KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

25 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 92070f618e9e148d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 XXIIIVaststelling van de begrotingsstaat van hetMinisterie van Klimaat en Groene Groei (XXIII)voor het jaar 2025Nr. 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 25 oktober 2024 De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei, belast met hetvoorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uitte brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegevenantwoorden.De vragen zijn op 10 oktober 2024 voorgelegd aan de Minister van Klimaaten Groene Groei. Bij brief van 24 oktober 2024 zijn ze door de Minister vanKlimaat en Groene Groei beantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,ThijssenDe griffier van de commissie,Nava kst-36600-XXIII-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 61 Vragen en antwoorden 1Kunt u inzichtelijk maken hoeveel belastinginkomsten de NederlandseStaat (ongeveer) is misgelopen doordat het hoofdkantoren van Shell enandere multinationals zijn verplaatst naar het buitenland? Kunt u eeninschatting maken van hoeveel euro aan verduurzamingsinvesteringenNederland hierdoor is misgelopen?AntwoordVanwege de fiscale geheimhoudingsplicht van artikel 67 Algemene wetinzake rijksbelastingen (AWR) kan het kabinet niet ingaan op individuelefiscale dossiers. In algemene zin zijn multinationals belangrijke spelers inde internationale investeringsstromen van en naar Nederland1 en locatiedoet er in economische zin toe: nabijheid bevordert handel, controle,kennisdeling en investeringen. Het valt niet te kwantificeren in welke matehet vertrek van bepaalde hoofdkantoren directe invloed heeft op verduur-zamingsinvesteringen in Nederland.2Kunt u een overzicht maken van de Europese wetgeving die in 2025 zalworden behandeld? Kunt u per voorstel aangeven wat het belang voorNederland hierbij is?AntwoordDe nieuwe Europese Commissie is nog niet formeel aangetreden,waardoor het niet duidelijk is welke wetgevingsvoorstellen de Commissiein 2025 zal doen. Na haar aantreden zal de nieuwe Commissie eenwerkprogramma publiceren met daarin alle voorgenomen (wetgevings-)voorstellen. Wel heeft de voorzitter van de Europese Commissie, Von derLeyen, haar politieke richtsnoeren en de politieke agenda’s (missionletters) voor de 27 kandidaat Commissarissen gepubliceerd. Hieruit blijktonder andere dat de Commissie voornemens is in de eerste 100 dagen deeerder aangekondigde Clean Industrial Deal (CID) mededeling te publi-ceren. De verwachting is dat op deze overkoepelende mededeling onderde nieuwe Europese Commissie verschillende wetgevingsvoorstellenzullen volgen. De CID is voor Nederland van belang omdat zij naarverwachting zowel ingaat op de verduurzamingsagenda van de industrieals het concurrentievermogen. In dit kader wordt in de eerste helft van2025 een voorstel voor een Industrial Decarbonisation Accelerator Actverwacht, die beoogt de vergunningverlening van industriële projectenvoor verduurzaming te versnellen.Tevens verwacht het kabinet een voorstel om de doelstelling van 90%netto emissiereductie voor 2040 te verankeren in de EU-Klimaatwet. DeEuropese klimaatwet verplicht de EU tot het stellen van een tussendoelvoor 2040 op weg naar klimaatneutraliteit in 2050. Bij ongewijzigd beleidin het huidige EU klimaatbeleid komen we al uit op 88% reductie. Hetbelang van Nederland is dat een duidelijke tussenstap tussen 2030 en2050 stabiliteit en investeringszekerheid biedt voor bedrijven dieinvesteren in de transitie. In lijn met de motie Erkens betekent dat ook datvoldoende aandacht moet uitgaan naar de uitvoerbaarheid van regel-geving, het versnellen van vergunningverleningen, oplossen vannetcongestieproblemen, harmonisatie van de methodologie van netwerk-tarieven ter bevordering van het gelijke speelveld en kostendeling voornieuwe energie-infrastructuur op zee met grensoverschrijdende effecten.1CBS (2023): «Nederland Handelsland 2023»Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 62 Verder zal de Europese Commissie mogelijk eind 2025 een voorstelvoorleggen voor de herziening van het leveringszekerheidsraamwerk vande EU voor gas en elektriciteit. Hieronder valt de herziening van deverordening gasleveringszekerheid. De Kamer is eerder geïnformeerdover het Nederlandse non-paper ter beïnvloeding van de herziening vandeze verordening2. Tot slot is het een mogelijkheid dat al in 2025 nieuweregelgeving op het gebied van de CO2-infrastructuur wordt voorgesteld.Daarbij is het van belang dat de toekomstige regelgeving voorCO2-transportinfrastructuur verdere ontwikkeling van reeds lopendeprojecten in Nederland faciliteert.Voor de lopende EU voorstellen van de Commissie verwijs ik u naar hetmeest recente kwartaaloverzicht EU wetgeving (pm vindplaats). Begin2025 ontvangt u de rapportage over het derde en vierde kwartaal van2024.3Hoe ontwikkelen de energiekosten in Nederland zich ten opzichte vanandere landen, bijvoorbeeld Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, België enFrankrijk?AntwoordIn vergelijking met ons omringende landen lagen energietarieven voorhuishoudens tot het uitbreken van de prijscrisis in 2022 op een verge-lijkbaar niveau en vertoonden ze een vergelijkbare ontwikkeling. Tijdensde prijscrisis reageerden de energietarieven in deze vier landen elk op eenandere manier op de marktontwikkelingen. Dit kan onder andere liggenaan de energiemix van het land of aan de manier hoe energieleveranciersin dat land hun energie inkochten. Nu de energiemarkten alweergedurende een lange termijn op een stabiel niveau liggen, bewegen deenergietarieven voor huishoudens weer naar elkaar toe. De ontwikkelingvan de energierekening voor huishoudens wordt doorlopend gevolgd.Afgelopen jaar is door E-bridge onderzocht hoe de elektriciteitskostenvoor Nederlandse industriële grootverbruikers zich verhouden tot die inbuurlanden en hoe deze zich naar verwachting ontwikkelen richting 20303.Hieruit blijkt dat de elektriciteitskosten flink uit de pas lopen met onsomringende landen. De elektriciteitsrekening bevat 3 componenten: Deelektriciteitsprijs, de netkosten, en de belastingen en overige kosten. Deverschillen met andere landen komen met name door andere belastingen,de IKC-regeling en lagere netkosten dan wel kortingen op de netkosten.4Hoeveel zijn de energiekosten van bedrijven in Nederland de afgelopen5 jaar gestegen? Waar ligt dit aan? Hoe verhoudt dit zich tot onzebuurlanden?AntwoordDe Energierekening bevat drie componenten: de elektriciteitsprijs, denetkosten, en de belastingen en overige kosten. Het is moeilijk om eeneenduidig beeld te schetsen voor bedrijven in Nederland omdat de kostenafhankelijk zijn van het type bedrijf. In zijn algemeenheid kan gesteldworden dat de elektriciteitskosten voor bedrijven in Nederland in deafgelopen vijf jaar zijn gestegen. Dit komt met name door de gestegeninkoopprijzen voor elektriciteit; voor grote industriële afnemers door hetvervallen van kortingen zoals de indirecte kostencompensatie en devolumecorrectieregeling; en door de gestegen netwerkkosten. De2Verslag Energieraad 30 mei 2024, Kamerstuk 21 501-33, nr. 10753Kamerstuk 32 813, nr. 1372Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 63 gestegen inkoopprijzen gelden ook voor buurlanden, terwijl we zien datde netwerkkosten uit de pas gaan lopen met buurlanden omdatgenoemde kortingen daar nog wel worden gehanteerd. Ook de stijgingvan de netwerkkosten doet zich niet overal in gelijke mate voor vanwegeverschillen tussen landen in de bekostiging van het netwerk of historischreeds zwaarder aangelegde elektriciteitsnetten bijv. in landen met meernucleaire energie of verschillen in de behoefte en/of het tempo van deuitbouw van het netwerk. Hoeveel de totale elektriciteitskosten voorbedrijven zijn gestegen hangt dus sterk af van de individuele situatie vaneen bedrijf. Zeker voor bedrijven die voorheen profiteerden van devolumecorrectieregeling zijn de totale elektriciteitskosten met tientallenprocenten gestegen in de afgelopen vijf jaar.5Tot welk jaar zal Nederland steenkool blijven gebruiken?AntwoordVanaf 2030 zal het steenkoolgebruik in Nederland substantieel afnemendoor de sluiting van de kolencentrales. Naast de inzet voor het opwekkenvan elektriciteit wordt steenkool door Tata Steel gebruikt voor deproductie van staal. In het kader van de maatwerkafspraken wordtmomenteel met Tata Steel onderhandeld over verduurzaming enverschoning van de productie. Het doel van de maatwerkafspraken is datbedrijven zoals Tata Steel in Nederland verduurzamen. Hiermee wordtvoorkomen dat emissies naar elders op de wereld verplaatsen («lievergroen hier, dan grijs elders»). De inzet van de maatwerkafspraken is datTata Steel overstapt van kolen op aardgas en waterstof. Vanaf het momentdat Tata Steel de overstap maakt zal het steenkoolgebruik door Tata Steelook afnemen en uiteindelijk uitfaseren.6Tot welk jaar zal steenkool in de Rotterdamse haven overgeslagenworden?AntwoordOp dit moment is dat aan de markt en bestaat er geen beleid om hier eeneinddatum op te zetten. Dit zal in de praktijk dus afhangen van hetmoment dat in het achterland de vraag naar steenkool verdwijnt. Na eeneerdere flinke daling in overslag van 2015 t/m 2020 is er de laatste jarenvanwege de oorlog in Oekraïne een toename van kolenoverslag in deRotterdamse haven. Van alle kolen die Rotterdam binnenkomen blijftslechts ongeveer 10% in Nederland. De overige 90% gaat naar Duitsland,naar de Duitse staalindustrie en elektriciteitscentrales. HavenbedrijfRotterdam gaat in zijn prognoses wel uit van een vermindering van devraag naar kolen. Het tempo waarin dat gebeurt, wordt in hoge matebepaald door de ontwikkelingen in Duitsland en is afhankelijk van detoename van de opwekking en import van hernieuwbare energie aldaar,de mogelijkheden om deze op te slaan en het tempo waarmee gas en/ofwaterstof in de productie van staal kunnen worden toegepast. Voorgebruik van kolen voor elektriciteitsproductie mikt Duitsland op een«Kohleausstieg» in 2038.7Voor welk bedrag zijn de fossiele subsidies verminderd met dezebegroting?AntwoordIn de Miljoenennota 2024 en 2025 is een overzicht opgenomen vanoverheidsregelingen die mogelijk een voordeel voor het gebruik vanfossiele energiedragers opleveren. De regelingen hiervan die op deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 64 KGG-begroting staan zijn de Subsidieregeling Indirecte Kostencompen-satie ETS (IKC-ETS), de Investeringsaftrek t.b.v. opsporen en winningaardgas kleine velden Noordzee (mijnbouwheffing), de Vulmaatregelengasopslag, en de veilinginkomsten uit het EU-Emissiehandelssysteem.Onderstaand geef ik een toelichting op wat de begroting voor conse-quenties heeft voor de verwachte inkomsten en uitgaven in dezeregelingen.Met de Subsidieregeling Indirecte Kostencompensatie ETS (Hierna:IKC-regeling) wordt compensatie verleend aan bedrijven die zijn blootge-steld aan een significant CO2-weglekrisico als gevolg van elektriciteits-prijzen waarin de kosten voor de uitstoot van broeikasgasemissies zijndoorberekend. Voor de IKC-regeling was voor uitbetaling in 2024 over hetjaar 2023 € 186 mln. gereserveerd. Een voorwaarde van de IKC is om 50%hiervan in CO2-reducerende maatregelen te investeren. In de2025-begroting van KGG zijn nog geen middelen gereserveerd voor deIKC-regeling in 2025. In het Regeerprogramma is aangegeven omverlenging van de IKC-regeling tijdens de voorjaarsbesluitvorming tebezien.De Investeringsaftrek voor opsporing en winning van aardgas op deNoordzee is bedoeld om tijdens de energietransitie winning in kleinevelden te stimuleren zodat leveringszekerheid behouden blijft, ook methet wegvallen van het Groningenveld. Er – is niet op voorhand bekendhoeveel aanvragen en uitgaven er zullen zijn, omdat dit afhankelijk is vanhet niveau van nieuwe investeringen die door de olie- en gas operatorsgedaan zullen worden. Een inschatting, die ook is weergegeven in hetrapport Belastingen in Maatschappelijk Perspectief, Bouwstenen voor eenbeter en Eenvoudiger Belastingstelsel (maart 2024), is dat deze investe-ringsaftrek in 2025 naar verwachting een bedrag van € 3 mln zalbedragen. De investeringsaftrek geldt alleen voor mijnbouwonderne-mingen die een winstaandeel verschuldigd zijn en ook niet voor deberekening van de vennootschapsbelasting (vpb). Hiermee is in de regelde belastingdruk van deze bedrijven groter dan van andere onderne-mingen met een dergelijke investeringsaftrek. Er is voor deze regelinggeen geoormerkte reservering opgenomen in de KGG-begroting, omdatde investeringsaftrek in mindering wordt gebracht op de afdracht die debedrijven doen middels de mijnbouwheffingen. Deze komen toe aan dealgemene middelen.Naast bovengenoemde regelingen is in de Miljoenennota 2024 toegelichtdat de Vulmaatregelen Gasopslag ook mogelijk een voordeel voor hetgebruik van fossiele energiedragers kan opleveren. De vulmaatregel –welke is bedoeld om de gasleveringszekerheid van Nederland enomringende landen te waarborgen en samen met bondgenoten vast tekunnen houden aan strenge(re) sancties tegen Rusland. – ook mogelijkeen voordeel voor het gebruik van fossiele energiedragers kan opleveren.Voor het vulseizoen 2025–2026 is op de KKG-begroting € 233 mln.gereserveerd voor de taak die EBN heeft om de gasopslagen te vullen.Voor het vulseizoen 2024–2025 was € 256,737 mln. gereserveerd. Demaatregel heeft tot nu toe netto niet tot kosten voor de rijksoverheidgeleid.Tot slot leidt de uitbreiding van het tweede Europese emissiehandels-systeem voor fossiele brandstoffen (ETS2) – welke is bedoeld omCO2-emissiereductie te bevorderen in lijn met de Europese Klimaatwet –vanaf 2027 tot een vermindering van fossiele voordelen omdat mindersectoren worden vrijgesteld van het ETS2. Hierdoor stijgen deETS-ontvangsten op de KGG-begroting tussen 2027 en 2029 metcumulatief ca. € 777 mln.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 65 8Hoeveel procent CO2-reductie wordt verwacht dat Nederland met hethuidige (voorgenomen) beleid zal halen in 2040?AntwoordEr is geen raming beschikbaar van de emissies in 2040 op basis van hethuidige beleid. De Klimaat- en Energieverkenning van het PBL geeft enkeleen kwalitatief beeld voor 2040. Het is moeilijk om een dergelijke ramingte maken aangezien het Nederlandse beleid grotendeels volgt uit hetEuropese beleid en de EU het Europese doel voor 2040 nog niet heeftvastgelegd en er ook nog geen volledig beeld bestaat van het Europesebeleid om dat doel te realiseren.9Wanneer worden in 2025 de kernenergie-besluiten over de aanbesteding,ruimtelijke locatie en het rijk-regio genomen? Welke afwegingen moetenhiervoor nog worden gemaakt?AntwoordVolgend jaar zal het kabinet meerdere belangrijke besluiten moetennemen voor het nieuwbouwtraject voor de eerste twee kerncentrales. Hetgaat hierbij om de locatie, het Rijk-Regiopakket, de financiering en deaanbesteding.Wat betreft de locatie werkt het kabinet richting de ontwerp voorkeursbe-slissing in de projectprocedure. Zo snel mogelijk in 2025 wil het kabinetdaartoe de concept-Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) ter inzage teleggen. In de concept-NRD motiveert het kabinet welke concrete locatiesin het milieueffectonderzoek (planMER) zullen worden onderzocht. In dezeIntegrale Effectenstudie en een Milieueffect Rapportage (plan-MER)worden de verschillende locatiealternatieven onderzocht op onder anderemilieueffecten, kosten, techniek en omgeving. Op de ontwerp voorkeurs-beslissing mag vervolgens iedereen een zienswijze indienen en tevenswordt de Commissie voor de milieueffectrapportage gevraagd advies tegeven over de kwaliteit van het plan-MER. Afhankelijk van dit advies envan de zienswijzen kan vervolgens een definitieve voorkeursbeslissing endus locatiebesluit worden genomen.Het kabinet zal na de ontwerp voorkeursbeslissing samen met debetreffende regio zo snel mogelijk tot een voorlopig Rijk-Regiopakketkomen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 11 september jl.4 ben ikmet de gemeente Borsele, de provincie Zeeland en de bewoners reeds ingesprek hierover. Daarbij heeft het kabinet zijn eerste reactie op devoorwaarden die de gemeente Borsele en provincie Zeeland hebbengesteld aan de komst van de twee kerncentrales gedeeld. Om deze goedeweg verder in te zetten, heb ik samen met de gemeente Borsele enprovincie Zeeland een intentieverklaring afgesloten waarin we afsprakenhebben gemaakt hoe we gezamenlijk toewerken naar een goed antwoordop de voorwaarden. Ik ben ook zeer verheugd dat Raymond Knopsnamens de drie overheden het proces zal begeleiden om te komen tot eenRijk-Regiopakket.Voor de financiering en de rol van de overheid daarin is besluitvorming in2025 voorzien. Het kabinet zal daartoe binnen enkele weken de marktcon-sultatie en een kabinetsappreciatie daarop met de Kamer delen. Daarbijzal het kabinet tevens ingaan op het vervolgproces tot aan besluit-vorming. Het kabinet onderzoekt verschillende financieringsstructuren.4Kamerstukken 2024/2025 nr. 32 645-131Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 66 Zoals eerder aangegeven aan de Kamer5, blijkt uit gesprekken met diverseprivate partijen, waaronder potentiële technologieleveranciers, energiebe-drijven en financiële instellingen, dat zij een deelname van de overheid inde projectorganisatie (zowel in het vergunningstraject als in de bouwfase)verwachten. Een stevig overheidsaandeel zou een belangrijk signaal zijndat de overheid het project van groot belang acht en bereid is om mederisico te dragen, wat kan bijdragen aan het drukken van de financierings-kosten door gebruik te maken van de sterke kredietwaardigheid van deNederlandse staat. Naast financieringskwesties spelen overigens, zoalseerder aangegeven, ook publieke belangen een belangrijke rol in de keuzevoor overheidsdeelname bij de bouw van kerncentrales; de overheid moetimmers zorgen voor de borging van duurzaamheid en leveringszekerheid,wat niet alleen een financiële risico-rendement afweging is.De voorbereiding van het aanbestedingstraject zal in 2025 plaatsvinden.Een onafhankelijke toets (third-party review) vindt nu plaats op deresultaten van de marktconsultatie en technische haalbaarheidsstudies, enzal ook inzichten bieden ten aanzien van de opties in het uitwerken vanhet proces voor de selectie van een technologie leverancier. Omdat dezeverschillende beslissingen sterk aan elkaar relateren zal te zijner tijd goeddoor het kabinet geborgd worden dat ze ook in samenhang genomenworden. Daarnaast verwacht het kabinet dat de resultaten van dethird-party review nader inzicht zullen bieden in de verdere planning vanhet nieuwbouwtraject.10Kunt u empirisch bewijs leveren dat absolute ontkoppeling van CO2uitstoot op wereldwijde schaal kan worden bereikt tegen een achtergrondvan aanhoudende economische groei, en dat absolute ontkoppeling vankoolstofemissies kan worden bereikt in een tempo dat snel genoeg is omopwarming van de aarde met meer dan 1,5°C of 2°C te voorkomen?AntwoordOp wereldwijde schaal is er nog geen empirisch bewijs voor een absoluteontkoppeling van CO2 uitstoot en economische groei omdat de mondialeemissies nog stijgen. Maar dat bewijs voor ontkoppeling en groene groeiis er wel op nationale/regionale schaal, zoals voor Nederland en de EU. DeNederlandse economie is sinds 1990, per hoofd van de bevolking,gecorrigeerd voor inflatie, met 66% gegroeid. In absolute termen, dus nietper capita, is de economie sinds 1990 ongeveer verdubbeld in omvang. Indezelfde periode is de uitstoot van broeikasgassen met ongeveer 35%gedaald. Binnen Nederland is er dus sprake van absolute ontkoppeling engroene groei. Scenario’s van het IPCC en de IEA – waar in alle gevallenwordt uitgegaan van blijvend economische groei – laten zien dat het ookop mondiale schaal mogelijk is om tot een absolute ontkoppeling tekomen en de opwarming van de aarde tot 1,5°C of 2°C te beperken.11Hoe wordt in de begroting rekening gehouden met de toegankelijkheidvan duurzame mobiliteit, zoals elektrisch vervoer en openbaar vervoer,voor mensen met een lager inkomen of in minder stedelijke gebieden?AntwoordIn de begroting van KGG zijn geen specifieke maatregelen opgenomen dietoezien op elektrisch of openbaar vervoer, deze zijn onderdeel van debegroting van IenW. Duurzame mobiliteit betekent reizen naar werk enprivé op een schone, betaalbare en comfortabele manier in elke regio envoor alle inkomensgroepen. De Kamer heeft via de motie-Bikker vorig jaar5Kamerstuk 28 165, nr. 420Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 67 ook 300 miljoen euro aan structurele extra middelen uitgetrokken om dedecentrale overheden te ondersteunen in het betaalbaar en bereikbaarhouden van het ov voor alle reizigers. In het hoofdlijnenakkoord is eenafspraak gemaakt om de Brede Doeluitkering Verkeer en Vervoer met 10%te verlagen. Samen met de vervoerregio’s Metropoolregio Rotterdam DenHaag (MRDH) en Vervoersregio Amsterdam (VRA), met IPO en VNG, hetMinisterie van IenW en het Ministerie van BZK wordt bezien welkeeffecten deze afspraak heeft op het ov-voorzieningenniveau in dezetwee vervoerregio’s. Bij inrichting van (toekomstig) mobiliteitsbeleid zalhet kabinet deze bredere afwegingen rondom betaalbaarheid en verduur-zaming blijven meewegen. Zo zet het kabinet in op een eerlijke verdelingvan lasten over elektrische auto’s en brandstofauto’s zodat autorijdenbetaalbaar blijft en tegelijkertijd de elektrische auto in voldoende matewordt ondersteund om de afgesproken klimaat- en energiedoelen te halenen stikstofreductie te realiseren. Het kabinet informeert de Kamer hieroverkomend voorjaar.12Hoeveel middelen worden in de begroting gereserveerd voor socialecompensatiemaatregelen voor huishoudens die negatief wordenbeïnvloed door klimaatmaatregelen, zoals CO2-belastingen of hogereenergieprijzen?AntwoordHet kabinet stelt rechtvaardigheid centraal bij (besluitvorming over)klimaatbeleid, waarbij bijdrage en ondersteuning naar draagkracht als eenvan de principes wordt aangenomen. Voor verschillende maatregelenwordt gekeken hoe middelen terecht kunnen komen op de plek waar zehet hardst nodig zijn. Bijvoorbeeld via de lokale aanpak isolatie. Eenoverzicht van klimaatmaatregelen vindt u in de beantwoording opvraag 14.Het effect van de hoogte van de energierekening op bestaanszekerheidwordt integraal gewogen bij de koopkracht besluitvorming. Het kabinetheeft daarnaast voor de jaren 2025 en 2026 twee maal 60 miljoen eurogereserveerd voor een in te richten Energiefonds, dat steun biedt aanhuishoudens in energiearmoede. Binnen dit Energiefonds wordt nadruk-kelijk de koppeling met de verduurzaming van de gebouwde omgevinggezocht. Het Energiefonds is onderdeel van het beleidsveld van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Verduurzaming van degebouwde omgeving heeft een belangrijke rol om de energierekeningbetaalbaar te houden voor iedereen. Daarnaast verlaagt het kabinet deenergiebelasting op aardgas tot 170.000 m3. In de beantwoording opvraag 21 vindt u een overzicht van maatregelen die worden genomen omde energierekening betaalbaar te houden voor iedereen.13Wat wordt gezien als de minimale noodzakelijke omvang van de begro-tingsreserve duurzame energie en klimaattransitie?AntwoordDe SDE-regelingen subsidiëren het verschil tussen kostprijs van opwekduurzame energieproductie/CO2-reductie en de marktprijs voorenergie/CO2. De begrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitieis ingesteld om te zorgen dat onderuitputting in de SDE-regelingen, alsgevolg van vertraagde realisatie van projecten, beschikbaar blijft voor deenergietransitie. Daarnaast is de reserve nodig om eventuele tegenvallersals gevolg van dalende energieprijzen op te kunnen vangen. Zeker nu deprijsrisicobuffer, bedoeld om tegenvallers als gevolg van energieprijsda-lingen op te kunnen vangen, in de SDE-middelen is verlaagd naar 10%.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 68 Wanneer tegenvallers groter zijn dan waar in de prijsrisicobuffer rekeningmee is gehouden, kunnen deze met de begrotingsreserve duurzameenergie worden opgevangen. De afgelopen jaren zijn de energieprijzenzeer volatiel, waardoor kasuitgaven van de SDE-regelingen met miljardenkunnen schommelen. Vanwege deze volatiliteit is het van belang dat demiddelen in de begrotingsreserve beschikbaar blijven om eventueletegenvallers op te kunnen vangen.14Welke maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat de batenvan klimaatmaatregelen (bijv. subsidies voor verduurzaming vanwoningen) gelijkmatig verdeeld worden onder alle sociaaleconomischegroepen?AntwoordVoor verschillende maatregelen wordt momenteel gekeken hoe middelenterecht kunnen komen op de plek waar ze het hardst nodig zijn. Bijvoor-beeld via de lokale aanpak isolatie, deze is erop gericht om juist in regio’smet hoog risico op energiearmoede en lage energielabels in koopwo-ningen mensen te ondersteunen met het treffen van isolatiemaatregelen.Daarnaast is er vorig jaar in het voorjaarspakket aangekondigd dat er viade collectieve aanpak van kwetsbare dorpen en wijken extra geldbeschikbaar is gekomen voor gemeenten met een relatief hoog aandeelkoopwoningen met lage labels en lage inkomens.15Kunt u een overzicht geven per inkomenspercentiel waar de middelen uitdeze begroting terecht komen?AntwoordEen overzicht van waar de middelen uit deze begroting terechtkomen perinkomenspercentiel is niet eenvoudig te geven. Het kabinet zet er op in datde energietransitie draagbaar is voor iedereen. Zo heeft het kabinettweemaal 60 miljoen vrijgemaakt voor 2025 en 2026 voor de oprichtingvan een Energiefonds. Daarmee wordt zowel inkomensondersteuning alshulp bij verduurzaming van woningen beoogd voor kwetsbarehuishoudens. Dit Energiefonds is onderdeel van het beleidsveld van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Verduurzaming van degebouwde omgeving heeft een belangrijke rol om de energierekeningbetaalbaar te houden voor iedereen. Daarnaast verlaagt het kabinet deenergiebelasting op aardgas tot 170.000 m3. In de beantwoording opvraag 21 vindt u een overzicht van maatregelen die worden genomen omde energierekening betaalbaar te houden voor iedereen.16Wanneer worden de (Small Modular Reactors-gelden (SMR-gelden)beschikbaar gesteld? Welke voorwaarden worden hieraan verbonden?AntwoordBij de Voorjaarsbesluitvorming 2023 is een bedrag van € 65 miljoengereserveerd voor het SMR-programma, tot en met 2030. Bij deEZK-begrotingsbehandeling voor 2024 is per amendement het uitgaven-bedrag voor 2024 verhoogd naar € 10 miljoen en de resterende beschik-kingsruimte volledig toegekend. Deze middelen worden benut voor hetopstellen, uitwerken en uitvoeren van het SMR-programma (kst-32 645-123). Volgend uit het SMR programma zal in 2025 een nationale visie opSMR’s in Nederland worden uitgewerkt en het merendeel van demiddelen zal ingezet worden om deze visie uit te rollen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 69 Via aansluiting bij het Technologie Ontwikkelingsprogramma van hetMMIP Kernenergie wordt gekeken naar hoe uiteindelijk innovatie omtrentSMR’s kan worden gestimuleerd.17Wat is de verwachte broeikasgasreductie in 2030 op basis van de plannenuit deze begroting?AntwoordPBL raamt de reductie in de KEV 2024 op basis van het vastgestelde envoorgenomen beleid, waarbij waar mogelijk het beleid uit het hoofdlijnen-akkoord is meegenomen op 44–52%, en inclusief het geagendeerde beleidop 45–52%.18Hoe verhoudt de broeikasgasreductie in 2030 op basis van de plannen uitdeze begroting met de bevindingen van PBL uit de Klimaat- en Energiever-kenning (KEV) 2023 waarin geconcludeerd werd dat de verwachtebroeikasgasreductie in 2030 uitkomt op circa 46–57%?AntwoordWaar in de KEV 2023 de raming op basis van het geagendeerde beleiduitkwam op 46–57% reductie is dat in de KEV 2024 45–52%. Zowel in 2023als in 2024 geeft PBL aan dat om de bovenkant van de bandbreedtebinnen bereik te brengen alles goed moet gaan in de uitvoering. Er zijnverschillende redenen die volgens PBL dit verschil verklaren. Zo hebbenenergieprijzen en marktontwikkelingen invloed op de ramingen en zijn erbelemmeringen die zorgen voor vertraging in de uitvoering zoalsnetcongestie. Tot slot is een deel hiervan het effect van maatregelen die inhet Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma zijn teruggedraaid.19Waar wordt bezuinigd ten opzichte van de vorige begroting en wat zijn deeffecten op CO2-reductie per bezuiniging?AntwoordIn het Hoofdlijnenakkoord (HLA) is afgesproken om Rijksbreed € 1 mld.structureel te bezuinigen op subsidies. Het totaal van de taakstelling voorhet voormalige EZK loopt op tot € 174 mln. in 2029, waarvan € 129 mln.voor KGG. In tabel 3 op blz 20 van de KGG begroting 2025 is aangegevenhoe de subsidietaakstelling is ingevuld. Bij Voorjaarsnota 2025 vindtmogelijk een heroverweging plaats van de invulling op basis van danactuele inzichten en prioriteiten.Daarnaast is in het HLA is afgesproken de prijsrisicobuffer in de ramingvoor de SDE te verlagen naar 10%. De SDE middelen op de begroting vanKGG worden daarom naar beneden bijgesteld met € 1 mld. per jaar vanaf2026.Tenslotte is op de middelen voor waterstof en batterijen in totaal€ 1,2 mld. bezuinigd als onderdeel van de taakstellingen van kabinet-Schoof. Een deel hiervan zal lopen via het Klimaatfonds en het deel viareeds overgehevelde middelen op de departementale begroting(en). Intabel 5 op blz 23 van de KGG begroting 2025 is aangegeven hoe dezetaakstelling is ingevuld.Naast deze bezuinigingen zijn er ook posten op de begroting waar juistsprake is van een intensivering. Het is niet mogelijk om een inschatting temaken van het CO2-effect van de voorgenomen bezuinigingen perTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 610 maatregel. Het PBL beoordeelt jaarlijks in de KEV enkel het integrale effectvan het beleid.20Hoeveel middelen worden in 2025 gereserveerd voor maatregelen om desociale ongelijkheid te verminderen in de context van de energietransitie,zoals energiearmoede?AntwoordHet effect van de hoogte van de energierekening op bestaanszekerheidwordt integraal gewogen bij de koopkracht besluitvorming. Het kabinetheeft daarnaast voor de jaren 2025 en 2026 twee maal 60 miljoen eurogereserveerd voor een in te richten Energiefonds, dat steun biedt aanhuishoudens in energiearmoede. Binnen dit Energiefonds wordt nadruk-kelijk de koppeling met de verduurzaming van de gebouwde omgevinggezocht. Het op te richten Energiefonds is onderdeel van het beleidsveldvan het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Verduurzamingvan de gebouwde omgeving heeft een belangrijke rol om de energiere-kening betaalbaar te houden voor iedereen. Daarnaast verlaagt hetkabinet de energiebelasting op aardgas tot 170.000 m3. In de beant-woording op vraag 21 vindt u een overzicht van maatregelen die wordengenomen om de energierekening betaalbaar te houden voor iedereen.21Hoe wordt ervoor gezorgd dat de energietransitie in 2025 betaalbaar entoegankelijk blijft voor alle inkomensgroepen?AntwoordHet kabinet neemt diverse maatregelen om de energierekening voor allehuishoudens betaalbaar te houden en de bestaanszekerheid voorhuishoudens te vergroten. Zo wordt de energiebelasting op aardgas tot170.000 m3 verlaagd. Daarnaast heeft het Kabinet besloten om voor dejaren 2025 en 2026, twee maal 60 miljoen euro te reserveren voor een inte richten Energiefonds. Dit fonds wordt op dit moment verder uitgewerkt,en moet ten goede komen aan huishoudens in energiearmoede. Hierbijwordt nadrukkelijk de koppeling met verduurzaming van de gebouwdeomgeving gezocht. Het Energiefonds valt onder het beleidsveld van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.De energetische kwaliteit van de woning speelt een sleutelrol in de hoogtevan de energierekening van een individueel huishouden. Vanuit hetMinisterie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening wordenverschillende maatregelen genomen die bijdragen aan het verlagen vande energierekening door energiebesparing binnen, en verduurzaming van,de woning. Om de verduurzaming van huurwoningen te stimuleren is inhet Regeerprogramma aangekondigd dat het kabinet de uitfasering vanhuurwoningen met EFG-labels doorzet. Daarnaast worden in 2025 diverseregelingen aangepast. Per 1 april 2025 worden de verschillende subsidiesvoor het aansluiten op een warmtenet gebundeld in een nieuwe subsidie.Deze zal de subsidieregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH), en ookdelen van de ISDE, DuMaVa en SVVE vervangen. De subsidie verduur-zaming en onderhoud (SVOH) voor particuliere verhuurders wordtaangepast per 1 januari 2025. De looptijd wordt verlengd naar 1 januari2030 en het aanvraagproces wordt vereenvoudigd om beter aan te sluitenbij de doelgroep.Ook in de koopsector is er beleid om verduurzaming voor iedereentoegankelijk te maken. Zo continueert het Nationaal Warmtefonds in 2025de rentekorting voor financiering voor VvE’s en 0% rente voor woningei-genaren met een verzamelinkomen tot € 60.000. Hiertoe is bij voorjaars-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 611 besluitvorming 2024 € 212 mln. uit het Klimaatfonds toegevoegd aan debegroting. Verder kan iedereen in Nederland een subsidie (ISDE)aanvragen tot maximaal 30% van de kosten en zijn vrijwel alle gemeentenaan de slag om woningeigenaren en Vve’s te helpen die extra hulp hethardste nodig hebben met middelen uit de lokale aanpak van hetNationaal Isolatieprogramma. Ten slotte ondersteunt het kabinet mensenmet advies en informatie, via onder andere Verbeterjehuis.nl.22Op welke manier wordt in de begroting rekening gehouden met de impactvan stijgende energieprijzen op huishoudens met lage inkomens?AntwoordOp dit moment is er geen sprake van stijgende energieprijzen. De prijzenop de energiemarkt zijn in de afgelopen tijd gestabiliseerd. Nadat degroothandelsprijs voor gas (TTF Month ahead) in augustus 2022 bijna300 euro per megawattuur bedroeg, ligt deze ondertussen al geruime tijdtussen de 30 en 40 euro6. Wel liggen de energieprijzen nog op een hogerniveau dan voor de Russische invasie in Oekraïne.Het kabinet neemt verschillende maatregelen om de energierekening vooralle huishoudens betaalbaar te houden en de bestaanszekerheid voorhuishoudens te vergroten. Er moet zo veel mogelijk voorkomen wordendat een groep achterblijft die niet mee kan doen en geconfronteerd wordtmet toenemende energieprijzen. Het kabinet heeft verschillende maatre-gelen genomen om de energierekening voor alle huishoudens betaalbaarte houden, zoals benoemd in de beantwoording van vraag 21.23Welk deel van de begroting is specifiek gericht op het verbeteren vantoegang tot duurzame energiebronnen voor kwetsbare en achtergesteldegemeenschappen?AntwoordHet Kabinet heeft geen specifieke middelen op de begroting voor Klimaaten Groene Groei gereserveerd om de toegang te verbeteren tot duurzameenergiebronnen voor kwetsbare en achtergestelde gemeenschappen. Hetkabinet werkt aan een betaalbare energierekening voor iedereen,bijvoorbeeld door het verlagen van de energiebelasting en door allebewoners en verhuurders in staat te stellen om woningen te isoleren enverduurzamen middels regelingen zoals de Subsidieregeling Verduur-zaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH), de InvesteringssubsidieDuurzame Energie (ISDE), en de Subsideregeling verduurzaming voorverenigingen van eigenaars (SVVE).Wel heeft het kabinet voor de jaren 2025 en 2026 twee maal 60 miljoeneuro gereserveerd voor een in te richten Energiefonds, dat steun biedt aanhuishoudens in energiearmoede. Binnen dit Energiefonds wordt nadruk-kelijk de koppeling met de verduurzaming van de gebouwde omgevinggezocht. Het Energiefonds is onderdeel van het beleidsveld van hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.24Hoe wordt er in de begroting van 2025 rekening gehouden met deverschillen tussen regio’s in Nederland, vooral in achtergestelde ofeconomisch zwakkere gebieden, in de uitvoering van klimaatbeleid?Antwoord6Monitor groothandelsprijzen en leveringszekerheid gas (ACM.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 612 Bij de vorming van beleid is altijd sprake van een bredere belangenaf-weging waarbij naast CO2-reductie ook andere belangen wordenmeegewogen. Bijvoorbeeld ten aanzien van rechtvaardigheid en regionaleeffecten van beleid. Zo is er vorig jaar in het voorjaarspakket aange-kondigd dat er via de collectieve aanpak van kwetsbare dorpen en wijkenextra geld beschikbaar is gekomen voor gemeenten met een relatief hoogaandeel koopwoningen met lage labels en lage inkomens. Ook is in hetkader van Nij Begun dit voorjaar een extra impuls voor een isolatieaanpakaangekondigd voor woningeigenaren in Groningen en Noord Drenthe.25In welk jaar verwacht u de eerste Small Modular Reactor (SMR) inNederland operationeel kan zijn? Op basis van welke onderzoeken doet udeze verwachting?AntwoordMomenteel lijkt realisatie van een SMR tegen 2040 mogelijk.Dit wordt gebaseerd op de volgende overwegingen;1.Een marktanalyse, uitgevoerd door NRG (begin 2023), schat deminimale doorlooptijd voor vergunningverlening en bouw van eenSMR in op circa zeven jaar, mits deze is gebaseerd op conventioneletechnieken en het een ontwerp betreft dat al eens is gebouwd.2.Publicaties van de IAEA en OECD-NEA7, die op dit moment laten ziendat de inzet van first-of-a-kind SMR’s gebaseerd op conventioneletechnologieën realistisch kan zijn eind jaren ’20 of in de eerste helftvan de jaren ’30, worden hierbij nauw gevolgd.In de praktijk blijkt dat bij kansrijke en vergevorderde first-of-a-kindprojecten de tijdlijn vaak uitloopt of de projecten uiteindelijk zelfs wordenafgeblazen (bijv. Carbon Free Power Project, in Idaho). Leren van lessenuit het buitenland voorkomt first-of-a-kind problematiek als deze inNederland. Op basis van deze verwachtingen lijkt de realisatie van SMR’stegen 2040 in Nederland mogelijk. Indien de lessen uit first-of-a-kindproblematiek niet worden afgewacht en de realisatie van een SMR eerderwordt gestart in Nederland zullen naar verwachting de risico’s (veel)groter zijn en zal een grotere rol en financiële bijdrage vanuit de overheidnodig zijn. De verwachting over wanneer een SMR in Nederland gebouwdkan zijn, kan uiteraard worden bijgesteld bij nieuwe inzichten. Interna-tionale (markt)ontwikkelingen worden met grote interesse gevolgd.26Wat is de definitie van groene groei?27Wat is de definitie van grijze krimp?Antwoord 26 en 27Groene groei is het samenbrengen van verduurzaming én concurrentie-kracht. We hebben in Nederland al gezien dat dit kan. De Nederlandseeconomie is blijven groeien terwijl er belangrijke stappen zijn gezet in deverduurzaming van de economie en de CO2-uitstoot daalde. In meerdetail: de Nederlandse economie is sinds 1990, per hoofd van debevolking, gecorrigeerd voor inflatie, met 66% gegroeid. In absolutetermen, dus niet per capita, is de economie sinds 1990 ongeveerverdubbeld in omvang. In dezelfde periode is de uitstoot van broeikas-gassen met ongeveer 35% gedaald en zijn er belangrijke stappen gezet inde verduurzaming van de economie. Door de bestaande economie enindustrie om te bouwen naar een groene economie, maar ook door7The NEA Small Modular Reactor Dashboard: Second EditionTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 613 nieuwe en groene industrie op te bouwen, zorgen we voor de afbouw vanfossiel. Aanpassen aan klimaatverandering én duurzame economischegroei kunnen dus samen gaan. Groene groei maakt het mogelijk om onzewelvaart – en alles wat daarbij hoort aan publieke voorzieningen – ookvoor de langere termijn in stand te houden. Ik kijk met een optimistischeblik naar wat klimaatbeleid ons land kan brengen. Door nieuwe technolo-gieën en nieuwe toepassingen tegen klimaatverandering te stimuleren,bouwen we een schoon en welvarender land voor deze en volgendegeneraties.28Wat is de inhoudelijke argumentatie om de Routekaart Energieopslag nietom te zetten in een Programma?AntwoordEen Nationaal Programma Energieopslag is niet nodig om de acties uit deRoutekaart Energieopslag te bereiken. In de Routekaart Energieopslagstaan voor alle acties actiehouders en deadlines genoteerd.29Op welke wijze worden systeemkosten meegewogen in de vormgevingvan energiebeleid, -subsidies en -investeringen?30Bent u voornemens om systeemkosten een expliciete plaats te geven inde afwegingen bij de vormgeving van energiebeleid, -subsidies eninvesteringen?Antwoord 29 en 30Systeemkosten vormen een van de belangrijke weegfactoren bij de keuzesdie het kabinet maakt in het energie en klimaatbeleid. In het NPE heeft hetkabinet de ontwikkeling naar het toekomstige energiesysteem uiteengezeten daarbij aangegeven dat het energiesysteem nu en in de toekomstduurzaam, betaalbaar en betrouwbaar dient te zijn. Bij betaalbaarheidgaat het om draaglijke prijzen voor gebruikers en zo laag mogelijkemaatschappelijke kosten voor de samenleving als geheel (lage systeem-kosten). Het kabinet houdt oog voor systeemkosten door zich bij overkoe-pelende beleidsplannen mede te baseren op studies die ingaan op denationale kosten van verschillende alternatieven en daarbij systeemonder-delen in de breedte meenemen, zoals de Trajectverkenning Klimaatneu-traal Nederland van PBL en de scenario’s voor een klimaatneutraalenergiesysteem van TNO. Ik ben in gesprek met kennispartners hoe wezorg kunnen dragen voor een bredere kennisbasis rond investeringen,kosten en verdeling gedurende de transitie ten behoeve van beleidskeuzesin de transitie.31Wat wordt er concreet gedaan om de kennis van kernenergie in Nederlandverder uit te bouwen?AntwoordOm in Nederland nucleaire kennis en vaardigheden verder uit te bouwenwordt er gewerkt aan de uitvoering van het Meerjarig MissiegedrevenInnovatie Programma (MMIP) Kernenergie. In dit MMIP, dat eind 2023 isgepresenteerd aan de Tweede Kamer, wordt de nucleaire kennisbasisverder uitgebouwd door middel van onderzoeksprogramma’s aan de handvan acht thema’s en wordt innovatie door middel van het TechnologieOntwikkelingsprogramma gestimuleerd. Een integrale Human CapitalAgenda (HCA) is ook een onderdeel van het MMIP en richt zich op deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 614 versterking van het onderwijs op alle niveaus om voldoende gekwalifi-ceerd personeel op te leiden en aan te trekken.Een onderdeel van de HCA is de financiering van drie leerstoelen en zespromovendi aan de TU Delft om het wetenschappelijk onderwijs enonderzoek verder te versterken. Dit najaar zal het kabinet de benodigdemiddelen richting de TU Delft beschikken. Op hbo-niveau wordt met deHogeschool Zeeland en de Nuclear Academy samengewerkt aan eenminor die begin 2025 zal starten. Op mbo-niveau heeft Scalda(mbo-instelling in Zeeland) samen met de Nuclear Academy eenkeuzedeel nucleaire technologie opgezet dat afgelopen september isgestart.Tegelijkertijd worden op dit moment in dit kader twee inventarisatie-studies uitgevoerd om inzichtelijk te krijgen waar we de komende jarenprecies op moeten inzetten. De eerste inventarisatiestudie is gericht ophet in kaart brengen van vraag en aanbod naar human capital met het oogop de bouw van de nieuwe kerncentrales in Nederland. Met de uitkomstenvan deze inventarisatiestudie vullen we met de sector en onderwijs- enkennisinstellingen de Human Capital Agenda van het MMIP nader in metconcrete acties om zo het onderwijs op alle niveaus verder te versterken.De tweede inventarisatiestudie is gericht op het in kaart brengen van debelangrijke kennis- en innovatievragen rondom het thema kernenergie.Deze inventarisatiestudie onderzoekt door middel van gesprekken met desector de kennis- en innovatievragen van bedrijven, kennis- en onderwijs-instellingen en de overheid. Met de uitkomsten van deze inventarisatie-studie worden verschillende onderzoeksprogramma’s en het technologieontwikkelingsprogramma uit het MMIP ingevuld (eerste ronde voorstellenin 2025). Eind van het jaar zal het kabinet ook een brief sturen aan deKamer, waarin de uitkomsten van de studies worden meegenomen.32Hoe wordt er samengewerkt met Nederlandse bedrijven om hen tebetrekken en mee te laten profiteren van de bouw van de nieuwekerncentrales? Hoe wordt dit meegenomen in de aanbesteding en wordtdit ook als randvoorwaardelijk gesteld in de aanbesteding?AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk dat de Nederlandse industrie kanprofiteren van de komst van nieuwe kerncentrales. Daartoe onderzoekt hetkabinet de komende tijd de mogelijkheden en kansen voor de Neder-landse (maak)industrie tijdens verschillende fases van het nieuwbouw-project en hoe dat in het selectieproces kan worden meegenomen. Dit zalresulteren in een zogeheten lokalisatiestrategie. Deze lokalisatiestrategiezal meegenomen worden in het aanbestedingstraject voor de nieuwekerncentrales.Het bouwen van nieuwe kerncentrales is niet mogelijk zonder kennis,expertise en technologie vanuit het buitenland. Het kabinet zoekt daaromnaar een balans tussen wat we met de Nederlandse (maak)industriekunnen realiseren en welke kennis en kunde onvermijdelijk uit hetbuitenland zal komen.33Kan er een duidelijke onderbouwing worden gegeven van de effecten vande 9,5 miljard euro extra investering in kernenergie op de energieprijzenvoor burgers en bedrijven?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 615 De energieprijzen voor burgers en bedrijven in de toekomst kennen vannature een mate van onzekerheid, zeker op de termijn waarin verwachtwordt dat de beoogde kerncentrales operationeel zijn. Een duidelijk effectop de energieprijs als gevolg van de extra investering in kernenergie, ofwelke andere technologie dan ook, is dan ook niet te geven. Naast degekozen productietechnieken zijn de prijzen sterk afhankelijk van de groeivan de vraag naar energie, die op haar beurt gepaard gaat met aanzien-lijke onzekerheid.Er moet ook breder worden gekeken naar de rol van kernenergie in hetenergiesysteem, in plaats van alleen naar de impact op de elektriciteits-prijzen. Kerncentrales kunnen een constante en betrouwbare elektriciteits-voorziening leveren. Dit is essentieel voor de stabiliteit van het elektrici-teitssysteem, met name in aanvulling op variabele bronnen zoals wind- enzonne-energie. Daarnaast biedt kernenergie ook diversificatie in hetproductieaanbod en kent het een andere toeleveringsketen, waardoorNederland minder afhankelijk wordt van individuele technologieën.Daarmee draagt het bij aan het verbeteren van de leveringszekerheid ende strategische autonomie voor Nederland.34Hoe zijn de extra middelen voor kernenergie (9,5 miljard euro) opge-bouwd? Wat is aan financiering nodig voor het langer openhouden vanBorssele, voor het bouwen van 2 kerncentrales, voor de bouw van tweeextra kerncentrales?AntwoordMet de ophoging van het perceel Kernenergie met € 9,5 miljard is er intotaal € 14,5 miljard beschikbaar voor het perceel Kernenergie in hetKlimaatfonds. Circa € 400 miljoen hiervan is toegekend voor onderzoek enbegeleiding, de opstart van de projectorganisatie, technische haalbaar-heidsstudies, het verstevigen van de nucleaire kennisinfrastructuur, deSMR programma-aanpak en uitvoeringslasten.Voor de bedrijfsduurverlenging van de bestaande kerncentrale in Borsseleis vooralsnog € 12,8 miljoen uit het Klimaatfonds toegekend. Het grootstedeel hiervan is bedoeld voor de verouderingsonderzoeken.De resterende middelen op het perceel Kernenergie zullen grotendeelsnodig zijn voor een investering in de nieuwbouw van kerncentrales.In de technische haalbaarheidsstudies zijn EDF, KHNP en Westinghousegevraagd te onderzoeken of hun ontwerpen voldoen aan de Nederlandsewet- en regelgeving, of ze op een terrein binnen de locatie Borsselepassen, wat de benodigde bouwtijden zijn en wat de mogelijke kostenzijn.Op dit moment kan het kabinet daarom geen inschatting geven van dekosten van de bouw van twee kerncentrales. Wat de uiteindelijke kostenzullen zijn, zal ook afhangen van de uitkomsten van de aanbesteding ende onderhandelingen met de techniekleveranciers.Daarnaast verwacht het kabinet dat de resultaten van de technischehaalbaarheidsstudies ook een indicatie zullen geven van de mogelijkheidvan schaaleffecten bij de bouw van een derde en vierde kerncentrale. Hetbouwen van meer reactoren achter elkaar biedt mogelijk lagere ontwikkel-en bouwkosten per centrale. Op welke manier en voor welk deel deoverheid deelneemt is nog onderwerp van nader onderzoek en besluit-vorming. Dit kan mogelijk ook verschillen voor centrale 1 en 2 en centrale3 en 4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 616 Het Klimaatfonds werkt met een reguliere cyclus. Ieder jaar zal bezienworden welke voorstellen voor financiële dekking worden ingediend bij defondsbeheerder (Minister van KGG, die samen met de Minister vanFinanciën beslist over uitgaven uit het fonds).35Wat zijn de overwegingen om 2,7 miljard euro van het oorspronkelijkebudget door te schuiven naar 2031 t/m 2035?AntwoordDe schuif van budget naar latere jaren is gedaan om de oorspronkelijkemiddelen na de ophoging met € 9,5 miljard in een realistischer kasritmeop de begroting te zetten. Tot dan toe liepen alle middelen t/m 2030, dit isgeen realistische weergave van de verwachte uitgaven voor kernenergie,omdat de bouwfase doorloopt tot na 2030. Zowel de oorspronkelijke, alsde huidige uitgavereeks voor kernenergie zijn indicatief en staan op deKlimaatfondsbegroting.36Hoe ziet u de bijdrage van kernenergie aan de energiemix in 2030, 2040 en2050? Hoeveel petajoule verwacht u in deze jaren te leveren met de inzetvan kernenergie en hoeveel CO2-reductie in Mton levert dit op?AntwoordDe huidige kerncentrale in Borssele blijft actief tot ten minste 2033, enmogelijk nog langer als bedrijfsduurverlenging wordt gerealiseerd. Decentrale in Borssele zal naar verwachting jaarlijks zo’n 18 PJ aan elektri-citeit leveren. Volgens de aannames in het NPE zullen er tegen 2040twee nieuwe grootschalige kerncentrales operationeel zijn, samen met debestaande centrale in Borssele, wat zal leiden tot een opwekking jaarlijksvan 101 PJ aan kernenergie.Voor 2050 is de aanname in het NPE dat de nucleaire capaciteit uitgebreidis tot circa 7 GW, door de bouw van vier nieuwe kerncentrales, mogelijkaangevuld met Small Modular Reactors (SMR’s). Dit zou leiden tot eenopwekking van 202 PJ aan kernenergie.Vanaf 2035 zal naar verwachting de uitstoot van de elektriciteitssectornaar nul zijn afgenomen. In dat systeem kan kernenergie een betrouwbarebasislast leveren, in aanvulling op wind en zon. Er is dan geen sprake vanCO2-reductie als gevolg van investeringen in kernenergie. De rol vankernenergie is dan om een bijdrage te leveren aan een goed werkendenergiesysteem in de toekomst.37Wat is het effect van de bezuinigingen op de DEI+ regeling, de MOOIregeling, de IPCEI waterstof en de Green Deals op de mogelijkheid voorde industrie om te innoveren?AntwoordDe generieke taakstelling voor subsidies heeft gevolgen voor hetbeschikbare budget voor de innovatieregelingen DEI+ en MOOI (pagina20/21 begroting KGG). Deze regelingen worden ingezet om innovaties aante jagen die bijdragen aan verduurzaming van het energiesysteem,industrie en gebouwde omgeving. Als gevolg van de taakstelling wordtbijna 25% van het (oorspronkelijk) begrote budget bezuinigd over deperiode 2025–2029. Dit heeft als effect dat er minder innovatieprojectenondersteund kunnen worden, wat gevolgen kan hebben voor mogelijk-heden voor de industrie om te innoveren en te verduurzamen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 617 Het beperken van de subsidie voor innovatie heeft daarnaast effect op hetvestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven. Het effect hiervan is echterniet te kwantificeren. De DEI+ wordt volgend jaar tevens ingezet alsinstrument onder andere voor stimulering van het produceren vanbiobrandstoffen en circulaire en biobased grondstoffen, met middelen uithet Klimaatfonds. Daardoor komt er in de DEI+, ondanks deze taakstelling,op bepaalde onderwerpen meer budgettaire ruimte in de komende jaren.De bezuinigingen op de IPCEI waterstof en Green Deals hebben eenkleinere omvang en daarom minder effect op de mogelijkheid voor deindustrie om te verduurzamen.Bij Voorjaarsnota 2025 vindt mogelijk een heroverweging plaats van deinvulling van de taakstelling ná 2025 op basis van dan actuele inzichten enprioriteiten.38Kunt u aangeven welke uitgaven worden gedaan, zijn gereserveerd ofvoorzien zijn qua bijdragen van Nederland aan de verschillende ImportantProjects of Common European Interest (IPCEI’s)?AntwoordDe Nederlandse overheid neemt momenteel deel aan vier IPCEI-initiatieven. Nederland heeft in totaal 1.921,4 miljoen euro budgetgereserveerd voor Nederlandse deelname in diverse Europese IPCEIprojectinitiatieven.Het budget voor Nederlandse deelname in diverse Europese IPCEIprojectinitiatieven is:•219,5 miljoen euro voor IPCEI Micro-elektronica en CommunicatieTechnologie (4 Nederlandse projecten);•71,2 miljoen euro voor IPCEI Cloudinfrastructuur en diensten (3 Neder-landse projecten);•31,2 miljoen euro voor IPCEI Med4Cure (3 Nederlandse projecten);•28,7 miljoen euro voor IPCEI Waterstof wave 1 (1 Nederlands projectop waterstoftechnologie);•784 miljoen euro voor IPCEI wave 2 (8 Nederlandse projecten opwaterstofproductie door electrolyse);•400 miljoen euro voor IPCEI wave 3 (1 Nederlands project op import enopslag);•200 miljoen euro voor IPCEI wave 4 (1 Nederlands project op water-stoftoepassingen in mobiliteit en transport).39Hoeveel geld gaat er accumulatief volgend jaar naar de verduurzamingvan de industrie (maatwerkafspraken, SDE++, VEKI, PIDI)? Kunt u eenuitputtend overzicht geven van welke subsidies en andere middelen ernaar de verduurzaming van de industrie gaan?AntwoordOnderstaand een overzicht van de beschikbare middelen voor verduur-zaming van de industrie en voor verduurzaming van het mkb op deKGG-begroting. De bovenste tabel bevat middelen die specifiek voorverduurzaming van de industrie bestemd zijn. De middelen daarin dieafkomstig zijn uit het klimaatfonds zijn geduid met (KF) achter de naamvan de regeling. De onderste tabel bevat generieke regelingen waar deindustrie ook aanspraak op kan maken. Daarbij kan er vooraf geenonderscheid gemaakt worden welk deel naar de verduurzaming van deindustrie gaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 618 Voor de middelen die voor verduurzaming van de industrie in hetKlimaatfonds gereserveerd zijn iseen uitgebreid overzicht te vinden in hetMJP 2025 in het perceel Verduurzaming Industrie & innovatie mkb (p. 66)en enkele maatregelen bij het perceel VFO (p.42) en Energie-Infrastructuur(p. 30). Voorbeelden zijn de middelen voor elektrolyse vraagsubsidies enflex.Verduurzaming industrie (bedragen x€ 1.000)202420252026202720282029Verduurzaming MKB9.000Maatwerkaanpak – programmageld (KF)26.93713.03520.4505.0005.0005.000Maatwerkaanpak – Nobian (KF)24.00065.00020.00063.0008.000Subsidies verduurzaming Industrie(klimaatenveloppe)15.65635.14861.12659.93968.39073.750VEKI60.768143.207113.187100.01682.94173.715TSE haalbaarheidsstudies Industrie20.98719.30010.1004.20000Clusteraanpak Verduurzaming Industrie1005.1480IKC ETS186.000NIKI (KF)084.73366.62936.31424.209Cluster 6 (KF)8201.3301.3301.3211.3211.623 Generieke regelingen202420252026202720282029SDE++1.74049.576207.974462.592720.512859.512SDE+157.821277.785343.017428.115600.627991.752SDE269.50046.773340.000366.000373.000384.000DEI+64.486113.805102.17287.34683.55886.893MOOI59.41473.40861.19356.89838.39238.158 40Kunt u een uitsplitsing maken van hoeveel middelen er reeds zijntoegekend aan bedrijven met maatwerkafspraken, hoeveel middelen ergereserveerd zijn voor maatwerkafspraken die nu worden uitonder-handeld en hoeveel middelen er nog beschikbaar zijn voor maatwerkaf-spraken?AntwoordBij de uitwerking van de maatwerkafspraken wordt altijd eerst onderzochtin hoeverre de bestaande instrumenten zoals de SDE++, de NIKI en deVEKI ingezet kunnen worden. Pas als die instrumenten niet toereikendzijn, kan een maatwerksubsidie overwogen worden. Het project portfoliowaarover maatwerkafspraken worden voorbereid kan dus gefaciliteerdworden door een mix van instrumenten. Wat betreft de specifiekemiddelen voor maatwerk is er tot nu toe alleen een maatwerksubsidie van€ 30 mln. toegekend aan Yara vooruitlopend op een nog te tekenen Jointletter of Intent. Voor Nobian is op basis van de getekende Joint letter ofIntent een reservering gemaakt van € 200 miljoen voor een maatwerksub-sidie.Voor bedrijven waarmee een Expression of Principles is getekend, is noggeen specifieke reservering gemaakt op de KGG-begroting. Op deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 619 klimaatfondsbegroting zijn twee generieke reserveringen gemaakt voormaatwerk. Er bestond in het Klimaatfonds een algemene reservering van€ 750 mln. Deze is na de toekenning voor Nobian met € 200 mln. verlaagden daarna weer opgehoogd met de middelen uit het Noodfonds voorbedrijven (€ 24,7 mln.) die op het Klimaatfonds zijn gestort. Daarmeekomt de reservering nu uit op € 574,7 mln. De andere algemene reser-vering voor maatwerk in het Klimaatfonds is € 229,6 mln. Dezetwee reserveringen zijn middelen die voor hetzelfde zijn bedoeld, maarhet vrijkomen van deze middelen kent verschillende voorwaarden vanuithet Klimaatfonds en daarom zijn ze separaat opgenomen. Dit wordttoegelicht in het Meerjarenprogramma 2025, p. 68, 69.841Zijn de subsidies voor de verduurzaming van de industrie, waaronder deVersnelde klimaatinvesteringen industrie (VEKI) en de ProgrammaInfrastructuur Duurzame Industrie (PIDI) voor dit jaar volledig uitgeput? Zoniet, hoe kan dit en hoeveel middelen schuiven er door naar volgend jaar?AntwoordEr zijn in 2024 drie subsidieregelingen beschikbaar specifiek voor deverduurzaming van de industrie en deels voor het mkb: VEKI, IKC ETS enTSE Haalbaarheidsstudies. Of alle subsidies voor de verduurzaming vande Industrie dit jaar volledig zijn uitgeput is nu nog niet met zekerheid tezeggen, aangezien het jaar nog niet voorbij is. Voor het ProgrammaInfrastructuur Duurzame Industrie – waar u specifiek naar vraagt – bestaatgeen subsidieregeling. Daarnaast is er een aantal subsidies dat breder isdan enkel verduurzaming van de industrie. Dit betreffen de DEI+, SDE++en MOOI. Eventuele onderuitputting bij deze regelingen is niet specifiektoe te rekenen aan een bepaalde sector.In de prognoses richting eind van het jaar wordt voor sommige subsidie-regelingen wel onderuitputting voorzien. Zo is er in de prognoses nu eenonderuitputting voorzien van ca. € 10 mln kas op de VEKI regeling,ca. € 3 mln kas op de TSE haalbaarheidsstudies en ca. € 30 mln op de IKCETS regeling. Voor de VEKI en de TSE haalbaarheidsstudies geldt dat dienog openstaan tot in het nieuwe jaar, en de definitieve cijfers pas in 2025bekend zijn. Naar verwachting wordt het verplichtingenbudget van beideregelingen in 2024 volledig benut, en zijn kasmiddelen naar verwachtingnodig in 2025 voor uitfinanciering van dan reeds aangegane verplich-tingen. Voor de IKC ETS is het verwachte verschil in de uitgaven groten-deels te verklaren uit minder aanvragers dan verwacht en een lagereproductie (en dus lager elektriciteitsverbruik) door alle aanvragerstezamen.Dat onderuitputting doorschuift naar volgend jaar is geen automatisme. Inprincipe geldt een harde jaargrens en kan geld alleen terugkomen in eenvolgend jaar via de zogenaamde Eindejaarsmarge. Daar wordt pas in hetvoorjaar weer over besloten.De specifieke en oneindige Eindejaarsmarge voor Klimaatfondsmiddelen(op de departementale begroting) is recent komen te vervallen alsonderdeel van de begrotingsregels van dit kabinet, met als doel dat errealistischer zal worden geraamd. Departementen brengen in beeld inwelke gevallen het niet doorschuiven van onbenutte middelen in 2024, totknelpunten leidt in 2025. Dit wordt onderdeel van de Voorjaarsbesluit-vorming.428Meerjarenprogramma 2025 Klimaatfonds | Rapport | Rijksoverheid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 620 In lijn met het TNO-rapport Expertsessie reflectie sociaal-economischegevolgen van Klimaatfondsvoorstellen, hoe bewaakt u dat het tempo vanelektrificatie van de industrie niet sneller gaat dan de groei vanhernieuwbare elektriciteitsproductie? Andersom, hoe bewaakt u dat degroei van duurzame elektriciteitsproductie niet sneller gaat dan de vraagnaar groene elektriciteit?AntwoordHet is inderdaad van belang dat de groei van hernieuwbare elektriciteits-productie en elektrificatie tot op zekere hoogte in samenhang oplopen.Dat geldt niet alleen voor de industrie maar voor het totaal aan elektrici-teitsvraag. Direct elektriciteitsgebruik biedt veel voordelen, onder andereomdat het efficiënt is en Nederland in staat stelt om de energieonafhanke-lijkheid te vergroten. In het Nationaal Plan Energiesysteem is daarom toten met 2050 in beeld gebracht wat de verwachte en gewenste ontwik-keling is van de CO2-vrije elektriciteitsproductie en de vraag naarelektriciteit per sector. Met de jaarlijkse Energienota, die dit jaar voor heteerst is verschenen, wordt op basis van verantwoordingsinformatie uit deMonitor Energiesysteem de ontwikkeling van de energieketens en devraagsectoren bekeken en worden waar nodig maatregelen genomen omknelpunten te verminderen.43In lijn met het TNO-rapport Expertsessie reflectie sociaal-economischegevolgen van Klimaatfondsvoorstellen waarin wordt voorgesteld dat ereen betere onderbouwing komt van de reden waarom aan enkele groteindustriële bedrijven miljardensteun wordt verleend voor groenewaterstofproductie en vergassingstechnologie, kunt u die betereonderbouwing geven?AntwoordHet opschalen van elektrolyse is voor Nederland cruciaal om klimaatneu-traal te worden zonder volledig op import te vertrouwen. Om debenodigde opschaling op tijd te realiseren zijn subsidies noodzakelijk,gezien de bestaande meerkosten. Deze subsidies stelt het Rijk zoveelmogelijk generiek beschikbaar, zodat alle bedrijven een gelijke kanshebben. De uitkomsten van de eerste gerichte elektrolysetender (OWE)wijzen ook uit dat zowel grote als kleine bedrijven in staat zijn om eensubsidie te krijgen.De reflectie van TNO lijkt gestoeld op de verwachting dat alleen grotebedrijven in staat zijn om grootschalige elektrolyseprojecten te realiseren.Het overheidsbeleid is gericht op kosteneffectieve opschaling, watbetekent dat grote bedrijven alleen meer subsidies krijgen als zij signi-ficant goedkoper projecten kunnen realiseren. Mocht dat het geval zijndan dient dat een algemeen belang, namelijk de betaalbaarheid van deenergietransitie. Zo heeft de hele maatschappij baat bij de opschaling vanelektrolysecapaciteit.44Bent u voornemens om gericht beleid te ontwikkelen om ervoor te zorgendat bestaande gas -en kolencentrales omgebouwd kunnen worden naarCO2-neutrale centrales die de leveringszekerheid van elektriciteit kunnenwaarborgen? Zo ja, op welke termijn? Zo nee, waarom niet?AntwoordMet het Europese emissiehandelssysteem (ETS 1), waarbij er elk jaarminder emissierechten worden uitgegeven tot 0 in 2040, is er eenbelangrijk instrument dat borgt dat een deel van de bestaande gas- enkolencentrales uiteindelijk omgebouwd wordt naar CO2-neutraleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 621 centrales. Verder is op grond van de Wet verbod op kolen bij elektriciteits-productie per 1 januari 2030 elektriciteitsproductie uit kolen in Nederlandniet meer toegestaan. Met de brief van 29 januari 2024 (Tweede Kamer2023–2024, 31 239, nr. 386) heeft de Minister voor Klimaat en Energieaangegeven dat om CO2-reductie te garanderen, bevorderd moet wordendat elektriciteitsproductie met aardgas wordt vervangen door CO2-vrijeenergiedragers zoals waterstof. Om deze reden is de inzet van eenexploitatiesubsidie een logische keuze. Door de verwachte afname van hetprijsverschil tussen CO2-vrije energiedragers en aardgas, geldt dat hetlater inzetten van de subsidie leidt tot een hogere CO2-besparing pergesubsidieerd bedrag. Hierom is het doelmatig de exploitatiesubsidie dekomende jaren nog niet open te stellen, maar daarmee te wachten tot eenmoment waarop het genoemde prijsverschil kleiner is geworden en meerzekerheid bestaat over de vraag naar en de beschikbaarheid vanwaterstof. Het streven is om de regeling wel vóór 2030 open te kunnenstellen. In het Klimaatfonds zijn hiervoor middelen gereserveerd.45Kunt u aangeven welke middelen worden uitgetrokken voor het creërenvan een gelijk speelveld voor circulaire ondernemers en hoe zich ditverhoudt tot middelen die toekomen aan bestaande, lineaire bedrijfsmo-dellen?AntwoordEr worden geen middelen uitgetrokken specifiek voor het creëren van eengelijk speelveld voor circulaire ondernemers. Wel is er sprake van diversemiddelen die worden uitgetrokken voor het bevorderen van de circulaireeconomie. Die moeten er, in combinatie met normeringen en beprij-zingen, zowel nationaal als Europees, aan bijdragen dat er steeds meercirculair wordt omgegaan met grondstoffen. Uiteraard is een belangrijkereden om hiervoor ook middelen uit te trekken dat circulaire oplossingenin eerste instantie vaak nog duurder zijn dan de lineaire omgang metgrondstoffen. Zie ook het antwoord op vraag 52.Het is niet mogelijk om een eenduidig onderscheid te maken tussenmiddelen die toekomen aan circulaire versus aan lineaire bedrijfsmo-dellen. De diverse bestedingsvormen van de middelen, zoals subsidiere-gelingen, maken dit onderscheid ook niet. Welzijn er vele regelingen diezich richten op andere doeleinden dan de omgang met grondstoffen enwaar dus ondernemingen met beide (ideaaltypische) vormen vanbedrijfsmodellen gebruik van kunnen maken. Daarbij zet het kabinet zichin om ook in zulke regelingen circulariteit zo mogelijk te gebruiken alsuitgangspunt, zoals onder meer vermeld in een brief van de Staatssecre-taris van IenW (Kamerstuk 32 813, nr. 1397).46Hoeveel fulltime equivalent (fte) is er beschikbaar op het ministerie voorenergiebesparing in algemene zin?AntwoordBinnen het Ministerie van Klimaat en Groene Groei werkt 8,6 fte aanenergiebesparing, waarvan 0,5 fte werkt aan toezicht en handhaving op deenergiebesparingsplicht. Naast deze 8,6 fte wordt een grotere capaciteitingezet op het klimaat, energie en industriedossier, waaronder bijvoor-beeld voor de uitvoering van klimaatmaatregelen en verduurzaming vande industrie, vaak ook een energiebesparend effect hebben.Toezicht en handhaving op de energiebesparingsplicht wordt uitgevoerddoor de omgevingsdiensten, Staatstoezicht op de Mijnen en de InspectieLeefomgeving en Transport. Zij voeren de controles uit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 622 47Hoe helpt het weer instellen van de Indirecte kostencompensatie (IKC) deindustrie om te verduurzamen? Welke prikkel hebben de bedrijven dievoordeel hebben bij de IKC om het geld dat zij door de IKC niet hoeven tebesteden aan energie, dat geld in te zetten voor verduurzaming? Hoe kande IKC voorwaardelijk gemaakt worden aan energiebesparing enverduurzaming?AntwoordEen van de voorwaarden van de IKC-regeling in Nederland is om tenminste 50% van de ontvangen middelen te investeren in maatregelen dieCO2-uitstoot verminderen. Deze investering dient, voor ieder jaar dat eenbedrijf IKC-middelen ontvangt, voor minimaal 3% CO2-reductie te zorgen.De IKC is daarnaast door de Europese Commissie bedacht als maatregelom weglekeffecten van het ETS te mitigeren. De IKC vergroot dus deeffectiviteit van het ETS.Elektrificatie is een belangrijke pijler van het beleid voor verduurzamingvan de industrie. De huidige stroomprijzen lijken elektrificatie echter tegente werken. De IKC-regeling leidt tot lagere stroomkosten en verbetert zode business case voor CO2-reductie in Nederland via elektrificatie.48Hoeveel procent van de reductieopgave van de industrie zal in 2028, in2030, in 2035, in 2040 en in 2045 naar schatting worden bereikt doorCarbon Capture en Storage (CCS)?AntwoordDe verwachte bijdrage van CCS aan de reductieopgave van de industrie inde periode 2028–2030 zal naar verwachting 9 Mton zijn. Deze CO2-reductieis gebaseerd op CCS-projecten die momenteel in ontwikkeling zijn. De rolvan CCS na 2030 laat zich lastiger voorspellen. In een scenariostudie vanhet PBL levert CCS een bijdrage van ruwweg 20–25 Mton in 2035,27–33 Mton in 2040 en 27–37 Mton in 2045.49Wanneer kan de Kamer de uitkomsten van de verkenning van eengecoördineerde aanpak voor de geharmoniseerde toepassing van deregels voor nettarieven in de EU door de Europese energietoezicht-houders en ACER verwachten?AntwoordNederland zet zich binnen de EU en in gesprekken met buurlanden in vooreen gelijk speelveld en verdere harmonisatie van de methodologie vannetwerktarieven voor elektrolyse, batterijopslag en de industrie. De inzetvan Nederland is met name erop gericht om de Europese Commissie enhet EU agentschap voor samenwerking tussen toezichthouders (ACER)om guidance te vragen en zo de verschillen in methodiek voor nettarieventussen lidstaten te verkleinen. Recent heeft ook Mario Draghi in zijnrapport over de toekomst van het Europees concurrentievermogen van9 september jl. opgeroepen om met richtsnoeren te komen ter harmoni-satie van de methodologie van netwerktarieven omdat verschillen innationale tariefstructuren de concurrentiepositie van industrieën ennieuwe technologieën, zoals batterijen en elektrolysers, nadeligbeïnvloeden. Het initiatief om dit verder te verkennen ligt bij de EuropeseCommissie en ACER. Het kabinet blijft zich inzetten om dit onderwerp inEuropees verband onder de aandacht te brengen.50Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 623 Welke manieren ziet u om de harmonisatie van de nettarieven te gaanfinancieren? Hoe pakt elk van deze manieren uit met betrekking totklimaatrechtvaardigheid?AntwoordHarmonisatie van de nettariefmethodiek tussen verschillende lidstatenvraagt niet om financiering. Harmonisering ontstaat door de verdeel-sleutels voor de nettarieven in verschillende landen meer in lijn met elkaarte brengen. Dit vraagt dus om aanpassing van regelgeving, niet inzet vanfinanciële of budgettaire middelen. Voor de volledigheid wordt opgemerktdat de kosten van elektriciteitsnetten, conform Europese regels, wordenverdeeld aan de hand van verdeelsleutels die zijn neergelegd in Europesewet- en regelgeving of door ACM zijn vastgelegd in technische codes.Daarbij is ACM gehouden aan ontwerpprincipes die op Europees niveauzijn bepaald, zoals het non-discriminatiebeginsel en het kostenveroorza-kingsbeginsel. Dat laatste betekent dat kosten in beginsel toegerekendworden aan gebruikers van de energienetten op basis van de geschattekosten die hun gebruik van de energienetten veroorzaakt. Een belangrijkeoverweging bij de verdeelsleutel is ook dat lagere nettarieven ofvrijstelling van nettarieven voor specifieke gebruikers betekent dat denettarieven van andere gebruikers toenemen.De nettarieven meer in lijn brengen met die van buurlanden kan ook dooringrepen in de bekostiging van de netkosten door inzet van algemenemiddelen of subsidie voor (groepen) afnemers. Dit vergt wel financieringdoor de Rijksoverheid. Het lopende IBO onderzoekt in den bredemogelijke maatregelen die inzicht in en grip op de omvang van deinvesteringen geven in de elektriciteitsinfrastructuur tussen nu en 2040, ende bekostiging en financiering ervan, zowel vanuit nationaal als Europeesperspectief. Dit IBO moet leiden tot concrete beleidsopties, die bijdragenaan een goede concurrentiepositie van Nederland en aan de betaal-baarheid van de energieinfrastructuur. Het wordt eind februari 2025opgeleverd.51Kunt u aangeven hoeveel middelen toegewezen zijn aan onderzoek eninnovatie op het gebied van het verminderen van de vraag naar en hetefficiënter benutten van het gebruik van kritieke materialen (voorhernieuwbare energietoepassingen)?AntwoordVerschillende ministeries dragen bij aan onderzoek en innovatie op hetgebied van circulair gebruik van kritieke grondstoffen (o.a. ten behoevevan hernieuwbare energietoepassingen). Hieronder tracht ik een zo goedmogelijk overzicht te geven van de beschikbare middelen hiervoor.IenW stelt jaarlijks 2,5 mln. euro beschikbaar om te werken aan decirculariteit van kritieke grondstoffen, in lijn met de KIA CE.Circulair gebruik van kritieke grondstoffen is ook een integraal en cruciaalonderdeel van de Integrale Kennis en Innovatie Agenda Klimaat & Energie(IKIA KE) van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei, waarinhergebruik, substitutie en vraagvermindering van kritieke grondstoffen opmeerdere plaatsen terugkomt. Hoeveel er jaarlijks binnen het bredereenergie-innovatie instrumentarium aan middelen wordt ingezet voor decirculariteit van kritieke grondstoffen, is niet exact aan te geven; voor hetbredere instrumentarium is in totaal 360 mln. EUR per jaar beschikbaar endat is inclusief de onderzoeks- en innovatiemiddelen voor NWO en TNO.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 624 Via de uitvoeringsorganisatie Rijksdienst voor Ondernemend Nederland(RVO) worden namens het Ministerie van Klimaat en Groene Groeimeerdere financiële instrumenten zoals de DEI+-regeling beschikbaargesteld voor voorstellen rond circulariteit van (ook kritieke) grondstoffen.Een overzicht van welke middelen binnen het RVO-instrumentariumbeschikbaar zijn voor het efficiënter benutten en verminderen van hetgebruik van (kritieke) grondstoffen is te vinden in het recent gepubliceerderapport «Monitoring transitie naar een circulaire economie op basis vanoverheidsondersteuning over het jaar 2022»9Verder is vanuit verschillende ministeries via de vraaggestuurde program-mering circa 13 mln. euro beschikbaar gesteld aan onderzoeksinstituutTNO, voor onderzoek naar de circulaire economie, waaronder decirculariteit van kritieke grondstoffen.Via de PPS-Innovatieregeling (PPS-I) is 180 mln. euro beschikbaar gesteldvoor het missiegedreven innovatiebeleid. Alle topsectoren kunnen dezePPS-I-middelen inzetten, op basis van inhoudelijke plannen, via de Kennis-en Innovatieagenda’s (KIAs). Het Topconsortium voor Kennis en Infra-structuur (TKI) Groene Chemie en Circulariteit beschikt binnen de PPS-Iover een budget van 8.6 miljoen euro, dat grotendeels wordt ingezet voorde KIA Circulaire Economie (KIA CE). Hierin (de KIA CE) is de circulariteitvan kritieke grondstoffen een prioriteit.52Kunt u aangeven welk aandeel van de subsidiegelden voor Klimaatbeleidgereserveerd is voor het bevorderen van de circulaire economie?AntwoordBinnen het Klimaatfonds vallen de volgende bestedingsdoelen tekwalificeren als specifiek bedoeld voor het bevorderen van de circulaireeconomie:•Demonstratie energie- en klimaatinnovatie – categorie CE (DEI+-CE)€ 55,2 mln.•Bevorderen circulair doen en gedrag € 33,7 mln.•Circulaire plastic hub € 267 mln.•Nationale aanpak Biobased bouwen € 200 mln.•Opschalen duurzame infra-innovatietechnieken € 100 mln.•Maatwerksubsidies Afvalverbrandingsinstallaties € 222 mln.Daarnaast zijn er, binnen het Klimaatfonds en daarbuiten, diversemiddelen die ook bijdragen aan het bevorderen van de circulaireeconomie, soms omdat ze specifieke categorieën bevatten (zoals bepaaldebedrijfsmiddelen in de EIA), soms omdat ze expliciete voorwaarden ofcriteria bevatten (zie ook vraag 45), soms omdat circulaire oplossingengebruik kunnen maken van een meer generieke subsidieregeling (zoalsinnovatieregelingen).53Hoeveel fte is er beschikbaar op het ministerie voor het handhaven vanenergiebesparingsregelgeving?AntwoordZie antwoord op de vraag 46.54Hoeveel kerncentrales kunnen gebouwd worden met 14,5 miljard eurogekeken naar de recente bouw van kerncentrales in buurlanden zoalsEngeland?9Monitoring transitie naar een circulaire economie 2022 (rvo.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 625 AntwoordIn de technische haalbaarheidsstudies zijn EDF, KHNP en Westinghousegevraagd te onderzoeken of hun ontwerpen voldoen aan de Nederlandsewet- en regelgeving, of ze op een terrein binnen de locatie Borsselepassen, wat de benodigde bouwtijden zijn en wat de mogelijke kostenzijn.Daarnaast verwacht het kabinet dat de resultaten van de technischehaalbaarheidsstudies ook een indicatie zullen geven van de mogelijkheidvan schaaleffecten bij de bouw van een derde en vierde kerncentrale. Hetbouwen van meer reactoren achter elkaar biedt mogelijk lagere ontwikkel-en bouwkosten per centrale.Begin 2025 zal de third-party review van de technische haalbaarheids-studies worden afgerond. Daarnaast zal ook de vorm van de deelname enfinanciering vanuit de overheid van belang zijn voor het publieke aandeelin de kosten. In de brief die het kabinet in november aan de Kamer wilsturen zal al wel worden ingaan op de verhouding tussen de beschikbaremiddelen en de geschatte (publieke) kosten op basis van algemeneonderzoeken en andere projecten.55Kunt u de koolstofreductie vergelijken tussen de hoeveelheid kerncen-trales die gebouwd kunnen worden met 14,5 miljard euro en dehoeveelheid huishoudens die verduurzaamd kunnen worden met14,5 miljard euro?AntwoordNee, een dergelijke vergelijking is niet mogelijk.56Hoeveel bedrijven voldoen aan de energiebesparingsverplichting?Hoeveel bedrijven daarvan ontvangen duurzaamheidsubsidies?AntwoordTot 1 oktober 2024 is voor 50.218 locaties een informatieplichtrapportageingediend. Dit is 45% van de verwachte doelgroep. Uit deze rapportagesvolgt dat voor de betreffende locaties samen in totaal circa 1,1 miljoenmaatregelen van toepassing zijn, waarvan circa 71% volledig, 9%gedeeltelijk en 20% (nog) niet is uitgevoerd.Van de locaties waarover gerapporteerd is, heeft, zo blijkt uit deingediende rapportages, circa 37% (17.215) volledig voldaan aan deenergiebesparingsplicht voor activiteiten. Wanneer een locatieéén maatregel niet of gedeeltelijk heeft uitgevoerd, voldoet de locatie alniet aan de plicht. Dit geeft een vertekend beeld van de naleving. Het ligtdaarom voor de hand om te kijken naar het aandeel locaties waar nog eenkwart tot alle van de toepasselijke activiteitgebonden maatregelen moetworden uitgevoerd. Dit percentage ligt op circa 26% (11.936) van delocaties waarover is gerapporteerd. Voor wat betreft de gebouwmaatre-gelen voldoet 14% (6.321) van de locaties waarover gerapporteerd isvolledig aan de plicht en moet circa 28% (12.391) van deze locaties nogeen kwart tot alle van de toepasselijke maatregelen uitvoeren.Tot 1 oktober 2024 zijn 2.288 onderzoeksplichtrapportages ingediend, watneerkomt op circa 55% van de doelgroep bestaande uit 4.150 locaties. Uitde rapportages blijkt dat in de jaren 2021–2023 6.020 maatregelen zijnuitgevoerd en dat dit een jaarlijkse energiebesparing van circa29,1 petajoule (PJ) heeft opgeleverd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 626 Er zijn geen gegevens beschikbaar in hoeverre deze bedrijven eninstellingen gebruikmaken van duurzaamheidssubsidies.57Waar staat Nederland in het behalen van het doel van 50% minderprimaire abiotische grondstoffen?AntwoordDe abiotische grondstofvoetafdruk voor de economie (grondstoffenge-bruik in de gehele keten) was 494 Mton in 2016, 561 Mton in 2018 en501 Mton in 2020 en is dus sinds 2016 licht toegenomen. De afname in hetgrondstoffengebruik tussen 2018 en 2020 komt vooral door de lockdownstijdens de COVID pandemie. De totale grondstoffenefficiëntie is tussen2016 en 2020 met 7% toegenomen, maar er is nog geen sprake van eenontkoppeling waarin bij een groeiende productie het grondstoffengebruikafneemt. Meer recente gegevens komen beschikbaar in de IntegraleCirculaire Economie Rapportage (ICER), die het PBL naar verwachting infebruari 2025 publiceert.58Op welke manier wordt toezicht gehouden op het voorkomen datsubsidiemiddelen worden ingezet door bedrijven om te voldoen aan deenergiebesparingsverplichting?AntwoordVanuit het oogpunt van doelmatig besteden van de overheidsgeldenwordt bij het opstellen van subsidieregelingen zoveel mogelijk hetuitgangspunt gehanteerd dat normerende en stimulerende maatregelenniet overlappen. Dit betekent dat maatregelen die voor een subsidie inaanmerking komen een langere terugverdientijd hebben van 5 jaar(bijv. VEKI) of dat ze voor woningen en consumenten beschikbaar zijn.Deze laatste categorieën vallen niet onder de doelgroep van deenergiebesparingsplicht.Verder bepaalt bijvoorbeeld de Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidiesdat er geen subsidies voor de glastuinbouw mogen worden verstrekt voorde uitvoering van de verplichte energiebesparende maatregelen.59Welke middelen zijn er in de begroting beschikbaar om energiearmoede,zoals te hoge energieprijzen, te hoge warmtetarieven en geen toegang totgenerieke isolatiesubsidies voor kleingebruikers en huishoudens, tegen tegaan?AntwoordZie beantwoording vraag 21.60Kunt u in een overzicht weergeven hoe de 22 procent taakstelling op hetambtelijk apparaat per onderdeel van het departement en voor deuitvoeringsorganisaties neerslaat?AntwoordOp dit moment is het apparaatsbudget van EZ en KGG nog gedeeld. VoorEZ en KGG leidt de apparaatstaakstelling tot een besparingsopgaveoplopend tot € 90,9 mln in 2029. In de grondslag voor berekening van de22% bezuiniging uit het HLA zijn niet alleen uitgaven voor de kerndeparte-menten opgenomen, maar ook de uitgaven voor de diensten en inspecties(ACM, SodM en CPB). De uitgaven van deze uitvoerders in de grondslagbedragen circa 40% van het geheel van de taakstelling voor EZ en KGG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 627 Indien de taakstelling in euro’s uitsluitend verhaald zou moeten wordenop de uitgaven voor het kerndepartement, zou het taakstellingspercentageoplopen tot 34%.Bij de verdeling van deze taakstelling is als uitgangspunt gehanteerd datuitvoeringsorganisaties en toezichthouders zo veel mogelijk moetenworden ontzien. Om die reden is er nu voor gekozen om voor alleuitvoeringsorganisaties van EZ/KGG een efficiencytaakstelling vanbescheiden omvang te laten gelden, namelijk 0,5% per jaar, oplopend tot2,5% in 2029. Deze korting geldt zowel voor de uitvoeringsorganisaties dieworden gefinancierd vanuit de beleidsartikelen alsook voor de uitvoe-ringsorganisaties die worden gefinancierd vanuit het apparaatsartikel endaardoor aanvankelijk zouden vallen onder het hoge kortingspercentagevan 22%, waaronder ACM en SodM. De efficiencytaakstelling is in lijn metwat het CPB in het algemeen veronderstelt als haalbaar voor organisaties.Een aanvullende overweging voor de efficiencytaakstelling betreft de inhet hoofdlijnenakkoord opgenomen lijn dat bij invulling van de apparaat-staakstelling ook nadrukkelijk moet worden gekeken naar externe inhuur.Daarbij wordt de uitvoering expliciet niet uitgesloten.In totaal levert de efficiencytaakstelling bij de uitvoeringsorganisaties eenbesparing op van circa € 24,6 mln. Daarmee resteert een taakstelling voorde kerndepartementen EZ en KGG oplopend tot € 66,3 mln in 2029. Dekerndepartementen zullen dus het grootste deel van de taakstelling voorhun rekening nemen. Een aanpak om hier meerjarig invulling aan tegeven is in voorbereiding.Omschrijving (bedragen in € mln)20252026202720282029struc.Taakstelling apparaat EZ/KGG– 22,9– 43,3– 64,6– 81,9– 90,9– 90,9Totale bijdrage uitvoering5,310,415,320,224,624,6Totale resterende opgave17,632,949,361,766,366,3 61Kunt u aangeven op basis van welke criteria bepaald wordt hoe de22 procent taakstelling op het ambtelijk apparaat wordt ingevuld?AntwoordDeze criteria worden nog uitgewerkt. Er wordt zowel gekeken naar hetverminderen van het aantal taken, als het efficiënter uitvoeren van taken.62Kunt u concreet aangeven welke taken/werkzaamheden niet meeruitgevoerd gaan worden vanwege de taakstelling van 22 procent op hetambtelijk apparaat?AntwoordDat antwoord kan nu nog niet worden gegeven, deze besluiten zijn nogniet genomen. De komende maanden wordt hier invulling aan gegeven.63Kunt u per subsidie onder de Investeringssubsidie duurzame energie enenergiebesparing- regeling (ISDE-regeling) uitsplitsen hoeveel daar dekomende jaren op wordt gekort ter invulling van de generieke taakstellingsubsidies?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 628 Op het budget voor de ISDE is de volgende korting verwerkt naaraanleiding van de maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord om een generiekeRijksbrede taakstelling op subsidies uit te voeren:20252026202720282029€ – 6.807.000€ – 17.789.000€ – 25.096.000€ – 43.132.000€ – 31.928.000 De ISDE-regeling kent één subsidieplafond voor de kleine windturbines enéén subsidieplafond voor de overige technieken (isolatiemaatregelen,warmtepompen, zonneboilers, aansluiting warmtenet en elektrischekookvoorziening). Verder zijn er geen schotten binnen het budget. Het isdaarmee niet op voorhand te zeggen hoe de taakstelling precies terug tezien zal zijn op de subsidie die wordt toegekend voor de verschillendetechnieken. Overigens vindt er bij Voorjaarsnota 2025 een heroverwegingvan de invulling van de subsidietaakstelling plaats op basis van danactuele inzichten en prioriteiten (zie blz. 20 van de KGG-begroting).Hierdoor kan de exacte taakstelling op de ISDE voor 2026 e.v. nog gaanwijzigen.64Op welke wijze geeft u in de begroting 2025 invulling aan het advies«Koersen op Klimaatneutraal» van de Raad voor Openbaar Bestuur van28 maart 2024, om de uitvoeringskosten (CDOKE-gelden) voorgemeenten, provincies en waterschappen op te hogen tot 5,9 miljard voorde periode 2025–2030?AntwoordHet huidige kabinet heeft als gevolg van de knellende Rijksbegroting inhet hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma de keuze gemaakt omgeen aanvullende uitvoeringsmiddelen ter beschikking te stellen aanmedeoverheden voor hun klimaat- en energietaken voor de jaren2025–2030. Het kabinet stuurt op korte termijn een appreciatie van hetROB-advies «Koersen op Klimaatneutraal» naar de Tweede Kamer.65Wat zijn de verwachte personele gevolgen van de bezuinigingen op hetStaatstoezicht op de Mijnen (SodM)? Wat zijn de gevolgen in hetalgemeen van deze bezuinigingen?AntwoordZie beantwoording vraag 67. De efficiencykorting loopt voor SodM looptop tot € 0,5 mln structureel vanaf 2029, daarbij aanmerkend dat dezekorting niet per se personele gevolgen hoeft te hebben.66Wat zijn de verwachte personele gevolgen van de bezuinigingen op deNederlandse Emissie autoriteit (NEa)? Wat zijn de gevolgen in hetalgemeen van deze bezuinigingen?AntwoordZie beantwoording vraag 67. De efficiencykorting loopt voor NEa loopt optot € 0,3 mln structureel vanaf 2029, daarbij aanmerkend dat deze kortingniet per se personele gevolgen hoeft te hebben.67Wat zijn de verwachte personele gevolgen van de bezuinigingen op TNO,Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), Kamer van Koophandel (KvK),Raad voor Accreditatie (RvA), Centraal planbureau (CPB) en AutoriteitTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 629 Consument en Markt (ACM)? Wat zijn de gevolgen in het algemeen vandeze bezuinigingen?AntwoordEen deel van de apparaatstaakstelling voor het voormalige Ministerie vanEZK wordt ingevuld op basis van een efficiencykorting van 0,5% per jaar,oplopend tot 2,5% in 2029, waarbij ook de uitvoeringsorganisaties van EZen KGG, waaronder die genoemd in deze en de vragen 65 en 66, wordenmeegenomen. In totaal wordt langs deze weg € 24,6 mln bezuinigd op debijdragen van EZ en KGG aan de uitvoeringsorganisaties (diensten,agentschappen, ZBO’s/RWT’s) van deze ministeries. Deze kortingen zijnverwerkt in de ontwerpbegrotingen 2025 van EZ en KGG. Het is aan deuitvoeringsorganisaties om deze kortingen te verwerken in hunbegrotingen.68Wat zijn de gevolgen van de taakstelling op de prijsrisicobuffer in deraming voor de SDE?AntwoordDe taakstelling op de prijsrisicobuffer betekent een structurele ombuigingop de SDE-middelen van jaarlijks € 1 miljard. Daarmee wordt de margebeperkt om hogere kasuitgaven als gevolg van dalende energie- enCO2-prijzen op te kunnen vangen. Wanneer de prijsrisicobuffer nietvoldoende is om een tegenvaller te dekken, kan dit met de begrotingsre-serve duurzame energie en klimaattransitie worden opgevangen.69Welke gevolgen heeft het bezuinigen op batterijen voor de voortvarendeaanpak van de netcongestieproblematiek?AntwoordDoor het bezuinigen op de maatregel batterijen bij grootschalig zon-PV ishet in mindere mate mogelijk om zonne-elektriciteit op te slaan om later tegebruiken. De maatregel draagt bij aan het verminderen van invoedings-netcongestie doordat er geen transport van zonne-elektriciteit nodig is opzonnige piekmomenten. Er zijn verder geen gevolgen voor de voortva-rende aanpak van de netcongestieproblematiek.70Welke factoren liggen ten grondslag aan de bijstelling van de ontvangstenonder de Mijnbouwwet zoals die in tabel 6 van de memorie vantoelichting?AntwoordDe post Ontvangsten Mijnbouwwet bestaat uit winstaandelen van devergunninghouders voor gaswinning, cijns (heffing van een percentagevan de omzet) en oppervlakterecht. Een deel van deze ontvangsten zijnhet gevolg van de vergoeding die de NAM ontvangt op basis van hetNorg akkoord. De bijstelling op de Ontvangsten Mijnbouwwet heeft alsoorzaak dat er de komende jaren een hogere ontvangst winstaandeelwordt verwacht dan eerder geprognotiseerd.71Waarom zijn er nu wel inkomsten ingeboekt voor de CO2-heffing waar dateerder niet het geval was?AntwoordHet kabinet heeft voorheen aangenomen dat de industrie tijdig zouinvesteren in verduurzaming waardoor er geen heffing betaald zouTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 630 worden, de bekende «stok achter de deur». Uit recente onderzoeken blijktechter dat het aannemelijk is dat de industrie in deze kabinetsperiodeCO2-heffing zal betalen, omdat zij niet tijdig (kunnen) investeren inverduurzaming. Zo schat het PBL in de zogenaamde tariefstudie in dat bijhet huidige beleid in 2030 6 Mton aan emissies worden beprijsd onder deCO2-heffing. Om recht te doen aan deze recente inzichten zijn er dit jaar inde Miljoenennota voor het eerst inkomsten geraamd voor de CO2-heffingindustrie. Conform afspraak in het Klimaatakkoord vloeien deze middelenterug naar de verduurzaming van de industrie. De geraamde inkomstenvan de CO2-heffing voor de afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) à 150 mln.euro zijn toegevoegd aan het Klimaatfonds aan het perceel «onverdeeld».Deze zijn bedoeld voor maatregelen die bijdragen aan de circulaireeconomie. De geraamde opbrengsten van de CO2-heffing voor deindustrie (€ 291 mln. euro) zijn geboekt op het perceel VerduurzamingIndustrie & mkb van het Klimaatfonds.72Kunt u per bedrijf waarmee u maatwerkafspraken sluit, uiteenzettenhoeveel megaton CO2-reductie dit ongeveer oplevert en hoeveelwerkgelegenheid deze bedrijven bieden in Nederland? Hoeveel banenhiervan zijn direct en hoeveel banen hiervan zijn indirect?AntwoordOp dit moment zijn er met 13 bedrijven een Expression of Principlesovereengekomen. Dit is het eerste document dat getekend wordt met eenbedrijf in het gefaseerde proces binnen de maatwerkaanpak. In ditdocument zijn de verschillende ambities en doelstellingen uiteengezet,waaronder de CO2-reductiedoelstelling richting 2030. Daarbij is er metNobian, naast een Expression of Principles, ook een Joint Letter of Intentovereengekomen.In onderstaande tabel staan de ambities die de bedrijven hebbenverwoord in de EoP’s.Nr.Naam bedrijfVerwachte CO2-reductie o.b.v. EoP (Mton)1.Tata Steel Nederland (IJmuiden)5,002.DOW1,703.Air liquide1,054.LyondellBasell0,35–0,555.Nobian0,546.Zeeland Refinery1,007.Yara1,508.Shell (Moerdijk)3,909.OCI0,80–1,710.BP1,2011.Anqore0,4412.Cosun0,2513.Alco0,25 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 631 Op basis van openbare bronnen en middels navraag bij de bedrijven uitde tabel, kan er een schatting worden gegeven van het totaal aantaldirecte banen bij de bovenstaande bedrijven, zijnde circa 22.500.Het is niet eenvoudig per bedrijf exact in kaart te brengen hoe groot deindirecte werkgelegenheid is. Voor exporterende bedrijven in hetalgemeen – dat is dus breder dan alleen bedrijven uit de doelgroepmaatwerk – is het aantal indirecte banen een factor 1.3 zo groot als hetaantal directe banen (CBS, Nederland Handelsland, 2023).Het kabinet zet zich samen met de bedrijven volop in om de ambities enreductiedoelstellingen uit de Expression of Principles te vertalen naaruitvoerbare verduurzamingsprojecten. Hiervoor is het noodzakelijk datzowel de randvoorwaarden op orde zijn, als ook voldoende commitmentvan de bedrijven om tijdig investeringsbeslissingen te nemen. In devolgende voortgangsbrief over het maatwerktraject zal er ook aandachtzijn hoe de gesprekken met de maatwerkbedrijven lopen en welkegesprekken actief worden voortgezet richting de volgende fase. Dit istoegezegd in het commissiedebat Verduurzaming Industrie van17 oktober jl.10. Deze brief zal in het voorjaar van 2025 aan de Kamerworden gestuurd.73In welke mate wordt de reductie van andere schadelijke emissiesteruggedrongen met het sluiten van de maatwerkafspraken? Wat vooreffect heeft dit op de gezondheid van omwonenden en de luchtkwaliteitvan Nederland?AntwoordDe maatwerkaanpak is primair gericht op reductie van CO2-emissies maarkijkt ook nadrukkelijk naar verbetering van de leefomgeving. Per bedrijfwordt verkend welke mogelijkheden er zijn om ook op dat terrein kansenvoor bovenwettelijke maatregelen te benutten. In de meeste Expressionsof Principles (EoP’s) zijn hiervoor ambities opgenomen; deze EoP’s zijnpubliekelijk beschikbaar. De geformuleerde ambities en/of maatregelenwisselen van bedrijf tot bedrijf. In veel gevallen gaat het om aanvullendestikstofreductie, bij Tata Steel is er veel aandacht voor de verbetering vande gezondheid van omwonenden, en in sommige gevallen wordt ookgekeken naar waterlozingen of veiligheidsrisico’s. Deze EoP’s wordenmomenteel nader uitgewerkt om te komen tot maatwerkafspraken. Hetuiteindelijke effect op de omgeving van alle maatregelen bij de maatwerk-bedrijven is nu op voorhand nog niet te geven.74Is het Ministerie van Klimaat en Groene Groei (K&GG) bereid om aan tehaken bij de EU-Alliantie over kernenergie? Waarom wel of niet?AntwoordIn de SMR-programma-aanpak is aangegeven dat het kabinet positiefstaat tegenover de EU-Industrial Alliance (hierna: EU-Alliantie). DezeEU-Alliantie zet zich onder meer in om de uitrol van SMR’s in Europa teversnellen en de Europese nucleaire industrie voor te bereiden op deSMR-ontwikkelingen. Deze aanpak sluit aan bij het Nederlandse beleidgericht op het versnellen van de SMR-ontwikkelingen in Nederland, zoalsuiteengezet in de programma-aanpak. In de afgelopen periode zijn diverseNederlandse marktpartijen gekoppeld aan de EU-Alliantie. Verder is hetMinisterie van Klimaat en Groene Groei recent ook actief lid gewordenvan de EU-Alliantie, evenals een aantal andere Europese lidstaten10Toezegging TZ202410-136Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 632 (o.a. Tsjechië, Finland, Frankrijk, Italië, Slowakije en Roemenië). Deelnamegeeft directe toegang tot de relevante informatie voor onze nationalebeleidsontwikkeling.75Waar heeft de piek in de ETS-ontvangsten in 2027 mee te maken?AntwoordDe piek in ETS-ontvangsten in 2027 komt door de start van veilingen vanemissierechten voor het ETS2. Om te zorgen voor voldoende beschik-baarheid van emissierechten en liquiditeit op de ETS2-markt wordt in hetETS2 front loading toegepast. Dat betekent dat in het eerste jaar (2027)130% van het uitstootplafond wordt geveild. De extra 30% emissierechtenworden in de jaren 2029–2031 in mindering gebracht op de veilingvo-lumes. Dit leidt tot dus ook nog eens tot een piek aan ETS2-veiling-inkomsten in 2027 en lagere ETS2-inkomsten in de opvolgende jaren.76Zijn de geraamde opbrengsten van de CO2-heffing voor de industriegebaseerd op de ophoging van de CO2-heffing, zoals door het vorigekabinet besloten, of is de terugdraaiing van deze ophoging in debegroting verwerkt?AntwoordBij de raming van de opbrengsten is rekening gehouden met de terug-draaiing van de aanscherping van de CO2-heffing.77Hoe is bij de bijstelling van de ontvangsten onder de Mijnbouwwetrekening gehouden met nieuwe aanvragen voor gaswinning of verlengingvan bestaande gasvelden?AntwoordDe prognose is gebaseerd op goedgekeurde winningsplannen, waarinramingen zijn opgenomen. De prognose is dus niet gebaseerd opverwachte vergunningen of winningsplannen; deze worden niet meege-nomen in de prognose voor de Ontvangsten Mijnbouwwet.78Hoeveel middelen worden in 2025 gereserveerd voor het omscholen enbijscholen van werknemers die in fossiele industrieën werken, zodat zijkunnen profiteren van nieuwe werkgelegenheid in duurzame sectoren?79Op welke wijze wordt in de begroting rekening gehouden met de socialegevolgen van de energietransitie, met name voor werknemers in sectorendie zwaar afhankelijk zijn van fossiele brandstoffen?Antwoord op 78 en 79De werkgevers en andere sociale partners zijn verantwoordelijk voor hetondersteunen van werkenden bij een duurzame overstap naar ander werk.Zij hebben samen de ambitie om tot dekkende van-werk-naar-werk-dienstverlening te komen. Het kabinet ziet de meerwaarde hiervan in enbekijkt of zij een impuls kunnen geven om tot een dekkend stelsel tekomen. Deze en andere private en publieke arbeidsmarktdienstverleningontsluiten we via een Werkcentrum per arbeidsmarktregio. Zo kunnen wewerkzoekenden, werkenden en werkgevers beter ondersteunen. Via hetWerkcentrum zullen we ook aanvullende branchegerichte of doelgroepge-richte ondersteuning aanbieden, bijvoorbeeld de ondersteuning van hetKolenfonds voor mensen die vanwege de transitie van kolen naarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 633 duurzamere energiebronnen werkloos dreigen te worden en waarvoor deprivate dienstverlening en/of ondersteuning onvoldoende blijkt te zijn.Hiervoor zijn en blijven middelen (€ 22 miljoen) op de begroting van KGGbeschikbaar als onderdeel van de begrotingsreserve.Daarnaast wordt een aanzienlijk deel van de door de EU beschikbaargestelde middelen in het Just Transition Fund (totale fonds is € 623 mln)ingezet voor de sociale kant van de transitie naar een duurzameeconomie, waaronder voor om- en bijscholingsactiviteiten. Ook zijn erverschillende programma’s uit het Nationaal Groeifonds die zicho.a. richten op het ondersteunen van werknemers bij de overstap van eenbaan in een fossiele sector naar een baan in een duurzame sector. Vanuithet Klimaatfonds is daarnaast een toekenning van 7 miljoen euro en eenreservering van 15 miljoen euro gedaan voor de subsidieregelingpraktijkleren, die o.a. is gericht op omscholing. Topsector Energie werktaan het vergroten van de synergie tussen al deze projecten.Tevens zet het kabinet in samenwerking met de sectoren in op deontwikkeling van sectorale ontwikkelpaden, waardoor het voor mensenonder meer makkelijker wordt om via scholing over te stappen van de enesector naar de andere sector.80In hoeverre is het elektriciteitsnetwerk in 2035, 2040 en 2045 nog eenbottleneck voor de verduurzaming van de industrie?AntwoordOp dit moment is netcongestie een knelpunt voor de verduurzaming vande industrie. In veel regio’s in Nederland kunnen grootverbruikers geennieuwe, of grotere elektriciteitsaansluiting krijgen. Dit maakt het in veelgevallen onmogelijk om te verduurzamen met behulp van elektrificatietotdat netcongestie in de betreffende regio is opgelost.Echter, gezien de Europese en Nederlandse klimaatdoelen, is er druk opde industrie om toch op korte termijn te verduurzamen. Het is belangrijkdat de industrie voldoende tijd heeft om te elektrificeren voordat er in2040 geen nieuwe ETS rechten meer op de markt komen, i.v.m. langeturn-around tijden van de huidige assets.In de Cluster Energie Strategieën is er voor de vijf geografisch geclusterdeindustriegebieden (Chemelot, Schelde Delta Regio, Rotterdam-Moerdijk,Noordzee Kanaalgebied en Noord-Nederland) een vereenvoudigdeinfrastructuuranalyse uitgevoerd door TenneT waarin berekend is inhoeverre het hoogspanningsnet toereikend is om de opgegeven verduur-zamingsplannen van de industrie te faciliteren. Uit deze analyse kwamenknelpunten naar boven, namelijk overbelasting EHS/HS-transformatorentussen 2035 en 2050. Uit de analyse van TenneT bleek dat er geen extrainfrastructuur nodig is ten opzichte van de plannen die al in het meestrecente investeringsplan van TenneT staan en dat de gevondenknelpunten kunnen worden opgelost door het beter afstemmen van vraagen aanbod van elektriciteit. Oplossingsrichtingen zijn o.a. flexibelelektriciteitsgebruik van de industrie, ruimtelijke afstemming tussen vraagen aanbod en grootverbruikers direct aansluiten op een 380kV station.Er is echter nog geen concreet inzicht in hoeveel van die oplossingenwaar ingezet zouden moeten worden en hoeveel dit oplevert. Dit levertonzekerheid op voor de industrie in deze vijf clusters. Een gedetailleerdereanalyse van impact op het elektriciteitsnetwerk van de verduurzamings-plannen van de industrie, en overige sectoren, wordt op dit momentvoorbereid in het volgende investeringsplan van TenneT. De eersteresultaten hiervan volgen eind 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 634 Voor de decentrale industrie (cluster 6) zijn provinciale Cluster EnergieStrategieën opgesteld. Daarin komen knelpunten in de verschillendeprovincies tot aan 2035 naar voren. Om hier een beter overzicht van tekrijgen, wordt er op dit moment ook gewerkt aan een landelijke clusterenergiestrategie voor cluster 6 die naar verwacht eind 2024 of begin 2025wordt opgeleverd. TenneT heeft nog geen infrastructuuranalyse uitge-voerd voor de decentrale industrie. Hierdoor is er ook voor de decentraleindustrie grote onzekerheid of het stroomnetverzwaring tijdig entoereikend zal zijn.81Worden er in 2025 subsidies of speciale regelingen verstrekt aanhuishoudens in lagere inkomensgroepen voor het installeren vanzonnepanelen of het verduurzamen van woningen? Zo ja, hoeveelmiddelen worden hiervoor gereserveerd?AntwoordJa. Veel mensen met een laag inkomen huren een woning. Voor hetverduurzamen van huurwoningen is er de Subsidieregeling Verduur-zaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) en zijn er afspraken metcorporaties gemaakt voor het uitfaseren van EFG woningen. Corporatiesrekenen voor het isoleren van de huurwoningen geen huurverhoging,waardoor de energiebesparing die daardoor kan worden bereikt tengunste komt van de huurder. In het Regeerprogramma is aangekondigddat het kabinet de uitfasering van huurwoningen met EFG-labels doorzet.Veel woningeigenaren met een laag en middeninkomen hebben weinigspaargeld waardoor zij hun woning niet kunnen verduurzamen. Subsidiesdekken een deel van de aanneemsom, maar deze groep kan het reste-rende deel vaak niet overbruggen met spaargeld. Voor hen is hetNationaal Warmtefonds een uitkomst. Dankzij subsidie van het Rijk aanstichting Nationaal Warmtefonds kunnen woningeigenaren rentelooslenen als hun verzamelinkomen lager is dan zestigduizend euro. Vereni-gingen van Eigenaren ontvangen een rentekorting. De Minister vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft de renteloze lening en derentekorting verlengd tot en met 2025. De Kamer is geïnformeerd over deextra benodigde rijksbijdrage om deze regelingen voor te zetten tot enmet 2030 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 1182, titel:Verzamelbrief Verduurzaming gebouwde omgeving, datum: 28 mei 2024).Daarnaast stelt het Rijk middelen beschikbaar aan gemeenten voor deLokale aanpak van het Nationaal Isolatieprogramma. Hiermee zettengemeenten een eigen isolatieprogramma op voor inwoners met eenslecht geïsoleerde koopwoning of woning in een Vereniging vanEigenaars die extra ondersteuning nodig hebben.Het doel van de lokale aanpak is om 750.000 slecht geïsoleerde woningente verbeteren tot en met 2030. Dit jaar kunnen gemeenten de tweedetranche aanvragen voor 674 miljoen euro om 286 duizend woningen teisoleren. Volgend jaar volgt de derde en laatste tranche. In totaal is voorde lokale aanpak 1,6 miljard euro beschikbaar. Deze middelen kunnengestapeld worden met de landelijke subsidies Investeringssubsidieduurzame energie en energiebesparing (ISDE) en de Subsidieregelingverduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE), waarmee al totcirca 30% van de kosten kunnen worden gesubsidieerd.Het kabinet heeft daarnaast voor de jaren 2025 en 2026 twee maal60 miljoen euro gereserveerd voor een in te richten Energiefonds, datsteun biedt aan huishoudens in energiearmoede. Binnen dit Energiefondswordt nadrukkelijk de koppeling met de verduurzaming van de gebouwdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 635 omgeving gezocht. Het Energiefonds is onderdeel van het beleidsveld vanhet Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.82Worden er in 2025 subsidies of speciale regelingen verstrekt aanhuishoudens in huurwoningen voor het installeren van zonnepanelen ofhet verduurzamen van woningen? Zo ja, hoeveel middelen wordenhiervoor gereserveerd?AntwoordPrivate verhuurders kunnen voor het verduurzamen van huurwoningengebruikmaken van de Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud(SVOH). Van het totale budget van 152 miljoen is nog 141 miljoenbeschikbaar. Er wordt geen subsidie verstrekt voor zonnepanelen. Welvoor isolerende maatregelen en vanaf januari 2025 ook voor warmte-pompen en zonneboilers. Voor private verhuurders in gemengde VvE’s isde Subsidieregeling verduurzaming van verenigingen van eigenaarsbeschikbaar. Voor woningcorporaties is daarnaast de SAH voor hetaansluiten van huurwoningen op een warmtenet beschikbaar en de SPORvoor procesondersteuning.83Kunt u aangeven wat de verwachte subsidie intensiteit is van de gereser-veerde middelen voor kernenergie in euro per vermeden ton CO2, danwelin euro per opgewekte kWh? Kunt u aangeven hoe zich dat verhoudt totandere vormen van elektriciteitsopwekking zoals zonneparken, wind-parken of gascentrales op waterstof, aangenomen dat de kerncentraleflexibel wordt ingezet als aanvulling op zonnestroom en windstroom?AntwoordOp het moment dat de voorgenomen kerncentrales operationeel zijn(vanaf 2035) is de elektriciteitsketen naar verwachting CO2 vrij en wordener geen fossiele bronnen in de elektriciteitsmix verdrongen. Het kabinetkan daarom niet aangeven wat de subsidie intensiteit is per vermeden tonCO2.Op dit moment onderzoekt het kabinet nog op welke wijze de Staat devoorgenomen kerncentrales financieel zal ondersteunen, een gebalan-ceerde vergelijking is dan ook nog niet goed mogelijk. Zo worden debegrote middelen breder ingezet dan enkel subsidie, bijvoorbeeld t.b.v.onderzoek. Daarnaast verwacht het kabinet niet dat kernenergie enkel alsaanvulling wordt ingezet op wind en zon, maar meer als basislast dierelevant is voor het energiesysteem als geheel.84Zijn er problemen voor de businesscase voor nieuwe warmtenettengezien de combinatie van een op kostengebaseerde tariefstelling, met eenmaximumtarief en met een lagere aardgasenergiebelasting voorkleinverbruikers dan eerder gepland? Zijn de subsidies zoals de Warmte-netten Investeringssubsidie (WIS) en de SDE++ voldoende om debusinesscase mogelijk te maken?AntwoordZoals het kabinet recent heeft aangegeven per brief van 7 oktober over deuitrol van warmtenetten spelen er meerdere oorzaken waardoor deontwikkeling van nieuwe warmtenetten momenteel langzamer verlooptdan gewenst. De nieuwe kostengebaseerde tariefregulering draagt bij aanhet realiseren van een sluitende business case voor nieuwe warmtenettenomdat deze bedrijven in staat stelt hun efficiënte kosten terug teverdienen. Tegelijkertijd borgt deze dat de eindgebruiker niet meer betaaltTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 636 dan nodig. In de periode dat de nieuwe tariefregulering nog niet (volledig)is geïmplementeerd wordt de onrendabele top voor warmtenettengesubsidieerd met de Warmtenetten investeringssubsidie (WIS) en neemtde SDE++-regeling de onrendabele top weg van nieuwe, duurzamewarmtebronnen. Zo wordt de business case van nieuwe warmtenettenondersteund vooruitlopend op de inwerkingtreding van de nieuwetariefregulering.85Ziet u een route om huishoudens op stadswarmte een voordeel te gevenvia nettarieven of anderszins voor de lagere netbelasting die optreedt bijde keuze voor stadswarmte in plaats van een warmtepomp?86Is er gezien de socialisatie van de netkosten voor gas en elektra overnagenoeg de hele samenleving sprake van een ongelijk speelveld daar dekosten van stadswarmte door de aangeslotenen van een lokaal warmtenetmoeten worden gedragen?Antwoord 85 en 86Het mandaat voor de vaststelling van de maximale tarieven voornetbeheerkosten voor gas en elektriciteit ligt bij de Autoriteit Consument& Markt (ACM) en eventuele keuzes om de tarieven anders vorm te gevenzijn primair aan de ACM. Daarbij is het van belang om er rekening mee tehouden dat de netbelasting van een huishouden niet uitsluitend afhan-kelijk is van de keuze voor de warmtevoorziening, maar ook afhangt vanbijvoorbeeld de aanwezigheid van (een laadpaal voor) een elektrischeauto, zonnepanelen of een vorm van energieopslag.In de huidige systematiek is het mogelijk dat een huishouden opstadsverwarming een lagere netbelasting veroorzaakt maar evenveelbijdraagt aan de netbeheerkosten voor elektriciteit als een huishoudenmet een warmtepomp en een hoge netbelasting. In dit geval kan er sprakezijn van een ongelijk speelveld doordat beide huishoudens in gelijke matebijdragen aan de bekostiging van de (uitbreiding van de) elektriciteitsinfra-structuur, maar in verschillende mate gebruik maken van het elektrici-teitsnet en de infrastructuurkosten van het lokale warmtenet uitsluitenddoor de huishoudens op het lokale warmtenet bekostigd worden.Het uitgangspunt van het kabinet is dat als een warmtenet voor desamenleving de goedkoopste duurzame optie is, dit ook moet leiden toteen aantrekkelijke prijs voor de eindgebruiker. Daarom is in de Kamerbriefaangekondigd dat mogelijke beleidsopties via een investeringssubsidie,een prijsgarantie en doelgroepencompensatie nader onderzocht worden,waarmee het voordeel van collectieve warmtesystemen voor de samen-leving als geheel ook voldoende bij de eindgebruikers landt zodat hun eenaantrekkelijk aanbod gedaan wordt om over te stappen op het collectievesysteem. Het TNO onderzoek naar het verschil tussen de nationale kostenen eindgebruikerskosten van een warmtenet gaat hier inzicht in geven enwordt eind dit jaar verwacht.87Op welke wijze worden de klimaatdoelen en doelen ter verduurzamingvan de woningvoorraad gedicht, nu het hoofdlijnenakkoord de normeringvan koopwoningen en CV-ketels, de fiscale prikkel vanuit een hogereenergiebelasting op aardgas afzwakt en geen invulling wordt gegeven aande benodigde uitvoeringsgelden voor het klimaatbeleid door provinciesen met name gemeenten?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 637 In de Klimaatnota geeft het kabinet in reactie op de KEV aan dat in hetvoorjaar tot alternatief beleid besloten zal worden zodat de doelenconform het Regeerprogramma binnen bereik komen. Dat geldt ook voorbeleid gericht op de verduurzaming van de woningvoorraad.88Gezien de afspraak uit het regeerprogramma om het aantal specifiekeuitkeringen verder terug te dringen om de administratieve lasten bijgemeenten te verminderen, kunt u onderbouwd aangeven wat dedaadwerkelijke administratieve lasten zijn voor decentrale overheden vande verschillende specifieke uitkeringen (SPUK) op uw begroting?AntwoordHet is niet bekend wat de daadwerkelijke administratieve lasten zijn voordecentrale overheden van de verschillende specifieke uitkeringen op debegroting van Klimaat en Groene Groei. Het meest aangewezen alternatiefvoor een SPUK, als er geen beleidsbeperkende afspraken zijn gemaakt, iseen fondsuitkering middels een decentralisatie uitkering (DU). Decentraleoverheden maken ook bij een DU administratieve lasten. Er is geenonderzoek gedaan naar de hoogte en het verschil in de administratievelasten voor decentrale overheden bij een SPUK of DU. Het AdviescollegeToetsing Regeldruk geeft alleen advies over administratieve lasten voorhet bedrijfsleven en burgers.89Kunt u aangeven hoe de middelen voor «uitvoering energietransitie –taken voor gemeenten» doorlopen na 2030? Indien u hier geen zicht opheeft, hoe organiseert u dat u dat inzicht wel heeft voordat de decentraleoverheden deze reeks in hun eigen begrotingen (vanaf 2027) moetenopnemen?AntwoordHet kabinet Rutte IV heeft voor de jaren 2023 t/m 2030 in totaal€ 5,6 miljard beschikbaar gesteld voor de uitvoering van klimaat- enenergietaken door medeoverheden. Het huidige kabinet blijft dezeuitvoeringsmiddelen beschikbaar stellen, met aftrek van circa 10% voor dejaren 2026 t/m 2030 zoals besloten in het Regeerprogramma. Er is noggeen inzicht in de benodigde uitvoeringsmiddelen voor de jaren volgendop 2030. Een onderzoek naar de benodigde uitvoeringsmiddelen voor na2030 is daarom nodig.90Waar worden de geothermiegelden exact aanbesteed? Kunt u devertienvoudiging in 2026 uitleggen?AntwoordDe geothermiegelden betreffen klimaatfondsmiddelen die op tweebelangrijke thema’s worden ingezet: Lage Temperatuur Geothermie (LTG)en Ultra Diepe Geothermie (UDG). Beide soorten geothermie wordenvooralsnog niet benut in Nederland maar hebben wel een groot poten-tieel. Voor LTG geldt dat met name innovatie en pilot- en demonstratiepro-jecten nodig zijn. Daarom is een evenwichtige spreiding van middelenover de jaren bevorderlijk. Voor UDG is met name de grote onzekerheid inde gesteldheid van de ondergrond de reden dat deze vorm onderbenutblijft. Daarvoor zijn proefboringen nodig. Deze boringen vereisen eensignificante investering ineen kort tijdsbestek. Vandaar dat het budget in2026 aanzienlijk hoger is dan in andere jaren.91Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 638 Waar besteedt het Ministerie van Justitie en Veiligheid de Stimuleringsre-geling Duurzame Energieproductie-middelen (SDE+-middelen) aan?AntwoordEr zijn geen directe betalingen vanuit SDE+-middelen aan het Ministerievan Justitie en Veiligheid. SDE+-middelen zijn in beheer van het Ministerievan Klimaat en Groene Groei en worden besteed aan projecten vooropwek van hernieuwbare energie of CO2-reductie.92Wat betekent het niet ophogen van deze heffing voor de broeikasgasuit-stoot van de industrie in 2030? Wat betekent dit voor het bereiken van het55% reductiedoel in 2030?AntwoordDe aangekondigde aanscherping van de CO2-heffing industrie voorbelastbare uitstoot boven de 50.000 ton had als doel om additioneleCO2-reductie te prikkelen bij de grootste industriële uitstoters inNederland. Uit de door PBL uitgevoerde tariefstudie blijkt dat deaanscherping van de CO2-heffing zou kunnen leiden tot ongeveer 4 Mtonadditionele emissiereductie. Door de aanscherping terug te draaien wordtdeze additionele reductie onzeker. In de studie is echter uitgegaan dat hettarief verhoogd zou worden voor alle uitstoters, en niet enkel voorbelastbare uitstoot boven de 50.000 ton. De daadwerkelijke te verwachteverduurzaming zou dus waarschijnlijk lager zijn geweest dan 4 Mton.De studie geeft ook aan dat het bereiken van het 55% reductie in deindustrie in 2030 niet alleen van de hoogte van de heffing, maar van veelmeer factoren afhangt, zoals de ETS prijs, het op orde zijn van randvoor-waarden voor emissiereductie, waaronder tijdige beschikbaarheid vanCO2-vrije energiedragers, toegang tot energie-infrastructuur en tijdigevergunningverlening, en tijdige besluitvorming rond grote industriëleprojecten. In de KEV 2024 geeft het PBL met een nieuwe inschatting vande verwachte emissiereductie onder het huidige beleid komen.93Hoe verhouden de kosten van de klimaatdoelen zich tot de economischeimpact op de agrarische sector, met name op kleine en middelgroteboerenbedrijven?94Welke concrete maatregelen worden genomen om de haalbaarheid vande klimaatdoelen in 2030 en 2050 te waarborgen zonder disproportionelelasten voor plattelandsgemeenschappen?Antwoord op vraag 93 en 94In de Klimaatnota geeft het kabinet in reactie op de KEV aan dat in hetvoorjaar tot alternatief beleid besloten zal worden zodat de doelenconform het Regeerprogramma binnen bereik komen. Dat geldt ook voorbeleid gericht op de verduurzaming van landbouw. De economischeimpact van klimaatmaatregelen is afhankelijk van de samenstelling vanhet pakket. Het perspectief van plattelandsgemeenschappen heeft deaandacht van dit kabinet en wordt meegenomen in de afweging vanmaatregelen die de klimaatopgave en andere opgaves (stikstof, waterkwa-liteit, biodiversiteit) moeten oplossen. Dit doet het kabinet in de regel doorhet in kaart brengen van de gevolgen voor specifieke groepen bij concretebeleidsvoorstellen.95Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 639 Op welke wijze kunnen agrarische ondernemers gebruik blijven makenvan subsidieprogramma’s, zoals de Investeringssubsidie DuurzameEnergie (ISDE), ondanks de bezuinigingen?AntwoordAgrarische ondernemers en andere ondernemers zullen ook in 2025 ISDEkunnen aanvragen voor een warmtepomp, zonneboiler en een kleinewindturbine. Daarnaast kunnen ze gebruikmaken van de SDE++ en EIA.Het beschikbare budget voor de EIA in 2025 wordt verruimd van259 miljoen naar 431 miljoen euro.96Hoeveel van de middelen die zijn gereserveerd voor de verduurzamingvan de industrie en innovatie mkb komen beschikbaar voor bedrijven inde agrarische sector en op het platteland?AntwoordBinnen het Klimaatfondsperceel «Industrie en Innovatief mkb» staanmiddelen (€ 125 mln.) gereserveerd voor o.a. energiebesparingsfonds enleningen tegen lage rente voor het micro- en kleinbedrijf. Beidevoorstellen zijn ook gericht op agrarische bedrijven. Daarnaast is erbinnen ditzelfde Klimaatfondsperceel de Energie-efficiëntie glastuinbouw-regeling (€ 199,9 mln.) waarmee glastuinders en samenwerkingsver-banden van glastuinders energiebesparende maatregelen kunnen nemen.97Hoe wordt gewaarborgd dat de financiële middelen voor verduurzamingvan het mkb eerlijk worden verdeeld, ook ten gunste van kleine enmiddelgrote boerenbedrijven die moeite hebben met de energietransitie?AntwoordZoals gemeld in de Kamerbrief voortgang van de verduurzaming van hetmkb (Kamerstuk nr. 32 637-640) wordt er per jaar circa € 4,6 miljard aansteuncapaciteit ingezet voor de verduurzaming van het brede mkb. Dit zijnbedrijven van 0 tot 250 fte aan medewerkers en een jaaromzet vanhoogstens € 50 miljoen en/of een jaarbalans kleiner of gelijk aan€ 43 miljoen. Hieronder valt het allergrootste deel van de boerenbe-drijven. Dit budget voor het mkb is extra ten opzichte van de programma’sdie er bij het Ministerie van LVVN specifieke beschikbaar zijn voorboerenbedrijven.98Welk deel van de begroting van het Klimaatfonds en van het Ministerievan K&GG is direct of indirect beschikbaar voor verduurzamingsprojectenin de landbouwsector? Wat zijn de voorwaarden om aanspraak te kunnenmaken op deze middelen?AntwoordHet Ministerie van LVVN is primair verantwoordelijk voor de landbouw-sector. Op de begroting van het Ministerie van KGG staan geen specifiekemiddelen voor verduurzaming van de landbouw. Wel kan het zijn datlandbouwprojecten in aanmerking komen voor generieke verduurza-mingsregelingen van het Ministerie van KGG. Conform de Tijdelijke WetKlimaatfonds komen maatregelen met het oog op de klimaatdoelen dievoor landbouw en landgebruik gelden niet in aanmerking voor middelenuit het Klimaatfonds. Uitzondering hierop zijn klimaatmaatregelen die(deels) neerslaan in de glastuinbouw zolang deze kunnen wordenondergebracht in de bestedingsdoelen van het Klimaatfonds. Maatregelenop gebied van landbouw en landgebruik die de klimaatdoelen van andereKlimaatakkoord-sectoren nastreven, vallen ook binnen de reikwijdte vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 640 het Klimaatfonds. Bijvoorbeeld de verduurzaming van landbouwvoer-tuigen door het vervangen van fossiele aandrijving door aandrijving opwaterstof. Maatregelen worden beoordeeld op basis van de wet en daarbijwordt de cyclus van het Klimaatfonds gevolgd, die aansluit op deKlimaatwet en begrotingscyclus.99Hoe worden de inspanningen van de agrarische sector erkend enondersteund binnen het kader van het Klimaatfonds, dat voornamelijkgericht lijkt te zijn op grootschalige industriële en infrastructuurprojecten?AntwoordVoor maatregelen in de landbouw is in het hoofdlijnenakkoord reeds5 mld. vrijgemaakt plus 500 mln. per jaar.Conform de Tijdelijke Wet Klimaatfonds komen maatregelen met het oogop de klimaatdoelen die voor landbouw en landgebruik niet in aan-merking voor middelen uit het Klimaatfonds. Uitzondering hierop zijn inantwoord 98 beschreven.100Waaruit blijkt dat de Nederlandse industrie vernieuwend is, ook gezien derecente NEa studie die constateert dat de industrie niet groener isgeworden?AntwoordDe NEa analyse van 4 oktober jl. laat zien dat de 282 industriële installatiesdie de NEa monitort gemiddeld genomen niet groener zijn geworden.Hierbij legt de NEa uit dat het gemiddelde in hoge mate wordt gedrevendoor de grote industriële producenten. Bij deze producenten is deCO2-efficiëntie volgens de NEa afgenomen doordat de productie isafgenomen en grote emissie-reducerende investeringen nog niet zijngerealiseerd. Dat grote investeringen zijn vertraagd geeft het kabinet ookaan in de recente Kamerbrief over de verduurzaming van de industrie[Tweede Kamer 2023–2024, 32 813-1414]. De NEa publicatie laatbovendien zien dat het merendeel van de gemonitorde bedrijven weldegelijk efficiënter is geworden. Het kabinet maakt daaruit op dat ook hetgrootste deel van de industrie in Nederland dat onder de ETS-richtlijn valtbezig is om emissies te reduceren.Wat betreft de mate van vernieuwing kijkt het kabinet niet alleen naar deNEa-gegevens. De Dutch Innovation Monitor constateerde namelijk dathet aandeel van bedrijven dat ambieert om uiterlijk in 2030 een verwaar-loosbare voetafdruk te hebben 55,7% is, en aanvullend nog eens 22,5%van de bedrijven ambiëren dit voor 2050. Een groot deel van dezeambities zijn door bedrijven vertaald in concrete doelstellingen. Dezedoelstellingen staan wel onder druk door de verslechterende bedrijfsom-standigheden. Tevens lijkt het erop dat, op basis van recente subsidieaan-vragen, de DEI+ in de meest recente ronde (sterk) overtekend is. Dit laatzien dat bedrijven actief investeren in innovatie. Uitputting van het budgetleidt naar inschatting tot een jaarlijkse emissiereductie van ongeveer0,25 Mton. Als er voldoende budget beschikbaar zou zijn voor alleaanvragen neemt deze schatting toe tot 0,75 Mton.101Waaruit blijkt dat de Nederlandse industrie floreert, ook gezien derapportages van het CPB waaruit blijkt dat de industriële productie voorhet zoveelste kwartaal achter elkaar krimpt?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 641 De industrie is verantwoordelijk voor 12% van de bruto toegevoegdewaarde van de Nederlandse economie en bijna 880.000 banen. Hiermeelevert de industrie onmiskenbaar een belangrijke bijdrage aan eenwelvarend Nederland, maar de industrie heeft het moeilijk en heeft deafgelopen paar jaar te maken met een verslechterend investeringsklimaat.Sinds het tweede kwartaal van 2023 laten de data van het CBS zien dat ersprake is van een afname van productie binnen de Nederlandse industrie.In het tweede kwartaal van 2024 is de productie ten opzichte van hettweede kwartaal in 2023 met 3,4% afgenomen. Deze daling wordtveroorzaakt door een terugloop van productie in onder andere demachinebouwindustrie, gecombineerd met de productiedaling in deenergie-intensieve industrie sinds 2022. Hierbij spelen verschillendebelemmeringen een rol. De Nederlandse industrie wordt geconfronteerdmet een teruglopende vraag naar industriële producten, mede doorafnemende productie binnen de Duitse industrie. Tevens spelen een tekortaan productiemiddelen en arbeidskrachten, en relatief hoge energieprijzenin Nederland en de EU (sinds 2022) een belangrijke rol. In welke matedeze factoren bijdragen is verschillend per bedrijfstak. Momenteel lijkt deindustriële productie zich te stabiliseren.102Waaruit blijkt dat Nederlandse industrie een koploperspositie heeft in dewereld met betrekking tot het verduurzamen van de industrie?AntwoordIn de monitor van het bedrijvenbeleid11 worden verschillende interna-tionale indicatoren getoond. (www.bedrijvenbeleidinbeeld) wordenverschillende internationale indicatoren getoond. Zij geven een gemengdbeeld van de verduurzamingsprestaties van de industrie. Zo toont deindicator over relatieve emissie-intensiteit (broeikasgasuitstoot industrieexcl. afval, per kilo, per euro bruto toegevoegde waarde) weliswaar eenverbetering in de periode 2017–2021, maar een achterstand ten opzichtevan andere EU-lidstaten. Hierbij is het van belang om rekening te houdenmet het feit dat de samenstelling van de Nederlandse industrie afwijkt vandie van andere EU-landen: Nederland kent van oudsher een relatief groteenergie-intensieve basisindustrie. Een andere indicator is gebaseerd op deNEa-analyse over de ontwikkeling van de efficiëntie van de industriëleinstallaties in het ETS in Nederland. Deze laat zien dat alleen de bedrijfstakpapier en papierwaren beter presteert dan de ETS-benchmarks, demaatstaven voor emissies-efficiëntie (doorgaans in kilo CO2 per kiloproduct); overige bedrijfstakken presteren onder de maatstaf. Individueleinstallaties kunnen echter wel efficiënter zijn.Er zijn ook andere manieren om naar een koploperspositie te kijken. Zoheeft TNO (Portfolioanalyse 2022 TNO-2022-R11324.pdf) in opdracht vanhet Ministerie van EZK gekeken naar de relatieve sterktes van deNederlandse kennisinstellingen, bedrijfstakken en technologieën voor eenelftal innovatieopgaven en vier vernieuwingsopgaven (de portfolio) op hetterrein van verduurzaming en digitalisering. Daaruit bleek dat deNederlandse positie (ten opzichte van de EU-15 landen) op de meesteinnovatie-opgaven overwegend goed is; dit betekent dat er een sterke,brede basis ligt waarop kan worden voortgebouwd door te innoveren.12103Hoeveel subsidie is er voor de industrie beschikbaar om te verduur-zamen? Kunt u dit onderverdelen in geld voor de verschillende subsidie11Bedrijvenbeleid in beeld (www.bedrijvenbeleidinbeeld.nl)12Portfolioanalyse 2022 – HoofdrapportageTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 642 regelingen, de maatwerkafspraken, infrastructuur en schone energie-bronnen?AntwoordZie het antwoord op vraag 39.104Hoe beoordeelt u de waarschuwingen van het PBL dat het budget voor demaatwerkafspraken niet voldoende zal zijn om de industriële clusters inNederland te verduurzamen? Kunt u een onderbouwing geven voor hetbudget dat nodig is per industrieel cluster of per industriële technologieom te verduurzamen en een maatwerkafspraak te sluiten?AntwoordVoor de verduurzaming van de Nederlandse industrie en de industriëleclusters zijn meer financiële en niet-financiële maatregelen nodig danalleen de maatwerkafspraken en het daarvoor gereserveerde budget.Naast de maatwerkmiddelen zijn er verschillende generieke regelingenbeschikbaar om de industrie te ondersteunen bij de verduurzaming. Hetbenodigde budget voor het verduurzamen van een industrieel cluster oftechnologie is afhankelijk van veel factoren en is niet zomaar te geven.Voor het maken van maatwerkafspraken onderhandelt het kabinet met deindividuele bedrijven. Het uitgangspunt daarbij is een wederzijdscommitment en wederkerigheid in de afspraken. De getekende Expres-sions of Principles (EoP’s) zijn leidend voor het maken van een inschattingvan het benodigde budget. De EoP’s zijn de eerste stap naar de uiteinde-lijke maatwerkafspraken.105Wat betekent het optimaliseren van de nationale gasproductie onder hetkopje «Gasleveringszekerheid» concreet voor de winning uit kleinegasvelden?AntwoordHet kabinet heeft de ambitie uitgesproken om de gaswinning op deNoordzee op te schalen. De productie van aardgas op de Noordzee zal dekomende jaren sterk afnemen als er geen maatregelen worden genomen.Daarom zullen er tussen de sector en de overheid afspraken wordengemaakt over hoe de investeringsbereidheid kan worden vergroot, risico’skunnen worden verkleind en er meer exploratieactiviteiten zullen wordenuitgevoerd. Deze afspraken zullen worden vastgelegd in een sectorak-koord.106Hoe is vastgelegd in de voorwaarden voor nieuwe Liquefied naturalgas-terminals (Lng) dat ze ook gebruikt kunnen worden voor de opslagvan waterstof?AntwoordEr gelden geen wettelijke voorwaarden voor nieuwe LNG terminals dat zeop termijn voor andere doeleinden moeten worden hergebruikt. Wel geldter een m.e.r.-beoordelingsplicht bij de bouw van een terminal bestemdvoor de invoer, opslag en overslag van aardgas. Daarvoor moet altijd eenMilieueffectrapport (MER) worden opgesteld ten behoeve van debesluiten over de vergunningen. De MER-Commissie kan in haarrichtlijnenadvies aandachtspunten t.o.v. hergebruikmogelijkhedenopnemen. Daarnaast zijn bedrijven zich bewust van het feit dat de EU in2050 klimaatneutraal dient te zijn en dat de prijzen voor fossiele brand-stoffen, waaronder LNG, zullen oplopen in de komende decennia medevanwege ETS1 en ETS2 wetgeving. Mede door deze prijsstijging is deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 643 verwachting dat de vraag naar en het gebruik van LNG zal afnemen, enzullen terminal-eigenaren worden uitgedaagd om op een gegevenmoment «om te schakelen» naar duurzame alternatieven. Dit kanoverigens ook bio-LNG of synthetisch methaan betreffen waarvoorombouw niet of beperkt noodzakelijk is. Om de technische en wettelijke(on)mogelijkheden voor hergebruik van LNG-infrastructuur voor water-stofdragers beter in beeld te krijgen voert TNO op dit moment voor hetMinisterie van KGG een onderzoek uit. Het eindrapport zal in Q1 2025worden gepubliceerd en aan de Tweede Kamer worden aangeboden.107Wat staat in absolute euro’s op de post nog niet ingevuld/vrij te bestedenin tabel 15?AntwoordHet percentage «nog niet ingevuld/vrij te besteden» staat op 0%, ditbetekent dat er geen middelen beschikbaar zijn waarvoor geen invullingis. De middelen zijn ofwel juridisch verplicht (wegens wetsgebondenafspraken of reeds aangegane verplichtingen), ofwel bestuurlijkgebonden, ofwel beleidsmatig gereserveerd. Beleidsmatig gereserveerdbetekent dat het budget is gereserveerd voor specifieke beleidsdoelen ofplannen, maar dat het budget desgewenst nog wel ingezet kan wordenvoor andere doelen omdat hier geen juridische verplichtingen dan welbestuurlijke afspraken aan zijn verbonden.108Hoeveel budget is er uitgetrokken voor de publiekscampagne «Zet ook deKnop om»? Welk deel van dit budget is specifiek gereserveerd voor decirculaire economie en welk deel voor het stimuleren van hergebruik?AntwoordOnder de koepel «Zet ook de knop om» wijzen sinds 2023 de MinisteriesKGG, VRO, I&W en LVVN het algemeen publiek, bedrijven en organisatiesop mogelijkheden om in hun eigen leefomgeving «de knop om te zetten»en zo bij te dragen aan een beter klimaat. Dit gebeurt aan de hand van vierklimaatthema’s: anders wonen (inclusief anders met energie omgaan),anders eten, anders met spullen omgaan en anders reizen. De Rijksover-heidscampagne laat zien wat de overheid, bedrijven en burgers zelf aldoen én nog kunnen doen. Alle klimaatthema’s komen het hele jaar doorterug in de (online) campagne en een aantal daarvan komt terug indeelcampagnes van de betrokken departementen onder het Zet ook deknop om-label.In 2024 was het hoofdthema van de koepelcampagne «anders met spullenomgaan». De begroting voor de klimaatcampagne in 2024 was€ 4.265.000 afkomstig uit het Klimaatfonds. Voor 2025 is voorzien om hetthema «anders met energie omgaan» centraal te zetten. De verwachting isconform 2024 hier € 4.265.000 uit het Klimaatfonds voor in te zetten. Er isgeen specifiek deel van het campagnebudget gereserveerd voor decirculaire economie en voor het stimuleren van hergebruik.109Wat betekent het schrappen van het Nationaal Groeifonds (NGF) voor hetvrijvallen van middelen waarbij sprake is van onderuitputting?AntwoordHet schrappen van het Nationaal Groeifonds (NGF) heeft geen effect op desystematiek van het vrijvallen van NGF-middelen. Voor de middelen vanhet NGF geldt een 100% eindejaarsmarge. Dit geldt zowel voor middelenop de begroting van het NGF, als voor NGF-projecten op departementaleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 644 begrotingen. Dit betekent dat in beginsel 100% van de onderuitputtingdoorgeschoven kan worden naar het volgende jaar. In het volgende jaarkunnen deze middelen dan tot besteding komen.110Welk percentage van de projecten Opwek Energie op Rijkvastgoed is incoöperatief of lokaal eigendom?AntwoordEr zijn op dit moment al wel dergelijke projecten getenderd maar nog nietgerealiseerd. Daarom is nog geen sprake van eigendom en is dus niet tezeggen welk percentage daarvan lokaal is. Met het programma OERonderschrijven we het algemeen streven naar 50% lokaal eigendom. In lijnmet de OER aanpak passen gemeenten of provincies projecten in binnenhun ruimtelijk beleid. Om die reden zijn zij ook verantwoordelijk om beleidte maken voor lokaal eigendom. Om gemeenten en provincies hierbij teondersteunen is recent vanuit het programma OER in overleg met hetNationaal Programma RES (NPRES) een handreiking gepubliceerd op dewebsite van NPRES. Hiermee wordt uitgelegd hoe gemeenten enprovincies invulling kunnen geven aan lokaal eigendom bij OER projectenop areaal van RWS.111Waarom wordt er alleen in 2026 geïnvesteerd in de opslag van waterstof?AntwoordDe middelen voor 2026 worden ingezet voor de uitvoering van het eerstewaterstofopslagproject in Nederland (project Hystock in Zuidwending).Via (financiële) risicodeling worden de investeringsrisico’s verkleind enwordt de realisatie van de eerste 4 cavernes mogelijk gemaakt. Dedaadwerkelijke caverneontwikkeling zal tussen 2029–2034 plaatsvinden.Voor de realisatie van de volgende cavernes zijn additionele klimaatfonds-middelen gereserveerd voor de jaren erna (102 miljoen euro). Momenteelwordt bezien hoe die kunnen worden ingezet om bij te dragen aan derealisatie van voldoende opslagcapaciteit.112Welke concrete plannen zijn er voor de uitbreiding van energie-infrastructuur op het platteland, zoals waterstof- en laadinfrastructuur, omnetcongestieproblemen op te lossen en energietransitieprojecten in dezegebieden te ondersteunen?AntwoordDe concrete plannen voor uitbreiding van energie-infrastructuur vanNederland vindt u in de investeringsplannen van TenneT, Gasunie en deregionale netbeheerders. Al deze projecten zijn nodig om huidige entoekomstige netcongestieproblemen op te lossen of te voorkomen.Netbeheerders maken in hun investeringsplan geen onderscheid tussenprojecten op het platteland, stedelijk gebied of anderszins. Bij deuitvoering van deze projecten hebben netbeheerders met verschillendeknelpunten te maken. TenneT heeft in haar investeringsplan 2024–2033 ditjaar een bijlage toegevoegd waarbij per vertraagd project is aangegevenaan welk type knelpunt dit ligt zoals tekort personeel, geen mogelijkheidom verbinding tijdig uit te schakelen (VNB) of vergunningen (grondver-werving, overeenkomsten met landeigenaren, ruimtelijke inpassing enstikstof). Om de realisatiekracht te vergroten versnellen we met hetMeerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK) debesluitvorming over de aanleg van de benodigde energie-infrastruc-tuurprojecten, geven we bepaalde projecten meer prioriteit in deinvesteringsplannen van de netbeheerders en proberen we knelpunten bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 645 de realisatie van projecten weg te nemen. Zo werkt het kabinet aanvereenvoudigen en versnellen van vergunningverlening en doet daarbijvoorstellen voor aanpassingen aan wet- en regelgeving. Daarnaastverkent het kabinet of een bredere stikstofaanpak voor energie-infrastructuur juridisch haalbaar is. Voor de kerst wordt de Kamergeïnformeerd over de nieuwe projecten die tot het MIEK zijn toegelaten,over wettelijke versnellingsmaatregelen en over de bredere stiksto-faanpak. Ten aanzien van de meest acute netcongestieproblematiek wordtde Kamer in november geïnformeerd middels de LAN-brief.113Wat zijn de overwegingen om de gereserveerde middelen voor desubsidie CO2-vrije gascentrales geheel door te schuiven naar het jaar2030?AntwoordZie het antwoord op vraag 44.114Waar wordt de subsidie voor CCS aan besteed buiten de 2 miljoen dienaar het Clean Energy Transition Partnership (CETP) gaat? Hoeveelhiervan gaat naar bedrijven?AntwoordOp de begroting (artikel 31) staat € 3.369.000 voor het jaar 2025 gereser-veerd voor de ondersteuning van Research and Development van CCS. Ditzijn kasmiddelen om de projecten uit de CETP-calls van 2022 en 2024 tefinancieren. Ook bevat dit bedrag nog de laatste betalingen aan deprojecten die onder het ACT-onderzoeksprogramma vallen, de voorlopervan het CETP-programma. Daarnaast wordt hieruit de «zeef-studie»bekostigd waarmee jaarlijks wordt vastgesteld of er kostenefficiëntealternatieven zijn voor CCS-projecten, als onderdeel van de SDE++. In2025 wordt er wederom 2 miljoen beschikbaar gesteld voor het CETPprogramma. De onderzoeksprojecten worden uitgevoerd dooronderzoeksinstellingen en bedrijven. Welk deel hiervan specifiek naarbedrijven gaat, verschilt per onderzoeksproject.115Hoeveel is er in totaal gereserveerd voor subsidies aan CCS?AntwoordOm de tijdige realisatie van CCS te bevorderen is er geld uit het Klimaat-fonds beschikbaar gesteld. Hieruit wordt ook in 2025 een aantal subsidie-beschikkingen afgegeven aan Energie Beheer Nederland (EBN B.V.)waarmee zij gezamenlijk met de operators de geschiktheid van verschil-lende potentiële opslaglocaties kan onderzoeken. Voor 2025 bedraagt ditbegrote bedrag € 11.930.000 (artikel 31).Ook staat er op de begroting (artikel 31) € 3.369.000 voor het jaar 2025gereserveerd voor de ondersteuning van Research and Development vanCCS. Deze middelen gaan naar projecten die onder het Clean EnergyTransition Partnership (CETP) subsidie ontvangen. Daarnaast gaan ervanuit bredere subsidieregelingen, zoals de DEI+ en de TSE-haalbaar-heidsstudies ook gelden naar studies en onderzoeksprojecten op hetgebied van CO2-afvang, transport, opslag of hergebruik.Op de begroting van het Ministerie van Klimaat en Groene Groei van 2025is voorzien in een openstelling van de SDE in het jaar 2025. De SDE++staat open voor CO2-reducerende technieken, waaronder CCS. Het is nietmogelijk om vooraf aan te geven hoeveel SDE++-subsidie voor CCSTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 646 gereserveerd is, omdat dit afhankelijk is van het aantal subsidieaanvragenvoor CCS en hoe kosteneffectief deze zijn ten opzichte van andereSDE++-aanvragen. Over de voorwaarden van de 2025-ronde van deSDE++ wordt de Tweede Kamer in het eerste kwartaal van 2025geïnformeerd.116Hoeveel van de post overige subsidies is gereserveerd voor WarmtelinQ?AntwoordHieronder een uitsplitsing van de post overige subsidies in duizendtallen.20252026202720282029Subsidies Overig18.50140.99347.91119.84217.842Investeringssubsi-die WarmtelinQ0018.92500ExploitatiesubsidieWarmtelinQ20.00020.00019.00017.000Overig18.50120.9938.986842842 117Hoeveel fte is er beschikbaar op het ministerie voor energiecoöperaties?AntwoordEnergiecoöperaties is een onderwerp dat mijn aandacht heeft, zowelvanuit de maatschappelijke kant als vanuit de rol die energiecoöperatieskunnen spelen in de ontwikkeling van de decentrale kant van hetenergiesysteem. Daarbij bouw ik voort op de reactie van mijn voorgangereerder dit jaar op de initiatiefnota «Energie met Elkaar» van het lid Kröger.Binnen de Rijksoverheid en het ministerie werken we aan een visie openergiecoöperaties in het energiesysteem, bieden we handelingsperspec-tieven aan gemeenten voor het benutten van energiecoöperaties en hetstimuleren van lokaal eigendom, zorgen we dat de sector onderbegeleiding van NEN werkt aan kwaliteitseisen aan energiecoöperaties,werken we een wettelijk kader uit om het delen van energie verder uit tebreiden, en werken we interdepartementaal met het Ministerie van BZKaan ruimte voor maatschappelijk initiatief. Daarnaast is er het ontwik-kelfonds en de Subsidieregeling Cooperatieve Energieopwekking (SCE)om energie coöperaties te ondersteunen in hun oprichting en bij deopwek van hernieuwbare energie. Dit betekent dat de inzet van het aantalFTE verspreid is over verschillende organisatie onderdelen en varieertdoor de tijd heen. Het ministerie weegt zorgvuldig af hoeveel inzet ernodig is om op de diverse terreinen, waaronder energiecoöperaties, tewerken aan een duurzaam, betrouwbaar en betaalbaar energiesysteem.118Hoe draagt de geplande investering in CO2-vrije gascentrales bij aan hetwaarborgen van een stabiele energievoorziening voor plattelandsge-bieden?AntwoordCO2-vrije gascentrales zijn uiteindelijk nodig voor de leveringszekerheidvan elektriciteit in heel Nederland en daarmee ook voor plattelandsge-bieden.119Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 647 Welke concrete maatregelen worden genomen om te voorkomen dat dedoorschuiving van de middelen voor CO2-vrije gascentrales naar 2030 dehaalbaarheid van de nationale klimaatdoelen in 2030 in gevaar brengt?AntwoordZie ook het antwoord op vraag 44. Met de brief van 29 januari 2024(Tweede Kamer 2023–2024, 31 239, nr. 386) heeft de Minister voor Klimaaten Energie aangegeven de focus te verleggen van een investeringssub-sidie naar een exploitatiesubsidie. De middelen voor CO2-vrije gascen-trales dragen vanwege de beperkte beschikbaarheid van waterstof enwaterstof-infrastructuur voor 2030, primair bij aan het streven naarCO2-neutraliteit in 2035 voor de elektriciteitssector.120Welke strategie heeft u in gedachten voor de middellange termijn om deleveringszekerheid te garanderen?AntwoordOm de leveringszekerheid van aardgas op de middellange termijn teversterken, neemt het kabinet maatregelen aan zowel de vraagkant als deaanbodkant.Aan de vraagkant is energiebesparing van groot belang. Het kabinet kiestervoor om sterk in te zetten op energiebesparing middels het NationaalProgramma Energiebesparing. Energie die we niet gebruiken, hoeven weook niet op te wekken, te betalen, te importeren of te transporteren.Energiebesparing draagt daardoor direct bij aan de betaalbaarheid,vermindert de behoefte (en daarmee de schaarste) aan fossiele brand-stoffen en hernieuwbare bronnen, en daarmee ook de afhankelijkheid vanandere landen.Aan de aanbodkant neemt het kabinet maatregelen om enerzijds deproductie van gas in Nederland op peil te houden, bijvoorbeeld via hetversnellingsplan gaswinning Noordzee. Ook zet het kabinet in opdiversificatie van import en het op peil houden – en waar nodig uitbreiden– van LNG-importcapaciteit, conform adviezen van GTS. Zo wordt decapaciteit van de GATE- en EET-terminal uitgebreid en onderzoekt hetkabinet in samenwerking met Gasunie en Vopak de mogelijkheden vooreen verlenging van de exploitatie van EET in de Eemshaven.13 Tot slot, ishet van groot belang dat alternatieve energiebronnen voldoende wordenopgeschaald (zoals waterstof en groen gas) om de huidige vraag naaraardgas te vervangen.Naast maatregelen aan de aanbod- en vraagzijde, zet het kabinet in op hetversterken van het gassysteem, onder andere met het wetsvoorstelbestrijden energieleveringscrisis. Dit wordt onder meer gedaan doorstructurele vulmaatregelen voor de ondergrondse gasopslagen te treffen.Het wetsvoorstel wordt op de korte termijn geconsulteerd.14De Tweede Kamer ontvangt op reguliere basis een stand van zaken vanbovengenoemde maatregelen via de Kamerbrieven update gasleverings-zekerheid. Het kabinet baseert zich onder andere op analyses van GasunieTransport Services (GTS) en van het European Network of TransmissionSystem Operators for Gas (ENTSO-G).Voor wat betreft leveringszekerheid elektriciteit kijken de Monitorleveringszekerheid van TenneT en de European Resource Adequacy13Kamerstuk 29 023, nr. 51914Kamerstuk 29 023, nr. 494Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 648 Assesment van European Network of Transmission System Operators forElectricity (ENTSO-E) jaarlijks op nationaal respectievelijk Europees niveaucirca tien jaar vooruit. De Minister voor Klimaat en Energie heeft de Kamerper brief van 11 maart 2024 over de borging van de leveringszekerheidvan elektriciteit geïnformeerd.15 Het kabinet zal de Kamer eind 2024 naderinformeren over de leveringszekerheid van elektriciteit in lijn met de op5 maart 2024 aangenomen motie van de leden Erkens en Grinwis.16121Welke technologieën die leveringszekerheid kunnen garanderen heeft u inoverweging en welke van deze technologieën acht zij kansrijk?AntwoordVoor wat betreft elektriciteit bepalen interconnectie, (batterij)opslag,(CO2-vrij) regelbaar vermogen en vraagrespons samen de leveringsze-kerheid. Uitgezonderd de interconnectie, waarin TenneT investeert, is hetaan marktpartijen om hierin te investeren. Elk van de opties (batte-rij)opslag, (CO2-vrij) regelbaar vermogen en vraagrespons heeft velevormen en variaties met elk zijn eigen kenmerken qua omvang, duur ensnelheid van op- en afregelen. Deels zijn deze complementair en deelsonderling uitwisselbaar, meer van de één maakt dat er minder van deander nodig is. Door de relatief grote interconnectiecapaciteit dieNederland heeft, kan de benodigde flexibiliteit ook deels van buitenNederland komen.122Hoeveel geld is er beschikbaar voor de ombouw grootverbruikers omfinancieel bij te dragen aan de noodzakelijke aanpassingen van installatiesvan laagcalorisch naar hoogcalorisch gas? Wordt het voldoen aan deenergiebesparingsverplichting als voorwaarde gesteld?AntwoordVoor de grootverbruikers die het verboden is laagcalorisch gas uit hetgastransportnet te onttrekken (artikel 10g, eerste lid, van de Gaswet) isvoorzien in een nadeelcompensatieregeling (artikel 10m van de Gaswet).Aan welke voorwaarden moet zijn voldaan om in aanmerking te komenvoor nadeelcompensatie is uitgewerkt in de Beleidsregel nadeelcompen-satie verbod laagcalorisch gas grootste afnemers. In de Uitvoeringsre-geling nadeelcompensatie verbod laagcalorisch gas grootste afnemers isuitgewerkt wanneer een aanvraag kan worden ingediend. Een van devoorwaarden is dat een aanvraag pas kan worden ingediend nadat deafnemer is omgeschakeld naar hoogcalorisch gas. Nadeelcompensatie iseen vergoeding voor eventuele door het verbod veroorzaakte oneven-redige schade die uitgaat boven het normaal maatschappelijke risico,bijvoorbeeld omdat een afnemer investeringen moet doen in aanpassingvan zijn installatie of andersoortige schade zoals terugkerende operati-onele kosten. Zoals blijkt uit de Beleidsregel en de Regeling, wordt bij debeoordeling van een aanvraag de opgevoerde schade getoetst, met namemet als doel vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van onevenredigeschade door het verbod die niet kon worden voorkomen door de afnemer.Deze toets staat los van de vraag of de betreffende afnemer voldoet aande energiebesparingsplicht. Overigens geldt wel dat gasgestooktecentrales worden verduurzaamd, hierop wordt in het antwoord op vraag44 verder ingegaan. Er is een reservering opgenomen voor de situatie datnadeelcompensatie in het kader van deze regeling moet worden uitge-keerd. Deze reservering bedraagt op dit moment € 78 miljoen, groten-deels op de Aanvullende Post.15Kamerstuk 29 023, nr. 48716Kamerstuk 36 197, nr. 15Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 649 123Hoeveel euro betalen huishoudens zonder zonnepanelen gemiddeld opjaarbasis aan hun energieleverancier om de kosten van huishoudens metzonnepanelen te dekken?AntwoordOnderzoekers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben op basis vandata uit 2021 berekend dat de rekening van een huishouden zonderpanelen 129 euro op jaarbasis, omgerekend zo’n 14%, hoger lag door desalderingsregeling.17 De ACM heeft de meerkosten van mensen metzonnepanelen in het voorjaar van 2024 onderzocht. De ACM schat opbasis van de verzamelde informatie bij verschillende leveranciers dekosten voor een leverancier van een gemiddelde klant met zonnepanelenin 2023 op jaarbasis enkele honderden euro’s hoger waren dan van eenvergelijkbare klant zonder zonnepanelen. Deze kosten worden inmiddelswel deels doorberekend aan de mensen met panelen zelf via teruglever-kosten. De verhouding tussen deze doorberekende kosten en de kostendie bij alle afnemers in rekening gebracht worden, is niet onderzocht.124Hoe wordt het resterende budget naar aanleiding van het amendementErkens (Kamerstuk 36 410 XIII, nr. 20), ter waarde van de resterende45 miljoen euro, verdeeld binnen de verschillende genoemde invullings-doeleinden, en hoe is de verhouding proceskosten en budget voor dedaadwerkelijke uitvoering?AntwoordVan de € 55 miljoen uit het amendement-Erkens is nog ca. € 45 miljoenbeschikbaar in 2025 en 2026. Deze zullen worden ingezet voor 1) desubsidieregeling vergroten flexibel vermogen en 2) de aansprakelijkheids-regeling energiehubs. De verdeling van middelen is als volgt:1.Subsidieregeling vergroten flexibel vermogen•Flexibiliteitsscans – 29 miljoen•Realisatie van flexibel vermogen – 15 miljoenDe uitvoeringskosten zijn onderdeel van bovenstaande budgetten enworden totaal op ca. € 2 miljoen geschat (4%). Dit betekent dat€ 42 miljoen als subsidie beschikbaar zal komen in 2025 en 2026 voorbovenstaande onderdelen.2.Aansprakelijkheidsregeling energiehubs – 1 miljoen125Welke concrete projecten worden gefinancierd met de stikstofaanpakpiekbelasters industrie?AntwoordIn de Kamerbrief «Voortgang verduurzaming industrie» van 10 oktober2024 is dit toegelicht: In oktober 2024 is een maatwerksubsidie van€ 11,3 miljoen aan ROCKWOOL B.V. verleend voor de inzet van een nieuwbindmiddel. Hiermee zal ROCKWOOL B.V. bovenwettelijk 42.000 kilogramammoniak reduceren. Eerder is een maatwerksubsidie verleend aan YaraSluiskil van € 11,5 miljoen voor de installatie van een nageschakeldeWESP-technologie (Wet Electrostatic Precipitator). Hiermee reduceert YaraSluiskil bovenwettelijk 31.000 kilogram ammoniak en 48.000 kilogramammoniumnitraatstof. Ten slotte wordt naar verwachting binnenkort eenregeling gepubliceerd die is gericht op de reductie van bovenwettelijke17Masciandaro, Carlotta and Mulder, Machiel and Kesina, Michaela, Distributional Effects of theDutch Net-Metering Scheme for Residential Solar Panels (September 28, 2024)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 650 ammoniakemissie bij grote (IPPC) installaties18. Binnen de groep vanindustriële piekbelasters wordt circa 90% van de ammoniakemissie bijdergelijke installaties uitgestoten door vijf bedrijven. Hiervoor is eenbudget van € 54 miljoen beschikbaar. De verwachting is dat dezesubsidiemodule leidt tot een jaarlijkse ammoniakreductie tussen de150.000 en 200.000 kilogram. Naar verwachting wordt in het voorjaar van2025 helder welke projecten door middel van deze subsidie wordengestart.126Klopt het dat klimaatfinanciering betaald wordt uit de begrotingen vanK&GG, Financiën en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking(BHOS)?AntwoordVoor een overzicht van de klimaatfinanciering verwijs ik u graag naarbijlage 7 – internationale klimaatfinanciering voor ontwikkelingslanden2025 – in de HGIS nota 2025.127Welke bedragen zijn er op de begroting van K&GG, respectievelijk debegrotingen van Financiën en Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssa-menwerking (BHOS), gereserveerd voor klimaatfinanciering, aangezien opde begroting van BHOS jaarlijks structureel € 2,4 miljard + € 250 miljoenzal worden bezuinigd?AntwoordZoals beschreven in bijlage 7 van de HGIS nota 2025, is voorzien datrespectievelijk € 800 miljoen aan internationale klimaatfinanciering zalworden gerealiseerd vanuit de begroting van Buitenlandse Handel enOntwikkelingshulp en € 100 miljoen vanuit de begroting van Financiën.Deze inschattingen zijn gebaseerd op de begroting 2025.Voor wat betreft klimaatfinanciering zijn er geen budgetten op deKGG-begroting voor 2025 die hieraan direct bijdragen.128Hoe voorkomen we dat we op het gebied van kernenergie teveel gaanleunen op externe kennis of kennis uit andere landen?AntwoordOm ook in Nederland nucleaire kennis en vaardigheden op te bouwenwordt er gewerkt aan de uitvoering van het Meerjarig MissiegedrevenInnovatie Programma (MMIP) Kernenergie. In dit MMIP, dat eind 2023 isgepresenteerd aan de Tweede Kamer, worden verschillende kennis- eninnovatievraagstukken beantwoord aan de hand van acht thema’s. Eenintegrale human-capitalagenda is hier ook onderdeel van.Daarnaast onderzoekt het kabinet ook de mogelijkheden en kansen voorde Nederlandse (maak)industrie tijdens verschillende fases van hetnieuwbouwproject en hoe dat in het selectieproces kan wordenmeegenomen.Het is in het domein nucleair bij uitstek noodzakelijk om op te trekken metandere landen en internationale organisaties, zoals bijvoorbeeld de IAEA,en te kijken wat wij kunnen leren van andere projecten uit het buitenland.Het kabinet zoekt daarom naar een balans tussen wat we met de18IIPPC installaties zijn installaties die vallen onder de Richtlijn Industriële Emissies (RIE), eenEU-instrument om de verontreiniging van industriële installaties te reguleren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 651 Nederlandse (maak)industrie kunnen realiseren en welke kennis en kundeonvermijdelijk uit het buitenland zal komen.129Wat is de verwachting van de hoeveelheid olie die Nederland in 2040 nogzal importeren? En hoeveel in 2050?AntwoordVooropgesteld, het ramen van de olie-importen in 2040 en 2050 is metgrote onzekerheid omgeven. De benodigde import hangt namelijk samenmet het verloop van de energietransitie.De KEV 2022 geeft op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid aandat er in 2040 netto 1691 PJ (40.4 miljoen ton olie-equivalent, Mtoe) aanruwe aardolie en olieproducten worden geïmporteerd in Nederland.597 PJ (14,3 Mtoe) hiervan is bedoeld voor bunkering. De KEV 2022 bevatgeen cijfers voor 2050.Voor een schatting van olie-importen onder de aanname van aanvullendbeleid, kan worden gekeken naar een studie van TNO (mei 2024) dietwee scenario’s bevat: ADAPT en TRANSFORM. In beide toekomstbeeldendalen de broeikasgasemissies en worden de klimaatdoelstellingengehaald. De manier waarop dat gebeurt verschilt. De Nederlandsemaatschappij streeft in ADAPT naar het handhaven van de huidigelevensstijl en behoud van de economische structuur, waaronder eensterke industriesector. In TRANSFORM zijn de Nederlandse en Europeseburgers bereid hun gedrag aan te passen met als motivatie hunCO2-voetafdruk te verkleinen.Beide scenario’s modelleren het primaire energie-aanbod van olie in 2040en 2050, inclusief bunkerbrandstoffen. Aangezien de Nederlandseolieproductie in 2040 en 2050 minimaal zal zijn, geeft het primaireenergie-aanbod een indicatief beeld van de te verwachten import van olieten behoeve van de Nederlandse vraag. In 2040 bedraagt het primaireenergie-aanbod voor olie volgens ADAPT 1138 PJ (27,2 Mtoe) en volgensTRANSFORM 791 PJ (18,9 Mtoe). In 2050 bedraagt het primaire energieaanbod voor olie volgens ADAPT 724 PJ (17,3 Mtoe) en volgensTRANSFORM 241 PJ (5,8 Mtoe).130Met hoeveel zullen de ontvangsten op de K&GG-begroting naarverwachting toenemen vanaf 2027 door de implementatie van EmissionTrade System (ETS)-2?AntwoordDe ontvangsten van het ETS2 vindt u in tabel 19 op de K&GG-begroting.Het ETS2 start in 2027. De verwachte inkomsten betreffen 3,6 miljard in2027, 2,65 miljard in 2028 en 2,2 miljard in 2029.131Kunt u de te verwachten veilinginkomsten van de ETS2 en ETS1opsplitsen per sector?AntwoordDe veilinginkomsten kunnen niet worden opgesplitst per sector omdatETS-emissierechten niet bestemd zijn voor specifieke sectoren. Wel isonderscheid mogelijk tussen inkomsten door veiling van emissierechtenin het ETS1 (zware industrie, elektriciteitssector, luchtvaart en zeevaart) enETS2 (gebouwde omgeving, mobiliteit, kleine industrie en deelsectoren inde landbouw). Deze uitsplitsing staat in tabel 19 op de K&GG-begroting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 652 132Is het mogelijk om de tenderopbrengsten vanuit de wind-op-zeekavelsstructureel toe te voegen aan de K&GG-begroting, gezien de grote kostendie gemaakt moeten worden voor de aanleg van de netten op zee?AntwoordDe begrotingsregels stellen dat inkomsten en uitgaven strikt gescheidendienen te blijven, en daarmee vloeien tenderopbrengsten vanuit dewind-op-zeekavels naar de algemene middelen. Hier kan bij hogeuitzondering vanaf geweken worden, zoals is gebeurd bij de tenders vanHollandse Kust (west) kavels VI en VII en IJmuiden Ver kavels Alpha enBeta. De bekostiging van het Net op Zee loopt niet geheel via deKGG-begroting. De financiering van de Netten op Zee worden deelsbekostigd via de nettarieven, met een voorfinanciering direct vanuit hetMinisterie van Financiën (staatsdeelnemingen) aan TenneT en deelsbekostigd met een subsidie van in totaal € 4 miljard aan TenneT welke t/m2040 wordt uitgekeerd. Deze subsidie loopt wel via de KGG-begroting enstaat los van de ontvangsten vanuit de tenders en is gefinancierd vanuitde SDE+. Overigens loopt er momenteel ook een interdepartementaalbeleidsonderzoek (IBO) naar de bekostiging van de elektriciteitsinfra-structuur. De oplevering van het IBO wordt begin 2025 verwacht.133Hoeveel extra zal er dan worden ontvangen vanuit de dividenduitkeringEBN en Ontvangsten Mijnbouwwet, wanneer de aardgaswinning op deNoordzee conform kabinetsplannen wordt opgeschaald?AntwoordOp basis van de prognose van EBN kan er zonder additionele maatregelennog slechts circa 40 miljard m3 gas gewonnen worden op de Noordzee.Voorts is het zo dat als de gaswinning wordt opgeschaald we daar nietgelijk in het volgende jaar een verhoogde productie van zien, maar datditpas na zo’n drie tot vijf jaar merkbaar zal worden in verhoogde productieen daarmee gepaard gaande hogere ontvangsten voor het Rijk. Tevens ishet belangrijk om aan te geven dat het hier gaat om een inschatting,welke door veel (geopolitieke) onzekerheden beïnvloed kan worden, endaarom géén exacte prognose is. Opschaling heeft naar inschatting eenpotentieel van maximaal 150 miljard m3 op de Noordzee. Uitgaande van€ 0,29 per m3 gas (aanname gebaseerd op het gemiddelde van deprognoses voor de komende vijf jaar uit de gasbatenraming), is het totaalaan nog geschatte inkomsten via de gasbaten van € 5,05 miljard.Wanneer het volledige resterende volumepotentieel van 150 miljard m3op de Noordzee gewonnen zou worden, vertegenwoordigt dit eengeschatte waarde van circa € 25,3 miljard aan extra totale ontvangstenaan gasbaten.134Uit welke begroting/middelen zal de kostenveroordeling worden voldaanals de uitkomst van de arbitrage met de NAM, die in 2025 wordt verwacht,zou neerkomen op een kostenveroordeling voor de staat?AntwoordDe toekomstige uitkomst van de procedures wordt niet meegenomen inde begroting. Het kabinet loopt niet vooruit op de dekking van mogelijkefinanciële schade voor de Staat uit hoofde van minder ontvangsten van deNAM dan nu in de begroting geraamd, dan wel voor de Staat eventuelebudgettair nadelige uitspraken van het arbitrage-tribunaal, mocht daarsprake van zijn. Belangrijk is dat een nadelige uitspraak voor bewonersgeen verschil maakt. Dat was juist de reden om NAM vanaf 2018 opafstand te zetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 653 135Waarop is de geschatte aardgasproductie uit kleine velden gebaseerd,zoals vermeld in tabel 20 van de memorie van toelichting?AntwoordDeze wordt berekend op basis van de geschatte volumes in de goedge-keurde winningsplannen. Om deze uit te drukken in euro’s worden dezevolumes vermenigvuldigd met de door het CPB periodiek ingeschattetoekomstige gasprijzen.136In hoeverre is rekening gehouden in de geschatte aardgasproductie, zoalsvermeld in de memorie van toelichting, met nieuwe gasvelden waarvoornog geen definitieve besluitvorming is genomen (zoals bij Ternaard)?AntwoordDe schatting is gebaseerd op goedgekeurde winningsplannen, dus niet opverwachte vergunningen en winningsplannen. Verwachte vergunningenworden dus niet meegenomen in de schatting, vanwege het feit dat ditnog onzekere opbrengsten zijn.137Wat zijn de verwachtingen voor de begroting met betrekking totgaswinning voor de periode van 2024 tot 2030?AntwoordVoor de komende 5 jaar zijn de opbrengsten van de gaswinning geprog-notiseerd op basis van een verwachte gasprijs in cent per kubieke meter,zoals door het CPB opgegeven. Op basis van de verwachte volumesgaswinning uit de goedgekeurde winningsplannen, ontvangt de Staatinkomsten in de vorm van dividend van EBN en inkomsten uit deMijnbouwwet. De inkomsten Mijnbouwwet bestaan uit cijns, winstaan-delen en oppervlakte rechten. De verwachte inkomsten voor de komendevijf jaar zijn in onderstaande tabel weergegeven. De inkomsten X1000vormen de bedragen in euro’s.202420252026202720282029Prijs in ct/m331,335,831,927,925,725,5EBN uit te keren dividend15671020487409293247Mijnbouwwet280150110603030Totaal18471170597469323277 138In hoeverre is het mogelijk om de inkomsten die voortkomen uit deafschaffing van de vrijstelling op het duaal gebruik van kolen in te zettenvoor de verduurzaming van de betalende bedrijven om zo hun verduur-zaming te faciliteren?AntwoordDe vrijstelling voor duaal verbruik van kolen wordt vrijwel alleen gebruiktbinnen de Nederlandse ijzer- en staalindustrie. Het gaat hierbij vrijwelgeheel om één bedrijf: Tata Steel. Het afschaffen van de vrijstelling leidttot een budgettaire opbrengst voor het Rijk. In de onderhandelingen overeen maatwerkafspraak met Tata Steel zal worden meegenomen dat wordtvoorgesteld om de vrijstellingen in de kolenbelasting voor duaal ennon-energetisch verbruik per 2027 af te schaffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 654 139Hoe kijkt u naar het handelingsperspectief om sneller te verduurzamenvan bedrijven die geraakt worden door de afschaffing van de vrijstellingop duaal gebruik van kolen? In hoeverre is dat perspectief er nogvoldoende als deze maatregel wordt genomen?AntwoordHet afschaffen van de vrijstelling voor duaal en non-energetisch verbruikdient met name om het voor de ijzer- en staalindustrie minder aantrek-kelijk te maken om te blijven produceren op basis van kolen. Het zorgt ernamelijk voor dat het gebruik van kolen duurder wordt en duurzamereproductiemethodes financieel relatief aantrekkelijker worden. Delastenverhoging zorgt er echter wel voor dat voor en tijdens de transitievan Tata Steel het verdienvermogen van het bedrijf beperkt wordt,waardoor het bedrijf beperkt wordt in haar vermogen om de transitie-investeringen te financieren. Zoals in het antwoord op vraag 138 isaangegeven, zal in de onderhandelingen over een maatwerkafspraak metTata Steel worden meegenomen dat wordt voorgesteld om de vrijstel-lingen in de kolenbelasting voor duaal en non-energetisch verbruik per2027 af te schaffen.140Hoeveel mensen (fulltime-equivalent) werken aan de oprichting van hetMinisterie van KGG (secundair aan de organisatie, niet de inhoud)?AntwoordDe oprichting van het Ministerie van KGG en feitelijk daarmee deafsplitsing van werkzaamheden zoals die belegd waren bij het voormaligeMinisterie van Economische Zaken en Klimaat vraagt allerlei aanpas-singen in de organisatie(-structuur), de inrichting van IV, ICT en financiëlesystemen etcetera. Indicatief zijn hiermee thans zo’n 15 fte op werkzaam.Dit is in slechts beperkte mate extra capaciteit, maar fte′s die zijnvrijgemaakt uit de staande organisatie om de oprichting vorm te geven.Het is de ambitie dat deze werkzaamheden uiterlijk in het eerste kwartaalvan 2025 weer beëindigd kunnen worden.141Wat zijn de tot nu toe gemaakte kosten voor de oprichting van hetMinisterie van K&GG?AntwoordDat is op dit moment nog niet bekend. De oprichting wordt zoveelmogelijk opgepakt door ambtelijk personeel, waarbij het niet altijdduidelijk is wanneer iets reguliere inzet betreft, of inzet specifiek voor deoprichting van KGG. Naar verwachting vallen de kosten aanzienlijk lageruit dan bij de oprichting van eerdere nieuwe ministeries, doordat gekozenwordt voor een model waarin twee ministeries bediend worden dooréén werkorganisatie. Daarbij is het niet noodzakelijk om nieuwe (staf)di-recties op te zetten voor de ondersteuning van het nieuwe departement.Ook worden kosten vermeden door bijvoorbeeld nu geen nieuweemail-adressen aan te maken. Wel is het voorstelbaar dat er doorefficiency-verlies (bijvoorbeeld doordat specifieke besluitvormingsprocessen apartmoeten worden ingericht) extra kosten gemaakt moeten worden. In eenevaluatie van de splitsing van het Ministerie van EZ in EZK en LNV in 2018wordt geschat dat het volledig inrichten van een nieuw ministerieongeveer € 70 mln kost (waarvan € 20 mln incidenteel en € 50 mlnstructureel). De oprichtingskosten voor het Ministerie van KGG zullenbeperkter zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 655 142Wat zijn de totaal verwachte kosten van de oprichting van het Ministerievan K&GG?AntwoordZie beantwoording vraag 141.143Bent u bereid om bij de verdere uitwerking van de Routekaart NegatieveEmissies als uitgangspunt mee te nemen dat hierin geen voorkeur wordtgegeven aan bepaalde technieken?AntwoordHet kabinet wil in de Routekaart Koolstofverwijdering relevante vraag-stukken en feiten op een rij zetten, hier beleidsuitgangspunten uit afleiden,en deze omzetten in concrete instrumenten en andere maatregelen. Zo wilhet kabinet zorgen voor koolstofverwijdering die past bij de rest van onsklimaatbeleid, ons verdienvermogen versterkt, en voorkomt dat koolstof-verwijdering ten koste gaat van emissiereductie. Het kabinet werkt op ditmoment nog aan deze routekaart en wil op een dergelijke keuze nu nietvooruitlopen.144Bent u van plan om in de Routekaart Negatieve Emissies concrete ensubstantiële doelstellingen en volumes op te nemen voor negatieveemissies voor de komende jaren om de ontwikkeling hiervan testimuleren?AntwoordIn zowel het Klimaatplan als de Routekaart koolstofverwijdering zalworden aangegeven met welke volumes (in megatonnen) koolstofverwij-dering het kabinet voor 2040 rekening houdt, en op welke wijze deontwikkeling van koolstofverwijdering zal worden gestimuleerd.145Voor de Warmtenetten Investerings subsidie (WIS) is er vanuit hetKlimaatfonds totaal 972,5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor deperiode 2025–2030, terwijl het bedrag in de begroting tot en met 2029optelt tot circa 435 miljoen; waar wordt het overige bedrag, het verschiltussen bovengenoemde bedragen (ruim 500 miljoen), voorzien?146Wat verklaart het verschil tussen de 972,5 miljoen euro voor de WIS dievanuit het Klimaatfonds beschikbaar is gesteld voor de periode 2025–2030en het bedrag uit de begroting t/m 2029 dat optelt tot +/- 435 mln?147Klopt het dat voor de WIS er vanuit het Klimaatfonds totaal 972,5 miljoeneuro beschikbaar is gesteld voor de periode 2025–2030, terwijl in debegroting het bedrag t/m 2029 op tot +/- 435 mln. telt? Waar wordt hetoverige bedrag, het verschil tussen bovengenoemde bedragen (ruim 500miljoen), voorzien?Antwoord 145, 146, 147Het klopt dat er voor de WIS met de Voorjaarsnota 2024 vanuit hetKlimaatfonds € 972,5 mln. beschikbaar is gesteld voor de periode2025–2030, en dat er op dit moment circa € 435 mln. in de begroting staatt/m 2029. De resterende uitgaven worden voorzien voor de jaren na 2029.De middelen zijn dus nu nog niet zichtbaar omdat de huidige begroting tot2029 loopt, maar staan dus wel op de begroting van KGG.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 656 Het Klimaatfonds loopt t/m 2030, wat betekent dat er t/m 2030 verplich-tingen kunnen worden aangegaan. De kasuitgaven, als gevolg van deeerder aangegane verplichtingen, lopen echter tot ver na 2030 door omdathet plannen en aanleggen van een warmtenet een meerjarig project is. DeWIS schrijft voor dat de startdatum van het project binnen 6 maanden natoekenning van de subsidie moet plaatsvinden, binnen een jaar moet eeninvesteringsbesluit zijn genomen en binnen 3 jaar moet de fysieke aanlegvan het net gestart zijn. Na 7 jaar moet de aanleg voltooid zijn en kan dedefinitieve subsidiehoogte worden vastgesteld.148Hoe wordt gewaarborgd dat biobased grondstoffen de klimaatrechtvaar-digheid niet aantast gezien de mogelijke effecten buiten Nederland?AntwoordHet mondiale aanbod aan duurzame biogrondstoffen is beperkt en devraag zal naar verwachting sterk toenemen. Mede vanuit het perspectiefvan klimaatrechtvaardigheid, vindt het kabinet het daarom belangrijk om(naast de inzet op het verantwoord opschalen van het aanbod) te sturenop zo hoogwaardig mogelijke inzet van biogrondstoffen. Binnen hetenergiesysteem betekent dit dat er waar mogelijk wordt gestuurd opalternatieve energiedragers (elektriciteit, warmte en waterstof) om zo dedruk op de (mondiale) biogrondstoffenvraag te verlichten. Desalnietteminblijven biogrondstoffen essentieel om de klimaat-, energie- en circulari-teitsdoelstellingen te behalen. Om te borgen dat de inzet van biogrond-stoffen duurzaam, verantwoord en zorgvuldig gebeurt heeft het kabinethet duurzaamheidskader biogrondstoffen opgesteld, met daarinduurzaamheidscriteria waar de gebruikte biogrondstoffen aan moetenvoldoen.De Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu en ik zullen u dit jaar nogeen brief toesturen over het duurzaamheidskader en de verdere ontwik-keling hiervan.149Welke specifieke subsidies in de SDE, SDE+, en SDE++ worden gekort alsgevolg van de bezuinigingen van 4 miljard euro in de periode 2025–2029?Wat zijn de gevolgen voor de agrarische sector?AntwoordDe SDE-regelingen subsidiëren het verschil tussen kostprijs van opwekduurzame energieproductie/CO2-reductie en de marktprijs voorenergie/CO2. De bezuiniging van € 4 miljard in 2026–2029 is een bezui-niging op de prijsrisicobuffer in de SDE-middelen, bedoeld om schomme-lingen in kasuitgaven op te vangen. Door deze bezuiniging wordt demarge beperkt om tegenvallers als gevolg van gedaalde energieprijzen opte kunnen vangen. Alle afgegeven beschikkingen voor de SDE, SDE+ enSDE++ zijn juridisch verplicht. Er kan dus niet gekort worden op uitbeta-lingen aan reeds afgegeven beschikkingen. Er zijn daarmee geen directegevolgen voor de agrarische sector in 2026–2029. Wanneer tegenvallersniet uit de SDE-kasmiddelen gedekt kunnen worden, kan dit met debegrotingsreserve duurzame energie en klimaattransitie wordenopgevangen.150Hoe worden de geplande bezuinigingen op de ontwikkeling van batterijenen groene waterstof doorgevoerd? Wat zijn de gevolgen voor projecten inplattelandsgebieden?AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 657 In het Hoofdlijnenakkoord is een bezuiniging aangekondigd van € 1,2 mld.op de ontwikkeling van groene waterstof en batterijen. Het kabinet beoogtde ontwikkeling van de waterstofmarkt te stimuleren met een kleinereinzet van subsidies en vermindert het budget voor waterstof met in totaal€ 1.157 mln. De resterende € 43 mln. van de bezuiniging is in minderinggebracht op de maatregel «invoering batterijverplichting voor zonne-parken». De verwerking van de bezuiniging is weergegeven in hetMeerjarenprogramma 2025 van het Klimaatfonds en in tabel 5 van deKlimaatfondsbegroting. Omdat de bezuiniging is doorgevoerd naar rato,zal de ontwikkeling van waterstof binnen alle betrokken maatregelenminder zijn, maar gaan er naar verwachting geen waterstofmaatregelen inhun geheel niet door. Bij deze maatregelen wordt er in principe geenonderscheid gemaakt tussen de locatie van de projecten, het zijngenerieke regelingen. Wel geldt dat sommige maatregelen inherentlocatiegebonden zijn, zoals bijvoorbeeld het demonstratieproject 1 voorelektrolyse op zee en de opslag in zoutcavernes. Dit betekent dat er op ditmoment geen directe gevolgen zijn voor projecten in plattelandsgebieden.Voor batterijen: het effect van de ombuiging is dat er minder batterijenen/of ander flexibel vermogen geïnstalleerd wordt bij zonneparken. Hetoorspronkelijk gereserveerde budget (zonder ombuiging) kan naarverwachting leiden tot circa 160–330MW batterijen of ander flexibelvermogen bij circa 320–660MW zon-PV. Alhoewel hier geen beleidsdoelenvoor zijn gesteld, is de beschikbaarheid van voldoende flexibel vermogenessentieel voor het toekomstige energiesysteem. Daarnaast leidt eenombuiging ertoe dat er minder grootschalige zonneparken gebouwdkunnen worden vanwege de beperkte netcapaciteit en invoedingscon-gestie. Ook hier worden er op dit moment geen directe gevolgen verwachtvoor projecten in plattelandsgebieden.151Welke kansen ziet u om trajecten die bijdragen aan stikstofverruimingdoor te laten gaan, met als doel op de lange termijn meer ruimte voorstikstof te creëren?AntwoordWe verkennen of een bredere stikstofaanpak voor energie-infrastructuurjuridisch haalbaar is, ook omdat deze projecten stikstofreductie in detoekomst mogelijk maken. In de voortgangsbrief MIEK zal het kabinet deKamer dit jaar nog over deze verkenning informeren.152Hoeveel middelen zijn er beschikbaar voor de verduurzaming van degebouwde omgeving op het platteland, en hoe wordt ervoor gezorgd datlandelijke gemeenten gelijke toegang hebben tot deze financiering alsstedelijke gebieden?AntwoordEr zijn verschillende subsidieregelingen voor de verduurzaming van degebouwde omgeving die in alle gebieden aangevraagd kunnen worden,dus ook in landelijke gemeenten. Er is geen verdeling van het budget naartype gebied. We monitoren wel in welke typen gebieden relatief veelsubsidie wordt toegekend. De Investeringssubsidie duurzame energie enenergiebesparing (ISDE) werd in 2022 en 2023 in niet stedelijk gebiedrelatief het meest toegekend19. Naast landelijke subsidies zijn erregelingen die door gemeentes worden uitgevoerd, zoals de LokaleAanpak Isolatie. Het budget voor de Lokale Aanpak Isolatie lokale wordtmede vastgesteld op basis van het aantal huishoudens met inkomens met19Monitor ISDE NWF 2022 en 2023, CBS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 658 risico op energiearmoede in combinatie met het aantal lage energielabelsin koopwoningen binnen de gemeente. Zo is de lokale aanpak eropgericht dat middelen terechtkomen waar ze het hardst nodig zijn.Aanvullend is het budget voor de collectieve aanpak van kwetsbaredorpen en wijken onder andere voor gemeenten met een relatief hoogaandeel koopwoningen met lage labels en lage inkomens extra engemeenten in grensregio’s extra geld in de lokale aanpak beschikbaargekomen. Dit betreffen veel gemeenten buiten stedelijke gebieden. Voorelke gemeente is het budget gereserveerd, dus er is geen concurrentietussen gemeenten.153In hoeverre worden boerderijen en agrarische bedrijven betrokken bijinitiatieven voor verduurzaming van de gebouwde omgeving, zoalsisolatieprogramma’s en de toepassing van warmtepompen?AntwoordEr zijn diverse subsidie- en financieringsmogelijkheden voor agrarische(en andere) bedrijven en bedrijfsgebouwen, zoals de Energie Investerings-aftrek en een nieuw onderdeel van de Borgstelling voor midden- enkleinbedrijf: BMKB-groen. Ook kunnen agrarische (en andere) onder-nemers voor een subsidie voor een warmtepomp, zonneboiler ofwarmtebron terecht bij de ISDE en de SDE++. Lokaal wordt ook vaaksamenwerking gezocht, bijvoorbeeld om kassen en stedelijke gebouwenop 1 warmtebron en -net aan te sluiten. Voor de woningen bij eenboerderij: zie antwoord 152.154Wat is de wisselwerking tussen prioriteringskader van de ACM voortransportverzoeken bij schaarse netcapaciteit en uw planning inzakeenergie-infrastructuurprojecten?AntwoordMet het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK)werkt het kabinet aan de tijdige realisatie van de energie-infrastructuurvan groot nationaal belang. Zo dragen we onder andere bij aan devoorbereiding en realisatie van elektriciteitsstations en verbindingen,waarbij extra transportcapaciteit wordt gerealiseerd. Met het prioriterings-kader van de ACM kunnen transportverzoeken van partijen die een grootalgemeen belang dienen prioriteit krijgen bij de toekenning van dezetransportcapaciteit.155Kunt u aangeven welke middelen worden uitgetrokken voor de natuurin-clusieve inpassing van projecten voor hernieuwbare opwek op land? Kuntu een inschatting geven van hoeveel subsidie dit is per geproduceerdeeenheid van energie (kWh) en of deze subsidie toereikend is voor debusinesscase van natuurinclusieve energieopwekking?AntwoordIn de SDE++ ronde van 2024 zijn extra categorieën opgenomen voornatuurinclusieve zon-pv projecten. Voor deze categorieën mogenprojecten zich aanmelden indien in de omgevingsvergunning specifiekaangemerkte voorwaarden zijn opgenomen. In juni 2024 is de Kamergeïnformeerd over deze voorwaarden (Kamerstuk 31 239-398). Demeerkosten van deze voorwaarden voor natuurinclusieve inpassing zijndoor het PBL berekend en worden in de SDE++ vergoed, zodat de subsidietoereikend is voor deze aanvullende eisen. De opslag is, wegens schaal-voordelen bij grotere projecten, variabel voor de drie verschillendeschaalgroottes in de SDE++. Voor grondgebonden projecten ≥15 kWp enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 659 <1 MWp wordt een opslag van 0,78 ct/kWh gerekend. Voor grondge-bonden projecten ≥1 MWp en <20 MWp is de opslag 0,43 ct/kWh en voordie >20 MWp 0,36 ct/kWh. In 2025 zullen alleen nog natuurinclusievecategorieën voor zon-pv openstaan.Voor wind op land projecten worden in de SDE++ ook kosten meege-nomen voor natuurinclusieve inpassing. Zo worden de meerkosten vanvogel- en vleermuisdetectiesystemen vergoed binnen alle subsidiecatego-rieën voor wind op land. Omdat voor wind op land alle categorieënrekening houden met natuurinclusieve inpassing, kan het kabinet nietspecifiek vaststellen wat de opslag is voor natuurinclusiviteit bij windpro-jecten op land. Voor meer informatie over de verwerking van demeerkosten voor natuurinclusieve maatregelen binnen de SDE++ subsidieverwijs ik u graag naar het PBL Eindadvies Basisbedragen SDE++ 2024.20Hiernaast is € 25 miljoen beschikbaar gesteld via het gewijzigdamendement van de leden Kröger en Boucke (Kamerstuk 36 410 XIII,nr. 27) voor een kwaliteitsbudget voor wind- en zonprojecten. Dit bedragwordt de komende twee jaar beschikbaar gesteld. De Kamer wordthierover eind van dit jaar geïnformeerd.156Kunt u aangeven hoeveel verschillende subsidieregelingen gestapeldkunnen of moeten worden voor de realisatie van een warmtenet, inclusiefopwek en aansluiting?AntwoordDe onrendabele top van duurzame warmtebronnen (zoals geothermie enrestwarmte) wordt ondersteund met de SDE++, en van warmtenetten viade Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS). De SDE++ subsidie kansamengaan met een bijdrage uit de WIS. In beide instrumenten wordterop toegezien dat er niet twee keer subsidie wordt ontvangen voordezelfde activiteit. Daarnaast zijn er subsidies voor de aanpassing aangebouwen, de zogenaamde inpandige kosten; ISDE voor particulieren,SVVE voor VVE’s en de SAH voor sociale huurders. Deze subsidies zijn tecombineren, maar worden vaak ook los aangevraagd omdat de investe-ringen in bron, net en inpandige kosten op verschillende momentenplaats kunnen vinden. Er wordt momenteel onderzocht in hoeverre hetmogelijk is om vanaf 2026 de ISDE, SVVE en SAH te bundelen om deverschillende types verbruikers beter te kunnen ondersteunen enontzorgen. Daarnaast is er ook laagdrempelige financiering beschikbaarvoor particulieren voor de inpandige kosten en de aansluitingskosten viahet Nationaal Warmtefonds, waaronder een 0% lening voor huishoudensmet een verzamelinkomen tot 60.000 euro.20Eindadvies basisbedragen SDE++ 2024 | Planbureau voor de Leefomgeving (pbl.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXIII, nr. 660

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 80b05c337142b36f

14 okt 2026 · d0a0a21c178875f7

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.