KamerkringInloggen
Kamerbrief

Verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs

27 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 5e2d39a91358c1ba · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 738 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR PRIMAIR EN VOORTGEZETONDERWIJS Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 27 juni 2024Met deze brief informeer ik u, mede namens de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW), over de voortgang op verschillendethema’s. Daarnaast geef ik u een update over de uitvoering van verschil-lende aangenomen moties en toezeggingen die zijn gedaan. Tot slot biedik u de resultaten van enkele onderzoeken aan.1. Afronding van DPIA en DTIA op Google Workspace forEducation en ChromeOS po beheerde Chromebooks In de Kamerbrief van 5 juli 20231 heb ik u geïnformeerd over de resultatenuit het privacyonderzoek, ook wel Data Protection Impact Assessment(DPIA), op Google Workspace. Workspace is een softwarepakket metonder andere kantoorapplicaties dat met name in het funderend onderwijsveel wordt gebruikt. Uit de Algemene Verordening Gegevensbescherming(AVG) volgt dat schoolbesturen en onderwijsinstellingen op dergelijkesoftware een DPIA dienen uit te voeren om privacy risico’s van gegevens-verwerking in kaart te brengen, zodat zij maatregelen kunnen nemen omdeze eventuele risico’s te verkleinen. Uit die brief bleek dat Googlevoldoende inspanningen heeft geleverd om de acht geconstateerde hogerisico’s uit de oorspronkelijke DPIA van 2021 afdoende te verhelpen, zodatniet langer hoeft te worden gesproken van hoge risico’s. Tegelijkertijd is inde brief aangegeven dat er bij de controle van de resultaten ook vijfnieuwe bevindingen waren die een mogelijk hoog privacy risico vormden.De ict-coöperaties van onderwijsinstellingen en schoolbesturen SURF enSIVON hebben namens het hele Nederlandse onderwijs een onderzoekingesteld naar deze nieuwe bevindingen en afspraken gemaakt metGoogle om ook deze zaken aan te pakken. SURF en SIVON geven aan datde vijf nieuwe bevindingen in voldoende mate zijn aangepakt om nietlanger te spreken van een hoog risico. Eenzelfde conclusie kan wordengetrokken voor gebruik van ChromeOS op beheerde Chromebooks.1Kamerstuk 32 034, nr. 53 kst-31293-738ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7381 In de eerdere Kamerbrief heb ik u ook geïnformeerd over de uitvoeringvan een onderzoek naar internationale gegevensdoorgifte, de DataTransfer Impact Assessment (DTIA). Dit onderzoek is afgerond en daarinzijn geen hoge risico’s geïdentificeerd. De landsadvocaat onderschrijft debeoordeling van SURF en SIVON over de uitkomsten van de DTIA.Om ervoor te zorgen dat de maatregelen die met Google zijn afgesprokenworden doorgevoerd, dienen scholen en schoolbesturen zelf een aantalnieuwe instellingen door te voeren. SIVON en SURF stellen daartoeinstructies beschikbaar, en zullen die breed delen met zowel hun leden alsmet de leveranciers van de software. Dit is in lijn met de eerdere adviezenvan de toezichthouder, de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). Middels dezebrief wordt invulling gegeven aan de toezegging, gedaan in het tweemi-nutendebat digitalisering in het onderwijs op 1 februari 20232, om uwKamer te informeren over de uitkomsten van de DPIA op Googlepro-ducten.Cloudproducten, zoals Google Workspace for Education, zijn constant inontwikkeling en zijn daarmee veranderlijk van aard. Daarom hechtenSURF en SIVON veel belang aan continue evaluatie van deze productenen van rechtmatig gebruik ervan. Zij zullen daarom de software die in hetonderwijs veel gebruikt wordt periodiek aan onderzoek blijven onder-werpen. SURF en SIVON hebben op hun websites respectievelijk dewerkwijze en de jaarplanning gepubliceerd van de software waarop zij dekomende tijd DPIA’s zullen uitvoeren.De DPIA op Google Workspace for Education en gebruik van ChromeOSop beheerde Chromebooks komt met de afronding van de DTIA en de vijfextra bevindingen in dezelfde cyclus van periodieke evaluatie terecht.SURF en SIVON zullen daarnaast regelmatig met Google in gesprekblijven om te controleren of Google blijft voldoen aan de gemaakteafspraken.2. Digitalisering in het funderend onderwijs Hierbij bied ik uw Kamer vier onderzoeken aan die gaan over verschil-lende aspecten van digitalisering en leermiddelen in het onderwijs: hetOnderzoeksrapport Governance normenkader IBP funderend onderwijs3dat is geschreven door de Auditdienst Rijk, het Onderzoek scenario’s voorNationaal Diensten Centrum4 dat is geschreven door ICTU en de EvaluatieWet pseudonimisering onderwijsdeelnemers5 die is geschreven door KBANijmegen. Uw Kamer ontvangt na het zomerreces een brief overdigitalisering en leermiddelen in het funderend onderwijs waarin insamenhang een beleidsreactie op deze vier onderzoeken gegeven zalworden.3. Eerste resultaat monitoronderzoek wachtlijsten in het gespeci-aliseerd onderwijs Met de motie leden Kwint (SP) en Van den Hul (PvdA)6 heeft uw Kamermij eerder gevraagd om de wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijste monitoren. Uw Kamer is eerder geïnformeerd7 over de twee eerderdoor onderzoeksbureau Oberon afgenomen flitspeilingen om zo een2TZ 202302_1793Bijlage 1: Onderzoeksrapport Governance normenkader IBP funderend onderwijs4Bijlage 2: Onderzoek scenario’s voor Nationaal Diensten Centrum5Bijlage 3: Evaluatie Wet pseudonimisering onderwijsdeelnemers6Kamerstukken II, 2020/21, 31 497, nr. 3777Kamerstukken II, 2022/23, 31 293, nr. 656Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7382 eerste beeld te vormen van de wachtlijsten in het gespecialiseerdonderwijs (hierna: go). De afgelopen periode heb ik met partijen uit hetonderwijsveld gewerkt aan het opzetten van een langjarige monitor, die inde periode 2024 tot en met 2027 zal worden uitgevoerd door Oberon enKohnstamm Instituut. Zo kunnen we beter zicht krijgen op de ontwikke-lingen rondom de wachtlijsten om zo diverse oplossingsrichtingen teverkennen om de wachtlijsten aan te pakken. Tweemaal per jaar wordt ereen vragenlijst onder de schoolbesturen uitgezet. Het eerste onderzoeks-rapport waarin het beeld van de wachtlijsten in voorjaar 2024 wordtgeschetst, treft uw Kamer hierbij aan (bijlage 4).8 Daarnaast werk ik nogaan de motie van het Kamerlid Hagen (D66) om te komen tot een aanpakvoor het terugdringen van deze wachtlijsten.9Op basis van dit onderzoek is het niet mogelijk om uitspraken te doenover het totaal aantal leerlingen dat in Nederland op een wachtlijst staat.Dit komt onder andere omdat een leerling soms op meerdere plekkenwordt aangemeld en daarmee op meerdere plekken op een wachtlijst kanstaan of omdat niet alle scholen de vragenlijst invullen. De monitor geeftwel een duidelijke indicatie.De vragenlijst is verspreid onder alle 875 vestigingen van go en ingevulddoor 352 vestigingen (respons van 40%). Er is gevraagd naar drieverschillende type wachtlijsten:1.Plaatsingslijst: hierbij gaat het om leerlingen die toelaatbaar zijn voorhet (voortgezet) speciaal onderwijs (hierna: (v)so) cluster 1 en 2 (viade commissie van onderzoek) en het speciaal basisonderwijs (hierna:sbo) en cluster 3 en 4 (via het samenwerkingsverband) maar voor wienog geen plek is op de school van aanmelding.2.Onderzoekslijst: hierop staan leerlingen die schriftelijk zijn aangemeldbij de vestiging, nog niet toelaatbaar zijn, maar waarbij de procedurehiervoor al wel in gang is gezet.3.Interesselijst: op deze lijst staan leerlingen van wie hun oudersinteresse hebben getoond, maar die nog niet schriftelijk zijnaangemeld.Ik concentreer me hier op de plaatsingslijst, aangezien het hier gaat omkinderen waarvan is vastgesteld dat zij voldoen aan de criteria endaadwerkelijk wachten op een plek in het go.Het merendeel van de onderwijsvestigingen in het go dat de vragenlijstheeft ingevuld heeft geen plaatsingslijst. Voor de scholen in cluster 1 geldtdat zelfs voor alle scholen. In het so is het percentage vestigingen met eenplaatsingslijst het hoogst (37%) en in het (v)so het laagst (23%). Voor hetsbo en het (v)so is het percentage vestigingen met een plaatsingslijstvergelijkbaar, namelijk 28%. Het percentage vestigingen met eenplaatsingslijst is het hoogst in de regio Flevoland, namelijk zo’n 60%. Erstaan gemiddeld 8 leerlingen op een plaatsingslijst, maar voor de meestevestigingen geldt dat er tussen de 1 en 5 leerlingen op de lijst staan. Inruim twee op de drie gevallen gaat de leerling op de plaatsingslijst op ditmoment nog naar de school van herkomst. En vijf procent van deleerlingen zit thuis zonder onderwijsaanbod en dat is schrijnend. Daarbijwordt voor iets meer dan de helft van de leerlingen aangegeven dat zebinnen 1 en 6 maanden geplaatst kunnen worden, waarvan de helftbinnen 1 tot 3 maanden. Het gebrek aan fysieke ruimte is voor bijna 70procent van de vestigingen met een plaatsingslijst (een van) de reden(en)dat ze leerlingen nog geen plek kunnen bieden. Daarnaast speelt op eenderde van de vestigingen het hebben van onvoldoende onderwijsper-8Bijlage 4: Wachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs9Kamerstukken II, 2023/24 36 410 VIII, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7383 soneel als knelpunt. Naast een plaatsingslijst heeft iets minder dan dehelft van de vestigingen een onderzoekslijst (43%) en iets meer dan dehelft (55%) een interesselijst.Het is goed dat we via deze rapportages de ontwikkelingen rondom dewachtlijsten in het go goed in de gaten kunnen houden. Tegelijkertijdgeldt dat er geen gemakkelijke oplossingen zijn om deze leerlingen eerdereen passende plek in het onderwijs te bieden. In de brief over passendonderwijs die ik uw Kamer 14 mei jl. heb gestuurd, heb ik uw Kamergeïnformeerd over de acties waarmee ik samen met het veld de komendeperiode deze wachtlijsten aan wil pakken.104. Onaangekondigde bezoeken Inspectie van het Onderwijs In de Voortgangsbrief versterking toezicht in het funderend onderwijs dieik op 27 november jl. aan uw Kamer zond, schreef ik dat de Inspectie vanhet Onderwijs (hierna: inspectie) onderzoekt in welke gevallen onaange-kondigde onderzoeken effectief kunnen worden ingezet, om op de meesteffectieve wijze meer onaangekondigde bezoeken af te kunnen leggen.11De inspectie heeft het genoemde onderzoek vanaf het najaar van 2023opgestart en langs meerdere lijnen vormgegeven. Zo is er een pilot metonaangekondigde bezoeken uitgevoerd in het funderend onderwijs en iser een wetenschappelijke literatuurstudie gedaan. Ook voerde de inspectiegesprekken met het veld en is geïnventariseerd hoe onderwijsinspecties inhet buitenland omgaan met onaangekondigde toezichtactiviteiten.De inspectie rondt haar onderzoek op dit moment af. Ik streef ernaar uwKamer in het najaar van 2024 verder te kunnen inlichten over deuitwerking en werkwijze van de inspectie rondom onaangekondigdebezoeken. Eventuele beslissingen omtrent de invulling en de ophogingvan het aantal onaangekondigde bezoeken zullen uiteraard, conform derecent aangenomen motie van het lid Ceder (CU), mede op basis van deresultaten van het onderzoek van de inspectie worden genomen.125. Geschiedenisonderwijs Op 14 juni 2023 heeft uw Kamer een motie van lid Boswijk (CDA)aangenomen die oproept om de makers van het geschiedeniscurriculumte verzoeken het perspectief van de individuele Indiëveteraan nadrukkelijkmee te nemen in het geschiedenisonderwijs over de dekolonisatiepe-riode.13 Dat is gedaan middels het vaststellen van de werkopdracht aan deStichting Leerplanontwikkeling (SLO) voor het maken van kerndoelen enexamenprogramma’s.14 Hierbij is aangegeven dat de makers rekeningmoeten houden met relevante moties en toezeggingen met betrekking tothet curriculum, waaronder de motie-Boswijk (CDA) c.s.15. Het is nu aan demakers van het (geschiedenis)curriculum om een doordachte keuze temaken over dit perspectief in het geschiedenisonderwijs. De kerndoelen –voor po en onderbouw vo – die raken aan het geschiedenisonderwijsworden eind 2024 in concept opgeleverd, het examenprogramma10Kamerstukken II, 2024/25, 31 497, nr. 47511Kamerstukken II, 2023/24, 31 293, nr. 707, p.6.12Kamerstukken II, 2023/24, 31 289, nr. 576. Deze motie doe ik hiermee af. Dit schrijven vormttevens een update voor twee lopende toezeggingen op dit vlak: TZ202212–093 enTZ202403–04213Kamerstukken II, 2022/2023, 26 049, nr. 10814De algemene werkopdracht is te vinden op: https://www.slo.nl/publish/pages/20492/werkopdracht_ministerie_ocw_aan_slo_kerndoelen_vijf_leergebieden.pdf15Kamerstukken II, 2022/2023, 26 049, nr. 108Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7384 geschiedenis – voor bovenbouw vo – wordt medio 2026 in conceptopgeleverd.6. Fries in het onderwijs In het tweeminutendebat over de voortgang proces BFTK 2024–2028 van27 maart 2024 heeft het lid Beckerman (SP) een motie ingediend die deregering verzoekt het Friese taalonderwijs in het po en vo blijvend testimuleren voor een gelijkwaardige positie van het Fries in hetonderwijs.16Allereerst is het belangrijk om aan te geven dat scholen in de provincieFryslân onderwijs in de Friese taal geven conform de Wet op het PrimairOnderwijs, de Wet Voorgezet Onderwijs 2020 en de Wet op de expertise-centra. De inspectie ziet toe op het onderwijsaanbod Fries. Vanuit dezewettelijke positie zien het Rijk en de provincie Fryslân de bevordering vanhet Friese taalonderwijs als continue opdracht.Zoals opgenomen in de nieuwe Bestjoersôfspraak Fryske taal en kultuer2024–2028 wordt de komende periode op het gebied van onderwijs veel ingang gezet en gecontinueerd.17 Zo worden de kerndoelen en eindtermenFries gedurende de looptijd van de nieuwe bestuursafspraak geactuali-seerd en komen er vanaf dit jaar structurele middelen vanuit het Rijk vrijvoor leraren Fries in het po en vo. Hierbij ga ik nader in op deze ontwikke-lingen en geef ik een huidige stand van zaken.Sinds 2014 heeft de provincie Fryslân de verantwoordelijkheid voor hetFriese onderwijs en daarmee ook de kerndoelen Fries. Onderwijsorgani-satie Cedin voert momenteel in opdracht van de provincie de bijstellingvan de kerndoelen Fries uit. Het herzieningstraject kent eenzelfde procesals de landelijke curriculumherziening. Dit voorjaar zijn de conceptkern-doelen voor het leergebied Friese taal en cultuur opgeleverd.18 19 In denieuwe conceptkerndoelen wordt meer dan in de huidige kerndoelen deverbinding gelegd met de Friese cultuur, taalbewustzijn en met nieuweinzichten rondom meertaligheid. De conceptkerndoelen zijn ambitieusmaar bieden ruimte voor niveauverschillen passend bij de achtergrondvan de leerling.Ook wordt onder meer het conceptexamenprogramma met daarin deeindtermen voor het Fries op dit moment bijgesteld door SLO en na dezomer van 2024 opgeleverd. In de vierde voortgangsrapportage van hetmasterplan basisvaardigheden heeft uw Kamer kunnen gelezen welkestappen hierna worden genomen en hoe het proces van de bijstelling vande examenprogramma’s eruit ziet.20 De nieuwe kerndoelen en eindtermenbetekenen een impuls voor het onderwijs in het Fries.De komende jaren wordt er ook geïnvesteerd in leraren Fries in het po envo met de structurele middelen die vanaf dit jaar zijn vrijgekomen naaraanleiding van het amendement van het lid Van der Molen (CDA).21Voldoende gekwalificeerd personeel met kennis van de Friese taal encultuur is van essentieel belang voor het aanbieden van volwaardig Fries16Kamerstukken II, 2023–2024, 36 410 VII, nr. 99.17https://www.fryslan.frl/bestjoersofspraak-fryske-taal-en-kultuer18https://kurrikulum.frl/wp-content/uploads/2024/02/Conceptkerndoelen-FTC_februari2024.pdf19https://kurrikulum.frl/wp-content/uploads/2024/02/Toelichtingsdocument-conceptkerndoelen-FTC_feb24.pdf20Kamerstukken II, 2023–2024, 31 293, nr. 732.21Kamerstukken II, 2022–2023, 36 200 VIII, nr. 60.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7385 onderwijs, maar er is sprake van een lerarentekort waardoor niet alleleerlingen in Fryslân de kans krijgen om Fries te leren.Om de structurele middelen te verstrekken in lijn met de wens van deKamer, moeten de middelen mét afspraken worden uitgekeerd aan deprovincie Fryslân. Tot nu was daar het middel van een SpecifiekeUitkering (SPUK) voor maar het hoofdlijnenakkoord stelt dat de specifiekeuitkering gaat verdwijnen. Er wordt daarom nog bezien hoe dezemiddelen worden verstrekt. In 2024 zijn de middelen beschikbaar gesteldaan de provincie Fryslân via een Decentralisatie Uitkering.7. Gemakkelijk in gesprek over mentale gezondheid van jongeren De motie van de leden Slootweg (CDA) en Pouw-Verweij (BBB) verzoektde regering om ervoor te zorgen dat het voor een scholier of student altijdeenvoudig is om iemand te vinden met wie ze fysiek in gesprek kunnengaan.22 Dat luisterend oor is heel belangrijk. Een persoonlijk gesprek kaneen groot verschil maken als een leerling of student met mentale klachtenkampt of met een ander probleem zit. Er zijn geen signalen bekend dat ersignificante problemen spelen met betrekking tot de mogelijkheden om ingesprek te gaan met iemand van de school of onderwijsinstelling. In hetfunderend onderwijs zijn leraren en docenten gelukkig heel benaderbaar.In het vo kunnen leerlingen bovendien altijd terecht bij hun mentor als eriets speelt. Daarnaast wordt er voor het funderend onderwijs momenteelgewerkt aan een wettelijke verplichting om een interne én een externevertrouwenspersoon aan te stellen. Ook daar kunnen leerlingen terechtvoor een persoonlijk gesprek. In het mbo heerst over het algemeen ookeen schoolse cultuur, wat zich bijvoorbeeld vertaalt naar een systeem vanstudieloopbaanbegeleiders (SLB’ers) die laagdrempelig te benaderen zijn.Daarnaast zijn er bij veel mbo-instellingen externe zorgpartijen werkzaamin de school. In het hbo en wo hebben studenten veelal een mentor in heteerste jaar. Ook worden er veel peer-to-peer activiteiten georganiseerdzodat studenten laagdrempelig met een leeftijdgenoot in gesprek kangaan. Daarnaast heeft elke opleiding of faculteit een studieadviseur ofloopbaanbegeleider en hebben studenten altijd de mogelijkheid oméén-op-één in gesprek te gaan.8. Stand van zaken moties en een toezegging over thuison-derwijs Op dit moment wordt door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap bezien hoe aan de verschillende moties op het dossierthuisonderwijs vanwege richtingsbezwaren invulling wordt gegeven. Hetuitwerken van het wetsvoorstel voor het stellen van minimale eisen aanthuisonderwijs, zal in ieder geval doorgang vinden. Hiermee willen we,net als met het wetsvoorstel toezicht informeel onderwijs, ook een vormvan toezicht organiseren. Het is immers in het belang van kinderen enjongeren dat we meer zicht en grip krijgen op thuisonderwijs en dekwaliteit daarvan. De Tweede Kamer wordt later dit jaar over de voortgangvan het dossier geïnformeerd.Over een aantal moties kan een update gegeven worden. Uw Kamerverzocht via een motie van het lid Hagen om meer inzicht in de beweegre-denen van ouders om beroep te doen op een vrijstelling, aanvullend ophet onderzoek van Ingrado, de vereniging van leerplichtambtenaren, uit2023.23 Ook de motie van het lid Westerveld (GroenLinks-PvdA) riep22Kamerstukken II, 2023–2024, 36 410 VIII, nr. 22.23Kamerstukken II 2023–2024, 36 410 VIII, nr. 17Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7386 daartoe op.24 Uit onderzoek van Ingrado bleek dat leerplichtambtenarenzien dat in de meeste gevallen ouders met een holistische of specifiekchristelijke overtuiging een beroep doen op de vrijstelling van deleerplicht. In mindere mate spelen islamitisch en soevereine levensover-tuigingen een rol.25 Het Ministerie van OCW heeft naar aanleiding van ditverzoek in maart 2024 rondetafelgesprekken met leerplichtambtenarengeorganiseerd. Uit deze gesprekken komt naar voren dat onder deleerplichtambtenaren zorgen leven over de kinderen die vrijgesteld zijnvan de leerplicht wegens gewetensbezwaren van de ouders. De leerplicht-ambtenaren krijgen veelal niet of slechts moeizaam contact met dedesbetreffende gezinnen en hebben er dus onvoldoende zicht op of deouders vervangend thuisonderwijs (gaan) aanbieden. De leerplichtambte-naren hebben behoefte aan wet- en regelgeving die ertoe leidt dat zijbeter zicht krijgen op de groep kinderen waarvoor een beroep opvrijstelling van de leerplicht wordt gedaan. Vrijwel alle leerplichtambte-naren zagen in hun regio een stijging van het aantal vrijstellingen opgrond van richtingsbezwaren. Zij zien daarbij geen stijging bij eenspecifieke groep. Wel zien zij dat naast richtingsbezwaren er ook bezwarenmeespelen tegen schoolonderwijs als zodanig. Er is bij leerplichtambte-naren behoefte aan duidelijkere (toetsings)kaders voor het omgaan metde beroepen op de vrijstelling. Het eerdere voornemen van het kabinetom het recht op thuisonderwijs van kinderen met een vrijstelling op grondvan artikel 5 onder b. van de Leerplichtwet 1969 te waarborgen kon bij deaanwezigen rekenen op zeer brede steun. Met het wetsvoorstel dat invoorbereiding was, verandert de rol van de leerplichtambtenaar in ditproces niet.Tevens verzocht uw Kamer mij in februari 2022 ook om een signaal vangrootouders die hun zorgen uitten over kleinkinderen met een vrijstellingvanwege richtingsbezwaren, die thuisonderwijs krijgen, te betrekken bijde beleidsvorming. Bij de recente ontwikkeling van het beleid rondomthuisonderwijs is het signaal van de grootouders meegenomen. Er heefteen gesprek plaatsgevonden op mijn departement over hun zorgen. Hunsignalen nemen we mee bij de verdere beleidsvorming voor ditonderwerp.269. Handreiking omgaan met antisemitisme incidenten Bij de afgelopen begrotingsbehandeling van OCW is de motie van het lidCeder27 aangenomen, waarin de regering verzocht werd een handreikingte ontwikkelen als ondersteuning aan scholen en docenten bij het omgaanmet antisemitische incidenten.Daarom heeft het Ministerie van OCW in samenwerking met het CentrumInformatie en Documentatie Israël (CIDI) en de Nationaal CoördinatorAntisemitismebestrijding (NCAB) en andere Joodse en maatschappelijkeorganisaties een handreiking ontwikkeld, die scholen moet helpen bij hetherkennen van, omgaan met en melden van antisemitische incidenten.Deze handreiking is op 17 mei 2024 gepubliceerd op rijksoverheid.nl enverspreid binnen het onderwijsveld.2824Kamerstukken II 2023–2024, 36 410 VIII, nr. 1625https://ingrado.nl//media/files/kennisbank/aanwezigheid_in_het_onderwijs/verzuim_18_min/literatuur_en_onderzoek/Resultaten%20Enqu%C3%AAte%20Vrijstellingen%205%20onder%20b%20leerplicht.pdf26Kenmerk II 2021–2022, 2022D0563127Kamerstukken II, 2023–2024, 36 410 VIII, nr. 8428Handreiking omgaan met antisemitische incidenten op scholen | Brochure | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7387 10. Toezegging verstrekken communicatie tussen OCW enexpertisecentrum Rutgers Op 29 maart 2023 vroeg het lid Baudet (FvD) of de communicatie tussenhet Ministerie van OCW en expertisecentrum seksualiteit Rutgers gedeeldkon worden met de Kamer.In de beantwoording van 6 juni 202329 is toegezegd de communicatie tekunnen delen van de beleidsdomeinen waar ik verantwoordelijk voor ben.In bijlage 5 vindt u de communicatie voorafgaand aan de Week van deLentekriebels 2023 tussen betrokkenen van het Ministerie van OCW enexpertisecentrum Rutgers30. Nadat de schriftelijke vragen van het lidBaudet zijn binnengekomen is, zoals ook aangegeven in de beslisnotabehorende bij de Kamervragen (bijlage 6), contact geweest met expertise-centrum Rutgers om de beantwoording af te stemmen.3111. Uitbreiding tolkvoorziening in het onderwijs In juni 2023 is uw Kamer via de Voortgangsbrief hardvochtighedenwetgeving OCW32 geïnformeerd over de uitbreiding van de tolkvoor-ziening voor leerlingen met een spraakbeperking. Per aankomendschooljaar wordt de tolkvoorziening in het onderwijs uitgebreid. Debeoogde inwerkingtredingsdatum van het gewijzigde Uitvoeringsbesluit isbijgesteld naar 1 augustus 2025. Dat heeft echter geen gevolgen voor detoekenning van de tolkvoorziening per aankomend schooljaar.Cluster 2-leerlingen met een auditieve beperking – die die een deel van deweek regulier onderwijs volgen of stagelopen – en leerlingen met eenspraakbeperking kunnen per aankomend schooljaar bij het UWV eentolkvoorziening aanvragen. Dit draagt bij aan meer passend en inclusiefonderwijs. We starten daarmee vooruitlopend en passen ondertussen hetUitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met eenhandicap aan die naar verwachting 1 augustus 2025 inwerking treedt.12. Uitstel inwerkingtreding urennorm lichamelijke opvoeding vo Bewegingsonderwijs is cruciaal voor de ontwikkeling van leerlingen. Demeeste scholen in het vo besteden hier dan ook substantieel tijd enlesuren aan, maar soms is het voor scholen niet helemaal duidelijkwanneer zij voldoende lesuren lichamelijke opvoeding aanbieden.Daarom was in de Reparatiewet OCW33 een voorstel opgenomen waarinde urennorm zoals die nu al bestaat, wordt verduidelijkt in concrete uren.Het concrete urenaantal dat is opgenomen zorgt echter voor onbedoeldeen onverwachte uitvoeringsproblemen bij scholen. Dit heeft ermee temaken dat er gerekend is met 40 lesweken per jaar om te berekenenhoeveel uren lichamelijke opvoeding moet worden aangeboden. In depraktijk heeft een school echter gemiddeld 37,8 lesweken per jaar omonderwijs aan te bieden. Daarnaast heeft het examenjaar substantieelminder lesweken door de centrale examens.29Aanhangsel Handelingen II 2022/23, nr. 282030Bijlage 5: Openbaarmaking communicatie OCW en expertisecentrum Rutgers31Bijlage 6: Beslisnota bij antwoord op de week van de Lentekriebels van het lid Baudet (FvD)(Aanhangsel Handelingen II 2022/23, nr. 282032Kamerstukken II 2022–2023, 36 200 VIII, nr. 23733Wijziging van wetten op met name het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap inverband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrij-vingen (Reparatiewet OCW 20##) | Tweede Kamer der Staten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7388 Het urenaantal zoals opgenomen in de Reparatiewet zou dus zorgen vooreen uitbreiding van het aantal uren lichamelijke opvoeding dat moetworden aangeboden. Eind april 2024 is dit door scholen geconstateerd engemeld. Deze uitbreiding was niet het doel: het doel was om het huidigeaantal uren te concretiseren, zodat het voor scholen duidelijker is wanneerzij aan de geldende wettelijke norm voldoen. Daarom treedt dit deel vande Reparatiewet nu nog niet in werking. Er wordt de komende tijd gewerktaan een oplossing. Hierover wordt uw Kamer najaar 2024 geïnformeerd.13. DAMU-regeling po en DAMU reiskostenregeling po Vanaf 2021 bestaan de beleidsregel verstrekking DAMU-licenties primaironderwijs en een reiskostenregeling voor DAMU-leerlingen in het primaironderwijs. De eerste beleidsregel was gericht op scholen die onderwijsgeven gericht op de ontwikkeling van dans- en muziekleerlingen (DAMU-leerlingen). Deze scholen werken samen met één van de twaalfDAMU-scholen in het voortgezet onderwijs en met een hbo-instelling voordans of muziek. Met de beleidsregel kan een DAMU-licentie wordenverkregen en deze scholen mochten op een aantal onderwerpen afwijkenvan wettelijke bepalingen. Daarnaast konden minder draagkrachtigeouders van leerlingen op een DAMU-school een tegemoetkoming in dereiskosten aanvragen. Bij de beide beleidsregels werd ook bepaald dat zijgeëvalueerd zouden worden. De evaluatieresultaten waren in 2022voorzien, maar vanwege de maatregelen vanwege de coronapandemie isde evaluatie uitgesteld, om scholen ook meer tijd te geven om hetDAMU-onderwijs in te richten.Deze maand is het definitieve evaluatierapport voor beide regelingenverschenen. Bij deze brief wordt dit rapport aangeboden (zie bijlage 7). 34Het rapport is gebaseerd op de ervaringen van de drie deelnemendescholen, waar er in de regeling ruimte was voor 12 scholen. Uit deevaluatie blijkt dat scholen het signaal dat uitgaat van de DAMU-regelingbelangrijk vinden: talentontwikkeling bij jonge kinderen op het gebied vandans en muziek is belangrijk, ook voor de doorstroming naar vervolgoplei-dingen. Dat belang wordt ook door het Ministerie van OCW onderstreepten de inzet van de scholen en de stichting DAMU draagt veel bij aan dezetalentontwikkeling. Evenwel blijkt uit de evaluatie dat scholen bij heteventueel stoppen van de regeling geen nadelen verwachten. Bij dereiskostenregeling valt vooral het zeer beperkte gebruik van de regelingop. Daarmee staat het uitgekeerde bedrag niet in verhouding tot deuitvoeringskosten die een dergelijke regeling met zich meebrengt.Gelet hierop zullen beide beleidsregels niet worden verlengd. Met destichting DAMU wordt verder het gesprek gevoerd over de mogelijkhedenom minder draagkrachtige ouders te ondersteunen bij de reiskosten.14. Eindevaluatie Samenwerkingsscholen In veel dunbevolkte gebieden worden scholen door krimp in leerlingaan-tallen met opheffing bedreigd. Om ervoor te zorgen dat ook in dezegebieden zowel openbaar, als bijzonder onderwijs beschikbaar blijft, is in2018 de wet Samen sterker door vereenvoudiging samenwerkingsschool(Wet samenwerkingsschool) in werking getreden. Deze wet beoogt devorming van een samenwerkingsschool te vereenvoudigen. Op eensamenwerkingsschool wordt tegelijk openbaar én bijzonder onderwijsverzorgd. In de eerste helft van 2024 heeft het Kohnstamm Instituut dewet geëvalueerd en in deze brief wordt uw Kamer geïnformeerd over de34Bijlage 7: Evaluatie experiment Dans- en Muziekbeschikking voor scholen in het primaironderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 7389 conclusies van het onderzoek. Het onderzoek treft u in bijlage 835 aan enzal tevens worden gepubliceerd op de site van de rijksoverheid.Sinds 2018 zijn er 14 samenwerkingsscholen gestart, waarvan erinmiddels twee zijn gestopt. Zes samenwerkingsscholen werkten mee aanhet onderzoek. Daarnaast spraken de onderzoekers met een informelesamenwerkingsschool, enkele experts en een casus waarbij het niet isgelukt om een samenwerkingsschool te vormen.De onderzoekers concluderen dat de vorming van een samenwerkings-school door de wetswijziging eenvoudiger is geworden, met name doorde versoepeling van de getalsnormen en vermindering van het regelwerk.Scholen en experts zien als belangrijk voordeel van de nieuwe wet dat hetnu mogelijk is om zowel de openbare als de bijzondere identiteit juridischte behouden, terwijl vóór de wetswijziging een keuze voor één denomi-natie vereist was. Vorming van een samenwerkingsschool gaat soms ooksamen met lastige zaken zoals weerstand bij ouders, het afscheid nemenvan bepaalde vieringen of de angst voor een ongelijkwaardige positiebinnen de school (bijvoorbeeld als het openbare deel veel minderleerlingen heeft dan het bijzondere deel). Gelukkig ziet het overgrote deelde samenwerking als een verrijking en een duidelijke meerwaarde. Demeeste scholen betrekken het hele team, ouders en leerlingen bij hetinvullen van hun levensbeschouwelijk onderwijs en maatschappelijkewaarden. Alle geïnterviewde scholen (op één na) kiezen voor gezamenlijklevensbeschouwelijk onderwijs, bijvoorbeeld met behulp van methodes,gastlessen of het bezoeken van kerken of gebedshuizen. Mijn ministeriegaat met de aanbevelingen van de onderzoekers aan de slag.15. Evaluatie specifieke uitkering gemeentelijke onderwijsachter-standenbeleid Gemeenten ontvangen via een specifieke uitkering middelen voorgemeentelijk onderwijsachterstandenbeleid (SPUK GOAB). Deze middelenzijn bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die gemeenten maken omhun wettelijke taken als het gaat om onderwijsachterstandenbeleid uit tevoeren.36 Gemeenten dienen te zorgen voor voldoende aanbod vanvoorschoolse educatie voor kinderen met een risico op een onderwijsach-terstand binnen de gemeente.37Sinds 2019 wordt de verdeling van demiddelen gebaseerd op een indicator die het CBS heeft ontwikkeld. Deverdeelsystematiek is in een besluit vastgelegd.38 Bij invoering van dezeverdeelsystematiek is aan uw Kamer toegezegd om in 2024 deze SPUK teevalueren.39Uit een vragenlijst uitgezet onder gemeenteambtenaren die verantwoor-delijk zijn voor de uitvoering van GOAB-beleid van hun gemeente blijktdat 75 procent van de respondenten tevreden is met de specifiekeuitkering als financiering van het gemeentelijk onderwijsachterstanden-beleid.40 Men is tevreden omdat de middelen geoormerkt zijn, waardoormiddelen gericht kunnen worden besteed en er ook meer financiëlezekerheid is. Een deel van de respondenten geeft wel aan graag ruimerebestedingsdoelen in de regelgeving te zien.35Bijlage 8: Eindevaluatie Samenwerkingsscholen36Wet op het Primair Onderwijs, artikel 163.37Wet op het Primair Onderwijs, artikel 158, 159 en 160.38wetten.nl - Regeling - Besluit specifieke uitkeringen gemeentelijk onderwijsachterstanden-beleid - BWBR0041370 (overheid.nl)39Vergaderjaar 2019–2020, Kamerstuk 27 020, nr. 106.40De vragenlijst kende een respons van 63 procent van alle gemeenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73810 Een kwart van de respondenten geeft aan ontevreden te zijn. Veelgenoemde redenen zijn: de middelen zijn niet structureel; er is pas laatduidelijkheid over het bedrag dat men het komende jaar ontvangt; deverantwoordingslasten zijn hoog; en niet alle kosten van voorschoolseeducatie kunnen ermee worden gedekt. Ook zijn sommigen kritisch overde verdeling van de middelen op basis van de CBS-indicator.Op de vraag hoe het gemeentelijke onderwijsachterstandbeleid vanaf2027 gefinancierd zou moeten worden, heeft 69 procent van de respon-denten een voorkeur voor wederom een specifieke uitkering van vier jaar.Twaalf procent heeft een voorkeur voor financiering via het Gemeente-fonds. Elf procent heeft geen voorkeur of weet het niet en acht procent wiliets anders, bijvoorbeeld via een brede specifieke uitkering of de middelenrechtstreeks uitkeren aan kinderopvang en/ of het onderwijs.Het is goed om te constateren dat driekwart van de respondententevreden is over deze specifieke uitkering en ruim twee-derde van hendeze financieringsvorm vanaf 2027 wil voortzetten. Het is aan het nieuwekabinet om een besluit te nemen over de wijze van financiering.16. Voorgenomen wijziging besluit basisvoorwaarden kwaliteitvoorschoolse educatie Beroepskrachten in opleiding tot pedagogisch medewerker (bbl’ers)mogen momenteel niet formatief ingezet worden op een voorschoolseeducatie-groep (hierna: ve-groep). In mijn brief over verdere kwaliteitsver-beteringen voorschoolse educatie van oktober 202341 heb ik aange-kondigd te gaan verkennen om – naar analogie van regelgeving voor dereguliere kinderopvang – het mogelijk te maken om onder voorwaardenberoepskrachten in opleiding formatief in te zetten in de ve door eenwijziging van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolseeducatie (hierna: het Besluit). Dit wijzigingsbesluit zal onder het volgendekabinet in consultatie worden gebracht. Ook zal het Besluit dan wordengetoetst op uitvoeringsconsequenties door de VNG en GGD GHOR. Ditalles kan nog leiden tot aanscherping van de inhoud van het Besluit.Beoogde inwerkingtreding is voorzien voor zomer 2025.Het wijzigingsbesluit zoals het nu in voorbereiding is, maakt het mogelijkdat beroepskrachten in opleiding formatief inzetbaar worden als tweedeberoepskracht op ve groepen tussen de negen en 16 kinderen, nasuccesvolle afronding van het eerste jaar van de beroepsopleiding enwanneer zij binnen drie maanden starten met het keuzedeel ontwikke-lingsgericht werken binnen de opleiding. Dit wordt toegestaan mits dehouder voorziet in de benodigde begeleiding van de beroepskracht inopleiding. Ten tweede wijzigt het besluit de kwalificaties rondom taal,zodat deze kwalificaties beter bijdragen aan de taalontwikkeling van hetjonge kind.Ten derde ben ik voornemens om artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van hetBesluit te wijzigen op een punt waarover onduidelijkheid is ontstaan.Hierin staat dat beroepskrachten in de ve dienen te beschikken over eengetuigschrift van met gunstig gevolg afgelegd examen van een bijministeriële regeling aan te wijzen opleiding. In de betreffende minis-teriële regeling worden de opleidingen die het betreft aangewezen doormiddel van een verwijzing naar de CAO. In de CAO is opgenomen datonder bepaalde voorwaarden ook niet afgeronde opleidingen kunnenvolstaan. Het gaat om specifieke mbo-certificaten die in combinatiekwalificeren, of om bepaalde hbo-bacheloropleidingen waarvan schrif-telijk bewijs aanwezig is dat de pedagogisch medewerker minstens 75%41Kamerbrief over verdere kwaliteitsverbeteringen voorschoolse educatie | Kamerstuk |Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73811 van de studiepunten heeft behaald of is toegelaten tot het laatstestudiejaar van de opleiding. De CAO is dus niet in overeenstemming methet Besluit. Uit de praktijk blijkt dat deze niet geheel afgeronde oplei-dingen volstaan om de kwaliteit van de beroepskracht in de ve tegaranderen. Dit is ook al sinds 2010 (volgens de CAO) toegestaan, zonderdat dat tot problemen heeft geleid. Desalniettemin moet nu geconstateerdworden dat deze praktijk – strikt genomen – in strijd is het met het Besluit.Die strijd wil ik wegnemen, door, door middel van een wijziging van hetBesluit, het mogelijk te maken om onder voorwaarden (zoals de zojuistgenoemde voorbeelden) ook niet-afgeronde opleidingen toe te laten.17. Overig Eerder is aangegeven dat uw Kamer ook nog over een aantal anderemoties en toezeggingen op het terrein van funderend onderwijs voor dezomer geïnformeerd zou worden.Echter, gezien de huidige demissionaire status van het kabinet, acht ik hetvoor deze moties en toezeggingen meer passend dat een nieuw kabinetuw Kamer informeert over de uitvoering. Daarom wordt uw Kamer nietvoor de zomer, maar op een later moment over de volgende moties entoezeggingen bericht:Moties:•Kamerstukken II 2023–2024, 36 410 VIII, nr. 77.Motie van Krul (CDA), Stoffer (SGP) en Van Zanten (BBB).verzoekt de regering om met een plan te komen voor hoe onderwijs inde regio’s dicht bij huis kan worden versterkt.•Kamerstukken II 2023/24, 36 410 VIII, nr. 79.Motie van de leden Van Zanten (BBB), Stoffer (SGP), Ceder (CU), DeKort (VVD) en Krul (CDA).verzoekt de regering om bij elk nieuw onderwijsbeleid en de invoeringvan nieuwe onderwijsregels een «krimpcheck» uit te voeren, waarbijwordt gecheckt wat de gevolgen zijn voor scholen op het platteland enin kleinere kernen.Er wordt momenteel al een krimpcheck uitgevoerd bij nieuwe wet- enregelgeving. Dat gebeurt op basis van een vergelijkbare motie van uwKamer uit 2018 (lid Westerveld en voormalig lid Van den Hul). Zoals iktijdens de begrotingsbehandeling ook heb aangegeven is de krimp-check iets wat steeds weer terugkeert, ik beschouw de motie als eenaanmoediging om hiermee door te gaan. Dat betekent onder anderedat ik dit vanzelfsprekend meeneem in de ontwikkeling van beleidrondom opheffingsnormen en de toepassing van de kleinescholentoe-slag, waarover uw Kamer in het najaar wordt geïnformeerd.•Kamerstukken II 2023/24, 36 410 VIII, nr. 20.Motie van de leden Kwint (SP) en Westerveld (GroenLinks-PvdA).verzoekt de regering vrijstelling van de leerplicht alleen toe te staanvoor leerlingen die om lichamelijke of psychische redenen niet in staatzijn om onderwijs te volgen.•Kamerstukken II 2023/24, 36 410 VIII, nr. 15.Motie van de leden Bisschop (SGP) en Drost (CU).verzoekt de regering onderzoek te doen naar de inhoud en hetfunctioneren van bestaande kwaliteitswaarborgen in het particulier enthuisonderwijs, en het in te dienen wetsvoorstel vorm te geven aan dehand van de resultaten van het onderzoek.•Kamerstukken II 2023/24, 36 410 VIII, nr. 18.Motie van de leden Slootweg (CDA) en Bisschop (SGP).verzoekt de regering om samen met organisaties van thuisonderwij-zers, zoals de Nederlandse Vereniging voor Thuisonderwijs en hetThuisonderwijsverbond, voorafgaand aan een wettelijk traject, eerstTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73812 een pilot op te zetten waarin gewerkt wordt conform de beoogdewettelijke kaders, en een voorstel hiervoor naar de Kamer te sturen.•Kamerstukken II 2019/20, 35 300 VIII, nr. 88.Motie van de leden Bisschop (SGP) en Bruins (CU).verzoekt de regering, samen met de vereniging van leerplichtambtena-ren (Ingrado) en de vereniging van Nederlandse gemeenten (VNG) tewerken aan betere informatievoorziening over de positie van oudersen kinderen bij de vrijstelling wegens gewetensbezwaren.•Kamerstukken II 2021/22, 35 050, nr. 51.Motie van de leden Paul (VVD) en Van Meenen (D66).verzoekt de regering ongewenste praktijken en effecten rond deoprichting van nieuwe scholen te onderzoeken en aan te pakken en ingesprek te gaan met de VNG over de positie van gemeenten in deuitwerking van de wet; verzoekt de regering jaarlijks te rapporterenover het gebruik van de wet.Toezeggingen:•TZ202404–200.Toezegging bij Emancipatie.Voor de zomer van 2024 informeert de Minister voor Primair enVoortgezet Onderwijs de Tweede Kamer omtrent de identiteitsverkla-ringen.•Toezegging gedaan in Kamerstukken II 2023/24, 29 614, nr. 172.Het geheel van normen, uitzonderingsgronden en de kleine scholen-toeslag is momenteel onderwerp van analyse. De Minister voorPrimair en Voortgezet Onderwijs presenteert uw Kamer nog voor dezomer de uitkomsten uit deze analyse.•Toezegging gedaan in Kamerstukken II 2023/24, 31 289, nr. 559.Uw Kamer zal voor de zomer van 2024 worden geïnformeerd over deuitkomsten van de gesprekken42, de inzichten die deze hebbenopgeleverd en de eventuele acties die naar aanleiding hiervan zijnuitgezet of worden uitgevoerd.•Toezegging gedaan in Kamerstuk II 2022/2023, 31 293, nr. 687.Eerder heb ik uw Kamer voor het einde van het jaar een Kamerbrieftoegezegd over de toekomstverkenning naar nieuwkomersonderwijs.Daarin zal ik u ook over de voortgang van alternatief examineren in hetvo voor nieuwkomersleerlingen informeren, waarbij lering wordtgetrokken uit de ervaringen van het vroegtijdig gestopte experimenten de resultaten van de monitoring ervan.De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs,M.L.J. Paul42Het gaat om gesprekken met het onderwijsveld om te onderzoeken of er aanvullendemaatregelen nodig zijn ter ondersteuning van scholen bij de verbeterslag die zij moetenmaken m.b.t. schoolexaminering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 293, nr. 73813

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8fea1ca9654a6a59

14 okt 2026 · 52f173b0aa115b96

13 okt 2026 · 03b47dcc446dce4f

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.