Verslag van een schriftelijk overleg over de Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 27 april 2026 te Luxemburg (Kamerstuk 21501-32-1776)
Brontekst
Versie d99a2ad316906b58 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1788 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 22 april 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur overde brief van 15 april 2026 over de Geannoteerde agenda Landbouw- enVisserijraad 27 april 2026 te Luxemburg (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1776).De vragen en opmerkingen zijn op 20 april 2026 aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurvoorgelegd. Bij brief van 22 april 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,SteenDe griffier van de commissie,Jansma kst-21501-32-1788ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17881 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 27 april 2026. Deze ledenhebben hierover nog enkele vragen.Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027De leden van de VVD-fractie lezen dat tijdens de Raad een beleidsdis-cussie zal plaatsvinden over de voorstellen voor het GemeenschappelijkLandbouwbeleid (GLB) na 2027 en dat Nederland daarbij inzet op eendoelgericht GLB, een weerbare en toekomstbestendige sector engeneratievernieuwing. Deze leden constateren dat het achtergronddo-cument voor deze beleidsdiscussie nog niet beschikbaar is en vragen hetkabinet daarom nader toe te lichten welke concrete onderwerpen naarverwachting centraal zullen staan tijdens de bespreking in de Raad enwelke prioriteiten Nederland daarbij zal hanteren in de onderhandelingen.AntwoordTijdens de Raad van 27 april wordt gesproken over de kaders voorinkomenssteun in het toekomstige Gemeenschappelijk Landbouwbeleid(GLB). Inkomenssteun voor boeren is een belangrijk instrument dat moetpassen bij de ambitie voor een duurzame landbouw en moet bijdragenaan een toekomstbestendige sector. Nederland zal zich tijdens de Raadinzetten voor een goede balans tussen directe inkomenssteun en debijdrage die het GLB moet leveren aan een duurzame sector, bijvoorbeeldvia vergoeding van ecosysteemdiensten. Daarbij streeft Nederland ernaardat lidstaten binnen die kaders de GLB-middelen efficiënt en gerichtkunnen inzetten voor de nationale uitdagingen. Tot slot, zal Nederland zichinzetten voor het waarborgen van een Europees vergelijkbaar ambitie-niveau voor de gemeenschappelijke doelen van het GLB.Inkomenssteun en gevolgen voor de Nederlandse landbouwDe leden van de VVD-fractie lezen dat het voorstel voor het nieuwe GLBonder meer ziet op een gerichtere inzet van inkomenssteun en dat hetbeschikbare budget in reële termen kan dalen ten opzichte van het huidigebeleid. Deze leden vragen het kabinet welke gevolgen het verwacht vandeze ontwikkelingen voor de structuur en concurrentiepositie van deNederlandse landbouwsector, in het bijzonder voor bedrijven die sterkafhankelijk zijn van investeringen in innovatie en verduurzaming. Tevensvragen zij in hoeverre het kabinet verwacht dat de voorgestelde wijzi-gingen in inkomenssteun gevolgen kunnen hebben voor de productieca-paciteit en voedselzekerheid binnen de Europese Unie (EU).AntwoordHet Europese budget voor het toekomstige GLB daalt. Daarom pleitNederland voor meer focus in het GLB om het GLB zo efficiënt mogelijk inte kunnen richten. In plaats van middelen te versnipperen over veelkleinere doelen en regelingen, zou het GLB gericht moeten wordeningezet op de grootste nationale landbouw gerelateerde opgaven van eenlidstaat.In vergelijking met veel andere Europese landen is het GLB-aandeel in hetinkomen van Nederlandse boeren relatief beperkt. Door de sterkemarktoriëntatie van Nederlandse boeren komt inkomen primair uit demarkt. Er is op voorhand dan ook geen verandering in structuur van deNederlandse landbouw te verwachten. Met een beperkter budget zijnkeuzes nodig, voor Nederland kan het daarom wenselijk zijn om eenverschuiving te realiseren naar een doelgerichte steun die aansluit bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17882 nationale uitdagingen, zoals de beloning van ecosysteemdiensten. In deuitwerking van het GLB, zal de Minister dan ook pleiten voor doelgerichtesteun die ook zal bijdragen aan het borgen van de productiecapaciteit envoedselzekerheid op de langere termijn. Daarbij zal de Minister bij deplanvorming zorgdragen voor voldoende maatregelen die innovatie enontwikkeling in de landbouw stimuleren.Flexibiliteit voor lidstaten en gelijk speelveldDe leden van de VVD-fractie lezen dat het nieuwe GLB mogelijk meerruimte biedt aan lidstaten om eigen keuzes te maken bij de inrichting vansteunmaatregelen. Deze leden vragen het kabinet hoe het in de onderhan-delingen inzet op het waarborgen van een gelijk speelveld binnen de EUen welke concrete waarborgen het noodzakelijk acht om te voorkomen datverschillen tussen lidstaten leiden tot concurrentieverstoringen voorNederlandse boeren en tuinders. Tevens vragen zij hoe het kabinet deuitvoerbaarheid en administratieve lasten van het nieuwe GLB meeweegtin zijn inzet.AntwoordVoor Nederland is het wenselijk om het nationale plan doelgericht enflexibel te kunnen inrichten zodat het gericht is op de nationale uitda-gingen. Om dit te realiseren is flexibiliteit in de toepassing vanGLB-interventies nodig, op die manier kan de inzet gericht worden op deinterventies die efficiënt bijdragen aan de beoogde doelen. De doelenworden Europees afgesproken, daarom pleit de Minister voor een gelijkambitieniveau van de gemeenschappelijke doelen van het GLB. Hierbijmoet een juiste balans worden gevonden tussen de behoefte aannationale flexibiliteit en een gelijk speelveld. Ook andere lidstaten ziendeze behoefte, hierover zal in Europees verband nog verder overgesproken worden. Tot slot, blijft Nederland tijdens de Raad aandachtvragen voor de uitvoerbaarheid van het GLB en de werkbaarheid vanregelingen op het boerenerf, wat voor Nederland een belangrijkuitgangspunt is.Marktsituatie in de landbouwsectorDe leden van de VVD-fractie lezen dat de marktsituatie in de landbouw-sector onder druk staat door geopolitieke ontwikkelingen en stijgendekosten voor energie, transport en kunstmest, wat leidt tot grotereonzekerheid in de voedselketen. Deze leden vragen het kabinet hoe het dehuidige weerbaarheid van de Nederlandse landbouwsector beoordeelt enwelke risico’s het ziet voor de continuïteit van bedrijven op de middel-lange termijn indien deze kostenontwikkelingen aanhouden.AntwoordDe situatie in het Midden-Oosten heeft op dit moment nog niet tot groteknelpunten geleid in de Nederlandse land- en tuinbouw. Daarbij speelteen rol dat agrarische ondernemers in energiegevoelige sectoren over hetalgemeen langer lopende contracten hebben en dat veel kunstmestvoor-raden eerder zijn ingekocht. Desondanks stijgen de energie- en kunstmest-kosten en als de situatie lang aanhoudt zullen de marges verder onderdruk komen te staan. Gezien de onzekerheid over het voortduren van desituatie zullen wij de impact van de ontwikkelingen blijven monitoren enhierover contact onderhouden met de sector, ook met het oog op deweerbaarheid van de Nederlandse voedselvoorzieningsketen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17883 Actieplan MeststoffenDe leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie (EC) werktaan een Actieplan Meststoffen dat moet bijdragen aan stabilisatie van demestmarkt en het vergroten van de leveringszekerheid. Deze leden vragenhet kabinet welke concrete resultaten het verwacht van dit actieplan op dekorte en middellange termijn en hoe het kabinet zich ervoor inzet datmaatregelen uit dit plan daadwerkelijk bijdragen aan lagere kosten engrotere leveringszekerheid voor boeren. Verder vragen zij welke kansen deMinister ziet om het gebruik van organische meststoffen, waaronderdierlijke mest, beter te benutten om de afhankelijkheid van kunstmest teverminderen. Ziet het kabinet mogelijkheden voor het gebruik vanRENURE als oplossing binnen de Europese meststoffencrisis?AntwoordDe concrete inhoud van het Meststoffenactieplan is op dit moment nogniet bekend. De verwachting is dat het plan medio mei wordt gepresen-teerd. De Minister kijkt met interesse uit naar het plan. Ten aanzien van hetbeter benutten van organische meststoffen, waaronder dierlijke mest, zietde Minister inderdaad kansen op het vlak van RENURE. Met de recenteaanpassing van de Nitraatrichtlijn is hierin een belangrijke stap genomen.Momenteel ligt de regelgeving voor de nationale implementatie van dezeaanpassing van de Nitraatrichtlijn voor notificatie voor in Brussel, zoalsvermeld in de brief van 8 april 2026 (Kamerstukken II, 2025//2026, 33 037,nr. 643). De verwachting is dat rond de zomer van 2026 gestart kanworden met het gebruik van RENURE. Op korte termijn (1 á 2 jaar) zal deproductiecapaciteit van RENURE echter onvoldoende zijn om een serieusalternatief voor de vraag naar stikstofkunstmest te kunnen bieden. Om deproductie van RENURE op te schalen wordt daarom nationaal gewerkt aaneen subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties opveehouderijbedrijven of grootschalige installaties voor mestverwaardingtot RENURE-productenStaatssteun en marktverstoringDe leden van de VVD-fractie lezen dat de EC onderzoekt of lidstatentijdelijk meer ruimte kunnen krijgen om boeren te ondersteunen vanwegestijgende kosten. Deze leden vragen het kabinet hoe het in de onderhan-delingen inzet op het voorkomen van concurrentieverstoringen tussenlidstaten en welke criteria het kabinet hanteert bij de beoordeling vaneventuele nationale steunmaatregelen. Tevens vragen zij in hoeverre hetkabinet verwacht dat deze tijdelijke maatregelen structurele gevolgenkunnen hebben voor het functioneren van de interne markt.AntwoordDe verwachting is dat de Europese Commissie (hierna: Commissie) opkorte termijn komt met een tijdelijk staatssteunkader in reactie op desituatie in het Midden-Oosten. Nederland heeft eerder richting deCommissie aangegeven van mening te zijn dat een tijdelijk crisiskader inalgemene zin nu nog niet noodzakelijk is. Dit geldt voor staatssteun vooralle typen sectoren, dus ook de agrarische sector. Indien de noodzaak laterwel ontstaat, moet een crisiskader zo gericht en tijdelijk mogelijk zijnvanwege mogelijke nadelige effecten op het gelijke speelveld op deinterne markt en aan bepaalde randvoorwaarden voldoen. Dit gaat metname om prijsprikkels voor de vermindering van fossiel energieverbruik.Dezelfde uitgangspunten gebruikt het kabinet voor het beoordelen van hettreffen van nationale maatregelen waarover de Kamer op 20 april jl. perbrief geïnformeerd is. Een versoepeling van de staatssteunregels zoukunnen betekenen dat er verschillen ontstaan tussen lidstaten wat betreftde hoeveelheid beschikbare steun. Tijdelijke maatregelen kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17884 structurele gevolgen hebben voor het functioneren van de interne markt.Om die reden is het van belang dat maatregelen zo gericht en tijdelijkmogelijk zijn om verstoringen te voorkomen.Strategisch belang van landbouw en duurzaam bosbeheer bijnatuurbrandenDe leden van de VVD-fractie lezen dat het Cypriotisch voorzitterschap hetonderwerp natuurbranden heeft geagendeerd met het doel om inzichtenuit te wisselen over het strategisch belang van landbouw en duurzaambosbeheer bij het voorkomen en beperken van natuurbrandrisico’s. Dezeleden vragen het kabinet welke mogelijke nieuwe verplichtingen ofbeleidsmaatregelen op Europees niveau worden voorzien naar aanleidingvan deze discussie en welke gevolgen dit kan hebben voor Nederlandseboeren, terreinbeheerders en andere betrokken partijen. Tevens vragen zijhoe het kabinet zich ervoor inzet dat eventuele nieuwe maatregelenuitvoerbaar en proportioneel blijven en aansluiten bij bestaande nationalebeleidskaders.AntwoordDe Commissie heeft op 25 maart jl. via een mededeling een nieuwestrategie gepresenteerd om de toenemende dreiging van natuurbrandenin Europa aan te pakken (hierna: de strategie). Over dit voorstel stelt hetkabinet een BNC-fiche op, dat in mei aan de Kamer zal worden gestuurd.Daarin zal ook worden ingegaan op de uitvoerbaarheid en de proportiona-liteit van de strategie.De strategie legt de verantwoordelijkheid voor natuurbrandbeheersingprimair bij de lidstaten, regionale overheden en eigenaren en beheerdersvan de fysieke leefomgeving. De Commissie kan daarbij ondersteunenmet onder andere financiering, data en kennis. In de strategie zijn daartoedan ook handvatten en aanbevelingen opgenomen. Dit is vergelijkbaarmet de Nederlandse aanpak van natuurbrandbeheersing, waarbij wordtingezet op bewustwording, preventie, mitigatie, bestrijding en herstel(Kamerstuk 30 821, nr. 306).De Commissie stelt in de strategie dat het GLB een belangrijke financie-ringsbron is voor natuurbrandpreventie. Daarbij geeft de Commissie aanvoor het volgende Meerjarige Financieel Kader (2028–2034) bereid te zijnprioriteit te geven aan financiering van het reduceren van risico’s opnatuurbranden. De bespreking van het strategisch belang van landbouwen duurzaam bosbeheer bij natuurbrandbeheersing tijdens de Raad van27 april houdt verband met dit voornemen. Omdat het BNC-fiche nog nietmet de Kamer is gedeeld, zal Nederland zich tijdens de aankomende Raadterughoudend opstellen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 27 april2026. Over de agenda en enkele visserijgerelateerde zaken hebben dezeleden vragen en opmerkingen.Gemeenschappelijk LandbouwbeleidDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er in de Raad wordtgesproken over de toekomst van het GLB. Deze leden vragen of deagenda voor dit gesprek inmiddels al bekend is en of deze inmiddelsgedeeld kan worden met de Kamer. Het kabinet zal zich uitspreken voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17885 een doelgericht GLB, een weerbare en toekomstbestendige sector,leefbaarheid op het platteland, generatievernieuwing en inzet op groenedoelen. Kan het kabinet duidelijk maken welke aanpassingen van het GLBof specifieke maatregelen het op deze punten aandraagt? Wat bedoelt hetkabinet in het bijzonder met «inzet op groene doelen»? Welke doelen zijndit en hoe moet het GLB aangepast worden om deze (sneller) te halen?Deze leden wijzen op artikel 10 van het GLB 2025, waarin EU-lidstatenwordt gevraagd om te voorzien in initiatieven die ten goede komen aanhet klimaat, milieu, dierenwelzijn, welvaart en duurzaam bosbeheer. Komteen dergelijk artikel in het herziene GLB en pleit het kabinet voor hetuitbreiden van dit artikel?AntwoordOp het moment van schrijven zijn er nog geen definitieve achtergronddo-cumenten beschikbaar. Zodra deze beschikbaar zijn, zullen ze wordengepubliceerd op de website van de Raad van de EU (www.consilium.euro-pea.eu) en kunnen ze daar worden geraadpleegd.Voor een doelgericht GLB, een weerbare toekomstbestendige sector,leefbaarheid op het platteland, generatievernieuwing en inzet op groenedoelen, zal Nederland pleiten voor flexibiliteit in het GLB om op dezemanier gericht te kunnen kiezen welke interventies in te zetten.De inzet op groene doelen gaat met name via de eco-regeling en hetAgrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb). Publieke middelen zoalsde GLB-subsidies kunnen aanvullend zijn daar waar de markt tekortschiet.Bijvoorbeeld in het beter belonen van publieke diensten die boerenleveren voor natuur, milieu en klimaat. Ook in de voorstellen voor hettoekomstige GLB wordt hier (via artikel 10) voldoende ruimte voorgeboden. De Minister zet zich in voor een ambitieuze toepassing van diegeboden ruimte in het toekomstige GLB.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwachten dat de Landbouw-en Visserijraad deels in het teken zal staan van de situatie in Iran en degevolgen van de stijgende brandstofprijzen voor boeren. Deze ledendringen eropaan om publieke middelen aan te wenden voor maatregelendie zorgen voor structurele verduurzaming van de landbouwsector. Dezeleden lezen dat het kabinet werkt aan een steunpakket, waar «verlichtingop het knellende mestdossier» een onderdeel van is (Telegraaf, 20 april2026, «Reddingsboei voor vissers om Iran-oorlog: miljoenensteun enversneld verduurzamen van vloot» (https://www.telegraaf.nl/politiek/reddingsboei-voor-vissers-om-iran-oorlog-miljoenensteun-en-versneld-verduurzamen-van-vloot/146539132.html)). Zij vragen in hoeverre ditsteunpakket in samenwerking met EU-lidstaten en de EC is vormgegevenen welke middelen het kabinet hiervoor aanwendt. Welke inbreng leverthet kabinet bij de Raad op dit punt en wat is zijn boodschap richtingEuropese collega’s? Zal het kabinet zich inspannen voor maatregelenwaarmee met zekerheid te zeggen is dat deze effectief bijdragen aan hetstructureel verduurzamen van de landbouw?AntwoordHet kabinet heeft maandag 20 april jl. de brief met uitgebreide toelichtingop de situatie in het Midden-Oosten en de uitwerking van de nationalemaatregelen en de bijbehorende middelen naar de Kamer verzonden.Over verdere uitwerking zal de Kamer ook zo spoedig mogelijk wordengeïnformeerd. Tijdens de Raad zal de marktsituatie voor de Europeselandbouw in brede zin besproken worden, daarin zal Nederland uiteraardook stilstaan bij de impact die de situatie in het Midden-Oosten heeft, hetbelang van weerbaarheid van de voedselvoorziening onderstrepen, en deCommissie vragen om een spoedige toezending van het ActieplanMeststoffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17886 Diversen VisserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele diversen-punten over visserij. Ten eerste lezen deze leden in de krant dat deregering voornemens is om tientallen miljoenen («twintig tot dertigmiljoen euro») vrij te maken voor de verduurzaming van de vissersvloot(Telegraaf, 20 april 2026, «Reddingsboei voor vissers om Iran-oorlog:miljoenensteun en versneld verduurzamen van vloot» (https://www.telegraaf.nl/politiek/reddingsboei-voor-vissers-om-iran-oorlog-miljoenensteun-en-versneld-verduurzamen-van-vloot/146539132.html)).Om hoeveel vissers gaat het die in dit pakket steun zouden ontvangen?Op welke Europese regelingen doet het kabinet hiervoor een beroep enhoeveel van de totale steun komt direct ten goede van verduurzaming?Welk aandeel is afkomstig uit het European Maritime Fisheries andAquaculture Fund (EMFAF)-fonds en ten goede van welke prioriteiten vandit fonds worden de middelen straks ingezet? Deze leden waken ervoordat de fossiele industrie straks wordt gespekt met geld wat is bedoeldvoor het structureel verduurzamen van de visserij. Hoe worden demiddelen verdeeld over de visserijsector? Wordt ook de bodemberoe-rende visserij, met een grote milieu-impact, gesubsidieerd door ditsteunpakket? Welke bewezen effectieve manieren van verduurzaming enbrandstofbesparing worden door het kabinet straks gecompenseerd? Dezeleden manen de regering tot een ambitieuze verduurzamingsstrategievoor de vloot, omdat dit op termijn de beste manier is om de visserij eenduurzame toekomst te geven. Kan het kabinet aantonen wat het aanresultaat verwacht door het steunpakket? Tot hoeveel brandstof- enkostenbesparing zal het steunpakket leiden? Hoe onderbouwt het kabinetdat de middelen doelmatig worden ingezet en het gewenste effect zullenhebben en niet in feite de fossiele industrie subsidiëren?AntwoordZoals in de Kamerbrief van 20 april jl. «Acties Weerbaarheid Energie-schok» aangegeven, zal het kabinet in het derde kwartaal van dit jaar eenenergie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openstellen. Hiervoorwordt € 25 miljoen vrijgemaakt op de begroting van het Ministerie vanLVVN. De middelen voor deze regeling betreffen nationale middelen. Deregeling zal niet onder het European Maritime Fisheries and AquacultureFund (EMFAF) worden opengesteld. De komende maanden zal dezeregeling nader worden vormgegeven en zal bezien worden wie er inaanmerking komen, welke investeringen subsidiabel zijn en hoe dezemiddelen verdeeld worden onder de doelgroep. Hierbij zal er ook oog zijnvoor de doelmatige inzet van deze middelen. Over de details van deregeling zal de Staatssecretaris de Kamer op een later moment infor-meren. Nog niet bekend is tot hoeveel brandstof- en kostenbesparing ditsteunpakket zal leiden. Dit is onder meer afhankelijk van welke investe-ringen er onder de regelingen zullen worden gedaan en hoeveelvaartuigen daadwerkelijk verduurzaamd worden.Tegelijkertijd wordt vanuit het EMFAF bezien hoe eventuele kortetermijn-steun vorm kan krijgen. Deze steun zou, indien mogelijk, wordengefinancierd uit resterende vrije middelen binnen het fonds. Mede om diereden is gekozen voor een nationale energie-efficiëntieregeling, zodat ditin het totaalplaatje niet ten koste gaat van investeringen in de verdereverduurzaming en een zuinigere vloot.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun zorgen over dedalende makreelpopulatie en de dreigende overbevissing van depijlinktvis. Ten eerste wijzen deze leden op de belabberde staat van hetmakreelbestand, waardoor volgens experts een totaalverbod op de vangstdreigt (AD, 31 maart 2026, «Overbeviste makreel verder in gevaar: «Risicoop totaal vangstverbod»» (https://www.ad.nl/binnenland/overbeviste-makreel-verder-in-gevaar-risico-op-totaal-vangstverbod~a7b274b7/)). HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17887 blijft deze leden verbazen dat supermarkten die een verkoopverbod opmakreel hebben ingevoerd, blijkbaar meer doen voor de gezondheid vande populatie dan de meeste EU-landen. Kan het kabinet uitleggen welkegevolgen het heeft voor de toekomst van het makreelbestand dat hetmakreelquotum ver boven het wetenschappelijke advies van de Interna-tional Council for the Exploration of the Sea (ICES) komt te liggen? Is hetop basis van wetenschappelijk onderzoek te verantwoorden dat hetmakreelquotum zo hoog is, tegen het ICES-advies in? Graag horen dezeleden wat de houding is van het kabinet wat betreft het vastgesteldemakreelquotum.AntwoordDe International Council for the Exploration of the Sea (ICES) neemt inhaar adviezen over de vangstmogelijkheden doorgaans meerderescenario’s op met niveaus waarop duurzame visserij kan plaatsvinden.Het wetenschappelijk hoofdadvies van ICES kende een reductie van 70%op de vangsten en de kans dat het bestand onder de biologischeondergrens zou blijven is daarmee ca. 50%. Het tweede scenario uithetzelfde wetenschappelijk advies van ICES kende een reductie van 48%op de vangsten met een kans van 57% dat het bestand onder de biolo-gische ondergrens zou blijven. Nederland en Frankrijk, gesteund doorDuitsland en Portugal, hebben tijdens de Raad van 30 maart jl. deCommissie opnieuw dringend opgeroepen tot hernieuwde inspanning ommet de andere Kuststaten tot een alomvattend, meerjarig akkoord tekomen. Tevens is van groot belang dat de overbevissing door deRussische Federatie beperkt wordt; ook hiertoe doet de Europese Unie(EU) voorstellen in het kader van de Noord-Oost Atlantische Visserij-Commissie.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie uiten hun zorgen over de vangstop de pijlinktvis. Door de opwarming van de Noordzee verplaatst het dierzich naar onze wateren en neemt de vangst toe. Echter, zo stellen experts,zonder regulering van de vangst dreigt de pijlinktvis gevangen te wordenvoordat ze eitjes hebben afgezet, waardoor de populatie te snel wordtuitgeput (Vroege Vogels, 17 april 2026, «Overbevissing van de pijlinktvis inde Noordzee» (https://www.bnnvara.nl/vroegevogels/artikelen/overbevissing-van-de-pijlinktvis-in-de-noordzee)). Is het kabinet bekendmet deze problematiek en is het voornemens om beleid te maken op devangst van de pijlinktvis? Onderschrijft het kabinet dat in de huidigesituatie te weinig oog is voor het herstellen van de populatie? Deze ledenbenadrukken het belang van goede monitoring van de dalende visbe-standen. Is het kabinet voornemens om de pijlinktvispopulatie en -vangstbeter te monitoren en zo ja, hoe? Is het kabinet bereid om hier op deLandbouw- en Visserijraad aandacht aan te besteden en te verkennen ofer meer EU-lidstaten zijn waarmee ze kan optrekken om het voorzorgs-principe van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) beter toe tepassen op de vangst van pijlinktvis?AntwoordSinds 2019 is de visserij op inktvis gegroeid en is het belang van dezevisserij voor Nederland toegenomen. Er is op dit moment inderdaad geenquotum voor de pijlinktvis in EU-wateren, waardoor het gaat om eenniet-gequoteerde soort. Dit is aanleiding geweest voor het Ministerie vanLVVN om Wageningen Marine Research en Wageningen EconomicResearch te vragen onderzoek te doen naar deze ontwikkeling en dehuidige stand van zaken in de Nederlandse inktvisvisserij. Het onderzoekis reeds aangeboden aan de Tweede Kamer (zie Kamerstuk 21 501–32, nr.1706). Het onderzoek biedt inzicht in de inktvisvisserij en geeft mogelijkevervolgstappen voor de toekomst. Verder worden er in internationaalverband al maatregelen genomen ter bescherming van het inktvisbestand.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17888 Zo heeft Nederland in 2021 in overleg met onze visserijsector het initiatiefgenomen om de maaswijdte aan te passen voor de visserij op pijlinktvis(Loliginidae en Ommastrephidae). Daardoor geldt sinds 28 oktober 2025voor de Noordzee en delen van de Noordwestelijke wateren een minimalemaaswijdte van 80 mm voor deze visserij. Eerder kon er in deze gebiedennog met een maaswijdte van 40 mm gevist worden op de pijlinktvis. Hetvergroten van de maaswijdte heeft onder andere tot doel het verminderenvan bijvangsten en beter visbestandbeheer. De Staatssecretaris wil eerstde effecten afwachten van deze maaswijdtevergroting alvorens verder-gaande maatregelen te nemen voor de pijlinktvis.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie spreken grote zorgen uit over de voortdu-rende koers van de EU, waarbij de Nederlandse soevereiniteit over onslandbouw- en visserijbeleid steeds verder wordt uitgehold door groeneidealen en Brusselse bemoeizucht. Onze boeren en vissers vormen deruggengraat van onze voedselzekerheid en mogen niet langer wordenopgeofferd aan abstracte doelen.1. Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) na 2027: Voedselproductieboven LandschapstuinierenDe leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om in Brusselte eisen dat het GLB na 2027 primair gericht blijft op voedselzekerheid eneconomische levensvatbaarheid en dat elke verdere verschuiving naarklimaatideologie wordt geblokkeerd.AntwoordDe Minister zet zich in Brussel in voor het versterken van de lange termijnweerbaarheid van de Europese agrarische sector, kennis, innovatie, hetverdienvermogen van boeren en het beter belonen van maatschappelijkediensten voor natuur en milieu. Gezamenlijk draagt dit bij aan eenduurzame agrarische sector waarbij zowel voedselzekerheid als econo-mische levensvatbaarheid gewaarborgd blijft. Daarnaast pleit de Ministervoor het doelgericht inzetten van GLB-middelen zodat die bijdragen aande Nederlandse nationale opgaves.Hoe gaat de Minister voorkomen dat de nationale beleidsvrijheid verderwordt ingeperkt door de Brusselse visie voor landbouw en voedsel?AntwoordDe Visie voor Landbouw en Voedsel bevat geen nieuwe wetgeving, maarkondigt verschillende (wetgevende) voorstellen aan die de Commissievoornemens is om de komende jaren te publiceren. Deze voorstellenzullen de gebruikelijke Europese wetgevingsprocedure volgen. De EUtreedt alleen op als dit meerwaarde heeft boven nationaal optreden(subsidiariteitsbeginsel). Het kabinet toetst elk voorstel van de Commissiescherp op dit uitgangspunt. De Kamer wordt hierover steeds geïnfor-meerd via de Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC-fiche).2. Marktsituatie en Oekraïne: Stop de oneerlijke concurrentieDe leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de sinds oktober 2025geldende vrijhandelsovereenkomst (DCFTA) met Oekraïne zorgt voor eenmassale import van goedkope landbouwgoederen, wat onze eigen boerendie aan veel strengere eisen moeten voldoen in een onmogelijke positiebrengt. Enkel monitoring is volstrekt onvoldoende. Kan de Minister in deRaad afdwingen dat er harde en automatisch werkende vrijwaringsclau-sules worden geactiveerd zodra Oekraïense importen de Nederlandsemarktprijzen ondergraven? Deze leden eisen onmiddellijke actie tegen deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17889 stijgende inputprijzen in plaats van het afwachten van weer een nieuwActieplan Meststoffen.AntwoordMet de herziening van het Associatieakkoord en daaraan gelieerdehandelsovereenkomst (Deep and Comprehensive Free Trade Agreement –DCFTA) tussen de EU en Oekraïne in 2025 is een einde gekomen aan deautonome handelsmaatregelen die sinds juni 2022 van toepassing waren.Met de inwerkingtreding van de herziene DCFTA is voor gevoeligelandbouwproducten sprake van een gereduceerde omvang van tariefcon-tingenten ten opzichte van de autonome handelsmaatregelen. Verder zijner voorwaarden gesteld aan het verruimde deel van de markttoegang.Waaronder verdere afspraken over de overname van Europese sanitaire-en fytosanitaire regelgeving door Oekraïne.Met de herziening van het DCFTA is eveneens de vrijwaringspijleraangescherpt, en vindt er continue monitoring door de Commissie plaatsop eventuele marktverstoringen. Het kabinet hecht eraan dat ernstigemarktverstoringen tijdig kunnen worden vastgesteld en dat, indien nodig,er binnen redelijke termijn kan worden ingegrepen. De eerste handels-cijfers over de periode na inwerkingtreding van het vernieuwde DCFTAlaten echter geen dusdanige marktverstoring als gevolg van import vanlandbouwgoederen uit Oekraïne zien voor het inroepen van de vrijwa-ringsmaatregelen. Mocht hier in de toekomst wel sprake van zijn dan zalhet kabinet dergelijke zorgen in lijn met de vrijwaringsafspraken bij deCommissie adresseren.3. Mestbeleid: Onvoorwaardelijke erkenning van RENUREDe leden van de PVV-fractie vinden het onacceptabel dat Nederland voorde toepassing van eigen innovaties zoals RENURE en digestaat nogsteeds moet smeken bij de EC. De starre Nitraatrichtlijn dient als eenverstikkend dictaat. Is de Minister bereid om in Luxemburg de rug recht tehouden en onvoorwaardelijk te eisen dat RENURE per direct, zonderaanvullende groene restricties, wordt erkend als kunstmestvervanger?Waarom wordt de herziening van de Nitraatrichtlijn niet direct ingezet omhet gebruik van digestaat als duurzaam alternatief voor kunstmestEU-breed toe te staan, zoals ook door andere lidstaten is gevraagd?AntwoordMet de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die op 2 maart jl. isgepubliceerd, is een belangrijke stap genomen op het vlak van RENURE.Momenteel ligt de regelgeving voor de Nederlandse implementatie vandeze aanpassing voor notificatie voor in Brussel, zoals vermeld in de briefvan 8 april 2026 (Kamerstukken II, 2025//2026, 33 037, nr. 643). Deverwachting is dat rond de zomer van 2026 er gestart kan worden met hetgebruik van RENURE. Digestaat is bij uitstek geschikt om te kunnendienen als input voor de productie van RENURE. In die zin ziet de Ministerhierin ook mogelijkheden om verantwoord gebruik te kunnen maken vandigestaat. De Commissie heeft aangegeven te verwachten in het tweedekwartaal van dit jaar de evaluatie van de Nitraatrichtlijn te kunnen tepresenteren. Mogelijk biedt dit aanknopingspunten om het RENURE-concept verder te ontwikkelen, zoals de Minister ook in de zojuistaangehaalde brief heeft aangegeven.4. Handelsverdragen (Mercosur): Geen uitverkoop van de agrarischesectorDe leden van de PVV-fractie zijn faliekant tegen de voorlopige toepassingvan het Mercosur-verdrag per 1 mei aanstaande. Het importeren van vleesuit landen die niet aan onze standaarden voldoen is een klap in het gezichtvan de Nederlandse veehouder. Is de Minister bereid om zich in EuropeesTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178810 verband hard uit te spreken tegen de voorlopige toepassing van hetMercosur-verdrag om de Nederlandse veehouderij te beschermen tegenoneerlijke concurrentie?AntwoordHet kabinet heeft in de Raad van de EU reeds ingestemd met de onderte-kening en voorlopige toepassing van het EU – Mercosur akkoord, conformde motie Van der Burg c.s. (Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501-02, nr.3309) Het kabinet steunt voorlopige toepassing van het EU – Mercosurakkoord conform de motie Erkens c.s. (Kamerstukken II, 2025–2026, 21501-20, nr. 2374). Dit neemt niet weg dat het kabinet de Commissie zalhouden aan de afspraken in het akkoord en de aanvullende maatregelenter bescherming van de Europese landbouwsector.5. Visserij: Ruimte voor de vloot en terugkeer van de pulsDe leden van de PVV-fractie zijn van mening dat onze vissers wordenweggepest door torenhoge brandstofprijzen en disproportionele regels,zoals cameratoezicht en weegverplichtingen. Gaat de Minister deenergietransitie in de visserij aangrijpen om de pulsvisserij, een bewezeneffectieve en brandstof besparende methode, opnieuw op de agenda tezetten als essentieel onderdeel van een rendabele vloot?AntwoordHet kabinet zet zich zowel in Nederland als in Brussel in voor eenduurzame en innovatieve visserijsector. De huidige brandstofprijzenbenadrukken nogmaals de noodzaak van het verminderen van hetbrandstofverbruik van de visserijsector. Onderdeel van deze inzet is hetlegaliseren van de pulsvisserij. Hiertoe wordt er, in lijn met de moties vander Plas en van der Plas – den Hollander, verkend of kleinschaligonderzoek in de kustzone met andere landen mogelijk is. Het vorigekabinet heeft de Kamer hierover al geïnformeerd (Kamerstuk 21501–32, nr.1738). Deze onderzoeken moeten bijdragen aan het verhogen van hetdraagvlak voor de pulsvisserij, zodat concrete stappen kunnen wordengezet richting legalisering.De leden van de PVV-fractie wijzen de inzet van camera’s op vaartuigenresoluut af als een inbreuk op de privacy en autonomie van onze vissers.De leden van de PVV-fractie roepen de Minister op om in Luxemburgeindelijk de Nederlandse belangen voorop te stellen. Kies voor deNederlandse boer en visser en herstel onze nationale soevereiniteit.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg van de vaste commissie voor de Landbouw- enVisserijraad in april en hebben enkele vragen.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorstellenvan de EC voor de invulling van het GLB om lidstaten de ruimte te gevenom de basisbetaling vast te stellen binnen een bandbreedte per hectare.Het kabinet heeft in het BNC-fiche aangegeven deze bandbreedte te willenverlagen en de ondergrens te schrappen, terwijl andere lidstaten ermogelijk voor kiezen zwaarder in te zetten op de basisbetaling. Hoe ziet deMinister de inzet van het kabinet om de bandbreedte te verlagen en deondergrens te schrappen in verhouding tot het risico op een ongelijkspeelveld tussen lidstaten die juist kiezen voor een hogere basisbetaling?Welke concrete inzet zal de Minister in de Raad kiezen om een gelijkspeelveld binnen de EU te waarborgen?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178811 Inkomenssteun voor boeren is een belangrijk instrument dat moet passenbij de ambitie voor een duurzame landbouw en moet bijdragen aan eentoekomstbestendige sector. De Minister pleit in Brussel voor hetbehouden van vrijheid om inkomenssteun doelgericht in te zetten. Watbetreft de ondergrens van de bandbreedte, pleit de Minister voor hetverlagen van de ondergrens, hierdoor zal er meer ruimte ontstaan omEU-gefinancierde middelen in te zetten voor grote nationale opgavenzoals de stikstofopgave, generatievernieuwing en leefbaarheid in hetlandelijk gebied. Hierbij hebben andere lidstaten soms andere uitda-gingen. Tegelijkertijd, vindt de Minister het belangrijk om zoveel mogelijkeen gelijk speelveld te waarborgen door een vergelijkbare inzet op deGLB-doelen. Meerdere lidstaten zien deze uitdaging en momenteel wordtbekeken welke oplossing hiervoor op voldoende draagvlak kan rekenen.De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat de RVO de definitievebeschikkingen voor de GLB-aanvragen 2025 heeft verstuurd. Deze ledenkrijgen signalen dat een aanzienlijk deel van de aanvragen vooreco-regelingen is afgekeurd. In de sector bestaan zorgen over debetrouwbaarheid van de controle met het Areaal Monitoring Systeem(AMS), waarbij gebruik wordt gemaakt van satellietbeelden en algoritmesom te beoordelen of aan voorwaarden.De leden van de CDA-fractie betreuren dat de afkeuringen vooreco-regelingen leiden tot onzekerheid en mogelijk afnemende bereidheidonder boeren om deel te nemen aan de eco-regeling terwijl deze regelingeen belangrijke pijler vormt onder de verduurzaming van de landbouw. Isde Minister bereid om beschikkingen die hebben geleid tot substantiëleverlagingen of afkeuringen van eco-regelingvergoedingen opnieuw telaten beoordelen waarbij menselijke beoordeling leidend is? Op welkewijze wil de Minister de deelname aan de eco-regeling in 2026 bevorderenin het licht van de huidige signalen van onvrede en onzekerheid?AntwoordIn 2025 is voor het eerst op grote schaal met satellietbeelden gemonitord.Daardoor waren er meer afwijkingen en zijn er meer eco-activiteitenafgewezen dan eerdere jaren. Deze hoeveelheid is wel in lijn derverwachting gezien de geconstateerde niet-nalevingen door steekproevenin het veld. Op dit moment is het zo dat als boeren het niet eens zijn metde beoordeling van hun aanvraag door de Rijksdienst voor OndernemendNederland (RVO), zij bezwaar kunnen maken. Voor 2026 is besloten omhet aantal eco-activiteiten in de regeling stabiel te houden en het budgetvoor de eco-regeling met € 50 mln. te verhogen om stabiliteit endeelname te bevorderen.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de maandelijksevoortgangsrapportage over de onderhandelingen over het GLB2028–2034. Deze leden hebben hierover de volgende vragen.De leden van de CDA-fractie hechten groot belang aan de strategischeautonomie van de EU op het gebied van voedselproductie en eiwitvoor-ziening. Deze leden constateren dat de Europese afhankelijkheid vangeïmporteerde eiwitgewassen al jaren een kwetsbaarheid vormt voor devoedselzekerheid en de concurrentiepositie van de Europese veehouderij.Kan de Minister toelichten wat de inzet van Nederland is in deGLB-onderhandelingen ten aanzien van een Europese eiwitstrategie, enop welke wijze het nieuwe GLB kan bijdragen aan het verminderen van deEuropese importafhankelijkheid van eiwitgewassen?AntwoordDe voorstellen voor het toekomstige GLB geven reeds ruimte om in denationale planvorming maatregelen te introduceren die bijdragen aan dedoelen van de Europese eiwitstrategie, bijvoorbeeld door steun te richtenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178812 op de teelt van eiwithoudende gewassen. Nederland heeft tijdens deonderhandelingen hierop dan ook geen aanvullende inzet. De Commissieheeft voorts in de wijzigingen op het vlak van de GemeenschappelijkeMarktordening maatregelen voorgesteld, zoals de toevoeging vaneiwithoudende gewassen als aparte sector in de GMO-verordening, demogelijkheid tot het instellen van handelsnormen en het erkennen vanproducentenorganisaties en brancheorganisaties in deze sector(Kamerstuk 22 112, nr. 4145). Deze maatregelen moeten bijdragen aan hetstimuleren van de teelt van eiwitgewassen en de afhankelijkheid vanimportgewassen verminderen. Nederland steunt deze voorstellen.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de sterkgestegen kunstmestprijzen als gevolg van verstoringen in de energie- enhandelsroutes, met name rond de Straat van Hormuz, en van hetaangekondigde EU-Actieplan Meststoffen. Deze leden constateren dat deafhankelijkheid van buitenlandse kunstmest de weerbaarheid van deEuropese landbouwsector structureel ondermijnt. Zij zien RENURE als eenkansrijke bijdrage aan een duurzamere en minder importafhankelijkemeststoffenvoorziening. Kan de Minister toelichten wat de Nederlandseinzet is in de GLB-onderhandelingen op het faciliteren van RENURE-toepassing en welke stappen hij in dat licht zet om belemmeringen in deEuropese regelgeving voor RENURE op korte termijn te verminderen?AntwoordOm de productie van RENURE op te schalen wordt nationaal gewerkt aaneen subsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties opveehouderijbedrijven of grootschalige installaties voor mestverwaardingtot RENURE-producten. De Commissie heeft aangegeven te verwachten inhet tweede kwartaal van dit jaar de evaluatie van de Nitraatrichtlijn tekunnen te presenteren. Mogelijk biedt dit aanknopingspunten om hetRENURE-concept verder te ontwikkelen. In het kader van deGLB-onderhandelingen kan gekeken worden naar aanvullende mogelijk-heden om de toepassing van RENURE verder te faciliteren.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de recentebesluitvorming in de Europese Visserijraad over het makreelquotum. Dezeleden constateren dat het vastgestelde quotum van 299.010 ton aanzienlijkhoger ligt dan het wetenschappelijk advies van ICES van 174.000 ton,terwijl het makreelbestand de afgelopen tien jaar al sterk is afgenomen.Kan de Staatssecretaris toelichten hoe hij in Europees verband inzet ophet alsnog sluiten van internationale afspraken over de verdeling van hetmakreelquotum binnen de door ICES geadviseerde grenzen en welkestappen hij onderneemt om te voorkomen dat de daadwerkelijke vangsthet vastgestelde quotum overschrijdt?AntwoordNederland en Frankrijk, gesteund door Duitsland en Portugal, hebbentijdens de Raad van 30 maart jl. de Commissie opnieuw dringendopgeroepen tot hernieuwde inspanning om met de andere Kuststaten toteen alomvattend, meerjarig akkoord te komen. Het streven is dat wanneerook de EU-deel van dergelijk beoogd akkoord wordt, de EU haar invloedkan aanwenden tot een duurzaam beheer van het makreelbestand. Tevensis van groot belang dat de overbevissing door de Russische Federatiebeperkt wordt; ook hiertoe doet de EU voorstellen in het kader van deNoord-Oost Atlantische Visserij-Commissie. Het quotumbeheer binnen deEU wordt geborgd door het GVB. De vangstregulering door de andereKuststaten vindt plaats conform het akkoord dat zij onderling zijnovereengekomen en waarin zij per Kuststaat een gemaximeerde vangst-hoeveelheid hebben opgenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178813 De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de Europeseplannen om visserijsectoren tegemoet te komen bij de sterk gestegenbrandstofkosten als gevolg van de geopolitieke spanningen in hetMidden-Oosten. Deze leden maken zich zorgen dat het financieren vanbrandstofcompensatie ten koste gaat van de middelen die zijn bestemdvoor structurele verduurzaming van de visserijsector en daarmee detransitie naar een toekomstbestendige visserij vertraagt in plaats vanversnelt. Zij zijn van mening dat eventuele tijdelijke steun beleidsmatigbeter past binnen EMFAF-prioriteit twee of drie, gericht op markt- engemeenschapsondersteuning, dan binnen prioriteit één, die is gereser-veerd voor innovatie en natuurherstel. Kan de Staatssecretaris toelichtenof Nederland voornemens is gebruik te maken van de Europese mogelijk-heden voor brandstofcompensatie en zo ja, uit welke EMFAF-prioriteit hijdeze middelen wil inzetten en hoe hij daarbij borgt dat de innovatiemid-delen voor verduurzaming intact blijven?AntwoordZoals in de Kamerbrief van 20 april jl. «Acties Weerbaarheid Energie-schok» opgenomen, is de Staatssecretaris conform Motie Flach (Kamer-stukken 23 432, nr. 713) in gesprek met de Commissie over het crisisme-chanisme onder het EMFAF. De Commissie heeft de uitvoeringshandelingvan dit crisismechanisme met daarin de kaders voor mogelijke steunver-lening op 16 april jl. gepubliceerd. Het kabinet beziet de mogelijkhedenbinnen het EMFAF om daarmee de eerste directe grote gevolgen in devisserij te beperken tot het moment van openstelling van energiebespa-ringsregelingen. Door ook nationaal voor een grotere energie-efficiencyregeling te kiezen dan voor ogen was, komt er ruimte om bestaandeEMFAF-middelen in te zetten voor kortetermijnsteun. Mogelijke inzet vanhet crisismechanisme onder het EMFAF staat los van de reeds voorzieneinnovatieregelingen onder het EMFAF die gericht zijn op de aquacultuuren verwerkende keten voor visserij en aquacultuur.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieLandbouwDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda en de onderliggende stukken en hebben hierover de volgendevragen en opmerkingen.De leden van de BBB-fractie constateren dat het achtergronddocumentvoor de beleidsdiscussie over het GLB na 2027 nog niet beschikbaar is.Deze leden vragen zich af of dit document inmiddels al wel beschikbaar isen of de Minister dit achtergronddocument met de Kamer kan delen.Datzelfde geldt door het achtergronddocument voor de beleidsdiscussieover de marktsituatie.AntwoordOp het moment van schrijven zijn er nog geen definitieve achtergronddo-cumenten beschikbaar. Zodra deze beschikbaar zijn, zullen ze wordengepubliceerd op de website van de Raad van de EU (www.consilium.euro-pea.eu) en kunnen daar worden geraadpleegd.De leden van de BBB-fractie constateren dat er serieuze zorgen bestaanover een mogelijk ongelijk speelveld tussen lidstaten, onder andere doorverschillen in basisbetalingen en de toegenomen flexibiliteit binnen hetGLB. Deze leden delen deze zorgen en vragen de Minister hoe hij dit risicobeoordeelt en welke concrete inzet Nederland pleegt om een ongelijkspeelveld te voorkomen. Ook vragen zij of de Minister bereid is zich in tezetten voor een beperktere bandbreedte in basisbetalingen tussenlidstaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178814 AntwoordInkomenssteun voor boeren is een belangrijk instrument dat moet passenbij de ambitie voor een duurzame landbouw en moet bijdragen aan eentoekomstbestendige sector. Om dit te bereiken, pleit de Minister voor hetbehoud van vrijheid om de inkomenssteun doelgericht in te zetten,waarbij de Minister tegelijkertijd de zorgen meeweegt over een mogelijkongelijk speelveld. Wat betreft de bandbreedte, pleit de Minister voor hetverlagen van de bandbreedte en het schrappen van de ondergrens,hierdoor zal er meer ruimte ontstaan om EU-gefinancierde middelen in tezetten voor nationale landbouw gerelateerde opgaven.De leden van de BBB-fractie constateren voorts dat de Europese Reken-kamer wijst op toenemende complexiteit, onzekerheid en risico’s opvertraging in de uitvoering van het nieuwe GLB. Deze leden vragen hoe deMinister deze kritiek beoordeelt en of hij de zorg deelt dat boeren hierdoorjuist minder zekerheid krijgen.AntwoordDe bevindingen van de Europese Rekenkamer sluiten aan bij de door hetMinisterie van LVVN eerder gedeelde zorgen wat betreft toenemendecomplexiteit, onzekerheid en risico’s op vertraging in de uitvoering vanhet nieuwe GLB. Deze zorg heeft de Minister ook overgebracht aan deCommissie. Het kabinet blijft zich inzetten om de zorg over onzekerhedenvoor boeren en andere begunstigden weg te nemen.De leden van de BBB-fractie constateren dat de EC werkt aan eenMeststoffenactieplan om de afhankelijkheid van kunstmest te vermin-deren en de leveringszekerheid te vergroten. Deze leden vragen wanneerde Kamer dit Meststoffenactieplan kan verwachten en wat de Nederlandseinzet hierbij is. In dat kader lezen zij dat door de Minister wordt ingezet opvermindering van kunstmestgebruik. Zij vragen of dit impliciet betekentdat ook de stikstofgebruiksruimte verder wordt beperkt en geven aan datdit wat hen betreft zeer zorgelijk zou zijn. Zij vragen de Minister explicietof minder kunstmestgebruik betekent dat ook minder stikstofgebruiks-ruimte beschikbaar komt en hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot lagereopbrengsten en verdere druk op boeren.AntwoordDe verwachting is dat het Meststoffenactieplan medio mei wordtgepresenteerd. Op dit moment is de inhoud van het plan nog niet bekend.Zoals gebruikelijk bij mededelingen van de Commissie zal de Kamermiddels een BNC-fiche geïnformeerd worden binnen de daarvoorafgesproken termijn.De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat juist het beter benuttenvan dierlijke mest kan bijdragen aan het verminderen van kunstmestge-bruik. Deze leden vragen of de Minister deze opvatting deelt en welkeinzet Nederland pleegt om de toepassing van dierlijke mest te verruimen.AntwoordMet de recente aanpassing van de Nitraatrichtlijn, die op 2 maart jl. isgepubliceerd, is een belangrijke stap genomen op het vlak van RENUREals nuttige toepassing van dierlijke mest. Momenteel ligt de regelgevingvoor de Nederlandse implementatie van deze aanpassing voor notificatievoor in Brussel. De verwachting daarbij is dat rond de zomer gestart kanworden met het gebruik van RENURE.De leden van de BBB-fractie constateren dat de Nitraatrichtlijn zou wordengeëvalueerd en dat vanuit de sector nadrukkelijk wordt gepleit vooraanpassing om meer ruimte te bieden voor dierlijke meststoffen. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178815 leden vragen naar de stand van zaken van deze evaluatie en of de Ministervan mening is dat de Nitraatrichtlijn moet worden aangepast. Tevensvragen zij of de Minister bereid is zich in Europees verband in te zettenvoor herziening van deze richtlijn.AntwoordDe Commissie heeft aangegeven te verwachten in het tweede kwartaalvan dit jaar de evaluatie van de Nitraatrichtlijn te presenteren. Mogelijkbiedt dit aanknopingspunten om het RENURE-concept verder teontwikkelen.De leden van de BBB-fractie constateren dat boeren worden geconfron-teerd met sterk stijgende kosten voor niet alleen kunstmest, maar ookenergie en transport, wat leidt tot grote onzekerheid in de sector. Dezeleden vragen welke concrete maatregelen de Minister in Europeesverband inzet om deze kostenstijgingen te mitigeren en hoe deweerbaarheid van de landbouwsector daadwerkelijk wordt versterkt.AntwoordDe situatie in het Midden-Oosten heeft mijn volle aandacht. Op ditmoment heeft deze nog niet tot grote knelpunten geleid in de Neder-landse land- en tuinbouw. Daarbij speelt een rol dat agrarische onder-nemers in energiegevoelige sectoren over het algemeen langer lopendecontracten hebben en dat veel kunstmestvoorraden eerder zijn ingekocht.Desondanks stijgen de energie- en kunstmestkosten en als de situatie langaanhoudt zullen de marges verder onder druk komen te staan. Ditonderstreept het belang van het vergroten van de weerbaarheid in deland- en tuinbouw. Het door de Commissie aangekondigde ActieplanMeststoffen levert hier bijvoorbeeld een bijdrage aan, omdat dit medebeoogt de afhankelijkheid van kunstmest te verminderen. Bovendien is deKamer op 20 april jl. met de kabinetsbrief over maatregelen in reactie opde situatie in het Midden-Oosten, geïnformeerd over het voornemen omgeld ter beschikking te stellen voor de weerbaarheid van de Nederlandselandbouwsector.De leden van de BBB-fractie vragen de Minister welke Europees juridischebelemmeringen er zijn om het nationale fosfaatplafond in Nederland tekunnen verhogen. Wat is de juridische status van de laatste derogatiebe-schikking en de gemaakte afspraken in ruil voor de laatste derogatie nudeze is «verlopen»?AntwoordIn de brief aan de Kamer van 19 februari jl. (Kamerstukken II, 2025//2026,33 037, nr. 641) heeft de Minister aangegeven welke mestregels vanaf1 januari 2026 gelden, nu er geen nieuwe derogatiebeschikking is en geen8e Actieprogramma Nitraat is vastgesteld. Dit betekent ten algemene datin 2026 alle mestregels gelden die op 31 december 2025 golden. Het gaatdaarbij om regels ter implementatie van het 7e Actieprogramma Nitraaten eerdere actieprogramma’s of andere nationale mestregels. Het gaatook om regels ter implementatie van algemene voorwaarden uit dederogatiebeschikking of eerder verleende derogatiebeschikkingen. Ditbetreft voorschriften die niet gericht zijn tot bedrijven waaraan eenderogatievergunning was verleend. De fosfaatplafonds blijven derhalveook na afloop van de derogatiebeschikking gelden.De leden van de BBB-fractie benadrukken tot slot dat de landbouwsectorvan essentieel belang is voor voedselzekerheid, leveringszekerheid enstrategische autonomie van Europa. Deze leden vragen hoe dit strategischbelang concreet wordt vertaald in de Nederlandse inzet richting de RaadTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178816 en op welke wijze wordt voorkomen dat Europese regelgeving deproductiekracht van de landbouwsector verder ondermijnt.AntwoordHet kabinet onderschrijft dat de landbouwsector een essentiële bijdragelevert aan onze voedselzekerheid en daarmee ook de strategischeautonomie van Europa en Nederland zal dit ook tijdens de aanstaandeLandbouw- en Visserijraad benadrukken.Er zijn verschillende procedurele stappen in het Europese wetgevings-traject ingebouwd die moeten voorkomen dat een wetgevingsvoorstel totongewenste neveneffecten leidt op andere beleidsterreinen. Zo dient eenwetgevingsvoorstel van de Commissie voorzien te zijn van een effectbe-oordeling. Tijdens de Raad van 26 mei 2025 riep Nederland de Commissie,in lijn met motie Van der Plas (Kamerstuk 30 252, nr. 194), op om bijnieuwe voorstellen de gevolgen voor de Europese voedselzekerheid meete nemen (Kamerstuk 21 501, nr. 1708). Daarnaast zijn er openbareconsultatiemomenten en kunnen de Raad en het Europees Parlementaanpassingen voordragen voor wetgevingsvoorstellen.VisserijDe leden van de BBB-fractie vragen of het is toegestaan om te vissen ophouting, aangezien hierover momenteel in de sector onduidelijkheidbestaat.De leden van de BBB-fractie vragen wat de huidige stand van zaken is vande makreelonderhandelingen. Hoe borgt de Staatssecretaris het gelijkespeelveld voor Nederlandse vissers ten opzichte van andere kuststaten?Kan de Kamer hierover per brief apart worden geïnformeerd, inclusief deinzet van het kabinet, mogelijke vervolgstappen en de gevolgen voor deNederlandse visserijsector?AntwoordVoor houting geldt op grond van de Visserijwet een jaarrond terugzet-plicht. Dit betekent dat dieren die gevangen worden in alle gevallenmoeten worden teruggeplaatst en niet mogen worden onttrokken of in dehandel worden gebracht. Sinds juli 2023 is dit ter voorkoming vanonduidelijkheden op deze wijze opgenomen in de Visserijwet. Dit is in lijnmet de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn waar houting onder debijlages 2 en 4 is opgenomen.De makreelonderhandelingen vinden vanaf 1 april jl. plaats ondervoorzitterschap van Noorwegen. De EU zal zich blijven inzetten voortoetreding tot het akkoord dat door Noorwegen, het VK, de Faröer, enIJsland is gesloten. Het gelijke speelveld voor Nederlandse vissers inrelatie tot die uit de andere Kuststaten is gerealiseerd doordat ook de EUde vangsthoeveelheid heeft bepaald op 299.010 ton waarover u bentgeïnformeerd via het verslag van de vorige Raad (Kamerstuk 21 501-32,nr. 1775). De Staatssecretaris zal de Kamer over dit dossier informeren viade Geannoteerde Agenda voorafgaand aan een Landbouw- en Visse-rijraad en na afloop daarvan in het verslag van de betreffende Raadwanneer hierover ontwikkelingen zijn te melden.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegenhet feit dat andere kuststaten afwijken van het hoofdadvies van ICES.Welke gevolgen heeft dit voor het makreelbestand en de positie van deEU? Wat is het Nederlandse visserijbelang in de Groenlandse wateren?AntwoordHet wetenschappelijk hoofdadvies van ICES kende een reductie van 70%op de vangsten en de kans dat het bestand onder de biologischeondergrens zou blijven is daarmee ca. 50%. Het tweede scenario uit hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178817 wetenschappelijk advies van ICES kende een reductie van 48% op devangsten met een kans van 57% dat het bestand onder de biologischeondergrens zal blijven. Nederland en Frankrijk, gesteund door Duitslanden Portugal, hebben op de Raad van maandag 30 maart jl. de Commis-saris daarom opnieuw dringend opgeroepen tot hernieuwde inspanningom met de andere Kuststaten tot een alomvattend, meerjarig akkoordtussen alle Kuststaten te komen. Tevens is van groot belang dat deoverbevissing door de Russische Federatie beperkt wordt; ook hiertoedoet de EU voorstellen in het kader van de Noord-Oost AtlantischeVisserij-Commissie. De Staatssecretaris alsook zijn ambtsvoorgangerhebben meermaals gepleit bij eerder Raden voor herstel van het gelijkespeelveld en in dat licht is aansluiten bij de andere Kuststaten voor dehand liggend. Het streven van de EU en ook dat van Nederland is datwanneer ook de EU-deel van dergelijk beoogd akkoord wordt, de EU haarinvloed kan aanwenden tot een duurzaam beheer van het makreelbe-stand.Voor wat betreft uw vraag naar het Nederlandse visserijbelang inGroenlandse wateren luidt het antwoord dat Nederland daar geenvisserijbelang heeft.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris zich inzet vooreen allesomvattend akkoord met Noordoost-Atlantische kuststaten overmakreel en hoe wordt omgegaan met overbevissing door derde landen,waaronder Rusland.AntwoordDe Staatssecretaris blijft zich via de EU inzetten om tot een alomvattend,meerjarig akkoord tussen alle Kuststaten te komen. De Staatssecretarisheeft hier de Commissie tijdens de Raad van 30 maart jl. ook toeopgeroepen; hierbij is ook nadrukkelijk aandacht gevraagd voor hetkunnen tegengaan van de overbevissing door de Russische Federatie.De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat deNederlandse visserij onevenredig wordt geraakt door strengere Europesequota, terwijl andere landen minder strenge scenario’s hanteren.AntwoordHet gelijke speelveld voor Nederlandse vissers in relatie tot die uit deandere Kuststaten is gerealiseerd doordat ook de EU de vangsthoe-veelheid heeft bepaald op 299.010 ton waarover de Kamer is geïnfor-meerd via het verslag van de vorige Raad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1775).De Staatssecretaris zal de Kamer over dit dossier informeren via deGeannoteerde Agenda voorafgaand aan een Landbouw- en Visserijraaden na afloop daarvan in het verslag van de betreffende Raad wanneerhierover ontwikkelingen zijn te melden.De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is om degarnalensector de ruimte te geven om eerst de effecten van ingezetteverduurzamingsstappen te laten zien, alvorens aanvullende maatregelente overwegen.AntwoordDe ambtsvoorganger van de Staatssecretaris heeft in goed overleg met desector een aantal maatregelen afgesproken, waaronder een vrijwilligesaneringsregeling en een te sluiten gebied in de westelijke Waddenzee.Naar verwachting zal deze sanering de visserij-intensiteit verlagen. DeStaatssecretaris zal bij mogelijke aanvullende maatregelen nadrukkelijkrekening houden met de effecten van de reeds in gang gezette maatre-gelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178818 De leden van de BBB-fractie vragen welke mogelijkheden de Staatssecre-taris ziet voor zowel actieve als passieve visserij binnen windmolenparkenen of er een tijdspad kan worden gegeven voor de implementatie vannieuwe wet- en regelgeving. Kan de Kamer hierover per brief apartworden geïnformeerd?AntwoordWat betreft passieve visserij binnen windparken zullen er tot eind 2027mogelijkheden blijven voor passieve vissers om zelfstandig experimentenuit te voeren. Hiervoor is op 8 april een uitvraag gepubliceerd in deStaatscourant voor de windparken Hollandse Kust Zuid en Hollandse KustNoord (Stcrt. 2026, nr. 13942), waarover de Kamer op korte termijn naderzal worden geïnformeerd. Op het moment dat de experimenten metgoede resultaten worden afgerond, wil de Staatssecretaris vanaf 2028 hetexperimenteel vissen in windparken omzetten in beroepsmatig passiefvissen in windparken. Hiervoor is een aanpassing nodig in de beleidsregel«Instellen veiligheidszone windparken op zee», waarvoor het streven isom die met de ingang van het Programma Noordzee 2028–2033 tebewerkstelligen (Q1 2028).Ook actieve visserij in windparken zou mogelijkheden kunnen bieden voorde steeds kleiner wordende ruimte voor visserij. Daarom laat de Staatsse-cretaris op dit moment diverse verkennende onderzoeken uitvoeren die demogelijkheden in kaart brengen. Deze onderzoeken zien onder andere opveiligheid, verzekerbaarheid, minimale begraafdiepte van infieldkabels,ecologische effecten en maatschappelijke kosten en baten van eventueleactieve visserij in toekomstige windparken op zee. Hierin trekt deStaatssecretaris nauw op met onder andere zijn collega bewindspersonenvan Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Infrastructuur en Waterstaat(IenW). Deze onderzoeken leiden tot een brede informatiebasis waaropvervolgens in het kader van het Programma Noordzee 2028–2033besluitvorming kan plaatsvinden. In de loop van dit jaar zullen deuitkomsten van de onderzoeken gereed zijn en zullen deze met de Kamerworden gedeeld. De Minister van IenW verwacht (in overeenstemmingmet de Minister van Klimaat en Groene Groei, de Minister van Volkshuis-vesting en Ruimtelijke Ordening, de Minister van LVVN, de Staatssecre-taris van LVVN, en de Staatssecretaris van Defensie) de Kamer begin 2027te kunnen informeren over het ontwerp van het Programma Noordzee2028–2033 (Kamerstukken 2026 35 325, nr. 13).Daarnaast is in het Partieel Herziene Programma Noordzee 2022–2027(Kamerstuk 35 325, nr. 11) al het uitgangspunt geformuleerd dat actievevisserij in toekomstig windpark Doordewind zal worden toegestaan, mitsuit het onderzoek blijkt dat dit veilig, haalbaar en uitvoerbaar kan. Ookhiervoor leveren de bovengenoemde onderzoeken de basis voor detoetsing aan de criteria «veilig, haalbaar en uitvoerbaar». Daarnaast wordtactieve visserij meegenomen als scenario in de onderzoeken ten behoevevan de milieueffectrapportage voor het windenergiegebied Doordewind(Stcrt. 2026, nr. 12763). De ontwerp kavelbesluiten voor dit windenergie-gebied worden eind 2026/begin 2027 verwacht.De Staatssecretaris acht het op dit moment niet nodig om in aanvullingvan bovenstaande informatie een aparte brief op te stellen.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegenhet feit dat in landen zoals Denemarken soorten als zwarte zee-eend eneidereend worden bejaagd, terwijl in Nederland extra beschermingsmaat-regelen gelden. Leidt dit tot een ongelijk speelveld waarbij de visserijmogelijk onterecht het slachtoffer wordt? Indien dat het geval is, zou hetniet logischer zijn om eerst in gesprek te gaan met landen zoalsDenemarken over hun beleid, in plaats van aanvullende gebiedssluitingenvoor de visserij te overwegen? Zijn er mogelijk nog andere vogelsoortenwaarvoor dit ook geldt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178819 AntwoordDe zwarte zee-eend en eidereend zijn beschermd op grond van deVogelrichtlijn. De staat van instandhouding in Nederland is voor beidenzeer ongunstig. In Nederland zijn er Natura-2000 gebieden aangewezenvoor deze soorten, waar maatregelen worden genomen om de instand-houdingsdoelen te kunnen behalen. Deze maatregelen wordenopgenomen in een Natura-2000 beheerplan, waarin ook maatregelen voorandere sectoren staan. De genoemde soorten zijn in Nederland allebeikwetsbaar door afname van hun voedselbronnen en door verstoring.Maar in andere lidstaten komen de soorten mogelijk robuuster voor. Datkan ertoe leiden dat een lidstaat, zoals in dit geval Denemarken, ondervoorwaarden toch jacht kan toestaan op een beschermde vogel, bijvoor-beeld als de populatie lokaal erg groot is of de soort voor schade ofveiligheidsrisico’s zorgt. In internationale wateren gelden visserijbeper-kingen voor alle lidstaten en is geen sprake van een ongelijk speelveld.De leden van de BBB-fractie vragen of er een actuele stand-van-zakenbriefkan worden gestuurd over de uitvoering van aangenomen visserijmoties.AntwoordDe Staatssecretaris zal deze brief voor het aankomende visserijdebat datgepland staat op 16 juni a.s. met de Kamer delen.De leden van de BBB-fractie vragen of erop of rondom de Doggersbanknaast visserijactiviteiten ook defensieactiviteiten plaatsvinden en hoe dezeactiviteiten zich tot elkaar verhouden.AntwoordDe defensieactiviteiten die op of rondom de Doggersbank plaatsvinden,staan volledig los van de visserijactiviteiten. Voor beide activiteiten geldtdat zij moeten voldoen aan de voorwaarden gesteld in het BeheerplanDoggersbank. Voor bepaalde activiteiten van Defensie op de Doggersbankis een vergunning nodig.De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is omnaar aanleiding van het door Wageningen University & Research (WUR)gemaakte wetenschappelijke rapport in gesprek te gaan met zowel deWUR als het Voedingscentrum over het advies omtrent visconsumptie.AntwoordHet onderzoek «Klimaatimpact en voedingswaarde van in Nederlandgeproduceerd en geconsumeerd voedsel uit zee» van WageningenUniversity & Research is tot stand gekomen naar aanleiding van vragenvan de Tweede Kamer uit 2021 (2021Z04799 en 2021Z05822) en een actiedie, mede naar aanleiding hiervan, is opgenomen in de Visie op Voedseluit Zee en Grote Wateren (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624). De resultatenuit de onderzoeken ondersteunen het advies van het Voedingscentrum datvis deel uitmaakt uit van een gezond, duurzaam en veilig voedingspa-troon. Tegelijkertijd haalt slechts 30% van de Nederlandse consument deaanbeveling om 1 keer in de week vis te eten. Meer mensen bewustmaken van voedsel uit zee is onderdeel van de visie Voedsel uit Zee enGrote Wateren. De visie wordt uitgewerkt in de Uitvoeringsagenda. Dezeagenda wordt samen met de visserijsector en natuurorganisatiesopgesteld en bevat meerdere acties die zien op het thema Voedsel uit zee.Momenteel is de agenda in de afrondende fase waarna deze ook aan deKamer zal worden aangeboden en acties rondom het voedsel themaworden uitgelicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178820 De leden van de BBB-fractie vragen welke wetenschappelijke rapporten erzijn over de trek van paling in zout water, inclusief de levensstadia glasaalen schieraal en of deze worden meegenomen in beleid.AntwoordSinds 2007 is de EU-Aalverordening (EC 1100/2007) van kracht, welke delidstaten verplicht om een nationaal Aalbeheerplan op te stellen en teimplementeren. In Nederland heeft dit geleid tot het NederlandseAalbeheerplan met als doel om de aalstand te verbeteren. In de EUAalverordening is ook een 3-jaarlijkse verplichting opgenomen om denationale maatregelen te evalueren. De evaluatie wordt aan de Kamergestuurd (Kamerstukken 29 664, nr. 211). Tot op heden heeft dit niet geleidtot aanpassing van het Nederlandse Aalbeheerplan. Jaarlijks wordtonderzoek gedaan naar de uittrek van schieraal vanuit het zoete waternaar zee. Daarnaast wordt eveneens jaarlijks monitoring gedaan naarglasaal in het zoute water. De resultaten hiervan worden doorWageningen Marine Research (WMR) onder andere gebruikt om eenschatting te maken van de schieraaluittrek voor de 3-jaarlijkse evaluatievan het Nederlands Aalbeheerplan. De volgende evaluatie zal volgend jaarworden gedaan. De Staatssecretaris is niet bekend met wetenschappelijkonderzoek naar aal in de open zee en de oceaan.De leden van de BBB-fractie vragen wat de actuele stand van zaken isrondom de brandstofcrisis in de visserij en welke concrete stappenworden gezet om noodsteun te realiseren.AntwoordDe Kamer is op 20 april jl. geïnformeerd met de kabinetsbrief «ActiesWeerbaarheid Energieschok» over maatregelen in reactie op de situatie inhet Midden-Oosten. Het kabinet heeft daarin ook oog voor de econo-mische impact van de gestegen brandstofprijzen op de visserijsector. Veelvissers varen niet of minder uit. Het kabinet acht het van belang deweerbaarheid tegen toekomstige prijsfluctuaties te vergroten. In dat kaderwordt in het derde kwartaal een energie-efficiëntieregeling opengesteld,waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.Daarnaast wordt bezien welke mogelijkheden er op korte termijn zijn omde sector te ondersteunen en de directe gevolgen te beperken, ondermeer via het EMFAF. Deze maatregelen worden momenteel met hogespoed nader uitgewerkt.De leden van de BBB-fractie vragen waarom Nederland achterblijft bijandere lidstaten in het verstrekken van steunmaatregelen en hoe dit wordtrechtgezet om een gelijk speelveld te waarborgen.AntwoordHet kabinet onderkent het belang van een gelijk speelveld binnen de EU,maar benadrukt dat lidstaten binnen de Europese kaders eigenafwegingen maken. Nederland kiest voor een toekomstbestendigeaanpak, met oog voor zowel directe ondersteuning als versterking van desector op de langere termijn. In het derde kwartaal wordt daaromvoornoemde energie-efficiëntieregeling voor de visserijsector openge-steld. Daarnaast is de Staatssecretaris, conform Motie Flach (Kamer-stukken 23 432, nr. 713), in gesprek met de Commissie over het crisisme-chanisme onder het EMFAF. De Commissie heeft de uitvoeringshandelingvan dit crisismechanisme met daarin de kaders voor mogelijke steunver-lening op 16 april jl. gepubliceerd. Het kabinet beziet de mogelijkhedenbinnen het EMFAF om daarmee de eerste directe grote gevolgen in devisserij te beperken tot het moment van openstelling van energiebespa-ringsregelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178821 De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is zich inEuropees verband in te zetten voor snelle en flexibele inzet van hetEuropean Maritime, Fisheries and Aquaculture Fund voor noodsteun.AntwoordJa, de Staatssecretaris is hiertoe bereid.De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete maatregelen wordengenomen om het brandstofverbruik in de visserij te reduceren eninnovatieve technieken sneller mogelijk te maken.AntwoordHet kabinet zal voornoemde energie-efficiëntieregeling openstellen.Verder zet het kabinet zich in voor innovatie in de visserij, middelsverschillende innovatieregelingen. Deze regelingen worden bekostigd uitzowel het EMFAF als uit nationale middelen. Er zullen regelingenbeschikbaar worden gesteld voor zowel de visserij, aquacultuur als devisverwerkende industrie. Onder deze innovatieregelingen is ook ruimtevoor innovatieve ontwikkelingen op het gebied van de energietransitie.De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat Nederlandse vissers inbuitenlandse havens niet meer mogen bunkeren en zo ja, of de Staatsse-cretaris hierover in gesprek gaat met zijn buitenlandse collega’s.AntwoordHet kabinet heeft geen signalen ontvangen dat Nederlandse vissers niet inbuitenlandse havens mogen bunkeren.De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris bekend is metde brief over de toekomstige financiering van wetenschappelijk onderzoekbinnen het visserijbeleid en of hij de zorgen deelt dat zonder geoormerktemiddelen de kwaliteit van visserijonderzoek en quota-onderbouwingonder druk komt te staan.AntwoordJa, de Staatssecretaris is bekend met de betreffende brief en de daaringeuite zorgen over de toekomstige financiering van wetenschappelijkonderzoek binnen het visserijbeleid, maar deelt niet de zorg dat zondergeoormerkte middelen de kwaliteit van visserijonderzoek en quota-onderbouwing per se onder druk komt te staan. Het kabinet is van meningdat de middelen die uiteindelijk beschikbaar komen in het MeerjarigFinancieel Kader (MFK) in verhouding moeten staan tot de beoogdedoelen en eisen die aan de lidstaten worden gesteld. Het nieuwe MFKvoorziet in de nodige flexibiliteit voor lidstaten om binnen hun nationaleen regionale partnerschapsplannen prioriteiten te stellen – Nederland zalsamenwerking opzoeken met andere lidstaten voor onderzoek eninnovatie, waar belangen samenvallen, om zo beperkte middeleneffectiever in te zetten. De invulling van wettelijke taken, waaronderdatacollectie, zal uiteraard worden meegenomen bij deze prioriteits-stelling. Tegelijkertijd kan het kabinet niet vooruitlopen op de (nationale)verdeling van middelen na 2027.De leden van de BBB-fractie vragen hoe wordt gewaarborgd dat er in detoekomst voldoende middelen beschikbaar blijven binnen Europesefondsen voor visserijonderzoek, gezien het belang hiervan voor hetvaststellen van quota en technische maatregelen.AntwoordHet kabinet onderkent het belang van wetenschappelijk onderzoek alsbasis voor duurzaam visserijbeheer. De onderbouwing van vangstmoge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178822 lijkheden en quota is in belangrijke mate afhankelijk van betrouwbare dataen wetenschappelijke adviezen. Het kabinet is van mening dat demiddelen die uiteindelijk beschikbaar komen in het MFK in verhoudingmoeten staan tot de beoogde doelen en eisen die aan de lidstaten wordengesteld. Het nieuwe MFK voorziet in de nodige flexibiliteit voor lidstatenom binnen hun nationale en regionale partnerschapsplannen prioriteitente stellen. De invulling van wettelijke taken, waaronder datacollectie, zaluiteraard worden meegenomen bij deze prioriteitsstelling. Tegelijkertijdkan het kabinet niet vooruitlopen op de (nationale) verdeling vanmiddelen na 2027.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegende oproep om de financiering voor wettelijk verplichte visserijonderzoekstaken breder te positioneren richting de Ministeries vanFinanciën en Buitenlandse Zaken, gezien het bredere belang voormaritiem beleid.AntwoordHet Ministerie van LVVN en het Ministerie van IenW zijn samen verant-woordelijk voor maritiem beleid en werken op het MFK dossier nauwsamen met de Ministeries van Financiën en Buitenlandse Zaken. Finan-ciering van de wettelijke taken op het gebied van visserij en maritiembeleid hebben daarbij de gezamenlijke aandacht.De leden van de BBB-fractie vragen of het kabinet voornemens is omnaast de mosselsector ook andere visserijsectoren in aanmerking te latenkomen voor duurzame subsidies vanuit het European Maritime, Fisheriesand Aquaculture Fund.AntwoordHet kabinet is voornemens onder het EMFAF in 2026 een innovatiere-geling voor de aquacultuur open te stellen, hiermee kunnen diversesoorten innovaties ondersteund worden, waaronder ook innovaties diezien op verduurzaming. Daarnaast zal eind 2026 ook de EMFAF-regeling«vernieuwingen in de keten van visserij en aquacultuur» opnieuw wordenopengesteld. Hier kan de brede visserijsector, waaronder de verwerkendeketen, gebruik van maken. Mogelijke inzet van het crisismechanismeonder het EMFAF staat los van de reeds voorziene innovatieregelingenonder het EMFAF die gericht zijn op de aquacultuur en verwerkende ketenvoor visserij en aquacultuur. Hoewel geen onderdeel van het EMFAF, zalhet kabinet ook voornoemde energie-efficiëntieregeling openstellen in2026. En zoals eerder medegedeeld aan de Kamer (Kamerstuk 21 501-32,nr. 1763) zal er een meerjarige energie-efficiëntie regeling wordenopengesteld voor de schelpdiersector, waaronder ook de mosselsector.Hiertoe worden nationale middelen beschikbaar gesteld.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegende zorgen van Duitsland over de disproportionaliteit van de voorgestelderegels rondom het wegen van visproducten en of Nederland zich inzetvoor vereenvoudiging van regelgeving.AntwoordZoals aangegeven in het verslag van de Raad van 30 maart 2026 (Kamer-stukken, 21 501-32, nr. 1775) deelt de Staatssecretaris de zorgen vanDuitsland over de disproportionaliteit van de voorgestelde regels rondomhet wegen van visproducten. Dit heeft de Staatssecretaris ook aange-geven in de Raad. De inzet van Nederland is erop gericht om de voorge-stelde regels beter aan te laten sluiten op de praktijk en te zorgen dat dezeuitvoerbaar en handhaafbaar zijn. Hierbij wordt zoveel mogelijkopgetrokken met andere lidstaten. Aanvullend heeft de Staatssecretaris deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178823 Commissie opgeroepen om Commissie met concrete voorstellen tekomen voor vereenvoudiging en het verlagen van de administratievelasten.De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris de impact vancameratoezicht bij weeglocaties beoordeelt en of dit proportioneel is.AntwoordDe Staatssecretaris vindt dat de impact van cameratoezicht bij weeglo-caties niet onderschat moet worden, omdat dergelijke controlemaatre-gelen voor zowel de visserijsector als de controlediensten veel uitvoe-ringslasten met zich mee zullen brengen. Dit heeft de Staatssecretaris ookaangegeven tijdens de Raad van 30 maart jl. bij het diversenpunt vanDuitsland over de regels rondom het wegen van visproducten (Kamer-stukken, 21 501-32, nr. 1775). Bij het opstellen van wet- en regelgevingmoet goed gekeken worden naar de handhaafbaarheid, uitvoerbaarheiden proportionaliteit van mogelijke controlemaatregelen. Hoewel weeglo-caties aan dezelfde minimum vereisten dienen te voldoen, zijn er perlocatie verschillen in omvang en hoeveelheden die gewogen worden, diebetrokken moeten worden bij het vaststellen van bepaalde controlemaat-regelen.De leden van de BBB-fractie vragen wat de stand van zaken is rondom deimplementatie van het IT CATCH-systeem en in hoeverre andere lidstatendit niet op orde hebben. Is de Staatssecretaris bekendmet signalen datcontainers blijven staan in Nederlandse havens door problemen met ITCATCH? Wat wordt hieraan gedaan? Is de Staatssecretaris bereid om inEuropees verband te pleiten voor coulance bij de implementatie vanIT-systemen, zodat Nederlandse vissers en handelaren niet de dupeworden van problemen in andere lidstaten?AntwoordZoals op 19 februari 2026 aangegeven in het verslag van het schriftelijkoverleg over de Raad van 23 februari 2026 (Kamerstukken, 21 501-32, nr.1764), heeft Nederland sinds de inwerkingtreding van CATCH per10 januari 2026 signalen over problemen bij de implementatie blijvendonder de aandacht gebracht de Commissie. Daarbij heeft Nederland ooktelkens gepleit om pragmatisch om te gaan met de handhaving, waarbijde bestaande processen zo min mogelijk onderbroken worden. Bij deimplementatie van nieuwe wet- en regelgeving moet er voor zowel devisserijsector als de lidstaten ruimte zijn voor het maken van fouten.Verder is de Staatssecretaris bekend met de containers die in de eersteweken na inwerkingtreding van CATCH vaststonden in de Rotterdamsehaven. Echter, deze containers stonden voornamelijk vast door implemen-tatieproblemen bij andere lidstaten, waar de Nederlandse autoriteitengeen rol in hadden. Inmiddels lijken dergelijke grote problemen achter derug, maar het blijft nodig dat het systeem verder geoptimaliseerd wordtdoor de Commissie, die verantwoordelijk is voor de doorontwikkeling vanhet ICT-systeem. De inzet van de Staatssecretaris is er opgericht om ditblijvend onder de aandacht te houden.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat de EC het Visserijfondswil openzetten voor crisissteun in verband met de sterk gestegenbrandstofprijzen en de gevolgen daarvan voor de visserijvloot. Deze ledenhoren graag wat de stand van zaken is. Deze leden constateren dattientallen kotters aan wal blijven liggen vanwege de bijna verdubbeldegasolieprijzen. Zij geven daarbij aan dat deze grote impact van debrandstofprijzen mede te wijten is aan het pulskorverbod. Deze ledenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178824 constateren eveneens dat verschillende Europese lidstaten, waaronderFrankrijk, al compenserende maatregelen voor hun visserijsector hebbenaangekondigd of ingevoerd. Deze leden horen graag of het kabinet ookvoor de Nederlandse kottervisserij wil werken aan een vorm vanbrandstofcompensatie en een stilligregeling en hoe beschikbare Europesemiddelen hiervoor worden benut. Hoe waardeert de Staatssecretaris devoorstellen die hiervoor zijn gedaan vanuit de visserijsector? Welkemaatregelen is hij bereid te nemen?AntwoordHet kabinet heeft oog voor de economische impact van de gestegenbrandstofprijzen op de visserijsector en acht het daarom van belang deweerbaarheid tegen toekomstige prijsfluctuaties te vergroten. Om deeconomische impact goed in kaart te brengen, spreekt het kabinet ookmet de visserijsector. Zoals in de Kamerbrief van 20 april jl. «ActiesWeerbaarheid Energieschok» aangegeven, zal het kabinet in het derdekwartaal een energie-efficiëntieregeling voor de visserij openstellen,waarvoor € 25 miljoen beschikbaar wordt gesteld op de LVVN-begroting.Daarnaast wordt bezien welke mogelijkheden er zijn om de sector teondersteunen en de directe gevolgen te beperken, onder meer via hetEMFAF. De Commissie heeft hiertoe de uitvoeringshandeling van hetcrisismechanisme onder het EMFAF gepubliceerd. Eventuele steunmaatre-gelen onder dit crisismechanisme worden momenteel nader verkend. DeKamer zal hierover nader worden geïnformeerd.De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat veel akkerbouwersrecent van de Rijksdienst voor ondernemend Nederland (RVO) eenafwijzing hebben gekregen voor de ecoregeling 2025 in verband mettekortkomingen bij braaklegging van gronden. Deze leden hebben hierenkele vragen over. In de eerste plaats horen zij graag waarom dezeakkerbouwers nu pas bericht hebben gekregen over de afwijzing. Het kangaan om verkeerde inschattingen die zich dit seizoen weer kunnenvoordoen. In dit stadium is er echter nauwelijks ruimte meer ombouwplannen aan te passen. In de tweede plaats hebben deze ledenbegrepen dat een (groot) deel van de afwijzingen te maken zou hebbenmet gebruik van satellietbeelden waarop bloeiende groenbedekking slechtherkend zou zijn en met, vanwege de extreme droogte in het voorjaar, laatopgekomen bloemenmengsels. De financiële gevolgen voor bedrijvenkunnen groot zijn. Deze leden horen graag in hoeverre satellietbeelden enbijbehorende algoritmen worden getoetst aan de praktijk. Zij horen ookgraag in hoeverre rekening gehouden wordt met overmacht door deextreme voorjaarsdroogte en het daardoor laat opkomen van de vereistegroenbedekking. Zij horen graag welke mogelijkheden de Minister ziet omde genoemde afwijzingen te heroverwegen en te voorkomen datbewijslast en de klimatologische risico’s eenzijdig bij boeren wordtgelegd.AntwoordDe Minister begrijpt de zorgen van boeren als beschikkingen komen ineen periode waarin zij al volop bezig zijn met zaaien, planten enbemesten. Deze onzekerheid probeert de Minister samen met de RVOzoveel mogelijk te beperken door in te zetten op het zo snel mogelijkbeschikken. Dit jaar is de RVO op 10 maart begonnen met beschikken enop dit moment zijn 94% van alle aanvragen uit 2025 beschikt. Er wordtgepoogd dit voor volgend jaar verder te versnellen.Het Areaalmonitoringssysteem (AMS) en de onderliggende algoritmeszijn gericht op het ondersteunen van de uitvoering. Deze systemen zijnontwikkeld, getest en gevalideerd met historische en actuele gegevens.Ook zijn er kwaliteitscontroles geïmplementeerd. Hiernaast wordt blijvendTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178825 ingezet op ontwikkelingen in het systeem en wordt continu gemonitord ofer nog verbeteringen nodig zijn. Tegelijkertijd is het aantal afwijzingen ditjaar in de lijn der verwachting gezien de geconstateerde niet-nalevingendoor steekproeven in het veld.In het geval van extreem weer kan een boer een beroep doen opovermacht. Deze melding moet de ondernemer zo snel mogelijk doennadat het extreme weer heeft plaatsgevonden. Als boeren het niet eenszijn met de beoordeling van hun aanvraag door de RVO kunnen zijbezwaar maken.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad, die 27 april 2026 zalplaatsvinden, en de bijbehorende stukken en hebben hier nog enkelevragen en opmerkingen over die zij graag onder de aandacht willenbrengen.Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027De leden van de PvdD-fractie constateren allereerst dat het voorstel voorhet nieuwe GLB wordt besproken in een tijd waarin Europa wordtgeconfronteerd met een klimaatcrisis, biodiversiteitscrisis en eentoenemende druk op water en bodemkwaliteit. Verder is er ook geconsta-teerd in onderzoek van Wageningen University and Research (WUR)(WUR, maart 2018, «Distribution of CAP pillar 1 payments to farmers inthe EU» (https://edepot.wur.nl/444994)) dat een aanzienlijk deel van depublieke middelen binnen het GLB terechtkomen bij een relatief kleinegroep grote landbouwbedrijven. Deze leden vragen de Minister hoe deverdeling van publieke middelen gerechtvaardigd wordt. Deelt de Ministerde opvatting dat publieke middelen op eerste plaats moeten wordeningezet voor maatschappelijke doelen zoals natuurherstel, klimaatadap-tatie, biodiversiteitherstel en verbetering van dierenwelzijn? Zo ja, hoewordt dit door de huidige verdeling geborgd? Zo nee, wat staat er voor deMinister wel op de eerste plaats waar de publieke middelen voor ingezetmoeten worden in relatie tot een weerbare en toekomstbestendige sector,leefbaarheid op het platteland en inzet op groene doelen die genoemdworden in de agenda?AntwoordDe in het rapport genoemde verdeling tussen ontvangers van steun isgebaseerd op een Europees gemiddelde. In Nederland is er een gelijkereverdeling van GLB-middelen dan dat gemiddelde. Dat laat onverlet dat deMinister vindt dat publieke middelen zoals GLB-subsidies aanvullendkunnen zijn daar waar de markt tekortschiet. Bijvoorbeeld in het beterbelonen van publieke diensten die boeren leveren voor natuur, milieu enklimaat. Dit krijgt in het huidige GLB vorm via het ANLb en deeco-regeling. In de toekomst wil de Minister de GLB middelen die er zijnzo gericht en efficiënt mogelijk blijven inzetten voor de nationale opgaves.De leden van de PvdD-fractie vragen verder of de Minister de opvattingdeelt dat publieke subsidies niet zouden moeten bijdragen aan schaalver-groting en concentratie in de landbouw, wat nu opnieuw dreigt tegebeuren? Zo ja, wat gaat de Minister doen om dit te voorkomen? Hoegaat hij zich hier op Europees niveau over positioneren?AntwoordDe Minister pleit voor een toekomstig GLB waarbij de middelen kunnenworden ingezet om bij te dragen aan de nationale opgaves, gerelateerdaan landbouw. Het huidige voorstel stelt Nederland in staat om de groenedoelen gerelateerd aan milieu en klimaat conform de NederlandseTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178826 wensen vorm te geven. In de voorstellen die nu voor het GLB gedaan zijnkomt geen prikkel voor schaalvergroting, de Minister deelt de zorg van dePvdD-fractie op dit punt niet.Strategisch belang van landbouw en duurzaam bosbeheer bij hetversterken van risicopreventie en weerbaarheid tegen natuurbrandenDe leden van de PvdD-fractie lezen dat tijdens de Landbouw- en Visse-rijraad ook een uitwisseling zal plaatsvinden over het strategische belangvan landbouw en duurzaam bosbeheer voor het voorkomen en beperkenvan consequenties van natuurbranden. Kan de Minister toelichten welkerol hij ziet voor landbouwsystemen bij het versterken van deweerbaarheid van het landschap tegen natuurbranden? Kan de Ministeraangeven welke prioriteiten Nederland gaat inbrengen in het BNC-fichewat op dit moment aan wordt gewerkt?AntwoordLandbouwsystemen kunnen een belangrijke rol spelen bij het versterkenvan de weerbaarheid van het landschap tegen natuurbranden. De manierwaarop een stuk land wordt beheerd, ingericht en gebruikt is uiteindelijkvan invloed op de hoeveelheid brandbaar materiaal in een gebied en opde snelheid waarmee vuur zich kan verspreiden, dit geldt ook voorlandbouwgrond. Daarnaast is het ook van belang om oog te hebben voorde vluchtmogelijkheden van mensen en dieren. Een afwisselend en goedverbonden landschap met voldoende open zones, faunaroutes en minderbrandgevoelige overgangen kan eraan bijdragen dat mensen en dieren bijbrand sneller kunnen uitwijken naar veiligere gebieden.Klimaat- en natuurrampen hebben een brede impact en kunnen vrijwelalle nationale veiligheidsbelangen raken, waaronder territoriale, fysieke,economische en ecologische veiligheid en sociaal-politieke stabiliteit.Zoals afgelopen jaar gedeeld met de Kamer ziet de Nederlandse aanpakvan natuurbrandbeheersing toe op bewustwording, preventie, mitigatie,bestrijding en herstel (Kamerstuk 30 821, nr. 306). Door in te zetten opvitale en weerbare natuur en biodiversiteit kunnen risico’s en gevolgenvan onder andere overstromingen, droogte en natuurbranden wordengedempt. Het BNC-fiche dat wordt opgesteld in verband met demededeling over integrale natuurbrandbeheersing van de Commissie zalin mei met de Kamer worden gedeeld. Daarbij zal worden voorgebouwdop de eerder met de Kamer gedeelde inzichten over het belang van vitaleecosystemen voor de (nationale) veiligheid (Kamerstuk 2026D15060).Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB)De leden van de PvdD-fractie vragen ook aandacht voor de evaluatie vanhet GVB. Een brede coalitie van Europese natuurorganisaties hebbengesteld dat het huidige visserijbeleid tekortschiet in een duidelijkeimplementatie en handhaving (WWFEU, 18 november 2025, «Don’t sinkthe Common Fisheries Policy – fulfil its potential» (https://www.wwf.eu/?20123366/cfp-position-paper). Deze leden wijzen op problemen zoalsoverbevissing, bijvangst en aantasting van mariene ecosystemen. Volgensonderzoeken staat door deze problemen gecreëerd door menselijkhandelen 90 procent van de Europese Zeegebieden onder druk. Erkent deStaatssecretaris de problemen rondom duidelijke uitvoering enhandhaving van het gemeenschappelijk Visserijbeleid? Zo ja, welkeconcrete stappen gaat hij zetten?AntwoordHet kabinet onderschrijft het belang van de doelen van het GVB. Daaromroept de Staatssecretaris op tot een herziening van het GVB om onder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178827 delen die niet uitvoerbaar zijn, zoals de aanlandplicht, aan te passen endaarnaast om tot een Omnibus-verordening te komen voor verderevermindering van de regeldruk, zonder daarbij in te leveren op hetbehalen van de doelen. Om in de toekomst een competitieve duurzamesector te behouden, moeten er nu stappen worden gezet op versimpeling.De Kamer is eerder geïnformeerd over de Nederlandse inzet op deherziening van het GVB (Kamerstuk 32 201, nr. 117). Daarnaast is deStaatssecretaris voornemens om op korte termijn een zienswijze op deevaluatie van het GVB te delen met de Commissie, zodat deze meege-nomen kan worden in een mogelijke herziening van het GVB en deaangekondigde Vision 2040 for Fisheries and Aquaculture. Deze zienswijzezal ook met de Kamer worden gedeeld.De leden van de PvdD-fractie vragen verder in hoeverre Nederlandgebruikmaakt van bestaande mogelijkheden binnen het visserijbeleidwaarmee ecologische en maatschappelijke criteria zwaarder wegen engrote overtreders strenger worden gestraft voor wanpraktijken binnen devisserij. Daarnaast vragen deze leden hoe de Staatssecretaris zich gaatinzetten op betere controle op visserijactiviteiten zodat illegale praktijkenbeter kunnen worden aangepakt. Is de Staatssecretaris bereid zich in tezetten voor het beëindigen van subsidies die overcapaciteit en destruc-tieve visserijmethoden in stand houden? Kan de Staatssecretarisaangeven hoe Europese middelen beter kunnen worden ingezet voorherstel van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen?AntwoordHet GVB borgt dat visserijactiviteiten vanuit ecologisch en maatschap-pelijk oogpunt duurzaam worden beheerd en tegelijkertijd ook bijdragenaan de doelstellingen op economisch en sociaal gebied. Hierbij is decontrole en handhaving op het GVB, alsmede het gelijke speelveld tussenvissers van groot belang. De implementatie van de herziene controlever-ordening (Verordening (EG) 1224/2009) moet hier aan bijdragen. Vanuit deherziene controleverordening wordt sinds 10 januari 2026 Europeesbepaald welke inbreuken als ernstig moeten worden beschouwd. Hiermeevindt verdere harmonisering van het sanctiebeleid tussen de Europeselidstaten plaats waardoor illegale praktijken vergelijkbaar kunnen wordenaangepakt. De inzet van de Staatssecretaris is erop gericht om illegalevisserijpraktijken te bestrijden en om te voldoen aan de Europeseverplichtingen. Daarnaast vormt het GVB het kader voor het openstellenvan subsidieregelingen uit zowel het EMFAF als nationale middelen en isdaarmee gericht op inzet van herstel van visbestanden en beschermingvan mariene ecosystemen.De leden van de PvdD-fractie willen verder de Minister erop wijzen dat ernog steeds te veel boven het quotum wordt gevist op makreel. Makreel iseen sleutelsoort en cruciaal voor het gezond houden van ecosystemen inde Noordzee en Atlantische oceaan. Deze leden vragen of de Staatssecre-taris kan toezeggen dat hij dit steeds dringender probleem tijdens deLandbouw- en Visserijraad zal aankaarten en terug kan koppelen aan deKamer welke verdere maatregelen er zullen komen om te voorkomen datdit onomkeerbare gevolgen gaat hebben voor de makreelpopulatie enmariene ecosystemen.AntwoordNederland en Frankrijk, gesteund door Duitsland en Portugal, hebbentijdens de Raad van 30 maart jl. de Commissie opnieuw dringendopgeroepen tot hernieuwde inspanning om met de andere Kuststaten toteen alomvattend, meerjarig akkoord te komen. Het streven is dat wanneerook de EU deel van het beoogd akkoord wordt, de EU haar invloed kanaanwenden tot een duurzaam beheer van het makreelbestand. Tevens isvan groot belang dat de overbevissing door de Russische FederatieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178828 beperkt wordt; de Staatssecretaris heeft hier ook nadrukkelijk op gewezen.De Staatssecretaris zal de Kamer over de voortgang van dit dossierblijvend informeren.De leden van de PvdD-fractie maken zich ook zorgen over de effecten vanhet ontbreken van regulering bij nieuwe doelsoorten. Deelt de Staatsse-cretaris de zorgen van deze leden dat het ontbreken van regulering bijnieuwe doelsoorten (zoals de ongequoteerde pijlinktvis) een direct risicovormt voor overbevissing en de schadelijke consequenties die hieraanvastzitten zoals verdere ecologische verstoring? Kan de Staatssecretaristoelichten waarom er voor nieuwe doelsoorten zoals de pijlinktvis noggeen vangstquotum of andere effectieve regulering geldt, ondanks degroeiende visserijdruk? Is de Staatssecretaris bereid om op korte termijnnationale voorzorgsmaatregelen te nemen die het overbevissen gaanvoorkomen? Zo ja, in hoeverre zullen lessen van situaties uit het verleden,zoals de overbevissing van tong, schol en garnalen, worden meegenomenen toegepast?AntwoordTen algemene worden bestandsmaatregelen altijd ontwikkeld op basisvan wetenschappelijk advies. De wetenschappelijke basis om inktvis enandere niet-gequoteerde soorten duurzaam te beheren is nu nog nietvolledig of ontbreekt. Het is aan de Commissie en de lidstaten om samentot goede beheermaatregelen te komen. Dit kan breder zijn dan enkel hetbepalen van vangstquota. In de Visie voedsel uit zee en grote wateren(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1624) is daarom opgenomen dat het ook voorniet-gequoteerde soorten, waar de inktvis onder valt, nodig is om tewerken aan een wetenschappelijke basis om te kunnen besluiten overduurzaam bestandsbeheer voor deze soorten. De komende tijd zal deStaatssecretaris de ontwikkelingen in de inktvisvisserij in de gaten houdenen zich indien nodig beraden op het oproepen tot eventuele internationalemanagementmaatregelen, aangezien visserijbeheer onder de exclusievecompetentie van de Commissie valt.De leden van de PvdD-fractie vragen in het licht van het toekomstbeeldwaar door experts over wordt gewaarschuwd in hoeverre de Staatssecre-taris het huidige visserijbeheer preventief genoeg acht of dat het nog tereactief is ingesteld. Welke stappen gaat de Staatssecretaris zetten opzowel nationaal als Europees niveau om dit te verbeteren? Kan deStaatssecretaris toezeggen dat hij zich zoveel mogelijk gaat inzetten op deafbouw van de visserij, maar dat in het geval van ontwikkeling van nieuwevisserijen, ecologische grenzen leidend gaan zijn in zijn beleid zodatoverbevissing voorkomen kan worden?AntwoordNee het kabinet gaat zich niet inzetten voor afbouw van de visserij. Hetkabinet zet zich juist in voor een duurzame, innovatieve en toekomstbe-stendige visserij binnen de grenzen van het ecosysteem, in lijn metvoornoemde visie Voedsel uit zee en grote wateren. In deze visie zet hetkabinet uiteen hoe de visserij er in 2050 uit moet zien. De visie wordtuitgewerkt in de Uitvoeringsagenda. Deze agenda wordt samen met devisserijsector en natuurorganisaties opgesteld en bevat meerdere actiesdie zien op het verder verduurzamen van de visserijsector. Momenteel isde agenda in de afrondende fase waarna deze ook aan de Kamer zalworden aangeboden.Verslag Landbouw- en Visserijraad 30 maart 2026 en terugkoppelinggesprek met de Eurocommissaris voor Gezondheid en DierenwelzijnDe leden van de PvdD-fractie hebben daarnaast ook kennisgenomen vanhet feit dat de Staatssecretaris namens Nederland steun heeft uitge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178829 sproken voor een EU-breed verbod op pelsdierhouderij en het uitfaserenvan kooihuisvesting richting de Eurocommissaris voor Gezondheid enDierenwelzijn, Olivér Várhelyi. Deze leden verwelkomen deze inzet, maarhebben hier nog enkele vragen over. Kan de Staatssecretaris toelichtenwelke concrete stappen Nederland op korte termijn zal gaan zetten omeen EU-breed verbod op pelsdierhouderij en handel in bont daadwerkelijkte realiseren? Hoe gaat de Staatssecretaris samenwerken met anderelidstaten om het voorstel voor een EU-breed verbod te versnellen? Hoegaat de Staatssecretaris om met het initiatief van Oostenrijk om druk op tevoeren op de EC, als blijkt dat de EC in gaat zetten op dierenwelzijnsaan-passingen in plaats van een totaalverbod?AntwoordWat de Staatssecretaris betreft is de tijd rijp voor een verbod op pelsdier-houderijen en op de handel in bont. Dit heeft hij ook aangegeven in zijngesprek met de Eurocommissaris voor Gezondheid en Dierenwelzijn. DeStaatssecretaris zal hiertoe ook blijven oproepen in de Landbouw- enVisserijraad. Een voorstel voor een Europees verbod zal echter vanuit deCommissie moeten komen. De Staatssecretaris is bereid om Oostenrijk(en andere gelijkgestemde lidstaten) te steunen in initiatieven om eenEU-breed verbod op de pelshouderij zo snel als mogelijk te realiseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 178830
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.