KamerkringInloggen
Kamerbrief

Uitkomsten van de Europese onderhandelingen over het klimaat- en energiepakket van december 2008

13 feb 2009 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 8fd72df9e33904cc · officiële bron

31 209Schoon en zuinig Nr. 73Brief van de ministers van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening enMilieubeheer, van Economische Zaken, en de staatssecretaris vanBuitenlandse Zaken Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 13 februari 2009 In deze brief informeren wij u over de uitkomsten van de Europese onderhandelingen over hetklimaat- en energiepakket van december 2008, zoals toegezegd tijdens het plenaire debat over deEuropese Raad op 18 december 2008. Waar relevant wordt in de tekst verwezen naar de relatie tussen het EU pakket en de internationaleklimaatonderhandelingen in Kopenhagen (december 2009). Op 28 januari jl. heeft de EuropeseCommissie een mededeling gepubliceerd over de EU-inzet voor Kopenhagen. De Kamer zal zoalsgebruikelijk worden geïnformeerd over het Nederlandse standpunt terzake. De EU-inzet richtingKopenhagen zal worden besproken tijdens de Milieuraad van 2 maart, de Ecofin van 10 maart ende Voorjaarsraad van 19-20 maart. Uiteraard zal de Kamer middels de geannoteerde agenda voordeze Voorjaarsraad op de hoogte worden gesteld van de Nederlandse inzet. Hetzelfde geldt voorde Milieuraad van 2 maart en de Ecofin van 10 maart, waarin een bijdrage aan de Voorjaarsraadop de agenda staat. Uitkomsten EU klimaat- en energiepakket op hoofdlijnen Het is zeer belangrijk dat het klimaat- en energiepakket is vastgesteld. Nog niet eerder zijndergelijke milieuambities vertaald in dwingende maatregelen op Europees niveau. De maatregelenzijn nodig om de temperatuurstijging te beperken tot 2 graden Celsius en daarmee de effecten vanklimaatverandering zoveel mogelijk te beperken. De Nederlandse inzet was erop gericht dat de ambitie en de systematiek van deCommissievoorstellen niet moest worden gewijzigd. De doelstellingen voor broeikasgassen envoor hernieuwbare energie zijn overeind gebleven en ook de systematiek van de voorstellen isvrijwel volledig in tact gebleven. De Nederlandse inzet is niet op alle punten verwezenlijkt, maardit is niet ten koste gegaan van de oorspronkelijke milieuambitie in de Commissievoorstellen. Binnen drie maanden zullen wij u in meer detail informeren over de relatie tussen het EU pakketen het beleidsprogramma Schoon en Zuinig. De EU geeft met het klimaat- en energiepakket concrete invulling aan de doelstelling om deuitstoot van broeikasgassen in 2020 met 20% te verminderen ten opzichte van 1990. Dat is opbasis van kosteneffectiviteit uitgewerkt in doelstellingen voor de sectoren onder emissiehandel (-21% ten opzichte van 2005) en voor de sectoren daarbuiten (-10% ten opzichte van 2005). Ookgeeft het pakket invulling aan de doelstelling om een aandeel van 20% hernieuwbare energie in2020 in Europa te bereiken. Daarnaast moet in 2020 10% hernieuwbare energie in transportworden ingezet, waarbij in het pakket Europese duurzaamheidcriteria voor biobrandstoffen zijnvastgesteld. In het pakket is vastgelegd dat de EU via de co-decisieprocedure overgaat tot een hogere reductiedoelstelling van 30% als een internationaal akkoord tot stand komt in Kopenhagen,waarbij andere ontwikkelde landen vergelijkbare inspanningen leveren en economisch meergevorderde ontwikkelingslanden een bijdrage leveren die in verhouding staat tot hunverantwoordelijkheden en capaciteiten. Hiermee geeft de EU een sterk signaal aan de rest van dewereld en behoudt de EU het initiatief in de mondiale aanpak van klimaatverandering. In hetpakket wordt ook solidariteit getoond met de lidstaten die een minder hoge welvaart kennen danhet gemiddelde in de EU en die ten opzichte van 1990 een forse CO2-reductie hebbengerealiseerd. Betekenis van het pakket per dossier Inspanningenverdeling Met het akkoord over het besluit Inspanningenverdeling zijn de bijdragen vastgelegd die delidstaten moeten leveren aan het behalen van de EU doelstelling van -10% in 2020 ten opzichtevan 2005 voor de sectoren buiten het EU emissiehandelssysteem (de non-ETS sectoren). Deinspanningen zijn naar draagkracht verdeeld tussen de Lidstaten, waarmee invulling wordtgegeven aan solidariteit tussen lidstaten en de behoefte aan duurzame economische groei in deEU. Nederland zal de uitstoot van broeikasgassen door deze sectoren in 2020 t.o.v. 2005 met 16%teruggebracht moeten hebben. In het pakket is afgesproken dat de EU via codecisie overgaat tot een hogere reductiedoelstellingvan 30% als in Kopenhagen een internationaal akkoord tot stand komt, met daarbij een verdelingvan inspanningen zoals hierboven weergegeven. Daarmee blijft de ambitie van 30% in het gevalvan een mondiaal klimaatakkoord dus overeind staan, maar is er niet langer sprake van eenautomatische overgang naar 30%, waar het kabinet lange tijd op heeft ingezet. De Europesebesluitvorming over de definitieve inspanningenverdeling na Kopenhagen zal gebaseerd wordenop de principes van transparantie, economische efficiëntie, kosteneffectiviteit, fairness ensolidariteit. In de onderhandelingen is meer flexibiliteit ingebouwd in het besluit. Lidstaten mogen 5% vanhun jaarlijkse toegestane uitstoot lenen uit het volgende jaar. Als lidstaten in enig jaar onder hettoegestane emissieplafond blijven, mogen zij de ruimte onder het plafond meenemen (“banken”)naar het volgende jaar, tot aan 2020. In het geval van extreme meteorologische omstandigheden(bijv. uitzonderlijk koude winter in 2013 en 2014), die leiden tot een substantiële toename vanbroeikasgasemissies in vergelijking met jaren met normale meteorologische condities, mogenlidstaten na toestemming van de Commissie meer dan 5% lenen uit het volgende jaar. Daarmee iseen specifiek Nederlandse inzet verwezenlijkt. In de Europese Raad van december 2008 was er een sterke roep van een tiental lidstaten om meerCDM (Clean Development Mechanism) toe te staan om de doelstellingen onderinspanningenverdeling flexibeler te kunnen invullen. Nederland heeft vanaf het begin de(strengere) CDM-limieten gesteund, zoals de Commissie die voorstelde. In het licht van eencompromis is een kleine ophoging van CDM toegestaan voor deze lidstaten, die alleen ingevuldmag worden met projecten in de minst ontwikkelde landen. CDM-projecten moeten aanvergelijkbare kwalitatieve eisen voldoen als de projecten onder het huidige ETS (tussen 2008-2012), met het verschil dat ook CDM uit (her)bebossingprojecten toegestaan is. Het toegestane percentage CDM is 3% van de emissies van 2005 van de non-ETS sectoren. Dat is meer dan de helft van de reductieverplichting ten opzichte van 2005. De daadwerkelijkeinspanning die binnen Europa moet worden geleverd richting 2020, is echter omvangrijker.Bovenop de reductie ten opzichte van de uitstoot in 2005, moet namelijk ook de groei van deemissies bij ongewijzigd beleid worden omgebogen. Als er geen beleid zou worden gevoerd, danzouden de EU emissies in 2020 aanzienlijk hoger zijn dan in 2005. Dat betekent dat hetpercentage CDM ten opzichte van de daadwerkelijke inspanning relatief kleiner is. De nationale doelstellingen voor lidstaten zijn bindend. De Commissie zal op weg naar 2020scherp letten op de vooruitgang die de lidstaten boeken. Indien nodig, kan de Commissie eeninbreukprocedure starten, zo nodig tot aan het Hof van Justitie. Wanneer een Lidstaat zijn limietoverschrijdt, dient deze dat goed te maken met een compensatiefactor van 1,08 (8% meer dan hettekort). Ook moet de Lidstaat in dat geval een herstelplan ontwikkelen en wordt het recht omCDM/JI-kredieten te verkopen tijdelijk opgeschort. EU emissiehandelssysteem (ETS) Door het akkoord wordt het ETS vanaf 2013 vergaand geharmoniseerd. Er komt één gezamenlijkEuropees plafond voor alle bedrijven van -21% in 2020 ten opzichte van 2005. Tussen 2013 en 2020 zal ongeveer de helft van alle rechten in het ETS worden geveild, tegenover3% nu. In de elektriciteitssector blijft het uitgangspunt dat de emissierechten voor deze sectordirect vanaf 2013 voor 100% geveild zullen worden. Wel heeft een aantal nieuwe lidstaten demogelijkheid gekregen om veilen als allocatiemechanisme in te faseren. Het gaat om lidstaten meteen elektriciteitsnetwerk dat slecht geïntegreerd is in het Europese elektriciteitsnetwerk oflidstaten die voor de productie van elektriciteit voor meer dan 30% afhankelijk zijn van één enkelebrandstof en die een welvaartsniveau lager dan 50% van het Europese gemiddelde kennen. Onderbepaalde voorwaarden mogen zij starten met 30% veilen in 2013, oplopend naar 100% veilen in2020. Lidstaten die van deze optie gebruik maken, dienen zelf de kosten daarvan te dragen: degratis te verstrekken rechten worden per lidstaat afgetrokken van de hoeveelheid te veilen rechten. In het algemeen zal voor de industrie in 2013 20% geveild worden, oplopend tot 70% in 2020 en100% in 2027. Dat geldt voor sectoren die niet blootstaan aan het risico van carbon leakage (het“weglekken” van productie en uitstoot als gevolg van een ernstige aantasting van deconcurrentiepositie). Mede door de inzet van Nederland is voor carbon leakage de zogenaamde drietrapsraketgerealiseerd. Dit houdt in dat ten eerste de criteria voor carbon leakage (met name verhoogdeproductiekosten en handelsintensiteit buiten de EU) in het akkoord worden uitgewerkt. Tentweede zal de Commissie uiterlijk eind 2009 identificeren welke (sub-)sectoren onderhevig zijnaan carbon leakage. Ten derde zal de situatie uiterlijk eind 2010 herzien worden, in het licht vande uitkomst van de internationale onderhandelingen in Kopenhagen. Op basis van deze criteria zalnaar verwachting meer dan 90% van de Europese emissierechten voor de industrie gratis wordentoegewezen. Daarbij gelden wel strenge EU-brede ex-ante benchmarks, gebaseerd op eenuitstootnorm van de 10% meest efficiënte bedrijven in elke bedrijfstak. Deze zullen door deCommissie worden opgesteld. Hierdoor zullen minder efficiënte installaties relatief minderrechten krijgen dan efficiënte installaties en blijft een stimulans op investeringen in efficiëntetechnieken aanwezig. Ook de meeste emissies in de industriële sectoren in Nederland zullendaaronder vallen. Het gaat bijvoorbeeld om de chemische industrie en staal- en aluminium- producenten. Eén en ander betekent dat er in de industrie minder wordt geveild dan waar het kabinet op heeftingezet. Dit betekent overigens niet dat deze sectoren alle rechten die zij nodig hebben, gratiskrijgen. Ook deze sectoren moeten in gelijke mate bijdragen aan het behalen van de 21%-reductiedoelstelling. Het aantal beschikbare gratis rechten zal dan ook jaarlijks afnemen. Verder mogen lidstaten financiële maatregelen nemen om (sub-)sectoren te compenseren dieonderhevig zijn aan het risico op carbon leakage als gevolg van het doorberekenen van de CO2prijs in de elektriciteitsprijs (indirecte kosten). De Commissie zal hiervoor de staatssteunregelsaanpassen. In die regels zullen de criteria en de maximale hoogte van de compensatie wordenopgenomen. De mogelijkheid tot compensatie zal mede gebaseerd worden op strenge benchmarksvan de indirecte CO2 emissies per productie-eenheid. Voor de luchtvaartsector is het akkoord dat in 2008 is bereikt, leidend. Dit is in het kader van deherziening van het ETS niet veranderd. Dit betekent dat de luchtvaartsector in de periode 2013-2020 onder een vast plafond van 95% van de uitstoot van 2004-2006 valt. Gedurende de geheleperiode zal 15% van de emissierechten geveild worden. De luchtvaartsector mag rechten kopenvan de andere sectoren in het ETS en mag 1,5% van haar emissies via CDM-rechten dekken. Voor de verdeling van veilingrechten tussen lidstaten geldt als uitgangspunt basisjaar 2005 of2005-2007, afhankelijk van de vraag in welke periode de emissies hoger waren. Lidstaten krijgenin principe 88% van de hun toekomende veilingrechten onder het plafond van het ETS. Deoverige 12% wordt in het kader van solidariteit herverdeeld onder met name nieuwe Lidstaten.Dit betekent dat er ten opzichte van het Commissievoorstel 2% extra zal worden verdeeld onderde nieuwe lidstaten die sinds 1990 een forse CO2-reductie hebben gerealiseerd. De nieuweLidstaten hebben hier in de eindonderhandelingen sterk op ingezet, ook omdat de totalehoeveelheid te veilen rechten in de industrie lager geworden is; dezelfde procentuele herverdelingzou de nieuwe lidstaten anders in absolute zin minder veilingrechten (en daarmeeveilingopbrengsten) opleveren. Zowel in de tijdens de Europese Raad aangenomen politieke verklaring als in de ETS-richtlijnwordt bevestigd dat het de lidstaten zelf zijn die over de besteding van de veilingopbrengstenbeslissen. Wel is er in de richtlijn een aanbeveling opgenomen aan de lidstaten om ofweltenminste de helft van de veilingopbrengsten, ofwel een bedrag ter grootte daarvan, te bestedenaan nationaal, Europees en mondiaal klimaatbeleid. In de politieke verklaring heeft de EuropeseRaad aangegeven dat de lidstaten bereid zijn een financiële bijdrage te leveren - ter grootte vantenminste de helft van de veilingopbrengsten – aan nationaal en Europees klimaatbeleid. De verklaring van de Raad bevestigt tevens dat in de context van een internationaal akkoord inKopenhagen, en voor degenen die dat wensen, een deel van dit bedrag gebruikt zal worden ommitigatie- en adaptatiemaatregelen mogelijk te maken en te financieren in ontwikkelingslanden (inhet bijzonder voor de minst ontwikkelde landen) die het internationale akkoord hebbengeratificeerd. Naar verwachting zal de Voorjaarsraad hier nadere stappen in nemen. Met het oogop de internationale klimaatonderhandelingen is de bereidheid van Europa omontwikkelingslanden te helpen met hun klimaat- en energiebeleid van groot belang. Nieuw is de verklaring van de Commissie die lidstaten de ruimte biedt om gedurende enkele jaren(2013-2016) veilingopbrengsten te gebruiken voor het vergoeden van een deel van de investeringskosten (maximaal 15%) van de bouw van nieuwe, zeer efficiënte energiecentrales,mits deze voorbereid zijn op het afvangen en opslaan van CO2 (CCS). Ook kolencentrales kunnendaaronder vallen. Er is geen sprake van een verplichting; het vergoeden van een deel van dekosten moet in lijn zijn met de Europese staatssteunregels. Het kabinet beraadt zich op mogelijkeconsequenties voor Nederland. Kleine installaties die niet meer dan 25.000 ton CO2 per jaar uitstoten, kunnen worden uitgeslotenvan het ETS. Stadsverwarminginstallaties en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling (WKK)krijgen gratis rechten voor de geproduceerde warmte en koude. Onder het ETS mag niet meer dan de helft van de reductie-inspanning middels CDM wordengerealiseerd. Bovendien moeten CDM projecten aan strenge kwalitatieve eisen voldoen.Voorlopig zijn bossenkredieten onder CDM nog niet toegestaan onder het emissiehandelssysteem,maar na een internationaal akkoord zal opnieuw bekeken worden op welke manierbossenkredieten zouden kunnen worden toegestaan. CO2-afvang en –opslag (CCS) Door het akkoord over de CCS-richtlijn is er nu een regelgevend kader voor afvang, transport enopslag van CO2. De richtlijn biedt een kader voor het veilig opslaan van CO2 en leidt tot takenvoor de overheid op het gebied van toezicht en vergunningverlening voor CO2-opslag. Daarnaastbevat de richtlijn bepalingen over de langetermijnverantwoordelijkheid voor de opgeslagen CO2.Het kabinet is over het algemeen positief over de uiteindelijke tekst van richtlijn, aangezien dezeeen duidelijk kader met voorwaarden vormt voor de toepassing van CCS alsovergangstechnologie. De belangrijkste resultaten van de onderhandelingen betreffen de gedeeltelijk Europesefinanciering van CCS-demonstratieprojecten (zoals bepaald in de EU-ETS richtlijn), capturereadiness, een evaluatiebepaling, de adviesrol van de Europese Commissie en de overdracht vanverantwoordelijkheid. Het kabinet heeft in de onderhandelingen consequent gepleit voor een adequate EU-financieringvan de geplande CCS-demonstratieprojecten en is dan ook verheugd met de afspraak dat 300miljoen rechten uit de nieuwkomersreserve onder het ETS beschikbaar zullen komen voor de financiering van de geplande CCS-demonstratieprojecten en grootschalige demonstratieprojectenvoor hernieuwbare energie. Bij een CO2-prijs van 20 euro per ton, zou zo’n 6 miljard eurobeschikbaar komen voor deze projecten. Bedrijven zullen zelf substantieel moeten investeren inde CCS-demonstratieprojecten. Geen enkel project zal meer dan 15% van de totale hoeveelheidbeschikbare rechten voor demonstratieprojecten mogen ontvangen. Ten aanzien van capture readiness is afgesproken dat alle stookinstallaties met een elektrischvermogen van 300 megawatt, waarvan de oorspronkelijk bouw- of exploitatievergunning náinwerkingtreding van de richtlijn is afgegeven, moeten nagaan of er geschikte opslaglocatiesvoorhanden zijn, of transportfaciliteiten technisch en economisch te realiseren zijn, en of hettechnisch en economisch haalbaar is om bestaande faciliteiten voor CO2-afvang aan te passen. Afgesproken is dat de CCS-richtlijn in 2015 geëvalueerd zal worden. Daarnaast is afgesproken datin de evaluatie wordt onderzocht of het nodig en haalbaar is om emissienormen verplicht te stellenvoor nieuwe grote elektriciteitscentrales. Het is conform de Nederlandse inzet dat er in de evaluatie naar de mogelijke verplichtingstelling van CCS zal worden gekeken. Wat betreft de vergunningverlening is afgesproken dat de Commissie binnen vier maanden naontvangst van de ontwerp-opslagvergunning een (niet-bindend) advies kan uitbrengen aan delidstaat in kwestie. Er geldt een minimumperiode van 20 jaar voor overdracht van verantwoordelijkheid van debeheerder van de (afgesloten) opslaglocatie aan de bevoegde autoriteit, tenzij de bevoegdeautoriteit ervan overtuigd is dat vóór het verstrijken van die periode de beschikbare gegevensaantonen dat de opgeslagen CO2 volledig en permanent ingesloten blijft. De Europese Commissie zal binnen één of enkele maanden met een mededeling komen over deverdere aanpak met betrekking tot de financiering van de demonstratieprojecten. Het kabinet isvoornemens om CCS-demonstratieprojecten op Nederlands grondgebied voor te dragen voor dezemiddelen. Hernieuwbare energie Met het akkoord over de richtlijn hernieuwbare energie wordt de Europese doelstelling van 20%hernieuwbare energieconsumptie in 2020 vertaald naar verplichte nationale doelstellingen.Nederland krijgt 14% toegewezen (in basisjaar 2005 was dit 2,4%), maar dit zijn Europese cijfers.Met de Nederlandse berekeningsmethode (anders dan de Europese methode) komt dit overeen met16 à 17% hernieuwbare energie in 2020. De nationale doelstelling in Schoon en Zuinig is 20%duurzame energie in 2020. Er komen tussendoelen voor hernieuwbare energie. Deze tussendoelen zijn niet bindend. Lidstatenmoeten nationale actieplannen opstellen die maatregelen bevatten waarmee de doelstellingenbehaald kunnen worden. Als het nationale actieplan van een lidstaat naar het oordeel van deCommissie onvoldoende is, moet de lidstaat het aanpassen. De luchtvaart wordt meegenomen in de doelstelling voor hernieuwbare energie. Alleen hetaandeel energieconsumptie luchtvaart dat boven 1,5 keer het EU gemiddelde komt, telt niet mee inde berekening van het totale energiegebruik. De reden hiervoor is dat grootschaligeverduurzaming van de luchtvaart voor 2020 niet wordt voorzien. Lidstaten met een grote bijdragevan luchtvaart in de energiemix zullen hierdoor andere sectoren onevenredig moetenverduurzamen. Daarom is gekozen om een bovengrens te stellen aan het aandeel van luchtvaart inde berekening van het totale energiegebruik. In het akkoord is de doelstelling van 10% biobrandstoffen omgezet in een doelstelling van 10%hernieuwbare energie in transport, waarbij het aandeel van elektrische auto’s aangedreven metduurzame energie in het behalen van de doelstelling zwaarder wordt gewogen. Voor biobrandstoffen in de transportsector en andere vloeibare biomassa voorenergietoepassingen gelden straks in Europees kader duurzaamheidcriteria, willen deze mogenmeetellen voor het behalen van de doelstellingen voor hernieuwbare energie. De duurzaamheidzal periodiek worden geëvalueerd. Specifiek zal de doelstelling voor de transportsector voor 2020in 2014 opnieuw worden bezien. Daarbij komen ook indirecte effecten aan de orde, zoalsconcurrentie met voedselproductie. Bij een verplichting voor bedrijven geldt overigens dat detweede generatie biobrandstoffen dubbel moet worden geteld. Nederland heeft zich van meet af aan ingezet voor de opname van Europeseduurzaamheidcriteria alsmede voor het monitoren van de duurzaamheid van de productie.Nederland is tevreden over het bereikte resultaat, omdat met het overnemen van een groot deelvan de door Nederland voorgestane duurzaamheidscriteria (Cramer-criteria) de duurzaamheid opEuropees niveau is verankerd. Wat betreft de handel in hernieuwbare energie tussen lidstaten, is afgesproken dat er statistischetransfers van hernieuwbare energie tussen lidstaten kunnen plaatsvinden (kopen bij de buren).Ook kunnen gezamenlijke projecten worden uitgevoerd en bestaat de mogelijkheid omgemeenschappelijke subsidiesystemen op te zetten. Onder strikte voorwaarden mag een deel vande hernieuwbare energiedoelstelling buiten de EU gehaald worden. Het kabinet heeft zich er hard voor ingezet om de werking van de bestaande omvangrijke groenestroommarkt in Nederland te verbeteren. Dubbeltelling van groene stroom in lidstaten is niet meermogelijk. Lidstaten kunnen zelf aanvullende eisen opleggen voor het reguleren van de groenestroommarkt en daarbij ook zelf het tempo bepalen. In 2014 wordt de richtlijn geëvalueerd, waarbij mogelijk nieuwe voorstellen worden gedaan. Ditmag er echter niet toe leiden dat de hernieuwbare energie doelstellingen worden aangepast. Hetkabinet is tevreden met de uiteindelijke tekst van de richtlijn hernieuwbare energie. Tot besluit Het kabinet is verheugd over de uitkomst van de Europese onderhandelingen over het klimaat- enenergiepakket. De voortvarendheid waarmee het Europese klimaat- en energiepakket door goedsamenspel tussen het EP, de Raad en de Commissie tot stand is gekomen is indrukwekkend. Hetmag dan ook met recht een historisch akkoord worden genoemd. Het Europees Parlement, datmedewetgever is, stond onder zware tijdsdruk door het compromis dat de Europese Raad indecember 2008 heeft bereikt. Het Franse voorzitterschap heeft een bijzondere inspanning geleverddoor steeds intensief contact te houden met het Europees Parlement. Dankzij deze constructievesamenwerking kan het wetgevingstraject voor het EU-pakket nog voor de EP-verkiezingen vanjuni 2009 worden afgerond. Dit is een goede steun in de rug voor de onderhandelingen richtingKopenhagen. Het bereikte akkoord over een Europees klimaat en energiebeleid geeft bovendien profiel aan hetEuropese leiderschap in de mondiale onderhandelingen. Een ambitieuze EU inzet is eenvoorwaarde voor een goede onderhandelingspositie van de EU en om te komen tot mondialeklimaatdoelstellingen in Kopenhagen eind 2009. Het kabinet zet de implementatie van het klimaat- en energiepakket in nationale wet- enregelgeving met voorrang in gang. De betrokken departementen hebben reeds een aanvanggemaakt met de voorbereidingen van het complexe implementatietraject. Gezien de omvang vanhet implementatiepakket zal de implementatie voortvarend ter hand worden genomen. De minister van Volkshuisvesting, RuimtelijkeDe minister van Economische Zaken, Ordening en Milieubeheer, J.M. CramerM.J.A. van der Hoeven De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, F.C.G.M. Timmermans

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 48a73d9a61e4fc52

14 okt 2026 · cc6897adb9b1434e

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.