Nationaal sloop- en renovatiestatuut
Brontekst
Versie b09cb1f2a8bbff27 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202429 453WoningcorporatiesNr. 570 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN ENKONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 6 mei 2024Met deze brief informeer ik uw Kamer over het Nationaal sloop- enrenovatiestatuut. Dit statuut geeft invulling aan een afspraak uit deNationale Prestatieafspraken (NPA)1 en een toezegging rondom ditonderwerp.2Het statuut is tot stand gekomen na zorgvuldig overleg metAedes en de Woonbond en wordt door hen de komende weken voorakkoord voorgelegd aan de achterban. In aanvulling op het Nationaalsloop- en renovatiestatuut ga ik in op het aangekondigde onderzoek doorde Nationale ombudsman en Kinderombudsman naar de mogelijkeknelpunten die gezinnen ervaren als hun woning onderdeel wordt van eensloop-, nieuwbouw- of renovatietraject. Daarnaast behandel ik deuitvoering van de moties van de leden Grinwis (CU)3 en Beckerman (SP)4over het bevorderen van de terugkeer van huurders in hun wijk nasloop/nieuwbouw of renovatie. Tot slot geef ik via deze brief antwoord opde schriftelijke vragen van het lid Beckerman over verschillende slooppro-jecten met kenmerk 2023Z18918 (ingezonden op 6 november 2023) enkenmerk 2023Z19086 (ingezonden op 13 november 2023) en de schrifte-lijke vragen van het lid Beckerman over de plotselinge sloopaankondigingvan 46 woningen in Boskoop met kenmerk 2024Z03982 (ingezonden op12 maart 2024).Nationaal sloop- en renovatiestatuutDe volkshuisvestelijke opgave van woningcorporaties is de komende jarengroot. De woningvoorraad moet worden uitgebreid, verduurzaamd enverbeterd. Dat gebeurt in veel gevallen in renovatietrajecten en insommige gevallen ook door middel van sloop en vervangende1Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Nationale prestatieafspraken, juni2022, p. 7 (bijlage bij Kamerstuk 29 453, nr. 551).2TK 2023–24 35 286, nr. 16.3TK 2023–24 35 286, nr. 12.4TK 2020–21 32 847, nr. 770. kst-29453-570ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5701 nieuwbouw. Deze grote bouwopgave lukt alleen als de huidige bewonersgoed worden betrokken in de te maken keuzes. Individuele belangen vanbewoners kunnen daarbij afwijken van het collectieve belang vanhuurders en het belang van woningzoekenden. Zo kan (vervangende)nieuwbouw zorgen voor meer passend woningaanbod en meer kwalitatiefbetere, duurzame en betaalbare woningen. Dit neemt niet weg dat voorbewoners dergelijke sloop/nieuwbouw- en renovatieprojecten ergingrijpend kunnen zijn. Daarom is het van groot belang om hen tijdig tebetrekken. Transparante inspraakprocedures en besluitvormingsprocessenzijn hierbij cruciaal. Hiermee wordt geborgd dat de belangen vanhuurders, tijdens alle fases van het proces, goed worden meegewogen inde keuzes van corporaties.Op lokaal niveau bestaan al goede voorbeelden van sociale statuten ofkaderafspraken en deze kunnen als raamwerk voor het overlegprocestussen bewoners, huurdersvertegenwoordiging en corporatie blijvendienen. Om landelijk enige richting te geven, juist voor die corporatieswaar nog geen standaard kader wordt gehanteerd, is in de NationalePrestatieafspraken van juni 2022 afgesproken om een landelijk sociaalstatuut op te stellen. Het statuut is tot stand gekomen na zorgvuldigoverleg met Aedes en de Woonbond en wordt door hen de komendeweken voor akkoord voorgelegd aan de achterban. In dit Nationaal sloop-en renovatiestatuut zijn randvoorwaarden voor huurders(vertegenwoor-diging) opgenomen om de participatie op een zorgvuldige en transpa-rante manier te organiseren en de rechten, plichten en verantwoordelijk-heden voor alle betrokken partijen te beschrijven. De relatie en wederzijdsvertrouwen tussen huurders(vertegenwoordiging) en corporatie staanhierbij centraal. Het uitgangspunt hierbij is dat bewoners en huurdersver-tegenwoordiging vroegtijdig worden betrokken als een woningcorporatievindt dat er in een wijk of complex iets moet gebeuren en is bedoeld omdraagvlak te creëren onder betrokken bewoners. Hiermee kan uiteindelijkgekomen worden tot een zorgvuldig, breed gedragen besluit. Het belangvan vroegtijdige betrokkenheid van huurders(vertegenwoordigingen) enhun positie in dergelijke ingrijpende trajecten wordt hiermee erkend engewaarborgd. Hierbij is oog voor alle aspecten waarmee huurders in zo’ntraject geconfronteerd worden, zoals de fysieke ingrepen aan dewoningen, maar ook de sociale aspecten voor betrokken bewoners.Wetgeving biedt al een formeel kader in het geval van sloop/nieuwbouw-of renovatietrajecten. Op grond van de Woningwet zijn woningcorporatiesverplicht om een reglement op te stellen voor het slopen en ingrijpendrenoveren van haar woningen en het hierbij betrekken van de betrokkenbewoners.5 De wet stelt – met uitzondering van een regeling voor deverhuiskostenvergoeding – echter geen specifieke eisen aan de inhoudvan zo’n reglement. Dit Nationaal sloop- en renovatiestatuut vult dieruimte in door een landelijke handreiking te bieden die als basis kandienen voor woningcorporaties, huurdersvertegenwoordigingen engemeenten om verdere afspraken op lokaal niveau vast te leggen in eensociaal plan. Daarbij blijft uiteraard ruimte om afspraken zodanig in tevullen dat ze passen bij de specifieke lokale situatie en om andereafspraken te maken dan in dit statuut worden beschreven.Belangrijk hierbij is dat het Nationaal sloop- en renovatiestatuut als hetware een fase toevoegt aan het traject dat nu niet altijd expliciet zo wordtgehanteerd: de oriëntatiefase. Deze fase beoogt de lokale praktijk teverrijken door betrokken bewoners en huurdersvertegenwoordigingeerder te betrekken en hun belangen vanaf het begin goed mee te wegen.Tevens wordt in hoofdstuk 3 van het Nationaal sloop- en renovatiestatuut5Woningwet art. 55b.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5702 inspiratie gegeven voor regelingen en voorzieningen (naast de wettelijkverplichte verhuiskostenvergoeding) waar in het sociaal plan afsprakenover kunnen worden gemaakt. Wat kan worden afgesproken zal in depraktijk per project verschillen. Dit betreft bijvoorbeeld compensatie voorzelf aangebrachte voorzieningen, al dan niet tijdelijke vervangendewoonruimte, vergoeding van schade en tijdelijke voorzieningen inbewoonde staat. Optioneel kan men ook afspraken maken over bijvoor-beeld dubbele huren, hulp in natura, terugkeer in de oude wijk of buurt ofhuurgewenning. Met betrekking tot terugkeer is opgenomen dat – bijrenovaties zonder behoud van de huurovereenkomst – in het sociaal planwordt vastgelegd of het mogelijk is om terug te keren in het complex (ofin de vervangende nieuwbouw) en zo ja onder welke voorwaarden. Als dehuurder aangeeft in de buurt te willen blijven wonen, heeft de corporatiede inspanningsverplichting om te helpen bij het vinden van een woningzo dicht mogelijk bij de oude woning.Onderzoek Kinderombudsman en Nationale ombudsmanDe Kinderombudsman en Nationale ombudsman hebben aangekondigdonderzoek te doen naar de knelpunten voor gezinnen bij sloop- enrenovatietrajecten waarbij gezinnen (tijdelijk) uit hun huis moeten. Hetgaat hierbij specifiek om het in kaart brengen van de knelpunten voorzowel volwassenen als kinderen en in het bijzonder over de vraag wat deoverheid moet doen om de mensenrechtelijke en kinderrechtelijkeverplichtingen na te komen.6 De aanleiding voor dit onderzoek waren deresultaten van een eerder onderzoek uit 2022 waarbij werd onderzochtwelke knelpunten worden ervaren als kwetsbare gezinnen (dreigen) uithun huis (te) worden gezet als gevolg van betalingsachterstanden,overlast of criminele activiteiten.7 Het streven van de Ombudsman is omin juni met een publicatie over dit onderwerp te komen. Daarbij wordt ookhet Nationaal sloop- en renovatiestatuut betrokken. Met dit statuut wordtimmers beoogd de knelpunten voor gezinnen bij sloop/nieuwbouw enrenovatietrajecten verder te beperken door huurders vroegtijdig tebetrekken en oog te hebben voor maatwerk.Mogelijkheid tot terugkeer in oude wijk of buurtUit het Nationaal sloop- en renovatiestatuut vloeit voort dat de vroeg-tijdige betrokkenheid voor een concreet plan betrekking dient te hebbenop zowel een voorstel over de fysieke ingrepen ten aanzien van debetrokken woningen, als op het sociaal plan voor de huurders enbewoners. In het kader van het sociaal plan kunnen door de woningcorpo-ratie en huurdersvertegenwoordiging in de lokale situatie afsprakenworden gemaakt over de mogelijkheid voor huurders en bewoners om nade werkzaamheden terug te keren in de eigen wijk of buurt.Met de motie Grinwis (CU) is verzocht om bij vernieuwing en herstructu-rering van woonwijken te bevorderen dat de oorspronkelijke bewonerskunnen terugkeren naar hun oude woonwijk, bijvoorbeeld door gebruik temaken van de uitzondering van de norm op passend toewijzen of hetintroduceren van een recht op terugkeer naar de wijk.8 Eerder is langsdezelfde lijn met de motie Beckerman (SP) verzocht om het borgen van6Nationale ombudsman (website), «Start onderzoek huisuitzetting gezinnen bij sloop ennieuwbouw of renovatie,» Start onderzoek huisuitzetting gezinnen bij sloop en nieuwbouw ofrenovatie | Nationale ombudsman.7Kinderombudsman en Nationale ombudsman, Als de overheid niet thuis geeft, januari 2023(bijlage bij Kamerstuk 36 200 VII, nr. 173).8TK 2023–24 35 286, nr. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5703 zeggenschap voor bewoners en een recht op terugkeer.9 Met hetNationaal sloop- en renovatiestatuut wordt mede invulling gegeven aande moties van de leden Grinwis en Beckerman.Met het oog op het behalen van voldoende draagvlak bij renovatie, ligthet voor de hand dat een woningcorporatie ernaar streeft om huurders enbewoners die dat willen zoveel als mogelijk in de gelegenheid te stellenna afronding van de werkzaamheden weer in de eigen wijk terug te keren.Bij trajecten zonder behoud van de huurovereenkomst wordt in hetsociaal plan vastgelegd of het mogelijk is om terug te keren in devervangende nieuwbouw en zo ja, onder welke voorwaarden. Als dehuurder aangeeft in de buurt te willen blijven wonen, heeft de corporatiede inspanningsverplichting om te helpen bij het vinden van een woningzo dicht mogelijk bij de oude woning. Dit is ook overeengekomen in hetNationaal sloop- en renovatiestatuut.Woningcorporaties hebben op grond van de Woningwet al eenmogelijkheid een uitzondering te maken in het kader van passendtoewijzen om terugkeer van huurders in de oude wijk te faciliteren.Mensen met een inkomen in de DAEB-doelgroep moeten een betaalbarewoning binnen de passendheidsgrens terugkrijgen. Voor mensen die eenhuishoudinkomen boven de DAEB-inkomensgrens hebben, biedt deWoningwet al ruimte aan corporaties om ook deze huurders terug te latenkeren in een (sociale) huurwoning in de wijk. Sinds de wijziging van deWoningwet in 2022 is de vrije toewijzingsruimte die corporaties hebben7,5% (standaard) tot 15% (als er lokale prestatieafspraken over zijngemaakt) van de jaarlijkse toewijzingen.10 Dit zorgt ervoor dat mensenwiens woning wordt gesloopt, maar die sinds het ijkmoment meer zijngaan verdienen, hier geen nadeel van hoeven te ondervinden. Eenaanpassing van de Woningwet is daarom niet noodzakelijk.Het mogelijk maken van een absoluut en generiek «terugkeerrecht» voorhuurders acht ik onverstandig. De praktijk leert dat slechts een beperktdeel van de bewoners daadwerkelijk terug wil keren in de wijk. Bewonerservaren een renovatie- of sloop/nieuwbouwtraject niet zelden als een kansom naar een andere wijk te gaan. Dit neemt niet weg dat als mensen datwél willen, de woningcorporatie zich zoveel mogelijk zou moeteninspannen om een woning te vinden die in of dichtbij de oude wijk ligt.Het is tegelijkertijd praktisch niet mogelijk een terugkeerrecht te garan-deren, omdat dit in de praktijk niet in alle gevallen valt waar te maken.Met name kleine woningcorporaties hebben niet altijd afdoendevervangend woningaanbod in de betreffende wijk. Om deze redenen achtik de afspraak in het Nationaal sloop- en renovatiestatuut van eeninspanningsverplichting voor corporaties redelijk en haalbaar. Hierdoorworden woningcorporaties geacht om maatwerk te leveren en samen metde bewoner tot een passende oplossing te komen en te zorgen dat dewens om terug te keren in de oude buurt zoveel mogelijk wordt waarge-maakt indien dit praktisch mogelijk is.In het kader van de motie Beckerman, waarbij de vereiste van zeggen-schap en het recht op terugkeer gekoppeld is aan het verlenen vanfinanciële steun, zoals uit het Volkshuisvestingsfonds (VHF) of de RegelingVermindering Verhuurderheffing (RVV), geldt overigens nog het volgende.In de eerste tranche van het Volkshuisvestingsfonds is de opzet en hetbestaan van een participatietraject als toetsingscriterium betrokken bij debeoordeling van de aanvragen. Zo wordt onder andere getoetst inhoeverre er een participatieplan is opgesteld en of dit is afgestemd met de9TK 2020–21 32 847, nr. 770.10Woningwet art. 48.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5704 betrokkenen, of het participatieproces open en transparant is voorbewoners en – in het geval van vervangende nieuwbouw – op welkemanier wordt omgegaan met de huidige bewoners en of dit terugkomt inhet sociaal plan. Dit is vervolgens ook vastgelegd als toetsingspunt in deMeerjarige Regeling Specifieke Uitkering Herstructurering Volkshuis-vesting die de basis vormt voor de beoordeling van aanvragen in hetkader van het Volkshuisvestingsfonds (tranche 2, 3 en 4). Deze aanpaksluit dus aan op het Nationaal sloop- en renovatiestatuut, dat betrokkenpartijen ook nadere handvaten geeft voor de invulling van onder anderehet sociaal plan.Beantwoording Kamervragen lid Beckerman over verschillendesloopprojecten (kenmerk 2023Z18918 en 2023Z19086,ingekomen op 6 november 2023 respectievelijk 13 november2023)Vanwege de samenhang met de thematiek van het Nationaal sloop- enrenovatiestatuut, het onderzoek van de Nationale ombudsman en deKinderombudsman en de eerder aan bod gekomen moties van het lidGrinwis en Beckerman, doe ik met deze brief ook een aantal sets metschriftelijke vragen van het lid Beckerman af. Ik ga daarbij thematisch inop de onderwerpen die in deze vragen aan de orde komen. Op het groteaantal casus-specifieke vragen waarin mijn oordeel wordt gevraagd overlokale afwegingen en vraagstukken, ga ik niet in. Ik heb bij deze casussengeen rol en zie ook geen aanleiding mij hier actief in te mengen. Hetverkrijgen van de gevraagde informatie zou bovendien onevenredig veelbeslag leggen op mijn ministerie en alle betrokken partijen in dezecasussen.Participatietraject met huurders(vertegenwoordiging) en draagvlakmeting(vragen 75 t/m 80, 88, 89, 102, 103 t/m 105)Het doel van het Nationaal sloop- en renovatiestatuut is om eenhandreiking te bieden op basis waarvan woningcorporaties, huurdersver-tegenwoordigingen en gemeenten in een reglement de wijze vanhuurdersinspraak verder vast kunnen leggen. Hiermee wordt het belangonderstreept van vroegtijdige betrokkenheid van huurders en wordt hunpositie gewaarborgd. Daarbij is het niet relevant of er sprake is vansloop/nieuwbouw of renovatie; in beide gevallen heeft de huurder meerdan alleen de mogelijkheid om zijn mening te geven. De huurder die nietinstemt met sloop en daarmee niet instemt met het beëindigen van dehuurovereenkomst, kan namelijk zonder actie van zijn kant bewerkstel-ligen dat de rechter zich buigt over de vraag of de huur mag wordenbeëindigd. Een gedragen plan tot sloop kan weliswaar als argumentatieworden gebruikt voor een beroep op het «dringend eigen gebruik», maarkan niet leiden tot een eenzijdig door de verhuurder toegepaste huurbe-ëindiging. Artikel 7:272 BW bepaalt namelijk dat de huurovereenkomstvan kracht is totdat de huurder schriftelijk met de opzegging heeftingestemd, of totdat de rechter onherroepelijk over de opzegging beslist.Ik acht het dan ook niet noodzakelijk om bij sloop door woningcorporatiesde eis te stellen dat minimaal 70% van de huurder moet hebbeningestemd. Wel ben ik van mening dat van woningcorporaties extraaandacht mag worden verwacht voor betrokkenheid van huurders bij dekeuze voor de ingreep van sloop of renovatie en een goed overleg methun huurders in het geval van sloop. Daaraan wordt met het Nationaalsloop- en renovatiestatuut invulling gegeven.Ook wordt in de vragen (103 t/m 105) ingegaan op de rol van kinderen inhet participatietraject. Als een complex wordt gesloopt of gerenoveerd,worden bewoners betrokken bij het participatieproces, zoals hiervoor ookTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5705 is toegelicht in het kader van het Nationaal sloop- en renovatiestatuut. Debelangen van kinderen worden in dergelijke trajecten in de praktijk doorhun ouders of verzorgers vertegenwoordigd. Dat neemt niet weg dat vanwoningcorporaties wordt verwacht dat er zo veel mogelijk maatwerkwordt geleverd gedurende dit traject, om de belangen van kinderen tewaarborgen. Dit houdt concreet in dat er bijvoorbeeld bij de zoektochtnaar een wisselwoning wordt gekeken naar de plek waar een kind naarschool gaat en sociale contacten heeft.Afwegingen bij sloop/nieuwbouw of renovatie van woningcorporatiewo-ningen (vragen 66, 67, 69, 95, 96, 108, 112, 115, 116, 117, 118, 123 en 127)Als algemeen uitgangspunt bij de keuze voor renovatie van een complexversus sloop/nieuwbouw geldt dat het verkleinen van de socialehuurvoorraad in zijn algemeenheid niet gewenst is. In de NPA isafgesproken dat 250.000 nieuwe sociale huurwoningen worden gebouwdtot en met 2030 en dat wordt gestreefd naar een zo groot mogelijke nettogroei van de sociale huurvoorraad.11 De mate waarin de socialehuurvoorraad zal groeien, hangt af van de lokale prestatieafspraken die iniedere gemeente gemaakt worden.Ik overweeg geen aanpassing van de geldende verkoopregels doorwoningcorporaties of een algemene stop op de verkoop van socialehuurwoningen door woningcorporaties. In het geval van verkoop bestaatde mogelijkheid dat woningcorporaties sociale huurwoningen aan een(zittende) huurder verkopen, zodat die huurder eigenaar van de woningwordt. Deze woningen blijven beschikbaar om in te blijven wonen, alleenhet eigendom verandert.Een algemene stop op het door woningcorporaties slopen van socialehuurwoningen is eveneens niet aan de orde. Het aantal woningen datdoor woningcorporaties jaarlijks wordt gesloopt omvat ongeveer 8.500woningen per jaar, wat neerkomt op ongeveer 0,4 procent van de totalewoningvoorraad van 2,3 miljoen woningen in het bezit van woningcorpo-raties. Het jaarlijkse aantal sociale huurwoningen dat wordt gesloopt isdus beperkt en woningcorporaties passen sloop (met vervangendenieuwbouw) terughoudend toe. Wanneer er na de sloop verdichting endifferentiatie plaatsvindt, worden zelfs woningen toegevoegd en leidt dittot meer gemengde wijken.Bovendien zie ik geen inhoudelijke reden voor een algeheel sloopverbod.Woningen kunnen in dusdanige staat zijn dat de kosten voor het in standhouden van de woning of renovatie niet in reële verhouding staan tot deuit te voeren maatregelen of verbeteringen. Het is dan voor de volkshuis-vesting beter om voor sloop en vervangende nieuwbouw te kiezen.Huizen hebben nu eenmaal geen oneindige levensduur en de huidigemaatstaven ten aanzien van woongenot liggen hoger dan vroeger. Hoewelhet slopen van woningen een ingrijpend besluit voor bewoners en ookvoor woningcorporaties is, is het soms onvermijdelijk. Dit is overigensniet een vraagstuk dat alleen bij woningcorporaties speelt, maar datbreder wordt waargenomen. Mede hierom is in 2021 het Volkshuisves-tingsfonds ingesteld, zodat gemeenten ook de mogelijkheid hebben om– zoveel als mogelijk in samenwerking met woningcorporaties – inkwetsbare gebieden particulier woningbezit te herstructureren tenbehoeve van de leefbaarheid en veiligheid.Het toepassen van sloop en vervangende nieuwbouw kost uiteraard geld,maar dit leidt niet tot een ongewenste weglek van maatschappelijk11Ministerie van BZK, NPA, p. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5706 vermogen. Hiervan zou sprake zijn als corporaties sloop op een ondeug-delijke wijze verwerken in hun jaarrekening of anderszins. Mij zijn geensignalen bekend dat woningcorporaties zich niet aan de geldende regelsof richtlijnen houden op dit punt. Verder geldt dat woningcorporaties hunvermogen inzetten om de doelgroepen te voorzien van huisvesting. Hettoekomstbestendig in stand houden van deze huisvesting is belangrijk.Woningcorporaties hebben hierbij verschillende mogelijkhedenwaaronder verduurzaming, woningverbetering door renovatie ensloop/nieuwbouw. Het is in beginsel aan woningcorporaties om met hunstakeholders op lokaal niveau te bepalen wat in een specifieke situatie debeste optie is.Differentiatie en het toevoegen van woningen en mogelijke discriminatieals gevolg daarvan (vragen 70 t/m 74, 81 t/m 87, 94, 97, 108 t/m 111, 113,114, 124 en 128)In de NPA is afgesproken dat er door corporaties tot en met 2030 250.000nieuwe sociale huurwoningen worden gebouwd.12 Ook is het belangrijkdat tussen gemeenten wordt toegewerkt naar een meer evenwichtigeverdeling in de woonvoorraad. Dat betekent dat in alle gemeententoegewerkt moet worden naar voldoende sociale huurwoningen envoldoende woningen voor mensen met een middeninkomen. Ik vind hetdaarom belangrijk dat gemeenten met een beperkt aandeel socialehuurwoningen de komende jaren extra inzetten op het bouwen vansociale huurwoningen, terwijl gemeenten die al een relatief groot aandeelsociale huurwoningen hebben zich meer richten op het bouwen vanwoningen voor middeninkomens. Het Wetsvoorstel versterking regievolkshuisvesting (Wvrv) dat ik recentelijk aan uw Kamer heb aangebodenbevat instrumenten om langs deze lijn de (sociale) woningbouw teversnellen en te komen tot het realiseren van de afspraken uit de NPA.Ik heb er geen principiële bezwaren tegen als corporaties bij het besluitom woningen te slopen die aan het einde van hun technische ofmaatschappelijke levensduur zijn ook meewegen dat zij de grondpositiesopnieuw kunnen inzetten. Corporaties hebben op dit moment debeperking dat zij relatief weinig grond in bezit hebben. Zoals ik u eerderheb gemeld laat ik momenteel een onderzoek uitvoeren naar belemme-ringen die woningcorporaties ervaren bij het verwerven van grond tenbehoeve van sociale woningbouw. Daarin neem ik ook het vraagstuk rondsociale grondprijzen mee. Ik verwacht u voor de zomer van 2024 meer tekunnen vertellen over de uitkomsten van dit onderzoek en of ditonderzoek aanknopingspunten biedt voor het verder wegnemen vanbelemmeringen. Daar wil ik nu niet op vooruit lopen. Het is in algemenezin wel zo dat de uitdaging die woningcorporaties ervaren rond hetverwerven van grondposities niet alleen een kwestie is van het versoe-pelen van regelgeving voor woningcorporaties. Ook andere actorenhebben hier een belangrijke rol in te spelen. Ik verwijs u daarbij graagnaar de modernisering van het grondbeleid, waarover ik u op 19 juni jl.informeerde.13Woningcorporaties gaan, zoals eerder aangegeven, terughoudend om metde keuze voor sloop en vervangende nieuwbouw. Tegelijkertijd kan er inhet kader van herstructurering van buurten en wijken voor wordengekozen een meer gevarieerd woningaanbod te creëren, mede omdaarmee leefbaarheidsproblematiek in een buurt of wijk te verkleinen. Ditvergt maatwerk en kan, naast de uitbreiding van het aantal (sociale)huurwoningen, eveneens samengaan met de afweging om een deel van12Ministerie van BZK, NPA, p. 5.13TK 2022–23, 34 682, nr. 164.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5707 het woningbezit van groot onderhoud te voorzien of te renoveren. In hetkader van de afweging tussen sloop/nieuwbouw of renovatie magdiscriminatie op basis van migratieachtergrond of om andere redenen– direct of indirect – nooit een rol spelen. Het Nationaal sloop- enrenovatiestatuut kan eraan bijdragen dat corporaties en bewoners in eenzo vroeg mogelijk stadium in gesprek gaan om een zorgvuldige, transpa-rante afweging te maken tussen sloop en vervangende nieuwbouw ofrenovatie van corporatiebezit, waar ook een evaluatie onderdeel van is.Als zodanig draagt het bij aan het voorkomen van een risico op discrimi-natie in dergelijke trajecten.Op de vragen die betrekking hebben op het recht op terugkeer vanbewoners is in deze brief al uitgebreid ingegaan. Ten aanzien van destelling dat het recht op terugkeer onderdeel zou zijn van de «Basicprinciples and guidelines on development-based evictions and displa-cement», verwijs ik graag naar de uitgebreide reactie van de Nederlandseregering uit 2021 op een brief van een aantal Speciale Rapporteurs van deVerenigde Naties.14Rol van gemeenten bij sloop/nieuwbouw van corporatiewoningen(vragen 90 t/m 92, 106 en 107)Overleg over sloopplannen en het op peil houden van de socialewoningbouwvoorraad binnen een gemeente vindt plaats in het kader vande Woningwet. Een woningcorporatie dient naar redelijkheid bij te dragenaan de realiseren van het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid. Degemeente, woningcorporatie(s) en huurdersorganisatie(s) maken in datkader lokale prestatieafspraken. In de woondeals tussen het Rijk en deregio’s worden op bovengemeentelijk niveau afspraken gemaakt overwoningbouwprogrammering. Onderdeel van de woningbouwprogram-mering is ook het bespreken van sloop- en nieuwbouwplannen.Wanneer er sprake is van een plan voor sloop/nieuwbouw, kan vanuit degemeente het belang van participatie ook relevant zijn in het kader van deOmgevingswet. Dit is het geval wanneer voor sloop en nieuwbouw vanwoningen een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsver-gunning vereist is. De invalshoek is hierbij dan het gevolg van de sloop- ofbouwactiviteit voor de fysieke leefomgeving. Een gemeente zal bij devaststelling van de wijziging van een omgevingsplan moeten aangevenhoe zij burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursor-ganen bij de voorbereiding van een omgevingsplan betrekt en heeftbetrokken. Daarbij moet een gemeente ook aangeven op welke wijzeinvulling is gegeven aan het toepasselijke participatiebeleid. Wie eengemeente bij de participatie in het omgevingsplan zal betrekken, zalafhangen van het type omgevingsplanwijziging, de aard, de omvang ende invloed op de fysieke leefomgeving. Participatie is daarbij dus nietbeperkt tot belanghebbenden. In het geval van een omgevingsvergunningmoet de initiatiefnemer aangeven of hij aan participatie heeft gedaan enwat de resultaten hiervan waren. Ten aanzien van de suggestie datsommige gemeenten pas nadat de woningen gesloopt zijn wijzigingenvan bestemmingsplannen zouden indienen vanwege een gunstigerepositie van de gemeenten (omdat er geen belanghebbenden meer zijn),zijn mij geen gevallen bekend.Op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet in bepaaldegevallen een sloopmelding worden gedaan bij gemeenten. Dit is het gevalbij asbest of bij situaties waarbij de (ingeschatte) hoeveelheid sloopafval14Dutch response to UN Joint Communication from the Special Procedures of 19 April 2021,16 juni 2021, Microsoft Word – VN Housing – Reactie NL def 16 juni 2021 (s).docx (ohchr.org).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5708 meer dan 10m3 bedraagt. Ook gelden er algemene regels voor hetuitvoeren van sloopwerkzaamheden die voornamelijk gericht zijn op hetwaarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid inde directe omgeving van bouw- en sloopwerkzaamheden. Ook zijn erregels over scheiden van bouw- en sloopafval en stikstofemissie tijdensde sloop. De landelijke bouwregelgeving biedt geen kader om sloopvanuit andere oogmerken tegen te gaan. De wijze waarop de belangenvan huurders betrokken worden bij sloop van hun woning is niet in debouwregelgeving verankerd, maar komt terug op andere plekken, zoals indeze brief toegelicht.Duurzaamheid (vragen 41, 68, 119 t/m 122, 125 en 126)Vanuit het kabinet wordt met het Programma versnelling verduurzaminggebouwde omgeving15 uit 2022 ingezet op het verduurzamen van allebestaande woningen en utiliteitsgebouwen in Nederland. Via hetprogramma wordt dit met normering, beprijzing, subsidieregelingen,financiering in de vorm van leningen en ontzorging gestimuleerd.Bovendien is er voor de verduurzaming van woningen en gebouwen deNationale Aanpak Biobased Bouwen.16 Ook worden woningcorporatiesmet (de update van) het Handboek Circulair Renoveren Woningcorpo-raties17 ondersteund.Ik deel de mening dat hergebruik en transformatie van bestaandegebouwen veelal duurzamer is dan nieuwbouw, indien het gebouw zichhiervoor leent. In het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)18is in het kader van de bouwopgave het streven opgenomen naar hetopleveren van 15.000 woningen per jaar door transformatie van winkel-gebied en kantoren. Om dit doel te halen, is een nationaal transforma-tieplan opgesteld en werkt de overheid met betrokken partijen via dewoondeals samen aan de realisatie hiervan.Daar waar tot sloop wordt besloten, stimuleer ik dat zo veel mogelijkwordt ingezet op hoogwaardig hergebruik van bouwelementen enmaterialen of recycling van materialen. Ik zie hiervoor groeiende aandachtbij bedrijven en opdrachtgevers. Ik stimuleer dat door deMilieuprestatie-eis gebouwen (MPG) verder aan te scherpen voornieuwbouw, en met de sloopbranche samen te werken aan het verderverbeteren en uitbreiden van het aanbod en de vraag naar hergebruiktebouwelementen en materialen. Specifiek voor woningcorporaties wordtsamengewerkt met de Groene Huisvesters en Aedes om de kennis enervaring vanuit de sector verder binnen de sector te verspreiden, zoals viadigitale kennissessies en handreikingen.Voor de gebouwen die zich niet lenen voor renovatie, bestaan tegen-woordig ook andere mogelijkheden die veel milieuwinst opleveren tenopzichte van de traditionele manier van slopen en vervangendenieuwbouw. Bovendien leveren zij minder overlast voor bewoners op. Zozijn er concepten van sloop en vervangende nieuwbouw die in 20werkdagen worden gerealiseerd. Daarbij worden woningen op debestaande fundering gebouwd, wat veel milieuwinst betekent, mettoepassing van hernieuwbare materialen. Gedurende het proces van de15Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Programma versnelling verduur-zaming gebouwde omgeving, juni 2022.16Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties e.a., Nationale Aanpak BiobasedBouwen, november 2023.17Provincie Noord-Holland e.a., Handboek Circulair Renoveren Woningcorporaties, maart 2021.18Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat e.a., Nationaal Programma Circulaire Economie,februari 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 5709 vergunningaanvraag blijven de bewoners in hun oude woning wonen.Ook kunnen bewoners na een tijdelijke verhuizing naar een wisselwoningweer terugkeren naar hun vertrouwde woonplek, zonder de overlast waareen renovatie mee gepaard gaat. Er is beperkte overlast voor de bewonersen omwonenden omdat de bouwmodules met minder vrachtwagens naarde bouwlocatie kunnen worden gebracht.Naast levensduurverlenging van een gebouw als voordeel van renovatie,is ook het hoogwaardig hergebruiken van bouwelementen en materialenbelangrijk voor duurzame renovaties, zeker daar waar de energetischeschil lastig te verbeteren is of waar de technische levensduur sterk isverouderd. Eén norm past niet goed op de huidige pluriforme woning-voorraad. Er moet per gebouw worden gekeken wat de beste circulairestrategie is als het gaat om hergebruik. Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB)heeft hierin een belangrijke rol die de komende jaren ook op dit puntverder wordt ingevuld. De ervaringen en kennis die door de RVB wordenopgedaan, worden landelijk verspreid en zouden op termijn kunnen leidentot normering.Zoals door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat aangegeven inhet NPCE, moet in 2050 het verbranden van recyclebaar materiaal volledigverleden tijd zijn. Uiteindelijk kan dit leiden tot een materiaalgerichtverbrandingsverbod, maar zover is het nog niet. Zoals verwoord in debrief van 15 september 202319 wordt er gewerkt aan een pakket vanmaatregelen met gerichte acties voor de gehele afvalverwerkingsketenom te voorkomen dat recyclebare materialen bij een afvalverwerkingsin-stallatie belanden.Verduurzaming en renovatie van cultureel erfgoed (vragen 53 t/m 57, 61en 65)Bij de afweging tussen sloop/nieuwbouw en renovatie speelt uiteraardook het behoud van monumenten en cultuurhistorische waarden meer inden brede een rol. Overheden (Rijk, provincies, gemeenten) kunnengebouwde en aangelegde monumenten aanwijzen en daar een bescher-mingsregie aan koppelen. De gemeente moet met het oog op het belangvan het behoud van cultureel erfgoed dat voor bescherming inaanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in hetomgevingsplan. De Rijksoverheid heeft een selectie van woningen enwoningcomplexen uit de periode 1850–1940 aangewezen als rijksmo-nument. Een aantal wijken met veel van dit soort woningen is aange-wezen als rijksbeschermd stadsgezicht. De gemeente moet in hetomgevingsplan de door het Rijk aangewezen stads- en dorpsgezichtenbeschermen.Rekening houden met cultureel erfgoed en het behoud van de historischeleefomgeving is van wezenlijk belang als het gaat om beslissingen overde toekomst van deze stedelijke leefomgeving. Een zorgvuldige afwegingis daarom nodig. Het feit dat een woning of woningbouwcomplex doorhet Rijk, een provincie of een gemeente is aangewezen als beschermdmonument of beschermd stads- of dorpsgezicht, legt hierbij extra gewichtin de schaal waarbij in het omgevingsplan ook regels zijn gesteld overbijvoorbeeld sloop of aantasting van karakteristieke stad- en dorpsge-zichten. Op het moment dat een woningcorporatie een sloop/nieuwbouw-dan wel renovatietraject wil gaan uitvoeren met woningen die alscultureel erfgoed aangemerkt zijn, en er dus een participatieproces wordtopgestart met het Nationaal sloop- en renovatiestatuut als handreiking,moet een woningcorporatie dit voorleggen aan de gemeente. De19TK 2022–23 32 813, nr. 1292.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 57010 waardering als cultureel erfgoed is een element dat meegenomen wordtin de totale afweging voor sloop/nieuwbouw dan wel renovatie. Als hetbeschermd monumentaal vastgoed betreft, is het uitgangspunt dat hetniet wordt gesloopt. Voor een activiteit aan een rijksmonument (eenzogenoemde rijksmonumentenactiviteit) is te allen tijde een omgevings-vergunning nodig. In de regel geldt hier ook een omgevingsvergunnings-plicht.De verantwoordelijkheid voor het afwegen van de verschillende perspec-tieven en belangen, van bewoners, inwoners en woningcorporaties om tegaan verduurzamen, renoveren of slopen, ligt bij gemeenten. Bijvoorgenomen ingrijpende wijziging van een rijksmonument dient degemeente eerst advies te vragen aan de Minister van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap (via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Er zijn mijgeen voorbeelden bekend van wijken met een rijksbeschermde status diegesloopt zijn of worden.Verduurzamingsmogelijkheden zijn er ook bij cultureel erfgoed. Hier wordtook al volop aan gewerkt, omdat verduurzaming van de gebouwdeomgeving van belang is om de energierekening binnen de perken tehouden en om de klimaatdoelstellingen te halen. Net als bij sloop, spelener bij verduurzaming en renovatie vele overwegingen mee. Ik vertrouwerop dat gemeenten, met inachtneming van de belangen van debetrokken partijen, hierbij een zorgvuldige keuze maken.Beantwoording Kamervragen lid Beckerman over de plotselingesloopaankondiging van 46 woningen in Boskoop (kenmerk2024Z03982, ingekomen op 12 maart 2024)Tenslotte is middels Kamervragen aandacht gevraagd voor funderingspro-blematiek bij sociale huurwoningen naar aanleiding van de sloopaankon-diging van 46 sociale huurwoningen in Boskoop. Hierover kan ik hetvolgende zeggen. De verwachting is dat funderingsschade zich in detoekomst door veroudering van de woningvoorraad, bodemdaling enklimaatverandering vaker zal voordoen. Daarom heeft het kabinet de Raadvan de leefomgeving en infrastructuur (Rli) om advies gevraagd. HetRli-advies «Goed gefundeerd» heb ik 29 februari samen met collegaHarbers in ontvangst genomen.20 Het advies van de Rli onderstreept datde aanpak van funderingsproblematiek een urgent vraagstuk is waar doormeerdere departementen inzet op benodigd is. Op basis van dit adviesgaat het kabinet (de Ministeries van BZK, I&W, LNV, EZK, OCW enFinanciën) samen met medeoverheden, de financiële sector, debouwsector en gebouweigenaren aan de slag om tot een nationaleaanpak funderingsproblematiek te komen. Deze aanpak heeft als doelnieuwe schadegevallen zoveel mogelijk te voorkomen. Dit is verwoord inde eerste reactie van het kabinet op het Rli-advies waar uw Kamerrecentelijk over is geïnformeerd.21 Omdat woningcorporaties al eenbelangrijke partner zijn in de nationale aanpak zoals hierbovenbeschreven, en Aedes zoals in de brief over de aanpak is genoemd ookbetrokken wordt bij de vervolgstappen, zie ik geen reden hier nog apartvia de Nationale Prestatieafspraken andere afspraken over funderingspro-blematiek te maken.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,H.M. de Jonge20Raad voor de leefomgeving en infrastructuur, Goed gefundeerd: advies om te komen tot eennationale aanpak van funderingsproblematiek, februari 2024.21TK 2023–24 28 325, nr. 266.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 453, nr. 57011
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.