KamerkringInloggen
Kamerbrief

Rli Advies "Met recht balanceren: juridisering in de leefomgeving"

21 feb 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ac4fe0fba18d0547 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 118OmgevingsrechtNr. 289 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 21 februari 2025De Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) heeft 26 juni 2024het advies «Met recht balanceren: juridisering in de leefomgeving»aangeboden aan de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijkrelaties, de Minister voor Rechtsbescherming en de voorzittersvan de Eerste en Tweede Kamer.Dit advies kijkt naar de vermeende «juridisering» rond de fysiekeleefomgeving. De Rli beschrijft juridisering als «iets tot een juridischekwestie maken», in tegenstelling tot juridificering, dat betekent dat steedsmeer zaken juridisch worden vastgelegd. Juridisering wordt hier gezienals het verschijnsel dat het recht een steeds belangrijkere rol speelt in demaatschappij. De Rli verwijst voor de aanleiding van het advies naar hetbeeld dat – in sommige delen van de samenleving – is ontstaan dat deoverheid veel of zelfs te veel «regels» via het Europese of het interna-tionale recht, krijgt opgelegd en daardoor niet meer zelf kan beslissenover de fysieke leefomgeving. Er worden ook rechtszaken aangespannenom handhaving van de regels af te dwingen. Volgens het advies dragenrecente spraakmakende rechtszaken, de opkomst van procedures doorsteeds professionelere belangenorganisaties en discussie over de rol vande rechter in de trias politica bij aan het gevoel dat de regelruimte van deoverheid wordt beperkt.Ook constateert de Rli dat de juridisering mede wordt gestuurd doorbredere maatschappelijke ontwikkelingen als het afnemend vertrouwen inde politiek en democratische rechtsstaat. Te vaak stuiten burgers nog opeen onverschillige en afhoudende houding van de overheid, zo luiden ookde conclusies van de Staatscommissie rechtsstaat.1 Om hieraan tegemoette komen worden burgers vroegtijdig betrokken bij ontwikkelingen in hundirecte leefomgeving, maar dit draagt soms juist bij aan juridisering.1https://www.staatscommissierechtsstaat.nl/onderwerpen/rapport/documenten/rapporten/2024/06/01/index. kst-33118-289ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2891 Burgers gaan op zoek naar een luisterend oor – is het niet bij de overheiddan bij de rechter.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is primairverantwoordelijk voor de reactie op dit advies. Mede namens de Ministervan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de StaatssecretarisRechtsbescherming wil ik uw Kamer graag een schriftelijke reactie gevenop het advies.Allereerst wil ik de Rli graag hartelijk danken voor zijn advies. Dit adviesraakt ons allen en het is aan ons om te zorgen voor een zorgvuldigetotstandkoming van beleid en wet- en regelgeving. En hierbij ookaandacht te hebben voor hoe dit vervolgens uitwerkt en ervaren wordt inde praktijk. Hier heeft de Rli vorig jaar ook aandacht voor gevraagd in hetadvies «De uitvoering aan zet»2.Samen met de Rli zie ik dat het recht een prominente rol speelt in deleefomgeving. De conclusie van de Rli dat juridisering inherent is aan derechtsstaat onderschrijf ik. De Rli geeft aan dat de vrijheid van Neder-landse ingezetenen om bezwaren tegen de overheid aan de rechter voorte leggen een wezenlijk onderdeel vormt van de rechtsbescherming die deNederlandse staat zijn burgers garandeert. Het stelt gerust dat de ruimetoegang tot het recht voor iedereen en de prominente rol van het recht inde democratische rechtsstaat niet als problematisch worden gezien doorde Rli. Dit kabinet zet zich, zoals opgenomen in het regeerprogramma, inom te komen tot een sterke en beter functionerende democratischerechtsstaat. Ook de Staatscommissie rechtstaat wijst op het belang om teinvesteren in de rechtstaat. Daarbij onderschrijft het kabinet wat deStaatscommissie rechtsstaat opmerkt, namelijk dat de verantwoorde-lijkheid voor het goed functioneren van de rechtsstaat niet alleen ligt bijde overheid, maar ook medeverantwoordelijkheid van burgers vraagt.Veel regels hebben een Europese of internationale herkomst en zijn totstand gekomen door een compromis tussen verschillende wetgevingstra-dities van landen, net als een verschillende manier van denken oversturingsinstrumenten. Het uiteindelijke gezamenlijk tot stand gekomen envastgestelde, ook door Nederland, compromis betekent dat bij implemen-tatie in nationale regelgeving gezocht moet worden naar wat dit preciesbetekent voor de uitvoeringspraktijk en hoe dit het beste ingepast kanworden in de regelgeving voor de fysieke leefomgeving. In ieder gevalheeft het kabinet in het regeerprogramma toegezegd dat er geen nieuwenationale koppen – dus geen verdergaande norm dan de Europese norm –op Europees beleid zullen komen. Verder wordt beleid en wetgeving vaakingehaald door nieuwe wetenschappelijke inzichten, wat zeker bij delangere looptijd voor Europese of internationale regels een rol speelt.Compromisteksten van Europese of internationale herkomst kunnen dustot onduidelijkheden bij de omzetting of uitvoering leiden en zo bijdragenaan juridisering. Dit blijft in het advies van de Rli wat onderbelicht, terwijldit wel gevolgen kan hebben voor onze nationale regelgeving en ook voorde toetsing door de (Europese) rechter. De Nederlandse inzet zal ook inEuropees verband gericht blijven op duidelijke en werkbare Europeseregelgeving.Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Daarmee is ernu één stelsel voor regelgeving in de fysieke leefomgeving. Voor burgers,bedrijven, initiatiefnemers en geïnteresseerden is informatie hierover opéén plek beschikbaar via het Digitaal stelsel Omgevingswet. Ook2Rli, De uitvoering aan zet, Omgaan met belemmeringen bij de uitvoering van beleid voor defysieke leefomgeving, december 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2892 stimuleert de Omgevingswet vroegtijdige participatie bij ontwikkelingenin de fysieke leefomgeving. Deze betrokkenheid helpt om beleid enplanvorming beter aan te laten sluiten bij de (lokale) context. Dit sluit aanbij de constatering van de Rli dat het een positieve ontwikkeling is dat ermeer oog is voor burgerbetrokkenheid en vroegtijdige participatie.Bewonersparticipatie is geen doel op zich, geen vinkje in een proces«omdat het zo hoort», maar gaat over een kwalitatief beter besluitvor-mingsproces dat geworteld is in de lokale context. In dialoog, uitwisselingen discussie worden verschillende belangen bij elkaar gebracht waardooroverstijgende inzichten ontstaan. Hier wordt de samenleving als geheelbeter van. Tegelijk deel ik de conclusie van de Raad dat burgerbetrok-kenheid en participatie geen wondermiddelen zijn om juridisering tevoorkomen. De juridisering in de leefomgeving is naar mijn idee eengevolg van de toenemende – vaak tegenstrijdige – claims op de schaarseruimte in Nederland die burgers direct raken in hun belang. In de NotaRuimte wil dit kabinet richtinggevende keuzes maken voor de toekomstigeruimtelijke ordening van ons land en zo op voorhand meer sturing enduidelijkheid geven.Het bovenstaande is met name van belang voor de aanpak van dewoningbouwopgave. Het is zaak om een goede balans te vinden tussenenerzijds de noodzaak om snel meer woningen te bouwen en anderzijdshet functioneren van de rechtsstaat en de rol van burgerparticipatie bijwoningbouwontwikkeling. Voorkomen moet worden dat proceduresonnodig lang duren, omdat verschillende belangen als een gerecht-vaardigd belang wordt gezien. Dit terwijl het belang van woningzoe-kenden dat vaak niet is en zij in de procedures zelf geen partij zijn. Daaromben ik een programma gestart om tegenstrijdige en overbodige regel-geving voor de woningbouwopgave te schrappen. Met het programmaSTOER («Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen in Regelgeving»)wil ik belemmeringen opheffen om zo sneller nieuwe woningen terealiseren.De Rli komt in zijn advies tot de conclusie dat de doorwerking van hetrecht te eenzijdig bij de rechter is komen te liggen. De zorg voor derechtsstaat en de rechtmatigheid van het handelen van de overheid is– buiten de medeverantwoordelijkheid van ook burgers – primair deverantwoordelijkheid van wetgever en bestuur. Om de kwaliteit vanwetgeving en beleid te verbeteren, is in het regeerprogrammaopgenomen dat het van belang is dat wetten begrijpelijk, uitvoerbaar endoenbaar zijn voor mensen en in de praktijk werken zoals de bedoeling is.Het gaat hier om fundamentele kwaliteitseisen. Door middel van onderandere een centrale werkwijze met het Beleidskompas voor het makenvan beleid, aanwijzingen voor regelgeving en wetgevingstoetsing wordthier invulling aan gegeven.De mogelijkheid van toetsing en correctie in de toepassing van regelsdoor een onafhankelijk rechter zijn voor het goed functioneren van onzesamenleving en rechtsstaat noodzakelijk en een verworvenheid die wemoeten koesteren. Daarbij is er continu aandacht voor de capaciteit endoorlooptijden van de rechtspraak.Reactie op de aanbevelingenIn het advies doet de Rli een aantal aanbevelingen en geeft de raadoplossingsrichtingenAanbeveling 1: Versterk de juridische functie bij de wetgevingsafde-lingen binnen de departementen. Maak de departementale adviseringover de juridische kwaliteit van voorgenomen beleid en wetgeving inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2893 beginsel openbaar voor het parlement en het publiek. Onderzoek of eendergelijke versterking van de juridische functie ook mogelijk en nodig isvoor provincies en gemeenten.De Rli constateert dat het bewaken van de rechtstaat en het respecterenvan de regels van het recht niet alleen valt onder de waarborgfunctie vanhet recht door de rechterlijke macht, maar dat dit evenzeer een taak isvoor de wetgever (regering en parlement). Daarom adviseert de Rli om toteen betere kwaliteit van wetgeving en beleid te komen. Het belang vaneen sterke juridische functie bij de wetgevingsafdelingen die vroegtijdig isbetrokken in het beleidstraject en waar de centrale juridische directiegevraagd en ongevraagd op het hoogste ambtelijke en politieke niveauhaar juridisch oordeel kan geven onderschrijft het kabinet. Zo is dejuridische functie bij de verschillende departementen over het algemeenook gepositioneerd. Daarnaast geeft het kabinet in zijn regeerprogrammaaan dat het zich wil inzetten voor een overheid die beleid en regelgevingevalueert, blijft verbeteren en altijd op zoek gaat naar de meest passendeoplossing.De Rli pleit voor het in beginsel openbaar maken voor parlement enpubliek van de departementale advisering over de juridische kwaliteit vanvoorgenomen beleid en wetgeving. Er worden reeds stukken openbaargemaakt om inzicht te geven in besluitvorming die heeft plaatsgevonden.Het kabinet wijst er in dit verband op dat het resultaat van juridischeadvisering binnen ministeries reeds in de openbaarheid komt via ondermeer Kamerbrieven en memories van toelichting, waarin (juridischeaspecten van) beleidskeuzes worden toegelicht. Daarnaast worden viaactieve openbaarmaking van ambtelijke beslisnota’s in beginsel aan deKamers ook de daarin opgenomen – waar van toepassing – mogelijkejuridische risico’s van het voorliggende politieke besluit inzichtelijkgemaakt. Verder komt juridische advisering binnen ministeries in beginselin aanmerking voor openbaarmaking via de Wet open overheid ofverstrekking aan het parlement op basis van artikel 68 van de Grondwettenzij de erkende weigeringsgronden, zoals het procesbelang van deStaat, openbaarmaking (nog) niet mogelijk maken.Aanbeveling 2: Voeg aan de Afdeling advisering van de Raad van Stateeen onafhankelijke en gezaghebbende Adviseur-Generaal toe, die invoorkomende gevallen een advies uitbrengt over de vraag of eenvoorgenomen wettelijke regeling in overeenstemming is met deGrondwet, Europese wetgeving en richtlijnen, internationale verdragen enalgemene rechtsbeginselen.Juridische toetsing van voorgenomen wet- en regelgeving vindt opverschillende momenten plaats tijdens het wetgevingsproces. Wetsvoor-stellen moeten in voorkomende gevallen allereerst aan de centralejuridische directie worden aangeboden voor een toets door de afdelingdie zich bezighoudt met Constitutionele Zaken op de verenigbaarheid metde Grondwet en mensenrechten. Daarnaast verricht het Ministerie vanJustitie en Veiligheid een brede wetgevingstoets bij daarvoor inaanmerking komende wetsvoorstellen. Verder heeft het bredere publiekde mogelijkheid om te reageren op wet- en regelgeving in de internetcon-sultatiefase. Zoals de Rli zelf al opmerkt, toetst vervolgens de Afdelingadvisering van de Raad van State de verenigbaarheid van eenwetsvoorstel expliciet aan de Grondwet, EU-verdragen, Europese wet- enregelgeving, internationale verdragen en algemene rechtsbeginselen. Totslot hebben de Staten-Generaal als medewetgever de taak om wetsvoor-stellen te toetsen aan hoger recht. Daartoe heeft de Tweede Kameronlangs besloten een aparte commissie in te stellen voor de toetsing vanwetsvoorstellen aan de Grondwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2894 De Rli pleit voor introductie van een Adviseur-Generaal (AG) bij deAfdeling advisering van de Raad van State die onafhankelijk en gezag-hebbend moet zijn en in voorkomende gevallen een advies uitbrengt oververenigbaarheid van voorgenomen wetgeving met de Grondwet,Europese wetgeving en richtlijnen, internationale verdragen en algemenerechtsbeginselen. Het kabinet acht de introductie van een nieuwe figuur inde vorm van een Adviseur-Generaal niet nodig noch wenselijk. Het adviesgeeft zich er geen rekenschap van dat de Afdeling advisering van de Raadvan State het tot haar kerntaak rekent wetsvoorstellen mede te toetsenaan hoger recht en daar ook voortdurend blijk van geeft in haar adviezen.Niet valt in te zien hoe de voorgestelde nieuwe functie zich zou verhoudentot de taak van de Afdeling en de rol en verantwoordelijkheid van haarleden. Verder geldt dat het aan de Afdeling advisering zelf is om tebepalen hoe de toetsende taak wordt ingevuld. De wijze waarop blijkt uitzijn adviezen en komt uitgebreid aan de orde in de jaarverslagen van deRaad van State.Het kabinet is wel met de Rli van mening dat de constitutionele toetsingen de toetsing aan Europees en internationaal recht aan de voorkant moetworden versterkt. Dat geldt voor de toetsing bij de Tweede Kamer, deAfdeling advisering van de Raad van State en uiteraard de regering. Bij de(eigen) ontwerpen voor regelgeving moet meer aandacht zijn voor degrondwettigheid ervan. Daarom gaat het kabinet de dialoog aan met hetparlement en de Raad van State over de uitwerking van constitutioneletoetsing en toetsing aan Europees en internationaal recht ex ante in hetwetgevingsproces. Vanuit het Ministerie van BZK worden verschillendestappen gezet om de constitutionele toets stevig in het wetgevingsproceste verankeren. De Minister van BZK en de Staatssecretaris Rechtsbe-scherming werken samen aan het verder verbeteren van de constituti-onele toets respectievelijk de algemene wetgevingstoets en zullenhierover dit voorjaar aan de Tweede Kamer rapporteren.Aanbeveling 3: Kies bij de omzetting van Europese richtlijnen innationale wetten en regels voor een robuuste invulling, die zich nietbeperkt tot de minimumeisen.Hoewel ruimtelijke ordening geen bevoegdheid van de EuropeseCommissie is, heeft veel Europese regelgeving wel impact op de fysiekeleefomgeving, zoals bijvoorbeeld richtlijnen met betrekking tot landbouw,milieu of natuur. De Rli beveelt aan bij de omzetting van EU-richtlijnen innationale wetten en regels te kiezen voor een robuuste invulling, die zichniet beperkt tot de minimumeisen. Met een robuuste omzetting entoepassing zal naar verwachting van de Rli het aantal procedures bij derechter over de vraag of aan EU-rechtelijke eisen wordt voldaan afnemenen wordt de kans verkleind dat rechters later oordelen dat het nationalestelsel niet in overeenstemming is met de desbetreffende Europeserichtlijn. Lastenluw omzetten en toepassen van EU-recht mag volgens deRaad niet leiden tot minimalistisch omzetten en toepassen.Bij de omzetting van Europese richtlijnen in nationale wetten en regelsworden altijd keuzes gemaakt. In Nederland wordt over het algemeengekozen voor de implementatiewijze die de minste lasten oplegt aan dedoor de regeling geraakte burgers en bedrijven. Eén reden voor hetuitgangspunt van zuivere en lastenluwe implementatie is dat de tijdigeimplementatie van richtlijnen in gevaar komt wanneer in implementatiere-gelgeving een onverplichte component zit die aanleiding kan geven totTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2895 politiek debat.3 Daarnaast is dat beleid ingegeven door het streven naareen level playing field van Nederlandse ondernemers ten opzichte vanondernemingen in andere lidstaten.4In zowel het hoofdlijnenakkoord als het regeerprogramma zijn opmeerdere plaatsen voornemens opgenomen dat er geen nieuwe nationalekoppen – dus geen verdergaande norm dan de Europese norm – opEuropese regelgeving gaan komen en dat bestaande koppen waarmogelijk worden geschrapt.5 Tegelijkertijd erkent het kabinet dat robuusteimplementatie van een soms wat onduidelijke richtlijn via duidelijkenationale regels kan bijdragen aan meer zekerheid voor de uitvoering.Voorkomen moet worden dat een minimalistische benadering bij deimplementatie als lastenluwer wordt ervaren, met als risico dat dezejuridiserend kan werken en langs die weg toch lasten veroorzaakt. Ditspeelt overigens niet alleen bij de implementatiewetgeving zelf, maar ookbij de uitvoeringsmaatregelen die daarop volgen.Bij juridische problemen rond de implementatie van Europees recht gaathet vaak om de uitvoering van de kaders in de praktijk, zoals het tijdignemen van voldoende beschermingsmaatregelen. Dat betekentdoorgaans niet dat de door de nationale wetgever gestelde kaders voor deomzetting van richtlijnen zelf tekortschieten ten opzichte van waartoe hetEU-recht verplicht. Zo waren de kernoverwegingen van de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State in de in het advies aange-haalde uitspraak dat de door de regering voorziene maatregelen nog nietwaren uitgewerkt of toegepast en dat het om die reden onzeker was of hetbeoogde resultaat wel bereikt zou worden. Van een verschil in opvattingtussen regering en rechter over de te bereiken resultaten is niet geblekenin die uitspraak.Dit maakt dat dit kabinet de aanname van de Rli dat een keuze voor eenrobuuste implementatie tot minder juridische geschillen zou leiden, nietzonder meer kan onderschrijven. Het is immers even goed denkbaar datdie beleidskeuze de mate van acceptatie van de regelgeving aantast bij dedoor die regels getroffen partijen, en daarmee juist een stimulans vormtvoor de gang naar de rechter.Aanbeveling 4: Versterk het proces van vergunningverlening, toezicht enhandhaving bij de bevoegde gezagen en investeer daarin. Verruim enversoepel de mogelijkheden waar het gaat om de ambtshalve actuali-sering van vergunningen. Geef actief invulling aan de actualiseringsplichtvan vergunningen en algemene regels.Gezien de staat van de fysieke leefomgeving is het versterken van hetVTH-stelsel en het tijdig actualiseren van vergunningen van belang. Naaraanleiding van het rapport van Van Aartsen «Om de leefomgeving» uit20216 is het interbestuurlijke programma Versterking VTH-stelsel dat hiernadere invulling aan geeft, gestart en afgerond. Ook de Omgevingswetdie uitgaat van een meer integrale benadering van de fysieke leefom-geving kan hier een bijdrage aan leveren. Een versterkt VTH-stelsel, meteen goed werkend systeem van toezicht en handhaving, is een3Zie in dit verband aanwijzing 9.4 over zuivere implementatie in de Aanwijzingen voor deregelgeving. Deze aanwijzing heeft na het inwerkingtreden van het Verdrag van Lissabon meerbetekenis gekregen doordat sindsdien sneller in de miljoenen lopende boetes en dwang-sommen opgelegd kunnen worden bij termijnoverschrijding.4Zie in dit verband aanwijzing 9.5 inzake lastenluwe implementatie van de Aanwijzingen voor deregelgeving.5Zie Hoop, lef en trots – Hoofdlijnenakkoord 2024 – 2028 van PVV, VVD, NSC en BBB, p. 10, 13,14 en 25.6Kamerstuk 22 343, nr. 295.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2896 voorwaarde om nieuwe beleidsvoornemens zoals doelsturing toe tekunnen passen. Het geeft namelijk de benodigde informatie over deeffectiviteit en doelbereik van nieuw beleid en is daarmee een essentiëleschakel in de beleidscyclus. Integrale vergunningverlening, toezicht enhandhaving en een actieve invulling van de actualiseringsplicht pasthierbij. Dit kan echter ook juist aanleiding geven tot meer juridisering.Aanbeveling 5: Onderzoek of zaken in het bestuursrecht kunnen wordenafgedaan door de rechtbanken zonder de mogelijkheid van hoger beroepbij de Afdeling bestuursrechtspraak dan wel of er zaken zijn met een grotemaatschappelijke impact waar direct beroep bij de Afdeling moet wordenopengesteld.De Rli pleit er met de laatste aanbeveling voor om te onderzoeken of erzaken kunnen worden afgedaan door rechtbanken zonder de mogelijkheidvan hoger beroep. Daaraan zou eventueel een verlofstelsel kunnenworden gekoppeld, als dat nodig is om de rechtseenheid te bewaren.Daarnaast pleit de Rli ervoor om te onderzoeken of er zaken met een grotemaatschappelijke impact zijn waarvoor direct beroep bij de Afdelingbestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling bestuurs-rechtspraak) moet worden opengesteld.Rechtsbescherming tegen overheidsbesluiten is een groot goed. Detoegang tot de rechter is grondwettelijk vastgelegd. In het Nederlandsebestuursprocesrecht is beroep in twee instanties het uitgangspunt: eerstberoep bij de rechtbank, daarna hoger beroep bij (in veel gevallen) deAfdeling bestuursrechtspraak. Door in het bestuursrecht de rechtbankente belasten met de behandeling van het beroep in eerste instantie werdaangesloten bij het civiele recht en het strafrecht en werd de Raad vanState ontlast, waar onder de voormalige Wet administratieve rechtspraakoverheidsbeschikkingen grote achterstanden waren ontstaan. Het hogerberoep heeft in het huidige stelsel de functie van het waarborgen van dekwaliteit van de rechtspraak en het bewaken van de rechtseenheid. Dehandhaving van het beroep in één instantie bij de Afdeling bestuursrecht-spraak vormt daarop een bestaande uitzondering. Bekende voorbeeldenwaarvoor beroep in één instantie geldt, zijn het omgevingsplan en hetprojectbesluit.Wat betreft de aanbeveling om te onderzoeken of er voor meer zaken meteen grote maatschappelijke impact beroep in één instantie bij de Afdelingbestuursrechtspraak kan worden opengesteld, is het wetsvoorstelversterking regie volkshuisvesting relevant. In dat wetsvoorstel is eengrondslag opgenomen op grond waarvan tijdelijk besluiten voorcategorieën projecten waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk isvanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen, kunnen wordenaangewezen waarop verschillende procedurele versnellingen in deberoepsfase van toepassing zijn. Eén van die versnellingen is beroep inéén instantie bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Ook in het kader van hetprogramma STOER worden versnellingsmogelijkheden voor de beroeps-procedure bezien.Beroep in één instantie bij de rechtbank, al dan niet gecombineerd meteen verlofstelsel, waarbij toestemming van een rechter nodig is voor hetinstellen van hoger beroep, zijn thans onbekend in het Nederlandsebestuursprocesrecht. Een verlofstelsel vereist derhalve een grondigeanalyse van de noodzakelijke keuzes en de consequenties ervan.Tegelijkertijd kan de eventuele invoering van een verlofstelsel bijdragenaan het voorkomen van achterstanden bij rechterlijke instanties en hetverkorten van procedures. Daarom stel ik een onderzoek in naar demogelijkheden en (bestuursrechtelijke) consequenties van het invoerenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2897 van een verlofstelsel voor zaken die spelen op het terrein van hetomgevingsrecht. Met het instellen van dit onderzoek wordt tevensuitvoering gegeven aan de door uw Kamer op 5 november 2024aanvaarde motie-Grinwis/Meulenkamp, waarin wordt verzocht dejuridische haalbaarheid te toetsen van een experiment met een zgn.voortoets naar Duits model.7AfsluitendIk hecht, net als de Rli, aan de kwaliteit van beleid en wetgeving. Hetkabinet heeft daarom in het regeerprogramma voorgesteld om deconstitutionele toets in het wetgevingsproces te versterken en omrechterlijke toetsing van wetten aan klassieke grondrechtsbepalingen vande Grondwet mogelijk te maken. Ook wordt er gewerkt aan het versterkenvan het VTH-stelsel. Tegelijkertijd constateer ik dat juridisering in defysieke leefomgeving een gegeven is waar wij ons toe moeten verhouden.De aanleiding voor juridisering in de fysieke omgeving ligt mijns inziensgrotendeels in de strijd om de beperkte ruimte, de complexiteit van desamenleving en de grote maatschappelijke opgaven. Als gevolg van detoegenomen urgentie van een aantal grote complexe opgaven, zoals dewoningnood en de energietransitie, vragen tal van gerechtvaardigdebelangen om een integrale afweging en soms om moeilijke keuzes. Ookde toegenomen regelcomplexiteit draagt hier aan bij. Regelcomplexiteit iseen onderdeel van het begrip juridisering; het complexer worden vanregelgeving, waarbij de stapeling van regels en de onderlinge afhanke-lijkheid een belangrijke rol speelt. De Afdeling advisering van de Raad vanState heeft hier eerder aandacht voor gevraagd.8Dit in combinatie met een afnemend vertrouwen in de politiek en dedemocratische rechtstaat zorgt ervoor dat de samenleving steedskritischer is op de overheid en ook sneller de stap naar de rechter maakt.In onze rechtsstaat is het van belang dat voor burgers en bedrijvenrechtsbescherming wordt geboden. Dit vraagt veel van de rechtspraakqua capaciteit en roept vragen op over de mogelijkheid tot het versnellenvan procedures.Samen met mijn mede-bewindspersonen ga ik kijken waar beleid ofregelgeving knelt, de regeldruk verminderd kan worden, of waar juistmeer landelijke regie en harmonisatie nodig is. Het programma STOER ishier een voorbeeld van. Dit draagt ook bij aan het behalen van deopgaven, doelen en ambities uit het regeerprogramma. Ook past dezeoptimalisatie in de oproep uit het rapport Staat van de Uitvoering 2024om de complexiteit van regelgeving te doorbreken.9 Hierbij zoek iknadrukkelijk de dialoog met de medeoverheden, maar ook burgers,(maatschappelijke) organisaties, het bedrijfsleven en uiteraard met uwKamer.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. Keijzer7Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 50.8Raad van State (2023). Regelcomplexiteit: een verkenning aan de hand van twee casestudy’s.Den Haag: Raad van State.9Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, Rapport Staat van de Uitvoering 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 118, nr. 2898

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a20554fea0816d87

14 okt 2026 · a0c8198a635c4502

13 okt 2026 · 2e1cce235d0f02d9

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.