KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 10 februari 2025, over Wetboek van Strafvordering (Boeken 3 en 4)

21 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 546a99a1f7da16d5 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 327Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering)Nr. 74 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 21 maart 2025 De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 10 februari 2025overleg gevoerd met de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, en de heer Van Weel, Minister van Justitie en Veiligheid, over:–het wetsvoorstel Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering) (Kamerstuk36 327).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,PoolDe griffier van de commissie,Brood kst-36327-74ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 741 Voorzitter: Van NispenGriffier: PaauweAanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Ellian, Koops, Mutluer, VanNispen, Sneller en Valize,en de heer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming, en de heerVan Weel, Minister van Justitie en Veiligheid,alsmede de heer Knigge, regeringscommissaris.Aanvang 10.01 uur.De voorzitter:Goedemorgen. Welkom bij de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid.We gaan verder met de behandeling van het Wetboek van Strafvordering.We hebben een volle dag voor de boeg. In de ochtend en een deel van demiddag gaan wij spreken over de Boeken 3 en 4. In de middag spreken wijover de Boeken 5 en 6. Natuurlijk van harte welkom aan de Minister vanJustitie en Veiligheid en de Staatssecretaris Rechtsbescherming. Een zeerhartelijk welkom aan de regeringscommissaris. Welkom ook aan deambtenaren hier in de zaal, maar zeker ook de ambtenaren die in grotengetale op een andere plek, in de Suze Groenewegzaal, aan het onder-steunen zijn. We zien jullie hier niet, maar we weten dat jullie er zijn. Jullieinzet wordt zeer gewaardeerd. Dat geldt ook voor de aanwezigheid van deKamerleden en natuurlijk hun beleidsmedewerkers, die hier ook heel hardaan hebben gewerkt.Alles wat wij hier vandaag doen, is letterlijk de wetsgeschiedenis, dus datdoet ertoe. U mag hier zo lang over spreken als u wenst, maar het hoeftniet, want we hebben zoals gezegd een hele lange en volle dag. Maar wegaan het zorgvuldig aanpakken, dus ik ga het aantal interrupties of despreektijden niet op voorhand beperken. Ik doe wel een beroep op u omniet onnodig uit te weiden. Wat «onnodig» is, daar gaat u zelf over.Dan heb ik volgens mij gezegd wat ik wilde zeggen en gaan wij beginnenmet de eerste termijn van de kant van de Kamer. Ik kijk dan naar de heerValize, omdat hij hier als eerste in de rij zit. Ik geef hem het woord namensde PVV.De heer Valize (PVV):Voorzitter, dank voor het woord. Ik zal de inbreng doen namens de vastewoordvoerder Justitie en Veiligheid van de PVV, omdat die helaasverhinderd is.Allereerst kijkt de PVV positief naar de uitbreiding van de artikel 12-procedure. Dat artikel regelt het recht van eenieder om het OM aan tesporen om over te gaan tot vervolging nadat het dit vanwege het een ofander achterwege had gelaten. In het nieuwe Boek 3 van het Wetboek vanStrafvordering wordt dit artikel uitgebreid met de mogelijkheid tot beklagtegen het achterwege blijven van opsporing naast het al bestaande beklagover niet-vervolging. Wat ons betreft is dit een goede ontwikkeling, dieslachtoffers en nabestaanden meer handvatten geeft om gerechtigheid nate streven en een OM met verkeerde prioriteiten aan te sporen totopsporing en vervolging.Voorzitter. De PVV heeft met verbazing gekeken naar het voornemen omde mogelijkheid open te stellen om schadevergoeding als processuelesanctie toe te kennen. Uit de memorie van toelichting blijkt dat dezemaatregel wordt ingezet specifiek met het oog op levenslang gestraften,isd-cliënten en tbs’ers. Daaruit valt dus af te leiden dat daders van dezwaarste misdrijven mogelijk, ondanks een veroordeling tot vele jarenachter slot en grendel, daarbij ook nog eens een zak geld krijgen omdateen berechting mogelijk wat te lang heeft geduurd. Dat is toch de wereldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 742 op zijn kop? De PVV begrijpt dat strafvermindering geen werkbareoplossing is in deze gevallen, maar de gekozen oplossing is toch ook nietuit te leggen aan de slachtoffers en nabestaanden? Hoe kijkt de Staatsse-cretaris naar dit onderdeel? Deelt hij de zorgen van de PVV en daarmee demening dat dit een totaal verkeerd beeld afgeeft aan zowel de daders alsde samenleving? Kan de Staatssecretaris aangeven of er een mogelijkheidis om deze schadevergoeding bijvoorbeeld te koppelen aan het al dan nietschuldig bevinden van verdachten? De uitwerking van deze sanctie komtimmers in een nog nader vorm te geven aanvullingswet, zoals ook telezen in de memorie van toelichting op pagina 1018.Voorzitter. Afrondend nog een opmerking over de introductie van hetnieuwe systeem met de procesinleiding. Mijn fractie is nogal bezorgd overde vraag of dit gaat leiden tot verdere vertraging van het strafproces. Kande Staatssecretaris duiden waarom hij ervan overtuigd is dat er onder ditnieuwe stelsel geen sprake van zal zijn dat dit leidt tot vertraging in devervolging? Deelt de Staatssecretaris dan ook de zorgen die de PVVhieromtrent heeft?Voorzitter. Daarmee ben ik aan het eind van mijn eerste termijn.De voorzitter:Dank u wel. Dan zijn we aangekomen bij de heer Sneller, die spreektnamens D66.De heer Sneller (D66):Dank, voorzitter. Het kan dan inderdaad snel gaan. Ik begin bij Boek 3 endan concreet bij de strafbeschikkingen, de zogenaamde OM-afdoening diealweer bijna twintig jaar geleden door de Kamer is aangenomen. Omdathet amendement voor een horizonbepaling destijds is verworpen, staatdie er nog steeds in. Zij krijgt alleen maar een belangrijkere rol, denk ik,als we kijken naar de strafrechtketen die vastloopt, de lange doorloop-tijden en de volle gevangenissen. Zeker gezien de signalen van hetCollege van procureurs-generaal gaat er nog wel het nodige gebeuren. Ikheb daar zo meteen nog wat vragen over. Het lijkt me dus ook belangrijkom nog even stil te staan bij dat fundament, ook omdat onderzoeken vande procureur-generaal van de Hoge Raad en het WODC daar toch watkwetsbaarheden hebben geïdentificeerd, zowel voor de rechtsbe-scherming van verdachten als bij de naleving van de positie van slacht-offers, waar de afgelopen jaren ook hier in debatten kritiek op is geweesten vragen over zijn geweest.Als er onduidelijkheid is over de strafbeschikking en dus de rechtvaar-digheid van het proces ter discussie wordt gesteld, kan dat natuurlijk ookmeer vervolgprocedures opleveren. Nou zijn er in het verleden aanpas-singen geweest. We hebben hier ook gehoord over de wasstraat, dievervolgens weer werd afgeschaft en waarover nu weer moties wordenaangenomen om die weer in te voeren. Ik ben dus benieuwd hoe deMinister daar nu en met het oog op de toekomst in bredere zin naar kijkt.Dan zijn er verschillende werkwijzen. Ook dat kan toch tot onduidelijkheidleiden bij degenen die het betreft. Ik hoor dus graag wat er wordt gedaanen waarom er niet voor is gekozen om in de wettekst te expliciteren waardie werkwijzen uit elkaar lopen, of waarom ze naast elkaar bestaan.Nogmaals, als je dus verder wil bouwen op die strafbeschikking, is hetvolgens mij belangrijk dat het fundament stevig genoeg is. Al een tijdjezegt de voorzitter van het College van procureurs-generaal dat er ruimergebruik van moet worden gemaakt. Het kan gaan tot delicten waar eenwettelijke omschrijving op staat van uiteindelijk maar liefst zes jaar. Dusmijn vraag is ook: wat is de huidige stand van het beleid en hoe gaat datnou als dat beleid wordt aangepast, tot die zes jaar? Hoe moet dat wordengecommuniceerd? Wat zijn nou de regels? Waar wordt dat vastgelegd?Horen wij daar dan ook van? Wat zijn nou de meest recente wijzigingendaarin geweest? Ik ben daar dus heel benieuwd naar. Zouden we datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 743 bijvoorbeeld niet ook in een AMvB vastgelegd moeten krijgen, zodat erook transparantie is en zodat de Kamer daar enige betrokkenheid bijheeft? Het voelt nu niet heel erg under control vanuit Kamerperspectief.Dan de sepotcodes. Eerder heb ik daarover met de vorige Minister vanJustitie in het vragenuur gesproken, naar aanleiding van een rapport vande Nationale ombudsman. Bijna 60.000 keer per jaar besluit het OpenbaarMinisterie om een verdachte niet strafrechtelijk te vervolgen. Dat heet daneen sepot. Daar komen codes bij. Sommige daarvan verschijnen nogsteeds als aantekening op je strafblad, wat sommige ex-verdachten hetgevoel geeft dat ze veroordeeld zijn door het OM, zonder dat ze ooit vooreen rechter verschenen zijn. Dat kan ook gewoon gevolgen hebben,bijvoorbeeld voor een verklaring omtrent het gedrag, die meer dan eenmiljoen keer per jaar wordt aangevraagd. Dan maakt het nogal uit of hetgaat om een sepot vanwege onvoldoende bewijs of een sepot vanwegeeen oud feit. De kritiek was steeds: waar kan je nou terecht met jeklachten? Ja, bij het OM. En wat kan je nou doen om die code gewijzigd tekrijgen? Er is geen nieuw rechtsmiddel om daartegen op te komengekomen in dit Wetboek van Strafvordering. Ik hoor dus graag waaromdaarvoor gekozen is.Dan kom ik bij Boek 4. Sommige wijzigingen daarin kunnen watingewikkeld zijn. Ik heb daarom de amendementen ingediend waaroverwe het in het eerste wetgevingsoverleg hebben gehad. Ik wil daar nugraag nog wat fundamenteler bij stilstaan, ook omdat ze allebei werdenontraden en omdat er wat meningsverschil leek te zijn over de vraag of deorde van advocaten het Wetboek zoals het er nu ligt goed begrepen had.Dus ik hoor graag of er overleg is geweest en of dat tot opheldering heeftgeleid.Het eerste amendement ging over de sanctie bij termijnoverschrijding.Eigenlijk zei zowel het kabinet als de regeringscommissaris dat het niet inhet belang is van de verdachte, want het moet juist zo snel mogelijk. Ikheb daar wat verder over nagedacht. Terecht zei de regeringscommissaris:het systeem wordt gewoon helemaal anders met die procesinleiding, tenopzichte van de procedure zoals die thans gaat met de dagvaarding. Hethangt ook samen met de termijn. Het gevoel bestaat dat met de procesin-leiding er toch een nieuw ankerpunt wordt gecreëerd en dat het gedragmet name vanuit het Openbaar Ministerie zal zijn: als die procesinleidinger is, zullen we alle stukken verstrekken, maar daarvóór? Daar is nu ookniks wettelijk over geregeld. De staande praktijk is dat er over hetalgemeen best wel ruimhartig wordt omgegaan met verstrekken vanstukken, zodat er op basis van die stukken kan worden gezegd: dan willenwij graag deze getuige horen en die getuige horen. Het risico is dat je metde procesinleiding als het ware een nieuwe standaard invoert en eensoort nieuwe default creëert, in de zin van: dat is het moment dat deinformatie gedeeld zal worden. De vraag is dan ook: welke druk gaat ernou vanuit in het proces, voordat de procesinleiding wordt uitgebracht,om ervoor te zorgen dat de stukken kunnen worden gedeeld?Dat geldt ook voor de wettelijke termijn. Daarover gaat het amendementop stuk nr. 16. De regeringscommissaris zei terecht dat er altijd uitstel kanworden gevraagd als die vier weken niet voldoende zijn, maar ja, dat iseen noodventiel, net als met hardheidsclausules in wetgeving. Het is eensoort sluiproute die je in extreme gevallen zou moeten kunnen toepassen.Maar je wil ook dat de wet zoals die er ligt het al goed regelt. Je moetdaarbij dus ook goed kijken welke termijnen je dan vastlegt. Volgens mijzou het dus goed zijn om dat toch wat te verlengen, omdat je andersmisschien ook veel verzoeken om uitzondering gaat krijgen. Nogmaals, ikhoor dus graag wat uitgebreider hoe er wordt gekeken naar het vóór deprocesinleiding verstrekken van stukken en welke waarborgen erin zitten,zodat dat voldoende zal gebeuren.Voorzitter. Dan de begrijpelijkheid van de rechtspraak. Ik heb in het eerstedebat al even het interview met Stijn Franken aangehaald. Die vroeg zichTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 744 af of mensen in de rechtszaal, de verdachte versus de officieren en derechters, elkaar nog wel begrijpen, en wat dat uiteindelijk betekent voorde legitimiteit van het proces. De Staatssecretaris zei dat hij dat ook eenbelangrijk begrip vindt, dus ik ben benieuwd wat voor beleidsgevolg daarals het ware nog aan gegeven wordt. Of houden we het gewoon bij: webrengen het onder de aandacht bij de rechtspraak en we zien verder welwat ermee gebeurt?Een van de vernieuwingen is het uitgangspunt dat rechterlijke beslis-singen moeten worden gemotiveerd voor zover dat voor de begrijpe-lijkheid daarvan noodzakelijk is. Dit staat in artikel 4.3.22, lid 1. De Raadvan State zegt daarover: denk daar nog eens over na en pas zo nodig hetvoorstel aan. Het risico is namelijk toch dat dat leidt tot mindermotivering. Het kabinet zegt in het nader rapport «we hebben detoelichting aangevuld», oftewel «we hebben de wettekst niet aangepast».Ik heb een amendement ingediend om dat toch wel te doen, omdat ikdenk dat het belangrijk is om die motivering er ook expliciet in op tenemen. Ik zeg dat ook omdat er een aantal initiatieven lopen om strafmo-daliteiteten toe te voegen, waarbij het extra belangrijk wordt om, ook inhet licht van de verschillende strafdoelen, te expliciteren en motiverenwaarom voor een bepaalde straf wordt gekozen. Dat is natuurlijk altijd alzo, maar mijn gevoel is dat daar nog extra aandacht voor komt, in het lichtvan alle initiatieven die daarvoor lopen en alle klachten die er zijn over tevolle gevangenissen. Ik ben ook hier bereid om te kijken naar de bewoor-dingen et cetera, net als bij de vorige amendementen. Maar ik hoop datwe, zonder het werk van rechters onmogelijk te maken en de werklastsignificant te vergroten, wel kunnen zorgen dat we met name diestrafdoelen, maar breder ook de motivering, wat extra waarborgen gevenin deze wet, zodat er wat minder hoger beroepen komen et cetera, watook weer de efficiëntie zou kunnen vergroten.Ik heb uit het vorige debat nog wat openstaande vragen liggen overvoorlopige hechtenis. Ik hoop dat die in dit debat kunnen wordenbeantwoord.De voorzitter:Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Ellian van de VVD.De heer Ellian (VVD):Voorzitter. Het gaat meevallen, voorzitter, want het zwaartepunt voor mijzit vanmiddag bij Boek 6, waarbij ik meerdere amendementen hebingediend. Over Boek 3 en Boek 4 heb ik geen aanvullende vragen. Ik hebal antwoord gekregen van de regering op de vragen die ik had ingediendin de schriftelijke ronde. Dat is voor ons voor dit moment voldoende. Ikluister aandachtig naar het kabinet. De amendementen van collega Snellerzijn al geapprecieerd, maar ik ben nog steeds benieuwd naar de naderegedachtewisseling. Ik zie een nieuw amendement van uzelf, voorzitter, encollega Mutluer. Dat komt ook vanmiddag. Dan ben ik er; je hoeft immersde tijd niet onnodig vol te praten als je geen nuttige dingen te zeggenhebt.De voorzitter:U begon uw bijdrage met «het gaat meevallen», maar u kunt ook zeggen«het gaat tegenvallen», want we luisteren er altijd graag naar. Nee hoor,dat is gekheid. Overigens is één amendement van de heer Sneller volgensmij nog niet geapprecieerd, zeg ik even voor de administratie. Dit betrefthet amendement op stuk nr. 18. Daar gaan we het dus in ieder geval overhebben. Goed dat u het zo zegt, dank u wel.Dan gaan we luisteren naar mevrouw Mutluer namens GroenLinks-PvdA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 745 Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Ik heb ook een aantal punten die ik vandaag wilbenoemen, omdat Boek 3 en Boek 4 onderwerpen bevatten die bestbelangrijk zijn. Over het algemeen ben ik het eens met wat er in dezeboeken staat, maar er zijn een aantal punten die ik in navolging vancollega Van Nispen wil aanstippen.Ik begin met artikel 12 en de artikel 12-procedure. De nieuwe procedurewijkt in zoverre af van de oude dat er niet alleen geklaagd kan gaanworden over het niet-vervolgen maar ook over het niet-opsporen. Datlaatste wordt door het gerechtshof nu eigenlijk al toegelaten onder dewerking van artikel 12, maar dat neemt wat mij betreft niet weg dat hetgoed is dat het nu ook duidelijk in de wet komt te staan. Klagen in gevalvan niet-opsporen is met name voor de slachtoffers misschien nog welbelangrijker dan in geval van niet-vervolgen, want het kan vragenoproepen als er niet eens opgespoord wordt.Voor de rechtsgeschiedenis wil ik wel graag wat vragen stellen hierover.Mij is niet helemaal duidelijk wat het hof precies mag toetsen als erbesloten is om niet op te sporen of niet te vervolgen. In de memorie vantoelichting staat dat het hof net zoals nu het geval is een toetsing in volleomvang mag doen. Dat wil zeggen dat het gerechtshof de beslissingneemt die naar zijn oordeel door het OM had moeten worden genomen.Maar vervolgens gaat het in de memorie van toelichting over demarginale toetsing. De vraag waar het gerechtshof zich dan over moetbuigen, is of de officier van justitie in redelijkheid tot de genomenbeslissing om niet te vervolgen is gekomen. Er wordt gewezen op dekeuzes die het OM moet maken, soms ook gerelateerd aan politiekekeuzes die vanwege prioriteiten in de opsporing worden gemaakt. Daarzou in mijn beleving de rechter zich echt buiten moeten houden.Bovendien lijkt het erop dat de regering vindt dat alleen bij eenminderheid van ernstige zaken volledige toetsing nodig is; bij bijvoor-beeld burenruzies, vechtscheidingen, mishandeling over en weer enoplichting van goedgelovigen zou marginale toetsing volstaan. Ik wil datbeide bewindspersonen – ik weet even niet wie erover gaat ... Ik wil dat deStaatssecretaris toch even ingaat op deze marginale dan wel volletoetsing. Vindt hij dat het gerechtshof in veel gevallen meer dan alleenmarginaal toetst? Blijft het dan uiteindelijk wel aan het hof om de omvangvan die toets zelf te bepalen? Je moet ervoor waken dat ze in het politiekeslagveld terechtkomen.Dan een probleem waar we tegenaan lopen bij de toepassing van nu nogartikel 12: het duurt te lang voordat klagers een uitspraak krijgen. Er gaannu voor het eerst wettelijke termijnen gelden voor deze beklagprocedure.Dat is denk ik goed nieuws, maar wat is de stok achter de deur om ervoorte zorgen dat die termijnen gaan werken? Er is al sprake van eenschadevergoeding als de berechting niet binnen een redelijke termijnplaatsvindt, maar er wordt gesteld dat een klacht tegen het niet-vervolgenof niet-opsporen geen onderdeel is van de berechting. Ergens kan ik mijdaar iets bij voorstellen, omdat men ook verwijst naar artikel 6 van hetEVRM. Formeel klopt dat namelijk ook. Maar is dat niet een hele formalis-tische benadering? Hoe wordt de tijdige afdoening van zo’n klachtafgedwongen als er geen schadevergoeding mogelijk is? Voordat ik daareventueel zelf wat voorstellen voor indien, wil ik daar wel wat duide-lijkheid over.Dan de buitengerechtelijke afdoening van strafzaken. Per jaar wordenhonderdduizenden vervolgingsbeslissing genomen door officieren vanjustitie, politiemensen en boa’s. Het OM heeft al aangekondigd een pas opde plaats te willen maken wat betreft het vervolgen van kleine crimina-liteit. De ZSM en de strafbeschikking gaan dan sowieso veel meer aanbelang winnen. Daarnaast zijn er nog politiestrafbeschikkingen. Het gaatdan met name om de bonnen die op straat worden uitgedeeld. Er zijn dusveel soorten afdoeningsmogelijkheden, met verschillende werkwijzen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 746 Veel burgers zullen in eerste instantie geneigd zijn te proberen om zelf tebeoordelen wat ze moeten doen als ze een strafbeschikking hebbengekregen. Rechtsbijstand is niet altijd een vanzelfsprekendheid. Hetbetalen van zo’n beschikking kan zomaar betekenen dat je per ongelukafziet van het recht op verzet. Het kan zelfs een strafblad opleveren,waardoor je vog door je neus kan worden geboord. Daarom acht ik hetvan groot belang dat de regels en procedures rondom de buitengerechte-lijke afdoening voor iedereen helder zijn. Als iemand nu het nieuweWetboek van Strafvordering zou gaan bestuderen, zal het hem of haar nietsnel duidelijk worden hoe de afdoening van strafzaken werkt, welkerechten hij of zij heeft en wat de mogelijkheden zijn om in verzet tekomen. Mijn vraag is dan: waarom komt er niet één plaats waarin deprocedures rondom het aankondigen en uitvaardigen van strafbeschik-kingen helder en overzichtelijk onderscheiden en beschreven worden?Ook ik voel heel veel voor een AMvB waarin dat uitgebreid uitgewerktwordt, zonder dat het in beton gegoten hoeft te worden. Ik wil daar,volgens mij in navolging van een collega Sneller, ook antwoord op.Dan Boek 4. Met de beweging naar voren, waarmee moet worden gezorgddat een zaak als het ware panklaar op de zitting komt, lijkt verondersteld teworden dat in het vooronderzoek en de tussenfase na de procesinleiding,dus nog voor het onderzoek ter terechtzitting is, het merendeel van deonderzoekshandelingen gedaan is. Daarmee zou het onderzoek terterechtzitting als het ware ontlast worden. Maar de zittingsrechter kangetuigen en deskundigen met de nieuwe wet wel gemakkelijker terterechtzitting oproepen en horen. Dat is goed. De rechter moet immerszorgen voor waarheidsvinding en de compleetheid van het onderzoek.Daarbij moet hij op zoek gaan naar informatie die de tenlastelegging zoukunnen ontkrachten. Om tunnelvisie te voorkomen moet hij dus niet teveel meegaan in de visie van de officier van justitie. Mijn vraag iseigenlijk: wordt die beweging in de praktijk daadwerkelijk gemaakt als jehier verder over nadenkt? Wie zegt dat de zittingsrechter straks niet opdezelfde wijze blijft werken als nu? Er zal dan dus geen sprake zijn van hetontlasten van het onderzoek ter terechtzitting. Misschien kan de regerings-commissaris daar zelfs een reflectie op geven. Het is meer een gedachteen een kleine zorg die bij ons speelt, maar de praktijk zal het uitwijzen.Voorzitter. Dan mijn laatste onderwerp: de audiovisuele opnames indiverse stadia van het strafproces. Het is nieuw dat er ook van hetonderzoek ter terechtzitting geluids- en beeldopnames kunnen wordengemaakt. Er hoeft dan slechts een verkort proces-verbaal te wordenopgemaakt. Uit de evaluatie van de Innovatiewet blijkt dat het maken enuitwerken van opnames ter zitting eerder nadelen dan voordelen biedt.Dat is gek, want dat hadden we niet verwacht. De onderzoekers, derechters en het OM vroegen eigenlijk om daarmee te stoppen. Dat isinmiddels gebeurd. Ook de pilots met audiovisuele opnames in anderestadia van het strafproces laten nog weinig verbeteringen voor hetstrafproces zien. Wij zullen de gevolgen van de evaluatie van het Wetboekin een tweede aanvullingswet terugzien. Maar laat ik wel voorzichtigzeggen dat weinig er nu op duidt dat de audiovisuele registratie gaatbijdragen aan een toekomstbestendige of effectievere strafvordering. Datgeldt in ieder geval voor de opnames van het onderzoek ter terechtzitting.Mijn concrete vraag is: welke verwachtingen waren of zijn er ten aanzienvan deze audiovisuele registratie? Wat zou het op een lager pitje zettenvan deze registraties gaan betekenen voor de beoogde werklastverlagingen daarmee de verbetering van de prestaties van de strafrechtketen?Het opnemen van mensen kan natuurlijk ook een inbreuk betekenen ophun privacy. Als er al wordt doorgegaan met het maken, opslaan enbeschikbaar stellen van opnames van beeld en geluid, dan moet in mijnbeleving ook duidelijk worden gemaakt onder welke voorwaarden datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 747 gebeurt. Mijn vraag is: zijn de pilots nu al AVG-proof en wordt er aan hetprivacy-aspect expliciet aandacht gegeven in de tweede aanvullingswet?Voorzitter. Dat was mijn bijdrage.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Mutluer. Dan gaan we naar de heer Koops van NSC.De heer Koops (NSC):Dank u, meneer de voorzitter. Ook ik heb niet zo veel over Boek 3 en 4.Ook voor mij ligt het accent op de middag en met name op Boek 5. Ikbeperk mij dus tot een aantal opmerkingen over Boek 3 en 4, maar veel ishet niet. Inmiddels zult u van mij ook wel verwachten dat ik enigszinsspreek vanuit ervaringen uit de praktijk, want dat is nou eenmaal hetperspectief van waaruit ik kom.Het gaat mij in de allereerste plaats om wat nu voorlopig heet devoorlopige strafbeschikking. Strafbeschikkingen zijn een soort vanomstreden maar onmisbaar onderwerp in de strafrechtspleging vanaf hetbegin, vanaf het eerste voorstel ooit waarmee de strafbeschikking werdingevoerd. Dat is omdat het ergens halverwege een soort van rechterlijkoordeel ligt en juist niet een rechterlijk oordeel is, maar wel justitiële enstrafvorderlijke gegevens oplevert. Een van de dingen waar in de praktijkvaak tegenaan wordt gelopen, is de onmogelijkheid om een gedeelte vaneen straf, een sanctie die bij strafbeschikking wordt opgelegd, voorwaar-delijk op te leggen. Dat probleem is al eerder aan de orde geweest in hetwetgevingstraject hier, maar ik hecht eraan om het te benoemen. Het isheel simpel. Neem een bagateldelict: twee buurmannen krijgen ruzie opstraat en de ene slaat de andere een blauw oog. Mediation misluktvervolgens, maar ze zijn wel buren en ze moeten gewoon door. Dat is eensituatie waarin een strafbeschikking wordt opgelegd. De essentie isnatuurlijk dat je in zo’n geval niet zozeer de man die een blauw oog sloegheel zwaar wil straffen; je wil zorgen dat hij het nooit weer doet, want zewonen naast elkaar. Dat is bij uitstek een geval waarin je kan zeggen: ikwil graag dat een werkstraf wordt opgelegd van 30 uur, maar voorwaar-delijk. Dat is op dit moment niet mogelijk. Ik beschouw dat als een leemtein de huidige regeling. De vraag dringt zich op of wij met z’n allen moetenwachten tot 2029 voordat daar verandering in komt. Volgens mij is het zoklaar als een klontje dat een voorwaardelijke straf bij strafbeschikkinghartstikke nuttig is, nu meteen in de praktijk. De vraag is dus of hetinvoeren van een voorwaardelijke strafbeschikking naar voren kan wordengeschoven in de tijd, zodat we niet vijf jaar hoeven te wachten. Want ikdenk dat er onmiddellijk een heilzaam effect uitgaat van een voorwaarde-lijke strafbeschikking.Een tweede onderwerpje over Boek 3 betreft iets wat ook door collegaMutluer en collega Sneller zojuist al aan de orde is gesteld. Het betreft eenvorm van rechtsbescherming bij het seponeren van een zaak. Het is nueenmaal zo dat als iemand eerst ergens van wordt beschuldigd ofverdacht en daarna die verdenking, dat verwijt rimpelloos onder deoppervlakte verdwijnt, dat gevoelens van frustratie achterlaat, heel sterkook. Het is ons bekend dat er op dit moment onderzoek wordt gedaannaar de naleving van de regels voor het seponeren van een zaak door hetOpenbaar Ministerie. Maar de essentie is ... Ik kan niet de vinger leggenop hoe nu op dit moment in dit wetsvoorstel omgegaan wordt met eenvoorwaardelijk sepot of met een sepot nadat een verdenking is geformu-leerd. Is het mogelijk om daar uiteindelijk tegen op te komen buiten hetkader van een klacht tegen het Openbaar Ministerie bijvoorbeeld? Het isvervelend als het meteen de vorm krijgt van een klacht dat een officier vanjustitie iets niet goed gedaan heeft, omdat hij overging tot sepot. De vraagis: hoe krijgt dat nu concreet vorm? Hoe krijgt het opkomen tegen eensepot concreet vorm? We hebben afgelopen jaar ook weer een gevalgezien waarin men vrij publiekelijk ontevreden was over een geval waarinTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 748 men overgegaan was tot een sepot en toch vastgesteld wilde zien datiemand daadwerkelijk onschuldig is. Dat is een situatie waar we meeleven. Het levert frustratie op als je niet weet waarom er is overgegaan toteen sepot. De vraag is of daarop wordt ingegaan. En als blijkt dat in hetvoortraject, waar ik geen onderdeel van heb uitgemaakt, die vraag al isbeantwoord, dan verontschuldig ik mij. Maar ik kon het niet terugvindenin de eerdere nota’s naar aanleiding van het verslag en dergelijke.Vandaar dat de vraag nog steeds op tafel ligt hoe om te gaan metrechtsbescherming op het moment dat een zaak voorwaardelijk ofonvoorwaardelijk wordt geseponeerd.Daarmee kom ik toe aan Boek 4, over de berechting. We hebben het op deeerste dag van dit wetgevingsoverleg al gehad over de termijnwaarbinnen onderzoekswensen moeten worden opgegeven nadat deprocesinleiding tot stand is gekomen. Daar is een amendement overingediend. Ik wil herhalen dat ik dat van ganser harte ondersteun; dat isgewoon zo. Daarmee kom ik bij iets waarbij ik niet anders kan dan daar– hoe moet ik het zeggen – iets bij voelen. Ik wijs u op artikel 4.3.22 en4.3.23. Dat gaat over de inhoud van het eindvonnis. Dat gaat over deinhoud van de uitspraak door de rechter. Elke keer opnieuw is het voor deverdachte en de raadsman een gevoel van: vol verwachting klopt mijnhart; wat staat erin? En met name: hoe gaan ze om met de naar vorengebrachte verweren? Daar kan iedereen zich van alles bij voorstellen. Danvalt mijn oog nadrukkelijk op – dit moet ik even goed zeggen – de omgangmet uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. Het is mij bekend dat deregeringscommissaris bijna hoogstpersoonlijk de richtlijn heeft ingevoerdover hoe om te gaan met uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van deverdediging en welke eisen je daaraan kan stellen. Trouwhartig heb iksinds 2006 geprobeerd me daaraan te houden bij het formuleren van eenuitdrukkelijk onderbouwd standpunt. En niets is zo frustrerend als hetinnemen van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dus een gemoti-veerd verweer, dat niet besproken wordt door de rechter. En ik zie dat hierin artikel 4.3.22 en 4.3.23 de mogelijkheid nadrukkelijk open wordtgehouden dat pas bij de aanvulling op een vonnis alsnog ingegaan wordtop een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Ik zeg het maar gewoon: datstuit mij vooralsnog enigszins tegen de borst. Mijn vraag is dan ook of hetkabinet kan toelichten waarom dat nou absoluut noodzakelijk is. Als eenadvocaat namens zijn cliënt op de zitting aankomt met een serieusverweer, waarom zouden we dan een achterdeurtje openhouden voor derechter, zodat hij er niet onmiddellijk op hoeft te reageren, maar alleenmaar onder bepaalde omstandigheden, later, bij de aanvulling van eenvonnis, op het moment dat de partijen besluiten in hoger beroep te gaan?Waarom bestaat niet gewoon de algemene verplichting in te gaan opuitdrukkelijk onderbouwde standpunten? Het is al moeilijk om zo’nstandpunt in te nemen. Ik zou zeggen: het minste dat de rechter kan doen,is daar dan vervolgens ook expliciet en meteen bij eindvonnis opreageren. Dus dat is mijn vraag over dat onderwerpje. Dan kijk ik of ikhierbij nog iets anders over het hoofd heb gezien.De voorzitter:Maar voor u daartoe overgaat, heeft u eerst een interruptie van mevrouwMutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik heb meer een vraag. Het werd me even niet heel erg duidelijk wat hetstandpunt is van collega Koops als het gaat om de rechtsbescherming ingeval van voorwaardelijke strafbeschikkingen. Zou hij daar nog even zijnlicht op willen schijnen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 749 De heer Koops (NSC):Bij de voorwaardelijke strafbeschikking is nog steeds verzet mogelijk. Watmij betreft ligt het zo dat met die verzetsmogelijkheid voldoenderechtsbescherming wordt geboden. Ik heb heel goed gehoord wat het lidMutluer zojuist naar voren bracht over het hele fenomeen strafbe-schikking, maar ik heb zelf stellig het idee – vergeef me dat ik dit zo zeg –dat dat in de praktijk heel erg afhangt van de persoon die de strafbe-schikking oplegt. Die moet gewoon zorgvuldig zijn werk doen. Het lijkt mijdat er met de verzetsmogelijkheid voldoende waarborg is ingebouwdvoor de betrokken verdachte. Hij kan gewoon in verzet gaan. Daar heeft hijniet echt zin in. Daar ligt voor mij dus de hele nadruk op. Ik zie al dat dithet lid Mutluer niet overtuigt, maar dat is waarom ik er zelf niet opingegaan was, toen u het net naar voren bracht.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik heb daarover ook de nodige vragen gesteld. Wellicht kunnen we daar inde tweede termijn nog op terugkomen. Ik was even benieuwd vanwege depraktijk.De voorzitter:Dan kan de heer Koops vervolgen.De heer Koops (NSC):Een laatste opmerking over Boek 4 betreft de ZSM-werkwijze, dus dekleine, korte zaakjes waarbij onmiddellijk een beslissing wordt genomendoor de magistraat tot een wijze van afdoening. Daarbij dringt zich devraag op hoe een advocaat, in de summiere beslisvorming waar we hetover hebben, toch een rol kan spelen en of dat niet in dit Boek had moetenworden geregeld. Dat zie ik namelijk niet zo voor mij op dit moment. Ik zitheel concreet te denken aan de zaak waarin iemand wordt gearresteerd,een betekenis aflegt over het bagateldelict dat hij heeft begaan en waarinaan het eind van de dag wordt besloten dat meneer naar huis gaat meteen dagvaarding of met een sepot. Die beslissing kan amper of alleenmaar informeel worden beïnvloed door een advocaat. Het is knap lastigom de mensen gewoon te pakken te krijgen. Mijn vraag is dus: is hetkabinet het met mij eens dat hierin een rol voor een raadsman isweggelegd? Zo ja, wat zou die rol dan moeten zijn? Hoe komt het dat dieniet is ingebed in het nu voorliggende wetsvoorstel? Dat zijn mijn vragen.Daarmee kom ik aan het eind van Boeken 3 en 4.De voorzitter:Ik dank u wel. Ik wil de heer Valize vragen om tijdelijk het voorzitterschapover te nemen, zodat ik mijn bijdrage kan leveren en hij de orde kanbewaken.Voorzitter: ValizeDe voorzitter:Hartelijk dank, meneer Van Nispen. Ik aanvaard het voorzitterschap. Ikgeef graag het woord aan de heer Van Nispen, die spreekt namens de SP.De heer Van Nispen (SP):Dank u wel. Ik begin met Boek 3: de beslissingen over vervolging. Daarinis niet alleen de strafbeschikking geregeld, maar ook het achterwege latenvan vervolging of de mogelijkheid van beklag over het niet-opsporen ofniet-vervolgen van strafbare feiten. Wat ik toch niet onbenoemd wildelaten, ook al hebben collega’s het ook al gezegd, is dat het beroemdeartikel 12 straks niet meer bestaat. We moeten het dan doen metartikel 3.5.1 en verder. Dat wordt wel even wennen voor eenieder in depraktijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7410 Over de strafbeschikking heb ik wat meer inhoudelijke vragen. Die sluitenaan op wat collega’s daar ook al over hebben gezegd. Want de strafbe-schikking voldoet niet aan het traditionele plaatje van opsporing,vervolging en berechting, en aan de scheiding der machten. Eigenlijkhoort een straf wat mij betreft opgelegd te worden door de rechter, tenzijmensen actief schuld bekennen en akkoord gaan met de door het OMvoorgestelde straf. Maar een straf hoort eigenlijk niet door het bestuuropgelegd te worden. Het bestuursstrafrecht is al aardig uitgebreid.Eigenlijk hoort een straf wat ons betreft ook niet door het OM te wordenopgelegd. Het OM hoort na vervolging de zaak voor de rechter te brengen.Maar dat is in veel gevallen natuurlijk allang niet meer zo. DeOM-strafbeschikking heeft een behoorlijke vlucht genomen. Mijn vraagblijft toch – die wil ik toch vandaag gesteld hebben – of dat uit noodgeboren is omdat er te weinig capaciteit is, of dat er ook echt goede,inhoudelijke redenen zijn om de politie of het OM zelf zaken af te latendoen. Welke uitbreidingen beogen de bewindspersonen met dit Wetboekvan Strafvordering? En welke visie hebben zij op dit vraagstuk?Er is door wetenschappers op gewezen dat de wetgever er wel voor kiestom heel precies uit te schrijven welke procedure voor de rechter geldt enwat de weg daarnaartoe is, maar om minder precies uit te schrijven watde procedure voorafgaand aan de strafbeschikking is. Het is net niethelemaal vormvrij, maar het lijkt er wel een beetje op. Waarom is dat nou?Waarom is daarvoor gekozen? Sluit dit nou aan bij de ambitie om eenWetboek te maken dat de procedure inzichtelijk maakt? Wat kunnen we nunog precies op dit gebied verwachten in het aanvullende spoor, in de wetdie hierna nog volgt?Er waren inderdaad best wat tekortkomingen in de strafbeschikkingen. Deheer Sneller wees daar ook al op. Ik noem bijvoorbeeld de kwaliteit van dedossiervorming en de onderbouwing van de schuldvaststelling. Strafbe-schikkingen kunnen ingrijpende gevolgen hebben. Denk aan een strafblad,zoals het in de volksmond wordt genoemd. Maar voor mensen is vaak niethelemaal duidelijk dat dat zo is. De vraag is of en in welke mate hetWetboek van Strafvordering, of een daarop toegesneden AMvB, eenduidelijkere procesbeschrijving zou moeten bevatten van de verschillendewijzen waarop strafbeschikkingen in de praktijk zullen worden uitge-vaardigd. Zouden de procedures rondom het aankondigen en uitvaar-digen van strafbeschikkingen niet duidelijker onderscheiden enbeschreven moeten worden?Dat kan ook helpen om de rechtsbescherming te bevorderen, die nugebrekkig is. Als mensen de beleving hebben dat zij in een voor henbegrijpelijke en inzichtelijke procedure de kans hebben gehad om serieuste worden gehoord, dan zullen ze een «terechte» straf makkelijkeraccepteren en dus geen aanspraak maken op verdere procedures. Ookdaarvoor is een inzichtelijke regeling van belang, waarin bijvoorbeeld ookgeregeld is wanneer de verdachte kan beschikken over alle stukken, zoalsde uitwerking van het verslag van de hoorzitting of de opnames die zijngemaakt. Zouden we dit niet allemaal kunnen of moeten regelen in eenAMvB, al dan niet via de aanvullingswet? Graag een uitgebreide reactiehierop. Ik heb op dit punt ook een motie klaarliggen, mocht dat nodig zijn.Ik hoorde diverse collega’s hier ook over, dus we kijken hoe het gaat.De voorzitter:U heeft een interruptie van de heer Koops van Nieuw Sociaal Contract.De heer Koops (NSC):Meneer de voorzitter, misschien maak ik nu misbruik van het instrumentinterruptie. Ik hoorde de heer Van Nispen beginnen over artikel 12 en deopvolger daarvan, al zei hij daar niet zo heel veel over. Maar ik had daarnul over gezegd en ik wilde daar wel iets over zeggen, dus ik hoop dat datop deze manier alsnog mag. Maak ik er dan misbruik van?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7411 Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik zou het in een vraag gieten.De heer Koops (NSC):Mijn vraag aan het kabinet en de heer Van Nispen betreft artikel 3.5.1,over de rol van het gerechtshof bij het toetsen van de beslissingen van hetOpenbaar Ministerie, ook als die gaan over opsporing. Ik heb de volgendevraag. Onlangs heeft de Kamer een wetsvoorstel aangenomen dat ziet opeen strafverzwarende omstandigheid, namelijk het oogmerk vandiscriminatie bij het plegen van een commuun delict. Als je bijvoorbeeldeen steen gooit door de ruit van een islamitische slager of een joodsebakker, dan krijg je een zwaardere straf. Dat discriminerend oogmerk iseen bestanddeel dat wordt toegevoegd aan een commuun delict. Op hetmoment dat het slachtoffer van een dergelijk delict constateert dat er welvoor het commuun delict wordt vervolgd maar niet voor het oogmerk vandiscriminatie, kan hij daar dan over klagen, zowel in het kader van deopsporing als in het kader van de vervolging? De reden waarom ik dit zospecifiek aan de heer Van Nispen vraag, is omdat ik me goed kanvoorstellen dat een dergelijk oogmerk veel werk oplevert. Je moeterachter komen of het daadwerkelijk zo is gebeurd of dat die steen perongeluk door de ruit ging, dus zonder dat oogmerk. Dit was mijninterruptie.De voorzitter:Dank voor de heldere interruptie en de toelichting, want dit vergtnatuurlijk wel enige context.De heer Van Nispen (SP):Dit is een zeer interessante vraag. Ik zal er een uitgebreid en doorwrochtantwoord op geven. Nee hoor, dat is gekkigheid. Ik begrijp heel goed datde heer Koops deze relevante vraag stelt, naar aanleiding van wat ikerover zei. De heer Sneller merkte terecht op: na de wet-Timmermans/Bikker. Ik kan me niet herinneren of deze vraag daar ook expliciet aan deorde is gekomen, maar laten we kijken wat daarop het antwoord zal zijnvan de regering. Het is helemaal prima dat de heer Koops dit relevantepunt hier maakt.Ik vervolg mijn betoog. Ik had nog één vraag over de strafbeschikking, ookal is die eigenlijk al gesteld. Hoe wordt tegemoetgekomen aan degerechtvaardigde belangen van de slachtoffers, als er gekozen is voor eenstrafbeschikking? Is dat min of meer gelijkgesteld aan de rechten van hetslachtoffer in het geval er berecht wordt door een rechter? Dat zou wel zomoeten zijn, maar dat is volgens mij niet het geval. Het slachtoffer isimmers niet minder slachtoffer, afhankelijk van of er wordt gekozen vooreen strafbeschikking of voor berechting door een rechter. Het slachtofferheeft ook geen invloed op die keuze. Graag een reactie vanuit de regering– ik denk vanuit de Staatssecretaris – op de belangen van het slachtofferbij een strafbeschikking.Dat waren mijn opmerkingen over Boek 3. Ik kom nu op Boek 4, over deberechting. De bedoeling van de beoogde beweging naar voren is dat hetopsporingsonderzoek is afgerond en er voorafgaand aan de zitting meer isgedaan. Ook hier kan een beetje gesproken worden over het einde vaneen tijdperk. Ik zeg het gewoon nog een keer: het beroemde beslissings-model van artikel 348 en 350 uit het Wetboek van Strafvordering wordtvervangen door artikel 4.3.1 en 4.3.3. Ook dat is even wennen. Verder ishet natuurlijk vrij fundamenteel dat in het nieuwe Wetboek de rechterlijkeovertuiging als bewijscriterium voor veroordeling wordt vervangen doorhet criterium van «buiten redelijke twijfel». Het bewijs van schuld kanslechts worden aangenomen «als het buiten redelijke twijfel staat dat deverdachte het feit heeft begaan». Dat staat in artikel 4.3.7, lid 2. Deovertuiging is slechts nog een criterium dat wordt gerelateerd aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7412 vrijspraak, in negatieve zin, namelijk dat de rechter níet tot de overtuigingis gekomen dat de verdachte het feit heeft begaan. Ik vind zelf de bepalingmooi, en helder geformuleerd, maar hoe groot is deze wijziging nou voorde rechter, voor de praktijk? Daar ben ik benieuwd naar. Hoe schatten debewindspersonen dit in?In artikel 4.3.14 is voorgeschreven dat onrechtmatig verkregen bewijs«gewoon» kan bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde feit,tenzij het belang van een goede rechtsbedeling zich daartegen verzet.Maar wanneer is dat dan zo? Gaat er van een wat stevigere sanctie nietook een signaal uit richting de opsporing? Daar staat dus dat ze zichexpliciet aan de regels moet houden. Anders gezegd: welke boodschapgaat er uit van de bepaling dat onrechtmatig bewijs in principe wél magworden gebruikt? Graag een reactie.Dan nog over de vordering benadeelde partij, geregeld in titel 4.1. Ikbreng dat hier vandaag op, ook al is er bij andere gelegenheden ook, ofmisschien wel uitgebreider, op ingegaan. Dit is een langslependediscussie. Hoe gaan we hier nou mee om? Moet de schadevergoeding vanhet slachtoffer worden geregeld in het strafrecht, in het civiele recht ofmet een klapluikconstructie, als een soort deelbeslissing? Geldt dat alleenvoor eenvoudige voorzieningen? Wanneer is het dan eenvoudig? Hetloopt al heel lang. Misschien zijn wij te ongeduldig, maar wat ons betreftzit er nog niet voldoende voortgang in deze voor slachtoffers toch wel ergbelangrijke discussie. Hoe moet ik nou duiden wat hiervan in de wet isgekomen? Die vraag stel ik vandaag. Is dit nou toch niet een beetje deveilige weg? De reflectie op hoe het nu geregeld is, is in mijn ogen tochwel vrij gebrekkig. Wanneer kunnen we nadere voorstellen verwachten,echt geredeneerd vanuit de belangen en de behoeftes van het slachtoffer?Dan kort over de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregenvoordeel, titel 4.3. De SP en veel andere partijen hier hechten zeer aan hetafpakken van misdaadgeld van criminelen, want vrijwel alle criminaliteitdraait om geld. We hebben het er vorige week in het debat ook nog overgehad. De strijd tegen criminaliteit is wat ons betreft nog onvoldoende,maar deze wetswijziging is niet aangegrepen om die fundamenteler aan tepakken en ervoor te zorgen dat criminelen, steviger dan nu, wordengeplukt. Wanneer kunnen we dan wél nadere voorstellen verwachten? Ikzie ze vandaag namelijk nog niet.Tot slot over de procesafspraken. Dat is misschien ook iets waarvancollega’s zeggen: daar hebben we bij een andere gelegenheid al iets overgezegd. Ik doe dat hier, vandaag. Er is wel al aangekondigd dat dit bijaanvullingswet zal worden geregeld. Ze zitten niet in dit Boek. Maar hetstelt wel het bestaande systeem van Boek 4 ter discussie, het systeem datwe vandaag gaan vaststellen. Procesafspraken zijn afspraken tussen hetOM en de verdediging om de procedure te bespoedigen. Het systeem datwe vandaag gaan vastleggen in Boek 4, veronderstelt dat er steeds eenvolledig onderzoek ter terechtzitting plaatsvindt. Maar met procesaf-spraken is dat eigenlijk niet meer zo; het onderzoek ter terechtzitting wordtdaarmee eigenlijk uitgehold. Het wordt een soort rituele dans, zou jekunnen zeggen. De partijen hebben dan immers hun afspraken algemaakt, die de rechter alleen nog maar hoeft te bekrachtigen. Misschienoverdrijf ik nu een beetje, want de rechter hoeft daar niet in mee te gaan,maar zo zou je het wel kunnen zien. Hoe ziet de regering dit? Hoefundamenteel wordt deze wijziging van de procesafspraken? Op wat voorzaken gaat dit effect hebben? Worden de procesafspraken de uitzonderingof zijn ze juist voor veel zaken bedoeld? Wat is hiervoor precies derechtvaardiging? Kan het bijvoorbeeld ook zijn dat een rijk gewordencrimineel zijn misdaadgeld mag houden? Kan dat in de toekomstonderdeel zijn van de procesafspraken?De voorzitter:Meneer Van Nispen ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7413 De heer Van Nispen (SP):Als ik dit blok heel even afmaak, ben ik daarna klaar. Nogmaals, ook al zithet niet in Boek 4: we kunnen er volgens mij niet helemaal omheen. Is hetniet raar om dit apart te behandelen en straks eigenlijk vrij fundamenteelaf te gaan wijken van wat we nu met elkaar vastleggen in de wet?De voorzitter:Heel hartelijk dank voor uw bijdrage. U heeft een interruptie van de heerKoops van Nieuw Sociaal Contract.De heer Koops (NSC):Deze keer echt een verhelderende vraag. Hoe ziet het lid Van Nispen datde berechting wordt uitgehold, dus dat de inhoud van de inhoudelijkebehandeling wordt uitgehold, door het maken van voorafgaandeprocesafspraken? Zou hij daar nog een toelichting op kunnen geven?De heer Van Nispen (SP):Ik gebruikte het woord «uitgehold», maar toen ik het zei, wist ik al niethelemaal zeker of dat het goede woord was. Dank voor de vraag. Ikbedoelde er het volgende mee. Eigenlijk leggen we vandaag vast ... Er iseen beweging naar voren gemaakt, en vervolgens moet het gebeuren inde fase van de berechting, op zitting. Bij het maken van procesafsprakenis eigenlijk al heel veel van tevoren afgesproken – vanzelfsprekend is datniet in de openbaarheid gebeurd – tussen het Openbaar Ministerie en deverdediging. Dan vraag ik mij toch het volgende af. Dat wordt dan als eenpakket aan de rechter voorgelegd. Die kan er dan ja of nee tegen zeggen.Die kan er nog wat van vinden. Maar dat is toch wat anders dan hetvolledige onderzoek ter terechtzitting? Daarom gebruikte ik het woord«uitgehold». Nogmaals, ik weet niet of dat het goede woord is, maar datwas wel de reden dat ik dat op die manier ter discussie stelde.De voorzitter:U heeft daar toch nog een interruptie op van de heer Koops.De heer Koops (NSC):Kan ik daaruit afleiden dat het lid Van Nispen er een voorstander van isdat ook in het geval dat er procesafspraken zijn gemaakt, de bewijsmid-delen worden voorgehouden aan de betrokken verdachte? Kortom, ikbedoel dat de rechter aan de hand van de inhoud van het dossier zelf,hoogstpersoonlijk een oordeel gaat vellen over schuld en onschuld, en datdaar dan dus geen afspraak over kan worden gemaakt.De heer Van Nispen (SP):Ik ben geneigd te denken van wel, maar ik ben er gewoon nog niethelemaal over uit. Sowieso zeg ik hier heel eerlijk dat het hele fenomeenvan de procesafspraken een hele ingewikkelde discussie is. Er is al vaakveel over gezegd en geschreven. Nu bereiken ons ook verschillendegeluiden. Aan de ene kant denk ik: het is nu eenmaal de gegroeidepraktijk, dus het moet straks in het Wetboek, want dat dient de rechtsze-kerheid. Dan hebben we er ten minste een democratische legitimatie voor.Dat pleit ervoor om het wel in het Wetboek op te nemen. Aan de anderekant is er ook een beroep op ons gedaan waarbij werd gezegd «we zijn ernog niet helemaal klaar voor; het is zich nog aan het doorontwikkelen, duszit die ontwikkeling nou niet in de weg door het in het Wetboek op tenemen». Dat zijn twee tegengestelde geluiden.Maar dat was eigenlijk niet de vraag van de heer Koops. Hij zei: bij dezitting moeten die bewijsmiddelen ook aan de verdachte wordenvoorgehouden. Ik ben sowieso nog niet zo’n fan van het hele middel vandie procesafspraken. Ik weet dus nog niet helemaal wat ik daarvan moetvinden. Ik weet wel dat ik het onrechtvaardig zou vinden – dit was ook nietTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7414 de vraag, maar dit wilde ik hier vandaag wel vragen – als iemand zijnmisdaadgeld, wederrechtelijk verkregen voordeel, zou mogen houden.Wat mij betreft kan dat geen onderdeel van de procesafspraken zijn. Datzou voor mij in ieder geval een brug te ver zijn, net zoals de SP in hetverleden bij kroongetuigen ook vond dat een dergelijke afspraak niet aande orde kon zijn. Dat punt wilde ik vandaag wel alvast als schot voor deboeg meegeven, ook al weet ik dat die procesafspraken vandaag nog nietin het Wetboek zitten. Ik ben dus benieuwd wat de regering er vandaag alover gaat zeggen.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat ik de worsteling van de heer Van Nispen wel begrijp. Ik heb mein het verleden weleens positief uitgelaten over de procesafspraken– volgens mij was dat in interrupties bij de heer Ellian – omdat je daarmeewel de doorlooptijden zou kunnen verkorten. Maar ik ben het echt eensmet het gedachtegoed, de vraag of dat zich leent voor alle soortendossiers. Voor je het weet, heb je in de terechtzitting dan alleen een soortlege formele aangelegenheid, waarbij de rechter alleen de procesaf-spraken hoeft te zegenen. Dat willen we ook voorkomen, want wat doetdat uiteindelijk met de waarheidsvinding en de belangen van hetslachtoffer? Die volg ik dus. Eigenlijk gaf de heer Van Nispen aan heteinde van zijn betoog toch een soort antwoord. Nogmaals, ik denk dat wedie procesafspraken wel zouden moeten ontwikkelen. Maar moeten weniet gaan nadenken welke zaken zich daar wel beter voor lenen en welkeniet? Hoe dat er in de praktijk uit moet komen te zien, weet ik ook nog niet.Maar helemaal niks doen met die procesafspraken vind ik zelf ook ergmoeilijk. Het is dus zoeken naar een soort middenweg.De heer Van Nispen (SP):Dat denk ik ook, want ik zie het punt van de doorlooptijden natuurlijk ook.Dat is gewoon een megaprobleem. Die worsteling blijf ik wel houden.Volgens mij gaat het precies over wat mevrouw Mutluer zegt: over welkezaken gaat het en wat voor type afspraak mag het dan zijn? Wat is dangeoorloofd en wat niet? Daarom noemde ik bijvoorbeeld dat misdaadgeld.Volgens mij is dat iets wat we vandaag ook maar mee moeten geven. Ikhoop dat de heer Ellian nog komt met zijn punt over de mogelijkeklassenjustitie. Dat is namelijk ook nog een belangrijk element.De voorzitter:Dan krijgt u inderdaad nog een interruptie van de heer Ellian van de VVD.De heer Ellian (VVD):Meneer Van Nispen laat zien dat hij mij goed kent en ook langer danvandaag alleen. Het is namelijk precies zo dat ik het leuk vind om dit puntte maken. Want waarom begint een VVD’er over klassenjustitie? Exact! Ikzit helemaal niet zo diep in de materie in die zin dat ik de overweging vande Hoge Raad, waarin de randvoorwaarden worden meegegeven, niet uitmijn hoofd ken. Omdat ik de georganiseerde criminaliteit goed volg, weetik wel precies welke afspraken er met een paar grote jongens gemaaktzijn. Daar heb ik vragen over gesteld aan de Minister. Die komen allemaaluit één specifiek samenwerkingsverband, namelijk dat van Ridouan Taghi.De heer Van Nispen had het net over het ontnomen voordeel. Nou zit daareen kerel tussen die, laten we even zeggen, 2.500 kilo cocaïne voor deinternationale handel had. Ik doe het even heel globaal. Laten we zeggendat die minimaal 100 miljoen daaraan verdiend kan hebben. Dan moet hij1 miljoen betalen. Die jongen, voor wie ik geen enkel begrip heb, liet zichlenen om mee te helpen aan een liquidatie en heeft dus waarschijnlijk zijngeld niet gehad, want hij is aangehouden en het slachtoffer is helaas ...Nou ja, het is verschrikkelijk wat er gebeurd is. Hoe zit het dan met diepersoon? Komt die nou wel of niet in aanmerking voor procesafspraken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7415 Tot op heden niet. Herkent collega Van Nispen dat dit toch wel een beetjeriekt naar een vreemde vorm van klassenjustitie, waarbij de grote jongenshelemaal geen geld wordt ontnomen?De heer Van Nispen (SP):De heer Ellian stelde mij deze vraag eerder, toen ik bij de justitiebegrotingeen vrij uitgebreid pleidooi hield tegen klassenjusititie. Ik gaf zelf allerleivoorbeelden en toen voegde de heer Ellian het element van de procesaf-spraken daaraan toe. Daar ben ik hem nog steeds dankbaar voor, want ikdacht toen: ja, dat is nog een voorbeeld van hoe het inderdaad mis kangaan. Ik denk dat dat mij, deels onbewust misschien, heeft geïnspireerdom vandaag precies het punt van het misdaadgeld te maken. Het isnamelijk gewoon immoreel dat mensen het met ernstige criminaliteitverdiende misdaadgeld mogen houden, omdat er te weinig capaciteit is,gelet op de totaal uit de hand gelopen georganiseerde criminaliteit, omhet netjes op te sporen, te vervolgen en te berechten, zoals dat eigenlijkhoort. De lange doorlooptijden, die ik echt zie, kunnen als gevolg hebbendat mensen hun misdaadgeld mogen houden. Dat kan niet en dat moetenwe met elkaar volgens mij niet goed gaan vinden. Nogmaals, ik zeg nietdat we nooit moeten nadenken over procesafspraken en daar absoluutniet aan moeten beginnen. Daar ben ik nog niet helemaal over uit. Maardit is volgens mij wel een duidelijk grens die we moeten trekken, zodat ditniet leidt tot bepaalde vormen van klassenjustitie. Dat ben ik dus zeer metu eens.De voorzitter:Ik dank u voor uw inbreng. Ik zie verder geen leden die nog willeninterrumperen. Dan draag ik het voorzitterschap weer over aan de heerVan Nispen van de SP.Voorzitter: Van NispenDe voorzitter:Dank u wel, meneer Valize. U had het nog drukker dan ikzelf tijdens hetvoorzitterschap.Door de regering is aangegeven dat zij behoefte heeft aan een schorsingvan ongeveer 35 minuten. Dan kunnen wij om 11.30 uur weer beginnen.Dank daarvoor.Ik hecht er toch aan om even te zeggen wat voor vandaag het spoorboekjeis. Voor mensen die bijvoorbeeld standaard om 12.00 uur of om 12.30 uurlunchen: dat gaat vandaag niet lukken, want dat is zonde van de tijd. Hoehet precies gaat lopen weet ik nog niet, maar ik raad mensen die andersgaan omvallen aan om misschien alvast licht te lunchen. En dan doen wedat in de schorsing tussen de twee wetgevingsoverleggen wellicht nogeen keer. Hoe laat het wordt, laat zich moeilijk inschatten, maar houd udaar rekening mee. Ik doe een beroep op uw flexibiliteit.Dank u wel. We zien elkaar weer terug om 11.30 uur.De vergadering wordt van 10.56 uur tot 11.30 uur geschorst.De voorzitter:Goedemorgen. Welkom terug. Wij zijn toegekomen aan de eerste termijnvan de beantwoording door het kabinet. Het kabinet bepaalt zelf wie welkevragen beantwoordt. Dat gaat altijd naadloos. We beginnen met hetantwoord van de Minister van Justitie en Veiligheid.Minister Van Weel:Dank, voorzitter. Dank aan de leden. Het is goed om hier weer samen tezijn. Inmiddels is het de derde bijeenkomst over het nieuwe Wetboek vanStrafvordering. Ik verexcuseer mij meteen voor de middagsessie, wantTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7416 dan liggen de vragen echt hoofdzakelijk op het terrein van de Staatssecre-taris. Maar u zult mij volgende week weer terugzien, mocht u daar prijs opstellen.U heeft nog een antwoord tegoed op vragen uit de vorige sessie. De heerSneller refereerde daar al aan. Daarop ga ik in voordat ik begin met deantwoorden over Boek 3.De eerste vraag van de heer Sneller ging over de schadevergoeding bijonterechte voorlopige hechtenis. Gevraagd werd wat in 2024 de kostenwaren van de achteraf bezien onterecht gebleken toepassing vanvoorlopige hechtenis. Op basis van de indicatieve cijfers van de recht-spraak kan ik melden dat deze schadevergoeding in 2024 zo’n 4.245 keer istoegewezen. Dat was in totaal voor een bedrag van 8,9 miljoen euro. Als udat snel uitrekent, blijkt dat dit € 2.090 per geval is.De tweede vraag waarop de heer Sneller nog een antwoord tegoed had,ging over de doelgroep verdachten in voorlopige hechtenis. De vraag wasof de strafbare feiten waarvan deze verdachten worden verdacht,zwaarder zijn geworden. Ik heb dit nagevraagd bij de Raad voor derechtspraak. Die liet mij weten dat dit helaas niet kan worden achterhaaldop basis van de beschikbare cijfers.Dan wil ik nu beginnen aan de vragen die vandaag zijn gesteld overBoek 3 en vervolgens aan de vragen over Boek 4. Ik begin met destrafbeschikking in Boek 3. Ik zal een heel korte algemene inleiding gevenin antwoord op de vraag van de heer Sneller, maar ook van anderen. Metuw toestemming, voorzitter, zal ik daarna het woord geven aan deregeringscommissaris voor een wat meer algemene beschouwing overhet fenomeen strafbeschikking.De buitengerechtelijke afdoening van strafzaken is geen nieuw fenomeen.Sinds jaar en dag kennen we al de transactie en het voorwaardelijk sepot.Sinds de Wet OM-afdoening van 2008 is daar de bevoegdheid bijgekomen om een strafbeschikking uit te vaardigen. Met de invoering vande strafbeschikking wil de wetgever tegemoetkomen aan de stijgendebehoefte aan rechtshandhaving, maar ook voorzien in een beterejuridische inbedding van de buitengerechtelijke afdoening. Inmiddels is destrafbeschikking niet meer weg te denken. De inzet is noodzakelijk omgrotere aantallen lichtere strafbare feiten te kunnen afdoen. Maar vangroot belang is dat toegang tot de rechter altijd mogelijk is door hetinstellen van verzet tegen de strafbeschikking.De eerste vaststellingswet, waar we het vandaag over hebben, bevat geenuitbreiding van de bevoegdheid om strafbeschikkingen uit te vaardigen.Wel worden in de eerste aanvullingswet een aantal voorstellen gedaanom de regeling te verbeteren. Het gaat dan vooral om de mogelijkheid omin een strafbeschikking ook voorwaardelijke straffen op te leggen. Ik komdaar nog nader op terug, zeg ik tegen de heer Koops. Daarmee wordt eenevenwichtige benutting van de rechterlijke capaciteit nog beter gefacili-teerd; lichtere feiten kunnen zelfstandig door het OM worden afgedaanmet een voorwaardelijke straf, terwijl zwaardere zaken aan de rechterkunnen worden voorgelegd.Ik heb nog meer specifieke vragen van u gekregen, maar ik wil graag eerstde regeringscommissaris het woord geven over de strafbeschikking alszodanig.De heer Knigge:Dank u wel. De heer Van Nispen stelde de vraag of de strafbeschikking uitnood is geboren. Is het een lelijk eendje dat we moeten accepteren omdathet niet anders kan? Dat is een hele interessante vraag. Het uitgangspuntis dat we in de rechterlijke macht altijd een beperkte capaciteit en beperktefinanciële middelen hebben. In die zin zou je van nood kunnen spreken.Dat is, denk ik, een gegeven. Daar blijf je mee zitten, hoeveel geld u er ookin zou willen stoppen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7417 Dan is vervolgens de vraag: wat is een evenwichtige en verantwoordebesteding van de beperkte capaciteit en beperkte middelen? Aan hetnieuwe Wetboek van Strafvordering ligt uitdrukkelijk het uitgangspunt tengrondslag van rechtsbescherming op maat. Dat betekent dat je decapaciteit moet inzetten waar de behoefte aan rechtsbescherming hetgrootst is. Uit die gedachte komt dit voort. Zware zaken moeten zeerzorgvuldig behandeld moeten worden door een kamer die uit drierechters bestaat en waar optimale rechtsbescherming wordt geboden. Jehebt een tussencategorie zaken die door een politierechter in eenenkelvoudige kamer kunnen worden afgedaan. Ten slotte heb je eenaantal zaken waarin het Openbaar Ministerie de straf op kan leggen. Datkomt dus voort uit het idee dat het wat rechtsbescherming betreft eenonsje minder kan bij lichte zaken in tegenstelling tot heel uitdrukkelijkzware zaken.Die gedachte is ook uitdrukkelijk aanvaard door het Europees Hof voor deRechten van de Mens. Deze vorm van strafrechtelijke afdoening isaanvaard, mits er maar beroep op de rechter openstaat. De verdachte diehet niet eens is met de strafoplegging door het Openbaar Ministerie moetzich tot de rechter kunnen wenden. Het Europees Hof heeft daarbijuitdrukkelijk aangegeven dat het legitieme doel van deze wijze vanafdoening juist is om verstopping van het hele rechterlijke systeem tevoorkomen en dus te voorkomen dat je juist zware zaken niet de aandachtkan geven die ze behoeven.Dus ja, in die zin zou je kunnen zeggen dat het uit nood geboren is. Het iseen natuurgegeven dat de capaciteit van het rechterlijke apparaat beperktis. In principiële zin wordt daarmee beoogd om zware zaken de aandachtte geven die ze verdienen.De voorzitter:Er is een vraag van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Ik probeer een technische vraag te stellen. In de Wet OM-afdoening stond«tot zes jaar», volgens de wet. In de praktijk zie je de beweging omzwaardere delicten daar ook onder te brengen. Mijn indruk is dat derechtsbescherming op maat ook zou vragen dat de rechtsbescherming alshet ware meegroeit met die praktijk. Toch zie ik daar in de wettekst hetlogisch complement van niet terug. Kan de regeringscommissaris nog ietsmeer zeggen over hoe die afweging tot stand is gekomen?De heer Knigge:Ik ben blij dat u mij dat vraagt, want ik vergat dat element uit mijn betooguit te spreken. De grens van zes jaar is niet nieuw. De grens van zes jaargold ook al voor de transactie. Dus die grens voor buitengerechtelijkeafdoening is niet veranderd. Ik zou juist zeggen dat de strafbeschikkingmeer rechtsbescherming biedt dan de transactie, want de strafbeschikkingvereist dat het OM een schuldoordeel geeft. Het OM moet zelf het dossierbekijken en mag alleen een strafbeschikking uitvaardigen als naar zijnoordeel het bewijs van het strafbare feit geleverd is. Dat was bij detransactie niet zo, want dat was het afkopen van de vervolging. Niet dathet de praktijk was, maar daarover zou je makkelijker kunnen zeggen: alsu betaalt, dan zijn we beiden tevreden, dus we zoeken de zaak verder nietuit. Maar ook zo’n transactie kwam wel degelijk op het strafblad terecht. Ikdenk dus dat de strafbeschikking uiteindelijk de rechtsbescherming juistten goede komt als je die vergelijkt met de transactie.De heer Sneller (D66):Dan is mijn relatieve onervarenheid een voordeel en een nadeel. Ik bekijkhet meer vanuit het perspectief dat de Wet OM-afdoening t=0 is. Als wekijken naar wat er is gebeurd sinds de invoering van die wet en naar hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7418 type delicten waar het College van pg’s aan denkt, zoals ik citeerde, danzie je volgens mij juist dat er in de praktijk steeds zwaardere delicten bijworden ondergebracht. Ik weet dat het in formele zin niks wijzigt aan destrafbeschikking, maar er kunnen zo meteen lichtere delicten voor depolitierechter worden gebracht dan door een OM-strafbeschikking kunnenworden afgedaan. Is de rechtsbescherming vanuit die twee perspectieven,dus een vergelijking in de tijd sinds 2008 en een vergelijking met depolitierechter, ook op maat?De heer Knigge:Een verschil is wel dat bij de politierechter zaken worden behandeldwaarvoor gevangenisstraffen kunnen worden opgelegd. Dat is bij destafbeschikking uitdrukkelijk niet het geval. Vrijheidsbenemende sanctieszijn niet mogelijk in het spoor van de strafbeschikking. Daarvoor moet jeecht bij de rechter zijn. Dat is een belangrijk verschil. Ik kan niet beamendat er in de loop van de tijd, dus sinds de invoering van strafbeschikkingin 2007, in de praktijk zwaardere zaken zijn ondergebracht. Het zoukunnen, maar ik kan het ontkennen noch bevestigen. Over meer rechtsbe-scherming wil ik nog het volgende zeggen. De gang naar de rechter staataltijd open. Meer rechtsbescherming zit vooral in de voorlichting die deverdachte gegeven wordt als een strafbeschikking wordt uitgevaardigd. Ermoet helder zijn dat de weg naar de rechter altijd openstaat, dat destrafbeschikking niet onmiddellijk betaald hoeft te worden en dat men zichvan rechtsbijstand kan voorzien. Dat zijn belangrijke waarborgen, die aanhet instrument van de strafbeschikking als zodanig niets afdoen.Minister Van Weel:Laat me daar nog een paar woorden aan wijden. Het OM heeft inderdaadrecent intern aangekondigd om veelvoorkomende misdrijven waaropmaximaal zes jaar gevangenisstraf staat, vaker met een strafbeschikkingaf te gaan doen. Ik wil dat dat zorgvuldig gebeurt, met het oog op degevolgen voor bijvoorbeeld het slachtoffer. Ook zal het OM zich daarbijvanzelfsprekend moeten houden aan de geldende wet- en regelgeving.Daar zijn we over in gesprek. Maar nu het hier gaat om het beleid van hetOM, over de wijze waarop de strafbeschikking in de praktijk wordttoegepast, ligt het niet voor de hand om dat in een AMvB vast te leggen.Het kabinet vindt het wel van groot belang om de toepassing van destrafbeschikking in de praktijk scherp te blijven volgen. Daarom is in hetregeerprogramma ook aangekondigd dat de ervaringen met de inzet vande OM-strafbeschikking worden onderzocht. Na afronding van ditonderzoek door het WODC – we verwachten dat dat begin 2026 zal zijn –komen wij met een reactie met daarin de mogelijke vervolgstappen.De heer Sneller (D66):Heel kort, hoor. Het wordt dus intern nieuw beleid, als ik de Minister goedbegrijp. Het gaat mij er niet om dat de regering het interne beleid moetvastleggen. Maar zou de procedure van totstandkoming, zoals die ook bijaanwijzingen natuurlijk wat meer met waarborgen omkleed is, dan ookniet voor dit soort dingen in de rede liggen?Minister Van Weel:Het gaat hier om de wijze waarop het OM de ruimte die het heeft vervat inde interne richtlijnen voor hoe daarmee om te gaan. Dat is echt aan hetOM. Als zij zeggen «bepaalde veelvoorkomende misdrijven willen we daargraag onderbrengen», dan staat dat los van de waarborgen die deprocedure als zodanig moet bevatten. Ik ben het dus wel met u eens datwe in algemene zin – daar komen we bij de eerste aanvullingswet ookover te spreken – wel meer kaders en handvatten moeten hebben. Maardat staat los van wat het OM kan doen binnen de speelruimte die het zelfal heeft gekregen. Dan gaat het erom: hoe zet ik mijn apparaat in?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7419 De heer Sneller (D66):Maar het gaat ook om de volgende vragen. Hoe maak ik dat kenbaar?Maak ik het niet kenbaar? Stem ik het af met de Minister? Deelt deMinister dat met de Kamer? Ik doel meer op de procedurele waarborgen,dus niet alleen maar voor de totstandkoming, maar ook voor decommunicatie.Minister Van Weel:Ik hoor «volgend blaadje» van mijn ondersteuning. Ik ga kijken of dat zois, zeg ik tegen de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Heel goed.Minister Van Weel:Het volgende blaadje gaat over de vraag ... Het is een hele lange vraag. Devraag is waar en hoe we de procedures vastleggen. Daar hadden nietalleen de heer Sneller en mevrouw Mutluer vragen over, maar ook deheer Van Nispen. Voor de burger moet natuurlijk heel duidelijk zijn welkeprocedures gelden ten aanzien van het uitvaardigen en aankondigen vaneen strafbeschikking. Maar ik ben van oordeel dat het niet nodig ofopportuun is om de regeling in het Wetboek te verduidelijken, of dieprocedures als geheel in de wet of in de AMvB op te nemen. Net als in hethuidige Wetboek, is in het nieuwe Wetboek het uitgangspunt dat de kernvan een strafvorderlijke normering in de wet wordt vastgelegd en dat deuitwerking daarvan in lagere regelgeving, zoals in een algemenemaatregel van bestuur, wordt vastgelegd. Dat uitgangspunt geldt ookvoor het uitvaardigen en aankondigen van strafbeschikkingen. Dewettelijke regeling in hoofdstuk 3 van Boek 3 bevat de kern van denormering. Daarnaast bevat die regeling ook enkele delegatiegrond-slagen, bijvoorbeeld als het gaat om de bevoegdheid van opsporingsamb-tenaren om voor bepaalde zaken een zogenoemde politiestrafbeschikkinguit te vaardigen. Nadere regels voor de politiestrafbeschikking zijnopgenomen in het Besluit OM-afdoening. De afdoening met eenOM-strafbeschikking is hoofdzakelijk geregeld in de OM-beleidsregels.In dit besluit en in deze beleidsregels zijn de feiten en tarieven, dus degeldboetes, voor deze vormen van afdoening bepaald. Zowel dit besluitals deze beleidsregels – daar komt-ie! – zijn gepubliceerd in deStaatscourant en zijn dus voor iedereen toegankelijk. Ik wil welbenadrukken dat er geen signalen bekend zijn dat deze procedures doorburgers als onduidelijk worden ervaren of in de praktijk niet goed zoudenwerken. Voor de burger is het vooral van belang dat hij duidelijkeinformatie ontvangt over de geconstateerde gedraging, de te betalengeldboete, de termijn waarbinnen moet worden betaald en het rechts-middel dat kan worden ingesteld. Dit is in de huidige praktijk al gewaar-borgd. Het aanpassen van het bestaande stelsel van het geautomatiseerden feitgecodeerd afdoen van grote aantallen lichte strafbare feiten zal naarverwachting omvangrijke uitvoeringsconsequenties meebrengen, terwijldit stelsel op dit moment in de praktijk goed functioneert.De heer Sneller (D66):Dan heb ik nog een laatste korte vraag. Zijn de OM-beleidsregels ietsanders dan de interne werkinstructies die de Minister net noemde? Hoeverhoudt zich dat dan tot de gedachte dat het voor de burger helder moetzijn in welke gevallen het wordt opgelegd, als er inderdaad wijzigingenplaatsvinden in het beleid?Minister Van Weel:Op de eerste vraag is het antwoord ja. Dan de tweede vraag. Die wordengepubliceerd in de Staatscourant. Daarmee zou het naar mijn meningTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7420 duidelijk moeten zijn. Bovendien wordt het bij het opleggen van destrafbeschikking ook inzichtelijk gemaakt. Maar misschien begrijp ik uwvraag niet helemaal goed.De heer Sneller (D66):Het is voor mij ook zoeken. De Minister zegt dat de interne regels zijnaangepast. Dat zijn niet de regels die gepubliceerd worden. In hetantwoord, dat verder helder is, heel netjes, wordt verwezen naar iets watin de Staatscourant staat. Dat is publiek; dat snap ik. Dan kan je als burgerweten: dat is redelijk; dat kan er gebeuren. Dan kunnen wij als Kamer ookvolgen wat er gebeurt. Maar bij die interne kant is dat niet het geval,terwijl dat in de praktijk natuurlijk ook wel bepaalt in welke gevallen zo’nstrafbeschikking wordt toegepast door het Openbaar Ministerie.Minister Van Weel:Dan snap ik de vraag, maar dan moet ik daar later even op terugkomen,om de simpele reden dat ik niet weet in hoeverre de interne specificatiedie onlangs is gedaan, zich vertaalt in nieuwe beleidsregels of past binnende beleidsregels zoals die al zijn gepubliceerd in de Staatscourant. In datlaatste geval is het antwoord nee. Dan is uw vraag: wordt de burgerdaarover ingelicht en zo ja, hoe dan? Dat weet ik niet; dat zou ik moetennagaan. Als het eerste het geval zou zijn, zou het makkelijker zijn. Erdruppelt nu van alles binnen, maar daar ga ik u nu niet mee vermoeien. Ikkom daar later uitgebreider op terug.Dan kom ik op de vraag van de heer Koops; ik refereerde er al aan in mijninleiding. In de praktijk wordt ertegenaan gelopen dat een deel van desanctie niet voorwaardelijk kan worden opgelegd met een strafbe-schikking. Moeten we wel wachten tot 2029 voordat hier verandering inkomt? De introductie van de voorwaardelijke strafbeschikking is, zoals deheer Koops natuurlijk weet, onderdeel van de eerste aanvullingswet. Hetstreven is om die in Q1 van dit jaar voor advies naar de Raad van State tezenden. Het is mij ook bekend dat het voor het Openbaar Ministerie vangroot belang is dat de regeling wordt uitgebreid met de mogelijkheid omvoorwaardelijke straffen op te leggen. Die mogelijkheid wordt nu zeergemist. Met de voorwaardelijke strafbeschikking kan het OpenbaarMinisterie meer maatwerk leveren en kan de schaarse zittingscapaciteitnog beter worden benut. In de eerste aanvullingswet wordt hierinvoorzien. De officier van justitie krijgt de mogelijkheid om een geldboete,taakstraf of rijontzetting voorwaardelijk op te leggen. Dat betekentinderdaad dat de voorwaardelijke strafbeschikking pas bij de inwerking-treding van het nieuwe Wetboek in 2029 kan worden toegepast. Eeneerdere toepassing ervan zou alleen mogelijk zijn door deze mogelijkheidnog in het huidige Wetboek op te nemen. Daarvan is afgezien omdat hetvoor het OM bezwaarlijk zou zijn om binnen enkele jaren de systemen enwerkprocessen tweemaal te wijzigen. De invoering van de voorwaarde-lijke strafbeschikking zal namelijk een grote impact hebben op hetzaaksysteem van het OM.De heer Koops (NSC):Wat is het zaaksysteem? Ik heb geen idee.Minister Van Weel:Nu lieg ik waarschijnlijk in commissie, maar ik ga ervan uit dat dit hetIT-systeem is waarin de zaken van het OM worden bijgehouden. Daar zouje dan aanpassingen in moeten doen. Dat vereist inspanningen, zowel inpersonele als in materiële zin.De heer Koops (NSC):Ik vind het moeilijk voorstelbaar dat een aanpassing van dat ICT-systeemvoor de registratie van voorwaardelijke straffen zo heel erg ingewikkeldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7421 zou zijn. Dat wil ik nu alvast opgemerkt hebben. Ik vind vijf jaar wel heelveel als iedereen nu al dringend vraagt om precies het vullen van dezeleemte in de wet, maar ik zal me beraden of ik daar consequenties aanmoet verbinden.De voorzitter:De Minister.Minister Van Weel:Dank, voorzitter. Dan was de vraag of het nu mogelijk is om tegen devoorwaardelijke sepotbeslissing en de daarbij gehanteerde sepotcode opte komen en zo ja, hoe; dit tegen de achtergrond van het recente rapportvan de Nationale ombudsman. Dat was een vraag van de heer Koops envan de heer Sneller. Wat betreft de vraag hoe klachten over de toepassingvan sepotcodes in de huidige klachtprocedure worden afgehandeld, zeg ikhet volgende. De verdachte die van een sepotbeslissing in kennis wordtgesteld wordt daarbij ook geïnformeerd over de gehanteerde sepotcode,de sepotgrond, met de motivering daarvan. Die sepotcodes, bijvoorbeeld01, «ten onrechte als verdachte aangemerkt», of 40, «gering feit», zijnvastgelegd in een gepubliceerde OM-beleidsregel. Die heet: Aanwijzingsepot en gebruik sepotgronden. Een gewezen verdachte die het niet eensis met de codering of het sepot zelf kan op grond van hoofdstuk 9 van deAlgemene wet bestuursrecht een klacht indienen bij de hoofdofficier vanjustitie van het desbetreffende parket. In de genoemde Aanwijzing sepoten gebruik sepotgronden wordt expliciet op die klachtmogelijkheidgewezen. Tegen het oordeel van de hoofdofficier van justitie kanvervolgens een klacht worden ingediend bij de Nationale ombudsman.Vooralsnog bestaan er geen voornemens om voor gewezen verdachteneen nieuw rechtsmiddel of een nieuwe wettelijke klachtenprocedure teintroduceren tegen de beslissing van de officier van justitie om, al danniet voorwaardelijk, af te zien van vervolging en de daarbij gehanteerdesepotgrond. Maar de procureur-generaal bij de Hoge Raad verricht op ditmoment onderzoek naar de sepotpraktijk, waaronder het gebruik van desepotgronden. Dit onderzoek wordt naar verwachting dit voorjaarafgerond. Tegelijkertijd onderzoekt het Openbaar Ministerie zelf of in depraktijk verbeteringen kunnen worden doorgevoerd bij het seponeren vanstrafzaken. Waar dit ziet op de behandeling van klachten over toegekendesepotcodes is het College van procureurs-generaal ook in gesprek met deNationale ombudsman. Na afronding van al deze vernoemde onderzoekenzal worden bezien of er maatregelen noodzakelijk zijn, en zo ja, welke, omde behandeling van klachten over voorwaardelijk sepot te verbeteren.De heer Sneller (D66):Dank voor dat antwoord. Het lastige aan dit antwoord is dat het klinkt alshet antwoord dat de vorige Minister mij eind ’22 gaf, in reactie op eenonderzoek van de Nationale ombudsman. Dat kan deze Minister absoluutniet helpen, alleen qua escalatieladder denk je op een gegeven moment:is het traject van de praktische werkwijzeverbetering afgelopen?«Afgelopen» bedoel ik dan in de zin van «uitgenut». Dan moet je toch eenkeer kijken of je een wettelijke regeling gaat doen. Wanneer komt nou hetmoment om te zeggen dat we daar wel een ander rechtsmiddel nodighebben, in plaats van dat we er alleen maar op vertrouwen dat ze er ingoed overleg uit komen en dat de interne werkwijze wordt aangepast?Minister Van Weel:Wat mij betreft is het punt daarvoor de uitkomst van het onderzoek van deprocureur-generaal, want dat vormt een natuurlijk ijkmoment. Dat zou ikook zo willen houden, naast de bevindingen van het OM als het gaat omde eigen klachtenprocedure. Dan is de vraag nog: moeten we dieklachtenprocedure aanpassen? Leidt dat tot een werkwijze die meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7422 bevredigend is voor alle partijen? Of moet er inderdaad een nieuwrechtsmiddel komen? Maar dat is de vraag die ik op dat moment zouwillen beantwoorden.Dat brengt mij bij procesafspraken. We hebben daar natuurlijk in eerderesessies ook al kort bij stilgestaan, dus ik zal dat hier niet heel uitvoerigdoen. We komen daar natuurlijk ook nog uitgebreid over te spreken naaraanleiding van de eerste aanvullingswet, die een regeling zal bevattenover de procesafspraken. De eerste vaststellingswet bevat deze regelingnog niet, omdat op het moment dat deze wet bij de Raad van State werdvoorgelegd voor advies nog niet was besloten om in het nieuwe Wetboekeen regeling van procesafspraken op te nemen. Maar de regeling vanprocesafspraken zal, nadat zij via de eerste aanvullingswet aan uw Kameris voorgelegd, onderdeel uitmaken van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering, dat in 2029 in werking treedt. Omdat we op dit momentnog bezig zijn met de verwerking van de consultatieadviezen, kan ik nogniet vertellen hoe die regeling er precies uit zal gaan zien. Ik moet eerlijkzeggen dat ik de inbreng van de leden in de eerste termijn ook zalbetrekken in die consultatiefase, want het is duidelijk dat we gezamenlijkproberen te komen tot een middel dat ons dient, waarbij we alle voors entegens hebben afgewogen.Ik kan u wel alvast zeggen dat de wettelijke regeling aansluit bij de kadersdie de Hoge Raad heeft gesteld, want zoals bekend zijn procesafsprakenbinnen de kaders die de Hoge Raad heeft gesteld nu al mogelijk. Ook in dewettelijke regeling die in de eerste aanvullingswet wordt voorgesteld,behoudt de rechter zijn zelfstandige verantwoordelijkheid voor debehandeling en de beoordeling van de strafzaak. Dat betekent concreetdat de rechter ervoor zorg draagt dat wordt voldaan aan de wettelijkeregeling over de berechting en de eisen van een eerlijk proces, conformartikel 6 van het EVRM, en dat hij beslissingen kan nemen die dusafwijken van de gemaakte procesafspraken. De voorgestelde regeling zaldus geen afbreuk doen aan de wenselijke waarborgen rondom deberechting.De heer Ellian (VVD):Dit debat zal op enig moment hier gevoerd moeten worden, als dieaanvullingswet hier ligt, dus het is weinig nuttig om dat debat nu reeds opvoorhand te voeren. Maar ik wil de Minister wel een richting meegeven,waarvan ik vind dat die juist hem in zijn hoedanigheid als Minister vanJustitie en Veiligheid zal passen, ook indachtig wat de regeringscommis-saris net zo mooi verwoordde. Het is een natuurlijk feit dat er een gebrekis aan capaciteit bij de rechtspraak. Dat is een soort natuurlijk gegeven,waarmee we het te doen hebben. Er is ook een principieel punt, namelijkdat je wilt dat de zwaarste zaken behandeld worden. Deze twee uitgangs-punten komen bij uitstek met elkaar in botsing bij de procesafspraken. Wezien uiteraard allemaal dat ook de grotere strafzaken in alle facetten eenbelasting vormen voor het OM, vanwege de veiligheid van officieren totaan de zittingscapaciteit en de beveiliging; bedenk het maar. Aan deandere kan zijn het wel de zwaarste zaken. Ook al wordt er in veelgevallen, bijvoorbeeld rond internationale drugshandelaren, geen moordof doodslag of het leidinggeven aan een criminele organisatie ten lastegelegd, het gaat wel om duizenden kilo’s drugs die vaak aantoonbaarverhandeld zijn. Is de Minister bereid om in de fase die nu nog voor onsligt dit dilemma uitdrukkelijk mee te nemen? Het is natuurlijk een feit datde zittende en staande magistratuur het heel druk hebben, dus dit is eenefficiënte manier om het te doen. En ja, je hebt ook het principiële punt:wij willen dat deze mensen volledig voor de rechter komen en ookgewoon de straf krijgen zoals geïndiceerd in alle aanwijzingen in hetWetboek van Strafvordering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7423 Minister Van Weel:Het korte antwoord is ja. Natuurlijk zullen wij dat betrekken bij dezeconsultatiefase en bij het wetsvoorstel waarover wij komen te spreken. Ikzie die dilemma’s vanzelfsprekend ook.Dat brengt mij bij het laatste onderwerp. Ik kondig alvast aan, wellicht totverrassing van de heer Ellian, dat ik zijn amendement op stuk nr. 25 hier algraag zou willen appreciëren.Het laatste onderwerp is voordeelsontneming. Waarom is er in hetwetsvoorstel niet voor gekozen om dat meer fundamenteel aan te pakken,zodat criminelen steviger dan nu kunnen worden geplukt? Wanneerkunnen we anders nadere voorstellen verwachten? De doelstellingen vanhet nieuwe Wetboek dragen in algemene zin bij aan de kwaliteit van hetstrafproces en aan verkorting van de doorlooptijden. Ik denk dan aan hetdoel om zaken beter voorbereid voor de rechter te brengen, aangeduid als«de beweging naar voren» en aan het doel om een digitaal strafproces tefaciliteren. Deze algemene doelstellingen zijn ook gunstig voor deafhandeling van ontnemingszaken.Het nieuwe Wetboek bevat ook enkele technische verbeteringen in deprocedure van ontnemingszaken, bijvoorbeeld in Boek 4, waardoorontnemingszaken ook gevoegd met een strafzaak kunnen wordenbehandeld. Ik ben het wel eens met de heer Van Nispen dat dit geenfundamentele veranderingen zijn in de regeling van voordeelsontneming.Die gaan er wel komen, maar dat staat los van dit wetgevingstraject. Ikdoel daarbij hoofdzakelijk op het wetsvoorstel dat het mogelijk gaatmaken om crimineel vermogen af te pakken zonder een daaraan vooraf-gaande veroordeling, de zogenaamde non conviction based confiscation.Dit wetsvoorstel implementeert de Europese Confiscatierichtlijn, en kannaar verwachting dit voorjaar al in consultatie worden gegeven.Dit zit om vier redenen in een afzonderlijk traject. De eerste reden is dathet implementatiewetsvoorstel ook de afpaksancties in het Wetboek vanStrafrecht wijzigt. Dat traject van het nieuwe Wetboek van Strafvorderingis niet bedoeld voor inhoudelijke wijzigingen in het Wetboek vanStrafrecht. De tweede reden is dat de beoogde datum van inwerking-treding van het nieuwe Wetboek van Strafvordering 1 april 2029 is. Ik wildaar niet op wachten voor het verbeteren van de aanpak vanmisdaadgeld; dat moet eerder. De derde reden is dat het ook moet van deConfiscatierichtlijn, want die moet in november 2026 zijn geïmplemen-teerd. De laatste reden is dat de implementatie van de richtlijn in eenafzonderlijk wetsvoorstel moet plaatsvinden. Je mag een nieuwe richtlijnniet implementeren in een wetsvoorstel dat ook geheel andere onder-werpen bevat. Dat zou niet passen bij de nationale kop. Wanneer hetimplementatiewetsvoorstel is ingevoerd, wordt de inhoud bij aanvul-lingswet ook naar het nieuwe Wetboek van Strafvordering overgeheveld.Uiteindelijk landt het hier dus alsnog, maar dan via die separate route. Datis het traject voor ontneming.Dan kom ik op de appreciatie van het amendement op stuk nr. 25, van deheer Ellian. Het amendement zoals het nu voorligt, wordt door mijontraden, maar met een aanpassing – ik zal toelichten waarom dietechnische aanpassing wat ons betreft noodzakelijk is – zou ik ditamendement wel oordeel Kamer kunnen geven. Ik licht het toe. Het heeftbetrekking op verschillende bevoegdheden rond ontneming van weder-rechtelijk verkregen voordeel, en brengt wijzigingen aan in de Boeken 2, 4en 6. Daarom behandel ik het nu hier, omdat het ook betrekking heeft opBoek 4. Het amendement bevat eigenlijk vier onderdelen, namelijk: wijzingvan artikel 2.7.19, wijziging van artikel 4.4.16, wijziging van artikel 6.5.9 enwijziging van artikel 6.5.11. De kern is dat in al deze artikelen de geldboe-tecategorie wordt verlaagd van de vijfde naar de vierde categorie, met alsdoel de bevoegdheden voor ontneming ruimer te maken. Artikel 2.7.19betreft het leggen van conservatoir beslag tot bewaring van het recht vanverhaal voor een op te leggen ontnemingsmaatregel. Hiervoor is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7424 machtiging van de rechter-commissaris nodig. De gedachte van hetverlagen van de boetecategorie zodat dit beslag ook mogelijk wordt alshet gaat om een licht misdrijf waarmee wel veel geld is verdiend, spreektmij zeer aan. Daarbij doet het criterium van de hoogte van de boetecate-gorie eigenlijk geen recht aan de rechtvaardiging van het conservatoirebeslag, namelijk het feit dat er veel wederrechtelijk voordeel kan zijnverkregen. Ik zou dan ook goed kunnen leven met de voorgesteldeverlaging tot de vierde boetecategorie, mits daaraan in artikel 2.7.19vervolgens wordt gekoppeld het criterium dat met het misdrijf op geldwaardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen.Het criterium van het op geld waardeerbaar voordeel van enig belanggeldt al voor de toepassing van de artikelen 6.5.9 en 6.5.11. Hier gaat hetom bevoegdheden rond de vaststelling van wederrechtelijk verkregenvoordeel. Artikel 4.4.16 heeft betrekking op het gebruik van de wettelijkebewijsvermoedens, dus dat er wordt vermoed dat de uitgaven die deverdachte heeft gedaan in de periode van zes jaar voorafgaande aan hetbegaan van het misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel vormen. Dezebewijsvermoedens zijn gebonden aan de regeling voor de oplegging vande ontnemingsmaatregel in het Wetboek van Strafrecht. Inhoudelijkeaanpassing van de regeling in het Wetboek van Strafrecht is vandaagechter niet aan de orde. Daarom kan ik niet meegaan in het voorstel omook voor artikel 4.4.16 de boetecategorie te verlagen tot de vierdecategorie.Ik kan me voorstellen dat dit een lange appreciatie is, dus ik zal u die metplezier ook schriftelijk doen toekomen.Kort en goed: de verlaging van de boetecategorie voor artikel 4.4.16 isgebonden aan de regeling Wetboek van Strafrecht. Dat is vandaag nietaan de orde, dus deze aanpassing moet ik ontraden. Maar ik zou welakkoord kunnen gaan met de verlaging van de boetecategorie voorartikel 2.7.19, artikel 6.5.9 en artikel 6.5.11. Wat betreft artikel 2.7.19 moeter dan wel bij dat met het misdrijf op geld waardeerbaar voordeel vanenig belang kan zijn verkregen. Als het amendement in deze richting kanworden aangepast, kan ik het oordeel Kamer geven.De voorzitter:Dank u wel. Ik ben benieuw of de heer Ellian zich hierop had voorbereiden nu meteen kan zeggen «ja, ik ga dat zo doen» of dat hij het even moetlaten bezinken. Maar dat laat ik aan de heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Voor alle amendementen geldt dat ik het moet laten bezinken, maar dat ikde hulp die we krijgen van de zijde van het kabinet erg waardeer. Met eenheleboel voorstellen ben ik op zich best genegen om mee te gaan; dezemoet ik even laten bezinken. Uiteraard begrijp ik het in het licht van eenzorgvuldige wetgevingsbehandeling. Er ligt immers geen wijziging vanhet Wetboek van Strafrecht voor en ook de Raad van State heeft zich erniet over kunnen buigen. Ik begrijp het op zich dus best. Aan de anderekant zijn er volgens mij ook wel andere amendementen waarbij een kleinstukje van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd wordt. Volgens deMinister moet bij artikel 4.4.16 de regeling in het Wetboek van Strafrechtdus ook worden gewijzigd. Is dat een echt heel majeure wijziging of zou jehet kunnen zien als een wijziging in de sfeer van de techniek? Dat maaktvoor mij namelijk nogal een verschil.De voorzitter:De regeringscommissaris.De heer Knigge:Ik zou zeggen dat dat een majeure wijziging is. De regeling staat nu in zijngeheel in artikel 36e, lid 3 van het Wetboek van Strafrecht. Daar gaat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7425 om het ontnemen van voordeel dat door andere feiten is verkregen danwaarvoor de verdachte is veroordeeld. Het is een hele stap dat je voordeelgaat ontnemen voor andere feiten. Omdat het zo’n hele stap is, is hetdestijds uitdrukkelijke door de wetgever gekoppeld aan een boetecate-gorie van de vijfde categorie. Het moet dus om ernstige zaken gaan. Hetbewijsvermoeden is helemaal gericht op de vraag of er door anderestrafbare feiten voordeel is verkregen. Dat is dus een bewijsvermoedendat niet los verkrijgbaar is, dat je niet kunt toepassen als het gaat omvoordeel dat verkregen is uit het feit dat de verdachte heeft begaan of uitsoortgelijke misdrijven; het is specifiek gericht op voordeel verkregen uitandere strafbare feiten. Als je die sanctie wil verruimen, is dat niet zomaareen technische wijziging, maar een stap met grote politieke conse-quenties. Die wijziging is dus niet technisch, maar een afwijking van eenstandpunt dat de wetgever destijds uitdrukkelijk heeft ingenomen.De voorzitter:Dat zet de heer Ellian aan het denken. Die gaat daar dus al dan niet meeaan de slag.Minister Van Weel:Dat brengt me bij het einde van de vragen die aan mij zijn gesteld, met deopmerking dat ik in deze termijn hopelijk nog terug kan komen op deantwoorden die ik de heer Sneller schuldig was, over deOM-beleidsregels.De voorzitter:Dank u wel. Er is net aangeboden om het inhoudelijke advies – dat wasnamelijk technisch – op het amendement van de heer Ellian op schrift tezetten. Als dat in het kader van ambtelijke bijstand is, kan dat natuurlijk viade gebruikelijke weg. Als voorzitter van deze commissie zou ik wel willenvragen om op enig moment schriftelijk een nieuwe of definitieveappreciatie te geven op eventuele gewijzigde amendementen, zodat wijook een helder overzicht hebben van de stand van zaken. Voorafgaandaan de plenaire behandeling kan daar wellicht een zinnig moment voorzijn. Volgens mij is het goed als we daar een vorm voor vinden. Heeft deheer Sneller daar nog een aanvulling op?De heer Sneller (D66):Ja, want dingen die nu ingewikkeld klinken, kunnen we straks ookteruglezen. Er zijn namelijk fantastische stenografen die verslagen voorons maken.De voorzitter:Zo is dat, maar het gaat mij om de vraag of eventuele gewijzigdeamendementen daar volgens de regering wel of niet aan tegemoetkomen.We zien niet wat er in ambtelijke bijstand gebeurt. Het is dus goed als datop enig moment wel in een openbare brief kan landen. Het is fijn als wedie afspraak kunnen maken. Dan gaan we naar de Staatssecretaris voor debeantwoording.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Ik houd de volgorde Boek 3 en daarna Boek 4 aan. Ik begin bijBoek 3, met een vraag van mevrouw Mutluer inzake het behandelen vanbeklag tegen niet-opsporen en niet-vervolgen. Het betreft met name devraag of er dan geen volle toetsing door het hof gewenst zou zijn. Ik kanmevrouw Mutluer geruststellen dat de gerechtshoven de mogelijkheidbehouden om in beklagzaken de haalbaarheid en de opportuniteit vanvervolging in volle omvang te toetsen. In de toelichting op hetwetsvoorstel is aangegeven dat in de meeste zaken een terughoudendetoetsing zal volstaan. Dit uitgangspunt betekent dat het hof beoordeelt ofTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7426 de officier van justitie in het gegeven geval in redelijkheid tot de genomenbeslissing heeft kunnen komen. Echter, aan het gerechtshof is uitdrukkelijkruimte gelaten om in bijzondere gevallen de haalbaarheid en de opportu-niteit van de vervolging indringend en daarmee volledig te toetsen. Dieafweging is aan het hof. Daarmee is verzekerd dat de beklagregeling haarcontrolefunctie ten volle kan vervullen en dat alle betrokken individuelebelangen bij opsporing of vervolging van strafbare feiten op effectievewijze kunnen worden beschermd.Een andere vraag van mevrouw Mutluer betrof de termijnen in het kadervan wat nu de artikel 12-procedure wordt genoemd. Ter versnelling van debeklagprocedure stelt de nieuwe beklagregeling inderdaad termijnen voorde verschillende procesfasen. In de praktijk blijkt de tijd die verstrijkt voorhet uitbrengen van advies door het Openbaar Ministerie, een belangrijkeoorzaak te zijn van de langere duur van de beklagprocedure in sommigezaken, vooral als het nodig is om aanvullende informatie op te vragen bijde betrokken opsporingsdienst. Daarom bevat de nieuwe beklagregelingook voorschriften voor tijdige informatievoorziening door de opsporings-diensten, zodat er vroegtijdig in dossiervorming wordt voorzien en er zoveel mogelijk kan worden voorkomen dat het Openbaar Ministerie of hetgerechtshof later in de beklagprocedure nadere informatie moetopvragen.Daartoe is in het kader van de genoemde voorprocedure bij beklag tegenniet-opsporen een specifiek voorschrift geïntroduceerd dat de betrokkenopsporingsdiensten ertoe verplicht om de officier van justitie tijdig tevoorzien van de informatie die deze nodig heeft om binnen de termijn vanzes weken een beslissing te nemen over de ingediende klacht tegenniet-opsporen. Dat is artikel 3.5.1, tweede lid. Bij elkaar genomen zullendeze maatregelen naar verwachting kunnen bijdragen aan een verkortingvan de doorlooptijden van beklagzaken. Ik wijs er verder nog op dat derechtbanken en de gerechtshoven ieder een eigen klachtenregelinghebben. Op basis daarvan kan degene die vindt dat een gerecht hem ofhaar niet correct heeft behandeld, een klacht indienen, bijvoorbeeld overde tijdsduur van de klachtprocedure in een concreet geval. Overigens ishet aantal klachten dat ziet op de doorlooptijd van een klachtprocedurezeer gering. Tegen deze achtergrond is er geen aanleiding om hetopenstellen van de schadevergoedingsmogelijkheid in een beklagpro-cedure nader te bezien.Dan kom ik op de vraag ...Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik meen mij te herinneren dat het ook een van de kritiekpunten was van dewetenschappers, de universiteiten die naar dit onderdeel van het Wetboekvan Strafvordering hebben gekeken, namelijk dat het best wel gek is dater geen sanctie is verbonden aan het niet voldoen aan de tijdelijkeafdoening van een klacht. Ik hoor de Staatssecretaris wel een aantalwaarborgen geven, maar dan nog voelt het niet helemaal goed. Het is welbelangrijk dat die klacht tijdig wordt afgedaan, ook al is het OM afhankelijk– zo hoor ik de Staatssecretaris zeggen – van de informatie die het daartoeverkrijgt. Mijn vraag is ... Eigenlijk is het meer ontevredenheid. Ik beneigenlijk best ontevreden over het antwoord dat is gegeven. Ik benzoekende naar hoe we dit wel eventueel kunnen afdwingen. Maar goed, ikleg het maar even neer, want ik kan hier even niet zo heel veel mee.Staatssecretaris Struycken:Meer in het algemeen hebben we in een eerder overleg al gesproken overvoorschriftregels, gedragsregels zonder dat daar een directe sanctietegenover staat. In het algemeen is de vraag wat je met de regeling wilbereiken. Het primaire doel van dit soort regelingen is om een kader tescheppen waarin de strafvorderingsprocedure versneld of verbeterdwordt doorlopen in de verschillende stadia daarvan. De vraag is natuurlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7427 ook: wat voor soort sanctie zou dat dan moeten kunnen zijn? Hetantwoord daarop vind ik in het algemeen niet evident en in dit geval zekerook niet. De intentie van het kabinet is primair om door een beter kader alte komen tot betere resultaten.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik ga hier even over nadenken, misschien zelfs voor het plenaire debat.Misschien kom ik met een amendement, omdat ik denk dat we toch eenstok achter de deur moeten hebben om ervoor te zorgen dat die termijnengaan werken.De voorzitter:De Staatssecretaris. U mag ook uw beantwoording continueren.Staatssecretaris Struycken:Ik kom op de vraag van de heer Koops die de rol van de raadsman bij deZSM-werkwijze betreft. Aangehouden verdachten wier zaak met eenstrafbeschikking wordt afgedaan, krijgen recht op kosteloze rechtsbijstandvoorafgaand aan uitvaardiging van de strafbeschikking ... Ik had moetenzeggen: dit betreft dus het kader van een strafbeschikking, een anderonderwerp dan beklag. Ik kom nu dus op de strafbeschikking. Nogmaals,ik herneem. Aangehouden verdachten wier zaak met een strafbeschikkingwordt afgedaan, krijgen recht op kosteloze rechtsbijstand voorafgaandaan uitvaardiging van de strafbeschikking. Dit is in aanvulling op dekosteloze rechtsbijstand die aangehouden verdachten op dit moment alkrijgen voorafgaand en tijdens het politieverhoor. Daarnaast krijgenverdachten van een misdrijf, verdachten die zich in vrijheid bevinden enwier zaak met een strafbeschikking wordt afgedaan, wettelijk recht op eenkosteloos gesprek met een raadsman na de uitvaardiging van eenstrafbeschikking. Dit geldt ook bij de ZSM-werkwijze. Dit is nu al staandepraktijk en dit wordt nu verankerd in de wet via het wetsvoorstelVersterking rechtsbijstand in het strafproces. Dit wetsvoorstel is afgelopenvrijdag in de ministerraad geaccordeerd en wordt deze week naar de Raadvan State gestuurd voor advies. Dit wordt dus in het huidige Wetboek algeregeld en hoeft niet te wachten op inwerkingtreding van het nieuweWetboek in 2029.De heer Van Nispen stelde ook een vraag in verband met de strafbe-schikking en met name de belangen van slachtoffers. Ik stel voorop dat deofficier van justitie bij de afdoening met een strafbeschikking allerelevante belangen betrekt. Behalve de ernst van het feit en de persoonvan de verdachte weegt de officier van justitie ook de belangen vanslachtoffers nadrukkelijk mee. Dit is ook in lijn met het beginsel datstrafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doet aan de belangenvan het slachtoffer. Dat beginsel is neergelegd in artikel 1.1.4.Als de zaak wordt afgedaan met een strafbeschikking kan de officier vanjustitie in de strafbeschikking de schadevergoedingsmaatregel opleggen,waarbij ook de voorschotregeling van toepassing is. De slachtofferrechtendie zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van Boek 1 zijn ook van toepassing in destrafbeschikkingsprocedure. Voor het spreekrecht geldt op grond vanartikel 1.5.8 dat het slachtoffer dat recht alleen op de terechtzitting kanuitoefenen. Wel geldt er een contra-indicatie voor de afdoening vanernstige spreekrechtwaardige feiten met een strafbeschikking, als hetslachtoffer zijn spreekrecht wenst uit te oefenen. Daarnaast wordt hetslachtoffer expliciet gewezen op de mogelijkheid om een schriftelijkeslachtofferverklaring in te dienen, ook als de zaak met een strafbe-schikking zou worden afgedaan. Met zo’n verklaring kan de officier vanjustitie bij het afdoen van de strafbeschikking nog beter rekening houdenmet de belangen van het slachtoffer. Tot slot wijst de officier van justitiehet slachtoffer uitdrukkelijk op de mogelijkheid om tegen de afdoeningmet een strafbeschikking beklag in te dienen bij het gerechtshof. Al met alTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7428 wordt bij het uitvaardigen van een strafbeschikking op deze wijze rechtgedaan aan de rechten en de belangen van de slachtoffers. De heer Koopsvroeg of dit afdoende is. Naar de inschatting van het kabinet is het dat opdit moment wel, zij het dat het uiteindelijk ook sterk afhangt van de matewaarin uitvoering wordt gegeven aan deze regelingen.De heer Koops bracht nog een punt op, in het kader van het beklag tegenhet niet instellen van strafvordering. Hij wees namelijk op het initiatief-voorstel van de leden Timmermans en Bikker, dat op dit momentaanhangig is in de Eerste Kamer, inzake het oogmerk van discriminatie alsstrafverhogende factor bij een commuun delict. Zijn vraag was: kan hetslachtoffer zich beklagen als dat discriminatoire oogmerk niet onderdeelvormt van de vervolging, maar wel van het commune delict? Hetantwoord is: ja. De reden is dat de rechtstreeks belanghebbende ookbeklag kan indienen als de belanghebbende van mening is dat hetOpenbaar Ministerie voor een zwaarder delict vervolging had moeteninstellen. Die situatie doet zich dan dus voor, want het discriminatoireoogmerk dat het genoemde wetsvoorstel introduceert, is een algemenestrafverzwaringsgrond. Is deze verzwaringsgrond van toepassing, dan iser sprake van een zwaarder delict en wordt het strafmaximum verhoogd.Deze analyse is in lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad.Tot zover mijn antwoorden met betrekking tot Boek 3. Dan kom ik nu opmijn antwoorden met betrekking tot Boek 4. De heer Valize van de PVVsprak zijn zorgen uit over de vraag of de procesinleiding niet totvertraging leidt. Dit is een onderdeel van de beweging naar voren. Ik deelde zorgen niet en ik verwacht niet dat de procesinleiding als zodanig zorgtvoor meer vertraging. De zittingsrechter krijgt, nadat de procesinleiding isingediend, de kans om de inhoudelijke behandeling van de strafzaak betervoor te bereiden. De zittingsrechter kan regie voeren op de planning enhet verloop daarvan. Dit bevordert de kwaliteit van de berechting en hetvoorkomt onnodige aanhoudingen. Dit is een belangrijk element. Zowordt bijgedragen aan een vlotte procesgang. De nieuwe werkwijze kanop termijn dus juist achterstanden terugdringen of voorkomen. Andersgezegd: de tijd die aan de voorkant dus wordt geïnvesteerd met debeweging naar voren, wordt later teruggewonnen door een kwalitatiefgoed voorbereide strafzitting, die zonder aanhouding kan wordenafgedaan.Mevrouw Mutluer stelde ook een vraag over de beweging naar voren,namelijk of die in de praktijk ook daadwerkelijk gemaakt kan worden, inhet licht van de mogelijkheid die de zittingsrechter heeft om deskundigenen getuigen nog op zitting te horen. Ik stel voorop dat het ook nu al nietvanzelfsprekend is dat getuigen worden opgeroepen om te wordenverhoord tijdens de zitting. Getuigen worden vaak al gehoord in hetvoorbereidend onderzoek. Op de zitting wordt dan de inhoud van deverklaring besproken, zonder dat de getuige aanwezig is en opnieuw eenverklaring aflegt. Deze bestaande procescultuur wordt bestendigd met debeweging naar voren en de weerslag ervan op de nieuwe wet. Dus in hetalgemeen wordt een getuige die in het vooronderzoek is verhoord inaanwezigheid van de verdachte, niet nogmaals opgeroepen voor verhoorop de zitting. Maar het is wel zo dat de zittingsrechter alles kán doen wathem noodzakelijk voorkomt met het oog op een behoorlijke behandelingvan de zaak. Als de rechter dat wil, kan hij ook zonder verzoek van deverdachte of zonder vordering van de officier van justitie de oproepingvan een getuige bevelen. Daar kunnen bijzondere redenen voor zijn, ookom een getuige nogmaals op te roepen als die al is gehoord, bijvoorbeeldomdat er nieuwe feiten bekend zijn geworden die aanleiding geven om debetreffende getuige nogmaals te ondervragen.Er kan ook een aanleiding zijn om de getuige nogmaals op te roepen voorde zitting als de verdachte bij het eerdere verhoor niet in de gelegenheidis gesteld om het ondervragingsrecht uit te oefenen met betrekking toteen getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Als hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7429 oproepen van een getuige noodzakelijk is om het ondervragingsrecht teverwezenlijken, dan zal de rechter dat doen, ook als het verzoek pas op dezitting wordt gedaan. Maar nogmaals, ook nu maakt de rechter veelvuldiggebruik van de resultaten uit het vooronderzoek. De verwachting is nietdat de nieuwe regeling zal leiden tot het veelvuldig herhalen vanonderzoekshandelingen, zoals het horen van getuigen.De heer Sneller stelde de vraag welke druk er in het proces zit voordat deprocesinleiding wordt uitgebracht om ervoor te zorgen dat de stukkenkunnen worden gedeeld. Zijn opmerking betreft in feite het amendementop stuk nr. 15. Dat is al besproken en geapprecieerd in het eerstewetgevingsoverleg.Hij verzoekt thans duidelijkheid over de vraag hoe het nu zit met deverstrekking van processtukken voorafgaand aan het indienen van deprocesinleiding. Inderdaad, op het moment dat de procesinleiding wordtingediend, moet de verdachte over het volledige procesdossier kunnenbeschikken, op grond van artikel 4.1.1, lid 5. De officier van justitie moethem de processtukken uit eigen beweging verstrekken. Maar daarvoormoeten ook al processtukken aan de verdediging ter beschikking wordengesteld. Ik zet dit wat uitvoeriger uiteen, omdat dit een belangrijk elementis van de beweging naar voren en de bestaande zorgen hierover.Het eerste punt dat ik opmerk, is dat de kennisneming van de proces-stukken op verzoek van de verdachte wordt toegestaan vanaf het eersteverhoor, op basis van artikel 1.8.6, lid 1. De officier van justitie kan deverdachte in die fase processtukken alleen tijdelijk onthouden als dat inhet belang van het onderzoek is, op grond van artikel 1.8.6, lid 2. Als deverdachte voorlopig is gehecht, moet de officier van justitie hem en derechter-commissaris na drie maanden een overzicht geven van de standvan zaken van het opsporingsonderzoek. De officier van justitie moet erdan zorg voor dragen dat de verdachte kan kennisnemen van debeschikbare processtukken, op basis van artikel 2.10.64, lid 2. Die stukkenmoeten hem dus actief ter beschikking worden gesteld. Het indienen vande procesinleiding vormt dus een kantelpunt, in die zin dat vanaf datmoment álle processtukken aan de verdachte ter beschikking moetenworden gesteld, zonder dat dit hem kan worden geweigerd. Maar ookdaarvoor moet de verstrekking van processtukken al op verschillendemomenten plaatsvinden, zij het dat dan nog de mogelijkheid bestaat omde verdachte bepaalde processtukken te onthouden, indien dat in hetbelang is van het op dat moment nog lopende opsporingsonderzoek. Ikbenadruk daarbij dat het wetsvoorstel op geen enkel moment minderwaarborgen biedt als het gaat om het verstrekken van processtukken aande verdachte. Het zijn er eerder meer dan in het huidige recht.De heer Sneller stelde de vraag of er overleg is geweest met de NOvA metbetrekking tot de misverstanden die in het eerste wetgevingsoverleg doormij tot uitdrukking zijn gebracht. Mijn ministerie heeft regelmatig overlegmet de NOvA, ook thans. Het punt over de vermeende misverstanden zalworden opgebracht bij het volgende overleg. Daarbij zal wordentoegelicht waarom wij menen dat dit voorstel geen afbreuk doet aan deverdedigingsrechten als gevolg van de beweging naar voren.Dat brengt mij ...De voorzitter:Er is eerst nog een vraag van de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Veel zal dus afhangen van de praktijk en van het feit dat die niet wijzigt.Op dit moment hangt de praktijk vooral op het gebruik en niet op eenregeling in de wet als het gaat om het verstrekken van processtukken enom het ervoor zorgen dat er ook al in die fase verzoeken voor getuigen-verhoor et cetera kunnen worden opgebracht. In zijn antwoord had deregeringscommissaris het over het eerder horen van getuigen, zodat zeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7430 nog betrouwbaarder uit hun geheugen kunnen verklaren. Het is vanbelang dat dat zo vroeg mogelijk gebeurt. Een belangrijk aspect is dus datdat al daarvoor kan plaatsvinden. Ik zoek nog een beetje naar hetvolgende. Als we willen dat dat al daarvoor kan gebeuren, waarom latenwe dat dan nog tamelijk vrij? Waarom zeggen we niet: we hebben eenstok achter de deur nodig in het Wetboek? Of zijn artikel 1.8.6 en 2.10.64de ankerpunten? Zegt de Staatssecretaris: dat is voldoende stok achter dedeur om ervoor te zorgen dat die verzoeken dan al kunnen wordengedaan?Staatssecretaris Struycken:Dat is inderdaad de strekking van mijn opmerking. De bestaande praktijkwordt nu voorzien van wettelijke ankerpunten. Dat zal de praktijk en dewettelijke borging daarvan alleen maar ten goede komen.De voorzitter:De regeringscommissaris.De heer Knigge:De hoofdregel is dat een verdachte, vanaf het moment waarop hij isverhoord, recht heeft op kennisneming van de processtukken. De officiervan justitie kan, in het belang van het onderzoek, weigeren om inzage tegeven in bepaalde stukken. Daarvoor bevat het Wetboek vervolgens ookeen beklagmogelijkheid. Als ik het even uit mijn hoofd zeg, gaat het omeen bezwaarschrift bij de rechter-commissaris. Je kunt in de wet op datpunt niet zo heel veel meer regelen dan dat. Daar komt nog bij dat als westraks een digitaal procesdossier hebben – daar is deze regeling ook eenbeetje voor geschreven – het ook veel makkelijker wordt om de stukkenter beschikking te stellen die de verdachte mag inzien. Je kunt die daneenvoudigweg plaatsen in de elektronische voorziening. Als een getuigeal bij de rechter-commissaris wordt gehoord, zoals u noemde, zal deverdachte zeker eerst zijn verhoord en zal hij beschikking kunnen hebbenover alle stukken die hij mag inzien. Ik weet het niet zeker, maar ik denkdat men in de regel voorzichtig zal moeten zijn met het horen vangetuigen in de prilste fase van het onderzoek, waarin er voor de verdachtenog allerlei dingen geheim moeten worden gehouden.De voorzitter:De Staatssecretaris mag zijn betoog vervolgen.Staatssecretaris Struycken:Ik stel voor dat ik doorga met de vraag van de heer Van Nispen. Die betrefteen andere problematiek, namelijk de vordering benadeelde partij en dewijze waarop die nu in de wet is terechtgekomen. Het klopt dat deregeling voor de vordering van de benadeelde partij grotendeelsongewijzigd blijft in het wetsvoorstel. De positie van de benadeelde partijwordt in het nieuwe Wetboek wel op een aantal belangrijke puntenversterkt. Zo krijgt de benadeelde partij de mogelijkheid om zelfstandighoger beroep en cassatie in te stellen tegen de afwijzing van eenvordering, indien die vordering meer dan € 1.750 bedraagt. Dat volgt uitde artikelen 5.4.35 en 5.5.17. Een ander punt is dat het mogelijk wordt datde benadeelde partij haar vordering in hoger beroep vermeerdert, opgrond van 5.4.34. Het derde punt is dat de benadeelde partij in de eersteaanvullingswet de mogelijkheid krijgt om mee te doen aan een schrifte-lijke ronde, voorafgaand aan de terechtzitting, zoals bedoeld in 4.1.5.Een probleem is wel – en op dat punt deel ik de zorg van de heer VanNispen – dat een aanzienlijk deel van de vorderingen in de praktijkniet-ontvankelijk wordt verklaard vanwege hun complexiteit. Hier maakteook de heer Koops een punt van, in een eerder overleg. In een dergelijkgeval oordeelt de rechter dat de vordering een onevenredige belastingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7431 oplevert voor de behandeling van de zaak. De benadeelde partij kan alleennog maar terecht bij de civiele rechter, en er kan dan geen schadevergoe-dingsmaatregel worden opgelegd in het kader van de strafprocedure. Danis ook de voorschotregeling niet van toepassing. Mijn inzet is er daaromop gericht dat meer vorderingen inhoudelijk binnen het strafproceskunnen worden behandeld. De Raad voor de rechtspraak laat op ditmoment een onderzoek uitvoeren naar het normeren van schadebe-dragen, en daarmee het standaardiseren van de vaststelling van schade-vergoedingen. Dat zou één manier zijn om dit te bewerkstelligen. Dat zouer namelijk toe moeten kunnen leiden dat de schadevergoedingsvorderingvaker wordt toegewezen, of anders dat de complexiteit van dergelijkevorderingen vermindert. De resultaten van dat onderzoek verwacht ik ditvoorjaar. In de nieuwe Meerjarenagenda Slachtofferbeleid, die ik in hettweede kwartaal van dit jaar naar uw Kamer zal sturen, zal ik ook ingaanop de resultaten van dit onderzoek en de eventuele extra maatregelen dienaar aanleiding daarvan zouden moeten worden genomen.De heer Koops (NSC):Dat was een heel heldere toelichting van de Staatssecretaris. Er resteertéén heel simpele vraag in ditzelfde verband. Toen dit onderwerp de vorigekeer aan de orde kwam, dus toen het erover ging dat er geen gebruik konworden gemaakt van de voorschotregeling als de zaak door een civielerechter wordt gedaan, werd er een bedrag aan gekoppeld. Het zouhartstikke duur zijn als iets dergelijks zou worden ingevoerd. Mijn vraagaan de Staatssecretaris – die hoeft niet stante pede beantwoord teworden – is hoe die kosten zijn berekend. Ik heb het dan over de kostendie samenhangen met het aanspraak kunnen maken op een voorschotre-geling op het moment dat de vordering te complex van aard is.Staatssecretaris Struycken:Mijn voorstel is dat ik dit uitdrukkelijk meeneem in het totaalplaatje dat ikzal schetsen in de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid, die dus voor hettweede kwartaal van dit jaar aangekondigd staat.Mevrouw Mutluer stelde nog twee vragen met betrekking tot audiovisueleopnames en de gevolgen hiervan voor de werklast. In de pilot AVR terzitting werd een opname gemaakt van de zitting. Deze opname gold, incombinatie met een verkort proces-verbaal, als mogelijk alternatief voorhet volledige proces-verbaal van de zitting. Maar gebleken is dat dezewerkwijze, althans volgens de onderzoekers, geen verbetering van destrafvordering opleverde, omdat er geen sprake was van een adequaatalternatief voor het volledige proces-verbaal. Het verkorte proces-verbaalbleek te weinig informatie te bevatten, terwijl het voor de personen diebetrokken zijn bij een volgende zitting belangrijk is om te weten wat ertijdens de eerdere zitting is voorgevallen. Om hierover voldoendeinformatie te krijgen, is het in de pilot noodzakelijk gebleken om deopname van een zitting volledig uit te luisteren. Dat was volgens deuitkomsten van het onderzoek zeer bezwaarlijk. Omdat er geen volledigproces-verbaal aanwezig is, bestaat dan het risico dat er relevanteinformatie niet ter kennis komt van de procesdeelnemers. Uiteraard gaatdat ten koste van de kwaliteit van de berechting.De rechtspraak heeft zich vanaf het begin van de pilot op het standpuntgesteld dat deze pilot geen toegevoegde waarde zou hebben voor hetstrafproces. Het maken van een geluidsopname van de zitting kan weltoegevoegde waarde hebben, omdat de opname kan dienen alshulpmiddel bij het opstellen van een volledig proces-verbaal van dezitting. De onderzoekers zien echter geen aanleiding om de zittingenstandaard op te nemen.Ik kom hierop nog terug, nadat ik uw vraag over de privacy hebbehandeld. Uiteraard is een belangrijke rechtswaarborg in het kader vande pilot het recht op privacy. Zo kunnen bijvoorbeeld op camerabeeldenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7432 personen zichtbaar zijn die niet direct betrokken zijn bij het strafbare feit,wat kan leiden tot schending van hun privacy. Deze kwestie is uiteraardniet beperkt tot de pilot. Ook buiten de pilot komt het voor dat camera-beelden in een procesdossier worden gevoegd. Bij de uitvoering van depilot moet de privacy zo veel mogelijk worden gewaarborgd, maar op ditmoment zijn ons geen gevallen bekend dat in de pilot de privacy vanpersonen is geschonden.Ik merk ten slotte op, in antwoord op beide vragen, dat besloten is geenvan de AVR-pilots op dit moment te verlengen. Dit heb ik in de beleidsre-actie op de evaluatie van de Innovatiewet Strafvordering, die op13 december 2024 aan uw Kamer is gezonden, nader toegelicht. Degrondslag voor de pilot wordt wel verlengd, behalve voor zover het dezitting betreft, maar de pilots worden op dit moment niet verlengd.Dan kom ik op een vraag van de heer Sneller over het bewijscriterium.Deze vraag luistert zo nauw dat ik zou willen voorstellen om hieroverdirect het woord aan de regeringscommissaris te geven.De voorzitter:Dat doen we graag. Het woord is aan de regeringscommissaris.De heer Knigge:De vraag was: verandert dit de praktijk? Ik denk het niet, want binnen deNederlandse rechtspraktijk is eigenlijk wel algemeen aanvaard dat je pasmag veroordelen als in redelijkheid niet aan de schuld van de verdachtegetwijfeld kan worden. In die zin is het nu al een belangrijk richtsnoer bijhet handelen van de rechter. In theorie is het wel een belangrijkeverandering – ik zou zelfs zeggen: een verbetering – dat dit ook in de wetwordt vastgesteld. Want de gedachte die zeker in het verleden nog welheerste, is dat de overtuiging van de rechter een puur subjectief gegevenwas waar nu eenmaal niet over getwist kon worden. Dat dateert denk iknog van de juryrechtspraak, die we eens hebben gekend: de jury vormtzich in «conviction in team», puur gebaseerd op de indrukken die zij op deterechtzitting afdoet. Dat is dan het oordeel van schuld en onschuld. Degedachte dat het een puur subjectief en niet te bediscussiëren oordeel is,is in de loop van de tijd veranderd. Daar denken we inmiddels andersover, mede door wat de rechtspsychologie ons allemaal heeft geleerd. Jekunt wel degelijk criteria stellen aan de betrouwbaarheid van verklaringenen je kan daar argumenten voor aanleveren. Het schuldoordeel is in diezin geobjectiveerd en is daardoor ook meer in beeld gekomen in dejurisprudentie van de Hoge Raad, via de uitdrukkelijk onderbouwdestandpunten, waar de heer Koops al even aan refereerde. In het verledenkeek de Hoge Raad eigenlijk alleen maar of het wettig bewijs geleverd wasen zei: ik kan niet toetsen of de rechter overtuigd is; het is nou eenmaal jaof nee. Tegenwoordig kun je wel degelijk beargumenteren of dieovertuiging ergens op is gebaseerd of niet. In die zin zou het zelfs ook eenverschuiving kunnen betekenen voor de cassatiepraktijk – dit is wel eenbeetje speculeren – omdat je straks misschien ook met klachten kuntkomen en kunt zeggen: objectief gezien kan je hier in redelijkheid twijfelenaan het gegeven schuldoordeel; het wettig bewijs er wel, maar gelet opalle vraagtekens die je er misschien bij kunt zetten, bijvoorbeeld bij debetrouwbaarheid van afgelegde getuigenverklaringen, levert dat ook eenhandvat op, in ieder geval in theorie, voor een scherpere toetsing incassatie. Ik denk dat het in die zin ook een belangrijke verbetering in deprocedure is.De voorzitter:Dank u wel. Gaat u verder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7433 Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. In vervolg hierop zou ik willen overgaan tot de appreciatie vanhet amendement-Sneller op stuk nr. 18. Ook dat raakt aan motivering, zijhet niet van het bewijscriterium. Het lid Sneller heeft een wijzigingvoorgesteld van het algemene motiveringsvoorschrift voor rechterlijkebeslissingen in het eindvonnis in artikel 4.3.22, lid 1. Dit voorschrift bevatde regel dat rechtelijke beslissingen in het eindvonnis zijn gemotiveerdvoor zover dat voor de begrijpelijkheid noodzakelijk is. Om dit te verduide-lijken ziet het lid Sneller graag toegevoegd dat dit inhoudt dat beslis-singen inzichtelijk en controleerbaar zijn. De indiener verwijst naar devraag die is gesteld in het advies van de Raad van State, te weten – kortgezegd – of de nieuwe motiveringsplicht niet te zeer is gericht op destandpunten die door de procespartijen zijn ingenomen en of met denieuwe motiveringsplicht wel voldoende recht wordt gedaan aan allefuncties van de motivering. Dit adviespunt heeft, zoals de heer Sneller ookaangaf, geleid tot aanvulling en aanpassing van de memorie vantoelichting. Daarin is aangegeven dat met de motiveringsplicht alle drie defuncties worden gediend die doorgaans aan rechterlijke motiveringenworden verbonden, ten eerste uitleg, ten tweede zelfcontrole en ten derdecontrole door een hogere rechter. Daarmee is er in de ogen van hetkabinet voldoende tegemoetgekomen aan het adviespunt van de Raadvan State. Maar de heer Sneller geeft er de voorkeur aan de wet aan tepassen, zo begrijp ik de achtergrond van het ingediende amendement. Deomvang van de motiveringsplicht blijft met het amendement ongewijzigd.De voorgestelde verduidelijking sluit aan bij de uitleg van het artikel zoalsdie is gegeven in de memorie van toelichting. Aangezien ik met de stellervan het amendement veel waarde hecht aan een goede motivering vanrechterlijke vonnissen, laat ik het oordeel over dit amendement graag aanuw Kamer. De regeringscommissaris zou graag een paar aanvullendeopmerkingen maken.De heer Knigge:Het is misschien toch wel goed om dat motiveringsvoorschrift, waar alleaandacht zich op richt, dus artikel 4.3.22, lid 1, een beetje in hetperspectief te plaatsen van alle motiveringsvoorschriften die in deze titelzijn opgenomen. Wat hier geformuleerd wordt, is het uitgangspunt, zou jekunnen zeggen, maar dat is niet het enige motiveringsvoorschrift. Hetgaat om de bewijsbeslissing. De twee belangrijkste beslissingen zijn devraag of het feit bewezen kan worden en de vraag welke sanctie er moetworden opgelegd. Die zijn allebei voorzien van uitvoerige motiverings-voorschriften. De motivering voor de beslissing over de op te leggen straf,is dus uitvoerig beregeld in artikel 4.3.25. Dat geldt ook voor de beslissingover de vraag of het feit bewezen kan worden. Ook die is uitvoerigberegeld in zowel artikel 4.3.23 als artikel 4.3.24. Het geldt dus zeker nietdat die beslissingen niet gemotiveerd hoeven te worden, als sowieso welbegrijpelijk is waarom een verdachte veroordeeld zou moeten worden enwelke straf moet worden opgelegd. Die beslissingen moet altijd van eenstevige motivering zijn voorzien. Bij alle motiveringseisen is richting-gevend dat ze een begrijpelijke beslissing moeten opleveren.De specifieke functie van 4.3.22, lid 1, heeft nou juist te maken met debeslissingen op de formele vragen, dus de vraag of de tenlastelegginggeldig is, of de rechter bevoegd is en of de officier van justitie ontvankelijkis. Naar geldend recht hoeven daarover in het vonnis geen beslissingen teworden opgenomen, als daar verder niks over te doen is geweest, dus alser geen verweer is gevoerd en er niks op wijst dat de feitomschrijving inde tenlastelegging niet deugt. Als er niks op wijst dat de rechter nietbevoegd zou zijn om over het feit te oordelen, mag de rechter daar in hetvonnis gewoon over zwijgen. Die beslissing hoeft daardoor dus ook nietgemotiveerd te worden, want beslissingen die niet in het vonnis staan,kun je niet motiveren. Dat is in dit Wetboek veranderd. Daar staat dus datTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7434 ook de beslissingen op de formele vragen steeds in het vonnis moetenworden opgenomen. Moet je dit dan in gevallen die vanzelfsprekend zijn,bijvoorbeeld als de rechter vanzelfsprekend bevoegd is om over het feit teoordelen, omdat het in de zittingsplaats is begaan, nog gaan zeggen? Nee,zegt artikel 4.3.22, lid 1: voor de begrijpelijkheid van de beslissing is demotivering hier niet nodig. Dat is de specifieke functie van dit motive-ringsvoorschrift.Daarnaast heb je dus nog twee andere vragen. De tweede materiële vraagis de vraag of het bewezen verklaarde feit een strafbaar feit oplevert. In demeeste gevallen is dat volkomen vanzelfsprekend. Als je diefstal ten lastehebt gelegd en bewezen hebt verklaard, dan behoeft de beslissing van derechter dat dit diefstal oplevert, geen motivering zolang daarover geenverweer is gevoerd of wat dan ook. Nu schrijft de wet wel voor dat je datmet redenen moet omkleden, maar in de praktijk leidt dat altijd totnon-motiveringen. Het is diefstal omdat het diefstal oplevert. Daaroverzegt artikel 4.3.22 dat zo’n non-motivering achterwege kan blijven als debeslissing dat het diefstal is, zonder meer begrijpelijk is.Hetzelfde geldt voor de beslissing dat de verdachte strafbaar is. Als geenberoep is gedaan op een strafuitsluitingsgrond en niets in het dossier opde aanwezigheid van strafuitsluitingsgronden wijst, dan is de beslissingdat de verdachte strafbaar is zó begrijpelijk dat je die niet hoeft temotiveren. Dat is specifiek de functie: je hoeft niet te motiveren als datvoor de begrijpelijkheid van de beslissing niet noodzakelijk is. Dat raaktdus niet aan de motiveringsplicht die geldt voor de eerste en vierdemateriële vraag, de vraag of het feit bewezen is dan wel de vraag welkesanctie moet worden opgelegd. Die moeten altijd stevig worden gemoti-veerd. Daar is niks in veranderd. Ook is niet veranderd dat je op verwerenen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten moet reageren. Dat staatallemaal in 4.3.22, tweede en derde lid. U moet zich dus niet blindstaren,zou ik zeggen, op dat eerste lid. De motiveringsplicht is veel breder dandie aangezet in het Wetboek van Strafvordering.Dan nog even een kleine opmerking over de functies van de motivering.Die staan ook nu niet in de wet. Er staat dat je het met redenen moetomkleden, en waarom dat zou moeten. Dat is een theorie die wijselijk nietin het Wetboek is neergelegd. Ik moet zeggen dat de zorg van de heerSneller in het verleden – ik praat dan over 30 jaar geleden of zoiets –begrijpelijker zou zijn dan nu het geval is. Ik zei al even dat de Hoge Raaddacht alleen maar te hoeven controleren of het wettig bewijs geleverdwas, maar niet of het bewijs ook betrouwbaar was en of de rechter opgrond daarvan een overtuiging had kunnen bekomen. De motiveringenrichtten zich dus geheel op de controle door de Hoge Raad. Uitleggenwaarom de rechter overtuigd is, hoefde niet, want de Hoge Raadcontroleerde dat toch niet. Dat leidde juist tot heel magere motiveringendie uitsluitend waren gericht op controle, op de controleerbaarheid van debeslissing door de Hoge Raad.Sinds het begin van deze eeuw is door de rechtspraak zelf, dus vanonderop – dus niet omdat de Hoge Raad dat verordonneerde, maar vanonderop – het zogenaamde PROMIS-traject gestart. Daarbij zei derechtspraak zelf: deze magere vorm van motiveren is niet meer van dezetijd; wij moeten juist ook tegenover de verdachte, het slachtoffer en desamenleving uitleggen waarom de beslissing luidt zoals die luidt. Opbasis daarvan is een motiveringspraktijk ontwikkeld die juist veel meerdan vroeger recht doet aan de drie functies van de motivering.De voorzitter:Dank u wel. U had een «oordeel Kamer», meneer Sneller.De heer Sneller (D66):Ja, dat klopt, en dus ga ik niks meer tegen de Staatssecretaris zeggen!Nee, hoor. Het is goed om mij niet blind te staren. Twee dingen nog. Eén.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7435 De Raad voor de rechtspraak heeft ook zelf een evaluatie gemaakt,namelijk in 2015, en weergegeven in Het vonnis beter uitgelegd? Mag ikdaaruit even citeren? «De onderzochte professionals beschouwen deoverwegingen over de straf (...) als vrij zwakke punten in de motivering(van klassieke en PROMIS-vonnissen). De meest waarschijnlijke oorzaakvan dit geringe en gemengde effect van het PROMIS-vonnis is dat ook inPROMIS-vonnissen relatief weinig aandacht wordt besteed aan derechtvaardiging van de straf. De redenering van de rechter over de straf(...) komt in het vonnis relatief summier aan de orde. PROMIS-vonnissenbieden over deze aspecten niet veel meer informatie dan de klassiekevonnissen.» Ik zoek. Misschien kijk ik op de verkeerde plek, hè, dus ik laatme wat dat betreft graag technisch de oren wassen. Bij artikel 4.3.25, lid 2– «Het eindvonnis geeft in het bijzonder de redenen op die de strafhebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.» – zoek ik toch naariets van houvast om dit te ondervangen en een extra stimulans te gevenvoor de ontwikkeling. Misschien moet het dus dit artikel zijn in plaats vanhet andere. Met name in relatie tot de discussie over wat heeft meege-wogen – was dat specifieke preventie of vergelding? – en in het licht vande strafmodaliteiten, probeer ik het volgende aan te geven. We komennog te spreken over de vervangende taakstraf als mogelijkheid in degereedschapskist. Hopelijk komt er ooit de mogelijkheid van elektronischedetentie voor bepaalde gevallen. Ik wil dan als materieel strafrechtwet-gever niet voorschrijven dat dat alleen maar in deze of die gevallen doorde rechter mag worden opgelegd, want je wil een zo ruim mogelijketoepassing voor de rechter overlaten. Ik zocht er dus naar dat in het meerformele strafrecht het idee een plek wordt gegeven dat er in ieder gevaleen heel duidelijke motivering moet zijn. Dat is de achtergrond van mijnzoektocht. Misschien heeft de heer Knigge daar nog een al dan niettechnische reflectie op.De heer Knigge:Ik heb niet gezegd dat de manier waarop strafvonnissen nu wordengemotiveerd volmaakt of ideaal is. Ik heb alleen maar gezegd dat die veelbeter is dan 30 of 40 jaar geleden. Toen werd er bijvoorbeeld niet meergezegd dan dat de op te leggen straf in overeenstemming was met deernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, ofzoiets. Dat was een soort riedel die bij alle strafvonnissen werd gebezigd,ongeacht het strafbare feit. Dat kennen we in ieder geval niet meer. In diezin is de motiveringspraktijk juist verbeterd door het verantwoordelijk-heidsbesef van de rechterlijke macht zelf. Dat laatste blijf ik benadrukken.Het komt niet doordat het is afgedwongen door extra motiveringsvoor-schriften of door uitspraken van de Hoge Raad. Ik denk dus zeker dat weop die weg verder zouden kunnen gaan. Aan andere kant denk ik ook datwe natuurlijk wel de grenzen van de doenbaarheid in acht moeten nemen.De rechterlijke macht is overbelast, dus je moet daar ook zoeken naar eenevenwicht: hoever kun je gaan met het verschaffen van uitleg? Je moetdat, denk ik, voor een deel ook gewoon aan de rechters overlaten, zodat zijdaar een evenwichtige praktijk in ontwikkelen.De voorzitter:De Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Dit brengt mij op de vraag die de heer Sneller stelde over debegrijpelijkheid van de rechtspraak. Hij vroeg aandacht voor het interviewmet mr. Franken, een ervaren strafrechtadvocaat die veel betekent voor destrafrechtcultuur in Nederland. Voor de toegankelijkheid van de recht-spraak is het inderdaad van belang dat iedereen begrijpt waar eenrechtszaak en een uitspraak over gaan. Klare taal helpt. Klare taal is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7436 imperatief dat niet alleen voor de rechtspraak geldt, maar ook voor dewetgeving en alle andere delen van de overheid.De rechtspraak zal met het oog op de grotere toegankelijkheid in dekomende jaren verder inzetten op het bieden van begrijpelijkere,pro-actievere en consistente informatie vanuit het perspectief vanrechtzoekenden. In het Jaarplan Rechtspraak 2025 is opgenomen datuitspraken worden gemotiveerd in klare taal. Dit jaarplan is op 23 januarijongstleden aan uw Kamer toegestuurd, heel recent dus. Deze initiatievenmoeten worden toegejuicht, want ze laten zien dat rechtspreken inbegrijpelijke taal de norm is voor rechters en dat hierop actief wordtingezet. In de uitvoering komt deze beweging hopelijk ook tegemoet aande zorgen die u zojuist heeft geuit en die door de regeringscommissaris inhistorisch perspectief zijn geplaatst.Voorzitter. Dan wat betreft de amendementen. U heeft verzocht om eenschriftelijke appreciatie van de finale versie van de amendementen. Mochtde heer Sneller het amendement handhaven, dan zullen we de appreciatiealsnog geven. Die zal waarschijnlijk dezelfde zijn als die ik net hebgegeven.Ik kom bijna vanzelfsprekend op de vraag van de heer Koops. Die vraagzag op artikel 4.3.22 en 4.3.23 en de wijze waarop wordt omgegaan metuitdrukkelijk onderbouwde standpunten in het vonnis. Ik wil erop wijzendat het nieuwe Wetboek juist in dit opzicht een wijziging bevat, dietegemoetkomt aan hoe de heer Koops het graag ziet, namelijk dat al in hetvonnis wordt gereageerd op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.Artikel 4.3.22, derde lid legt juist de verplichting op aan de rechter om teresponderen op een uitdrukkelijk voorgedragen en deugdelijk onder-bouwd standpunt dat door de verdachte of de officier van justitie isvoorgedragen als de rechter daarvan afwijkt. In sommige gevallen wordtgewerkt met een verkort vonnis en komt die uitwerking later, maar in hetnieuwe Wetboek wordt die mogelijkheid beperkt. In het vonnis moet debewijsconstructie direct worden uitgewerkt als sprake is van een zwarestrafzaak. Dit zijn zaken waarin een jaar of meer gevangenisstraf isopgelegd aan de verdachte. Dan wordt ook gelijk gerespondeerd opuitdrukkelijk voorgedragen en deugdelijk onderbouwde standpunten – hetderde lid van artikel 4.3.23. Er is dus al sprake van aanscherping tenopzichte van de huidige rechtspraktijk op dit punt.Dan kom ik ten slotte nog op twee vragen. De heer Valize vroeg namensde PVV naar het voornemen om in bepaalde omstandigheden eenschadevergoeding toe te kennen aan de veroordeelde wanneer deberechting te lang heeft geduurd. Laat ik vooropstellen dat de schadever-goeding alleen aan de orde is als de redelijke termijn voor de behandelingvan strafzaken wordt overschreden. De termijnen die de Hoge Raad in zijnjurisprudentie hanteert, zijn ruim en bieden de rechter de mogelijkheidook de complexiteit van de strafzaak te verdisconteren in de vraag wateen redelijke termijn is. De aanleiding voor de introductie van eenschadevergoeding als processuele sanctie wegens overschrijding van deredelijke termijn is een arrest van de Hoge Raad uit 2018. Daarin geeft deHoge Raad aan de wetgever in overweging om te bezien of naast demogelijkheid van strafvermindering ook kan worden voorzien in demogelijkheid dat voor overschrijding van de redelijke termijn eenschadevergoeding wordt toegekend. Ook in het bestuursrecht en in hetbelastingrecht is voorzien in de mogelijkheid van schadevergoeding inzaken waarin de redelijke termijn is overschreden. Er zijn goedeargumenten om ook voor strafzaken aan deze suggestie van de HogeRaad gevolg te geven. Het kan voor slachtoffers namelijk moeilijk teverteren zijn als een verdachte strafvermindering krijgt enkel als gevolgvan onredelijke vertraging in een strafzaak. Een schadevergoeding is eenminder vergaande maatregel dan strafvermindering. De wet noemt geenbedragen voor de schadevergoeding, maar bepaalt in artikel 4.3.12 dat bijalgemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7437 wijze waarop de schadevergoeding wordt berekend. Daarbij wordtgedacht aan € 500 per halfjaar waarmee de redelijke termijn isoverschreden. Ditzelfde bedrag wordt gehanteerd door bijvoorbeeld deAfdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Overigens kunnenredenen bestaan voor de rechter om in het geval van overschrijding vande redelijke termijn een lager bedrag als schadevergoeding toe te kennen,in het geheel van schadevergoeding af te zien of alsnog te kiezen voorstrafvermindering.Dan ten slotte de vraag van de heer Sneller met betrekking totartikel 4.3.14, dat regelt dat onrechtmatig verkregen bewijs gewoon kanbijdragen aan een bewezenverklaring. Opsporingsambtenaren moetenzich aan de wet houden. Dat is het uitgangspunt van het Wetboek. Datstaat uiteraard buiten kijf. Mede in dat licht is bepaald in het tweede lidvan artikel 4.3.14 dat, wanneer opsporingsambtenaren onregelmatighandelen, het belang van een goede rechtsbedeling bewijsuitsluiting kanmeebrengen «met als doel te bevorderen dat in overeenstemming met degeschonden norm wordt gehandeld»; ik citeer het tweede lid. Maarinderdaad, het eerste lid bepaalt als hoofdregel dat, indien bij hetverkrijgen van bewijsmiddelen onrechtmatig is gehandeld, deze kunnenbijdragen aan het bewijs, tenzij het belang van goede rechtsbedeling zichdaartegen verzet. Deze hoofdregel in lid 1 sluit aan bij de huidige praktijken realiteit.Onrechtmatige bewijsverkrijging leidt nu slechts in een beperkt aantalgevallen tot bewijsuitsluiting. Bewijsuitsluiting volgt in ieder geval welwanneer het recht van de verdachte op een eerlijk proces in het geding is,bijvoorbeeld als het recht op rechtsbijstand bij het politieverhoor isgeschonden. Maar als het recht op een eerlijk proces niet in het geding is,zal bewijsuitsluiting lang niet altijd in het belang van een goede rechtsbe-deling zijn. Een concreet voorbeeld uit de rechtspraak is de situatie waarinde opsporingsambtenaren zich niet legitimeren voorafgaand aan hetbetreden van een woning, terwijl het voor de verdachte wel duidelijk wasdat het ging om opsporingsambtenaren.Het uitsluiten van een bewijsmiddel is een zwaar middel, dat grotegevolgen kan hebben voor de strafzaak. Het kan ertoe leiden dat eenstrafbaar feit onbestraft blijft, omdat er onvoldoende ander bewijsoverblijft. Maar er zijn ook andere manieren om te reageren op onrecht-matige bewijsverkrijging, bijvoorbeeld met strafvermindering – zieartikel 4.3.13 – of met schadevergoeding, zoals geregeld in hoofdstuk 6van Boek 6. Uitgangspunt van de regeling is dat niet naar de zwaardereprocessuele sanctie wordt gegrepen als een lichtere sanctie volstaat.Tot zover mijn antwoord inzake onrechtmatig verkregen bewijs.De voorzitter:Dank voor dit antwoord op de vraag van de heer Sneller. We denken datwe een beetje door elkaar zijn gehaald, maar volgens mij vinden we datallemaal niet erg. Geen punt.Dan de heer Koops nog, voor een interruptie op het vorige punt, denk ik.De heer Koops (NSC):Juist, dat is zo. Wat ik de hele tijd al moeilijk vind, is de enorme informa-tiedichtheid van werkelijk alles wat hier wordt gezegd, dus het duurdeeventjes voordat ik goed doorhad wat de Staatssecretaris nou eigenlijk zeiover de artikelen 4.3.22 en 4.3.23. Daarom kom ik er nu alsnog op terug.Het gaat dus over de omgang met uitdrukkelijk onderbouwde stand-punten. De Staatssecretaris heeft uitstekend toegelicht hoe het systeemwerkt wanneer het gaat om een zware strafzaak, waarin meer dan een jaarwordt opgelegd. Dan kom ik toch terug op lid 4 van artikel 4.3.22, waarinstaat: als er uitdrukkelijk onderbouwd verweer wordt gevoerd, hoef jedaar niet meteen op terug te komen; dat hoeft eigenlijk alleen als er hogerberoep wordt ingesteld. Daar haak ik bij aan. Er zijn buitengewoon veelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7438 strafzaken waarin geen gevangenisstraf van een jaar wordt opgelegd,terwijl ze wel enorm ingrijpend zijn voor de verdachte die het betreft, dedader die het betreft. Als je negen maanden krijgt voor het bezit engebruik van een vuurwapen, om maar iets te noemen, begrijp ik die negenmaanden wel, maar als er dan een heel serieus verweer tegen het bewijsis gevoerd, blijft het mij als een graat in de keel steken dat er geen reactiekomt op een bewijsverweer dat gevoerd is. Ik zeg dat dwars in tegen dehele toelichting van de regeringscommissaris en de Staatssecretaris. Ja,we onderkennen met z’n allen de enorme druk die ligt op de rechterlijkemacht om te komen tot een voldoende aantal vonnissen. Maar ik zie voorde wereld niet, nog steeds niet, waarom de rechter ontslagen moet of kanworden van de plicht om op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt tereageren als het echt het juiste bewijs betreft, ook als er minder dan eenjaar wordt opgelegd. Hier staat onder andere dat het helemaal nooit hoeftop het moment dat de dader een rechtspersoon is. Ik zou zeggen dat ditenorm veel hoger beroep in de hand werkt. Dan is dat toch onhandig?Waarom kan niet alsnog worden gekozen voor het idee dat op eenuitdrukkelijk onderbouwd standpunt altijd deugdelijk gemotiveerd wordtgereageerd, ook in de gevallen dat minder dan een jaar gevangenisstrafwordt opgelegd? Dat is de vraag.De voorzitter:De Staatssecretaris geeft het woord aan de regeringscommissaris.De heer Knigge:Dit is een heel invoelbare vraag van de heer Koops, maar ook hier speeltwel de vraag van de belasting die dat oplevert voor de rechterlijke macht.Dat is gewoon het punt. Het zou natuurlijk ideaal zijn als alle vonnissen bijhet uitspreken ervan gemotiveerd en schriftelijk in z’n geheel beschikbaarwaren, maar dat ideaal stuit gewoon af op capaciteitstekort. Daar komt heteigenlijk wel op neer. Naar geldend recht geldt voor alle vonnissen dat derechter kan volstaan met een verkort vonnis totdat er hoger beroep isingesteld. Dit wetsvoorstel komt in die zin toch een heel eind tegemoetaan de heer Koops door te zeggen: die praktijk willen we in ieder gevalniet meer als er meer dan een jaar gevangenisstraf is opgelegd. Danbrengt de rechtsbescherming mee – daar is weer die gedachte vanrechtsbescherming op maat – dat er onmiddellijk een volledig gemoti-veerd vonnis op tafel moet liggen. Bij minder zware sancties valt dieafweging anders uit. Daar kun je natuurlijk verschillend over oordelen,maar vanuit de rechterlijke macht is het grote bezwaar: dan werken wevoor het archief. Zo wordt het altijd gezegd. U moet bedenken dat hetpercentage waarin hoger beroep wordt ingesteld, bij meervoudige-kamervonnissen volgens mij iets boven de 20 ligt en bij politierechter-zaken rond de 16. In al die andere gevallen zou er in uw voorstel eenvolledig uitgewerkt vonnis moeten komen. Voor de verdachte is hetmisschien heel plezierig als hij kan nalezen wat de rechter precies heeftbewogen, maar het heeft in ieder geval geen functie in hoger beroep,want dat wordt niet ingesteld. Het is inderdaad gewoon een afweging dievoortkomt uit enerzijds een begrijpelijk verlangen, want eigenlijk hoort ernatuurlijk altijd een gemotiveerd vonnis beschikbaar te zijn, en anderzijdsde enorme werklastverzwaring die dat voor de rechterlijke macht met zichbrengt.De heer Koops (NSC):Neem me niet kwalijk dat ik zo blijf haken op dit punt, meneer devoorzitter. Ik probeerde niet te zeggen dat alle vonnissen vollediggemotiveerd moeten zijn. Misschien zie ik het helemaal verkeerd, maarmij gaat het gewoon om het volgende. Als namens of door de verdachteeen standpunt naar voren wordt gebracht, een uitdrukkelijk onderbouwdverweer, is dat het gedeelte waarvan ik zou zeggen dat het wel degelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7439 moet worden besproken in het vonnis, ook als het vonnis voor het overigeniet voldoet aan alle motiveringsplichten die er voor de rest nog bestaan,in het geval dat er geen jaar of meer wordt opgelegd. Het gaat mij puurom de reactie op iemand die, kort samengevat, zegt: ik heb het nietgedaan, want het was mijn broertje. Ik zou menen dat het niet aan devrijheid van de rechter moet worden overgelaten om daar wel of niet opte reageren in het vonnis. Als er wordt gezegd «het was mijn broertje, hetDNA is door de war gehaald», dan is dat een standpunt. Dat is onder-bouwd, zal ik maar zeggen. Daar moet toch altijd op worden ingegaan,ook om de vonnissen te verkopen aan de maatschappij? Ik kom daar nietoverheen; laat ik het maar zo zeggen. Ik vind dat dit juist wél mag wordengevraagd van rechters en dat het hun kerntaak is om niet alleen tot eenbeslissing te komen, maar die ook uit te leggen aan degene over wie diebeslissing gaat. Die kerntaak kun je vermijden, in hoge werkdruk en metcapaciteitsgebreken, juist met lid 4 van artikel 4.3.22. Ik wou dat toch nogeen keer opmerken, maar misschien is het bijna een opmerking voor detweede termijn. Maar ik zeg het maar gewoon.De voorzitter:Dat staat u vrij. U doet het in uw eerste termijn en u kunt zien wat u zonog in uw tweede termijn daar wel of niet aan toevoegt. We gaan kijken ofdit nog tot een aanvullende reactie leidt. Dat is het geval. De regerings-commissaris.De heer Knigge:U snijdt een terecht punt aan, maar het probleem is dat de reactie op hetuitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet los verkrijgbaar is. Uwvoorbeeld gaf het al aan: waarom vindt de rechter dat het niet zijn broerwas, maar de verdachte zelf? Dat kun je alleen beoordelen als je de helebewijsmotivering geeft. De meest uitdrukkelijk onderbouwde standpuntenzijn zo nauw verweven met de gehele bewijsconstructie dat je in feitegewoon toch in alle gevallen waarin de verdachte het feit ontkent hetvonnis moet motiveren. Daar is om de reden die ik heb genoemd nietvoor gekozen. Een tussenweg is heel moeilijk begaanbaar, te weten hetonderscheiden van uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de restvan de bewijsmotivering.De voorzitter:Dank u wel. Dan is er een einde gekomen aan de eerste termijn van debeantwoording. Ik stel vast dat er behoefte is aan een tweede termijn.Voor sommigen zal die kort zijn en voor anderen wat langer. Dat magallemaal. We gaan als eerste luisteren naar de heer Sneller.De heer Sneller (D66):Voorzitter. En ineens was het klaar. Ik dacht: misschien komt het antwoorddat de Minister nog wil geven in deze termijn. Maar dat doen we dan intweede termijn.Ik dank de bewindspersonen en de regeringscommissaris wederom voorde uitstekende beantwoording, ook al stelt die niet altijd helemaaltevreden. Ik ga nog in op de strafbeschikking. Aan de ene kant geldt datverzet mogelijk is. Dat zei de Minister. De Staatssecretaris zei: het isafhankelijk van de manier waarop aan een en ander uitvoering wordtgegeven. Dat is wel steeds het spanningsveld aan deze kant van deKamer. In evaluatierapporten en in rapporten van de procureur-generaalzie je steeds dat het niet helemaal loopt zoals je zelf denkt dat het zoumoeten lopen en ook niet zoals het bedoeld was. «Het moet in devoorlichting zitten», zei de regeringscommissaris. Ik ben benieuwd hoe wedat nog wat verder kunnen bevorderen. Verder zal ik afwachten wat hetWODC begin 2026 vindt. Wellicht gaat de heer Van Nispen hier nog verderop in. Dan sluit ik me daar bij voorbaat bij aan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7440 Dan de sepotcodes. Ook daarbij zal ik wachten op het rapport van deprocureur-generaal en op de beleidsreactie daarop. Ik neem aan dat dit optijd komt om het nog in een aanvullingswet op te nemen, mochtenrechtsmiddelen daar nodig zijn. Wat betreft de motivering van derechterlijke uitspraak als het gaat om de strafdoelen en de strafmaat zal iknog eens goed nagaan of de balans nu goed getroffen is, zeg ik tegen deregeringscommissaris.Dank.De voorzitter:Dank u wel. De heer Ellian.De heer Ellian (VVD):Dank, voorzitter. Uiteraard ook dank voor de beantwoording. Ik spits mijntweede termijn even toe op het amendement op stuk nr. 25, dat deMinister als volgt heeft geapprecieerd, als ik het goed heb begrepen. Devoorgestelde wijziging in artikel 4.4.16 moet eruit en er moet iets wordentoegevoegd. Kort geparafraseerd moet het criterium «op geldwaardeerbaar» worden toegevoegd aan 2.17.19. Ik vroeg mij het volgendeaf, voorzitter, en dat is met name voor mij de essentie in de tweedetermijn. Ik heb het antwoord zelf ook niet per se en daarom is het des tebeter om het voor te leggen aan de Minister en misschien toch ook nogeen keer aan de regeringscommissaris. Gesteld wordt: dit is een majeurewijziging, want artikel 36e Wetboek van Strafrecht wordt gewijzigd, enartikel 36e Wetboek van Strafrecht ligt niet voorop. Dat klopt, maarwetsartikelen kunnen natuurlijk dusdanig met elkaar samenhangen dat alsje het ene wijzigt, een logisch gevolg kan zijn dat een ander wetsartikel ineen andere wet ook gewijzigd moet worden. In het licht van zorgvul-digheid van de behandeling van wetgeving moet je dan natuurlijk welgoed kijken of je niet allerlei stappen gaat overslaan. Als ik er zo naar kijk,zijn artikel 4.3.1, waarin het gaat over de vordering tot opneming vanwederrechtelijk verkregen voordeel, en specifiek artikel 4.4.16 een nadereprecisering in formeelrechtelijke zin van artikel 36e Wetboek vanStrafrecht. Dat begrijp ik. Maar het is toch logisch dat als de medewet-gever zou zeggen «wij zien graag dat in plaats van een geldboete van devijfde categorie de drempel verlaagd wordt naar de vierde categorie», hetin die invulling daarmee gegeven is dat dit een principiële opvatting enuitspraak van de medewetgever is, en het dus logisch is dat dan hetandere artikel, zijnde artikel 36e Wetboek van Strafrecht, moet wordenaangepast? Ik zit even te zoeken. Stel dat er een Kamermeerderheid is diezegt graag te zien dat de drempel lager wordt, zou er dan echt een aparttraject nodig zijn voor artikel 36e, als je hier dat standpunt al met elkaarkunt wisselen? Ik zie dat artikel 36e wel om een principieel besluit vraagt,maar dat kun je hier ook nemen. De strafvorderlijke route ligt hier voor. Ikben benieuwd. Ik zit er open in, maar ik ben benieuwd of het voor deMinister ook halszaak is en hij niet tot oordeel Kamer kan komen als diterin blijft zitten.Voorzitter. Dat was ’m voor mij.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Mutluer.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ook mijn dank voor de antwoorden die zijn gegeven vandaag. Voor watbetreft de procesafspraken hebben we hier het een en ander uitgewisseld.Ik ben erg benieuwd naar de balans die gezocht gaat worden tussenenerzijds wel de inzet bevorderen om de doorlooptijd te verkorten enanderzijds goed kijken wanneer die wordt ingezet en welke afsprakendaarin worden gemaakt. Ik zie dat gewoon tegemoet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7441 Dan de strafbeschikking. Collega’s Sneller en Van Nispen gaven al eerderaan dat er kritiek is, ook vanuit de Raad van State en de Nationaleombudsman, over de informatieverstrekking rond de strafbeschikkingen.Het was nota bene de Nationale ombudsman die, ik dacht in 2021, zei dathet onduidelijk is wat een sepot of strafbeschikking inhoudt en dat hetlastig is voor de burgers om het juiste loket te vinden. Vooral dat laatstevind ik heel interessant. De voorstellen die zo meteen door de heer VanNispen worden ingediend, gaan wij sowieso steunen, want ik snap dat ereen WODC-onderzoek komt, maar ik kan mij best voorstellen dat je nu alzegt en uitspreekt dat je, gelet ook op alle kritiek die hieromtrent isgegeven, iets in een AMvB opneemt en regelt.Tot slot. De Staatssecretaris zag een aantal van ons een beetje inverwarring raken toen er werd gezegd dat de pilots ten aanzien van deaudiovisuele registratie waren stopgezet. Ik denk dat die verwarring isontstaan doordat wel de grondslag voor die pilots in stand is gebleven,maar de pilots in de praktijk zijn gestopt. Dat is prima. De enige vraag dieik nog heb – dit punt kwam niet helemaal helder naar voren – is wat dekeuze die nu gemaakt is, gaat betekenen voor de beoogde verbetering vanhet strafproces. Wellicht kan de Staatssecretaris daar iets meer toelichtingop geven.De voorzitter:Dank u wel. Het woord is aan de heer Koops.De heer Koops (NSC):Meneer de voorzitter, ik beperk mij ertoe hier heel hartelijk dank te zeggenvoor de toelichtingen die we vandaag gekregen hebben. Ik kan het alleenniet laten om daarbij op te merken dat als het gaat om die uitdrukkelijkonderbouwde standpunten, en dus lid 4 van artikel 4.3.22, ik me echtberaad op een motie, vanwege de voorgaande discussie.De voorzitter:Heel goed. Die motie kunt u tijdens de plenaire behandeling natuurlijkindienen.Dan geef ik mezelf het woord voor een bijdrage namens de SP. Allereerstdank ook ik zowel de Staatssecretaris als de Minister en de regeringscom-missaris voor de heldere antwoorden, ook op vragen waarom bepaaldezaken nou niet in het Wetboek van Strafvordering zijn gewijzigd; welopgenomen, maar niet gewijzigd. Dat geldt bijvoorbeeld voor het puntvan het wederrechtelijk verkregen voordeel. Ik vind het antwoord van deMinister helder. Hij zei dat we het via een snellere weg kunnen regelen engaf daar vier argumenten voor, waaronder die Europese richtlijn. Datbegrijp ik. Dit punt heeft wel onze bijzondere belangstelling, maar datweet de Minister.Dit geldt ook voor de vordering benadeelde partij. Daar loopt hetonderzoek naar de normering van bedragen. Dat vind ik helder. Vergeefme dus mijn ongeduld maar dat moeten we op andere punten hervatten.Dan zoals aangekondigd over de procedures van het OM: strafbeschik-kingen. De Minister vindt het al kenbaar met de beleidsregels van het OM.Wij denken toch dat het hier en daar beter kan, scherper kan, inzichtelijkerkan, want dat moet toch de ambitie zijn van het Wetboek. Dat geldtbijvoorbeeld voor het volstrekt helder maken wanneer een verdachte kanbeschikken over alle stukken. Ik ben nog even door de wet aan hetbladeren, titel 3.2. Volgens mij zijn die delegatiegrondslagen er al wel. Datzei de Minister ook. Ik vind het ook wel prima om het WODC-onderzoek afte wachten om te zien wat er precies nader genormeerd moet worden,maar dat er zo veel mogelijk in die algemene maatregel van bestuur danwel in de wet zelf, indien dat nodig mocht blijken op grond van hetWODC-onderzoek, opgenomen moet worden, staat voor mijzelf en deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7442 twee medeondertekenaars van mijn motie al vast. Daarom dien ik graagde volgende motie in.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de strafprocedure die leidt naar de strafrechter heelprecies is uitgeschreven in het Wetboek van Strafvordering maar dat ditniet geldt voor de procedure die leidt tot een OM-strafbeschikking;overwegende dat het Wetboek gebaat is bij inzichtelijke en voorge-schreven procedures en dit ook de rechtszekerheid dient;van mening, dat in het Wetboek van Strafvordering of in een daaroptoegesneden AMvB een duidelijke procesbeschrijving zou moeten staanover het aankondigen en uitvaardigen van strafbeschikkingen enbijvoorbeeld over het kunnen beschikken over relevante stukken;verzoekt de regering de voorgeschreven procedures rondom deOM-strafbeschikkingen nader uit te werken in het Wetboek, via deaanvullingswet, dan wel via een algemene maatregel van bestuur,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Mutluer en Sneller.Zij krijgt nr. 38 (36 327).Daarmee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de kant vande Kamer. Ik kijk even naar de bewindspersonen of zij enige momentennodig hebben om de beantwoording voor te bereiden.Minister Van Weel:Wij kunnen meteen antwoorden.De voorzitter:Dan geef ik het woord aan de Minister.Minister Van Weel:Dank, voorzitter. Laat ik eerst terugkomen op de vraag van de heer Snellerdie nog openstond. De interne communicatie van het OM zal, zo is recentaangekondigd, worden omgezet in een extern werkende aanwijzing, endie aanwijzing, die overigens ook wordt afgestemd met de Minister vanJustitie, wordt uiteindelijk gepubliceerd zowel in de Staatscourant alsookop de website van het OM. Alles wat externe werking heeft vanuit het OM,wordt dus uiteindelijk ook extern gecommuniceerd.Dan in algemene zin de strafbeschikkende voorlichting. Ik zou dat eigenlijkook willen zeggen in de richting van de heer Van Nispen aangaande zijnmotie. Ik wil echt dat WODC-onderzoek afwachten, omdat we daarinmeerdere aspecten van de strafbeschikking langs gaan krijgen. Dat gaatniet alleen over hoe dat valt ten opzichte van het slachtoffer, maar ook deverdachte. Hoe verhoudt de rechterlijke macht zich hiertegen? Wat zijn debevindingen van het OM tot nu toe? Dat geeft mij gewoon een beter beeldvan wat er nu voor alle partijen nodig is om aan te passen aan hetfenomeen strafbeschikking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7443 Ik besef dat het nog een jaar duurt voordat we met die helderheid komen,maar ik voel mij wel gebonden aan het uitlopen van het traject dat weuiteindelijk ook in het regeerprogramma hebben aangekondigd. Ik sluitdus een AMvB niet uit, maar wil tegelijkertijd ook wel zien of we daarmeeknelpunten oplossen die we nu hebben, omdat het bijvoorbeeld geregeldis met een aanwijzing van het OM op dit vlak. Ik durf dat niet te zeggen,omdat mij aangereikt wordt dat er tot nu toe geen klachten zijn ontvangenover de wijze waarop mensen zich voorgelicht voelen over een strafbe-schikking. Maar nogmaals, dat zegt mij ook niet alles. Vandaar dat ik graaghet WODC-onderzoek afwacht.Inzake de sepotcodes heb ik u in eerste termijn geantwoord dat ik hetonderzoek van de pg zie als hét moment – dat komt dit voorjaar – om tekomen met aanbevelingen over hoe daar verder mee om te gaan.De heer Sneller (D66):Krijgen we dan ook de kabinetsreactie op het pg-rapport nog voor dezomer?Minister Van Weel:Als het pg-rapport in het voorjaar komt, dan komen wij nog voor de zomermet een reactie daarop. Dat lijkt mij haalbaar.Dan voor wat betreft artikel 36e en het amendement van de heer Ellian.Dat was toch ook een technische vraag. Ik kijk naar de regeringscommis-saris voor een antwoord op de vraag hoe haalbaar de door u gewensteroute is.De heer Knigge:Zoals ik al even zei: nu staat zowel het bewijsvermoeden als de ontne-mingsgrond in artikel 36e, lid 3. Om wetssystematische redenen is datbewijsvermoeden overgeheveld naar het Wetboek van Strafvordering,omdat het nu eenmaal een stukje procesrecht is. Maar het is wel eenstukje procesrecht dat verbonden is aan de ontnemingsgrond. Die staatvoorop. De vraag welke bewijsregels gelden bij het realiseren van dieontnemingsgrond is vers twee. Ik heb het gevoel dat u het omdraait. Ubegint bij het bewijsrecht en zegt: we gaan de ontnemingsgrond daaropaanpassen. Formeel is het zo dat je iemand op basis van de ontnemings-grond, uit artikel 36e, een voordeel kunt ontnemen dat door anderestrafbare feiten is verkregen dan het feit dat ten laste is gelegd enbewezen is verklaard. Dat staat voorop. De volgende vraag is welkprocesrecht daarbij past. Dat is hoe het formeel in elkaar zit.De ontnemingsgrond staat primair in het Wetboek van Strafrecht. Eenaanpassing van de sanctiemogelijkheden staat hier niet ter discussie. Daargaat het Wetboek van Strafvordering niet over. Inhoudelijk stelt u eenenorm ingrijpende verandering voor. Op diefstal staat al een geldboetevan de vierde categorie. In uw voorstelling zou je bij een winkeldiefstal aleen enorm vermogensonderzoek kunnen starten. De bewijslast wordt danbij wijze van spreken voor een deel omgekeerd. Ik overdrijf nu sterk, maarde verdachte moet dan bewijzen dat al het vermogen dat hij heeft enwaarvan je niet direct kunt verklaren waar dat vandaan komt, alswederrechtelijk verkregen voordeel wordt aangemerkt. Dat is een helegrote stap. Ik zou zelf zeggen: dat kun je hier niet even op een achterna-middag bij de behandeling van het Wetboek van Strafvorderingmeenemen.De heer Ellian (VVD):Ik vermoed ontvankelijk te zijn voor dit punt, maar ik ga er nog even overnadenken, zo zeg ik tegen de regeringscommissaris. Ik hecht er wel aanom te benadrukken dat ik het juist niet omdraai. De grondslag onder en degedachte achter het amendement zijn juist principieel. Ik snap heel goeddat we het procesrecht nu invullen. Eigenlijk moet je helemaal geenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7444 andere wet veranderen als die niet voorligt, maar vanwege het karaktermeende ik een wijziging van artikel 36e mee te kunnen nemen. Ik benechter wel ontvankelijk voor wat de regeringscommissaris zegt. Dit isfundamenteel. Het raakt de rechtspositie van een grotere groep. Ik denkdat ik het amendement aanpas, maar ik zou het wel fijn vinden als ik hetnog even op schrift krijg. Dat heb ik nog niet voor dit amendement. Maardat komt goed. We komen eruit. Ik zal om bijstand vragen aan BureauWetgeving.De voorzitter:Akkoord. De Minister is klaar. Door wat hij over de motie zei ... Het woord«ontraden» is niet gevallen, maar ik vermoed dat dat het zal zijn.Minister Van Weel:«Ontijdig» mag tegenwoordig ook. Dat oordeel zou ik graag hierop willenplakken.De voorzitter:Misschien mag ik één ding terugzeggen, bij wijze van interruptie. Datstandpunt begrijp ik. De Minister heeft gezegd: ik wil hetWODC-onderzoek afwachten. Tegelijkertijd denk ik dat de formulering vandeze motie en de tijd die we nog hebben, ruimte laten om datgene wat hetWODC-onderzoek oplevert, op te nemen. Dat zal het oordeel van deMinister nog steeds niet veranderen, maar ik hecht er wel aan om tezeggen dat mevrouw Mutluer, de heer Sneller en ik niet nu al, nog voordathet WODC-onderzoek er is, zeggen: er moet van alles opgeschreven enopgetuigd worden. Maar een AMvB wordt wel minstens zes keergenoemd in de titel die gaat over de strafbeschikking. Wellicht hoeft hetniet tot een AMvB te leiden, maar dat zou mij verbazen. Maar goed, hetoordeel van de Minister is het oordeel van de Minister.We gaan naar de Staatssecretaris.Staatssecretaris Struycken:Voorzitter. Mij rest nog de beantwoording van een vraag van mevrouwMutluer. Zij vroeg mij om een verduidelijking ten aanzien van de pilotsinzake audiovisuele registratie. Die pilots hebben gelopen van oktober2022 tot en met september 2024. Die lopen op dit moment dus niet. Ze zijngestopt. Dat geldt voor alle pilots op basis van de innovatiewet. We zijninderdaad voornemens om de grondslagen voor audiovisuele registratiebij verhoor te behouden door middel van de verlengingswet van deinnovatiewet, die in consultatie gaat.U noemde ook de grondslag voor audiovisuele registratie op de zittingzelf. Niet alleen is de pilot gestopt, ook de grondslag daarvoor zal geenonderdeel meer zijn van de verlenging van de Innovatiewet Strafvor-dering. Dit op verzoek van en in overleg met de rechtspraak. Dit terverduidelijking.Mevrouw Mutluer (GroenLinks-PvdA):Ik meen mij te herinneren dat de Staatssecretaris zei dat die registratiestijdens de zitting af en toe nog wel konden worden toegepast. Of heb ikdat verkeerd gehoord? Niet altijd dus, maar dat het af en toe wel kanworden toegepast. Vandaar de verwarring die bij mij ontstond.Staatssecretaris Struycken:Ja, inderdaad. Het is verrassend verwarrend allemaal. Ik geloof dat ikbedoeld heb te zeggen dat audio-opnames mogelijk zijn en blijven. Daarwordt niet altijd gebruik van gemaakt, maar ze zijn en blijven mogelijk terzitting. Aangaande de visuele registratie is niet alleen de pilot gestopt,maar men ziet daar ook geen brood in. Men ziet wel wat in met name deaudiovisuele registratie van het verhoor. De gedachte is dat, met deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7445 technische ontwikkelingen die nu heel snel gaan, er misschien opnieuwgebruik van zou kunnen worden gemaakt. Daarom willen we in iedergeval de grondslag daarvoor in stand houden.De voorzitter:Daarmee is er een einde gekomen aan de tweede termijn van de kant vande regering. Ik ga de toezeggingen met u doornemen en daarna doe ikeen voorstel over hoe we verdergaan vandaag, maar dat komt straks.–De Minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer toe, begin 2026 deKamer te informeren over de inzet van het instrumentOM-strafbeschikking, na het verschijnen van het WODC-onderzoek.–De Minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer toe voor hetplenaire debat over het nieuwe Wetboek van Strafvordering, datvoorzien is voor maart 2025, een brief te sturen met de appreciatiesvan de gewijzigde amendementen. Vanzelfsprekend mede namens deStaatssecretaris, maar dat is een algemene afspraak die we over alleboeken maken.–De Minister van Justitie en Veiligheid zegt de Kamer toe voor de zomer2025 een reactie te geven op de nog te ontvangen resultaten van hetonderzoek van de pg naar sepotcodes.–De Staatssecretaris Rechtsbescherming zegt de Kamer toe in hettweede kwartaal 2025 de Kamer te informeren in de MeerjarenagendaSlachtofferbeleid over de schadevergoedingsvorderingen en dekostenberekening.Met veel dank aan onze griffier.Dan gaan we dit wetgevingsoverleg over de Boeken 3 en 4 afronden,maar alles wordt in maart 2025 nog plenair vervolgd. Ik ga de Minister vanJustitie en Veiligheid en zijn ondersteuning heel hartelijk bedanken, wantzij zijn niet bij het volgende wetgevingsoverleg aanwezig.De leden leg ik hier even in het openbaar voor hoe lang we willenpauzeren. Mijn voorstel zou een korte pauze zijn. Dan kunnen we watlanger pauzeren na de eerste termijn van de kant van de Kamer over deBoeken 5 en 6, zodat de Staatssecretaris zijn beantwoording kan voorbe-reiden. Een halfuurtje? Dat is akkoord. Dan spreken wij af dat we om14.00 uur beginnen met het wetgevingsoverleg over de Boeken 5 en 6.Dank u wel.Sluiting 13.28 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 327, nr. 7446

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 63684b1190394314

14 okt 2026 · c8207a20bfe846a3

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.