister kan de tenuitvoerlegging beëindigen van een in eenvonnis of arrest opgelegde geldboete waarvoor geen gratie kan wordenverleend indien hij van oordeel is dat met de voortzetting van detenuitvoerlegging geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel inredelijkheid wordt gediend. Onze Minister stelt de veroordeelde in kennisvan de beëindiging.Artikel 7.5.10 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de tenuitvoerlegging van een geldboete of eenschadevergoedingsmaatregel. De nadere regels hebben in ieder gevalbetrekking op de administratiekosten, de plaats en wijze van betaling, deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 228 termijn waarbinnen de betaling moet plaatsvinden, de verantwoordingvan de ontvangen geldbedragen en op de kosten van verhaal.2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan deuitkering, bedoeld in artikel 7.5.3, een bovengrens van € 5.000 of hogerwordt gesteld. Deze bovengrens wordt niet gesteld aan de uitkering aanslachtoffers van een bij die algemene maatregel van bestuur aangewezenmisdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantast-baarheid van het lichaam van een of meer personen of van een daarbijaangewezen zedenmisdrijf.TITEL 5.2 ONTNEMINGSMAATREGEL EN ONTNEMINGSSCHIKKING Artikel 7.5.11 Op de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel zijn de artikelen7.5.1, tweede tot en met vierde lid, en 7.5.4 tot en met 7.5.7 van overeen-komstige toepassing.Artikel 7.5.12 1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie of opverzoek van de veroordeelde of een benadeelde derde het bedrag van deontnemingsmaatregel verminderen of kwijtschelden.2. De vordering of het verzoek wordt gedaan binnen drie jaar na de dagwaarop het bedrag, of het laatste gedeelte daarvan, is betaald of verhaald.3. De rechtbank kan zonder onderzoek op de zitting beslissen indien eentweede of volgend verzoek van de veroordeelde onderscheidenlijk debenadeelde derde kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.4. De rechtbank kan bevelen dat de ontnemingsmaatregel niet wordttenuitvoergelegd zolang zij niet heeft beslist op de vordering of hetverzoek.5. Indien de rechtbank de vordering of het verzoek gegrond acht,vermindert de rechtbank het bedrag van de ontnemingsmaatregel ofscheldt zij het bedrag kwijt. Indien het bedrag al is betaald of verhaald,kan de rechtbank bevelen dat het bedrag geheel of gedeeltelijk wordtteruggegeven, of wordt uitgekeerd aan een door haar aangewezen derde.Indien blijkt dat een hoger bedrag is vastgesteld dan de som van hetwerkelijke voordeel, strekt het bevel van de rechtbank tot vermindering ofteruggave, ten minste gelijk aan het verschil. Het bevel van de rechtbanklaat ieders recht op het teruggegeven of uitgekeerde bedrag onverlet.Artikel 7.5.13 Indien na voldoening aan de termen van de ontnemingsschikking,bedoeld in artikel 4.4.24, blijkt van omstandigheden die de oplegging vaneen ontnemingsmaatregel zouden hebben uitgesloten, kan de gewezenverdachte de officier van justitie verzoeken om teruggave van betaaldegeldbedragen of overgedragen voorwerpen. Artikel 7.5.12, tweede lid, isvan overeenkomstige toepassing.Artikel 7.5.14 Indien na voldoening van een bedrag of na overdracht van voorwerpenals bedoeld in artikel 3.3.1, derde lid, onderdeel c, of artikel 4.4.24 blijkt datdit een hogere waarde vertegenwoordigt dan de som van het werkelijkevoordeel verkregen door middel van of uit de baten van het strafbare feitof soortgelijke feiten, kan de gewezen verdachte of de veroordeelde OnzeMinister verzoeken om teruggave van een geldbedrag gelijk aan hetverschil. Artikel 7.5.12, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 229 Artikel 7.5.15 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsworden gesteld over het bepaalde in deze titel.TITEL 5.3 VERMOGENSONDERZOEK Artikel 7.5.16 1. Bij gebreke van volledige betaling van een geldboete, een schadever-goedingsmaatregel of een ontnemingsmaatregel binnen de daarvoorbepaalde termijn kan de officier van justitie bevelen tot het instellen vaneen onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde.2. Het onderzoek is gericht op de vaststelling van de omvang van hetvermogen van de veroordeelde waarop verhaal kan worden genomen.3. Het bevel kan worden gegeven indien de hoogte van de resterendebetalingsverplichting van aanzienlijk belang is en aanwijzingen bestaandat aan de veroordeelde voorwerpen toebehoren waarop verhaal kanworden genomen.4. Het bevel geldt voor ten hoogste zes maanden. De officier van justitiekan het bevel telkens met ten hoogste zes maanden verlengen. Het bevelgeldt in geen geval langer dan twee jaar.5. De officier van justitie kan het onderzoek onderbreken en hervatten.De onderbreking schorst de geldigheidsduur van het bevel.Artikel 7.5.17 1. In het belang van het onderzoek naar het vermogen kan uitoefeningworden gegeven aan de bevoegdheden in de artikelen 2.7.46, 2.7.47,2.7.49, 2.7.52, 2.8.7, 2.8.9, 2.8.13, 6.5.9, 8.2.6 en 8.2.7, met dien verstandedat:a. de in de desbetreffende artikelen gestelde criteria ten aanzien van deverdenking geen toepassing vinden;b. een bevoegdheid die op grond van het desbetreffende artikel alleenkan worden uitgeoefend na een machtiging van de rechter-commissaris,slechts wordt uitgeoefend na een zodanige machtiging;c. een bevel medewerking te verlenen aan het verkrijgen van toegangtot versleutelde gegevens niet wordt gericht tot de veroordeelde.2. Indien de in het eerste lid genoemde artikelen de desbetreffendebevoegdheid toekennen aan een opsporingsambtenaar, komt diebevoegdheid toe aan een ambtenaar, genoemd in artikel 1.10.8, eerste lid.De officier van justitie kan de ambtenaar bevelen geven met betrekking totde uitoefening van de bevoegdheid.Artikel 7.5.18 In geval van een onderzoek naar het vermogen van de veroordeelde kande officier van justitie vorderen dat de rechter-commissaris een plaatsdoorzoekt met het oog op het veiligstellen van voorwerpen op de wijze,bedoeld in artikel 7.5.6, derde lid. De rechter-commissaris kan zich daarbijdoen vergezellen van bepaalde door hem aangewezen personen.Artikel 7.5.19 1. De officier van justitie sluit het onderzoek naar het vermogen van deveroordeelde indien hij van oordeel is dat het onderzoek is voltooid of datvoor voortzetting daarvan geen grond bestaat. De beslissing wordt aan deveroordeelde betekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 230 2. Het onderzoek eindigt voorts indien de geldigheidsduur van hetdaartoe strekkende bevel is verstreken of indien de veroordeelde hetverschuldigde bedrag alsnog volledig voldoet.3. De artikelen 2.7.51 en 2.8.2 zijn van overeenkomstige toepassing.4. De officier van justitie stelt Onze Minister in kennis van de uitkomstenvan het onderzoek.TITEL 5.4 GIJZELING Artikel 7.5.20 1. De officier van justitie beslist over de toepassing van het dwang-middel gijzeling indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt bij detenuitvoerlegging van een bij vonnis of arrest opgelegde schadevergoe-dingsmaatregel.2. De officier van justitie bepaalt de duur van de gijzeling, die ten minsteéén dag beloopt. De officier van justitie neemt daarbij in acht wat isbepaald bij de oplegging van de maatregel. Voorts houdt de officier vanjustitie rekening met gedeeltelijke betalingen die door de veroordeeldezijn verricht en met al genomen verhaal.3. Gijzeling wordt niet toegepast indien de veroordeelde aannemelijkmaakt dat hij buiten staat is te voldoen aan de verplichting tot betaling.4. De gijzeling eindigt indien de veroordeelde het verschuldigde bedragalsnog volledig voldoet. De gijzeling kan te allen tijde worden beëindigddoor Onze Minister.5. De toepassing van gijzeling heft de verschuldigdheid niet op.Artikel 7.5.21 1. De rechtbank kan, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt, deofficier van justitie op zijn vordering machtigen te beslissen dat hetdwangmiddel gijzeling wordt toegepast bij de tenuitvoerlegging van:a. een in een strafbeschikking opgelegde geldboete;b. een ontnemingsmaatregel.2. In het geval van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete isbevoegd over de vordering te oordelen de rechtbank in het rechtsgebiedvan het adres van de veroordeelde. Als adres wordt aangemerkt het in debasisregistratie personen vermelde adres. Indien de veroordeelde niet alsingezetene staat ingeschreven in de basisregistratie personen, is derechtbank Noord-Nederland bevoegd.3. In het geval van een in een strafbeschikking opgelegde geldboetewordt de vordering ingediend bij de kantonrechter.4. Indien de veroordeelde bekend is met de strafbeschikking, wordt deoproeping in afwijking van artikel 7.1.22, derde lid, toegezonden aan het inde basisregistratie personen vermelde adres. Indien de veroordeelde nietstaat ingeschreven in de basisregistratie personen en geen adres heeftopgegeven bij het indienen van een bezwaarschrift tegen verhaalovereenkomstig de artikelen 7.5.23 en 7.5.26, vindt de oproeping plaats inde Staatscourant.5. De rechtbank bepaalt de duur van de gijzeling, die ten minste één dagbeloopt. In geval van een in een strafbeschikking opgelegde geldboete isde duur ten hoogste een week per strafbaar feit. In geval van eenontnemingsmaatregel is de duur ten hoogste wat is bepaald bij hetopleggen van de ontnemingsmaatregel. Voor elke volle € 25 van hetverschuldigde bedrag wordt niet meer dan één dag gijzeling bepaald.Voorts houdt de rechtbank rekening met gedeeltelijke betalingen die doorde veroordeelde zijn verricht en met al genomen verhaal.6. Artikel 7.5.20, derde tot en met vijfde lid, is van toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 231 TITEL 5.5 VERREKENING Artikel 7.5.22 Onze Minister kan een aan een verdachte, gewezen verdachte ofveroordeelde uit te keren bedrag verrekenen met verschuldigdegeldsommen, tot betaling waarvan de verdachte, gewezen verdachte ofveroordeelde is verplicht op grond van een onherroepelijke strafrechte-lijke beslissing, een en ander voor zover nog niet voldaan. Onze Ministerstelt de verdachte, gewezen verdachte of veroordeelde in kennis van deverrekening.TITEL 5.6 RECHTSMIDDELEN Artikel 7.5.23 1. De veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbanktegen een dwangbevel tot verhaal.2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen tweeweken na de betekening van het dwangbevel. Indien het dwangbevelbetrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een strafbeschikking, wordthet bezwaarschrift ingediend bij de rechtbank in het rechtsgebied van hetadres van de veroordeelde. Als adres wordt aangemerkt het in debasisregistratie personen vermelde adres. Indien de veroordeelde niet alsingezetene staat ingeschreven in de basisregistratie personen, is derechtbank Noord-Nederland bevoegd. Bij de toepassing van artikel 5.2.1,tweede lid, wordt onder het openbaar ministerie verstaan Onze Minister.3. Bij de toepassing van Boek 1, Titel 2.3, wordt in de artikelen 1.2.15,1.2.16, 1.2.17, 1.2.18, 1.2.20, 1.2.21 en 1.2.24 onder het openbaar minis-terie verstaan Onze Minister.4. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk ofongegrond dan wel gegrond.Artikel 7.5.24 1. Onze Minister en de veroordeelde kunnen beroep in cassatie instellentegen de beslissing van de rechtbank, bedoeld in artikel 7.5.23, vierde lid.2. Onze Minister kan beroep in cassatie instellen binnen twee weken nade beslissing. De veroordeelde kan beroep in cassatie instellen binnentwee weken na de betekening van de beslissing of, indien geenbetekening hoeft plaats te vinden, binnen twee weken na de beslissing. Deveroordeelde is in het beroep slechts ontvankelijk na voorafgaandezekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van alle kosten opde griffie van de rechtbank die de beslissing heeft genomen.3. Bij de overeenkomstige toepassing van Boek 5, Afdelingen 5.1.2 en5.1.3, geldt voor het ingestelde beroep hetgeen is bepaald voor eenberoep dat is ingesteld door de verdachte.4. De Hoge Raad beslist zo spoedig mogelijk.Artikel 7.5.25 Ten aanzien van derden die geheel of gedeeltelijk recht menen tehebben op de voorwerpen waarop verhaal wordt genomen op grond vanartikel 7.5.5 of artikel 7.5.6, zijn de bepalingen van het Wetboek vanBurgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 232 Artikel 7.5.26 1. Iedere belanghebbende kan een bezwaarschrift indienen bij derechtbank tegen de beslissing tot verhaal zonder dwangbevel.2. De artikelen 7.5.23 en 7.5.24 zijn van overeenkomstige toepassing,met dien verstande dat:a. het bezwaarschrift kan worden ingediend tot zes weken na dekennisgeving van verhaal aan de veroordeelde;b. de beslissing van de rechtbank ook wordt betekend aan de belang-hebbende die niet de veroordeelde is; enc. de belanghebbende die niet de veroordeelde is beroep in cassatie kaninstellen zonder dat de ontvankelijkheid van het beroep afhankelijk is vanvoorafgaande zekerheidstelling.Artikel 7.5.27 1. De gewezen verdachte kan een bezwaarschrift indienen bij derechtbank tegen de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 7.5.13.2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen tweeweken nadat de gewezen verdachte kennis heeft gekregen van debeslissing op het verzoek. Het bezwaarschrift kan ook worden ingediendwanneer een maand is verstreken sinds de indiening van het verzoekwaarop nog niet is beslist.3. Indien de ontnemingsschikking is aangegaan door de officier vanjustitie bij een arrondissementsparket, is de rechtbank in dat arrondis-sement bevoegd te oordelen over het bezwaarschrift. In andere gevallenis de rechtbank Den Haag bevoegd.4. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk ofongegrond dan wel gegrond. Indien de rechtbank het bezwaarschriftgegrond acht, beveelt zij de teruggave van betaalde geldbedragen ofovergedragen voorwerpen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.Artikel 7.5.28 1. De gewezen verdachte of de veroordeelde kan een bezwaarschriftindienen bij de rechtbank Den Haag tegen de beslissing op een verzoekals bedoeld in artikel 7.5.14.2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen tweeweken nadat de gewezen verdachte of de veroordeelde kennis heeftgekregen van de beslissing op het verzoek. Het bezwaarschrift kan ookworden ingediend nadat een maand is verstreken sinds de indiening vanhet verzoek waarop nog niet is beslist. Bij de toepassing van artikel 5.2.1,tweede lid, wordt onder het openbaar ministerie verstaan Onze Minister.3. Bij de toepassing van Boek 1, Titel 2.3, wordt in de artikelen 1.2.15,1.2.16, 1.2.17, 1.2.18, 1.2.20, 1.2.21 en 1.2.24 onder het openbaar minis-terie verstaan Onze Minister.4. De rechtbank verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk ofongegrond dan wel gegrond. Indien de rechtbank het bezwaarschriftgegrond acht, beveelt zij de teruggave van het verschil.HOOFDSTUK 6 ANDERE STRAFFEN EN MAATREGELEN TITEL 6.1 TAAKSTRAF Artikel 7.6.1 1. De termijn waarbinnen een taakstraf moet worden verricht, bedraagtachttien maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis of hetarrest dan wel negen maanden na het onherroepelijk worden van destrafbeschikking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 233 2. De termijn waarbinnen een taakstraf moet worden verricht, loopt nietgedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomenof uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.Artikel 7.6.2 Bij de tenuitvoerlegging van een taakstraf wordt de identiteit van deveroordeelde vastgesteld op de wijze, bedoeld in artikel 1.4.8, eerste entweede lid. De veroordeelde is verplicht ten behoeve van het vaststellenvan zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een ofmeer vingerafdrukken of aan het ter inzage aanbieden van een identiteits-bewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.Artikel 7.6.3 1. De officier van justitie kan de taakstraf wijzigen wat betreft de aardvan de te verrichten werkzaamheden, bedoeld in artikel 22c, eerste lid,derde zin, van het Wetboek van Strafrecht, indien hij van oordeel is dat deveroordeelde de taakstraf niet geheel overeenkomstig de opgelegde strafkan of heeft kunnen verrichten. De officier van justitie benadert daarbijzoveel mogelijk de opgelegde taakstraf.2. De officier van justitie geeft van de wijziging kennis aan de veroor-deelde. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar hetoordeel van de officier van justitie is verricht, en de taakstraf zoals dezevoor het overige nader is vastgesteld. De kennisgeving wordt zo spoedigmogelijk betekend aan de veroordeelde.Artikel 7.6.4 1. Indien de bij vonnis of arrest tot een taakstraf veroordeelde nietaanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellenvan zijn identiteit of de taakstraf niet naar behoren verricht of heeftverricht, beveelt de officier van justitie dat vervangende hechtenis wordttoegepast, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwegendeaard wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich hebben voorgedaanna het opleggen van de taakstraf.2. Indien een gedeelte van de taakstraf is verricht, vermindert de officiervan justitie de duur van de vervangende hechtenis naar evenredigheid.Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte van een dagvervangende hechtenis zou moeten worden ondergaan, dan vindtafronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.3. De officier van justitie geeft kennis aan de veroordeelde dat vervan-gende hechtenis wordt toegepast. De kennisgeving behelst het aantaluren taakstraf dat naar het oordeel van de officier van justitie is verricht,alsmede het aantal dagen vervangende hechtenis. De kennisgeving wordtzo spoedig mogelijk betekend aan de veroordeelde.Artikel 7.6.5 1. Een beslissing tot wijziging van de taakstraf en een beslissing tottoepassing van vervangende hechtenis kan worden genomen tot driemaanden na afloop van de termijn waarbinnen de taakstraf moet wordenverricht.2. De tenuitvoerlegging van de taakstraf eindigt indien de termijn isverlopen waarbinnen de taakstraf moet worden verricht en niet tijdig eenbeslissing tot toepassing van vervangende hechtenis is genomen of debeslissing inhoudt dat geen vervangende hechtenis wordt toegepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 234 Artikel 7.6.6 Indien de taakstraf naar het oordeel van Onze Minister naar behoren isverricht, stelt Onze Minister de veroordeelde hiervan zo spoedig mogelijkin kennis.Artikel 7.6.7 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelsgesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in iedergeval betrekking op de inhoud van de taakstraf, de tenuitvoerlegging vande taakstraf en op de rechten en plichten van de tot een taakstrafveroordeelde.TITEL 6.2 PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR STELSELMATIGEDADERS Artikel 7.6.8 1. De tenuitvoerlegging van de laatste fase van de maatregel vanplaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders kan plaatsvindenbuiten de inrichting.2. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de laatste fase van demaatregel buiten de inrichting ligt bij het college van burgemeester enwethouders van de deelnemende gemeente.3. Onze Minister en het college van burgemeester en wethoudersmaken afspraken over de tenuitvoerlegging van de laatste fase van demaatregel buiten de inrichting. De afspraken betreffen in ieder geval dehuisvesting, de arbeid en de dagbesteding van de veroordeelde.4. De kosten van de tenuitvoerlegging van de laatste fase van demaatregel komen ten laste van de deelnemende gemeente voor zover diekosten betrekking hebben op het verblijf buiten de inrichting.Artikel 7.6.9 1. Indien bij het opleggen van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor stelselmatige daders niet is beslist tot een tussentijdsebeoordeling, dan wel is beslist tot een tussentijdse beoordeling een jaarna aanvang van de tenuitvoerlegging, kan de veroordeelde vanaf zesmaanden na aanvang van de tenuitvoerlegging de rechtbank verzoekenom een tussentijdse beoordeling. De veroordeelde kan ook verzoeken omeen tussentijdse beoordeling vanaf zes maanden na het onherroepelijkworden van de beslissing op een eerder verzoek.2. De officier van justitie stelt de rechtbank in kennis over de noodzaakvan de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel. Bij dekennisgeving is gevoegd een bericht van de directeur van de inrichtingover de stand van de uitvoering van het verblijfsplan van de veroordeelde.3. Indien de rechtbank beslist dat voortzetting van de tenuitvoerleggingvan de maatregel niet langer is vereist, beëindigt zij deze met ingang vaneen door haar te bepalen tijdstip. De maatregel blijft van kracht zolang debeslissing niet onherroepelijk is.Artikel 7.6.10 Onze Minister kan de maatregel van plaatsing in een inrichting voorstelselmatige daders te allen tijde beëindigen indien hij van oordeel is datmet de voortzetting van de tenuitvoerlegging geen met de strafrechtstoe-passing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 235 Artikel 7.6.11 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regelsgesteld over het bepaalde in deze titel. De nadere regels hebben in iedergeval betrekking op de kosten van de tenuitvoerlegging van de laatstefase van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatigedaders die ten laste komen van de deelnemende gemeente.TITEL 6.3 GEDRAGSBEÏNVLOEDENDE EN VRIJHEIDSBEPERKENDEMAATREGELEN Artikel 7.6.12 De rechtbank kan de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidopheffen of de inhoud, bedoeld in artikel 38v, tweede lid, van het Wetboekvan Strafrecht, wijzigen. De beslissing van de rechtbank is dadelijkuitvoerbaar.Artikel 7.6.13 1. De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbe-perking kan slechts worden tenuitvoergelegd na toewijzing van eenvordering tot tenuitvoerlegging door de rechtbank.2. De officier van justitie dient de vordering in uiterlijk een maand voorhet einde van de straftijd, van de terbeschikkingstelling dan wel van deproeftijd bij de voorwaardelijk niet tenuitvoergelegde gevangenisstraf ofvoorwaardelijke invrijheidstelling. De officier van justitie is in een lateringediende vordering niettemin ontvankelijk indien hij aannemelijk maaktdat de grond voor tenuitvoerlegging zich eerst nadien heeft voorgedaan.3. Bij de vordering legt de officier van justitie een recent opgemaakt,gemotiveerd en ondertekend advies over van de reclassering.4. Indien de vordering achterwege blijft, vervalt de maatregel vanrechtswege aan het einde van de straftijd of de terbeschikkingstelling, danwel na ommekomst van de proeftijd bij de voorwaardelijk niet tenuitvoer-gelegde gevangenisstraf of voorwaardelijke invrijheidstelling.Artikel 7.6.14 1. De rechtbank kan de tenuitvoerlegging van de maatregel strekkendetot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking bevelen indien:a. ernstig rekening ermee wordt gehouden dat de veroordeeldeopnieuw een misdrijf zal plegen waarvoor een maatregel strekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan worden opgelegd; ofb. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedragjegens slachtoffers of getuigen.2. De rechtbank kan bij het bevel één of meer van de volgendebijzondere voorwaarden stellen:a. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaaldepersonen of instellingen;b. een verbod zich op of in de directe omgeving van een bepaaldelocatie te bevinden of te vestigen;c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaaldeperiode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;d. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen te melden bij eenbepaalde instantie;e. een verbod op het gebruik van verdovende middelen of alcohol en deverplichting ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werkenaan bloedonderzoek of urineonderzoek;f. opneming in een zorginstelling;g. een verplichting zich onder behandeling te stellen van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 236 deskundige of zorginstelling;h. het verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappe-lijke opvang;i. het deelnemen aan een gedragsinterventie;j. een verbod vrijwilligerswerk van een bepaalde aard te verrichten;k. een beperking van het recht om Nederland te verlaten;l. de plicht te verhuizen uit een bepaald gebied;m. andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende.3. De rechtbank kan opdracht geven dat de reclassering toezicht houdtop de naleving van een bijzondere voorwaarde en de veroordeelde tenbehoeve daarvan begeleidt.4. Indien de rechtbank een bijzondere voorwaarde stelt, is daaraan vanrechtswege de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde ten behoevevan het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan hetnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs alsbedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzageaanbiedt. In geval van reclasseringstoezicht geldt voorts van rechtswegede voorwaarde dat de veroordeelde medewerking verleent aan hetreclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbe-zoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolangals de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.5. Aan een bijzondere voorwaarde kan elektronisch toezicht wordenverbonden.6. De rechtbank kan de tenuitvoerlegging gelasten voor een periode vantwee, drie, vier of vijf jaar. De termijn vangt aan op de dag waarop derechtbank de tenuitvoerlegging heeft gelast. De termijn loopt nietgedurende de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomenof uit zodanige vrijheidsontneming ongeoorloofd afwezig is.7. Artikel 38w van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstigetoepassing.8. De beslissing van de rechtbank is dadelijk uitvoerbaar.Artikel 7.6.15 1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de termijnvan de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbe-perking telkens verlengen met twee, drie, vier of vijf jaar indien:a. ernstig rekening ermee wordt gehouden dat de veroordeeldeopnieuw een misdrijf zal plegen waarvoor een maatregel strekkende totgedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking kan worden opgelegd; ofb. dit noodzakelijk is ter voorkoming van ernstig belastend gedragjegens slachtoffers of getuigen.2. De vordering wordt ingediend uiterlijk een maand voor het tijdstipwaarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen. De officier vanjustitie is in een later ingediende vordering niettemin ontvankelijk indienhij aannemelijk maakt dat de grond voor verlenging zich eerst nadienheeft voorgedaan.3. De artikelen 7.6.13, derde lid, en 7.6.14, zesde lid, derde zin, enachtste lid, zijn van toepassing.Artikel 7.6.16 1. De rechtbank kan de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloedingof vrijheidsbeperking opheffen of de bijzondere voorwaarden alsnogstellen, wijzigen of opheffen. Artikel 7.6.14, tweede tot en met vijfde lid, isvan toepassing.2. De beslissing van de rechtbank is dadelijk uitvoerbaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 237 Artikel 7.6.17 1. De maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbe-perking vervalt van rechtswege bij het onherroepelijk worden van eenrechterlijke uitspraak waarbij:a. dezelfde persoon ter beschikking wordt gesteld;b. dezelfde persoon wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf en in derechterlijke uitspraak een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloedingof vrijheidsbeperking is opgelegd.2. Indien de maatregel door tijdsverloop eindigt of van rechtswegevervalt, wordt dit zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht aan deveroordeelde.TITEL 6.4 BIJKOMENDE STRAFFEN Artikel 7.6.18 Het bedrag waarop de kosten van openbaarmaking van de rechterlijkeuitspraak zijn geschat, komt ten laste van de veroordeelde.Artikel 7.6.19 1. Op het bedrag waarop niet inbeslaggenomen voorwerpen in deuitspraak zijn geschat en op het bedrag waarop de kosten van openbaar-making van de rechterlijke uitspraak zijn geschat, zijn de artikelen 7.5.1,tweede tot en met vierde lid, 7.5.2, 7.5.4 tot en met 7.5.8 en 7.5.16 tot enmet 7.5.19 van overeenkomstige toepassing.2. Verbeurdverklaring van vorderingen wordt tenuitvoergelegd doorbetekening van de uitspraak aan de schuldenaar.Artikel 7.6.20 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsworden gesteld over de tenuitvoerlegging van bijkomende straffen.TITEL 6.5 RECHTSMIDDELEN Artikel 7.6.21 1. De veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbanktegen de beslissing van de officier van justitie tot toepassing van devervangende hechtenis bij een taakstraf.2. Het bezwaarschrift is gemotiveerd en wordt ingediend binnen tweeweken na de betekening van de kennisgeving van de beslissing.3. Het onderzoek op de zitting vindt zo spoedig mogelijk plaats. Derechtbank verklaart het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegrond danwel gegrond. Indien de rechtbank het bezwaarschrift gegrond verklaart,vernietigt zij de beslissing van de officier van justitie. Indien de rechtbankde beslissing vernietigt, vermindert zij de duur van de vervangendehechtenis of bepaalt zij het aantal uren taakstraf dat nog moet wordenverricht en binnen welke termijn dat moet plaatsvinden. Artikel 7.6.1,tweede lid, is van toepassing.Artikel 7.6.22 1. De officier van justitie en de veroordeelde kunnen hoger beroepinstellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen de beslissing vande rechtbank over voortzetting of beëindiging van de maatregel vanplaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 238 2. De officier van justitie kan hoger beroep instellen binnen twee wekenna de beslissing. De veroordeelde kan hoger beroep instellen binnen tweeweken na de betekening van de beslissing of, indien geen betekeninghoeft plaats te vinden, binnen twee weken na de beslissing.3. Het gerechtshof kan zonder onderzoek op de zitting beslissen indienhet, na kennisneming van de stukken van het geding, van oordeel is dathet hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is.4. De voorzitter kan, zolang niet op het hoger beroep is beslist, demaatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoorlopig beëindigen indien de rechtbank heeft beslist dat voortzettingvan de tenuitvoerlegging van de maatregel niet langer is vereist.5. Het gerechtshof beslist zo spoedig mogelijk. Het verklaart het hogerberoep niet-ontvankelijk of ongegrond dan wel gegrond. In het laatstegeval beveelt het gerechtshof wat volgens de wet behoort plaats tevinden.Artikel 7.6.23 1. Ten aanzien van de maatregel strekkende tot beperking van devrijheid kunnen de officier van justitie en de veroordeelde hoger beroepinstellen tegen de beslissing van de rechtbank over opheffing of wijzigingvan de inhoud van de maatregel.2. Ten aanzien van de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding ofvrijheidsbeperking kunnen de officier van justitie en de veroordeeldehoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen debeslissing van de rechtbank over:a. tenuitvoerlegging van de maatregel;b. verlenging van de termijn van de maatregel; enc. opheffing van de maatregel of wijziging van de bijzonderevoorwaarden.3. Artikel 7.6.22, tweede, derde en vijfde lid, is van toepassing.HOOFDSTUK 7 JEUGDIGEN EN JONGVOLWASSENEN TITEL 7.1 ALGEMEEN Artikel 7.7.1 1. Hoofdstuk 1 is van toepassing op de tenuitvoerlegging van strafrech-telijke beslissingen die zijn genomen met toepassing van de artikelen 77gtot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht en op de tenuitvoer-legging van strafvorderlijke beslissingen die zijn genomen met toepassingvan Boek 6, Afdelingen 1.1.2 en 1.1.3, tenzij in dit hoofdstuk anders isbepaald.2. De Hoofdstukken 2 tot en met 6 zijn van toepassing of van overeen-komstige toepassing voor zover dat in dit hoofdstuk is bepaald.Artikel 7.7.2 Onze Minister kan advies inwinnen van de raad voor de kinderbe-scherming over de plaats van tenuitvoerlegging van een jeugddetentie ofeen maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.Artikel 7.7.3 1. De behandeling van vorderingen, verzoeken en bezwaarschriften opgrond van dit hoofdstuk, en de behandeling van het beroep of hogerberoep tegen de daarover genomen beslissingen, vindt niet plaats in hetopenbaar. Artikel 6.1.22 is van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 239 2. Indien de veroordeelde minderjarig is, wordt in aanvulling op artikel1.2.18, tweede lid, ook de ouder gehoord of behoorlijk opgeroepen. Deartikelen 6.1.29, eerste lid, 6.1.32, 6.1.41, 6.1.42 en 6.1.43 zijn vanovereenkomstige toepassing.Artikel 7.7.4 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over het bepaalde in dit hoofdstuk. De nadere regelshebben in ieder geval betrekking op:a. de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel waarvan de rechterheeft bepaald dat deze geheel of gedeeltelijk niet zal wordentenuitvoergelegd;b. de inhoud van een taakstraf, de tenuitvoerlegging van een taakstrafen de rechten en plichten van de tot een taakstraf veroordeelde, waarbijkan worden afgeweken van het aantal uren dat een leerproject volgensartikel 77m, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan duren indien deaard van het leerproject daartoe aanleiding geeft;c. de eisen waaraan het plan, het programma en de instelling oforganisatie belast met de voorbereiding en de ondersteuning van demaatregel betreffende het gedrag van de jeugdige moeten voldoen,alsmede de werkwijze van de instelling of organisatie.2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteldover de verstrekking van rijkswege van een bijdrage in de bekostiging vande voorbereiding en uitvoering van taakstraffen, maatregelen betreffendehet gedrag van de jeugdige en pedagogische programma’s als bedoeld inartikel 6.1.15.TITEL 7.2 TOEZICHT, VOORWAARDEN EN OMZETTING Artikel 7.7.5 Op het toezicht ten aanzien van de beslissingen, bedoeld in artikel 7.7.1,is Hoofdstuk 2, Titels 2.1, 2.2 en 2.3, van overeenkomstige toepassing, metdien verstande dat:a. onder reclasseringsinstelling mede wordt verstaan een gecertifi-ceerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;b. de officier van justitie op grond van artikel 7.2.2 ook de aanhoudingkan bevelen van een veroordeelde tot plaatsing in een inrichting voorjeugdigen indien het belang van de veiligheid van anderen dan wel dealgemene veiligheid van personen of goederen dit eist;c. de verlenging van de proeftijd, bedoeld in artikel 7.2.6, tweede lid,eenmaal mogelijk is en ten hoogste een jaar bedraagt;d. indien de rechtbank met toepassing van artikel 7.2.7, vijfde lid, detenuitvoerlegging van een taakstraf gelast, de artikelen 77m tot en met77n van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7.7.20 tot en met7.7.23 en 7.7.32 van overeenkomstige toepassing zijn.Artikel 7.7.6 In afwijking van artikel 7.2.3, eerste lid, is de rechter-commissarisbevoegd te beslissen tot:a. de voorlopige tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk niettenuitvoergelegde jeugddetentie of maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen;b. de voorlopige voortzetting van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen;c. de voorlopige terugplaatsing van de veroordeelde tijdens devoorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 240 d. de tijdelijke opname voor de duur van maximaal zeven weken in eendoor de rechter-commissaris aangewezen inrichting of instelling van deveroordeelde tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, dan wel deeenmalige verlenging van de tijdelijke opname met ten hoogste zevenweken;e. de tenuitvoerlegging van de in het vonnis of arrest bevolen vervan-gende jeugddetentie voor het geval de veroordeelde zich niet houdt aande maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige;f. de tenuitvoerlegging van de in het vonnis of arrest bevolen vervan-gende jeugddetentie die wordt tenuitvoergelegd iedere keer dat deveroordeelde zich niet houdt aan de maatregel strekkende tot beperkingvan de vrijheid.Artikel 7.7.7 De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak toezicht te houden opde uitvoering van reclasseringswerkzaamheden met betrekking totjeugdigen. In dat kader is de raad voor de kinderbescherming bevoegdaanwijzingen te geven aan de gecertificeerde instelling en, voor zover hetminderjarigen betreft, de reclasseringsinstelling.TITEL 7.3 JEUGDDETENTIE Artikel 7.7.8 Op de tenuitvoerlegging van jeugddetentie zijn de artikelen 7.3.1, 7.3.2,eerste lid en tweede lid, onderdeel a, 7.3.3, 7.3.4 en 7.3.6, eerste entweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat inartikel 7.3.4, vijfde lid, onder Hoofdstuk XIII van de Penitentiaire beginse-lenwet wordt verstaan Hoofdstuk XV van de Beginselenwet justitiëlejeugdinrichtingen.Artikel 7.7.9 1. De rechtbank kan te allen tijde voorwaardelijke invrijheidstellingverlenen aan de veroordeelde tot jeugddetentie. Artikel 77z van hetWetboek van Strafrecht is van overeenkomstige toepassing.2. De rechtbank bepaalt een proeftijd van ten hoogste twee jaar. De duurvan de proeftijd en de gestelde voorwaarden worden de veroordeelde inpersoon betekend.3. De proeftijd loopt niet gedurende de tijd dat de veroordeelde rechtenszijn vrijheid is ontnomen.Artikel 7.7.10 Een jeugddetentie kan door de rechtbank geheel of gedeeltelijk wordenomgezet in een van de straffen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, van hetWetboek van het Strafrecht, indien de tenuitvoerlegging geheel ofgedeeltelijk zou moeten plaatsvinden nadat de veroordeelde de leeftijdvan achttien jaar heeft bereikt en de veroordeelde naar het oordeel van derechtbank niet meer in aanmerking komt voor jeugddetentie.TITEL 7.4 PLAATSING IN EEN INRICHTING VOOR JEUGDIGEN Artikel 7.7.11 Onze Minister draagt de tenuitvoerlegging van de maatregel vanplaatsing in een inrichting voor jeugdigen op aan een inrichting alsbedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiëlejeugdinrichtingen, of hij doet de veroordeelde elders opnemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 241 Artikel 7.7.12 1. Onze Minister kan de maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen te allen tijde voorwaardelijk of onvoorwaardelijk beëindigenindien hij van oordeel is dat met de voortzetting van de tenuitvoerlegginggeen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordtgediend.2. Onze Minister gaat niet over tot beëindiging dan na advies te hebbeningewonnen van de raad voor de kinderbescherming. Indien eenreclasseringsinstelling is belast met de begeleiding van de veroordeelde,wordt ook advies ingewonnen van de reclasseringsinstelling.Artikel 7.7.13 1. De rechtbank beslist over een vordering tot verlenging van demaatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.2. De officier van justitie dient de vordering tot verlenging in niet eerderdan twee maanden en niet later dan een maand vóór het tijdstip waaropde maatregel voorwaardelijk eindigt. Artikel 7.4.3, vierde tot en met zesdelid, is van overeenkomstige toepassing.3. Bij de vordering worden overgelegd:a. een recent opgemaakt, gemotiveerd en ondertekend advies van hethoofd of de directeur van de inrichting, tenzij dit advies niet kan wordenuitgebracht door gebrek aan medewerking van de veroordeelde;b. een kopie van de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijkegesteldheid van de veroordeelde.4. Indien de officier van justitie verlenging vordert waardoor demaatregel de duur van vier jaar en zes maanden te boven gaat, is artikel7.4.4, derde lid, van overeenkomstige toepassing.5. In aanvulling op artikel 1.2.18, tweede lid, wordt de veroordeelde opzijn verblijfplaats gehoord indien de veroordeelde aangeeft niet te kunnenverschijnen op de zitting. Indien de veroordeelde zich ophoudt in eenander arrondissement, kan de rechtbank het horen overdragen aan derechtbank of de rechter-commissaris in dat arrondissement.6. Indien de beslissing van de rechtbank tot gevolg heeft dat demaatregel voorwaardelijk zal eindigen, kan de rechtbank:a. bijzondere voorwaarden stellen die het gedrag van de veroordeeldebetreffen;b. opdracht geven dat een gecertificeerde instelling of, indien deveroordeelde de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, een reclasseringsin-stelling toezicht houdt op de naleving van de bijzondere voorwaarden ende veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt.7. Indien de rechtbank bijzondere voorwaarden stelt, zijn artikel 77z vanhet Wetboek van Strafrecht en artikel 7.4.8, vijfde lid, van overeenkom-stige toepassing, met dien verstande dat de rechtbank de werking van debijzondere voorwaarden kan beperken tot een in de beslissing te bepalentijdsduur binnen de termijn van de voorwaardelijke beëindiging.Artikel 7.7.14 1. De rechtbank beslist over een vordering tot verlenging van devoorwaardelijke beëindiging van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen. Artikel 7.7.13, tweede en vijfde lid, is vanovereenkomstige toepassing. De rechtbank bepaalt de duur van deverlenging.2. De rechtbank kan tijdens en bij verlenging van de voorwaardelijkebeëindiging:a. bijzondere voorwaarden stellen, wijzigen of opheffen die het gedragvan de veroordeelde betreffen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 242 b. opdracht geven dat een gecertificeerde instelling of, indien deveroordeelde de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, een reclasseringsin-stelling toezicht houdt op de naleving van de bijzondere voorwaarden ende veroordeelde ten behoeve daarvan begeleidt, dan wel een eerdereopdracht wijzigen.3. Indien de rechtbank bijzondere voorwaarden stelt, wijzigt of opheft,zijn artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht en artikel 7.4.8, vijfde lid,van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de rechtbank dewerking van de bijzondere voorwaarden kan beperken tot een in debeslissing te bepalen tijdsduur binnen de termijn waarmee de voorwaar-delijke beëindiging is of wordt verlengd.Artikel 7.7.15 1. De rechtbank kan bevelen dat de veroordeelde wordt teruggeplaatstin een inrichting indien de veroordeelde een voorwaarde niet naleeft ofniet heeft nageleefd tijdens de voorwaardelijke beëindiging van demaatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.2. De rechtbank bepaalt de duur van de terugplaatsing. Deze kan deduur van de voorwaardelijke beëindiging niet overschrijden en bedraagtten hoogste een jaar. Bij herhaalde terugplaatsing kan de totale duur vande terugplaatsingen de maximale duur van een jaar niet overstijgen.3. Artikel 7.7.11 is van overeenkomstige toepassing.Artikel 7.7.16 1. De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen die isverlengd tot de duur van zeven jaar, kan door de rechtbank op vorderingvan de officier van justitie worden omgezet in de maatregel van terbe-schikkingstelling indien de veiligheid van anderen dan wel de algemeneveiligheid van personen of goederen dat eist. Artikel 37a, eerste, derde envierde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van overeenkomstigetoepassing.2. Bij de beslissing tot omzetting betrekt de rechtbank:a. een recent opgemaakt, gemotiveerd en ondertekend advies van dereclassering en van het hoofd of de directeur van de inrichting;b. een kopie van de aantekeningen over de lichamelijke en geestelijkegesteldheid van de veroordeelde.3. De beslissing tot omzetting wordt genomen voordat de maatregelvoorwaardelijk wordt beëindigd of tijdens de voorwaardelijke beëindiging.Artikel 7.4.3, zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.4. De beslissing tot omzetting geldt als een last als bedoeld in artikel37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank geeft daarbijhet bevel tot verpleging van overheidswege, bedoeld in artikel 37b vanhet Wetboek van Strafrecht.Artikel 7.7.17 De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen vervalt vanrechtswege bij het onherroepelijk worden van:a. een rechterlijke uitspraak waarbij dezelfde persoon de maatregel vanterbeschikkingstelling of opnieuw de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen wordt opgelegd;b. de beslissing tot omzetting van de maatregel van plaatsing in eeninrichting voor jeugdigen in de maatregel van terbeschikkingstelling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 243 TITEL 7.5 GELDELIJKE STRAFFEN EN MAATREGELEN Artikel 7.7.18 Op de tenuitvoerlegging van een geldboete, een schadevergoedings-maatregel, een ontnemingsmaatregel of een ontnemingsschikking isHoofdstuk 5, Titel 5.1 tot en met Titel 5.5, van overeenkomstigetoepassing, met dien verstande dat:a. onder vervangende hechtenis wordt verstaan vervangendejeugddetentie;b. de vordering, bedoeld in artikel 7.5.21, eerste lid, onderdeel b, wordtingediend bij de kinderrechter.Artikel 7.7.19 1. In afwijking van artikel 7.5.8, eerste lid, kan de rechtbank het nog tebetalen bedrag op vordering van de officier van justitie vervangen doorjeugddetentie of op verzoek van de veroordeelde vervangen door eentaakstraf. Indien gebruik is gemaakt van de bevoegdheid van artikel 77l,tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, kan de rechtbank de duur vande eerder bepaalde vervangende jeugddetentie wijzigen, tenzij deze al isaangevangen.2. De taakstraf wordt opgelegd in evenredigheid met het nog verschul-digde bedrag. De artikelen 77m tot en met 77n van het Wetboek vanStrafrecht en de artikelen 7.7.20 tot en met 7.7.23 en 7.7.32 zijn vanovereenkomstige toepassing.TITEL 7.6 TAAKSTRAF Artikel 7.7.20 Op de tenuitvoerlegging van een taakstraf zijn de artikelen 7.6.1, tweedelid, 7.6.2, 7.6.3 en 7.6.5 tot en met 7.6.7 van overeenkomstige toepassing,met dien verstande dat toepassing van artikel 7.6.3 niet plaatsvindt dannadat advies is ingewonnen bij de raad voor de kinderbescherming en deveroordeelde is gehoord.Artikel 7.7.21 1. De termijn waarbinnen de taakstraf die bestaat uit het verrichten vanarbeid moet worden verricht bedraagt ten hoogste negen maanden indienniet meer dan honderd uur is opgelegd en overigens ten hoogste achttienmaanden.2. De termijn waarbinnen de taakstraf die bestaat uit het volgen van eenleerproject plaatsvindt bedraagt ten hoogste negen maanden indien nietmeer dan honderd uur is opgelegd en overigens ten hoogste achttienmaanden.Artikel 7.7.22 1. De raad voor de kinderbescherming heeft tot taak de voorbereidingen de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van taakstraffen.2. De officier van justitie kan inlichtingen inwinnen bij de raad voor dekinderbescherming over de wijze waarop de veroordeelde de taakstrafuitvoert. De officier van justitie kan de medewerking van de veroordeeldeinroepen en hem de nodige opdrachten geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 244 Artikel 7.7.23 1. Indien de bij vonnis of arrest tot een taakstraf veroordeelde nietaanvangt met de taakstraf, geen medewerking verleent aan het vaststellenvan zijn identiteit of de taakstraf niet naar behoren verricht of heeftverricht, beveelt de officier van justitie dat vervangende jeugddetentiewordt toegepast, tenzij dit zou leiden tot een onbillijkheid van zwaarwe-gende aard wegens uitzonderlijke omstandigheden die zich na hetopleggen van de taakstraf hebben voorgedaan.2. Indien een gedeelte van de taakstraf is voldaan, vermindert de officiervan justitie de duur van de vervangende jeugddetentie naar evenre-digheid. Heeft deze vermindering tot gevolg dat voor een gedeelte vaneen dag vervangende jeugddetentie zou moeten worden ondergaan, danvindt afronding naar boven plaats tot het naaste aantal gehele dagen.3. De officier van justitie geeft kennis aan de veroordeelde en de raadvoor de kinderbescherming dat vervangende jeugddetentie wordttoegepast. De kennisgeving behelst het aantal uren taakstraf dat naar hetoordeel van de officier van justitie is verricht, alsmede het aantal dagenvervangende jeugddetentie. De kennisgeving wordt zo spoedig mogelijkbetekend aan de veroordeelde.TITEL 7.7 MAATREGEL BETREFFENDE HET GEDRAG VAN DE JEUGDIGE Artikel 7.7.24 1. Indien de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige bestaatuit een programma als bedoeld in artikel 77w, derde lid, van het Wetboekvan Strafrecht, stelt de betrokken instelling of organisatie voor deuitvoering van het programma een plan vast dat is afgestemd op deproblematiek van de veroordeelde.2. De gecertificeerde instelling heeft tot taak toezicht te houden op denaleving van de maatregel en de veroordeelde ten behoeve daarvan tebegeleiden.3. Indien de veroordeelde ten tijde van de tenuitvoerlegging van demaatregel de leeftijd van zestien jaar bereikt of heeft bereikt, kan derechtbank opdracht geven dat een reclasseringsinstelling toezicht houdtop de naleving van de maatregel en de veroordeelde ten behoeve daarvanbegeleidt.Artikel 7.7.25 1. De rechtbank kan beslissen dat de maatregel betreffende het gedragvan de jeugdige een andere invulling krijgt indien het gedrag van deveroordeelde daartoe aanleiding geeft of indien dit in het belang is van deontwikkeling van de veroordeelde.2. De rechtbank beslist slechts tot een andere invulling van demaatregel nadat de raad voor de kinderbescherming een gemotiveerd,gedagtekend en ondertekend advies heeft overgelegd.3. Artikel 77w, tweede tot en met achtste lid, van het Wetboek vanStrafrecht is van overeenkomstige toepassing. In het geval, bedoeld inartikel 77w, tweede lid, derde zin, van het Wetboek van Strafrecht, wordtadvies gevraagd van een gedragsdeskundige of van de reclasseringsin-stelling.Artikel 7.7.26 1. De rechtbank kan op vordering van de officier van justitie de tijdelijkeopneming in een justitiële jeugdinrichting bevelen indien de veroordeeldeniet naar behoren meewerkt aan de maatregel betreffende het gedrag vande jeugdige.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 245 2. De rechtbank bepaalt de duur van de tijdelijke opneming. Dezebedraagt ten hoogste een maand. De tijdelijke opneming kan ten hoogstetweemaal worden bevolen, ook indien de maatregel is verlengd.3. De tijdelijke opneming schorst de termijn van de maatregel en laat demogelijkheid van toepassing van de vervangende jeugddetentie onverlet.Artikel 7.7.27 1. De rechtbank beslist over een vordering tot verlenging van demaatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.2. De officier van justitie dient de vordering tot verlenging in niet eerderdan twee maanden en niet later dan een maand vóór het tijdstip waaropde maatregel door tijdsverloop zal eindigen. Een vordering die later isingediend, is niettemin ontvankelijk indien zij binnen een redelijke termijnis ingediend en bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor deverdere ontwikkeling van de veroordeelde de verlenging van de maatregeleist. Artikel 7.4.3, vijfde en zesde lid, is van overeenkomstige toepassing.3. Bij de vordering worden overgelegd:a. een recent opgemaakt, gemotiveerd en ondertekend advies van deraad voor de kinderbescherming, of, in het geval, bedoeld in artikel 77w,tweede lid, derde zin, van het Wetboek van Strafrecht, een advies van eengedragsdeskundige of de reclasseringsinstelling;b. een kopie van de aantekeningen over het gedrag van de veroor-deelde, afkomstig van de instelling of organisatie die is belast met detenuitvoerlegging van de maatregel.4. De artikelen 77w, derde tot en met vijfde lid, en 77wa van hetWetboek van Strafrecht zijn van overeenkomstige toepassing.TITEL 7.8 ANDERE STRAFFEN EN MAATREGELEN Artikel 7.7.28 Op de tenuitvoerlegging van een maatregel strekkende tot beperkingvan de vrijheid is artikel 7.6.12 van toepassing.Artikel 7.7.29 Op de tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring zijn de artikelen7.6.19 en 7.6.20 van toepassing.TITEL 7.9 RECHTSMIDDELEN Artikel 7.7.30 1. De officier van justitie en de veroordeelde kunnen beroep instellen bijde rechtbank tegen de beslissing van de rechter-commissaris over:a. de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie bij demaatregel strekkende tot beperking van de vrijheid;b. de tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie bij demaatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.2. Artikel 7.2.9, tweede tot en met vierde lid, is van toepassing.Artikel 7.7.31 Op de tenuitvoerlegging van een geldboete, een schadevergoedings-maatregel, een ontnemingsmaatregel of een ontnemingsschikking isHoofdstuk 5, Titel 5.6, van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 246 Artikel 7.7.32 1. De veroordeelde kan een bezwaarschrift indienen bij de rechtbanktegen de beslissing van de officier van justitie tot:a. wijziging van de taakstraf;b. toepassing van de vervangende jeugddetentie bij de taakstraf.2. Artikel 7.6.21, tweede en derde lid, is van overeenkomstigetoepassing.Artikel 7.7.33 1. De officier van justitie en de veroordeelde kunnen hoger beroepinstellen tegen de beslissing van de rechtbank over opheffing of wijzigingvan de inhoud van de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid.2. De officier van justitie en de veroordeelde kunnen hoger beroepinstellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tegen de beslissing vande rechtbank over:a. verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen;b. verlenging van de voorwaardelijke beëindiging van de maatregel vanplaatsing in een inrichting voor jeugdigen;c. terugplaatsing in een inrichting tijdens de voorwaardelijke beëin-diging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen;d. omzetting van de maatregel van plaatsing in een inrichting voorjeugdigen in de maatregel van terbeschikkingstelling;e. verlenging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige.3. Artikel 7.6.22, tweede, derde en vijfde lid, is van toepassing. Indienhet hoger beroep betrekking heeft op de beslissing, bedoeld in het tweedelid, onderdelen a en b, is artikel 7.4.8, vijfde lid, van overeenkomstigetoepassing.ARTIKEL III Boek 8 van het Wetboek van Strafvordering komt te luiden:BOEK 8 INTERNATIONALE EN EUROPESE STRAFRECHTELIJKE SAMEN-WERKING HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 8.1.1 1. Internationale en Europese strafrechtelijke samenwerking vindt plaatsin overeenstemming met de daarvoor geldende verdragen en verbin-dende besluiten van volkenrechtelijke organisaties.2. De bepalingen in dit boek vinden geen toepassing indien dezetoepassing niet verenigbaar is met de verdragen en verbindende besluitenvan volkenrechtelijke organisaties, bedoeld in het eerste lid.3. De bepalingen in dit boek strekken mede tot aanvulling van de in heteerste lid bedoelde verdragen en verbindende besluiten van volkenrechte-lijke organisaties, voor zover zij daarmee niet onverenigbaar zijn.Artikel 8.1.2 1. In dit boek wordt verstaan onder:– Kaderbesluit 2003/577/JBZ: Kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raadvan 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie vanbeslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (PbEU 2003,L 196/45);Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 247 – Kaderbesluit 2008/947/JBZ: Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raadvan 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel vanwederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oogop het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PbEU2008, L 337/102);– Kaderbesluit 2009/829/JBZ: Kaderbesluit 2009/829/JBZ van de Raadvan 23 oktober 2009 inzake de toepassing, tussen de lidstaten van deEuropese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslis-singen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopigehechtenis (PbEU 2009, L 294/20);– Richtlijn 2011/99/EU: Richtlijn 2011/99/EU van het Europees Parlementen de Raad van 13 december 2011 betreffende het Europees bescher-mingsbevel (PbEU 2011, L 338/2);– Richtlijn 2014/41/EU: Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlementen de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel instrafzaken (PbEU 2014, L 130/1);– Verordening (EU) 2018/1805: Verordening (EU) 2018/1805 van hetEuropees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake dewederzijdse erkenning van bevriezingsbevelen en confiscatiebevelen(PbEU 2018, L 303/1).2. Waar in dit boek wordt gesproken over lidstaat wordt daaronderverstaan de lidstaat van de Europese Unie die is gebonden door dedesbetreffende rechtshandeling van de Europese Unie.Artikel 8.1.3 De artikelen 1.3.1 en 1.3.5 zijn van toepassing op de uitoefening vanbevoegdheden die in dit boek aan de officier van justitie zijn toegekend,ook voor zover die uitoefening niet gerekend kan worden tot opsporing envervolging.Artikel 8.1.4 1. In gevallen waarin in dit boek bevoegdheden worden toegekend aanopsporingsambtenaren, worden daaronder verstaan de ambtenaren,bedoeld in artikel 1.3.10.2. De artikelen 1.3.12 tot en met 1.3.16 en Boek 2, Titels 1.2 tot en met1.6, zijn van overeenkomstige toepassing, ook voor zover de uitoefeningvan de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, niet gerekend kanworden tot opsporing.Artikel 8.1.5 Indien Nederland een van een andere staat ontvangen verzoek of beveluitvoert en dit boek voorziet in de mogelijkheid om een klaagschrift in tedienen bij de rechtbank of in dit boek is bepaald dat verlof van derechtbank is vereist, zijn bevoegd om daarover te oordelen:a. als het rechtshulpverzoek of bevel is uitgevoerd door de officier vanjustitie bij een arrondissementsparket: de rechtbank van het desbetref-fende arrondissement;b. als het rechtshulpverzoek of bevel is uitgevoerd door de officier vanjustitie bij het landelijk parket, het functioneel parket of het parket centraleverwerking openbaar ministerie: de rechtbank Amsterdam, de rechtbankDen Haag, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en derechtbank Rotterdam.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 248 Artikel 8.1.6 In gevallen waarin dit boek voorziet in het optreden van de rechter-commissaris ter uitvoering van een ontvangen verzoek of bevel, isbevoegd de rechter-commissaris in de rechtbank in het rechtsgebiedwaarin diens optreden is vereist dan wel de rechter-commissaris in derechtbanken Amsterdam, Den Haag, Oost-Brabant, Overijssel enRotterdam.Artikel 8.1.7 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden vastgesteld over hetvastleggen van gegevens over de uitvoering van de bepalingen in ditboek.HOOFDSTUK 2 INTERNATIONALE RECHTSHULP IN STRAFZAKEN TITEL 2.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 8.2.1 De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op rechtshulp doorNederland in het kader van de opsporing, de vervolging en de berechtingvan strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke sanctiesaan de autoriteiten van een andere staat en op rechtshulp door autori-teiten van een andere staat dienaangaande aan Nederland, tenzij:a. uit een verdrag of verbindende rechtshandeling van de EuropeseUnie het tegendeel volgt; ofb. in die rechtshulp is voorzien in het bepaalde bij of krachtens anderewetten.Artikel 8.2.2 1. Als verzoeken om rechtshulp worden aangemerkt verzoeken vandaartoe bevoegde autoriteiten van een staat aan de bevoegde autoriteitenvan een andere staat tot het al dan niet gezamenlijk verrichten vanonderzoekshandelingen met het oog op de verkrijging van bewijsmate-riaal, de bepaling van te confisqueren voordeel of de verkrijging vanandere relevante informatie, tot het verlenen van medewerking daaraan,tot het verrichten van handelingen ter beëindiging van een strafbaar feitof ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten, tot het toezenden vanstukken, tot het geven van inlichtingen, dan wel tot het betekenen of opandere wijze aanbieden van berichten aan derden.2. Een verzoek om rechtshulp kan ook worden gericht aan een internati-onaal gerecht. Een verzoek om rechtshulp van een internationaal gerechtkan worden uitgevoerd indien dit voortvloeit uit een verdrag of andervolkenrechtelijk instrument, en daartoe geen bijzondere wettelijkeregeling is getroffen. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van overeen-komstige toepassing.TITEL 2.2 VERZOEKEN OM RECHTSHULP GERICHT AAN EEN ANDERESTAAT Artikel 8.2.3 1. Bevoegd tot het richten van een verzoek om rechtshulp aan deautoriteiten van een andere staat zijn de officier van justitie, de rechter-commissaris die onderzoek verricht op grond van de artikelen 2.10.1 toten met 2.10.4 en het gerecht in feitelijke aanleg dat de zaak behandelt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 249 2. Het verzoek om rechtshulp kan worden gedaan door een opsporings-ambtenaar indien het uitsluitend is gericht op het verkrijgen van inlich-tingen van buitenlandse opsporingsambtenaren waarover die buiten-landse opsporingsambtenaren al beschikken of die betrekking hebben opelders vastgelegde gegevens voor het verkrijgen waarvan door diebuitenlandse opsporingsambtenaren uitsluitend onderzoekshandelingenhoeven te worden verricht waartoe in een Nederlands onderzoek eenopsporingsambtenaar zelfstandig bevoegd is.3. Verzending van het verzoek om rechtshulp vindt plaats door OnzeMinister. Wanneer een verdrag voorziet in rechtstreekse toezending vanverzoeken aan justitiële autoriteiten, wordt het verzoek verzonden door deofficier van justitie, de rechter-commissaris of het gerecht, bedoeld in heteerste lid. Verzending van verzoeken als bedoeld in het tweede lid kandoor een opsporingsambtenaar plaatsvinden.Artikel 8.2.4 Een verzoek om rechtshulp kan alleen aan de autoriteiten van eenandere staat worden gericht indien is voldaan aan de vereisten die opgrond van de Nederlandse wet gelden voor de uitoefening van de in hetverzoek om rechtshulp gevraagde bevoegdheden in een nationaalonderzoek naar deze strafbare feiten.Artikel 8.2.5 1. Een verzoek om rechtshulp kan worden gedaan om een getuige ofdeskundige die zich op het grondgebied van de andere staat bevindt pervideoconferentie te doen horen, verhoren of ondervragen door derechter-commissaris of een gerecht. Het verzoek kan eveneens wordengedaan voor het, anders dan in het kader van zijn berechting, doen horen,verhoren of ondervragen van dan wel het laten bijwonen van een verhoorof zitting door een verdachte per videoconferentie.2. De bepalingen in dit wetboek inzake het horen, verhoren of onder-vragen van een verdachte, getuige of deskundige door de rechter-commissaris of een gerecht zijn van overeenkomstige toepassing op deuitvoering van het verzoek tot verhoor per videoconferentie.3. De praktische regeling voor toepassing van de videoconferentiewordt overeengekomen tussen de rechter-commissaris die of het gerechtdat het verzoek heeft gedaan en de uitvoerende autoriteit van de anderestaat.4. Indien de uitvoerende autoriteit van de andere staat niet over detechnische middelen voor een videoconferentie beschikt, kunnen deze naoverleg ter beschikking worden gesteld.Artikel 8.2.6 De officier van justitie kan een verzoek om rechtshulp doen voor hetvastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13. De officier vanjustitie overlegt met de andere staat over of het verzoek wordt uitgevoerddoor:a. rechtstreekse doorgeleiding van communicatie naar Nederland, ofb. vastlegging en vervolgens overdracht van het resultaat van deinterceptie aan Nederland.Artikel 8.2.7 1. Indien een bevel tot het vastleggen van communicatie op grond vanartikel 2.8.13 betrekking heeft op een communicatieadres van een in hetbevel genoemde persoon dat in gebruik is op het grondgebied van deandere lidstaat en het vastleggen van de communicatie kan wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 250 uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, stelt de officiervan justitie, voor zover een verdrag dat voorschrijft, die staat hiervan inkennis. De kennisgeving vindt plaats:a. voorafgaand aan het vastleggen van communicatie ingeval de officiervan justitie weet dat de persoon op wie de beslissing tot het vastleggenvan communicatie betrekking heeft, zich op het grondgebied van deandere lidstaat bevindt of zal bevinden;b. tijdens of na het vastleggen van communicatie, zodra de officier vanjustitie weet dat de persoon op wie de beslissing tot het vastleggen vancommunicatie betrekking heeft, zich tijdens het vastleggen op hetgrondgebied van de andere lidstaat bevindt of heeft bevonden.2. Aan de beslissing van de bevoegde autoriteiten van de andere staatnaar aanleiding van de kennisgeving wordt direct uitvoering gegeven.Artikel 8.2.8 1. Een verzoek om rechtshulp kan worden gedaan om een bericht aan tebieden aan een adres in een andere staat. Als de andere staat eenkennisgeving doet dat het bericht is uitgereikt aan degene voor wie hetbericht is bestemd, geldt deze uitreiking als betekening in persoon.2. Indien het toepasselijke verdrag dat toelaat, kan het openbaarministerie het bericht rechtstreeks toezenden aan degene voor wie hetbericht is bestemd. De toezending wordt als uitreiking aangemerkt.3. Onverminderd het bepaalde in de voorgaande boeken ten aanzienvan de vertaling van stukken, wordt indien aannemelijk is dat degene voorwie het bericht is bestemd de Nederlandse taal niet of onvoldoendebeheerst, een vertaling van de essentiële onderdelen van het berichtmeegezonden.TITEL 2.3 VERZOEKEN OM RECHTSHULP GERICHT AAN NEDERLAND Artikel 8.2.9 1. Het verzoek om rechtshulp wordt in ontvangst genomen door OnzeMinister. Tenzij Onze Minister van oordeel is dat het verzoek klaarblijkelijkniet kan worden ingewilligd, draagt hij het verzoek en de daarbijbehorende stukken over aan de officier van justitie. Indien de officier vanjustitie tot het oordeel komt dat het verzoek niet kan worden ingewilligdbericht hij Onze Minister, die naar aanleiding daarvan beslist.2. Wanneer een verdrag voorziet in rechtstreekse toezending vanverzoeken aan justitiële autoriteiten, wordt het verzoek in ontvangstgenomen door de officier van justitie. De officier van justitie beslist overde inwilliging van het verzoek.3. De inwilliging en uitvoering van het verzoek om rechtshulp kunnenplaatsvinden door een opsporingsambtenaar indien het verzoekuitsluitend is gericht op het verkrijgen van inlichtingen waarover deopsporingsambtenaar al beschikt of die betrekking hebben op eldersvastgelegde gegevens voor het verkrijgen waarvan uitsluitend onder-zoekshandelingen hoeven te worden verricht waartoe de opsporings-ambtenaar in een nationaal onderzoek zelfstandig bevoegd is.Artikel 8.2.10 1. Voor zover het verzoek om rechtshulp is gegrond op een verdragwordt daaraan zoveel mogelijk het verlangde gevolg gegeven.2. In gevallen waarin een verzoek niet op een verdrag is gegrond en ingevallen waarin het toepasselijke verdrag niet tot inwilliging verplicht, kaneen verzoek om rechtshulp van een bevoegde autoriteit van een andereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 251 staat worden ingewilligd, tenzij de inwilliging in strijd is met een wettelijkvoorschrift of dient te worden geweigerd op grond van het algemeenbelang.3. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven in gevallen waarin naoverleg met de autoriteiten van de verzoekende staat moet wordenvastgesteld dat inwilliging zou strekken tot het verlenen van medewerkingaan een strafvervolging of berechting die zou leiden tot schending van hetbeginsel ne bis in idem.4. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven indien het is gedaan tenbehoeve van een onderzoek naar feiten ter zake waarvan tegen deverdachte in Nederland een opsporingsonderzoek is ingesteld en ook uitoverleg met de autoriteiten van de verzoekende staat is gebleken datinwilliging van het verzoek niet verenigbaar zou zijn met de Nederlandsebelangen bij de strafvervolging dan wel zou leiden tot schending van hetbeginsel ne bis in idem.5. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven indien een gegrondvermoeden bestaat dat inwilliging van het verzoek zou leiden tot flagranteschending van de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoalsdie worden gewaarborgd door het Europees Verdrag tot bescherming vande rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.6. Aan het verzoek wordt geen gevolg gegeven in gevallen waarin eengegrond vermoeden bestaat dat het is gedaan ten behoeve van eenonderzoek gericht op een strafvervolging, het straffen of het op anderewijze treffen van de verdachte in verband met zijn godsdienstige,levensbeschouwelijke dan wel staatkundige overtuiging, zijn nationaliteit,zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort. In afwijking vanartikel 8.2.9 beslist Onze Minister ter zake.7. Aan verzoeken ten behoeve van een onderzoek naar strafbare feitenvan politieke aard of daarmee verband houdende feiten wordt in afwijkingvan artikel 8.2.9 niet voldaan dan na toestemming van Onze Minister. Dietoestemming kan alleen worden gegeven voor verzoeken die op eenverdrag zijn gegrond en slechts na overleg met Onze Minister vanBuitenlandse Zaken.8. Het zevende lid is niet van toepassing indien het verzoek is gebaseerdop een verdrag waarin ten aanzien van bepaalde strafbare feiten isbepaald dat deze in het kader van strafrechtelijke samenwerking nietworden aangemerkt als strafbare feiten van politieke aard of daarmeeverband houdende feiten.9. Aan verzoeken die zijn gedaan ten behoeve van een onderzoek naarstrafbare feiten met betrekking tot retributies, belastingen, douane,deviezen, of daarmee verband houdende feiten, en waarvan de inwilligingvan belang kan zijn voor ‘s Rijksbelastingdienst, dan wel aan verzoekendie betrekking hebben op gegevens die onder ’s Rijksbelastingdienstberusten of aan ambtenaren van deze dienst in de uitoefening van hunbediening bekend zijn geworden, wordt in afwijking van artikel 8.2.9 nietvoldaan dan na toestemming van Onze Minister. Die toestemming kanalleen worden gegeven na overleg met Onze Minister van Financiën.Artikel 8.2.11 1. Indien het verzoek niet kan worden ingewilligd, worden de autori-teiten van de verzoekende staat daarvan zo spoedig mogelijk in kennisgesteld. In geval het verzoek niet kan worden ingewilligd omdat hetonvolledig is, worden de autoriteiten van de verzoekende staat eerst in degelegenheid gesteld om het verzoek aan te vullen. Indien het verzoek nietkan worden ingewilligd op de in artikel 8.2.9, zevende lid, bedoelde grond,wordt de beslissing op het verzoek langs diplomatieke weg ter kennis vande autoriteiten van de verzoekende staat gebracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 252 2. Indien het verzoek voor inwilliging vatbaar is, wordt de verzoekendestaat daarvan direct in kennis gesteld. De officier van justitie die hetverzoek uitvoert treedt zo nodig in overleg over de wijze van uitvoeringvan het verzoek.Artikel 8.2.12 1. De officier van justitie draagt zorg voor de spoedige uitvoering vaneen voor inwilliging vatbaar verzoek om rechtshulp.2. Bij de uitvoering van het verzoek worden, binnen de mogelijkhedendie het van toepassing zijnde verdrag en de wet daartoe bieden, zoveelmogelijk de door de verzoekende staat aangegeven formaliteiten enprocedures in acht genomen.Artikel 8.2.13 1. Ter uitvoering van een daartoe strekkend verzoek om rechtshulpkunnen door de officier van justitie, de hulpofficier van justitie, deopsporingsambtenaar en de rechter-commissaris de bevoegdhedenworden uitgeoefend die zij kunnen uitoefenen in een Nederlandsonderzoek naar dezelfde strafbare feiten.2. De bevoegdheidsuitoefening blijft binnen de grenzen die daaraan ineen Nederlands onderzoek zijn gesteld en vindt, onverminderd hetbepaalde in artikel 8.2.12, tweede lid, plaats met inachtneming van debepalingen die op een vergelijkbaar Nederlands onderzoek betrekkinghebben. Indien echter het verzoek op een verdrag is gebaseerd, worden,tenzij uit het verdrag het tegendeel blijkt en onverminderd de overeen-komstige toepassing van Boek 2, Titel 7.5, bepalingen die verband houdenmet het onderzoeksbelang en de daaraan gerelateerde eisen vanproportionaliteit buiten beschouwing gelaten.3. Indien meerdere bevoegdheden zich lenen voor uitvoering van hetverzoek om rechtshulp, wordt gekozen voor toepassing van de voorbetrokkenen minst ingrijpende bevoegdheid, tenzij uit het verzoek omrechtshulp of uit overleg met de autoriteiten van de verzoekende staatblijkt dat toepassing van een andere bevoegdheid is aangewezen.4. Bevoegdheden die in een Nederlands onderzoek slechts kunnenworden uitgeoefend door of na machtiging van de rechter-commissaris,kunnen alleen worden uitgeoefend ter uitvoering van een verzoek datafkomstig is van rechterlijke autoriteiten van een andere staat.5. Indien het optreden van de rechter-commissaris voor uitvoering vanhet verzoek noodzakelijk of gewenst is, dient de officier van justitie eendaartoe strekkende vordering in bij de rechter-commissaris. De officiervan justitie omschrijft in de vordering het gewenste onderzoek. Devordering kan te allen tijde worden ingetrokken.6. De rechter-commissaris stelt de door hem ter uitvoering van hetverzoek om rechtshulp verkregen voorwerpen en gegevens direct terbeschikking aan de officier van justitie.Artikel 8.2.14 1. Indien het verzoek om rechtshulp strekt tot het gezamenlijk verrichtenvan onderzoekshandelingen op Nederlands grondgebied dan wel tot hetverlenen van medewerking aan het door buitenlandse ambtenarenverrichten van onderzoekshandelingen op Nederlands grondgebied,kunnen die ambtenaren in het kader van de uitvoering van dat verzoekgeen andere bevoegdheden uitoefenen dan die welke zij kunnentoepassen op grond van de tussen de betrokken staten geldendeverdragen, verbindende rechtshandelingen van de Europese Unie en deNederlandse wet. Artikel 8.2.13, tweede lid, is van overeenkomstigetoepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 253 2. Het optreden van buitenlandse ambtenaren, bedoeld in het eerste lid,behoeft de voorafgaande toestemming van de Nederlandse officier vanjustitie. Die ambtenaren staan bij dat optreden onder het gezag van deofficier van justitie.Artikel 8.2.15 1. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitieuitvoering geven aan een verzoek tot het doen horen, verhoren ofondervragen per videoconferentie door bevoegde buitenlandse autori-teiten, onder zijn leiding, van een getuige of deskundige. Ook kanuitvoering worden gegeven aan een verzoek om, anders dan in het kadervan zijn berechting, een verdachte per videoconferentie te doen horen,verhoren of ondervragen dan wel een verhoor of zitting te laten bijwonen.2. De bepalingen in dit wetboek inzake het horen, verhoren of onder-vragen van een verdachte, getuige of deskundige door de rechter-commissaris zijn van overeenkomstige toepassing op de uitvoering vanhet verzoek tot horen, verhoren of ondervragen per videoconferentie.3. De praktische regeling voor toepassing van de videoconferentiewordt overeengekomen tussen de rechter-commissaris en de autoriteit diehet verzoek heeft gedaan.Artikel 8.2.16 1. Voor zover een verdrag daarin voorziet, kan op verzoek van eenbuitenlandse autoriteit communicatie die op grond van artikel 8.2.13overeenkomstig artikel 2.8.13 wordt vastgelegd, rechtstreeks wordendoorgeleid naar het buitenland. Artikel 8.2.13, tweede lid, tweede zin, isniet van toepassing indien de communicatie betrekking heeft op eengebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt.2. Indien de vastgelegde en rechtstreeks doorgeleide communicatiebetrekking heeft op een gebruiker die zich op Nederlands grondgebiedbevindt, worden aan de doorgeleiding de voorwaarden verbonden, dat degegevens verkregen door het vastleggen van de communicatie:a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan eenpersoon die zich op grond van de artikelen 1.6.7 en 1.6.8 zou kunnenverschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingenzou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te wordenvernietigd; enb. alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek inhet kader waarvan het rechtshulpverzoek is gedaan en dat voor hetgebruik voor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te wordengevraagd en te zijn verkregen.Artikel 8.2.17 1. Een kennisgeving, op basis van een verdrag, van de bevoegdeautoriteiten van een andere staat over het voornemen tot vastleggen ofhet vastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13 van eengebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt, wordt directdoorgezonden aan de officier van justitie.2. De officier van justitie vordert direct dat de rechter-commissaris,binnen de in het toepasselijke verdrag gestelde termijn, hem machtigt tothet verlenen van instemming met het voornemen tot vastleggen of hetvastleggen van communicatie als bedoeld in het eerste lid door debevoegde buitenlandse autoriteiten.3. De rechter-commissaris beslist op de vordering met inachtnemingvan het toepasselijke verdrag en met overeenkomstige toepassing vanartikel 8.2.13, eerste en tweede lid, eerste zin.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 254 4. Indien de machtiging wordt verleend, stelt de officier van justitie deautoriteiten van wie de kennisgeving afkomstig is, binnen de in hettoepasselijke verdrag gestelde termijn, in kennis van de instemming methet voornemen tot vastleggen of het vastleggen van communicatie vaneen gebruiker die zich op Nederlands grondgebied bevindt. Hij verbindtdaaraan de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld,alsmede de voorwaarden dat de gegevens verkregen door het vastleggenvan de communicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op Neder-lands grondgebied:a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan eenpersoon die zich op grond van de artikelen 1.6.7 en 1.6.8 kan verschonenindien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou wordengevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd;enb. alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek inhet kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruikvoor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagden te zijn verkregen.5. Indien de machtiging wordt verleend, is artikel 2.8.2 van overeenkom-stige toepassing.6. Indien de machtiging niet wordt verleend, stelt de officier van justitiede autoriteiten van wie de kennisgeving afkomstig is, binnen de in hettoepasselijke verdrag gestelde termijn, in kennis dat niet wordt ingestemdmet het voornemen tot vastleggen of het vastleggen van communicatieen eist hij, voor zover nodig, dat het vastleggen direct wordt stopgezet.7. In een kennisgeving als bedoeld in het zesde lid die betrekking heeftop het vastleggen dat al een aanvang heeft genomen, wordt ookopgenomen dat de gegevens, verkregen door het vastleggen vancommunicatie van de gebruiker tijdens diens verblijf op Nederlandsgrondgebied, niet mogen worden gebruikt en dienen te wordenvernietigd, tenzij, met inachtneming van het toepasselijke verdrag, naaraanleiding van een daartoe strekkend nieuw verzoek in bijzonderegevallen en onder nadere voorwaarden enig gebruik wordt toegestaandoor Onze Minister.Artikel 8.2.18 1. De officier van justitie kan, zo nodig door tussenkomst van OnzeMinister, de resultaten van de uitvoering van het verzoek om rechtshulpter beschikking stellen aan de autoriteiten van de verzoekende staat.Indien een klaagschrift als bedoeld in artikel 8.2.26 is ingediend of nog kanworden ingediend, overeenkomstig artikel 2.7.71, eerste lid, beroep isingesteld of nog kan worden ingesteld dan wel op grond van artikel 8.2.27verlof van de rechtbank is vereist, vindt de overdracht van de daaropbetrekking hebbende resultaten pas plaats nadat onherroepelijk is beslistop het klaagschrift of het beroep of nadat de in artikel 8.2.26, eerste lid,genoemde termijn of de termijn voor de indiening van het beroepongebruikt is verstreken dan wel nadat het verlof is verleend.2. Tenzij aannemelijk is dat de rechthebbende op de inbeslaggenomenvoorwerpen niet in Nederland verblijf houdt, wordt door de officier vanjustitie bij de afgifte aan de autoriteiten van de verzoekende staatbedongen, dat de voorwerpen zullen worden teruggezonden zodradaarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.3. Artikel 2.1.18, tweede lid, is niet van toepassing voor zover dedesbetreffende gegevens aan de andere staat zijn afgegeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 255 Artikel 8.2.19 1. Het betekenen of op andere wijze aanbieden van berichten aanderden, ter uitvoering van een verzoek om rechtshulp, vindt plaats metovereenkomstige toepassing van de wettelijke voorschriften over hetbetekenen en aanbieden van vergelijkbare berichten in een Nederlandsonderzoek.2. Is bij een voor inwilliging vatbaar verzoek uitdrukkelijk de voorkeurgegeven aan betekening of uitreiking aan de geadresseerde in persoon,dan wordt zoveel mogelijk dienovereenkomstig gehandeld.Artikel 8.2.20 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsworden gesteld over de inwilliging en uitvoering van verzoeken omrechtshulp.TITEL 2.4 FEITEN BEGAAN AAN BOORD VAN LUCHTVAARTUIGEN Artikel 8.2.21 1. De gezagvoerder van een Nederlands luchtvaartuig kan op grond vanartikel 9, eerste lid, van het op 14 september 1963 in Tokio tot standgekomen Verdrag inzake strafbare feiten en bepaalde andere handelingenbegaan aan boord van luchtvaartuigen (Trb. 1964, 115) iedere inzittendevan wie hij redelijkerwijs mag aannemen dat deze aan boord een misdrijfheeft begaan waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf vanvier jaar of meer is gesteld, aan de bevoegde autoriteiten van de staatwaar het luchtvaartuig landt overdragen.2. De officier van justitie kan de gezagvoerder van een Nederlandsluchtvaartuig bevelen van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid,gebruik te maken.Artikel 8.2.22 1. Wanneer het onderzoek, dat na de landing van een buitenlandsluchtvaartuig in Nederland op grond van artikel 13, vierde lid, van het inartikel 8.2.21, eerste lid, bedoelde verdrag moet worden ingesteld naarhetgeen aan boord van het luchtvaartuig is voorgevallen, betrekking heeftop een feit ten aanzien waarvan de Nederlandse strafwet niet toepasselijkis, wordt het ingesteld overeenkomstig de bepalingen die gelden voor eenopsporingsonderzoek met betrekking tot andere misdrijven dan diewaarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar ofmeer is gesteld.2. De opsporingsambtenaren die het onderzoek verrichten kunnen devoorwerpen in beslag nemen die de gezagvoerder van het buitenlandseluchtvaartuig op grond van artikel 9, derde lid, van het in het eerste lidbedoelde verdrag na de landing overlevert, evenals andere voorwerpendie kunnen dienen om de waarheid aan het licht te brengen. Artikel 8.2.13,eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.Artikel 8.2.23 1. In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden, dat dehandeling van een inzittende van een luchtvaartuig, naar aanleidingwaarvan deze na de landing van het luchtvaartuig in Nederland op grondvan artikel 9, eerste lid, van het in artikel 8.2.21, eerste lid, bedoeldeverdrag is overgedragen, een overtreding vormt van een strafbepaling dieop discriminatie op de in artikel 8.2.10, zesde lid, bedoelde grondenberust, wordt geen onderzoek ingesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 256 2. In gevallen waarin grond bestaat voor het vermoeden dat de in heteerste lid bedoelde handeling een overtreding vormt van een strafbaar feitvan politieke aard wordt geen onderzoek ingesteld dan na toestemmingvan Onze Minister. Die toestemming kan slechts worden gegeven naoverleg met de Minister van Buitenlandse Zaken.TITEL 2.5 BIJZONDERE PROCEDURES EN RECHTSMIDDELEN Artikel 8.2.24 1. Indien door een andere staat gevolg is gegeven aan een door deofficier van justitie of de rechter-commissaris gedaan verzoek omrechtshulp dat betrekking heeft op de inbeslagneming van voorwerpendan wel het overnemen van gegevens, bevelen gegevens te verstrekken,het ontoegankelijk maken van gegevens of bevelen tot het bewaren enbeschikbaar houden van gegevens, zijn de artikelen 6.4.1, 6.4.4, 6.4.5,6.4.6, 6.4.7, 6.4.9, eerste lid, 6.4.11 en 6.4.14 van overeenkomstigetoepassing, met dien verstande dat alleen geklaagd kan worden over hetverzoek en de voortduring van het daaraan gegeven gevolg.2. Indien onbekend is of berechting zal plaatsvinden zijn, in afwijkingvan artikel 6.4.1, derde lid, bevoegd om over het klaagschrift te oordelen:a. als het rechtshulpverzoek is gedaan door de rechter-commissaris ofde officier van justitie bij een arrondissementsparket: de rechtbank vanhet desbetreffende arrondissement;b. als het rechtshulpverzoek is gedaan door de officier van justitie bij hetlandelijk parket, het functioneel parket of het parket centrale verwerkingopenbaar ministerie: de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag,de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbankRotterdam.3. Indien de rechter het beklag gegrond acht, geeft de officier vanjustitie daaraan zoveel mogelijk het daarmee overeenkomende gevolg.4. Indien een belanghebbende zich in de uitvoerende staat beklaagt overde inwilliging en de uitvoering van het verzoek en de officier van justitie ofde rechter-commissaris hiervan door de uitvoerende autoriteit in kenniswordt gesteld, kan hij deze autoriteit de nodige inlichtingen over hetverzoek verschaffen.Artikel 8.2.25 1. Indien door Nederland uitvoering wordt gegeven aan een door eenandere staat gedaan verzoek om rechtshulp, staan voor de officier vanjustitie en de betrokkene de met de uitoefening van bevoegdheden directverband houdende rechtsmiddelen eveneens open, met overeenkomstigetoepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen, tenzij de wetanders bepaalt.2. De rechter doet geen onderzoek naar de gronden voor het doen vanhet verzoek om rechtshulp en oordeelt met inachtneming van artikel8.2.13, tweede lid.3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing tenaanzien van de bevoegdheid tot inbeslagneming, bedoeld in artikel 8.2.22,tweede lid.Artikel 8.2.26 1. De officier van justitie stelt de persoon onder wie voorwerpen inbeslag zijn genomen, bij wie gegevens zijn overgenomen tijdens eenbetreding of doorzoeking of tijdens een onderzoek van gegevens in eendigitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, of door wie op beveldaartoe gegevens zijn verstrekt, in kennis van zijn bevoegdheid omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 257 binnen twee weken na de kennisgeving overeenkomstig artikel 6.4.1 of6.4.5 een klaagschrift in te dienen bij de rechtbank.2. Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat eeninbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoortof verstrekte of overgenomen gegevens in overwegende mate betrekkinghebben op andere personen dan de persoon die ze heeft verstrekt of depersoon bij wie de gegevens zijn overgenomen, doet hij de nodigenasporingen naar deze directe belanghebbenden in Nederland teneindehen een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid te doen toekomen.3. Indien een klaagschrift is ingediend of overeenkomstig artikel 2.7.71,eerste lid, beroep is ingesteld, stelt de officier van justitie de autoriteitenvan de verzoekende staat, zo nodig door tussenkomst van Onze Minister,daarvan in kennis. De autoriteiten van de verzoekende staat worden opdezelfde wijze van de beslissing op het klaagschrift dan wel het beroep inkennis gesteld.4. Bij de behandeling van het klaagschrift blijft, indien door de autori-teiten van de verzoekende staat om geheimhouding is verzocht, artikel1.2.15, tweede lid, buiten toepassing.5. De rechtbank beslist binnen een maand na ontvangst van hetklaagschrift, bedoeld in het eerste lid.6. Indien overeenkomstig artikel 6.4.14 beroep in cassatie is ingesteldtegen de beslissing van de rechtbank, bedraagt de termijn voor indieningvan middelen van cassatie twee weken. De Hoge Raad beslist binnen driemaanden na indiening van de schriftuur.Artikel 8.2.27 1. De kennisgeving bedoeld in artikel 8.2.26, eerste en tweede lid, blijftachterwege indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor in hetgedrang zou komen. De officier van justitie dient alsdan in gevallenwaarin de over te dragen voorwerpen in beslag zijn genomen of ingevallen waarin de over te dragen gegevens zijn verkregen mettoepassing van artikel 2.7.46, derde lid, artikel 2.7.48 al dan niet insamenhang met artikel 2.7.53 of artikel 2.7.68, tweede lid, bij de rechtbankeen vordering in tot verlening van verlof tot overdracht van de desbetref-fende voorwerpen of gegevens aan de autoriteiten van de verzoekendestaat. Een vordering tot verlof wordt eveneens ingediend indien de over tedragen gegevens zijn verkregen met toepassing van de artikelen 2.8.13,2.8.15, en 2.8.16 al dan niet in samenhang met artikel 2.8.21.2. Indien door de autoriteiten van de verzoekende staat om de geheim-houding is verzocht, dan wel uit de aard van het verzoek blijkt datgeheimhouding is geboden, wordt voor de toepassing van artikel 1.2.18,vijfde lid, verondersteld dat het belang van het onderzoek ernstig wordtgeschaad door toepassing van artikel 1.2.18, tweede tot en met vierde lid.In dat geval blijft artikel 1.2.15, tweede lid, buiten toepassing.3. Artikel 8.2.25, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing. Derechtbank beslist binnen een maand na ontvangst van de vordering.4. De officier van justitie kan binnen twee weken na dagtekening van debeslissing van de rechtbank beroep in cassatie instellen. De termijn voorindiening van middelen van cassatie bedraagt twee weken. De Hoge Raadbeslist binnen drie maanden na indiening van de schriftuur.HOOFDSTUK 3 INTERNATIONALE GEMEENSCHAPPELIJKEONDERZOEKSTEAMS Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 258 TITEL 3.1 INSTELLING EN UITVOERING Artikel 8.3.1 1. Voor zover een verdrag of een verbindende rechtshandeling van deEuropese Unie daarin voorziet, kan de officier van justitie voor eenbeperkte periode, ten behoeve van het gezamenlijk uitvoeren vanstrafrechtelijke onderzoeken, tezamen met de bevoegde autoriteiten vanandere staten een gemeenschappelijk onderzoeksteam instellen.2. De instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam wordt doorde officier van justitie met de bevoegde autoriteiten van de betrokkenstaten schriftelijk overeengekomen.3. In de overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, worden in elk gevalvastgelegd het doel, de bestaansperiode, de plaats van vestiging en desamenstelling van het gemeenschappelijke onderzoeksteam, de doorNederlandse opsporingsambtenaren in een andere staat en de doorbuitenlandse opsporingsambtenaren in Nederland uit te oefenenbevoegdheden alsmede de verplichting voor buitenlandse opsporings-ambtenaren om gehoor te geven aan een oproeping om in de strafzaakals getuige te worden gehoord door de rechter.Artikel 8.3.2 1. In het kader van het onderzoek kunnen door de officier van justitie, dehulpofficier van justitie, de opsporingsambtenaar en de rechter-commissaris de bevoegdheden worden uitgeoefend die zij kunnenuitoefenen in een Nederlands onderzoek naar dezelfde strafbare feiten.2. Buitenlandse opsporingsambtenaren die deel uitmaken van hetgemeenschappelijke onderzoeksteam kunnen in Nederland geen anderebevoegdheden uitoefenen dan die welke zij kunnen toepassen op grondvan de tussen de bij het gemeenschappelijke onderzoeksteam betrokkenstaten geldende verdragen, verbindende rechtshandelingen van deEuropese Unie en de Nederlandse wet.3. De bevoegdheidsuitoefening in Nederland blijft binnen de grenzendie daaraan in een Nederlands onderzoek zijn gesteld en vindt plaats metinachtneming van de bepalingen die op een vergelijkbaar Nederlandsonderzoek betrekking hebben.Artikel 8.3.3 1. Communicatie die op grond van artikel 2.8.13 wordt vastgelegd, kanrechtstreeks worden doorgeleid aan het gemeenschappelijk onderzoek-steam.2. Indien de communicatie betrekking heeft op een gebruiker vancommunicatie die zich op Nederlands grondgebied bevindt, stelt deofficier van justitie aan de doorgeleiding de voorwaarden dat de gegevensverkregen door het vastleggen van de communicatie:a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan eenpersoon die zich op grond van de artikelen 1.6.7 en 1.6.8 zou kunnenverschonen indien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingenzou worden gevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te wordenvernietigd; enb. alleen mogen worden gebruikt voor het onderzoek van het gemeen-schappelijke onderzoeksteam en dat voor het gebruik voor enig anderdoel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagd en te zijnverkregen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 259 Artikel 8.3.4 Voorwerpen en gegevens die in Nederland met gebruikmaking vanenige bevoegdheid ten behoeve van in het onderzoek van het gemeen-schappelijk onderzoeksteam zijn verkregen kunnen direct ten behoeve vanhet onderzoek van het gemeenschappelijke onderzoeksteam terbeschikking worden gesteld aan het gemeenschappelijke onderzoek-steam.Artikel 8.3.5 1. De officier van justitie die betrokken is bij het gemeenschappelijkonderzoeksteam verbindt aan de terbeschikkingstelling, bedoeld in artikel8.3.4, dan wel de doorgeleiding, bedoeld in artikel 8.3.3, de voorwaardendat:a. het Nederlandse recht ten aanzien van de voorwerpen en gegevensvolledig wordt gerespecteerd;b. de voorwerpen en gegevens niet als bewijsmiddel worden gebruikt.2. Indien de strafvervolging van het strafbare feit zal plaatsvinden in eenandere staat kunnen de voorwaarden, bedoeld in het eerste lid, door deofficier van justitie worden opgeheven. In dat geval bedingt de officier vanjustitie dat de voorwerpen worden teruggezonden zodra daarvan het voorde strafvordering nodige gebruik is gemaakt, tenzij aannemelijk is dat derechthebbende op die voorwerpen niet in Nederland verblijf houdt.3. Indien een klaagschrift als bedoeld in artikel 8.3.8 is ingediend of nogkan worden ingediend, overeenkomstig artikel 2.7.71, eerste lid, beroep isingesteld of nog kan worden ingesteld dan wel op grond van artikel 8.3.9verlof van de rechtbank is vereist, worden de voorwaarden, bedoeld in heteerste lid, pas opgeheven nadat onherroepelijk is beslist op het klaag-schrift of het beroep of nadat de in artikel 8.3.8 genoemde termijnongebruikt is verstreken dan wel nadat het verlof is verleend.Artikel 8.3.6 Processen-verbaal en andere schriftelijke stukken die door buitenlandseambtenaren die deel uitmaken van het gemeenschappelijk onderzoek-steam in de wettelijke vorm zijn opgemaakt ten behoeve van hetonderzoek van het gemeenschappelijk onderzoeksteam hebben dezelfdebewijskracht als processen-verbaal en andere schriftelijke stukkenopgemaakt door Nederlandse ambtenaren, met dien verstande dat debewijskracht niet uitgaat boven die welke zij hebben naar het recht van destaat waaruit de buitenlandse ambtenaren afkomstig zijn.TITEL 3.2 BIJZONDERE PROCEDURES EN RECHTSMIDDELEN Artikel 8.3.7 De met de uitoefening van bevoegdheden direct verband houdenderechtsmiddelen die in een Nederlands onderzoek openstaan voor deofficier van justitie en de betrokkene, staan voor hen, met overeenkom-stige toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen,eveneens open bij de uitvoering van onderzoek door of onder gezag vande officier van justitie ten behoeve van het gemeenschappelijke onder-zoeksteam, tenzij de wet anders bepaalt.Artikel 8.3.8 1. De officier van justitie stelt de personen, bedoeld in artikel 8.2.26,eerste lid, in kennis van hun bevoegdheid om binnen twee weken na dekennisgeving overeenkomstig artikel 6.4.1 of 6.4.5 een klaagschrift in teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 260 dienen tegen het voornemen om de voorwaarden overeenkomstig artikel8.3.5, tweede lid, op te heffen bij de rechtbank in het rechtsgebiedwaarbinnen het onderzoeksteam is gevestigd. Indien het onderzoeksteamniet in Nederland is gevestigd is artikel 8.1.5 van overeenkomstigetoepassing.2. In het geval, bedoeld in artikel 8.2.26, tweede lid, doet de officier vanjustitie de nodige nasporingen naar de directe belanghebbenden, bedoeldin dat artikel, in Nederland teneinde hen een kennisgeving als bedoeld inhet eerste lid te doen toekomen.3. Artikel 8.2.26, derde tot en met vijfde lid, is van overeenkomstigetoepassing.Artikel 8.3.9 1. De kennisgeving, bedoeld in artikel 8.3.8, eerste en tweede lid, blijftachterwege indien de geheimhouding van het onderzoek daardoor in hetgedrang zou komen. De officier van justitie dient alsdan in gevallenwaarin de over te dragen voorwerpen in beslag zijn genomen of ingevallen waarin de over te dragen gegevens zijn verkregen mettoepassing van artikel 2.7.48 al dan niet in samenhang met artikel 2.7.53 ofartikel 2.7.68, tweede lid, bij de rechtbank, bedoeld in artikel 8.3.8, eerstelid, een vordering in tot verlening van verlof tot opheffing van devoorwaarden als bedoeld in artikel 8.3.5, tweede lid. Een vordering totverlof wordt eveneens ingediend indien de gegevens ten aanzien waarvanhet voornemen bestaat de voorwaarden op te heffen, zijn verkregen mettoepassing van de artikelen 2.8.13, 2.8.15 en 2.8.16 al dan niet insamenhang met artikel 2.8.21.2. Het eerste lid, tweede en derde zin, is niet van toepassing indien destaat, bedoeld in artikel 8.3.5, tweede lid, is gebonden door Richtlijn2014/41/EU.3. De rechtbank beslist binnen een maand na ontvangst van devordering.4. De officier van justitie kan binnen twee weken na dagtekening van debeslissing van de rechtbank beroep in cassatie instellen. De termijn voorindiening van middelen van cassatie bedraagt twee weken. De Hoge Raadbeslist binnen drie maanden na indiening van de schriftuur.HOOFDSTUK 4 OVERDRACHT EN OVERNAME VAN STRAFVER-VOLGING TITEL 4.1 OVERDRACHT VAN STRAFVERVOLGING Artikel 8.4.1 1. Overdracht van strafvervolging vindt plaats op basis van een verzoekaan een andere staat om ter zake van een bepaald strafbaar feit eenstrafvervolging in te stellen.2. Het verzoek kan ook worden gedaan als de Nederlandse strafwet niettoepasselijk is. Onverminderd artikel 8.4.2, tweede lid, staan anderevervolgingsbeletselen aan overdracht van strafvervolging in de weg.Artikel 8.4.2 1. Overdracht van strafvervolging kan niet plaatsvinden als in de zaakeen procesinleiding is ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist.2. Indien bij onherroepelijk vonnis of arrest een straf of maatregel isopgelegd, is overdracht van strafvervolging ter zake van hetzelfde feituitgesloten, tenzij het toepasselijke verdrag daarin uitdrukkelijk voorziet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 261 Artikel 8.4.3 1. In afwijking van artikel 8.4.2 kan een verzoek als bedoeld in artikel8.4.1 als de hoofdzaak in Nederland is berecht, wordt berecht of zalworden berecht, beperkt zijn tot de behandeling van de met dieberechting samenhangende vordering tot ontneming van wederrechtelijkverkregen voordeel.2. Overdracht als bedoeld in het eerste lid kan niet plaatsvinden als inde zaak een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregenvoordeel is ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist, tenzij dievordering samen met de procesinleiding is ingediend en daarna overeen-komstig artikel 4.4.14 of 4.4.22 van de berechting is afgesplitst.3. Indien de ontnemingsmaatregel bij onherroepelijk vonnis of arrest isopgelegd, is overdracht als bedoeld in het eerste lid slechts mogelijkindien de tenuitvoerlegging van die maatregel niet mogelijk is.Artikel 8.4.4 1. Het verzoek tot strafvervolging wordt gedaan:a. door de officier van justitie aan de justitiële autoriteiten van deandere staat indien en voor zover het toepasselijke verdrag uitdrukkelijk indie rechtstreekse toezending voorziet;b. in andere gevallen door Onze Minister op voorstel van de officier vanjustitie.2. Het voorstel bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, is gemotiveerd. Deofficier van justitie legt daarbij de processtukken over die hij voor debeoordeling van het voorstel van belang acht. Onze Minister beslist zospoedig mogelijk na de ontvangst van het voorstel over het daaraan tegeven gevolg.3. Onze Minister doet een verzoek tot strafvervolging aan de autoriteitenvan een andere staat door tussenkomst van Onze Minister van Buiten-landse Zaken.4. Onze Minister stelt de officier van justitie in kennis van de beslissingdie hij over het voorstel heeft genomen en van de kennisgevingen die hijnaar aanleiding van het verzoek om strafvervolging van de autoriteitenvan de andere staat heeft ontvangen.Artikel 8.4.5 1. Het verzoek tot strafvervolging en het daartoe strekkende voorstelvan de officier van justitie worden gedaan in het belang van een goederechtsbedeling.2. In het geval, bedoeld in artikel 8.4.3, is artikel 4.4.17, eerste lid, vanovereenkomstige toepassing op het verzoek tot strafvervolging of hetvoorstel daartoe van de officier van justitie.Artikel 8.4.6 1. De officier van justitie die voornemens is een verzoek tot strafver-volging te doen of die een daartoe strekkend voorstel aan Onze Ministerdoet, stelt de verdachte die is verhoord, de verdachte ten aanzien van wieeen vervolging is ingesteld of de veroordeelde van zijn voornemen ofvoorstel en de motivering daarvan in kennis. Eveneens stelt hij debenadeelde partij die de wens te kennen heeft gegeven dat haar schade inhet strafproces wordt vergoed in kennis. De kennisgeving wordt aan deverdachte of de veroordeelde en de benadeelde partij betekend. Indien deverdachte, veroordeelde of benadeelde partij zich niet in Nederlandbevindt, kan de kennisgeving achterwege worden gelaten indienbetekening niet mogelijk is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 262 2. De kennisgeving vermeldt wat in artikel 8.4.28, eerste en tweede lid,is bepaald.3. In het geval de kennisgeving moet worden betekend aan deverdachte die is verhoord, blijft een kennisgeving van niet-vervolgingachterwege.4. De officier van justitie of Onze Minister doet het voorgenomen ofvoorgestelde verzoek tot strafvervolging niet totdat de termijn, genoemdin artikel 8.4.28, eerste lid, is verstreken dan wel, als binnen die termijneen bezwaarschrift wordt ingediend, totdat op dat bezwaarschrift isbeslist.Artikel 8.4.7 1. De officier van justitie die een verzoek tot strafvervolging doet, draagtde processtukken voor zover mogelijk over aan de autoriteiten van deandere staat. Indien het verzoek tot strafvervolging door Onze Ministerwordt gedaan, stelt de officier van justitie Onze Minister tot overdrachtvan de processtukken in staat.2. Een aan de autoriteiten van een andere staat gedaan verzoek totstrafvervolging kan uiterlijk tot de ontvangst van een kennisgevingomtrent de daarop in die staat genomen beslissing worden ingetrokken.Artikel 8.4.8 1. Buiten het geval, bedoeld in artikel 8.4.3, onthoudt de officier vanjustitie die een verzoek tot strafvervolging of een voorstel daartoe doetzich van het indienen van een procesinleiding. In het geval, bedoeld inartikel 8.4.3, onthoudt hij zich van het indienen van een vordering totontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.2. Indien het verzoek of het voorstel van de officier van justitiebetrekking heeft op het geval, bedoeld in artikel 8.4.2, tweede lid, of artikel8.4.3, derde lid, onthoudt Onze Minister zich van de daadwerkelijketenuitvoerlegging van de opgelegde straf of maatregel.3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing ingeval van:a. afwijzing van het voorstel door Onze Minister;b. intrekking van het verzoek tot strafvervolging; ofc. kennisgeving door de autoriteiten van de andere staat dat afwijzendop het verzoek is beslist.Artikel 8.4.9 1. Indien de autoriteiten van de andere staat het verzoek tot strafver-volging inwilligen, vervalt het recht tot strafvordering of, in het in artikel8.4.3 bedoelde geval, de bevoegdheid om de vordering tot ontneming vanwederrechtelijk verkregen voordeel in te dienen. In het in artikel 8.4.2,tweede lid, en artikel 8.4.3, derde lid, bedoelde geval vervalt het recht omde straf of maatregel ten uitvoer te leggen.2. De in het eerste lid bedoelde rechten en bevoegdheid herleven indiende autoriteiten van de andere staat kennisgeven dat zij de inwilliging vanhet verzoek intrekken, dat geen strafvervolging wordt ingesteld of dat deop het verzoek ingestelde strafvervolging is gestaakt.Artikel 8.4.10 1. In de gevallen, bedoeld in de artikelen 8.4.8, derde lid, en 8.4.9,tweede lid, stelt de officier van justitie de verdachte of de veroordeeldedaarvan in kennis. De kennisgeving wordt aan de verdachte of veroor-deelde betekend. Indien de verdachte of veroordeelde zich niet inNederland bevindt, kan de kennisgeving achterwege worden gelatenindien betekening niet mogelijk is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 263 2. Tenzij het verzoek of voorstel betrekking had op een overdracht vanstrafververvolging als bedoeld in artikel 8.4.2, tweede lid, of artikel 8.4.3,derde lid, beslist de officier van justitie in de in het eerste lid bedoeldegevallen zo spoedig mogelijk over het instellen van een vervolging, of,ingeval van een verzoek of voorstel als bedoeld in artikel 8.4.3, eerste lid,over het indienen van een vordering tot ontneming van wederrechtelijkverkregen voordeel. De artikelen 3.1.3 en 3.1.4 zijn van overeenkomstigetoepassing.TITEL 4.2 OVERNAME VAN STRAFVERVOLGING AFDELING 4.2.1 OVERNAME VAN STRAFVERVOLGING VAN EEN ANDERESTAAT Artikel 8.4.11 Over een door de bevoegde autoriteit van een andere staat gedaanverzoek tot het instellen van een strafvervolging wordt beslist:a. door de officier van justitie indien en voor zover het toepasselijkeverdrag uitdrukkelijk voorziet in rechtstreekse toezending van het verzoekaan justitiële autoriteiten;b. in andere gevallen door Onze Minister.Artikel 8.4.12 In de gevallen, bedoeld in artikel 8.4.11, onderdeel a, wordt het verzoekin ontvangst genomen door de officier van justitie.Artikel 8.4.13 1. In de gevallen bedoeld in artikel 8.4.11, onderdeel b, wordt hetverzoek in ontvangst genomen door Onze Minister.2. Tenzij Onze Minister van oordeel is dat het verzoek klaarblijkelijk nietkan worden ingewilligd, draagt hij het verzoek en de daarbij gevoegdestukken voor advies over aan de officier van justitie. Het advies wordt zospoedig mogelijk ter kennis gebracht van Onze Minister.3. Indien de officier van justitie het verzoek, bedoeld in het eerste lid,ontvangt, brengt hij dat verzoek met de daarbij gevoegde stukken, onderoverlegging van zijn advies, ter kennis van Onze Minister.Artikel 8.4.14 1. De officier van justitie dan wel Onze Minister neemt zo spoedigmogelijk een beslissing, waarbij het verzoek tot strafvervolging wordtingewilligd dan wel afgewezen.2. Voordat de officier van justitie dan wel Onze Minister zijn beslissingneemt, kan hij de verzoekende autoriteit in de gelegenheid stellen tot hetverschaffen van nadere inlichtingen binnen een door hem te stellentermijn, indien daaraan met het oog op de te nemen beslissing behoeftebestaat.3. Indien het verzoek op een verdrag is gegrond en de bevoegdheid totstrafvervolging voor Nederland uitsluitend uit dat verdrag volgt, wordt deverdachte of de veroordeelde op wie het verzoek betrekking heeft door deofficier van justitie die is bevoegd te beslissen of die advies uitbrengt aanOnze Minister, daarover gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen.Artikel 1.4.8 is van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 264 Artikel 8.4.15 1. Het verzoek tot strafvervolging wordt in elk geval afgewezen indien:a. het feit waarvoor de strafvervolging wordt verzocht:1°. naar Nederlands recht niet strafbaar is;2°. van politieke aard is of met een strafbaar feit van politieke aardsamenhangt;3°. een militair delict is;b. het recht tot strafvordering wegens het feit waarvoor de strafver-volging wordt verzocht naar Nederlands recht of dat van de staat waarvanhet verzoek is uitgegaan door verjaring is vervallen;c. het verzoek tot strafvervolging dient om de verdachte of de veroor-deelde op wie het betrekking heeft te treffen in verband met zijn godsdien-stige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijnras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort; ofd. vervolging in Nederland zou leiden tot schending van het beginselvan ne bis in idem.2. Het verzoek kan worden afgewezen indien het betrekking heeft op eenvreemdeling die zijn vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeftof indien het instellen van een strafvervolging om andere redenen niet inhet belang van een goede rechtsbedeling is.3. Een niet op een verdrag gegrond verzoek kan ook worden afgewezenindien de strafvervolging waarom wordt verzocht naar het oordeel van deofficier van justitie niet kan of moet plaatshebben.4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien de strafwetvan de verzoekende staat niet toepasselijk is op het feit ten aanzienwaarvan de strafvervolging wordt verzocht.5. Inwilliging van een verzoek dat strekt tot het indienen van eenafzonderlijke vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregenvoordeel vindt plaats onafhankelijk van de vraag of de verdachte of deveroordeelde op wie het verzoek betrekking heeft, zijn vaste woon- ofverblijfplaats binnen Nederland heeft.Artikel 8.4.16 1. De inwilliging van een verzoek tot strafvervolging kan, zolang deprocesinleiding of de afzonderlijke vordering tot ontneming van weder-rechtelijk verkregen voordeel nog niet is ingediend, worden ingetrokkenindien uit het opsporingsonderzoek of anderszins blijkt van omstandig-heden die, waren zij bekend geweest ten tijde van de beslissing op hetverzoek, tot afwijzing daarvan zouden hebben geleid. De inwilliging wordtin ieder geval ingetrokken indien is gebleken van een van de gronden,genoemd in artikel 8.4.15, eerste lid.2. De inwilliging van een verzoek tot strafvervolging kan eveneensworden ingetrokken indien de straf of maatregel die bij onherroepelijkvonnis of arrest is opgelegd niet kan worden tenuitvoergelegd.Artikel 8.4.17 1. De officier van justitie of, als Onze Minister bevoegd is over hetverzoek tot strafvervolging te beslissen, Onze Minister, stelt de autoriteitenvan de staat waarvan het verzoek is uitgegaan in kennis van de beslis-singen die hij over het verzoek heeft genomen.2. Hij stelt die autoriteiten ook in kennis van de uitkomst van destrafvervolging die naar aanleiding van het verzoek is ingesteld.3. Onze Minister stelt ook de officier van justitie die heeft geadviseerd inkennis van een door hem genomen beslissing over het verzoek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 265 Artikel 8.4.18 1. Indien geen rechtbank bevoegd is, zijn bevoegd de rechtbankAmsterdam, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel of derechtbank Rotterdam.2. Indien een ingewilligd verzoek strekt tot de indiening van eenafzonderlijke vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregenvoordeel is tot behandeling van die vordering bevoegd de rechtbank diebevoegd is de zaak te berechten als de vordering samen met de procesin-leiding bij haar zou zijn ingediend dan wel de rechtbank in het rechts-gebied waarbinnen voorwerpen aanwezig zijn waarop de maatregel totontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden tenuit-voergelegd.Artikel 8.4.19 1. Voor zover het toepasselijke verdrag daarin voorziet, kan, in gevallenwaarin de bevoegdheid tot strafvervolging pas ontstaat door de overnamevan de strafvervolging, de verdachte of de veroordeelde op wie hetverzoek tot strafvervolging betrekking heeft al voordat op dat verzoek isbeslist met overeenkomstige toepassing van de daarop betrekkinghebbende bepalingen uit Boek 1 en Boek 2 worden aangehouden, wordenopgehouden voor onderzoek, in verzekering worden gesteld en invoorlopige hechtenis worden genomen.2. Op de voorwerpen die de aangehouden persoon met zich voert, isartikel 2.7.7 van overeenkomstige toepassing. De aangehouden persoonkan met overeenkomstige toepassing van de artikelen 2.6.6 en 2.6.7 aankleding en lichaam worden onderzocht voor zover dat nodig is voor devaststelling van zijn identiteit of de inbeslagneming van meegevoerdevoorwerpen.Artikel 8.4.20 Processen-verbaal en andere schriftelijke stukken die door ambtenarenvan de verzoekende staat in de wettelijke vorm zijn opgemaakt hebbendezelfde bewijskracht als processen-verbaal en andere schriftelijkestukken opgemaakt door Nederlandse ambtenaren, met dien verstandedat de bewijskracht niet uitgaat boven die welke zij in de verzoekendestaat hebben.Artikel 8.4.21 1. Een verzoek tot uitlevering van een zich in Nederland bevindendepersoon, die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens een strafbaarfeit, bedoeld in een van de in het tweede lid genoemde bepalingen vanverdragen, wordt, indien dat verzoek afkomstig is van een staat diegebonden is aan de bepalingen van het desbetreffende verdrag en indiende uitlevering bij rechterlijke uitspraak ontoelaatbaar is verklaard of hetverzoek bij ministeriële beschikking wordt afgewezen, beschouwd als eeningewilligd verzoek tot strafvervolging.2. Het eerste lid heeft betrekking op strafbare feiten, bedoeld in:– artikel 1 van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme(Trb. 1977, 63);– artikel 2 van het Verdrag ter bestrijding van terroristische bomaan-slagen (Trb. 1999, 161);– artikel 2 van het Verdrag ter bestrijding van de financiering vanterrorisme (Trb. 2000, 12);– de artikelen 5, 6, 7 en 9 van het Europees Verdrag ter voorkoming vanterrorisme (Trb. 2006, 34);Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 266 – de artikelen 2 tot en met 6 van het Aanvullend Protocol bij het Verdragvan de Raad van Europa ter voorkoming van Terrorisme (Trb. 2016, 180).3. De inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan nietworden ingetrokken op de grond dat het verzoek een vreemdeling betreftdie zijn vaste woon- of verblijfplaats buiten Nederland heeft.4. De inwilliging kan evenmin worden ingetrokken op de in artikel8.4.15, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2°, genoemde grondindien het verzoeken betreft die zijn gegrond op het Europees Verdrag totbestrijding van terrorisme en op de Overeenkomst betreffende detoepassing van dat Verdrag tussen de Lidstaten van de EuropeseGemeenschappen (Trb. 1980, 14), op het Verdrag ter bestrijding vanterroristische bomaanslagen, op het Verdrag ter bestrijding van definanciering van terrorisme, op het Europees Verdrag ter voorkoming vanterrorisme of op het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad vanEuropa ter voorkoming van terrorisme.AFDELING 4.2.2 OVERNAME VAN STRAFVERVOLGING VAN EENINTERNATIONAAL GERECHT Artikel 8.4.22 1. Onze Minister beslist over een van een internationaal gerechtafkomstig verzoek tot het instellen van een strafvervolging.2. De officier van justitie die rechtstreeks van een internationaal gerechteen verzoek ontvangt tot het instellen van een strafvervolging, zendt datverzoek met de daarbij gevoegde stukken aan Onze Minister. Indien deofficier van justitie van het landelijk parket het verzoek rechtstreeks vaneen internationaal gerecht ontvangt, voegt hij zijn advies bij de stukkendie hij aan Onze Minister zendt bij.Artikel 8.4.23 Tenzij Onze Minister van oordeel is dat het verzoek tot strafvervolgingklaarblijkelijk niet voor inwilliging in aanmerking komt, zendt hij hetverzoek met de daarbij gevoegde stukken voor advies aan de officier vanjustitie bij het landelijk parket.Artikel 8.4.24 1. Zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het advies van de officiervan justitie neemt Onze Minister een beslissing, waarbij het verzoek tothet instellen van een strafvervolging wordt ingewilligd dan welafgewezen.2. Alvorens zijn beslissing omtrent het verzoek tot strafvervolging tenemen, kan Onze Minister het internationaal gerecht waarvan het verzoekis uitgegaan in de gelegenheid stellen tot het verschaffen van nadereinlichtingen binnen een door hem te stellen termijn indien daaraan methet oog op de beslissing omtrent het verzoek behoefte bestaat.Artikel 8.4.25 1. Onze Minister stelt de officier van justitie en het internationaalgerecht waarvan het verzoek tot strafvervolging is uitgegaan in kennis vanzijn beslissing op het verzoek.2. Onze Minister stelt het internationaal gerecht ook in kennis van deuitkomst van de strafvervolging die naar aanleiding van het verzoek isingesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 267 Artikel 8.4.26 Indien geen rechtbank bevoegd is, zijn de rechtbank Amsterdam, derechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbankRotterdam bevoegd om de strafbare feiten te berechten waarop hetverzoek betrekking heeft.Artikel 8.4.27 De artikelen 8.4.16, 8.4.19 en 8.4.20 zijn van overeenkomstigetoepassing.TITEL 4.3 RECHTSMIDDELEN Artikel 8.4.28 1. Tegen een kennisgeving als bedoeld in artikel 8.4.6, eerste lid, kan deverdachte of de veroordeelde dan wel de benadeelde partij binnen tweeweken een bezwaarschrift indienen bij de rechtbank.2. Bevoegd om over het bezwaarschrift te oordelen zijn:a. als de kennisgeving is gedaan door de officier van justitie bij eenarrondissementsparket: de rechtbank van het desbetreffendearrondissement;b. als de kennisgeving is gedaan door de officier van justitie bij hetlandelijk parket: het functioneel parket of het parket centrale verwerkingopenbaar ministerie: de rechtbank Amsterdam, de rechtbank Den Haag,de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel en de rechtbankRotterdam.3. Als de rechtbank het bezwaarschrift gegrond acht, verklaart zij hetvoorgenomen of het voorgestelde verzoek tot strafvervolging ontoe-laatbaar.HOOFDSTUK 5 EUROPEES ONDERZOEKSBEVEL TITEL 5.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 8.5.1 In de bepalingen van deze titel wordt verstaan onder Europeesonderzoeksbevel: een bevel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, vanRichtlijn 2014/41/EU.Artikel 8.5.2 1. Een Europees onderzoeksbevel kan door een rechterlijke autoriteitvan een lidstaat worden uitgevaardigd om in een andere lidstaat een ofmeer bevoegdheden te laten uitoefenen met het oog op verkrijging vanbewijsmateriaal in een strafzaak dan wel om bewijsmateriaal te verkrijgendat al in het bezit is van de bevoegde autoriteit van de uitvoerendelidstaat.2. Een Europees onderzoeksbevel kan ook worden uitgevaardigd in eenprocedure die door een bestuurlijke of rechterlijke autoriteit is ingesteld inverband met feiten die volgens het nationale recht van de uitvaardigendelidstaat strafbaar zijn, mits tegen de beslissing beroep mogelijk is bij eenin het bijzonder in strafzaken bevoegde rechter.3. Een Europees onderzoeksbevel kan niet worden gebruikt voor deinstelling van en de bewijsgaring in het kader van een gemeenschappelijkonderzoeksteam als bedoeld in artikel 8.3.1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 268 Artikel 8.5.3 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelsworden gesteld met betrekking tot de uitvaardiging, erkenning enuitvoering van Europese onderzoeksbevelen.TITEL 5.2 UITVAARDIGING VAN EEN EUROPEES ONDERZOEKSBEVEL AFDELING 5.2.1 ALGEMENE BEPALINGEN OVER DE UITVAARDIGING VANEEN EUROPEES ONDERZOEKSBEVEL Artikel 8.5.4 1. De officier van justitie, de rechter-commissaris of het gerecht infeitelijke aanleg dat de zaak behandelt, kan als uitvaardigende autoriteiteen Europees onderzoeksbevel uitvaardigen tot uitoefening van bevoegd-heden in een andere lidstaat.2. Uitvaardiging van een bevel kan alleen plaatsvinden nadat isvastgesteld dat:a. het uitvaardigen van het bevel voor het onderzoek noodzakelijk is enin verhouding staat tot het doel van het onderzoek, daarbij rekeninghoudend met de rechten van de verdachte of beschuldigde; enb. is voldaan aan de vereisten die op grond van de Nederlandse wetgelden voor uitoefening van de in het bevel aangegeven bevoegdheden ineen nationaal onderzoek naar deze strafbare feiten.Artikel 8.5.5 1. Het Europees onderzoeksbevel wordt opgesteld overeenkomstig hetformulier opgenomen in bijlage A bij Richtlijn 2014/41/EU.2. Het bevel bevat ten minste de volgende informatie:a. gegevens over de uitvaardigende autoriteit;b. het onderwerp en de redenen van het bevel;c. de beschikbare noodzakelijke informatie over de betrokkene(n);d. een beschrijving van het strafbare feit dat het voorwerp vormt vanhet onderzoek of de strafzaak, alsmede de wettelijke kwalificatie van hetfeit naar Nederlands recht;e. een beschrijving van de gevraagde bevoegdheid en het te verkrijgenbewijsmateriaal.3. De uitvaardigende autoriteit kan in het bevel formaliteiten enprocedures opnemen die de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat bij deuitvoering van het bevel zo veel mogelijk in acht nemen. Dit kan medeomvatten het verzoek om bij de uitvoering van het bevel aanwezig te zijn.4. Indien een bevel wordt uitgevaardigd ter aanvulling van een eerderbevel, wordt dit vermeld in onderdeel D van bijlage A. Artikel 8.5.4,tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.5. De uitvaardigende autoriteit vertaalt de ingevulde formulierenopgenomen in bijlage A en bijlage C bij Richtlijn 2014/41/EU in eenofficiële taal van de uitvoerende lidstaat of in een andere, door deuitvoerende lidstaat met inachtneming van artikel 5, tweede lid, vanRichtlijn 2014/41/EU aangegeven taal.Artikel 8.5.6 1. De uitvaardigende autoriteit zendt het overeenkomstig de artikelen8.5.4 en 8.5.5 ingevulde Europees onderzoeksbevel toe aan de toterkenning en uitvoering bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat,op zodanige wijze dat dit schriftelijk kan worden vastgelegd en deuitvoerende lidstaat de echtheid ervan kan vaststellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 269 2. Alle verdere officiële communicatie vindt rechtstreeks plaats tussende uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit.3. Een aanvullend bevel als bedoeld in artikel 8.5.5, vierde lid, kan doorde uitvaardigende autoriteit, indien zij bijstand verleent bij de uitvoeringvan het oorspronkelijke bevel in de uitvoerende lidstaat en in die lidstaataanwezig is, rechtstreeks ter beschikking worden gesteld van de uitvoe-rende autoriteit.AFDELING 5.2.2 NADERE BEPALINGEN OVER DE UITVAARDIGING VANEEN EUROPEES ONDERZOEKSBEVEL DAT BETREKKING HEEFT OPBEPAALDE BEVOEGDHEDEN Artikel 8.5.7 1. Een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd om eengetuige of deskundige die zich op het grondgebied van de uitvoerendelidstaat bevindt per videoconferentie te doen horen, verhoren of onder-vragen door de rechter-commissaris of een gerecht. Het bevel kaneveneens worden uitgevaardigd voor het doen horen, verhoren ofondervragen van een verdachte per videoconferentie.2. Op de inhoud van het bevel alsmede op de uitvoering daarvan zijn debepalingen die in dit wetboek zijn opgenomen voor het horen, verhoren ofondervragen van een verdachte, getuige of deskundige door de rechter-commissaris of het gerecht van overeenkomstige toepassing.3. De praktische regeling voor de toepassing van de videoconferentiewordt overeengekomen tussen de rechter-commissaris die of het gerechtdat het bevel heeft uitgevaardigd en de uitvoerende autoriteit.4. Indien de uitvoerende autoriteit niet over de technische middelenvoor een videoconferentie beschikt, kunnen deze na overleg terbeschikking worden gesteld.Artikel 8.5.8 1. Een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd voor detijdelijke overbrenging naar Nederland door de uitvoerende lidstaat vaneen persoon die aldaar rechtens zijn vrijheid is ontnomen, ter uitoefeningvan een bevoegdheid voor het verkrijgen van bewijs waarvoor zijnaanwezigheid in Nederland is vereist.2. De praktische regeling voor de tijdelijke overbrenging van debetrokkene met inbegrip van de specifieke voorwaarden waaronder zijnvrijheidsbeneming in Nederland zal plaatsvinden en de termijnenwaarbinnen hij uit de uitvoerende lidstaat moet worden overgebracht endaarheen moet worden teruggebracht, wordt door de uitvaardigendeautoriteit en de uitvoerende lidstaat overeengekomen, met inachtnemingvan de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de betrokkene en het inNederland vereiste beveiligingsniveau.3. Indien nodig verzoekt de officier van justitie de autoriteiten van eenandere lidstaat om doortocht.4. De overgebrachte persoon wordt gedurende zijn verblijf in Nederlandop bevel van de officier van justitie in verzekering gesteld. De artikelen 61en 64, eerste lid, van de Overleveringswet zijn voor zover nodig vanovereenkomstige toepassing.5. De inverzekeringstelling wordt door de officier van justitie opgehevenzodra hij ervan in kennis wordt gesteld dat de uitvoerende lidstaat om devrijlating van de betrokkene heeft verzocht.6. Onverminderd het vierde lid wordt de overgebrachte persoon inNederland niet vervolgd, wordt hem niet zijn vrijheid ontnomen en wordthij niet anderszins aan een beperking van de persoonlijke vrijheidonderworpen wegens feiten die zijn gepleegd of veroordelingen die zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 270 uitgesproken voordat hij de uitvoerende lidstaat heeft verlaten en die nietin het bevel zijn vermeld.7. De in het zesde lid bedoelde onschendbaarheid eindigt indien deovergebrachte persoon gedurende een termijn van vijftien opeenvolgendedagen vanaf de datum waarop zijn aanwezigheid niet langer doorNederland is vereist, de gelegenheid heeft gehad Nederland te verlaten,maar:a. niettemin is gebleven; ofb. na Nederland te hebben verlaten, is teruggekeerd.8. De kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkenenaar en van Nederland, worden door de Nederlandse autoriteitengedragen.Artikel 8.5.9 1. Een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd voor detijdelijke overbrenging van een persoon die in Nederland rechtens zijnvrijheid is ontnomen naar de uitvoerende lidstaat, ter uitoefening van eenbevoegdheid voor het verkrijgen van bewijs waarvoor zijn aanwezigheidin de uitvoerende lidstaat is vereist.2. De uitvaardiging van het bevel vindt slechts plaats, indien:a. de betrokkene met de tijdelijke overbrenging instemt; enb. de overbrenging de vrijheidsbeneming van de betrokkene nietverlengt.3. Onverminderd het tweede lid, onderdeel a, wordt, indien deuitvaardigende autoriteit het in verband met de leeftijd, de lichamelijke ofgeestelijke gesteldheid van de ter beschikking te stellen persoon nodigacht, aan diens wettelijk vertegenwoordiger de mogelijkheid geboden zijnoordeel te geven over de tijdelijke overbrenging.4. Indien nodig verzoekt de officier van justitie de autoriteiten van eenandere staat om doortocht.5. De overgebrachte persoon verblijft op het grondgebied van deuitvoerende lidstaat en, in voorkomend geval, van de lidstaat vandoortocht, in detentie wegens de feiten ten aanzien waarvan in Nederlandzijn vrijheid is ontnomen, tenzij de uitvaardigende autoriteit om zijnvrijlating verzoekt. De uitvaardigende autoriteit verzoekt om de vrijlatingvan de betrokkene zodra zij ervan in kennis wordt gesteld dat de grondvoor detentie in Nederland niet langer bestaat.6. De detentie op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat wordt inmindering gebracht op de duur van de vrijheidsbeneming die debetrokkene in Nederland moet of zal moeten ondergaan.7. De kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkenenaar en van de uitvoerende lidstaat, worden door de Nederlandseautoriteiten gedragen.Artikel 8.5.10 1. De officier van justitie kan een Europees onderzoeksbevel uitvaar-digen voor het vastleggen van communicatie als bedoeld in artikel 2.8.13.Indien het bevel door meerdere lidstaten in zijn geheel kan wordenuitgevoerd, wordt het bevel gericht aan een van die lidstaten, waarbijvoorrang wordt gegeven aan de lidstaat waar de persoon op wie hetvastleggen van communicatie betrekking heeft zich bevindt of zalbevinden.2. Het bevel bevat de volgende informatie:a. informatie aan de hand waarvan de identiteit van de persoon op wiede interceptie van communicatie betrekking heeft, kan wordenvastgesteld;b. de gewenste duur van de interceptie; enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 271 c. voldoende technische gegevens, in het bijzonder ter bepaling van hetdoelwit van de interceptie, met het oog op de uitvoering van het bevel.3. In het bevel wordt aangegeven waarom de interceptie van communi-catie van belang wordt geacht voor de strafzaak.4. De officier van justitie overlegt met de uitvoerende autoriteit over ofhet bevel wordt uitgevoerd door:a. rechtstreekse doorgeleiding van communicatie naar Nederland; ofb. vastlegging en vervolgens overdracht van het resultaat van deinterceptie aan Nederland.5. De officier van justitie kan, indien hij daarvoor een bijzondere redenheeft, verzoeken om een transcriptie, decodering of ontsleuteling van devastgelegde communicatie. Indien de uitvoerende autoriteit daarmeeinstemt, komen de kosten die voortvloeien uit de transcriptie, decoderingof ontsleuteling van de vastgelegde communicatie voor rekening van deNederlandse autoriteiten.Artikel 8.5.11 1. De officier van justitie zendt de bevoegde autoriteit van een anderelidstaat het formulier opgenomen in bijlage C bij Richtlijn 2014/41/EU toe,indien een bevel tot het vastleggen van communicatie op grond vanartikel 2.8.13 betrekking heeft op een communicatieadres van een in hetbevel genoemde persoon dat in gebruik is op het grondgebied van deandere lidstaat en het vastleggen van de communicatie kan wordenuitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat. Dit vindt plaats:a. voorafgaand aan het vastleggen van communicatie ingeval de officiervan justitie weet dat de persoon op wie de beslissing tot het vastleggenvan communicatie betrekking heeft, zich op het grondgebied van deandere lidstaat bevindt of zal bevinden;b. tijdens of na het vastleggen van communicatie, zodra de officier vanjustitie weet dat de persoon op wie de beslissing tot het vastleggen vancommunicatie betrekking heeft, zich tijdens het vastleggen op hetgrondgebied van de andere lidstaat bevindt of heeft bevonden.2. Aan de beslissing van de bevoegde autoriteit van de andere lidstaatnaar aanleiding van de kennisgeving wordt direct uitvoering gegeven.Artikel 8.5.12 1. Indien het bevel betrekking heeft op een bevoegdheid als bedoeld inde artikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.10, 2.8.11, 2.8.12, 2.8.15, 2.8.18 en 2.8.19, opgecontroleerde aflevering, of op de verstrekking van gegevens alsbedoeld in de artikelen 2.7.46, voor zover het bevel betrekking heeft opgegevens betreffende bankrekeningen, andere financiële rekeningen,bankoperaties en financiële operaties van andere financiële instellingen,en 2.7.49, geeft de officier van justitie in het Europees onderzoeksbevel deredenen op waarom hij toepassing van de bevoegdheid van belang achtvoor de strafzaak. In een bevel dat strekt tot het verstrekken van gegevensals bedoeld in artikel 2.7.46, vierde lid, onderdelen a tot en met d,betreffende bankrekeningen en andere financiële rekeningen wordtinformatie verschaft die de uitvoering ervan kan vergemakkelijken.2. De praktische regeling van de uitoefening van een bevoegdheid alsbedoeld in de artikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.15, 2.8.18 en 2.8.19, van deverstrekking van toekomstige gegevens als bedoeld in artikel 2.7.49, envan een gecontroleerde aflevering wordt in onderling overleg tussen deofficier van justitie en de autoriteiten van de uitvoerende lidstaat bepaald.3. De duur van de uitvoering van een heimelijke bevoegdheid alsbedoeld in de artikelen 2.8.10, 2.8.11, 2.8.12 en 2.8.19, de naderevoorwaarden en de rechtspositie van de betrokken functionarissen tijdensde uitvoering wordt door de officier van justitie in overleg met deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 272 autoriteiten van de uitvoerende lidstaat overeengekomen, in overeen-stemming met de Nederlandse wet.Artikel 8.5.13 1. Een Europees onderzoeksbevel kan worden uitgevaardigd voor hettreffen van een voorlopige maatregel ter voorkoming van de vernietiging,omzetting, verplaatsing, overdracht of vervreemding van voorwerpen engegevens die als bewijsmateriaal kunnen worden gebruikt.2. Het bevel vermeldt of het bewijsmateriaal aan de Nederlandseautoriteit dient te worden overgedragen dan wel in de uitvoerende lidstaatblijft. Indien het bewijsmateriaal in de uitvoerende lidstaat moet blijven,wordt vermeld op welke datum de voorlopige maatregel wordtingetrokken, of op welke datum het verzoek tot overdracht van hetbewijsmateriaal aan Nederland vermoedelijk zal worden gedaan.3. De uitvoerende autoriteit wordt onmiddellijk in kennis gesteld van debeslissing tot intrekking van de voorlopige maatregel.TITEL 5.3 ERKENNING EN UITVOERING VAN EEN EUROPEES ONDER-ZOEKSBEVEL AFDELING 5.3.1 ALGEMENE BEPALINGEN OVER DE ERKENNING ENUITVOERING VAN EEN EUROPEES ONDERZOEKSBEVEL Artikel 8.5.14 1. Een Europees onderzoeksbevel wordt in ontvangst genomen door deofficier van justitie, die bevoegd is tot erkenning en uitvoering van hetbevel.2. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit direct, en inieder geval binnen een week, in kennis van de ontvangst van het bevel,door toezending van het formulier opgenomen in bijlage B bij Richtlijn2014/41/EU.3. Indien een andere Nederlandse autoriteit dan de officier van justitieeen bevel ontvangt, zendt zij het bevel direct door aan de officier vanjustitie en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.4. De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk en uiterlijk binneneen maand na de ontvangst van het bevel, over de erkenning enuitvoering van het bevel.5. Indien het bij uitzondering niet mogelijk is om binnen een maand tebeslissen, stelt de officier van justitie de uitvaardigende autoriteit hiervandirect in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van devoor het nemen van de beslissing nodig geachte tijd. In dat geval kan determijn voor de beslissing tot erkenning en uitvoering met ten hoogsteeen maand worden verlengd.6. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit direct inkennis indien het niet mogelijk is om het bevel uit te voeren op de doordie autoriteit aangegeven specifieke datum.Artikel 8.5.15 1. Vatbaar voor erkenning en uitvoering is een Europees onderzoeks-bevel dat ten minste de volgende informatie bevat:a. gegevens over de uitvaardigende autoriteit en, indien van toepassing,de validerende autoriteit;b. het onderwerp en de redenen van het bevel;c. de beschikbare noodzakelijke informatie over de betrokkene(n);d. een beschrijving van het strafbare feit dat het voorwerp vormt vanhet onderzoek of de strafzaak, alsmede de wettelijke kwalificatie van hetfeit naar het recht van de uitvaardigende lidstaat;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 273 e. een beschrijving van de gevraagde bevoegdheid en het te verkrijgenbewijsmateriaal.2. Het bevel dient te zijn opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.3. De officier van justitie zendt het bevel terug indien het bevel isverzonden door een onbevoegde buitenlandse autoriteit.4. Indien het niet mogelijk is om een beslissing te nemen overerkenning of uitvoering van het bevel omdat het formulier opgenomen inbijlage A bij Richtlijn 2014/41/EU onvolledig of onjuist is ingevuld, stelt deofficier van justitie de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.5. Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat hetbevel niet noodzakelijk is voor, noch in verhouding staat tot het doel vanhet in artikel 8.5.2 genoemde onderzoek in de uitvaardigende lidstaat,daarbij rekening houdend met de rechten van de verdachte, dan wel datde in het bevel gevraagde bevoegdheden niet onder dezelfde omstandig-heden in een vergelijkbare binnenlandse zaak in de uitvaardigendelidstaat zouden kunnen worden uitgeoefend, kan hij in overleg treden metde uitvaardigende autoriteit over het belang van uitvoering van het bevel.6. De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op eenbevel dat ter aanvulling dient van een eerder uitgevaardigd Europeesonderzoeksbevel.Artikel 8.5.16 1. De erkenning of uitvoering van een Europees onderzoeksbevel kanworden geweigerd wanneer na overleg met de uitvaardigende lidstaat ennadat indien nodig de uitvaardigende autoriteit is verzocht om directaanvullende gegevens te verstrekken, moet worden vastgesteld dat:a. de uitvoering van het bevel onverenigbaar is met een krachtensNederlands recht geldend voorrecht of immuniteit, waaronder medewordt verstaan een verschoningsrecht, dan wel onverenigbaar is metregels ter vaststelling en beperking van strafrechtelijke aansprakelijkheidin verband met de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting in anderemedia;b. door de uitvoering van het bevel wezenlijke belangen van nationaleveiligheid worden geschaad of de bron van informatie in gevaar wordtgebracht dan wel het bevel strekt tot verstrekking van gegevens vaninlichtingendiensten die als geclassificeerd zijn aangemerkt;c. het bevel is uitgevaardigd in een procedure als bedoeld in artikel8.5.2, tweede lid, en de verlangde bevoegdheid naar Nederlands recht ineen vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan;d. uitvoering van het bevel zou strekken tot het verlenen vanmedewerking aan een vervolging of berechting die een schending zouopleveren van het beginsel van ne bis in idem;e. het bevel betrekking heeft op een strafbaar feit dat buiten hetgrondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en geheel ofgedeeltelijk op het Nederlandse grondgebied is gepleegd, en dat naarNederlands recht niet strafbaar is;f. er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van hetbevel niet verenigbaar zou zijn met de verplichtingen die overeenkomstigartikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvestvan de grondrechten van de Europese Unie op Nederland als uitvoerendelidstaat rusten.2. De uitvoering van het bevel kan eveneens worden geweigerd, indien:a. het feit waarvoor het bevel is uitgevaardigd naar Nederlands rechtniet strafbaar is, tenzij het een strafbaar feit betreft vermeld in bijlage D bijRichtlijn 2014/41/EU dat in de uitvaardigende lidstaat wordt bedreigd meteen vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel meteen maximum van ten minste drie jaar;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 274 b. de uitoefening van de in het bevel aangegeven bevoegdheid naarNederlands recht is beperkt tot een lijst of categorie strafbare feiten of totfeiten die bedreigd worden met een straf van tenminste een bepaaldehoogte, waartoe het strafbaar feit waarop het bevel betrekking heeft nietbehoort.3. Het tweede lid is niet van toepassing op een bevel dat strekt tottoepassing van de bevoegdheden omschreven in artikel 8.5.20, vierde lid.4. Indien het bevel een strafbaar feit betreft in verband met belastingenof heffingen, douane en deviezen, wordt de erkenning of uitvoering nietgeweigerd op grond van het feit dat het Nederlandse recht niet voorziet indezelfde soort belasting of heffing, dan wel niet dezelfde soort regelinginzake belastingen, heffingen, douane en deviezen kent als het recht vande uitvaardigende lidstaat.5. Indien een Nederlandse autoriteit bevoegd is tot het opheffen van eenvoorrecht of immuniteit, wordt die autoriteit in het geval, bedoeld in heteerste lid, onderdeel a, zo spoedig mogelijk door de officier van justitieom opheffing verzocht.6. Van de weigering van erkenning en uitvoering stelt de officier vanjustitie de uitvaardigende autoriteit direct in kennis.Artikel 8.5.17 1. De officier van justitie draagt zorg voor spoedige uitvoering van eenvoor erkenning en uitvoering vatbaar Europees onderzoeksbevel, metdezelfde snelheid en prioriteit als ware het een vergelijkbare binnenlandsezaak. Indien nodig treedt hij over de uitvoering van het bevel en deverwachte duur van de uitvoering in overleg met de uitvaardigendeautoriteit.2. Indien de officier van justitie van oordeel is dat de kosten voor deuitvoering van een Europees onderzoeksbevel als uitzonderlijk hoogkunnen worden beschouwd, kan hij in overleg met de uitvaardigendeautoriteit nagaan of en hoe de kosten kunnen worden gedeeld, dan wel ofhet bevel kan worden gewijzigd. De officier van justitie verstrekt deuitvaardigende autoriteit voorafgaand aan het overleg een gespecifi-ceerde opgave van het deel van de kosten dat uitzonderlijk hoog wordtgeacht.3. In gevallen waarin geen overeenstemming kan worden bereikt overkosten als bedoeld in het eerste lid, kan de uitvaardigende autoriteitbesluiten:a. het Europees onderzoeksbevel geheel of gedeeltelijk in te trekken; ofb. het Europees onderzoeksbevel te handhaven en het deel van dekosten te dragen dat uitzonderlijk hoog wordt geacht.Artikel 8.5.18 1. De officier van justitie kan de erkenning en uitvoering van hetEuropees onderzoeksbevel opschorten, indien:a. het belang van een in Nederland lopend strafrechtelijk onderzoek zichverzet tegen de uitvoering van het bevel; ofb. de voorwerpen of gegevens waarop het bevel ziet al gebruikt wordenin een andere gerechtelijke procedure.2. Indien de officier van justitie de uitvoering van het bevel opschort,stelt hij hiervan direct de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat inkennis, onder vermelding van de gronden en zo mogelijk van deverwachte duur van de opschorting.3. Zodra de gronden voor opschorting zijn vervallen, wordt het bevelalsnog uitgevoerd. De officier van justitie stelt de autoriteiten van deuitvaardigende lidstaat hiervan direct in kennis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 275 Artikel 8.5.19 1. Bij de uitvoering van het verzoek worden de door de uitvaardigendeautoriteit aangegeven formaliteiten en procedures in acht genomen, tenzijdit strijd oplevert met de grondbeginselen van het Nederlandse recht.Indien dit laatste het geval is, stelt de officier van justitie de uitvaardi-gende autoriteit hiervan in kennis.2. Indien de uitvaardigende autoriteit in het bevel heeft aangegeven datwegens proceduretermijnen, dan wel de ernst van het strafbaar feit ofandere bijzonder dringende omstandigheden, een kortere termijn voorerkenning en uitvoering van het bevel nodig is dan die welke in artikel8.5.14, vierde lid, en het derde lid van dit artikel worden gesteld, of dat hetbevel op een bepaalde datum uitgevoerd dient te worden, wordt daarmeezoveel mogelijk rekening gehouden.3. De in het bevel aangegeven bevoegdheid wordt, tenzij op grond vanartikel 8.5.18 redenen tot opschorting bestaan of het desbetreffendebewijsmateriaal al voorhanden is, direct en, onverminderd het tweede lid,binnen drie maanden na het nemen van de in artikel 8.5.14, vierde lid,bedoelde beslissing uitgeoefend.4. Indien het niet mogelijk is de in het derde lid genoemde termijn na televen, dan wel te voldoen aan de specifieke termijn of datum voor deuitvoering aangegeven door de uitvaardigende autoriteit, stelt de officiervan justitie de uitvaardigende autoriteit hiervan direct in kennis, metopgave van de redenen voor de vertraging, en overlegt hij met deuitvaardigende autoriteit over een passend tijdschema voor de uitvoeringvan het bevel.5. Tijdens de uitvoering van een bevel kunnen, teneinde het onderzoekin de uitvaardigende lidstaat te bevorderen, ook bevoegdheden wordenuitgeoefend die door de uitvaardigende autoriteit niet zijn voorzien in hetbevel of die ten tijde van het uitvaardigen van het bevel niet kondenworden bepaald. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteithiervan direct in kennis.Artikel 8.5.20 1. Ter uitvoering van een Europees onderzoeksbevel kunnen door deofficier van justitie, de opsporingsambtenaar en de rechter-commissarisde bevoegdheden worden uitgeoefend die zij kunnen uitoefenen in eenNederlands onderzoek naar dezelfde feiten.2. De bevoegdheidsuitoefening blijft binnen de grenzen die daaraan ineen Nederlands onderzoek zijn gesteld en vindt, onverminderd hetbepaalde in artikel 8.5.19, eerste lid, plaats met inachtneming van debepalingen die op een vergelijkbaar Nederlands onderzoek betrekkinghebben. Daarbij worden, onverminderd de overeenkomstige toepassingvan Boek 2, Titel 7.5, bepalingen die verband houden met het onderzoeks-belang en de daaraan gerelateerde eisen van proportionaliteit buitenbeschouwing gelaten.3. Indien de in het bevel genoemde bevoegdheid naar Nederlands rechtniet bestaat, dan wel in een vergelijkbare Nederlandse zaak niet kanworden uitgeoefend, wordt indien mogelijk een andere bevoegdheiduitgeoefend waarmee hetzelfde resultaat kan worden bereikt. Indien ergeen andere bevoegdheid als hiervoor bedoeld voorhanden is, stelt deofficier van justitie de uitvaardigende autoriteit ervan in kennis dat degevraagde bijstand niet kan worden verleend.4. In afwijking van het eerste, tweede en derde lid, en onverminderdartikel 8.5.16, wordt een bevel altijd uitgevoerd indien dat ziet op:a. het verkrijgen van al uit anderen hoofde verzameld bewijsmateriaal,dat overeenkomstig het Nederlandse recht in het kader van een strafpro-cedure of voor de doeleinden van het bevel is of had kunnen wordenverkregen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 276 b. het verstrekken van politiegegevens of strafvorderlijke gegevens;c. het horen, verhoren of ondervragen van een getuige, deskundige,slachtoffer, verdachte of derde in Nederland;d. de identificatie van een gebruiker van een communicatiedienst;e. andere onderzoekshandelingen ter verkrijging van elders vastgelegdegegevens waartoe een opsporingsambtenaar in een nationaal onderzoekzelfstandig bevoegd is.5. De officier van justitie kan besluiten dat een andere bevoegdheid dandie aangegeven in het bevel wordt uitgeoefend, indien daardoor opminder indringende wijze hetzelfde resultaat kan worden bereikt.6. Indien de officier van justitie voornemens is uitvoering te geven aanhet bevel met toepassing van het derde of vijfde lid, stelt hij hiervan eerstde uitvaardigende autoriteit in kennis, waarna die kan besluiten het bevelin te trekken of aan te vullen.Artikel 8.5.21 1. Op verzoek van de uitvaardigende autoriteit staat de officier vanjustitie toe dat de autoriteiten van de uitvaardigende staat bijstandverlenen bij de uitvoering van het bevel, tenzij dit strijd oplevert metgrondbeginselen van het Nederlandse recht of de nationale veiligheid. Debijstand vindt plaats op de wijze die is overeengekomen tussen deuitvaardigende autoriteit en de officier van justitie.2. De autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat staan bij het verlenenvan bijstand op Nederlands grondgebied onder het gezag van de officiervan justitie. Zij kunnen op Nederlands grondgebied geen anderebevoegdheden uitoefenen dan welke zij kunnen toepassen op grond vande Nederlandse wet. Artikel 8.5.20, tweede lid, is van overeenkomstigetoepassing.Artikel 8.5.22 1. Indien het optreden van de rechter-commissaris voor de uitvoeringvan het verzoek noodzakelijk of gewenst is, dient te officier van justitie eendaartoe strekkende vordering in bij de rechter-commissaris. De officiervan justitie omschrijft in de vordering het gewenste onderzoek. Devordering kan te allen tijde worden ingetrokken.2. De rechter-commissaris stelt de resultaten van het door hem teruitvoering van het bevel gedane onderzoek zo spoedig mogelijk terbeschikking aan de officier van justitie.Artikel 8.5.23 1. De officier van justitie stelt de resultaten van de uitvoering van hetEuropees onderzoeksbevel zo spoedig mogelijk ter beschikking aan deuitvaardigende autoriteit. Indien een klaagschrift als bedoeld in artikel8.5.35, eerste lid, is ingediend of nog kan worden ingediend binnen de indat artikellid genoemde termijn, dan wel overeenkomstig artikel 2.7.71,eerste lid, beroep is ingesteld of nog kan worden ingesteld, vindt deoverdracht van de daarop betrekking hebbende resultaten pas plaatsnadat onherroepelijk is beslist op het klaagschrift of het beroep dan welnadat de in artikel 8.5.35, eerste lid, genoemde termijn of de termijn voorindiening van het beroep ongebruikt is verstreken.2. De officier van justitie kan bij de afgifte aan de uitvaardigendeautoriteit bedingen dat over te dragen bewijsmateriaal zal wordenteruggezonden zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruikis gemaakt.3. In afwijking van het eerste lid kan, indien de uitvaardigende autoriteitvoldoende heeft gemotiveerd dat een onmiddellijke overdracht essentieelis voor het goede verloop van het onderzoek of voor de bescherming vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 277 de individuele rechten, aan de uitvaardigende autoriteit bewijsmateriaalverkregen ter uitvoering van het bevel ter beschikking worden gesteld,indien en voor zover dit geen ernstige en onomkeerbare schade toebrengtaan de belangen van de belanghebbende. De terbeschikkingstelling vindtplaats onder de voorwaarden dat:a. het Nederlandse recht ten aanzien van de voorwerpen en gegevensvolledig wordt gerespecteerd;b. de voorwerpen en gegevens niet als bewijsmiddel worden gebruikt.4. De in het derde lid bedoelde voorwaarden worden opgehevenwanneer onherroepelijk is beslist op het klaagschrift of het beroep danwel nadat de in artikel 8.5.35, eerste lid, genoemde termijn of de termijnvoor indiening van het beroep ongebruikt is verstreken.5. Indien de over te dragen resultaten van belang zijn voor andereprocedures, kan de officier van justitie op uitdrukkelijk verzoek van en naoverleg met de uitvaardigende autoriteit, bewijsmateriaal ter beschikkingstellen aan de uitvaardigende autoriteit onder de voorwaarde dat hetwordt teruggezonden wanneer de uitvaardigende autoriteit dat niet meernodig heeft, dan wel op een ander door de bevoegde autoriteitenafgesproken tijdstip.6. Artikel 2.1.18, tweede lid, is niet van toepassing voor zover dedesbetreffende gegevens aan de andere staat zijn afgegeven.Artikel 8.5.24 1. Indien in het kader van de uitvoering van het bevel schade wordtveroorzaakt door ambtenaren van een andere lidstaat die aanwezig zijn opNederlands grondgebied, is het Nederlandse recht van toepassing op dieschade. De uitvaardigende lidstaat is aansprakelijk voor de aangerichteschade.2. De Nederlandse staat draagt zorg voor vergoeding van de schade dieambtenaren van een andere lidstaat hebben veroorzaakt.AFDELING 5.3.2 NADERE BEPALINGEN OVER DE UITVOERING VAN EENEUROPEES ONDERZOEKSBEVEL DAT BETREKKING HEEFT OP BEPAALDEBEVOEGDHEDEN Artikel 8.5.25 1. De rechter-commissaris kan op vordering van de officier van justitieeen Europees onderzoeksbevel uitvoeren dat ertoe strekt een getuige ofdeskundige die zich op het Nederlands grondgebied bevindt, pervideoconferentie te doen horen, verhoren of ondervragen door debevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat. Het bevel kan ookbetrekking hebben op het horen, verhoren of ondervragen van eenverdachte.2. In aanvulling op de in artikel 8.5.16 genoemde gronden voorweigering van de erkenning of uitvoering, kan de uitvoering van het bevelworden geweigerd, indien:a. de verdachte die moet worden gehoord, verhoord of ondervraagdniet instemt met de videoconferentie; ofb. de uitvoering in een concrete zaak strijdig is met de grondbeginselenvan het Nederlandse recht.3. De praktische regeling voor toepassing van de videoconferentiewordt door de rechter-commissaris overeengekomen met de uitvaardi-gende autoriteit. De rechter-commissaris draagt in dit kader, metovereenkomstige toepassing van de bepalingen die op grond van ditwetboek gelden voor het horen, verhoren of ondervragen van eengetuige, deskundige of verdachte door de rechter-commissaris, zorg voor:a. het oproepen van de getuige of deskundige;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 278 b. het oproepen van de verdachte, waarbij de verdachte wordt gewezenop zijn rechten volgens het recht van de uitvaardigende staat, op eentijdstip dat het hem mogelijk maakt zijn rechten op verdediging daadwer-kelijk uit te oefenen;c. de vaststelling van de identiteit van de persoon die moet wordengehoord, verhoord of ondervraagd.4. Met betrekking tot verhoor of ondervraging per videoconferentiegelden de volgende voorschriften:a. de rechter-commissaris is aanwezig tijdens het verhoor of deondervraging, indien nodig bijgestaan door een tolk, en heeft tot taak deidentiteit van de te horen, te verhoren of te ondervragen persoon vast testellen en erop toe te zien dat de grondbeginselen van het Nederlandserecht in acht worden genomen. Indien de rechter-commissaris vanoordeel is dat die beginselen tijdens het verhoor of de ondervragingworden geschonden, treft hij direct de nodige maatregelen opdat hetverhoor of de ondervraging verder met inachtneming van deze beginselenverloopt;b. de bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en derechter-commissaris komen indien nodig maatregelen ter beschermingvan de te horen, verhoren of ondervragen persoon overeen;c. het verhoor of de ondervraging wordt rechtstreeks door of onderleiding van de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaatovereenkomstig het recht van die lidstaat afgenomen;d. op verzoek van de uitvaardigende lidstaat of van de te horen,verhoren of ondervragen persoon wordt die persoon bijgestaan door eentolk;e. de verdachte wordt voorafgaand aan het verhoor of de ondervragingin kennis gesteld van zijn rechten die hem naar Nederlands recht en naarhet recht van de uitvaardigende lidstaat toekomen. Getuigen en deskun-digen kunnen zich beroepen op het verschoningsrecht neergelegd in Boek1, Titel 6.2 en 6.3, evenals op het verschoningsrecht dat hen toekomt opbasis van het recht van de uitvaardigende lidstaat, en worden daarvanvoorafgaand aan het verhoor of de ondervraging in kennis gesteld.5. Met inachtneming van de maatregelen die ter bescherming vanpersonen zijn overeengekomen, stelt de rechter-commissaris na afloopvan het verhoor of de ondervraging een proces-verbaal op, waarinworden vermeld de datum en de plaats van het verhoor of de onder-vraging, de identiteit van de verhoorde persoon, de identiteit en dehoedanigheid van alle andere personen die in de uitvoerende staat aanhet verhoor of de ondervraging hebben deelgenomen, eventuelebeëdigingen en de technische omstandigheden waaronder het verhoor ofde ondervraging heeft plaatsgevonden.6. De artikelen 2.10.26, eerste lid, 2.10.27 in samenhang met artikel2.10.14, 2.10.30, 2.10.34 tot en met 2.10.38 zijn van overeenkomstigetoepassing.Artikel 8.5.26 1. De officier van justitie kan een Europees onderzoeksbevel uitvoerendat ziet op de tijdelijke overbrenging van een persoon die in Nederlandrechtens zijn vrijheid is ontnomen, ter uitoefening van een bevoegdheidvoor het verkrijgen van bewijs waarvoor de aanwezigheid van die persoonop het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is vereist. De officiervan justitie bepaalt de termijn waarbinnen de persoon dient te wordenteruggebracht.2. Behalve op de in artikel 8.5.16 gegeven gronden, kan de uitvoeringvan het bevel worden geweigerd indien:a. de betrokkene met de tijdelijke overbrenging niet instemt; ofb. de overbrenging de vrijheidsbeneming van de betrokkene kanverlengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 279 3. Onverminderd het tweede lid, onderdeel a, wordt, indien de officiervan justitie het in verband met de leeftijd, de lichamelijke of geestelijkegesteldheid van de betrokkene nodig acht, aan diens wettelijk vertegen-woordiger de mogelijkheid geboden zijn oordeel te geven over detijdelijke overbrenging.4. De praktische regeling voor de tijdelijke overbrenging van debetrokkene met inbegrip van de specifieke voorwaarden waaronder zijnvrijheidsbeneming in de uitvaardigende lidstaat zal plaatsvinden en determijnen waarbinnen hij uit Nederland moet worden overgebracht ennaar Nederland moet worden teruggebracht, wordt door de officier vanjustitie en de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat overeengekomen,met inachtneming van de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van debetrokkene en het in de uitvaardigende staat vereiste beveiligingsniveau.5. De betrokkene verblijft op het grondgebied van de uitvaardigendelidstaat en, in voorkomend geval, van de lidstaat van doortocht, indetentie wegens de feiten ten aanzien waarvan in Nederland zijn vrijheidis ontnomen, tenzij de officier van justitie om zijn vrijlating verzoekt. Deofficier van justitie verzoekt om de vrijlating van de betrokkene zodra hijervan in kennis wordt gesteld dat de grond voor vrijheidsbeneming inNederland niet langer bestaat.6. De detentie op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat wordtin mindering gebracht op de duur van de vrijheidsbeneming die debetrokkene in Nederland moet of zal moeten ondergaan.7. De kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkenenaar en van de uitvaardigende lidstaat, worden door die lidstaatgedragen.Artikel 8.5.27 1. De officier van justitie kan een Europees onderzoeksbevel uitvoerendat ziet op de tijdelijke overbrenging van een persoon die in de uitvaardi-gende lidstaat rechtens zijn vrijheid is ontnomen naar Nederland teruitoefening van een bevoegdheid voor het verkrijgen van bewijs waarvoorzijn aanwezigheid in Nederland is vereist. Artikel 8.5.26, tweede lid,onderdeel a, en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.2. De overgebrachte persoon wordt gedurende zijn verblijf in Nederlandop bevel van de officier van justitie in verzekering gesteld. De artikelen 61en 64, eerste lid, van de Overleveringswet zijn voor zover nodig vanovereenkomstige toepassing.3. De inverzekeringstelling wordt door de officier van justitie opgehevenzodra hij ervan in kennis wordt gesteld dat de uitvaardigende lidstaat omde vrijlating van de betrokkene heeft verzocht.4. Onverminderd het tweede lid wordt de overgebrachte persoon inNederland niet vervolgd, wordt hem zijn vrijheid niet ontnomen en wordthij niet anderszins aan een beperking van de persoonlijke vrijheidonderworpen wegens feiten die zijn gepleegd of veroordelingen die zijnuitgesproken voordat hij de uitvaardigende lidstaat heeft verlaten en dieniet in het bevel zijn vermeld.5. De in het vierde lid bedoelde onschendbaarheid eindigt indien deovergebrachte persoon gedurende een termijn van vijftien opeenvolgendedagen vanaf de datum waarop zijn aanwezigheid in Nederland niet langerwas vereist, de gelegenheid heeft gehad Nederland te verlaten, maar:a. niettemin is gebleven; ofb. na Nederland te hebben verlaten, is teruggekeerd.6. De kosten die voortvloeien uit de overbrenging van de betrokkenenaar en van Nederland worden door de uitvaardigende lidstaat gedragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 280 Artikel 8.5.28 De officier van justitie kan toestemming geven om een persoon die ineen andere lidstaat rechtens zijn vrijheid is ontnomen en ter uitvoeringvan een Europees onderzoeksbevel wordt overgebracht naar een derdelidstaat, over Nederlands grondgebied te vervoeren. De artikelen 51 en 52van de Overleveringswet zijn van overeenkomstige toepassing.Artikel 8.5.29 1. Onverminderd artikel 8.5.16 kan de erkenning en uitvoering van eenEuropees onderzoeksbevel dat strekt tot vastlegging van communicatieals bedoeld in artikel 2.8.13 met een technisch hulpmiddel wordengeweigerd indien de inzet van die bevoegdheid naar Nederlands recht ineen vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan. Artikel8.5.20, tweede lid, tweede zin, is niet van toepassing.2. Een Europees onderzoeksbevel dat strekt tot het vastleggen vancommunicatie als bedoeld in het eerste lid kan in overleg met deuitvaardigende autoriteit worden uitgevoerd door:a. onmiddellijke doorzending van communicatie naar de uitvaardigendelidstaat; ofb. vastlegging en vervolgens toezending van het resultaat van devastlegging van de interceptie aan de uitvaardigende lidstaat.3. Indien de uitvaardigende autoriteit om bijzondere redenen verzoektom een transcriptie, decodering of ontsleuteling van de vastgelegdecommunicatie, beslist de officier van justitie over inwilliging van datverzoek. Kosten die voortvloeien uit de transcriptie, decodering ofontsleuteling van de vastgelegde communicatie komen voor rekening vande uitvaardigende staat.Artikel 8.5.30 1. Indien de officier van justitie door middel van het formulieropgenomen in bijlage C bij Richtlijn 2014/41/EU een in de Nederlandse ofEngelse taal opgestelde kennisgeving inzake het vastleggen van commu-nicatie als bedoeld in artikel 2.8.13 ontvangt, vordert hij direct dat derechter-commissaris hem machtigt tot het verlenen van instemming metde vastlegging.2. De rechter-commissaris beslist binnen twee dagen na de indieningvan de vordering met overeenkomstige toepassing van artikel 8.5.20,eerste lid, en tweede lid, eerste zin. De machtiging kan worden geweigerdindien de inzet van die bevoegdheid naar Nederlands recht in eenvergelijkbare binnenlandse zaak niet zou worden toegestaan.3. Binnen vier dagen nadat hij de kennisgeving van de uitvaardigendeautoriteit heeft ontvangen, stelt de officier van justitie de uitvaardigendeautoriteit in kennis of wordt ingestemd met het vastleggen van decommunicatie.4. Indien instemming wordt verleend verbindt de officier van justitiedaaraan, onder opgave van redenen, de voorwaarden die de rechter-commissaris heeft gesteld alsmede de voorwaarden dat de gegevensverkregen door het vastleggen van de communicatie van de gebruikertijdens diens verblijf op Nederlands grondgebied:a. voor zover deze mededelingen bevatten, gedaan door of aan eenpersoon die zich op grond van artikel 1.6.7 of artikel 1.6.8 kan verschonenindien hij als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou wordengevraagd, niet mogen worden gebruikt en dienen te worden vernietigd;enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 281 b. alleen mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek inhet kader waarvan de kennisgeving is gedaan en dat voor het gebruikvoor enig ander doel voorafgaand toestemming dient te worden gevraagden te zijn verkregen.5. Indien de instemming wordt verleend, is artikel 2.8.2 van overeen-komstige toepassing.Artikel 8.5.31 1. Onverminderd artikel 8.5.16, kan de erkenning of uitvoering van eenEuropees onderzoeksbevel dat ziet op een bevoegdheid als bedoeld in deartikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.10, 2.8.11, 2.8.12, 2.8.15, 2.8.18, en 2.8.19, opgecontroleerde aflevering, of op de verstrekking van gegevens alsbedoeld in de artikelen 2.7.46, voor zover het bevel betrekking heeft opgegevens betreffende bankrekeningen, andere financiële rekeningen,bankoperaties en financiële operaties van andere financiële instellingen,en 2.7.49, worden geweigerd indien de inzet van die bevoegdheid naarNederlands recht in een vergelijkbare binnenlandse zaak niet zou wordentoegestaan. Artikel 8.5.20, tweede lid, tweede zin, is niet van toepassing.2. De praktische regeling van de uitoefening van een bevoegdheid alsbedoeld in de artikelen 2.8.7, 2.8.8, 2.8.15, 2.8.18 en 2.8.19, van deverstrekking van toekomstige gegevens als bedoeld in artikel 2.7.49 envan een gecontroleerde aflevering wordt in onderling overleg tussen deofficier van justitie en de uitvaardigende autoriteit bepaald.3. De duur van de uitvoering van een heimelijke bevoegdheid alsbedoeld in de artikelen 2.8.10, 2.8.11, 2.8.12 en 2.8.19, de naderevoorwaarden en de rechtspositie van de betrokken functionarissen tijdensde uitvoering worden door de officier van justitie in overleg met deautoriteiten van de uitvaardigende staat overeengekomen, in overeen-stemming met de Nederlandse wet. Artikel 8.5.20, met uitzondering vanhet tweede lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing. Indien ditoverleg niet tot overeenstemming leidt, kan de officier van justitie deerkenning of uitvoering van het bevel weigeren.Artikel 8.5.32 1. De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk, en in ieder gevalbinnen een dag na ontvangst, over de erkenning en uitvoering van eenEuropees onderzoeksbevel dat strekt tot het treffen van een voorlopigemaatregel ter voorkoming van de vernietiging, omzetting, verplaatsing,overdracht of vervreemding van voorwerpen en gegevens die alsbewijsmateriaal kunnen worden gebruikt. Van de beslissing wordt deuitvaardigende autoriteit direct in kennis gesteld.2. De officier van justitie kan na overleg met de uitvaardigendeautoriteit, naargelang de omstandigheden, passende voorwaarden stellenom de duur van de in het eerste lid bedoelde voorlopige maatregel tebeperken. Indien de officier van justitie, overeenkomstig dezevoorwaarden, overweegt om de voorlopige maatregel op te heffen, stelthij de uitvaardigende autoriteit daarvan in kennis en geeft hij haar degelegenheid opmerkingen te maken alvorens tot opheffing over te gaan.TITEL 5.4 RECHTSMIDDELEN Artikel 8.5.33 1. Indien de uitvoerende lidstaat een door Nederland uitgevaardigdEuropees onderzoeksbevel heeft uitgevoerd dat betrekking heeft op deinbeslagneming van voorwerpen dan wel het overnemen van gegevens,bevelen gegevens te verstrekken, het ontoegankelijk maken van gegevensof bevelen tot het bewaren en beschikbaar houden van gegevens, zijn deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 282 artikelen 6.4.1, 6.4.4, 6.4.5, 6.4.6, 6.4.7, 6.4.9, eerste lid, 6.4.11 en 6.4.14 vanovereenkomstige toepassing, met dien verstande dat alleen geklaagd kanworden over het bevel en de voortduring van het daaraan gegevengevolg.2. Indien onbekend is of berechting zal plaatsvinden zijn, in afwijkingvan artikel 6.4.1, derde lid, bevoegd om over het klaagschrift te oordelen:a. als het onderzoeksbevel is uitgevaardigd door de rechter-commissarisof door de officier van justitie bij een arrondissementsparket: de rechtbankvan het desbetreffende arrondissement;b. als het onderzoeksbevel is uitgevaardigd door de officier van justitiebij het landelijk parket, het functioneel parket of het parket centraleverwerking openbaar ministerie: de rechtbank Amsterdam, de rechtbankDen Haag, de rechtbank Oost-Brabant, de rechtbank Overijssel of derechtbank Rotterdam.3. Indien de rechter het beklag gegrond acht, geeft de officier vanjustitie daaraan zoveel mogelijk het daarmee overeenkomende gevolg.4. Indien een belanghebbende zich in de uitvoerende lidstaat beklaagtover de erkenning en uitvoering van het Europees onderzoeksbevel en deofficier van justitie of de rechter-commissaris hiervan door de uitvoerendeautoriteit in kennis wordt gesteld, kan hij deze autoriteit de nodigeinlichtingen over het bevel verschaffen.Artikel 8.5.34 1. Indien door Nederland uitvoering wordt gegeven aan een Europeesonderzoeksbevel uitgevaardigd door een andere lidstaat, staan voor deofficier van justitie en de betrokkene de met de uitoefening van bevoegd-heden direct verband houdende rechtsmiddelen eveneens open, metovereenkomstige toepassing van de daarop betrekking hebbendebepalingen, tenzij de wet anders bepaalt.2. De rechter doet geen onderzoek naar de gronden voor het Europeesonderzoeksbevel en oordeelt met inachtneming van artikel 8.5.20, tweedelid.Artikel 8.5.35 1. De officier van justitie stelt de persoon onder wie voorwerpen inbeslag zijn genomen, bij wie gegevens zijn overgenomen tijdens eenbetreding of doorzoeking of tijdens een onderzoek van gegevens in eendigitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk, of door wie op beveldaartoe gegevens zijn verstrekt, indien de geheimhouding daardoor nietin het gedrang komt, in kennis van zijn bevoegdheid om binnen tweeweken na de kennisgeving overeenkomstig artikel 6.4.1 of 6.4.5 eenklaagschrift in te dienen bij de rechtbank.2. Indien de officier van justitie redenen heeft om aan te nemen dat eeninbeslaggenomen voorwerp niet uitsluitend aan de beslagene toebehoortof verstrekte of overgenomen gegevens in overwegende mate betrekkinghebben op andere personen dan de persoon die ze heeft verstrekt of depersoon bij wie de gegevens zijn overgenomen, doet hij de nodigenasporingen naar deze directe belanghebbenden in Nederland teneindehen een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid te doen toekomen.3. Indien een klaagschrift is ingediend of overeenkomstig artikel 2.7.71,eerste lid, beroep is ingesteld, stelt de officier van justitie de autoriteitenvan de verzoekende staat daarvan in kennis. De autoriteiten van deverzoekende staat worden op dezelfde wijze van de beslissing op hetklaagschrift dan wel het beroep in kennis gesteld.4. Bij de behandeling van het klaagschrift blijft, indien dit in het belangvan de geheimhouding noodzakelijk is, artikel 1.2.15, tweede lid, buitentoepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 283 5. De rechtbank beslist binnen een maand na ontvangst van hetklaagschrift, bedoeld in het eerste lid.6. Indien overeenkomstig artikel 6.4.14 beroep in cassatie is ingesteldtegen de beslissing van de rechtbank, bedraagt de termijn voor indieningvan middelen van cassatie twee weken. De Hoge Raad beslist binnen driemaanden na indiening van de schriftuur.HOOFDSTUK 6 EUROPEES BEVRIEZINGSBEVEL TITEL 6.1 ALGEMENE BEPALING Artikel 8.6.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:– Europees bevriezingsbevel: een bevel als bedoeld in artikel 2,onderdeel 1, van Verordening 2018/1805;– Europees confiscatiebevel: een bevel als bedoeld in artikel 2,onderdeel 2, van Verordening 2018/1805.TITEL 6.2 UITVAARDIGING EN UITVOERING VAN EEN EUROPEESBEVRIEZINGSBEVEL Artikel 8.6.2 1. De officier van justitie kan een Europees bevriezingsbevel uitvaar-digen ten aanzien van voorwerpen die voor inbeslagneming vatbaar zijnop grond van artikel 2.7.4, onderdeel c en d, dan wel, voor zover dezeartikelleden betrekking hebben op een op te leggen ontnemingsmaat-regel, artikel 2.7.19, tweede, vierde en vijfde lid, indien is voldaan aan devereisten die op grond van de Nederlandse wet gelden voor uitoefeningvan deze bevoegdheid in een in nationaal onderzoek.2. Nadat een ontnemingsmaatregel of verbeurdverklaring vatbaar isvoor tenuitvoerlegging kan de officier van justitie, op verzoek van OnzeMinister die een Europees confiscatiebevel uitvaardigt of zal uitvaardigen,een bevriezingsbevel uitvaardigen met het oog op het veiligstellen van devoorwerpen waarop het confiscatiebevel betrekking heeft of zal hebben.Artikel 8.6.3 1. De officier van justitie beslist over de erkenning en uitvoering van eendoor de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat uitgevaardigdEuropees bevriezingsbevel.2. De erkenning of de uitvoering van een Europees bevriezingsbevel kanslechts worden geweigerd als één van de gronden, bedoeld in artikel 8,eerste lid, van Verordening 2018/1805, van toepassing is.Artikel 8.6.4 1. Indien de officier van justitie twee of meer Europese bevriezingsbe-velen uit verschillende lidstaten ontvangt die zijn uitgevaardigd tegendezelfde persoon of betrekking hebben op hetzelfde voorwerp, beslist deofficier van justitie welk van de bevelen ten uitvoer moet worden gelegd,overeenkomstig het bepaalde in artikel 26 van Verordening 2018/1805.2. Het vorige lid is van overeenkomstige toepassing als de officier vanjustitie, naast een of meer Europese bevriezingsbevelen, een of meerEuropese confiscatiebevelen ontvangt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 284 Artikel 8.6.5 1. Tenzij uit Verordening 2018/1805 het tegendeel blijkt wordt het beveluitgevoerd door inbeslagneming van voorwerpen, met overeenkomstigetoepassing van Boek 2, Titels 7.1, 7.2, 7.5 en 7.7, met dien verstande datbepalingen in Boek 2, Titels 7.1, 7.2 en 7.7 die verband houden met hetstrafvorderlijk belang en de daaraan gerelateerde eisen van proportiona-liteit buiten beschouwing worden gelaten.2. De officier van justitie is bevoegd om met inachtneming van artikel2.7.26 uitvoering te geven aan artikel 29, tweede lid, van Verordening2018/1805.TITEL 6.3 RECHTSMIDDELEN Artikel 8.6.6 1. Indien de uitvoerende lidstaat een door Nederland uitgevaardigdEuropees bevriezingsbevel heeft uitgevoerd zijn de artikelen 6.4.1, 6.4.6,6.4.7, 6.4.9, eerste lid, 6.4.11 en 6.4.14 van overeenkomstige toepassing,met dien verstande dat alleen geklaagd kan worden over het bevel en devoortduring van het daaraan gegeven gevolg. Artikel 8.2.24, tweede lid, isvan overeenkomstige toepassing.2. Indien de rechter het beklag gegrond acht, geeft de officier vanjustitie daaraan zoveel mogelijk het daarmee overeenkomende gevolg.3. Indien een belanghebbende zich in de uitvoerende lidstaat beklaagtover de erkenning en uitvoering van het Europees bevriezingsbevel en deofficier van justitie hiervan door de uitvoerende autoriteit in kennis wordtgesteld, kan hij deze autoriteit de nodige inlichtingen over het bevelverschaffen.Artikel 8.6.7 1. Indien door de officier van justitie uitvoering wordt gegeven aan eenEuropees bevriezingsbevel van een andere lidstaat, staan voor de officiervan justitie en de betrokkene de met de uitoefening van bevoegdhedendirect verband houdende rechtsmiddelen eveneens open, met overeen-komstige toepassing van de daarop betrekking hebbende bepalingen,tenzij de wet anders bepaalt.2. De rechter doet geen onderzoek naar de gronden voor het Europeesbevriezingsbevel.Artikel 8.6.8 1. Belanghebbenden kunnen overeenkomstig artikel 6.4.1 een klaag-schrift indienen over de erkenning en uitvoering van een Europeesbevriezingsbevel door de officier van justitie. Artikel 6.4.14 is niet vantoepassing.2. Bij de behandeling van het klaagschrift blijft, indien dit in het belangvan de geheimhouding noodzakelijk is, artikel 1.2.15, tweede lid, buitentoepassing.HOOFDSTUK 7 EUROPESE BEVRIEZINGSBESLISSING TITEL 7.1 ALGEMENE BEPALING Artikel 8.7.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:– Europese bevriezingsbeslissing: een beslissing als bedoeld in artikel 2,aanhef en onderdeel c, van Kaderbesluit 2003/577/JBZ;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 285 – Europese confiscatiebeslissing: een beslissing als bedoeld in artikel 2,aanhef en onderdeel c, van Kaderbesluit 2006/783/JBZ.Artikel 8.7.2 Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op Europese bevriezingsbe-slissingen uitgevaardigd door of uitgevaardigd aan een lidstaat die niet isgebonden door Richtlijn 2014/41/EU of Verordening (EU) 2018/1805.TITEL 7.2 UITVAARDIGING VAN EEN EUROPESE BEVRIEZINGSBE-SLISSING Artikel 8.7.3 1. De officier van justitie kan een Europese bevriezingsbeslissinguitvaardigen die ertoe strekt in een andere lidstaat voorwerpen in beslagte nemen die daarvoor vatbaar zijn op grond van artikel 2.7.4 dan wel,voor zover deze artikelleden betrekking hebben op een op te leggenontnemingsmaatregel, artikel 2.7.19, tweede, vierde en vijfde lid, indien isvoldaan aan de vereisten die op grond van de Nederlandse wet geldenvoor uitoefening van deze bevoegdheid in een in nationaal onderzoek.2. Nadat een ontnemingsmaatregel of een verbeurdverklaring vatbaar isvoor tenuitvoerlegging kan de officier van justitie, op verzoek van OnzeMinister die een Europese confiscatiebeslissing uitvaardigt of zaluitvaardigen, dan wel een rechtshulpverzoek tot confiscatie doet of zaldoen, een bevriezingsbeslissing uitvaardigen met het oog op hetveiligstellen van de voorwerpen waarop het Europese confiscatiebevel ofhet rechtshulpverzoek betrekking heeft of zal hebben.Artikel 8.7.4 1. De Europese bevriezingsbeslissing gaat vergezeld van een ingevuldcertificaat dat is opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in debijlage bij Kaderbesluit 2003/577/JBZ.2. De officier van justitie kan in de Europese bevriezingsbeslissingformaliteiten en procedures opnemen die de autoriteiten van de uitvoe-rende lidstaat bij de uitvoering zo veel mogelijk in acht nemen.3. De Europese bevriezingsbeslissing en het certificaat gaan vergezeldvan:a. een rechtshulpverzoek dat strekt tot overdracht van de voorwerpenwaarop de beslissing betrekking heeft aan de Nederlandse autoriteiten,voor zover sprake is van bevriezing met het oog op de waarheidsvinding,bedoeld in artikel 2.7.4, eerste lid, onderdelen a en b;b. een Europese confiscatiebeslissing dan wel een rechtshulpverzoek totconfiscatie.4. Indien het indienen van een Europese confiscatiebeslissing of eenrechtshulpverzoek als bedoeld in het derde lid nog niet mogelijk is,verzoekt de officier van justitie de autoriteiten van de uitvoerende lidstaatde voorwerpen in bewaring te houden totdat de Europese confiscatiebe-slissing of het rechtshulpverzoek is ingediend en hierop is beslist, ondervermelding van het tijdstip waarop naar verwachting de Europeseconfiscatiebeslissing of het verzoek zal worden ingediend.5. De officier van justitie vertaalt het certificaat in een officiële taal vande uitvoerende lidstaat of in een andere, door de uitvoerende lidstaat metinachtneming van artikel 9, derde lid, van Kaderbesluit 2003/577/JBZaangegeven taal.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 286 Artikel 8.7.5 1. De officier van justitie zendt de Europese bevriezingsbeslissing en hetcertificaat rechtstreeks toe aan de tot erkenning en uitvoering bevoegdeautoriteit van de uitvoerende lidstaat, op zodanige wijze dat dit schriftelijkkan worden vastgelegd en de uitvoerende lidstaat de echtheid ervan kanvaststellen.2. Indien niet bekend is welke autoriteiten in de uitvoerende lidstaatbevoegd zijn tot erkenning en uitvoering van de Europese bevriezingsbe-slissing, verzoekt de officier van justitie hieromtrent om inlichtingen.Artikel 8.7.6 De officier van justitie kan de Europese bevriezingsbeslissing op elkmoment intrekken. In dat geval stelt hij de autoriteiten van de uitvoerendelidstaat hiervan direct in kennis.TITEL 7.3 ERKENNING EN UITVOERING VAN EEN EUROPESE BEVRIE-ZINGSBESLISSING Artikel 8.7.7 1. Een Europese bevriezingsbeslissing wordt in ontvangst wordengenomen door de officier van justitie, die bevoegd is tot erkenning enuitvoering van de beslissing.2. Indien een andere Nederlandse autoriteit dan de officier van justitieeen Europese bevriezingsbeslissing ontvangt, zendt zij de beslissing directdoor aan die officier van justitie en stelt zij de uitvaardigende autoriteithiervan in kennis.3. De officier van justitie beslist direct en zo mogelijk binnen een dag naontvangst van de Europese bevriezingsbeslissing over de erkenning enuitvoering ervan.4. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit direct inkennis van zijn beslissing over de erkenning en uitvoering. De kennis-geving is gemotiveerd indien de officier van justitie de uitvoering van deEuropese bevriezingsbeslissing weigert op grond van artikel 8.7.10.Artikel 8.7.8 Een door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat uitgevaar-digde Europese bevriezingsbeslissing is vatbaar voor erkenning enuitvoering indien het strekt tot bevriezing van voorwerpen die zich inNederland bevinden en die naar het recht van die andere lidstaat:a. kunnen dienen als bewijsstuk;b. kunnen worden geconfisqueerd.Artikel 8.7.9 1. Om te kunnen worden erkend en uitgevoerd, moet de Europesebevriezingsbeslissing vergezeld gaan van een bijbehorend ingevuldcertificaat dat is opgesteld overeenkomstig het model opgenomen in debijlage bij Kaderbesluit 2003/577/JBZ.2. De Europese bevriezingsbeslissing moet eveneens vergezeld gaanvan een rechtshulpverzoek dat strekt tot overdracht van de bewijsstukkenaan de uitvaardigende autoriteit dan wel een Europese confiscatiebe-slissing of rechtshulpverzoek tot confiscatie.3. In afwijking van het tweede lid kan de Europese bevriezingsbeslissingworden erkend en uitgevoerd indien de uitvaardigende autoriteit in hetcertificaat heeft aangegeven dat de voorwerpen in Nederland in bewaringmoeten blijven in afwachting van een beslissing of verzoek als bedoeld inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 287 het tweede lid, onder vermelding van het tijdstip waarop naarverwachting de beslissing of het verzoek zal worden toegezonden.4. Het certificaat dient te zijn opgesteld in de Nederlandse of Engelsetaal.5. Indien het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk nietin overeenstemming is met de Europese bevriezingsbeslissing, stelt deofficier van justitie de uitvaardigende autoriteit in de gelegenheid binneneen door hem te stellen redelijke termijn het certificaat alsnog over teleggen, aan te vullen of te verbeteren. De officier van justitie kan bepalendat het certificaat wordt vervangen door een gelijkwaardig document.Indien de voor de uitvoering van de bevriezingsbeslissing noodzakelijkeinformatie op andere wijze is verkregen, kan de officier van justitiebepalen dat het certificaat of de aanvullingen niet meer behoeven teworden overgelegd.Artikel 8.7.10 De officier van justitie kan de erkenning en uitvoering van een Europesebevriezingsbeslissing slechts weigeren indien:a. na verloop van de termijn, bedoeld in artikel 8.7.9, vijfde lid, hetcertificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet in overeen-stemming is met de Europese bevriezingsbeslissing;b. de erkenning en uitvoering van de bevriezingsbeslissing onver-enigbaar is met een krachtens Nederlands recht geldend voorrecht ofimmuniteit;c. het gevolg geven aan de Europese confiscatiebeslissing of eenrechtshulpverzoek als bedoeld in artikel 8.7.9, tweede lid, zou strekken tothet verlenen van medewerking aan een vervolging of berechting die zouleiden tot schending van het beginsel van ne bis in idem;d. de bevriezingsbeslissing is gegeven ten behoeve van een onderzoekdat is ingesteld met betrekking tot een feit dat, indien het in Nederlandwas begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn, tenzij het eenstrafbaar feit betreft als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van Kaderbesluit2003/577/JBZ;e. direct blijkt dat aan de Europese confiscatiebeslissing of eenrechtshulpverzoek als bedoeld in artikel 8.7.9, tweede lid, geen gevolg kanworden gegeven.Artikel 8.7.11 1. De officier van justitie draagt zorg voor de spoedige uitvoering vaneen voor erkenning en uitvoering vatbaar Europese bevriezingsbeslissing.2. De officier van justitie kan de uitvoering van de Europese bevriezings-beslissing opschorten, indien:a. het belang van een lopend strafrechtelijk onderzoek zich verzet tegende uitvoering van de bevriezingsbeslissing;b. in het kader van een strafrechtelijk onderzoek al een beslissing isgenomen tot inbeslagneming van de voorwerpen waarop de bevriezings-beslissing betrekking heeft;c. het een bevriezingsbeslissing met het oog confiscatie betreft en ineen niet strafrechtelijk kader al een beslissing is genomen tot inbeslag-neming van de voorwerpen waarop de bevriezingsbeslissing betrekkingheeft en deze beslissing naar Nederlands recht voorrang heeft boveninbeslagneming in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.3. Indien de officier van justitie de uitvoering opschort, stelt hij direct deuitvaardigende autoriteit daarvan gemotiveerd in kennis, zo mogelijkonder vermelding van de verwachte duur van de opschorting.4. Zodra de gronden voor opschorting zijn vervallen, wordt de bevrie-zingsbeslissing alsnog uitgevoerd. De uitvaardigende autoriteit wordthiervan direct in kennis gesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 288 5. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit in kennis vanalle beperkende maatregelen die zijn getroffen ten aanzien van de tebevriezen voorwerpen.Artikel 8.7.12 1. De Europese bevriezingsbeslissing wordt uitgevoerd door inbeslag-neming van voorwerpen en onderzoek van gegevens, met overeenkom-stige toepassing van Boek 2, Titels 7.1, 7.2, 7.3, 7.5 en 7.7, met dienverstande dat bepalingen in Boek 2, Titels 7.1, 7.2, 7.3 en 7.7, die verbandhouden met het strafvorderlijk belang en de daaraan gerelateerde eisenvan proportionaliteit buiten beschouwing worden gelaten.2. Bij de uitvoering van de bevriezingsbeslissing worden zo veelmogelijk de door de uitvaardigende autoriteit aangegeven formaliteitenen procedures in acht genomen, voor zover deze niet strijdig zijn met degrondbeginselen van het Nederlandse recht.3. Indien de uitvaardigende autoriteit de plaats waar het in beslag tenemen voorwerp zich bevindt onvoldoende nauwkeurig heeft aange-geven, verzoekt de officier van justitie deze autoriteit om aanvullendeinlichtingen.4. Indien voor de uitvoering van de Europese bevriezingsbeslissing degebruikmaking van andere bevoegdheden is vereist, kunnen dezebevoegdheden niet worden toegepast anders dan overeenkomstig artikel8.2.13, onderscheidenlijk artikel 13a van de Wet overdracht tenuitvoer-legging strafvonnissen.5. In afwijking van het eerste lid is artikel 2.7.31, zesde lid, niet vanovereenkomstige toepassing en wordt het bevel, bedoeld in artikel 2.7.31,eerste lid, niet verleend dan na overleg met de uitvaardigende autoriteit.6. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit direct inkennis, indien:a. de Europese bevriezingsbeslissing is uitgevoerd;b. voor uitvoering van de bevriezingsbeslissing de gebruikmaking vanandere bevoegdheden is vereist;c. de bevriezingsbeslissing niet kan worden uitgevoerd omdat het tebevriezen voorwerp is vernietigd of niet wordt aangetroffen op de door deautoriteiten van de uitvaardigende lidstaat aangegeven plaats, dan wel deplaats waar het in beslag te nemen voorwerp zich bevindt, ondanks deinlichtingen, bedoeld in het derde lid, door de uitvaardigende autoriteitonvoldoende nauwkeurig is aangegeven.Artikel 8.7.13 1. Het beslag duurt ten minste voort totdat een beslissing is genomenop de Europese confiscatiebeslissing of een rechtshulpverzoek alsbedoeld in artikel 8.7.9, tweede lid, en deze beslissing, indien zij daartoestrekt, is uitgevoerd, tenzij:a. het beslag al is beëindigd vanwege een door de rechter gegevenbevel; ofb. de uitvaardigende autoriteit heeft aangegeven de Europese bevrie-zingsbeslissing in te trekken.2. In het geval van het eerste lid, onderdeel b, beveelt de officier vanjustitie direct de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp.3. Na overleg met de uitvaardigende autoriteit kan de officier van justitievoorwaarden stellen teneinde de duur van het beslag te beperken.Alvorens hij het beslag overeenkomstig de gestelde voorwaardenbeëindigt, stelt hij de uitvaardigende autoriteit in de gelegenheid over ditvoornemen opmerkingen te maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 289 Artikel 8.7.14 Een rechtshulpverzoek als bedoeld in artikel 8.7.9, tweede lid, dat eenstrafbaar feit als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van Kaderbesluit2003/577/JBZ betreft, kan niet worden geweigerd op de grond dat het feitwaarop het verzoek betrekking heeft, indien het in Nederland was begaan,naar Nederlands recht niet strafbaar zou zijn.TITEL 7.4 RECHTSMIDDELEN Artikel 8.7.15 1. Indien de uitvoerende lidstaat een door Nederland uitgevaardigdeEuropese bevriezingsbeslissing heeft uitgevoerd zijn de artikelen 6.4.1,6.4.4, 6.4.5, 6.4.6, 6.4.7, 6.4.9, eerste lid, 6.4.11 en 6.4.14 van overeenkom-stige toepassing, met dien verstande dat alleen geklaagd kan worden overde uitvaardiging van de bevriezingsbeslissing en het voortduren van hetbeslag. Artikel 8.2.24, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.2. Indien de rechter het beklag gegrond acht, geeft de officier vanjustitie daaraan zoveel mogelijk het daarmee overeenkomende gevolg.3. Indien een belanghebbende zich in de uitvoerende lidstaat beklaagtover de erkenning en de uitvoering van de Europese bevriezingsbeslissingen de officier van justitie hiervan door de uitvoerende autoriteit in kenniswordt gesteld, kan hij deze autoriteit de nodige inlichtingen omtrent debevriezingsbeslissing verschaffen.Artikel 8.7.16 1. Indien door de officier van justitie uitvoering wordt gegeven aan eenEuropese bevriezingsbeslissing van een andere lidstaat, staan voor deofficier van justitie en de betrokkene de met de uitoefening van bevoegd-heden direct verband houdende rechtsmiddelen eveneens open, metovereenkomstige toepassing van de daarop betrekking hebbendebepalingen, tenzij de wet anders bepaalt.2. De rechter doet geen onderzoek naar de gronden voor de Europesebevriezingsbeslissing.Artikel 8.7.17 1. Belanghebbenden kunnen overeenkomstig artikel 6.4.1 en 6.4.5 eenklaagschrift indienen over de erkenning en uitvoering van een Europesebevriezingsbeslissing door de officier van justitie bij de rechtbank. Artikel6.4.14 is niet van toepassing.2. Artikel 8.2.26, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.HOOFDSTUK 8 EUROPESE BESLISSING BETREFFENDE TOEZICHT-MAATREGELEN ALS ALTERNATIEF VOOR VOORLOPIGEHECHTENIS TITEL 8.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 8.8.1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:– Europese toezichtbeslissing: een beslissing als bedoeld in artikel 4,onderdeel a, van Kaderbesluit 2009/829/JBZ, die wordt uitgevaardigd aaneen andere lidstaat;– toezichtmaatregel: een verplichting die overeenkomstig het recht vande uitvaardigende lidstaat is opgelegd als alternatief voor voorlopigehechtenis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 290 Artikel 8.8.2 1. Een Europese toezichtbeslissing kan worden uitgevaardigd voorzover deze ziet op een of meer van de volgende toezichtmaatregelen:a. een verplichting een bepaalde autoriteit in kennis te stellen van elkewijziging van woon- of verblijfplaats;b. het verbod bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden tebetreden;c. een verplichting op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaaldeperiode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn;d. de beperking van het recht om de uitvoerende lidstaat te verlaten;e. een verplichting zich op bepaalde tijdstippen bij een bepaaldeinstantie te melden;f. een verbod contact te leggen of te laten leggen met bepaaldepersonen of instellingen;g. andere toezichtmaatregelen op de naleving waarvan de uitvoerendelidstaat bereid is toe te zien.2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen toezichtmaatregelen alsbedoeld in het eerste lid, onderdeel g, worden aangewezen voor zoverNederland de uitvoerende lidstaat is.Artikel 8.8.3 Het openbaar ministerie kan in overleg treden met de bevoegdeautoriteiten in de uitvaardigende of uitvoerende lidstaat ten behoeve vaneen vlotte en efficiënte uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk.TITEL 8.2 UITVAARDIGING VAN EEN EUROPESE TOEZICHTBESLISSING Artikel 8.8.4 1. Het openbaar ministerie vaardigt een Europese toezichtbeslissing uitindien de rechter overeenkomstig Boek 2, Afdeling 5.4.3, de schorsing vande voorlopige hechtenis heeft bevolen en de rechter in het bevel heeftbepaald dat een Europese toezichtbeslissing wordt uitgevaardigd aan eenlidstaat als bedoeld in het tweede lid.2. De Europese toezichtbeslissing kan worden uitgevaardigd aan delidstaat waar de verdachte zijn vaste woon- of verblijfplaats heeft, indienhij ermee instemt naar die staat terug te keren. Op verzoek van deverdachte kan de beslissing worden uitgevaardigd aan een andere lidstaatindien de bevoegde autoriteit van die lidstaat daarmee instemt. DeEuropese toezichtbeslissing wordt niet aan meer dan een lidstaattegelijkertijd uitgevaardigd.3. Het openbaar ministerie overlegt over het opstellen van de Europesetoezichtbeslissing met de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat.Het openbaar ministerie verstrekt de rechter, bedoeld in het eerste lid, dealdus verkregen inlichtingen ten behoeve van het nemen van debeslissing over de schorsing van de voorlopige hechtenis en de daarbij opte leggen voorwaarden. De rechter betrekt bij zijn beslissing de door debevoegde autoriteiten van de uitvoerende lidstaat verstrekte inlichtingenover de veiligheid van de samenleving en de belangen van slachtoffers ennabestaanden.4. In afwijking van artikel 2.5.24 kan de rechter het moment van deschorsing vaststellen op het moment waarop de uitvoerende lidstaat deEuropese toezichtbeslissing heeft erkend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 291 Artikel 8.8.5 1. In de Europese toezichtbeslissing wordt informatie opgenomen overde verwachte duur van de schorsing van de voorlopige hechtenis, demogelijkheden tot verlenging daarvan, evenals een indicatie van deverwachte duur van het toezicht op de naleving van de opgelegdevoorwaarden.2. De Europese toezichtbeslissing gaat vergezeld van een ingevuld enondertekend certificaat dat is opgesteld overeenkomstig het modelopgenomen in bijlage I bij Kaderbesluit 2009/829/JBZ.3. Het openbaar ministerie vertaalt het certificaat in een officiële taal vande uitvoerende lidstaat of in een andere, door de uitvoerende lidstaat metinachtneming van artikel 24 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ aangegeventaal.Artikel 8.8.6 1. Het openbaar ministerie zendt de Europese toezichtbeslissing en hetcertificaat rechtstreeks toe aan de tot erkenning en uitvoering bevoegdeautoriteit van de uitvoerende lidstaat, op zodanige wijze dat dezeschriftelijk kan worden vastgelegd en de uitvoerende lidstaat de echtheidervan kan vaststellen.2. Indien niet bekend is welke autoriteiten in de uitvoerende lidstaatbevoegd zijn tot erkenning en uitvoering van de Europese toezichtbe-slissing, verzoekt het openbaar ministerie hieromtrent om inlichtingen.3. Alle verdere communicatie vindt rechtstreeks plaats tussen deuitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit.Artikel 8.8.7 Op verzoek van de uitvoerende autoriteit stuurt het openbaar ministeriehaar een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot schorsing van devoorlopige hechtenis of het origineel van het certificaat toe.Artikel 8.8.8 1. Voordat de uitvoerende lidstaat met de uitvoering van de Europesetoezichtbeslissing is aangevangen, kan de rechter die bevoegd is om tebeslissen over de voorlopige hechtenis het openbaar ministerie bevelende Europese toezichtbeslissing in te trekken naar aanleiding van dekennisgeving door de uitvoerende lidstaat:a. betreffende de maximumtermijn gedurende welke in de uitvoerendelidstaat toezicht kan worden gehouden op de naleving van de aan deschorsing van de voorlopige hechtenis verbonden voorwaarden;b. betreffende de beslissing van de uitvoerende lidstaat tot aanpassingvan de aan de betrokkene opgelegde toezichtmaatregel;c. dat in geval de betrokkene de toezichtmaatregel niet naleeft deoverlevering op grond van de Overleveringswet zal worden geweigerd.2. De Europese toezichtbeslissing wordt ingetrokken binnen een termijnvan tien dagen na ontvangst van een kennisgeving als bedoeld in heteerste lid. Het openbaar ministerie stelt de uitvoerende autoriteit en deverdachte direct gemotiveerd in kennis van de beslissing om de Europesetoezichtbeslissing in te trekken.Artikel 8.8.9 1. Het toezicht op de naleving van de aan de schorsing van devoorlopige hechtenis verbonden voorwaarden wordt opgeschort zodra dekennisgeving betreffende de erkenning van de Europese toezichtbe-slissing is ontvangen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 292 2. Tot het houden van toezicht in Nederland kan worden overgegaan:a. zodra het openbaar ministerie de Europese toezichtbeslissing heeftingetrokken overeenkomstig artikel 8.8.8;b. zodra van de uitvoerende autoriteit een kennisgeving is ontvangendat zij het toezicht heeft beëindigd;c. indien de uitvoerende lidstaat Nederland in kennis heeft gesteld vande naar het recht van die lidstaat geldende maximumtermijn voor hettoezicht en die termijn is verstreken;d. indien de verdachte niet langer zijn vaste woon- of verblijfplaats in deuitvoerende lidstaat heeft.3. In de in het tweede lid bedoelde gevallen treedt het openbaarministerie in overleg met de uitvoerende autoriteit om te voorkomen dathet toezicht op de naleving van de voorwaarden wordt onderbroken.Artikel 8.8.10 1. De rechter die bevoegd is om over de voorlopige hechtenis tebeslissen blijft na erkenning van de Europese toezichtbeslissing door deuitvoerende lidstaat bevoegd om overeenkomstig Boek 2, Titel 5.4, tebeslissen over de voorlopige hechtenis, de schorsing van de voorlopigehechtenis en de daaraan te verbinden voorwaarden.2. Het openbaar ministerie stelt de uitvoerende autoriteit direct in kennisvan:a. een wijziging van het bevel tot schorsing van de voorlopigehechtenis;b. een beslissing die strekt tot beëindiging van het toezicht op denaleving van de aan de schorsing van de voorlopige hechtenis verbondenvoorwaarden;c. een overeenkomstig Boek 2, Afdeling 5.5.3, ingesteld beroep tegen debeslissing over de schorsing van de voorlopige hechtenis.3. Indien de uitvoerende autoriteit daarom heeft verzocht stelt hetopenbaar ministerie die autoriteit direct in kennis van informatie over denoodzaak van het voortduren van het toezicht op de naleving van devoorwaarden.Artikel 8.8.11 Het openbaar ministerie kan de uitvoerende autoriteit verzoeken omverlenging van de termijn gedurende welke in de uitvoerende lidstaattoezicht wordt gehouden op de naleving van de aan de schorsing van devoorlopige hechtenis verbonden voorwaarden.TITEL 8.3 ERKENNING EN UITVOERING VAN EEN EUROPESE TOEZICHT-BESLISSING Artikel 8.8.12 1. Een Europese toezichtbeslissing wordt in ontvangst genomen doorde officier van justitie, die bevoegd is te beslissen tot erkenning enuitvoering van de beslissing.2. Indien een andere Nederlandse autoriteit dan de officier van justitieeen Europese toezichtbeslissing ontvangt, zendt zij het bevel direct dooraan de officier van justitie en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervanin kennis.3. De officier van justitie beslist binnen een termijn van twintig dagen naontvangst over de erkenning en uitvoering van de Europese toezichtbe-slissing. Zaterdagen, zondagen en algemeen erkende feestdagen wordenvoor de berekening van deze termijn niet meegerekend. De officier vanjustitie stelt de uitvaardigende autoriteit direct in kennis van zijnbeslissing. De beslissing is gemotiveerd indien de officier van justitie deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 293 uitvoering van de Europese toezichtbeslissing weigert op grond vanartikel 8.8.15.4. De beslissing over de erkenning en uitvoering kan worden uitgesteldindien het vanwege uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is determijn, bedoeld in het derde lid, te halen. De officier van justitie stelt deuitvaardigende autoriteit direct in kennis van de uitzonderlijke omstandig-heden en van de voor het nemen van de beslissing nodig geachte tijd.5. De beslissing over de erkenning en uitvoering kan eveneens wordenuitgesteld:a. indien het certificaat niet is opgesteld in de Nederlandse of Engelsetaal, totdat een vertaling beschikbaar is;b. indien het certificaat ontbreekt, onvolledig is of kennelijk niet inovereenstemming is met de toezichtbeslissing, totdat het certificaat isovergelegd, aangevuld of verbeterd binnen de door de officier van justitiegestelde redelijke termijn, bedoeld in artikel 8.8.14, derde lid.Artikel 8.8.13 Een door een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat uitgevaar-digde Europese toezichtbeslissing die betrekking heeft op toezichtmaatre-gelen als bedoeld in artikel 8.8.2 is vatbaar voor erkenning en uitvoeringindien:a. de betrokkene zijn vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft enhij, na van de toezichtmaatregelen op de hoogte te zijn gesteld, ermeeheeft ingestemd naar Nederland terug te keren; ofb. de betrokkene die geen vaste woon- of verblijfplaats heeft inNederland om de uitvaardiging heeft verzocht en de officier van justitiemet de uitvaardiging heeft ingestemd omdat er sprake is van eenaantoonbare en voldoende binding met Nederland.Artikel 8.8.14 1. Om te kunnen worden erkend en uitgevoerd, moet de Europesetoezichtbeslissing vergezeld gaan van een bijbehorend ingevuld enondertekend certificaat dat is opgesteld overeenkomstig het modelopgenomen in bijlage I bij het Kaderbesluit 2009/829/JBZ.2. Het certificaat dient te zijn opgesteld in de Nederlandse of Engelsetaal.3. Indien het certificaat ontbreekt, onvolledig is of kennelijk niet inovereenstemming is met de toezichtbeslissing, stelt de officier van justitiede uitvaardigende autoriteit in de gelegenheid binnen een door hem testellen redelijke termijn het certificaat alsnog over te leggen, aan te vullenof te verbeteren.4. De officier van justitie kan de bevoegde autoriteit in de uitvaardi-gende lidstaat verzoeken het origineel van het certificaat of een gewaar-merkt afschrift van de toezichtbeslissing over te leggen.Artikel 8.8.15 1. De officier van justitie kan de erkenning en uitvoering van detoezichtbeslissing weigeren, indien:a. het certificaat niet is overgelegd, onvolledig is of kennelijk niet inovereenstemming is met de daaraan ten grondslag liggende nationaletoezichtbeslissing en het certificaat niet alsnog is overgelegd, aangevuldof verbeterd binnen de door de officier van justitie gestelde redelijketermijn, bedoeld in artikel 8.8.14, derde lid;b. niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, bedoeld in deartikelen 8.8.13 en 8.8.14;c. de tenuitvoerlegging van de toezichtbeslissing onverenigbaar is methet beginsel van ne bis in idem;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 294 d. het feit waarop de toezichtbeslissing betrekking heeft, indien het inNederland was begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar is, tenzij heteen strafbaar feit betreft als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van Kaderbe-sluit 2009/829/JBZ;e. de Nederlandse strafwet op het feit waarop de toezichtbeslissingbetrekking heeft toepasselijk is en het recht tot strafvordering naarNederlands recht is verjaard;f. de tenuitvoerlegging van de toezichtbeslissing onverenigbaar is meteen naar Nederlands recht geldende immuniteit;g. de betrokkene ten tijde van het begaan van het feit de leeftijd vantwaalf jaren nog niet had bereikt;h. het aannemelijk is dat, in het geval de betrokkene de toezichtmaat-regel niet naleeft, zijn overlevering op grond van de Overleveringswet zalworden geweigerd.2. De officier van justitie weigert de erkenning van de toezichtbeslissingniet op grond van het eerste lid, onderdelen a, b en c, dan nadat debevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid isgesteld hieromtrent inlichtingen te verschaffen.3. De officier van justitie kan afzien van de weigering van de erkenningvan de toezichtbeslissing op grond van het eerste lid, onderdeel h, indiende bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in kennis is gesteldvan de mogelijke weigering van de overlevering en zij het certificaat nietintrekt.4. Indien het bevel een strafbaar feit betreft in verband met belastingenof heffingen, douane en deviezen, wordt de erkenning of uitvoering nietgeweigerd op grond van het feit dat het Nederlandse recht niet voorziet indezelfde soort belasting of heffing, dan wel niet dezelfde soort regelinginzake belastingen, heffingen, douane en deviezen kent als het recht vande uitvaardigende lidstaat.Artikel 8.8.16 1. Indien de aard van de aan de betrokkene opgelegde toezichtmaat-regel onverenigbaar is met het Nederlandse recht, past de officier vanjustitie deze zodanig aan dat tenuitvoerlegging naar Nederlands rechtmogelijk is, op een wijze die zoveel mogelijk overeenstemt met de in deuitvaardigende lidstaat opgelegde toezichtmaatregel.2. De aanpassing, bedoeld in het eerste lid, houdt in geen geval eenverzwaring van de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde toezichtmaat-regel in.3. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit direct inkennis van de beslissing tot aanpassing van de toezichtmaatregel.Artikel 8.8.17 1. Nadat de toezichtbeslissing is erkend draagt de officier van justitie erzorg voor dat de toezichtbeslissing zo spoedig mogelijk, overeenkomstighet Nederlandse recht en met inachtneming van de erkenningsbeslissing,wordt tenuitvoergelegd. Artikel 7.2.1, tweede tot en met zesde lid, is vanovereenkomstige toepassing.2. In het geval waarin de officier van justitie de uitvoerende lidstaat eenkennisgeving heeft gedaan als bedoeld in artikel 8.8.15, derde lid, ofartikel 8.8.16, derde lid, vangt de tenuitvoerlegging niet eerder aan dannadat tien dagen zijn verstreken sinds die kennisgeving.Artikel 8.8.18 1. De officier van justitie stelt de bevoegde autoriteit van de uitvaardi-gende lidstaat direct in kennis van:a. iedere wijziging van de woon- of verblijfplaats van de betrokkene;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 295 b. het feit dat het onmogelijk is om toezicht te houden op de nalevingvan de toezichtmaatregelen, omdat de betrokkene niet in Nederland kanworden gevonden;c. het feit dat de betrokkene tegen de beslissing om de Europesetoezichtbeslissing te erkennen een zaak aanhangig heeft gemaakt bij deburgerlijke rechter.2. De officier van justitie stelt de bevoegde autoriteit van de uitvaardi-gende lidstaat direct door middel van het formulier opgenomen in bijlageII van Kaderbesluit 2008/829/JBZ, in kennis van:a. zijn oordeel dat de betrokkene een toezichtmaatregel niet naleeft;b. alle overige feiten en omstandigheden die tot gevolg zouden kunnenhebben dat in de uitvaardigende lidstaat een beslissing wordt genomenomtrent het voortduren, wijzigen of beëindigen van de toezichtmaatre-gelen.3. Indien de betrokkene de toezichtmaatregelen ernstig heeftovertreden, treedt de officier van justitie in overleg met de uitvaardigendeautoriteit.Artikel 8.8.19 De officier van justitie kan te allen tijde de uitvaardigende autoriteitverzoeken om informatie te verschaffen over de noodzaak van hetvoortduren van het toezicht op de naleving van de toezichtmaatregelen.Artikel 8.8.20 1. Indien de uitvaardigende autoriteit de officier van justitie in kennisstelt van een wijziging van de toezichtmaatregelen, kan de officier vanjustitie:a. indien de aard van de aan de betrokkene opgelegde toezichtmaat-regel onverenigbaar is met het Nederlandse recht deze maatregelovereenkomstig artikel 8.8.16 aanpassen; ofb. indien geen sprake is van een toezichtmaatregel als bedoeld in artikel8.8.2 weigeren toezicht te houden op de naleving.2. Indien de officier van justitie niet overeenkomstig het eerste lid,onderdeel b, heeft geweigerd toezicht te houden op de gewijzigdetoezichtmaatregel, draagt de officier van justitie ervoor zorg dat degewijzigde toezichtmaatregel zo spoedig mogelijk wordt tenuitvoergelegdnadat een gewaarmerkt afschrift van de wijzigingsbeslissing is ontvangen.Artikel 8.8.21 1. De officier van justitie beëindigt het toezicht op de naleving van deaan de betrokkene opgelegde toezichtmaatregelen:a. indien meermalen een kennisgeving als bedoeld in artikel 8.8.18,tweede lid, aan de uitvaardigende autoriteit is verzonden en naaraanleiding daarvan binnen redelijke termijn geen beslissing is genomenomtrent de toezichtmaatregelen;b. zodra een kennisgeving van de uitvaardigende autoriteit is ontvangendat de toezichtmaatregelen zijn beëindigd;c. indien de officier van justitie overeenkomstig artikel 8.8.20, eerste lid,onderdeel b, heeft geweigerd toezicht te houden op gewijzigdetoezichtmaatregelen;d. indien de betrokkene niet langer zijn vaste woon- of verblijfplaats inNederland heeft;e. indien de betrokkene niet in Nederland kan worden gevonden.2. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit direct inkennis van de beëindiging van het toezicht. De officier van justitie treedt inoverleg met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat om teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 296 voorkomen dat het toezicht op de naleving van de voorwaarden wordtonderbroken. De officier van justitie stelt zo mogelijk eveneens debetrokkene in kennis van de beëindiging van het toezicht.HOOFDSTUK 9 EUROPEES BESCHERMINGSBEVEL TITEL 9.1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 8.9.1 In de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:– Europees beschermingsbevel: een bevel als bedoeld in artikel 2, eerstelid, van Richtlijn 2011/99/EU;– beschermingsmaatregel: een volgens het nationale recht in deuitvaardigende lidstaat genomen beslissing in strafzaken waarbij een ofmeer verboden of beperkingen aan de persoon die gevaar veroorzaakt zijnopgelegd ter bescherming van een natuurlijke persoon tegen eenstrafbare handeling die zijn leven, fysieke of psychologische integriteit,waardigheid, persoonlijke vrijheid of seksuele integriteit in gevaar kanbrengen.Artikel 8.9.2 Een Europees beschermingsbevel kan worden uitgevaardigd voor zoverdeze ziet op een beschermingsmaatregel die een of meer van de volgendeverboden of beperkingen bevat:a. een verbod tot het betreden van bepaalde locaties, plaatsen ofomschreven gebieden waar de beschermde persoon verblijft of die doorhem worden bezocht;b. een verbod op of een regeling omtrent enige vorm van contact metde beschermde persoon;c. een verbod de beschermde persoon dichter dan een bepaalde afstandte benaderen, of een regeling ter zake.Artikel 8.9.3 De officier van justitie kan in overleg treden met de bevoegde autori-teiten in de uitvaardigende of uitvoerende lidstaat ten behoeve van eenvlotte en efficiënte uitvoering van de bepalingen in dit hoofdstuk.Artikel 8.9.4 De beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt stellende bevoegde autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat en de uitvoe-rende lidstaat op de hoogte van het adres waaraan deze autoriteitenkennisgevingen dienen te richten. Kennisgevingen aan de beschermdepersoon en aan de persoon die gevaar veroorzaakt, vinden plaats aan hetlaatste door deze personen opgegeven adres.TITEL 9.2 UITVAARDIGING VAN EEN EUROPEES BESCHERMINGSBEVEL Artikel 8.9.5 1. Indien de rechter, de officier van justitie of Onze Minister eenbeschermingsmaatregel oplegt stelt de officier van justitie de beschermdepersoon in kennis over de mogelijkheid om een Europees beschermings-bevel te verzoeken in het geval deze persoon besluit zich naar een anderelidstaat te begeven, alsmede over de basisvoorwaarden die gelden vooreen dergelijk verzoek. De officier van justitie geeft bij deze kennisgevingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 297 de beschermde persoon in overweging om het verzoek in te dienenvoordat deze persoon het grondgebied van Nederland verlaat.2. De beschermde persoon kan een verzoek tot het uitvaardigen van eenEuropees beschermingsbevel indienen bij de officier van justitie.3. Wanneer de beschermde persoon een wettelijk vertegenwoordigerheeft, kan deze het verzoek indienen namens de beschermde persoon.4. Een verzoek van de beschermde persoon tot het uitvaardigen van eenEuropees beschermingsbevel dat is doorgestuurd door de uitvoerendelidstaat, wordt door de officier van justitie in ontvangst genomen.Artikel 8.9.6 1. De officier van justitie kan op verzoek van een beschermde persooneen Europees beschermingsbevel uitvaardigen indien in Nederland eenbeschermingsmaatregel als bedoeld in artikel 8.9.2 is opgelegd en debeschermde persoon besluit in een andere lidstaat te gaan wonen of teverblijven of daar al woont of verblijft.2. De officier van justitie die de uitvaardiging van een Europeesbeschermingsbevel overweegt, houdt onder meer rekening met de duurvan de periode of perioden die de beschermde persoon in de uitvoerendelidstaat wil verblijven en met de ernst van de behoefte aan bescherming.Artikel 8.9.7 1. De officier van justitie stelt de beschermde persoon en de persoon diegevaar veroorzaakt in kennis van de behandeling van het verzoek om eenEuropees beschermingsbevel uit te vaardigen.2. Indien aan de persoon die gevaar veroorzaakt het recht om te wordengehoord niet is verleend in de procedure die tot het nemen van debeschermingsmaatregel heeft geleid, stelt de officier van justitie dezepersoon in de gelegenheid te worden gehoord over het verzoek tot hetuitvaardigen van een Europees beschermingsbevel.3. Indien de persoon die gevaar veroorzaakt is gehoord in de proceduredie tot het nemen van de beschermingsmaatregel heeft geleid, kan deofficier van justitie deze persoon in de gelegenheid stellen te wordengehoord over het verzoek.4. De officier van justitie kan de beschermde persoon in de gelegenheidstellen te worden gehoord over het verzoek.5. Van het horen van de personen op grond van het tweede, derde ofvierde lid, wordt een verslag opgemaakt.Artikel 8.9.8 De officier van justitie motiveert zijn beslissing op het verzoek om eenEuropees beschermingsbevel uit te vaardigen. Hij stelt de beschermdepersoon en de persoon die gevaar veroorzaakt in kennis van zijnbeslissing.Artikel 8.9.9 1. Het Europees beschermingsbevel wordt opgesteld overeenkomstighet formulier opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2011/99/EU.2. Het bevel bevat met name de volgende informatie:a. de identiteit en de nationaliteit van de beschermde persoon en, indiende beschermde persoon minderjarig of handelingsonbekwaam is, deidentiteit en de nationaliteit van diens wettelijk vertegenwoordiger;b. de datum met ingang waarvan de beschermde persoon in deuitvoerende lidstaat wil gaan wonen of verblijven en de verblijfperiode of– perioden, indien bekend;c. de gegevens over de uitvaardigende autoriteit;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 298 d. een aanduiding van de beslissing tot oplegging van de bescher-mingsmaatregel op grond waarvan het Europees beschermingsbevel isuitgevaardigd;e. een beknopte weergave van de feiten en omstandigheden die hebbengeleid tot het opleggen van de beschermingsmaatregel;f. de in de beschermingsmaatregel aan de persoon die gevaar veroor-zaakt opgelegde verboden of verplichtingen, de duur daarvan en desanctie gesteld op overtreding van deze verboden of beperkingen;g. indien van toepassing, de technische hulpmiddelen die wordengebruikt ter handhaving van de beschermingsmaatregel;h. de identiteit, de nationaliteit en de contactgegevens van de persoondie het gevaar veroorzaakt;i. de beschikbare informatie over het recht op kosteloze rechtsbijstandin de uitvaardigende lidstaat;j. een beschrijving van andere omstandigheden die van invloed kunnenzijn op de beoordeling van het gevaar waaraan de beschermde persoonwordt blootgesteld;k. indien daarvan sprake is, dat een beslissing in de zin van artikel 2 vanKaderbesluit 2008/947/JBZ of van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZis erkend en wordt uitgevoerd door een andere lidstaat dan de lidstaatwaaraan het Europees beschermingsbevel is uitgevaardigd, de gegevensvan de in die andere lidstaat bevoegde autoriteit.3. De officier van justitie vertaalt het ingevulde formulier in een officiëletaal van de uitvoerende lidstaat of in een andere, door de uitvoerendelidstaat met inachtneming van artikel 17, derde lid, van Richtlijn2011/99/EU aangegeven taal.Artikel 8.9.10 1. De officier van justitie zendt het overeenkomstig artikel 8.9.9opgestelde ingevulde Europees beschermingsbevel toe aan de toterkenning en uitvoering bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat,op zodanige wijze dat dit schriftelijk kan worden vastgelegd en deuitvoerende lidstaat de echtheid ervan kan vaststellen.2. Indien de bevoegde autoriteit van de uitvoerende lidstaat niet bekendis, verzoekt de uitvaardigende autoriteit hieromtrent om inlichtingen.3. Alle verdere officiële communicatie vindt rechtstreeks plaats tussende uitvaardigende autoriteit en de uitvoerende autoriteit.Artikel 8.9.11 1. De rechter, de officier van justitie of Onze Minister beslist overeen-komstig het Nederlandse recht over de wijziging of beëindiging van eenaan een Europees beschermingsbevel ten grondslag liggende bescher-mingsmaatregel.2. Indien een beslissing in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit2008/947/JBZ of van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZ aan eenandere lidstaat is toegezonden of na de uitvaardiging van het Europeesbeschermingsbevel wordt toegezonden, worden de bij die kaderbesluitenbepaalde vervolgbeslissingen genomen overeenkomstig de toepasselijkebepalingen van die kaderbesluiten en de daarop gebaseerde wettelijkebepalingen.Artikel 8.9.12 1. De officier van justitie trekt het Europees beschermingsbevel in ofwijzigt dat bevel indien een beslissing als bedoeld in artikel 8.9.11, eersteof tweede lid, daartoe aanleiding geeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 299 2. De officier van justitie stelt de bevoegde autoriteit van de uitvoerendelidstaat, de beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt inkennis van elke genomen beslissing die strekt tot wijziging of beëindigingvan het Europees beschermingsbevel.TITEL 9.3 ERKENNING EN UITVOERING VAN EEN EUROPEES BESCHER-MINGSBEVEL Artikel 8.9.13 1. Indien een persoon die beschermd wordt door een beschermings-maatregel die is genomen op grond van het nationale recht van eenandere lidstaat, een verzoek doet aan de officier van justitie tot uitvaar-diging van een Europees beschermingsbevel, stelt de officier van justitiede bevoegde autoriteit van die andere lidstaat hiervan in kennis en draagthij dit verzoek zo spoedig mogelijk ter behandeling aan die bevoegdeautoriteit over.2. Indien de bevoegde autoriteit van de andere lidstaat niet bekend is,verzoekt de officier van justitie hieromtrent om inlichtingen.Artikel 8.9.14 1. Een Europees beschermingsbevel wordt in ontvangst genomen doorde officier van justitie, die bevoegd is te beslissen tot erkenning enuitvoering van het bevel.2. Indien een andere Nederlandse autoriteit dan de officier van justitieeen bevel ontvangt, zendt zij het bevel direct door aan de officier vanjustitie en stelt zij de uitvaardigende autoriteit hiervan in kennis.3. De officier van justitie beslist zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnentwintig dagen na de ontvangst van het bevel, over de erkenning enuitvoering van het bevel. Zaterdagen, zondagen en algemeen erkendefeestdagen worden voor de berekening van deze termijn niet meege-rekend.4. Indien het niet mogelijk is om binnen de termijn, genoemd in hetderde lid, te beslissen, stelt de officier van justitie de uitvaardigendeautoriteit hiervan direct in kennis, met opgave van de redenen voor devertraging en van de voor het nemen van de beslissing nodig geachte tijd.Artikel 8.9.15 1. Vatbaar voor erkenning en uitvoering is een Europees beschermings-bevel dat betrekking heeft op een beschermingsmaatregel als bedoeld inartikel 8.9.2.2. Om te kunnen worden erkend en uitgevoerd moet het bevel tenminste de informatie, genoemd in artikel 8.9.9, tweede lid, bevatten.3. Het bevel dient te zijn opgesteld in de Nederlandse of Engelse taal.4. Indien het formulier opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2011/99/EUonvolledig of onjuist is ingevuld, stelt de officier van justitie de uitvaardi-gende autoriteit hiervan in kennis. De officier van justitie stelt deuitvaardigende autoriteit in de gelegenheid binnen een door hem testellen redelijke termijn de ontbrekende gegevens alsnog te verstrekken.Artikel 8.9.16 1. De officier van justitie kan de erkenning of uitvoering van eenEuropees beschermingsbevel weigeren indien:a. het Europees beschermingsbevel onvolledig is of niet binnen de doorde officier van justitie gestelde redelijke termijn aan het verzoek, bedoeldin artikel 8.9.15, derde lid, is voldaan;b. niet is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning, bedoeld inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 2100 artikel 8.9.15, eerste lid;c. het feit waarvoor de beschermingsmaatregel is opgelegd, indien hetin Nederland zou zijn begaan, naar Nederlands recht niet strafbaar zouzijn;d. de persoon die gevaar veroorzaakt in Nederland onschendbaarheidgeniet, zodat geen maatregelen op grond van een Europees bescher-mingsbevel kunnen worden genomen;e. de Nederlandse strafwet op het feit waarvoor de beschermingsmaat-regel is opgelegd toepasselijk is en het recht tot strafvordering naarNederlands recht is verjaard;f. tenuitvoerlegging van het Europees beschermingsbevel onver-enigbaar is met het beginsel van ne bis in idem;g. de persoon die gevaar veroorzaakt ten tijde van het begaan van hetfeit de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt;h. de beschermingsmaatregel betrekking heeft op een strafbaar feit datkrachtens het Nederlands recht wordt beschouwd als zijnde volledig, danwel voor een groot of zeer belangrijk deel op Nederlands grondgebiedgepleegd.2. Indien de officier van justitie het Europees beschermingsbevelweigert te erkennen op grond van een van de in het eerste lid bedoeldegronden:a. stelt hij direct de autoriteit van de uitvaardigende lidstaat en debeschermde persoon in kennis van het besluit tot weigering, onderopgave van de redenen daarvoor;b. stelt hij in voorkomend geval de beschermde persoon in kennis vande mogelijkheid een beschermingsmaatregel te verkrijgen op grond vanhet Nederlandse recht.Artikel 8.9.17 1. De officier van justitie beveelt ter uitvoering van een voor erkenningvatbaar Europees beschermingsbevel de daartoe strekkende maatregelen.2. Indien de bescherming van betrokkene, de aard van het Europeesbeschermingsbevel of de uitvoerbaarheid in Nederland dit vereist, past deofficier van justitie de beschermingsmaatregelen aan. De aangepastemaatregelen stemmen zo veel mogelijk overeen met de beschermings-maatregelen die in de uitvaardigende lidstaat werden getroffen en waarophet Europees beschermingsbevel werd gegrond. Indien nodig treedt deofficier van justitie over de uitvoering van het bevel in overleg met deuitvaardigende autoriteit.3. De maatregelen gelden voor de termijn die door de autoriteit van deuitvaardigende lidstaat is opgenomen in het Europees beschermings-bevel, met een maximum van een jaar.Artikel 8.9.18 1. De officier van justitie stelt de persoon die gevaar veroorzaakt, debeschermde persoon en de bevoegde autoriteit van de uitvaardigendelidstaat in kennis van alle ter uitvoering van de Europese beschermingsbe-slissing te nemen maatregelen, alsmede van de mogelijke gevolgen vanovertreding van deze maatregelen. De kennisgeving aan de persoon diegevaar veroorzaakt wordt betekend.2. De officier van justitie verstrekt het adres of andere contactgegevensvan de beschermde persoon niet aan de persoon die gevaar veroorzaakt,tenzij dat noodzakelijk is met het oog op de tenuitvoerlegging van deopgelegde maatregelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 2101 Artikel 8.9.19 De officier van justitie draagt er zorg voor dat de maatregelen zospoedig mogelijk, met dezelfde snelheid en prioriteit als ware het eenvergelijkbare Nederlandse zaak, worden tenuitvoergelegd overeenkomstighet Nederlandse recht en met inachtneming van de erkenningsbeslissing.Artikel 7.2.1, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstigetoepassing.Artikel 8.9.20 1. De officier van justitie stelt de volgende autoriteiten in kennis van elkeovertreding van een op grond van het Europees beschermingsbevelgenomen maatregel:a. de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat;b. de bevoegde autoriteit van de lidstaat die een rechterlijke uitspraak inde zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ heeft toegezonden methet oog op erkenning en tenuitvoerlegging daarvan in Nederland;c. de bevoegde autoriteit van de lidstaat die een beslissing inzaketoezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbesluit 2009/829/JBZheeft toegezonden met het oog op erkenning en tenuitvoerleggingdaarvan in Nederland.2. De in het eerste lid bedoelde kennisgeving vindt plaats met gebruik-making van het formulier opgenomen in bijlage II bij Richtlijn 2011/99/EU.3. De officier van justitie vertaalt het formulier, bedoeld in het tweedelid, in een officiële taal van de uitvaardigende lidstaat dan wel, indien diestaat dit heeft medegedeeld in een bij de Europese Commissie neerge-legde verklaring, in een van de in die verklaring genoemde talen.Artikel 8.9.21 1. Indien de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat hetEuropese beschermingsbevel verlengt of wijzigt, past de officier vanjustitie de door hem bevolen maatregel dienovereenkomstig aan, zodra hijdoor de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende lidstaat in kennis isgesteld van de verlenging of wijziging. De officier van justitie kan determijn van de door hem bevolen maatregel verlengen tot in totaal tenhoogste een jaar.2. De officier van justitie weigert voor zover nodig de handhaving vaneen in het eerste lid bedoelde wijziging, indiena. het Europees beschermingsbevel daardoor niet langer betrekkingheeft op een verbod of beperking als bedoeld in artikel 8.9.2; dan welb. indien het gewijzigde Europees beschermingsbevel onvolledig is ofniet binnen de door de officier van justitie gestelde redelijke termijn aanhet verzoek, bedoeld in artikel 8.9.15, derde lid, is voldaan.3. De officier van justitie beëindigt de in artikel 8.9.17 bedoeldemaatregelen, zodra hij door de bevoegde autoriteit van de uitvaardigendelidstaat in kennis is gesteld dat het erkende en ten uitvoer gelegdeEuropees beschermingsbevel is ingetrokken.4. De officier van justitie stelt de persoon die gevaar veroorzaakt, debeschermde persoon en de bevoegde autoriteit van de uitvaardigendelidstaat in kennis van de verlenging of wijziging van de door hem bevolenmaatregel, bedoeld in het eerste lid, van de weigering, bedoeld in hettweede lid, of van de intrekking, bedoeld in het derde lid. De kennisgevingaan de persoon die gevaar veroorzaakt wordt betekend.Artikel 8.9.22 1. De officier van justitie kan de ter uitvoering van het Europeesbeschermingsbevel bevolen maatregelen beëindigen:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 2102 a. indien er duidelijke aanwijzingen zijn dat de beschermde persoon nietmeer op het grondgebied van Nederland woont of verblijft of dat hij hetgrondgebied definitief heeft verlaten;b. indien van ten aanzien van de door de officier van justitie teruitvoering van het Europees beschermingsbevel bevolen maatregelen demaximale termijn, bedoeld in artikel 8.9.17, derde lid, is verstreken;c. indien artikel 8.9.21, tweede lid, van toepassing is.d. indien, na de erkenning van het Europees beschermingsbevel, eenvonnis in de zin van artikel 2 van Kaderbesluit 2008/947/JBZ of eenbeslissing inzake toezichtmaatregelen in de zin van artikel 4 van Kaderbe-sluit 2009/829/JBZ aan Nederland als de uitvoerende lidstaat is overge-dragen.2. Voordat de officier van justitie besluit tot beëindiging als bedoeld inhet eerste lid, onderdeel b, kan hij bij de bevoegde autoriteit van deuitvaardigende lidstaat inlichtingen inwinnen omtrent de vraag of de bijhet Europees beschermingsbevel geboden bescherming in de gegevenomstandigheden noodzakelijk blijft.3. De officier van justitie stelt de uitvaardigende autoriteit en indienmogelijk de beschermde persoon en de persoon die gevaar veroorzaakt,onmiddellijk in kennis van de beslissing tot beëindiging, bedoeld in heteerste lid.ARTIKEL IV Deze wet treedt in werking op een bij Koninklijk Besluit te bepalentijdstip, dat voor de verschillende boeken, hoofdstukken, titels, afdelingen,artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.ARTIKEL V Deze wet wordt aangehaald als: Tweede vaststellingswet Wetboek vanStrafvordering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 2103 Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst endat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulksaangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.Gegeven,De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,De Minister van Justitie en Veiligheid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 636, nr. 2104

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 5a377a5b55d716f0

14 okt 2026 · 317f545c051534e2

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.