Verslag van een schriftelijk overleg o.a. de geannoteerde Agenda Informele bijeenkomst van Milieuministers van 23 en 24 juli 2026
Brontekst
Versie 00c6c39c9c00200d · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-08MilieuraadNr. 1042 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld op 22 juli 2026 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan het kabinet over de geannoteerdeAgenda Informele bijeenkomst van Milieuministers van 23 en 24 juli 2026en de brief Nederlandse inzet Milieuomnibus (Kamerstuk 21501–08, nr.1041).De vragen en opmerkingen zijn op 14 juli 2026 aan het kabinetvoorgelegd. Bij brief van 22 juli zijn de vragen door de Staatssecretarisvan Infrastructuur, en de Ministers van Klimaat en Groene Groei en vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur beantwoord.Voorzitter van de commissie,HuizengaAdjunct-griffier van de commissie,Meedendorp kst-21501-08-1042ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10421 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties InhoudsopgaveInleiding2VVD-fractie2PRO-fractie3PVV-fractie5Partij voor de Dieren-fractie6 InleidingDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda voor de informele Milieuraad van 23 en24 juli 2026. Deze leden hebben hierover nog de volgende vragen.De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de brief van hetkabinet en de geannoteerde agenda. Gezien het gebrek aan een agenda ofstukken is het lastig om concreet te reageren op punten mee te geven aanhet kabinet.De leden van de PVV-fractie hebben met kritische belangstelling kennisge-nomen van de geannoteerde agenda voor de Informele Milieuraad inIerland en hebben nog enkele vragen.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben enkele vragen inverband met de informele Milieuraad op 23 en 24 juli. Deze ledenverzoeken het kabinet om echt álle vragen te beantwoorden, omdat ze inhet verleden hebben gemerkt dat dat niet altijd goed gaat.VVD-fractieMilieuomnibusDe leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van het vereen-voudigen van Europese regelgeving, het terugdringen van administratievelasten en het versnellen van vergunningverlening. Tegelijkertijd hechtendeze leden aan zorgvuldige Europese wetgeving. Kan de Staatssecretarisaangeven welke concrete vereenvoudigingen Nederland gedurende detriloogonderhandelingen nog wil realiseren boven op het huidigeRaadsmandaat?De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet een nationale quickscanuitvoert naar de effecten van de Milieuomnibus. Op welke wijze zullen deuitkomsten van deze quickscan daadwerkelijk worden betrokken bij deNederlandse inzet gedurende de triloogonderhandelingen? Is deStaatssecretaris bereid de Kamer hierover tussentijds te informeren indiende quickscan aanleiding geeft de Nederlandse inzet aan te passen?De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris kan toezeggendat Nederland zich tijdens de triloogonderhandelingen zal blijvenverzetten tegen voorstellen die leiden tot extra administratieve lasten ofuitvoeringslasten voor ondernemers en bevoegde gezagen, zonder datdaar een aantoonbare verbetering van milieu of volksgezondheidtegenover staat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10422 Europees 2040-klimaatpakketDe leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie dekomende maanden voorstellen zal presenteren ter uitvoering van hetEuropese 2040-klimaatdoel. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat voorNederland een gelijk Europees speelveld, behoud van de internationaleconcurrentiepositie en het voorkomen van nationale koppen leidendeuitgangspunten blijven bij de beoordeling van deze voorstellen? Hoe zalNederland zich ervoor inzetten dat de herziening van onder meer hetEmissions Trading System (ETS), de Effort Sharing Regulation en deLand-use, land-use change and forestry regulation (LULUCF) verordeningvoldoende ruimte laat voor innovatie, economische groei en behoud vaneen concurrerende Europese industrie?REACHDe leden van de VVD-fractie constateren dat Nederland samen met enkeleandere lidstaten heeft gepleit voor betere handhaving van de REACH-verordening, met name ten aanzien van importproducten en e-commerce.Welke concrete vervolgstappen verwacht de Staatssecretaris op ditdossier onder het Ierse voorzitterschap? Deelt de Staatssecretaris deopvatting dat betere handhaving van bestaande Europese regelgevingvaak effectiever is dan het introduceren van nieuwe regelgeving? Zo ja, opwelke wijze zal Nederland deze inzet de komende maanden actiefuitdragen?WetgevingskwaliteitDe leden van de VVD-fractie lezen met belangstelling het recente adviesvan de Sociaal-Economische Raad (SER) over de kwaliteit van deEuropese omnibusvoorstellen. De SER uit kritiek op het ontbreken vanimpact assessments en op de beperkte aandacht voor de gevolgen voorbrede welvaart. Op welke wijze zal Nederland zich tijdens het Iersevoorzitterschap inzetten om impact assessments, transparantie en beterewetgevingskwaliteit weer een vanzelfsprekend onderdeel te maken vantoekomstige Europese wetgevingsvoorstellen en omnibuspakketten?PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie willen wel benadrukken dat het afzwakkenvan doelen of uitstellen van deadlines niet in het belang is van Nederland,Europa of de wereldgemeenschap als geheel. In tegendeel, we zullen detransitie naar een groene economie fors moeten versnellen om klimaat-verandering en verder verlies van biodiversiteit tijdig te kunnen stoppen.Tijdig is in dit geval niet een streefdatum, maar het moment dat onsklimaat kantelt en herstel niet meer mogelijk is. Daarmee worden dekosten voor de lange termijn oneindig veel groter dan wat we met eentragere transitie op de korte termijn kunnen besparen. Deze leden vragenom het grote belang van een snelle transitie te blijven benadrukken enniet akkoord te gaan met vertragingen.De leden van de PRO-fractie wijzen erop dat de recente aanvallen van deVerenigde Staten op Iran en de gevolgen voor de olieproductie enolieprijzen laat zien wat het belang is van energieonafhankelijkheid en hetuitfaseren van alle fossiele stromen. Landen met een groot aandeelduurzame energie in de energiemix hadden veel minder last van deprijsschommelingen dan landen met een grote afhankelijkheid vanfossiele brandstoffen. Een snelle transitie is daarom ook vanuit hetoogpunt van strategische autonomie en bescherming van onze economievan groot belang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10423 De leden van de PRO-fractie lezen in de geannoteerde agenda over deNederlandse inzet voor vraagcreatie van schone producten. Deze ledenzijn hier niet tegen, mits we goed het doel in het oog houden dat dit tenkoste moet gaan van de grijze productie en consumptie. Immers,vergroening bestaat niet bij gratie van meer groen, maar van minder grijs.Uitfasering en afschaffing van de fossiele en niet circulaire vervuilendeindustrieën is het doel. Groen boven op grijs, is alleen maar meerconsumptie en vervuiling. Zolang de fossiele, vervuilende en nietcirculaire sectoren niet worden geconfronteerd met de onvermijdelijkheidvan hun einde zullen producenten en ook investeerders niet overstappen.De leden van de PRO-fractie waarderen dat Nederland zich diplomatiek wilblijven inzetten voor biodiversiteit (COP) en klimaat. Deze leden moetenwel constateren dat Nederland zelf ver achterblijft bij de eigen eerdergeformuleerde ambities en al helemaal bij wat nodig is. Hoe staat het methet afschaffen van fossiele subsidies en belastingvrijstellingen? Hoe staathet met onze waterkwaliteit, ons natuurherstel? Hoe kan Nederlanddiplomatiek vooroplopen en andere landen aanspreken op hun acties enresultaten, als we zelf zo ver achterlopen?De leden van de PRO-fractie constateren verder dat Europa steeds vaker,langer en erger zucht onder hitte en droogte, met grote gevolgen voor degezondheid van mensen, onze economie, ecologie en veiligheid. Daarwaar voorheen het zo snel mogelijk afvoeren van water dat Nederlandbinnenkomt de belangrijkste prioriteit was, zijn er nu steeds meer zorgenover voldoende schoon drinkwater in de zomerperiode. Deze leden delende toenemende zorgen hierover, van waterschappen, Rijkswaterstaat enandere betrokken waterpartijen. Graag vernemen deze leden of hetkabinet deze zorgen ook deelt en of zij van plan is om dit vraagstukproactief te agenderen tijdens de komende informele Milieuraad? Zo nee,waarom niet?De leden van de PRO-fractie lezen dat de Unie van Waterschappen dezeweek constateerde dat de afspraken in Europees verband over deverdeling van schaars rivierwater onvoldoende stevig zijn. De Unie vanWaterschappen stelt daarom voor om deze afspraken aan te scherpenzodat benedenstroomse landen zoals Nederland niet grotere problemenzullen krijgen. Deze leden delen deze zorgen en vinden het verstandig dathier in Europees verband op korte termijn nadere afspraken over wordengemaakt. Deelt het kabinet dit standpunt? Zo ja, wat gaat het kabinetconcreet doen? Zo nee, waarom niet?Kan het kabinet, zo vragen de leden van de PRO-fractie, aangeven wat deEuropese Commissie op dit moment concreet doet om afspraken over deschaarse verdeling van schoon rivierwater te verbeteren? Vindt hetkabinet dat de Europese Commissie op dit moment voldoende urgentiegeeft aan dit onderwerp? En kan het kabinet aangeven hoe andere(buur)landen die bovenstrooms liggen ten opzichte van Nederland in dezediscussie zitten? Welke nadere afspraken probeert Nederland in bilateraalverband op dit moment te maken? En kan het kabinet concreet aangevenhoe ook de waterkwaliteit in dit vraagstuk concreet wordt meegenomen?Deelt het kabinet in dit kader de mening dat het versoepelen van deKaderrichtlijn Water (KRW) tot gevolg heeft dat Nederland meer enstrengere nationale regels zal moeten opstellen om de waterkwaliteit teborgen? Zo nee, waarom niet?De leden van de PRO-fractie vinden het verstandig als er in EU-verbandnadere afspraken volgen, maar constateren dat voor het maken van goedeafspraken ook een niet-EU land als Zwitserland betrokken zou moetenworden. Kan het kabinet ook aangeven hoe niet-EU landen hierbijbetrokken worden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10424 PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie maken zich ernstige zorgen over de democra-tische borging van de besluitvorming in Brussel. In de brief over deNederlandse inzet voor de Milieuomnibus wordt gesproken over eenuitzonderlijk korte doorlooptijd, die de ruimte voor een grondige nationaleen parlementaire behandeling ernstig beperkt. Het zeer onzaligevoornemen om onder dergelijke tijdsdruk ingrijpende wijzigingen door tevoeren, wordt door deze leden ten zeerste afgekeurd. Deze leden vragenhoe de Staatssecretaris deze werkwijze beoordeelt in het licht van denoodzakelijke zorgvuldigheid?De leden van de PVV-fractie constateren dat de Milieuomnibus, die onderandere ziet op de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV),niet is vergezeld door een Impact Assessment (effectbeoordeling) van deEuropese Commissie (EC). Deze leden vragen of de Staatssecretaris eenreactie kan geven op het feit dat er nu onder hoge tijdsdruk besluit-vorming wordt geforceerd zonder dat de risico’s voor de volksgezondheiden de leefomgeving volledig gewogen kunnen worden. Daarnaast vragendeze leden waarom het kabinet heeft besloten zich bij de ambassadeurs-bespreking in het Committee of Permanent Representatives (COREPER)op 24 juni aanstaande te onthouden van stemming in plaats van tegen testemmen, zolang de nationale quickscan naar de effecten nog niet isafgerond.Decarbonisatie en concurrentievermogenDe leden van de PVV-fractie lezen dat, ten aanzien van de werksessie overdecarbonisatie en concurrentievermogen, het kabinet pleit voor eenvoorspelbaar emissiereductiepad na 2030 via het Emissions TradingSystem (ETS). Deze leden vrezen voor een schandelijke lastenverzwaringvoor de Nederlandse huishoudens en het midden- en kleinbedrijf (MKB)die hiermee gepaard gaat. Kan de Staatssecretaris toelichten wat deverwachte financiële gevolgen van dit pad zijn voor deze groepen, zekernu een groep lidstaten kritisch is op de korte termijn impact van ditbeleid?Daarnaast hebben de leden van de PVV-fractie vragen over de IndustrialAccelerator Act (IAA). In de geannoteerde agenda wordt gesproken overhet vergroten van de vraag naar schone producten via vraagcreatie. Dezeleden vragen of dit volgens het kabinet betekent dat de overheidkunstmatig markten gaat creëren en wat hiervan de risico’s zijn voor dewerkelijke concurrentiekracht van de Europese Unie (EU).Mondiaal leiderschap en klimaatconferentiesDe leden van de PVV-fractie hebben vragen bij de inzet van Nederland opzogenaamde coalitions of the willing (coalities van welwillenden) tijdensde Conference of the Parties (COP) 31 voor klimaat en COP17 voorbiodiversiteit. Waarom vindt het kabinet het raadzaam om voorop te lopenin dergelijke initiatieven, wanneer de voortgang op multilateraal niveaumoeizaam blijkt? Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan garanderendat de inzet op het wereldwijd weg bewegen van fossiele brandstoffen deleveringszekerheid en de energieprijzen in Nederland niet verder onderdruk zet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10425 Circulaire economie en weerbaarheidDe leden van de PVV-fractie vragen ook om een nadere toelichting op delink tussen de circulaire economie en de strategische autonomie van deEU. In de onderliggende informatiebronnen wordt verwezen naar deaanstaande Circular Economy Act (CEA) en de al aangenomen Ecodesignfor Sustainable Products Regulation (ESPR). Deze leden vragen of deStaatssecretaris kan uiteenzetten in hoeverre deze nieuwe Europeseproductnormen leiden tot extra administratieve lasten en regeldruk voorhet Nederlandse bedrijfsleven. Hoe weegt het kabinet het risico dat eenverplicht verminderd gebruik van primaire grondstoffen de economischegroei in Nederland belemmert?Partij voor de Dieren-fractieAllereerst hebben de leden van de Partij voor de Dieren-fractie nog watvragen op de terugblik van de vorige Milieuraad. Deze leden lezen dat erlidstaten zijn die hebben opgeroepen om de KRW niet te herzien voormijnbouw. Klopt het dat Nederland zich daar niet bij heeft aangesloten enzo ja, waarom heeft Nederland dat niet gedaan, terwijl daar in het laatstecommissiedebat Water (25 juni 2026) nadrukkelijk om is gevraagd aan deMinister? Klopt het ook dat Nederland niet aangesloten was bij de groeplidstaten die wil dat we meer gaan doen met hergebruik van water?Waarom? En klopt het dat Nederland zelf niet heeft gepleit voor meeraandacht voor de gecombineerde effecten van stoffen en de introductievan een mengselbeoordelingsfactor, en zo ja, waarom niet? Is Nederlandbereid om tijdens de volgende Milieuraad duidelijk te maken zich welachter de initiatieven van bovenstaande voorstellen te scharen?De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen welke landenopriepen tot een nationaal verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmid-delen. Is Nederland bereid zich bij deze landen aan te sluiten, ook geziende recent aangenomen motie daarover (Kamerstuk 28 089, nr. 373)? Zonee, waarom laat het kabinet het nog steeds gebeuren dat gevaarlijkePFAS via bestrijdingsmiddelen overal door ons land wordt verspreid en inons water en eten terechtkomt? Kan het kabinet bevestigen dat afgelopenjaren het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen is gegroeid inNederland? Kan het kabinet schetsen hoeveel PFAS jaarlijks in ons milieuterechtkomt (jaarlijkse PFAS-belasting naar grond-/oppervlaktewater inPFOA-equivalenten) door gebruik van bestrijdingsmiddelen, en hoeveeldat jaarlijks is door respectievelijk Chemours, door Sabic Bergen op Zoomen door CFS Weert?Gaat het kabinet in Brussel de zorgwekkende conclusies delen dat PFAS inmoedermelk in Nederland zit, en soms zelfs zoveel dat het over grens-waarden van wat gezond is gaat? Welke extra stappen gaat het kabinetnaar aanleiding van dat nieuws nemen, om baby’s sneller te beschermen?De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen het kabinet daarnaastde inbreng die door Nederland op 6 juli geleverd, is in het kader van devragenlijst over de stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zo volledigmogelijk met de Kamer te delen.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben daarnaast nog eenaantal vragen in verband met de Milieuomnibus. De SER stuurdeafgelopen maand een brief aan het kabinet over de omnibusvoorstellen.De SER is bezorgd over de kwaliteit, voorspelbaarheid en legitimiteit vande omnibusvoorstellen. Onder andere omdat een impact assessmentontbreekt en het alleen gaat om lastenreductie in plaats van te kijken naarbrede welvaart. De SER roept het kabinet op om zich in Brussel actiever inte zetten voor wetgevingskwaliteit en proceswaarborgen. Hoe reflecteertTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10426 de Staatssecretaris in het kader van de brief van de SER op het procesrondom de milieuomnibus? Hoe gaat zij zich ervoor inspannen om tezorgen voor een gedegen proces en zorgvuldige wetgeving waarbij degezondheid van mens, dier en milieu centraal staat? Welke gevolgenverbindt het kabinet voor hun eindoordeel over de omnibussen, als deproblemen die SER aankaart niet worden opgelost? En gaat de staatsecre-taris samen met haar collega’s duidelijker maken wat volgens hen «betterregulation» betekent? Zo nee, waarom niet? Gaat de staatsecretarisdaarnaast luisteren naar de oproep om sociale partners in een vroegerefase te betrekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat zij dit precies nogbewerkstelligen?In het licht van de SER-brief, deelt het kabinet de mening met de ledenvan de Partij voor de Dieren-fractie dat het onwenselijk is dat de EuropeseCommissie aan de Vogel- en Habitatrichtlijn gaat sleutelen, terwijl destresstest nog loopt, onder andere omdat dit het proces minder trans-parant en minder democratisch maakt? Is de Staatssecretaris bereid omnormerend op te treden in Europa en te waken voor parallelle processen?Zo ja, kan de Staatssecretaris toezeggen dat zij de Kamer helder enconcreet op de hoogte stelt van haar inspanningen en het resultaatdaarvan?De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben ook nog enkelevragen en opmerkingen over op welke manier het kabinet tijdens deaankomende informele Milieuraad gaat oproepen tot een ambitieusklimaatbeleid. In aanloop naar de afgelopen Energieraad, op 26 juni 2026,heeft het kabinet onder meer een non-paper verspreid (EU EnergyFramework beyond 2030 – Priorities of the Netherlands). Deze leden lezendaarin ook over de inzet op de bijmengverplichting groen gas enkernenergie. Laat het duidelijk zijn dat deze leden zowel «groen» gas alskernenergie niet als duurzame energiebronnen zien. Hoe gaat bijvoor-beeld voorkomen worden dat er met de inzet van «groen» gas lock-ineffecten ontstaan doordat we voor dat gas afhankelijk worden van deintensieve veehouderij die extreem inefficiënt, vervuilend en dieronvrien-delijk is? Wat in de non-paper niet benoemd wordt is de positie vanNederland ten aanzien van het compenseren van uitstoot via interna-tionale koolstofkredieten. Deze leden benadrukken dat de mogelijkheid totcompensatie het 2040-doel ondermijnt. Compensatie is geen reductie,maar uitstel. Als uitstoot weggestreept mag worden met papieren credits,verdwijnt de prikkel om echt te verduurzamen. Bovendien is de betrouw-baarheid van veel compensatieprojecten uiterst twijfelachtig. Denk hierbijaan bossen die worden geplant maar later weer verdwijnen, kredieten diedubbel worden geteld, of projecten die ook zonder Europese financieringal zouden plaatsvinden. Dat ondergraaft de geloofwaardigheid van onsklimaatbeleid. Als Europa serieus is over 2040, dan kiezen we voor echteemissiereductie hier, niet voor boekhoudkundige trucs elders. Kan deStaatssecretaris daarom toezeggen om zich in Europees verbandnadrukkelijk uit te spreken tegen verzwakkingen van het 2040-doel,inclusief mogelijkheden om uitstoot te compenseren? Hoe voorkomt ze(wetenschappelijk onderbouwd) parallel hieraan greenwashing opsysteemniveau via dit soort koolstofkredieten? En hoe zal het kabinettijdens de aankomende Milieuraad ervoor zorgen dat de Nederlandsepositie over het 2040-maatregelenpakket van de EU maximaal wordtgehoord?De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben ook alvast enkelevragen rondom de LULUCF-verordening. Deze leden benadrukken dat ookbij LULUCF grote risico’s spelen rond betrouwbaarheid en boekhouding.Wat wordt de inzet van het kabinet in de herziening van de LULUCF-verordening, of wanneer kunnen de leden de inzet van het kabinettegemoetzien? Hoe wordt voorkomen dat er lock-in effecten ontstaan,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10427 doordat afhankelijkheid groeit van vormen van bedrijfsvoering datdieronvriendelijk en/of milieuonvriendelijk is (zoals bioindustrie of teeltenwaarbij veel landbouwgif wordt gebruikt)? Op welke manier laat hetkabinet zich adviseren door onafhankelijke wetenschappers en weten-schappelijke toetsing?Tot slot hebben de leden van de Partij voor de Dieren-fractie nog vragenover de REACH. Deze leden concluderen dat de broodnodige herzieningvan REACH via de gewone, transparante processen niet doorgaat(ondanks de wens van de Kamer) en dat helaas in Brussel weer niet hetbelang van gezondheid van mens, dier en milieu voorop staat. DeEuropese Commissie wil het proces via comitologie doorzetten. Zoals hetkabinet bevestigt, zien wijzigingen via comitologie uitsluitend op debijlagen van REACH. De Europese Commissie wees op de Roadmap vooruitfasering van dierproeven ten behoeve van chemische beoordeling,maar dat kan nog jaren op zich laten wachten, terwijl alle (relevante)wijzigingen van wet- en regelgeving in de EU benut kunnen worden omsneller stappen te zetten naar een Europa die gebruik maakt van slimmeen veel betere proefdiervrije alternatieven in plaats van achterhaaldedierproeven. Er liggen ook kansen om minder dierproeven uit te voeren,onder andere door beter gebruik te maken van bestaande kennis en doormakkelijker toelaten van alternatieven.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat de rappor-teurs voor de herziening van REACH de Kamer, mede op basis vangesprekken met experts, hebben geïnformeerd over de mogelijkheden om(ook bij wijzigingen van uitsluitend de REACH-bijlagen) het aantaldierproeven substantieel terug te dringen en het gebruik van proefdier-vrije testmethoden verder te stimuleren en eerder toe te passen. Is hetkabinet het met deze leden eens dat het zonde zou zijn om die kansen temissen? Is het kabinet bereid alle mogelijke kansen hiervoor te benuttenin het vervolgproces? Is het kabinet bereid zich actief in Brussel uit tespreken voor het benutten van kansen op vermindering van dierproevenin het verdere REACH-proces via comitologie, zoals de Kamer ooknadrukkelijk wenst en eerder per brief van de Kamer naar de EuropeseCommissie heeft gecommuniceerd? Deze leden wijzen erop dat de Kamerzich in meerdere aangenomen moties heeft uitgesproken voor het zo snelmogelijk uitfaseren van dierproeven, het versneld ontwikkelen entoepassen van proefdiervrije innovaties en het versterken van deNederlandse koploperspositie op dit terrein. Daarnaast heeft de Kamer hetkabinet via een aangenomen motie (Kamerstuk 32 336, nr. 147) explicietverzocht om bij wijzigingen van REACH de kansen te benutten omdierproeven te verminderen en proefdiervrije alternatieven te bevorderen.Deelt het kabinet de wens van de Kamer dat een modernisering vanREACH (in welke vorm dan ook) ook nadrukkelijk benut moet worden omde nieuwste wetenschappelijke inzichten op het gebied van NewApproach Methodologies (NAMs) en andere proefdiervrije testmethodensneller te implementeren? Kan het kabinet aangeven hoe ze uitvoeringgaat geven aan de wens van de Kamer op het gebied van dierproeven enREACH, bij welke momenten en hoe de tijdlijn eruitziet? Is het kabinetbereid de Kamer periodiek te informeren over de voortgang van deNederlandse inzet hierop? Hoe gaat het precies verder met de Roadmapmet betrekking tot dierproeven? Wat zijn de exacte stappen, beslismo-menten en tijdlijn? De Europese Commissie zegt ook bezig te zijn met eenEU-verordening voor producten. Kan het kabinet toelichten wat datprecies inhoudt en wat de planning daarvoor is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10428 II Reactie van de bewindspersonen Decarbonisatie en concurrentievermogenVraag 1De leden van de VVD-fractie lezen dat de Europese Commissie dekomende maanden voorstellen zal presenteren ter uitvoering van hetEuropese 2040-klimaatdoel. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat voorNederland een gelijk Europees speelveld, behoud van de internationaleconcurrentiepositie en het voorkomen van nationale koppen leidendeuitgangspunten blijven bij de beoordeling van deze voorstellen? Hoe zalNederland zich ervoor inzetten dat de herziening van onder meer hetEmissions Trading System (ETS), de Effort Sharing Regulation en deLand-use, land-use change and forestry regulation (LULUCF) verordeningvoldoende ruimte laat voor innovatie, economische groei en behoud vaneen concurrerende Europese industrie?AntwoordNederland zet zich bij de herziening van het ETS in voor een sterk envoorspelbaar systeem, waarmee investeringszekerheid wordt geboden,evenals een prikkel voor verduurzaming en innovatie. Nederland pleitdaarbij ook voor goede randvoorwaarden die de Europese concurrentie-positie verder versterken, zoals betaalbare schone energie, een gelijkspeelveld binnen de EU, vraagcreatie en maatregelen om het risico opkoolstoflekkage te verminderen, met inachtneming van internationale(handels)verplichtingen. De opbrengsten van het ETS moeten bovendienblijven bijdragen aan instrumenten als het Innovatiefonds, waarmeeinnovatie en opschaling van schone technologieën wordt gestimuleerd.Ook bij de herziening van de Effort Sharing Regulation zet het kabinet zichin voor een uitvoerbaar en kosteneffectief kader dat voldoende ruimte laatvoor innovatie, economische groei en het behoud van een concurrerendeEuropese industrie. Dit geldt ook voor de LULUCF-Verordening, waarbijhet daarnaast voor de landgebruikssector belangrijk is dat wetgevingbijdraagt aan een gelijk speelveld met aandacht voor de andere doelstel-lingen waarop landgebruik invloed heeft, zoals natuur en biodiversiteit.Conform het coalitieakkoord zet het kabinet zich in voor het tegengaanvan onnodige nationale koppen. Het kabinet zal daarnaast aandachthebben voor de betaalbaarheid, uitvoerbaarheid en regeldruk.Robuust EU-klimaatbeleid leidt tot emissiereducties in alle lidstaten endraagt daarmee bij aan een gelijk speelveld binnen de interne markt.Hierdoor blijft de noodzaak voor aanvullende nationale maatregelen diede concurrentiekracht kunnen ondermijnen beperkt. Met name sectorenmet grotere risico’s op koolstoflekkage hebben belang bij een helderedoorvertaling van het EU 2040-doel.Bij de beoordeling van de voorstellen om het 2040-klimaat-doel uit tewerken, houdt het kabinet oog voor de samenhang tussen decarbonisatie,concurrentiekracht, en weerbaarheid.Vraag 2De leden van de PVV-fractie lezen dat, ten aanzien van de werksessie overdecarbonisatie en concurrentievermogen, het kabinet pleit voor eenvoorspelbaar emissiereductiepad na 2030 via het Emissions TradingSystem (ETS). Deze leden vrezen voor een schandelijke lastenverzwaringvoor de Nederlandse huishoudens en het midden- en kleinbedrijf (MKB)die hiermee gepaard gaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 10429 Kan de Staatssecretaris toelichten wat de verwachte financiële gevolgenvan dit pad zijn voor deze groepen, zeker nu een groep lidstaten kritisch isop de korte termijn impact van dit beleid?AntwoordHet kabinet acht een voorspelbaar emissiereductiepad na 2030 juist vanbelang om duidelijkheid te bieden en abrupte prijsschokken tevoorkomen. Huishoudens en het meeste mkb vallen niet direct onder hetETS-1, waar de aankomende herziening van de ETS-Richtlijn op ziet. HetETS-1 is gericht op de grote industrie, elektriciteitsproducenten, zee- enluchtvaart. Wel kunnen huishoudens en het mkb indirect gevolgenondervinden via de prijzen van energie en producten. De impact vanETS-1 op huishoudens en MKB is echter niet eenduidig vast te stellen,aangezien deze afhankelijk is van het elektriciteitsverbruik, de ontwik-keling van de energiemarkt en de mate waarin bedrijven de kostendoorberekenen.Vraag 3Daarnaast hebben de leden van de PVV-fractie vragen over de IndustrialAccelerator Act (IAA). In de geannoteerde agenda wordt gesproken overhet vergroten van de vraag naar schone producten via vraagcreatie. Dezeleden vragen of dit volgens het kabinet betekent dat de overheidkunstmatig markten gaat creëren en wat hiervan de risico’s zijn voor dewerkelijke concurrentiekracht van de Europese Unie (EU).AntwoordVraagcreatie in het kader van energie-intensieve industrie sectoren is eeninstrument om investeringsbeslissingen in nieuwe en schone productie-processen te stimuleren door een afzetmarkt te garanderen. Dit geeft deenergie-intensieve industrie perspectief voor de lange termijn omduurzaam te investeren in de EU. Daarnaast is verduurzaming een motorvoor economische groei en strategische autonomie van de EU. Hetkabinet onderschrijft dit, maar stelt wel dat dit in EU-verband moetgebeuren met het oog op een gelijk speelveld. Ook mag de inzet vanvraagcreatie-instrumenten niet onnodig ten koste gaan van internationale(handels)verplichtingen. Niet inzetten op vraagcreatie kent ook risico’s,omdat productie en innovatie zich buiten de EU kan verplaatsen, metverlies van banen, kennis en autonomie tot gevolg.Vraag 4De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben ook nog enkelevragen en opmerkingen over op welke manier het kabinet tijdens deaankomende informele Milieuraad gaat oproepen tot een ambitieusklimaatbeleid. In aanloop naar de afgelopen Energieraad, op 26 juni 2026,heeft het kabinet onder meer een non-paper verspreid (EU EnergyFramework beyond 2030 – Priorities of the Netherlands). Deze leden lezendaarin ook over de inzet op de bijmengverplichting groen gas enkernenergie. Laat het duidelijk zijn dat deze leden zowel «groen» gas alskernenergie niet als duurzame energiebronnen zien. Hoe gaat bijvoor-beeld voorkomen worden dat er met de inzet van «groen» gas lock-ineffecten ontstaan doordat we voor dat gas afhankelijk worden van deintensieve veehouderij die extreem inefficiënt, vervuilend en dieronvrien-delijk is? Wat in de non-paper niet benoemd wordt is de positie vanNederland ten aanzien van het compenseren van uitstoot via interna-tionale koolstofkredieten. Deze leden benadrukken dat de mogelijkheid totcompensatie het 2040-doel ondermijnt. Compensatie is geen reductie,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104210 maar uitstel. Als uitstoot weggestreept mag worden met papieren credits,verdwijnt de prikkel om echt te verduurzamen. Bovendien is de betrouw-baarheid van veel compensatieprojecten uiterst twijfelachtig. Denk hierbijaan bossen die worden geplant maar later weer verdwijnen, kredieten diedubbel worden geteld, of projecten die ook zonder Europese financieringal zouden plaatsvinden. Dat ondergraaft de geloofwaardigheid van onsklimaatbeleid. Als Europa serieus is over 2040, dan kiezen we voor echteemissiereductie hier, niet voor boekhoudkundige trucs elders. Kan deStaatssecretaris daarom toezeggen om zich in Europees verbandnadrukkelijk uit te spreken tegen verzwakkingen van het 2040-doel,inclusief mogelijkheden om uitstoot te compenseren? Hoe voorkomt ze(wetenschappelijk onderbouwd) parallel hieraan greenwashing opsysteemniveau via dit soort koolstofkredieten? En hoe zal het kabinettijdens de aankomende Milieuraad ervoor zorgen dat de Nederlandsepositie over het 2040-maatregelenpakket van de EU maximaal wordtgehoord?AntwoordVolgens het kabinet is groen gas een duurzame energiebron, aangeziendie geproduceerd wordt door de inzet van reststromen. Het gebruik vangroen gas leidt niet één op één tot een afhankelijkheid van de veehouderij.Zo kan groen gas naast mest uit verschillende andere rest- en afval-stromen worden geproduceerd. Daarnaast is het uitgangspunt van hetkabinet dat alleen mest wordt vergist die resteert binnen een toekomstbe-stendige veehouderij; het landbouwbeleid inclusief reductie van deveestapel is hierin leidend. Binnen de veehouderij bestaan er verschil-lende bedrijfsmodellen voor mestvergisting. Variërend van individuelemonomestvergisting, op bedrijfsniveau, tot collectieve mestvergisting(hubs), met samenwerkingsverbanden van meerdere veehouders.Het kabinet spreekt zich uit tegen verzwakkingen van het 2040-doel. Hetkabinet pleit in de consultatiereactie over het EU-klimaatbeleid na 2030voor een robuust maatregelenpakket om het EU-2040-doel te halen.1 Vooreen geloofwaardige invulling van het 2040-doel, moet de nadruk liggen opdaadwerkelijke emissiereducties binnen de EU, en niet op het compen-seren van emissies buiten de EU. Internationale koolstofkredieten mogendit doel niet ondermijnen en lidstaten moeten binnenlandse emissiere-ducties kunnen blijven prioriteren. Het kabinet vraagt daarom om in deeffectbeoordeling voor het in december verwachte voorstel overinternationale koolstofkredieten verschillende opties voor de inzet vaninternationale koolstofkredieten te onderzoeken, inclusief lagere percen-tages dan het maximale aandeel van 5% uit de Europese Klimaatwet.Daarbij moeten de kosten en baten worden meegewogen, waaronder dekosten van de kredieten zelf en van uitgestelde emissiereducties binnende EU door de inzet van kredieten.De beste internationale kwaliteitsmaatstaf op dit moment zijn destandaarden onder Artikel 6.4 van de Overeenkomst van Parijs. DeNederlandse inzet is om deze standaarden in de EU te gebruiken. Ditstandpunt is eveneens opgenomen in de Nederlandse consultatiereactieop het post-2030 EU Klimaatbeleid.2 Hierin staat dat de EU zich moetopstellen als een geloofwaardige internationale partner door alleen1Nederlandse consultatiereactie National Targets and flexibilities in the EU Climate Policyframework after 2030 – review.Geraadpleegd via: https://ec.Europa.eu/info/law/better-regulation/have-your-say/initiatives/16692-National-targets-and-flexibilities-in-the-EU-climate-policy-framework-after-2030-review/F33398795_en (15-07-26).2Kamerstukken II, 2025–2026, 21501–08, nr. 1033.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104211 hoogwaardige kredieten te gebruiken conform artikel 6.4 van het Akkoordvan Parijs en daarvoor een eerlijke prijs moet betalen.Naast dat het kabinet zich uitspreekt voor een robuust pakket dat bijdraagtaan het afgesproken 2040-doel, werkt Nederland ook samen met eengelijkgezinde groep lidstaten aan kansrijke routes voor de inzet opambitieus EU-klimaatbeleid na 2030.Mondiale Milieudiplomatie (COP31 en COP17)Vraag 5De leden van de PRO-fractie waarderen dat Nederland zich diplomatiek wilblijven inzetten voor biodiversiteit (COP) en klimaat. Deze leden moetenwel constateren dat Nederland zelf ver achterblijft bij de eigen eerdergeformuleerde ambities en al helemaal bij wat nodig is. Hoe staat het methet afschaffen van fossiele subsidies en belastingvrijstellingen? Hoe staathet met onze waterkwaliteit, ons natuurherstel? Hoe kan Nederlanddiplomatiek vooroplopen en andere landen aanspreken op hun acties enresultaten, als we zelf zo ver achterlopen?AntwoordHet kabinet werkt aan het afbouwen van financiële prikkels voor fossielebrandstoffen, en doet dit zoveel mogelijk in Europees verband. Belangrijkhierin is de aankomende herziening van het EU-ETS, waarbij het kabinetzich inzet voor een sterk en stabiel systeem. In het Uitfaseerplan FossieleBrandstofsubsidies3 dat eind oktober 2025 is gepubliceerd, is weerge-geven welke stappen nationaal zijn en worden gezet voor afbouw vanfossiele subsidie. Voorbeelden van stappen die de komende tijd wordengezet, zijn de start van ETS-24in 2028, waarmee de uitstoot van CO2 endaarmee het gebruik van fossiele brandstoffen wordt beprijsd en denationale opt-in van een aantal extra sectoren in dit ETS-2; de afschaffingvan de vrijstelling in de kolenbelasting voor duaal en non-energetischgebruik in 2027; de verdere inperking van de inputvrijstelling elektriciteits-productie, en afschaffing van het verlaagd tarief in de energiebelastingvoor glastuinbouw. In de Miljoenennota 2027 wordt, zoals ookvoorgaande jaren, een volledig geactualiseerd beeld gegeven.Ook het adresseren van biodiversiteitsschadelijke prikkels en financiëlestromen is van belang. Het kabinet heeft op 21 mei 2026 een beoordelingvan de effecten van financiële en fiscale rijksmiddelen op biodiversiteitgedeeld met de Kamer.5 Momenteel werkt het kabinet aan vervolgstappenom schadelijke elementen waar mogelijk te adresseren en nieuweschadelijke prikkels te voorkomen, met oog voor economische en anderemaatschappelijke belangen. Naar verwachting zal dit onderwerp ook aande orde komen tijdens de aanstaande biodiversiteits-COP17 in oktober inArmenië.Ten aanzien van waterkwaliteit is de Kamer vorige maand in de aanloopnaar het Commissiedebat Water van 25 juni uitgebreid geïnformeerd.6Daarnaast zijn in de zomer van 2025 de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR-)rapportages ingediend bij de Europese Commissie. Hierin vindt u de staat3Kamerstukken II, 2025–2026, 31 793, nr. 285.4Het ETS-2 is gericht op CO2-emissies van de sectoren gebouwde omgeving, wegtransport enoverige sectoren.5Kamerstukken II, 2025–2026, 26 407, nr. 1666Kamerstukken II, 2025–2026, 202 27 625, nr. 742Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104212 van de vogelrichtlijnsoorten, habitatrichtlijnsoorten en habitattypen.7Tevens heeft de Kamer op 26 juni het Ontwerp-Natuurplan ontvangen alsbijlage bij de Kamerbrief met het maatregelpakket voor landbouw, natuuren stikstof.8 Hierin is ingegaan op de staat van de Nederlandse natuur enhet herstel daarvan.Nederland kan internationaal een actieve rol blijven spelen op het gebiedvan biodiversiteit en klimaat, ook wanneer de nationale opgaven nogaanzienlijk zijn. Een geloofwaardige internationale inzet vraagt omambitie, transparantie over de eigen voortgang en het blijven werken aanbinnenlandse maatregelen. Nederland kan vanuit kennis, ervaring ensamenwerking bijdragen aan mondiale afspraken over klimaat enbiodiversiteit.Vraag 6De leden van de PVV-fractie hebben vragen bij de inzet van Nederland opzogenaamde coalitions of the willing (coalities van welwillenden) tijdensde Conference of the Parties (COP) 31 voor klimaat en COP17 voorbiodiversiteit. Waarom vindt het kabinet het raadzaam om voorop te lopenin dergelijke initiatieven, wanneer de voortgang op multilateraal niveaumoeizaam blijkt? Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan garanderendat de inzet op het wereldwijd weg bewegen van fossiele brandstoffen deleveringszekerheid en de energieprijzen in Nederland niet verder onderdruk zet.AntwoordCoalities van welwillenden dragen op diverse manieren bij aan voortgangop klimaat en biodiversiteit. Landen (en bedrijven) kunnen onderlingsamenwerken om de uitvoering van reeds gemaakte multilateraleafspraken te realiseren en te versnellen. Nederland heeft op deze manierhet voortouw genomen via de conferentie over afbouw van fossielebrandstoffen, in april dit jaar, en bij de Coalition on Fossil Fuel Incentivesand Subsidies (COFFIS). Ook kunnen landen via een coalitie van welwil-lenden toewerken naar nieuwe multilaterale afspraken. Het besluit opCOP28 om hernieuwbare energie wereldwijd te verdriedubbelen en omenergie-efficiëntie te verdubbelen is op deze manier tot stand gekomen.Op gebied van biodiversiteit heeft de High Ambition Coalition on Natureand People een instrumentele rol gespeeld in het zekerstellen van ambitiein het Global Biodiversity Framework.Het wegbewegen van fossiele brandstoffen door in te zetten op schoneenergie van eigen bodem draagt bovendien juist bij aan leveringsze-kerheid en betaalbaarheid van energie. Hoe meer energie Nederlandopwekt met bijvoorbeeld zon en wind, hoe minder afhankelijk we zijn vande import van fossiele brandstoffen. Hierdoor hebben prijsschomme-lingen en volatiliteit op de internationale olie- en gasmarkten, bijvoor-beeld als gevolg van geopolitieke spanningen, minder invloed openergieprijzen in Nederland. Door de afhankelijkheid van fossiele energieaf te bouwen, verminderen we eenzijdige afhankelijkheden en versterkenwe de strategische autonomie van Nederland en Europa.7https://www.natura2000.nl/rapportage-vogel-en-habitatrichtlijn8Kamerstukken II, 2025–2026, 36 800-XIV, nr. 87Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104213 Circulariteit en weerbaarheidVraag 7De leden van de PVV-fractie vragen ook om een nadere toelichting op delink tussen de circulaire economie en de strategische autonomie van deEU. In de onderliggende informatiebronnen wordt verwezen naar deaanstaande Circular Economy Act (CEA) en de al aangenomen Ecodesignfor Sustainable Products Regulation (ESPR). Deze leden vragen of deStaatssecretaris kan uiteenzetten in hoeverre deze nieuwe Europeseproductnormen leiden tot extra administratieve lasten en regeldruk voorhet Nederlandse bedrijfsleven. Hoe weegt het kabinet het risico dat eenverplicht verminderd gebruik van primaire grondstoffen de economischegroei in Nederland belemmert?AntwoordIn de Kamerbrief van 3 september 20259 is een toelichting gegeven op derelatie tussen de circulaire economie en de strategische autonomie van deEU. Een circulaire economie zorgt ervoor dat grondstoffen en productenmaximaal worden benut, waardoor we minder afhankelijk worden vanaanlevering van primaire grondstoffen uit derde landen. Deze behoefte isin de huidige geopolitieke situatie alleen maar urgenter geworden. Hetkabinet herkent het risico dat een verplicht verminderd gebruik vanprimaire grondstoffen de Nederlandse economische groei belemmert danook niet. In diezelfde brief is ook ingegaan op de kansen dieEU-productnormen (Ecodesign) met zich meebrengen voor onder andereproducenten: via geharmoniseerde eisen wordt een gelijk speelveldgecreëerd. Eveneens wordt in deze brief ingegaan op de uitvoerbaarheiden proportionaliteit t.a.v. nieuwe EU-productnormen. De EuropeseCommissie kijkt daar ook specifiek naar in haar effectbeoordeling bijnieuwe Ecodesign eisen. Het voorstel voor de Circular Economy Act wordteind Q3 2026 verwacht; de Kamer zal via het gebruikelijke BNC-trajectworden geïnformeerd over de kabinetsappreciatie t.a.v. het voorstel. Eenintegrale afweging van de economische kansen, milieueffecten enadministratieve lasten zal zoals gebruikelijk onderdeel zijn van dezeappreciatie.MilieuomnibusVraag 8De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van het vereen-voudigen van Europese regelgeving, het terugdringen van administratievelasten en het versnellen van vergunningverlening. Tegelijkertijd hechtendeze leden aan zorgvuldige Europese wetgeving. Kan de Staatssecretarisaangeven welke concrete vereenvoudigingen Nederland gedurende detriloogonderhandelingen nog wil realiseren boven op het huidigeRaadsmandaat?Vraag 9De leden van de VVD-fractie lezen dat het kabinet een nationale quickscanuitvoert naar de effecten van de Milieuomnibus. Op welke wijze zullen deuitkomsten van deze quickscan daadwerkelijk worden betrokken bij deNederlandse inzet gedurende de triloogonderhandelingen? Is deStaatssecretaris bereid de Kamer hierover tussentijds te informeren indiende quickscan aanleiding geeft de Nederlandse inzet aan te passen?9Kamerstukken II, 2024–2025, 32 852 nr. 376.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104214 Vraag 10De leden van de VVD-fractie vragen of de Staatssecretaris kan toezeggendat Nederland zich tijdens de triloogonderhandelingen zal blijvenverzetten tegen voorstellen die leiden tot extra administratieve lasten ofuitvoeringslasten voor ondernemers en bevoegde gezagen, zonder datdaar een aantoonbare verbetering van milieu of volksgezondheidtegenover staat.Antwoord vragen 8 en 9 en 10Het vastgestelde Raadsmandaat over de voorstellen uit de Milieuomnibusvormt de basis voor de onderhandelingsinzet van de Raad tijdens detriloogonderhandelingen met het Europees Parlement en de EuropeseCommissie. Het is niet gebruikelijk om te pleiten voor aanvullendevereenvoudigingen boven op het Raadsmandaat, tenzij de onderhande-lingen met het Europees Parlement en de Europese Commissie daaraanleiding toe geven. Indien dit het geval is, kan via het Comité vanpermanente vertegenwoordigers (Coreper) worden bijgestuurd op depositie van de Raad. Het kabinet zal bij de uiteindelijke positiebepalingover de Milieuomnibus ook de uitkomsten van de nationale quickscanbetrekken. De Kamer zal hierover conform de reguliere informatieaf-spraken worden geïnformeerd.Tijdens de opvolgende triloog-onderhandelingen zal het kabinet zichconstructief-kritisch blijven inzetten om, samen met de Europese partners,tot een juiste balans te komen tussen de versimpeling van regelgeving enhet borgen van het beschermingsniveau.Vraag 11De leden van de PVV-fractie maken zich ernstige zorgen over de democra-tische borging van de besluitvorming in Brussel. In de brief over deNederlandse inzet voor de Milieuomnibus wordt gesproken over eenuitzonderlijk korte doorlooptijd, die de ruimte voor een grondige nationaleen parlementaire behandeling ernstig beperkt. Het zeer onzaligevoornemen om onder dergelijke tijdsdruk ingrijpende wijzigingen door tevoeren, wordt door deze leden ten zeerste afgekeurd. Deze leden vragenhoe de Staatssecretaris deze werkwijze beoordeelt in het licht van denoodzakelijke zorgvuldigheid?Vraag 12De leden van de PVV-fractie constateren dat de Milieuomnibus, die onderandere ziet op de Uitgebreide Producentenverantwoordelijkheid (UPV),niet is vergezeld door een Impact Assessment (effectbeoordeling) van deEuropese Commissie (EC). Deze leden vragen of de Staatssecretaris eenreactie kan geven op het feit dat er nu onder hoge tijdsdruk besluit-vorming wordt geforceerd zonder dat de risico’s voor de volksgezondheiden de leefomgeving volledig gewogen kunnen worden. Daarnaast vragendeze leden waarom het kabinet heeft besloten zich bij de ambassadeurs-bespreking in het Committee of Permanent Representatives (COREPER)op 24 juni aanstaande te onthouden van stemming in plaats van tegen testemmen, zolang de nationale quickscan naar de effecten nog niet isafgerond.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104215 Antwoord vragen 11 en 12Het kabinet, de Europese Commissie, het Europees Parlement en de Raadvan de Europese Unie hebben de ambitie om onnodige regeldruk teverminderen en bestaande regelgeving te vereenvoudigen, onder meervia omnibuspakketten zoals de Milieuomnibus. Deze omnibusvoorstellenworden vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure. De keuzeom over te gaan tot besluitvorming in de Raad is daarmee het resultaatvan politieke weging door een meerderheid van de lidstaten. Het kabineterkent dat het ontbreken van een effectbeoordeling niet wenselijk is enhoudt in de weging van de voorstellen rekening met de gevolgen voor devolksgezondheid en de leefomgeving. Het kabinet zal bij de uiteindelijkepositiebepaling over de Milieuomnibus ook de uitkomsten van denationale quickscan betrekken. Het kabinet heeft met onthouding bewustvoor een constructieve benadering gekozen, zoals ook vermeld in de briefover het Nederlandse standpunt inzake de Milieuomnibus die op 23 juni jl.naar de Kamer verzonden is.10 Hiermee maken we een helder punt overde noodzaak van procesmatige zorgvuldigheid, zonder het belang vanverdere versimpeling of de start van de triloogonderhandelingen teblokkeren.Vraag 13De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben daarnaast nog eenaantal vragen in verband met de Milieuomnibus. De SER stuurdeafgelopen maand een brief aan het kabinet over de omnibusvoorstellen.De SER is bezorgd over de kwaliteit, voorspelbaarheid en legitimiteit vande omnibusvoorstellen. Onder andere omdat een impact assessmentontbreekt en het alleen gaat om lastenreductie in plaats van te kijken naarbrede welvaart. De SER roept het kabinet op om zich in Brussel actiever inte zetten voor wetgevingskwaliteit en proceswaarborgen. Hoe reflecteertde Staatssecretaris in het kader van de brief van de SER op het procesrondom de milieuomnibus? Hoe gaat zij zich ervoor inspannen om tezorgen voor een gedegen proces en zorgvuldige wetgeving waarbij degezondheid van mens, dier en milieu centraal staat? Welke gevolgenverbindt het kabinet voor hun eindoordeel over de omnibussen, als deproblemen die SER aankaart niet worden opgelost? En gaat de staatsecre-taris samen met haar collega’s duidelijker maken wat volgens hen «betterregulation» betekent? Zo nee, waarom niet? Gaat de staatsecretarisdaarnaast luisteren naar de oproep om sociale partners in een vroegerefase te betrekken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, hoe gaat zij dit precies nogbewerkstelligen? In het licht van de SER-brief, deelt het kabinet de meningmet de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat het onwenselijk is datde Europese Commissie aan de Vogel- en Habitatrichtlijn gaat sleutelen,terwijl de stresstest nog loopt, onder andere omdat dit het proces mindertransparant en minder democratisch maakt? Is de Staatssecretaris bereidom normerend op te treden in Europa en te waken voor parallelleprocessen? Zo ja, kan de Staatssecretaris toezeggen dat zij de Kamerhelder en concreet op de hoogte stelt van haar inspanningen en hetresultaat daarvan?AntwoordHet kabinet is het met de SER eens dat Europese regelgeving zorgvuldig,uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd moet zijn, en dat dat hetconcurrentievermogen ten goede kan komen. Dat geldt ook voorvoorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering vanregeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk te10Kamerstukken II, 2025–26, 22 112, nr. 4392.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104216 verminderen en regelgeving waar nodig aan te passen. In het kader vande samenwerking over het beleid inzake Betere Regelgeving, zijn dit zakenwaar Nederland in overleg met de Europese Commissie en anderelidstaten, al jaren aandacht voor vraagt. Tegelijkertijd moet vereenvou-diging zorgvuldig gebeuren, op basis van goede effectbeoordelingen enconsultatie, met oog voor het belang van evenredigheid, rechtszekerheiden voorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met regelgevingworden gediend. En bovendien ook oog houdt voor gevolgen voor degezondheid van mens, dier en milieu. Het kabinet zal in haar eindoordeelover de omnibussen op basis van de individuele onderhandelingsresul-taten beoordelen of de resultaten voldoende in lijn zijn met de Neder-landse inzet. Het kabinet bestudeert momenteel nog de brief van de SERen komt met een reactie.Nederland behoort op het terrein van betere regelgeving al tot devooruitstrevende lidstaten en werkt actief samen met landen die ookinzetten op betere regelgeving en regeldrukvermindering. Zo heeftNederland bijvoorbeeld vaak zorgen uitgesproken over de gevallen waarinvoorstellen worden gepresenteerd zonder effectbeoordeling en aange-drongen op betere consultatie van belanghebbenden. De EuropeseCommissie heeft in haar onlangs verschenen mededeling over BetereRegelgeving elf belangrijke stappen aangekondigd om de kwaliteit vanregelgeving te verbeteren. Op 5 juni 2026 heeft de Kamer over dezemededeling een BNC-fiche ontvangen.11In eerste instantie is het aan de Europese Commissie om bij concretevoorstellen de gevolgen voor bedrijven, werknemers en andere stake-holders goed in kaart te brengen en stakeholders tijdig en transparant teconsulteren, waarbij in het geval van vereenvoudiging van wetgeving ookoog gehouden moet worden voor bedrijven die geïnvesteerd hebben omEuropese regelgeving te kunnen naleven. Het kabinet dringt daar inBrussel consequent op aan. Vervolgens is het aan het kabinet omvoorstellen nationaal te beoordelen, waar nodig aanvullende signalen opte halen bij relevante stakeholders en deze inbreng te benutten voor deNederlandse inzet.Het kabinet hecht groot belang aan het beschermingsniveau dat voort-vloeit uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Juist daarom is het vanbelang dat de lopende evaluatie in de vorm van de VHR-stresstestzorgvuldig wordt afgerond voordat eventuele aanpassingen wordenoverwogen. Het kabinet acht het niet wenselijk om vooruitlopend op deuitkomsten wijzigingen aan de richtlijnen zelf door te voeren. Wel staat hetkabinet in beginsel positief tegenover initiatieven die, zoals in deMilieuomnibus, via horizontale wetgevingsvoorstellen bezien hoe deuitvoering van natuur- en milieuwetgeving doelmatiger en efficiënter kanworden ingericht, mits daarbij het huidige beschermingsniveau behoudenblijft, in lijn met de motie-Kostic´.12 De quickscan Milieuomnibus helpt hetkabinet om vervolgens zelf een integrale afweging te maken over deNederlandse inzet.Het kabinet behoudt tijdens onderhandelingen ook het overzicht vanparallel lopende processen, en zal op basis van de individuele onderhan-delingsuitkomsten beoordelen of alle resultaten voldoende in lijn zijn metde Nederlandse inzet en of er voldoende informatie beschikbaar is om deevenredigheid definitief te beoordelen.11Kamerstukken II, 2025–2026, 22 112, nr. 4364.12Kamerstukken II, 2025–26, 21501–08, nr. 1020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104217 Vraag 14De leden van de VVD-fractie lezen met belangstelling het recente adviesvan de Sociaal-Economische Raad (SER) over de kwaliteit van deEuropese omnibusvoorstellen. De SER uit kritiek op het ontbreken vanimpact assessments en op de beperkte aandacht voor de gevolgen voorbrede welvaart. Op welke wijze zal Nederland zich tijdens het Iersevoorzitterschap inzetten om impact assessments, transparantie en beterewetgevingskwaliteit weer een vanzelfsprekend onderdeel te maken vantoekomstige Europese wetgevingsvoorstellen en omnibuspakketten?AntwoordMet verwijzing naar het antwoord op vraag 13, zal het kabinet zich er ooktijdens het Ierse voorzitterschap actief voor blijven inzetten dat regel-geving zorgvuldig, uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd moetzijn. Ook op basis van goede effectbeoordelingen en consultatie, met oogvoor het belang van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en de beleids-doelstellingen die met regelgeving worden gediend.Bovendien heeft de Europese Commissie in haar onlangs verschenenmededeling over Betere Regelgeving belangrijke stappen aangekondigdom de kwaliteit van regelgeving te verbeteren; de Kamer ontving op 5 junijl. een BNC-fiche over deze mededeling. De Commissie kondigt in demededeling onder andere aan meer te gaan inzetten op een goed ontwerpvan regelgeving, goede consultatie van belanghebbenden en het vakeruitvoeren van effectbeoordelingen. Het is positief te zien dat in het vervolgop de gepubliceerde mededeling, de Europese Commissie bij de recentevoorstellen over Taxation en Energy Products wel effectbeoordelingenheeft opgesteld.WaterVraag 15De leden van de PRO-fractie constateren verder dat Europa steeds vaker,langer en erger zucht onder hitte en droogte, met grote gevolgen voor degezondheid van mensen, onze economie, ecologie en veiligheid. Daarwaar voorheen het zo snel mogelijk afvoeren van water dat Nederlandbinnenkomt de belangrijkste prioriteit was, zijn er nu steeds meer zorgenover voldoende schoon drinkwater in de zomerperiode. Deze leden delende toenemende zorgen hierover, van waterschappen, Rijkswaterstaat enandere betrokken waterpartijen. Graag vernemen deze leden of hetkabinet deze zorgen ook deelt en of zij van plan is om dit vraagstukproactief te agenderen tijdens de komende informele Milieuraad? Zo nee,waarom niet?De leden van de PRO-fractie lezen dat de Unie van Waterschappen dezeweek constateerde dat de afspraken in Europees verband over deverdeling van schaars rivierwater onvoldoende stevig zijn. De Unie vanWaterschappen stelt daarom voor om deze afspraken aan te scherpenzodat benedenstroomse landen zoals Nederland niet grotere problemenzullen krijgen. Deze leden delen deze zorgen en vinden het verstandig dathier in Europees verband op korte termijn nadere afspraken over wordengemaakt. Deelt het kabinet dit standpunt? Zo ja, wat gaat het kabinetconcreet doen? Zo nee, waarom niet?Kan het kabinet, zo vragen de leden van de PRO-fractie, aangeven wat deEuropese Commissie op dit moment concreet doet om afspraken over deschaarse verdeling van schoon rivierwater te verbeteren? Vindt hetkabinet dat de Europese Commissie op dit moment voldoende urgentieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104218 geeft aan dit onderwerp? En kan het kabinet aangeven hoe andere(buur)landen die bovenstrooms liggen ten opzichte van Nederland in dezediscussie zitten? Welke nadere afspraken probeert Nederland in bilateraalverband op dit moment te maken? En kan het kabinet concreet aangevenhoe ook de waterkwaliteit in dit vraagstuk concreet wordt meegenomen?Deelt het kabinet in dit kader de mening dat het versoepelen van deKaderrichtlijn Water (KRW) tot gevolg heeft dat Nederland meer enstrengere nationale regels zal moeten opstellen om de waterkwaliteit teborgen? Zo nee, waarom niet? De leden van de PRO-fractie vinden hetverstandig als er in EU-verband nadere afspraken volgen, maar consta-teren dat voor het maken van goede afspraken ook een niet-EU land alsZwitserland betrokken zou moeten worden. Kan het kabinet ook aangevenhoe niet-EU landen hierbij betrokken worden?AntwoordDe waterbeschikbaarheid in de zomerperiode is zeker een zorg waar hetkabinet zich mee bezig houdt. Hiervoor zal het kabinet in relevanteBrusselse bijeenkomsten aandacht voor vragen. Het kabinet deelt hetstandpunt dat internationale samenwerking essentieel is om de waterbe-schikbaarheid te waarborgen, omdat vraagstukken rond water zich nietbeperken tot landsgrenzen. Hierover wordt nu al intensief overleg gevoerdin diverse samenwerkingsverbanden, zoals binnen de InternationaleCommissie ter bescherming van de Rijn (ICBR) en de InternationaleMaascommissie (IMC). Deze Rijn- en Maascommissies gaan overwaterkwaliteit en de hoeveelheid water. De Europese Commissie is bij deICBR aanwezig en iedereen deelt de urgentie van de verschillendewateropgaven. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van deverdragen is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer vande internationale stroomgebieden. Daarnaast worden kennis en datauitgewisseld, waardoor betrouwbare voorspellingen gedaan kunnenworden en effecten van klimaatverandering op waterkwaliteit kunnenworden ingeschat.Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissiesamen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verderversterken van de internationale samenwerking. Er bestaan al grensover-schrijdende doelen voor waterkwaliteit en de aanpak van wateroverlast.Voor watertekorten en waterbeschikbaarheid ontbreken echter nogconcrete Europese doelstellingen.Nederland zet vooralsnog in op afspraken binnen de riviercommissies enmaakt daarbij mede gebruik van de lopende Europese trajecten zoals deEuropese Water Resilience Strategy. Binnen ICBR en IMC werken deoeverstaten steeds gerichter samen aan laagwater. Nederland is er sinds2018 in geslaagd om de problematiek van afnemende afvoeren endaarmee gepaard gaande droogte in zowel de ICBR als in de IMC op deagenda te krijgen. In de ICBR wordt nu gezamenlijk gewerkt aan het inbeeld brengen van sociaaleconomische gevolgen en handelingsperspec-tieven. Binnen de IMC is afgesproken om een gezamenlijke klimaatstudiete starten als basis voor afspraken in het gehele stroomgebied. Voor deMaas zijn er reeds bestaande afspraken over waterverdeling tussenVlaanderen en Nederland, vastgelegd in het Maasafvoerverdrag.In de brief aan de Kamer, waarin is ingegaan op een mogelijke herzieningvan de KRW13, is aangegeven dat Nederland veel belang hecht aan heteffectiever maken van EU-wetgeving en regelgeving waarin bedrijvenkunnen floreren, zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van deEU-wetgeving. Verder is aangegeven dat Nederland risico’s ziet bij13Kamerstukken II, 2025-2026, 27 625, nr. 740.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104219 eventuele versoepeling van de KRW-doelen, omdat dit negatievegevolgen kan hebben voor Nederland als benedenstrooms land.Zwitserland is actief en nauw betrokken bij de samenwerking in de Rijn.Zwitserland is Verdragspartij bij de ICBR en lid van de InternationaleCommissie voor de Hydrologie van het Rijnstroomgebied (CHR). DeEuropese Commissie is verdragspartij bij de ICBR om de samenwerkingtussen EU-lidstaten en niet-EU-landen (zoals Zwitserland) te versterken ende doorwerking van Europese afspraken te borgen.Vraag 16Allereerst hebben de leden van de Partij voor de Dieren-fractie nog watvragen op de terugblik van de vorige Milieuraad. Deze leden lezen dat erlidstaten zijn die hebben opgeroepen om de KRW niet te herzien voormijnbouw. Klopt het dat Nederland zich daar niet bij heeft aangesloten enzo ja, waarom heeft Nederland dat niet gedaan, terwijl daar in het laatstecommissiedebat Water (25 juni 2026) nadrukkelijk om is gevraagd aan deMinister? Klopt het ook dat Nederland niet aangesloten was bij de groeplidstaten die wil dat we meer gaan doen met hergebruik van water?Waarom? En klopt het dat Nederland zelf niet heeft gepleit voor meeraandacht voor de gecombineerde effecten van stoffen en de introductievan een mengselbeoordelingsfactor, en zo ja, waarom niet? Is Nederlandbereid om tijdens de volgende Milieuraad duidelijk te maken zich welachter de initiatieven van bovenstaande voorstellen te scharen?AntwoordZoals aangegeven bij het antwoord op bovenstaande vraag hecht hetkabinet veel belang aan het effectiever maken van Europese wetgeving enregelgeving zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen van deEuropese wetgeving. De Kamer is eerder door het kabinet geïnformeerdover de inzet t.a.v. de mogelijke wijziging van de KRW in relatie totmijnbouw.14 In de aanloop naar de laatste Milieuraad circuleerdeinderdaad een non-paper over dit punt. De tekst hiervan kwam te laatbeschikbaar om voorafgaand aan de raad tot een goede beoordeling enafgestemde Nederlandse positie te komen. Vandaar dat het stuk niet doorNederland meegetekend is. Aangezien de Milieuraad op hetzelfdemoment plaatsvond als het CD Water, kon de discussie die in het CDplaatsvond niet meer betrokken worden bij de inbreng in de raad.Met betrekking tot hergebruik van water geldt dat het kabinet hiervoorstander van is. Nederland neemt met andere lidstaten en deCommissie deel aan de werkgroep Water Reuse. Het kabinet zal zichinzetten voor dit initiatief tijdens relevante gesprekken en bijeenkomstenin Brussel.De vraag over een mengselbeoordelingsfactor lijkt zicht te richten op deinzet met betrekking tot REACH. Het kabinet heeft tijdens de Milieuraad inhet kader van de wijziging van REACH het belang ingebracht van hetadresseren van combinatieblootstelling en de mogelijke risico’s.Chemicaliën (PFAS/ REACH)Vraag 17De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen welke landenopriepen tot een nationaal verbod op PFAS-houdende bestrijdingsmid-delen. Is Nederland bereid zich bij deze landen aan te sluiten, ook gezien14Kamerstukken II, 2025–2026, 27 625, nr. 740Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104220 de recent aangenomen motie daarover (Kamerstuk 28 089, nr. 373)? Zonee, waarom laat het kabinet het nog steeds gebeuren dat gevaarlijkePFAS via bestrijdingsmiddelen overal door ons land wordt verspreid en inons water en eten terechtkomt? Kan het kabinet bevestigen dat afgelopenjaren het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen is gegroeid inNederland? Kan het kabinet schetsen hoeveel PFAS jaarlijks in ons milieuterechtkomt (jaarlijkse PFAS-belasting naar grond-/oppervlaktewater inPFOA-equivalenten) door gebruik van bestrijdingsmiddelen, en hoeveeldat jaarlijks is door respectievelijk Chemours, door Sabic Bergen op Zoomen door CFS Weert? Gaat het kabinet in Brussel de zorgwekkendeconclusies delen dat PFAS in moedermelk in Nederland zit, en soms zelfszoveel dat het over grenswaarden van wat gezond is gaat? Welke extrastappen gaat het kabinet naar aanleiding van dat nieuws nemen, ombaby’s sneller te beschermen?AntwoordTijdens de Milieuraad van 25 juni is niet gesproken over een nationaalverbod op PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen. Gewasbeschermings-middelen mogen alleen worden toegepast wanneer is aangetoond dat ditveilig voor mens, dier en milieu kan. Wanneer nieuwe relevante weten-schappelijke informatie beschikbaar komt, moeten de bestaandegoedkeuringen hierop worden getoetst. Dit is ook conform het juridischekader van de Verordening (EC) 1107/2009 dat de goedkeuring van stoffenen toelating van gewasbeschermingsmiddelen reguleert. Nederland zetzich in voor versnelling van Europese besluitvorming door bij deEuropese Commissie aan te dringen op herbeoordeling op basis van demeest recente normen voor grondwater van werkzame stoffen ingewasbeschermingsmiddelen en biociden die tot emissie van trifluora-zijnzuur (TFA, een PFAS) kunnen leiden.15 Daarnaast is het College voor detoelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) gestartmet de herbeoordeling van 46 gewasbeschermingsmiddelen die TFAvormen, op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie uitDenemarken over uitspoeling van TFA naar het grondwater.16Verder maken het Rijk, medeoverheden, sectorvertegenwoordigers enmaatschappelijke organisaties in het convenant voor gewasbescher-mingsmiddelen17 afspraken over het uitfaseren van emissies vanpersistente stoffen(PFAS/TFA) uit gewasbeschermingsmiddelen. Degrondwaterbeschermingsgebieden (beschermingszones rondomdrinkwaterbronnen) hebben daarbij de expliciete aandacht. Voor diegebieden is in de ministeriële taskforce Landbouw, Natuur en Stikstofvoor gewasbeschermingsmiddelen afgesproken dat als de inzet vanuit hetconvenant onvoldoende blijkt, het Rijk zelf aanvullende regels op zalstellen. In het najaar wordt het convenant uitgewerkt in deelconvenantenwaarin meer concrete afspraken en maatregelen worden uitgewerkt.De gebruikscijfers van gewasbeschermingsmiddelen worden iedere vierjaar gepubliceerd door het CBS, de laatste in 2025.18 Daarnaast wordenjaarlijks de afzetcijfers van de werkzame stoffen van gewasbeschermings-middelen gepubliceerd.19 Het gebruik kan van jaar tot jaar verschillenvanwege de omstandigheden, bijvoorbeeld of er sprake is van een natterjaar dan anders waardoor meer schimmelbestrijders zijn ingezet.15Kamerstukken II, 2025–2026, 21 501–32, nr. 1743.16Kamerstukken II, 2025–2026, 27 858, nr. 739.17Kamerstukken II, 2025 – 2026, 2026Z16227.18https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2025/46/landbouw-gebruikt-een-vijfde-minder-gewasbeschermingsmiddelen19https://www.rijksoverheid.nl/documenten/2022/05/19/afzetgegevens-gewasbeschermingsmiddelen-in-nederlandTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104221 De precieze belasting van PFAS-houdende gewasbeschermingsmiddelenis niet bekend. Bureau CLM heeft afgelopen najaar in opdracht van deprovincies berekend dat het om afzet van ruim 250.000 kg aanPFAS-houdende-gewasbeschermingsmiddelen ging in 2023 en dat daareen stijgende lijn in zit.20 Het precieze gebruik is echter niet bekend. Ook isniet bekend hoe deze afzet zich verhoudt tot PFOA-equivalenten.De actuele PFAS-emissies van de genoemde bedrijven (Chemours, Sabicen CFS) zijn niet bekend. Deze kunnen opgevraagd worden bij deverschillende bevoegd gezagen.Het kabinet is zich bewust van het feit dat PFAS wijdverbreid in mens enmilieu voorkomt en snapt dat mensen zich zorgen maken over deaanwezigheid van PFAS in moedermelk. Deze uitkomsten sterken hetkabinet in de inzet voor een ambitieuze PFAS-restrictie op Europeesniveau. Nederland is al één van de kartrekkers hiervoor, en daar blijft hetkabinet steevast op inzetten in Brussel.De aanpak van PFAS in de leefomgeving via vier hoofdsporen is op 1 julijl. met de Kamer gedeeld.21 Bij de duiding van de resultaten van PFAS inmoedermelk is het van belang de risico’s af te wegen tegen de aanzien-lijke gezondheidsvoordelen van borstvoeding. Op basis van de huidigekennis ziet het Voedingscentrum geen aanleiding om de adviezen rondomborstvoeding aan te passen.Vraag 18De leden van de VVD-fractie constateren dat Nederland samen met enkeleandere lidstaten heeft gepleit voor betere handhaving van de REACH-verordening, met name ten aanzien van importproducten en e-commerce.Welke concrete vervolgstappen verwacht de Staatssecretaris op ditdossier onder het Ierse voorzitterschap? Deelt de Staatssecretaris deopvatting dat betere handhaving van bestaande Europese regelgevingvaak effectiever is dan het introduceren van nieuwe regelgeving? Zo ja, opwelke wijze zal Nederland deze inzet de komende maanden actiefuitdragen?AntwoordHet Ierse voorzitterschap heeft zich niet uitgelaten over concrete stappenin het kader van REACH. Het initiatief voor een wijziging van (de bijlagenvan) REACH, ook in het kader van handhaving, ligt bij de EuropeseCommissie, die hierover nog geen concrete stappen heeft gedeeld. HetIerse voorzitterschap heeft wel aangegeven het concurrentievermogenvan de EU te prioriteren.Een goede naleving en uitvoering is belangrijk voor effectief beleid.Tegelijkertijd kan het nodig zijn om regelgeving aan te passen omnaleving en uitvoering te vereenvoudigen en verbeteren. Nederland zalzich de komende maanden in zowel informele contacten als formelebesprekingen inzetten voor het belang van een verbetering vanhandhaving en toezicht, zoals de afgelopen periode ook al gedaan is inonder andere de Milieuraad en de non-papers over REACH: zowel hetnon-paper over de REACH herziening dat in oktober naar de Kamer is20CLM (2025). Gebruik van PFAS-pesticiden en risico’s voor grondwater en bodem.21Kamerstukken II, 2025–2026, 35 334, nr. 451.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104222 gestuurd en het non-paper van Frankrijk dat medeondertekend is doorNederland en op 9 juli naar de Kamer is gestuurd.22Vraag 19Tot slot hebben de leden van de Partij voor de Dieren- fractie nog vragenover de REACH. Deze leden concluderen dat de broodnodige herzieningvan REACH via de gewone, transparante processen niet doorgaat(ondanks de wens van de Kamer) en dat helaas in Brussel weer niet hetbelang van gezondheid van mens, dier en milieu voorop staat. DeEuropese Commissie wil het proces via comitologie doorzetten. Zoals hetkabinet bevestigt, zien wijzigingen via comitologie uitsluitend op debijlagen van REACH. De Europese Commissie wees op de Roadmap vooruitfasering van dierproeven ten behoeve van chemische beoordeling,maar dat kan nog jaren op zich laten wachten, terwijl alle (relevante)wijzigingen van wet- en regelgeving in de EU benut kunnen worden omsneller stappen te zetten naar een Europa die gebruik maakt van slimmeen veel betere proefdiervrije alternatieven in plaats van achterhaaldedierproeven. Er liggen ook kansen om minder dierproeven uit te voeren,onder andere door beter gebruik te maken van bestaande kennis en doormakkelijker toelaten van alternatieven. De leden van de Partij voor deDieren-fractie wijzen erop dat de rapporteurs voor de herziening vanREACH de Kamer, mede op basis van gesprekken met experts, hebbengeïnformeerd over de mogelijkheden om (ook bij wijzigingen vanuitsluitend de REACH-bijlagen) het aantal dierproeven substantieel terugte dringen en het gebruik van proefdiervrije testmethoden verder testimuleren en eerder toe te passen. Is het kabinet het met deze leden eensdat het zonde zou zijn om die kansen te missen? Is het kabinet bereid allemogelijke kansen hiervoor te benutten in het vervolgproces? Is het kabinetbereid zich actief in Brussel uit te spreken voor het benutten van kansenop vermindering van dierproeven in het verdere REACH-proces viacomitologie, zoals de Kamer ook nadrukkelijk wenst en eerder per briefvan de Kamer naar de Europese Commissie heeft gecommuniceerd? Dezeleden wijzen erop dat de Kamer zich in meerdere aangenomen motiesheeft uitgesproken voor het zo snel mogelijk uitfaseren van dierproeven,het versneld ontwikkelen en toepassen van proefdiervrije innovaties enhet versterken van de Nederlandse koploperspositie op dit terrein.Daarnaast heeft de Kamer het kabinet via een aangenomen motie(Kamerstuk 32 336, nr. 147) expliciet verzocht om bij wijzigingen vanREACH de kansen te benutten om dierproeven te verminderen enproefdiervrije alternatieven te bevorderen. Deelt het kabinet de wens vande Kamer dat een modernisering van REACH (in welke vorm dan ook) ooknadrukkelijk benut moet worden om de nieuwste wetenschappelijkeinzichten op het gebied van New Approach Methodologies (NAMs) enandere proefdiervrije testmethoden sneller te implementeren? Kan hetkabinet aangeven hoe ze uitvoering gaat geven aan de wens van deKamer op het gebied van dierproeven en REACH, bij welke momenten enhoe de tijdlijn eruitziet? Is het kabinet bereid de Kamer periodiek teinformeren over de voortgang van de Nederlandse inzet hierop? Hoe gaathet precies verder met de Roadmap met betrekking tot dierproeven? Watzijn de exacte stappen, beslismomenten en tijdlijn? De EuropeseCommissie zegt ook bezig te zijn met een EU-verordening voor producten.Kan het kabinet toelichten wat dat precies inhoudt en wat de planningdaarvoor is?22Kamerstukken II, 2025–2026; 21 501–08 nr. 1011 voor het non-paper van oktober. Hetnon-paper van juni is een bijlage bij het verslag van de Milieuraad van 25 juni, verstuurd op9 juli naar de Kamer: Kamerstukken 2026Z16044.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104223 AntwoordHet kabinet is het met de vraagsteller eens dat het zonde zou zijn omkansen om dierproeven terug te dringen te missen en zet zich dan ook invoor de uitfasering van dierproeven ten behoeve van chemischebeoordelingen. Het kabinet deelt de wens dat een modernisering vanREACH benut moet worden voor implementatie van proefdiervrijetestmethoden. Hier heeft het kabinet zich onder andere over uitgesprokentijdens de Milieuraad van juni. Het streven is ook opgenomen in deeerdergenoemde non-papers van oktober en juni. Het kabinet zal zichhierover actief blijven uitspreken in Brussel en tijdens het vervolgprocesvan de wijziging van de bijlagen van REACH.Het initiatief tot wijziging van de bijlagen van REACH ligt bij de EuropeseCommissie. De tijdlijn is nog niet bekendgemaakt. Het kabinet zal deKamer tijdig informeren over de voortgang van de Nederlandse inzet.De implementatie van de Roadmap towards phasing out animal testingfor chemical safety assessments bestaat uit 22 acties en meer dan 30technische aanbevelingen om dierproeven uit te faseren in onder meerREACH en de Biocidenverordening. Nog dit jaar zal een RoadmapStuurgroep worden opgezet, een platform voor de uitwisseling vaninformatie en een dashboard om de voortgang te meten, en zullengegevens worden verzameld over het proefdiergebruik binnen en buitende EU. In 2027 zal het eerste verslag over de belangrijkste regelgevingsbe-hoeften voor proefdiervrije innovaties worden uitgebracht en kunnen deeerste concrete voorstellen voor aanpassing van Europese wetgevingworden verwacht. Het is de bedoeling dat met ingang van 2029 proefdier-vrije testmethoden versneld worden ingevoerd zodra deze zijn gevali-deerd, zodat er uiteindelijk een veiligheidsbeoordeling mogelijk wordt diegeheel zal bestaan uit een compleet nieuw wetenschappelijk beoorde-lingskader.De Europese Commissie werkt inderdaad aan een herziening van deproductregelgeving die de veiligheid van producten waarborgen, dezogenaamde European Product Act. Dit valt onder de verantwoorde-lijkheid van de Minister van Economische Zaken en Klimaat. Het kabinetzet zich bij de herziening in op modernisering van het wetgevend kader,verdere digitalisering en verbetering van Europese samenwerking(bijvoorbeeld tussen markttoezichthouders), en versterking van het gelijkspeelveld en bescherming van consumenten door het adresseren van dee-commerce problematiek.23 Een voorstel voor de European Product Actwordt in het derde kwartaal van dit jaar verwacht.Vogel- en HabitatrichtlijnVraag 20De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen het kabinet daarnaastde inbreng die door Nederland op 6 juli geleverd, is in het kader van devragenlijst over de stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn, zo volledigmogelijk met de Kamer te delen.AntwoordHet kabinet zal de Kamer na het zomerreces informeren over de Neder-landse inbreng die op 6 juli jl. in het kader van de VHR-stresstest met deEuropese Commissie is gedeeld. Daarbij zal het kabinet de Kamer zo veelmogelijk inzicht bieden in de inhoud van deze inbreng.23Kamerstukken II, 2025–2026, 21501–30, nr. 696.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104224 Land use, land use change and forestry (LULUCF)Vraag 21De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben ook alvast enkelevragen rondom de LULUCF-verordening. Deze leden benadrukken dat ookbij LULUCF grote risico’s spelen rond betrouwbaarheid en boekhouding.Wat wordt de inzet van het kabinet in de herziening van de LULUCF-verordening, of wanneer kunnen de leden de inzet van het kabinettegemoetzien? Hoe wordt voorkomen dat er lock-in effecten ontstaan,doordat afhankelijkheid groeit van vormen van bedrijfsvoering datdieronvriendelijk en/of milieuonvriendelijk is (zoals bioindustrie of teeltenwaarbij veel landbouwgif wordt gebruikt)? Op welke manier laat hetkabinet zich adviseren door onafhankelijke wetenschappers en weten-schappelijke toetsing?AntwoordDe inzet van het kabinet loopt parallel aan de bredere inzet voor het EUpost-2030 klimaatkader, zoals gedeeld met de Kamer.24 Mocht er in ditnieuwe kader worden gekozen voor een aparte LULUCF-verordening ofeen vergelijkbare sectorale benadering, dan zet Nederland zich in vooreen robuust, transparant en wetenschappelijk geborgd boekhoudsysteem.Dit systeem dient sterke aansluiting te vinden bij het bestaande nationaleen Europese beleid voor natuur, biodiversiteit, de Bossenstrategie en debioeconomie om een gelijk speelveld binnen Europa te borgen.De huidige LULUCF-verordening stelt op lidstaatniveau doelen vast voorde vastlegging en uitstoot van broeikasgassen uit landgebruik, zonderspecifieke landbouwpraktijken dwingend voor te schrijven. Ongewenstelock-in effecten, zoals een verhoogde afhankelijkheid van intensieveveehouderij of het overmatig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen,krijgen een nationale aanpak via bredere en integrale transitiepaden. HetNationaal Programma Landelijk Gebied en de transitie naar kringloop-landbouw (ondersteund door de Bossenstrategie, de Veenweidestrategieen het Programma Minerale Landbouwbodems) sturen integraal op eenverbetering van waterkwaliteit, natuurherstel, biodiversiteit en verduur-zaming van de landbouw. Hiermee borgt het kabinet dat maatregelen terbevordering van koolstofvastlegging geen averechts effect hebben opandere milieu of natuurbelangen.De betrouwbaarheid van de Nederlandse LULUCF-rapportages wordtintensief en onafhankelijk getoetst via het verplichte internationalereviewproces van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzakeklimaatverandering (UNFCCC) en op Europees niveau door het EuropeesMilieuagentschap (EEA). Nederlandse experts zijn actief betrokken bij ditreviewproces en adviseren daarnaast over de totstandkoming van denationale rapportages. Deze onafhankelijke instituties en uitgebreidereviews borgen dat de onderliggende data, rekenmethoden en aannamestransparant zijn en voldoen aan hoge wetenschappelijke standaarden.24Kamerstukken II, 2025–2026 21501–08, nr. 1033.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-08, nr. 104225
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.