KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie advies ‘Ieder zijn aandeel’ en evaluatie cultuurleningen

2 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 61dd7d17b0f70769 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 820Nieuwe visie cultuurbeleidNr. 580 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 juli 2026InleidingCultuur is van onschatbare waarde voor onze samenleving én voor onzeeconomie. Cultuur geeft betekenis aan wie wij zijn, aan wat ons verbindten aan hoe wij ons tot elkaar verhouden. Het levert een positieve bijdrageaan gezondheid en mentaal welzijn, aan sociale cohesie en aan eengrotere maatschappelijke betrokkenheid. Deze brede maatschappelijkewaarde gaat hand in hand met een aanzienlijke economische betekenisvan de culturele en creatieve sector. Uit de nieuwste cijfers van deMonitor Creatieve Industrie 2025 blijkt dat deze sectoren een gezamenlijkedirecte toegevoegde waarde hebben van € 27,6 miljard en een belangrijkewerkgever zijn van meer dan 400.000 mensen.1 De culturele en creatievesector draagt bij aan de werkgelegenheid, innovatie en een aantrekkelijkvestigingsklimaat in heel Nederland.De culturele en creatieve sector maakt gebruik van een breed scala aanfinancieringsbronnen; van private investeringen, subsidies, giften,sponsoring tot cultuurleningen. Deze diversiteit aan financierings-mogelijkheden biedt kansen, maar zorgt ook voor een complexe en somsmoeilijk te doorgronden markt.De subsidies die het Rijk verstrekt zijn een belangrijke basis voor deculturele en creatieve sector. Deze subsidies zijn echter niet het enigeinstrument dat het ministerie ter beschikking heeft. Er zijn ook andereinstrumenten beschikbaar. Denk bijvoorbeeld aan financiering vanuit hetNationaal Restauratiefonds, verschillende garantieregelingen, groeifonds-projecten als CIIIC en cultuurleningen. Naast de instrumenten die hetMinisterie van OCW financiert, zijn er verschillende fiscale regelingen diebetrekking hebben op de culturele en creatieve sector, zoals het verlaagdebtw-tarief, de giftenaftrek en de culturele multiplier. De rijksoverheid is1Rutten, P., Manshanden, W., Visser, F (2026). Monitor Creatieve Industrie 2025. kst-32820-580ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5801 natuurlijk niet de enige financier van de sector. Het grootste deel van depublieke financiering voor de sector komt van provincies en gemeenten.En zonder private partijen, waaronder fondsen, bedrijven en particulieredonateurs, zou er ook veel minder cultuur worden geproduceerd. Ditbrede palet is belangrijk, want sector kent een grote diversiteit aandisciplines, werkwijzen en verdienmodellen, die vragen om een gediffe-rentieerd financierings-instrumentarium.Mijn ambtsvoorganger heeft de Raad voor Cultuur gevraagd een adviesuit te brengen over de financiering van de cultuursector. De raad isgevraagd hoe financiers beter kunnen samenwerken om de toegang totpassende financiering voor de sector te vergroten. Op 13 november 2025heeft de raad «ieder zijn aandeel» uitgebracht,2 dat ook met uw Kamer isgedeeld. De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapheeft op 27 november om een kabinetsreactie op dit rapport gevraagd.3Dit verzoek is tijdens het cultuurdebat van 19 januari 2026 nogmaalsherhaald.4 In deze brief vindt u mijn reactie.Daarnaast heeft SEO Economisch Onderzoek dit jaar in opdracht van hetMinisterie van OCW een evaluatie uitgevoerd naar de cultuurleningen.Deze laagrentende leningen worden gefinancierd met middelen vanuitOCW. De uitkomsten van deze evaluatie zijn als bijlage met deze briefmeegestuurd. In deze brief vindt u ook mijn reactie op de evaluatie.Hieronder geef ik eerst een korte samenvatting van het advies van deRaad voor Cultuur en volgt mijn reactie op de aanbevelingen uit hetadvies. Daarna zal ik dezelfde structuur aanhouden voor de evaluatie vande cultuurleningenIeder zijn aandeelOp 13 november 2025 heeft de raad zijn advies «ieder zijn aandeel»uitgebracht. De raad ambieert met zijn advies voorstellen te doen vooreen duurzamere en stabielere vorm van financiering voor de cultuur-sector, met zowel bekostiging uit publieke als private hoek en mettoekomstbestendige ondersteunende regelgeving. Het advies gaat niet inop de afzonderlijke deelsectoren en hun financieringsvormen en proble-matieken. Wel komen belemmeringen en oplossingen voor de helecultuursector aan de orde, waarmee het advies waardevolle aanknopings-punten biedt om mee aan de slag te gaan.De raad concludeert dat de belangrijkste prikkel om meer privaat geldnaar de cultuursector te laten vloeien is dat de overheid het belang vancultuur benadrukt, zowel in woord als in daad. Dit gaat in tegen de somsaanwezige gedachte dat een afname van publieke financiering kanworden gecompenseerd door meer private financiering. Aangezien deNederlandse cultuursector onder druk staat door stijgende (arbeids-)kosten en een relatieve daling van de overheids-financiering, vindt deraad dat structureel extra financiering, inclusief vaste indexatie voor prijs-en loonontwikkeling, noodzakelijk is.De raad observeert daarnaast dat er een onduidelijke taakverdelingbestaat en te weinig wordt samengewerkt tussen overheden onderling entussen overheden, private partijen en culturele organisaties. Dit leidt totbelemmeringen in financiering en in het opbouwen van reserves. De raad2Raad voor Cultuur. (2025) «Ieder zijn aandeel. Naar een evenwichtig financieel ecosysteem voorde cultuursector». Den Haag: Raad voor Cultuur.32025D486674TZ202601-034Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5802 adviseert meer duidelijkheid aan te brengen in de taakverdeling tussenoverheden, de maximale subsidietermijn op alle overheidsniveaus teverruimen en aandacht te hebben voor de subsidievoorwaarden vanandere financiers. Daarnaast benadrukt de raad dat culturele organisatiesruimte moeten krijgen om een gezond weerstandsvermogen op tebouwen.Publieke middelen kunnen volgens de raad als hefboom voor privatefinanciering worden ingezet, bijvoorbeeld via matchfunding. Verderdienen bestaande regelingen, zoals die van de RVO, actiever onder deaandacht van de sector te worden gebracht. Ook moeten de voordelenvan de culturele ANBI-status en de Geefwet beter benut worden, waarbijverbeteringen in de uitvoering en doelmatigheid van de giftenaftreknoodzakelijk zijn en het erkenningsproces beter moet aansluiten op decultuursector. Tot slot adviseert de raad aan culturele organisaties ommeer te investeren in de bedrijfseconomische kennis van medewerkers.KabinetsreactieIk heb het advies met interesse gelezen en zie aanknopingspunten voorhet verbeteren van de financieringsstructuur. Niet alle informatie uit hetadvies is nieuw en op verschillende punten zet ik al stappen. Mijn reactiebouw ik op aan de hand van vijf thema’s: (1) Rijksfinanciering (2)samenwerking overheden, (3) publiek-private samenwerking (4) filan-tropie en (5) kennis en ondernemerschap.RijksfinancieringDe raad stelt dat er structureel € 250 miljoen extra geïnvesteerd zoumoeten worden in de culturele sector. In het regeerakkoord heeft hetkabinet geen extra middelen voor cultuur beschikbaar gesteld, ik ziedaarom op dit moment geen ruimte voor deze gevraagde investering. Bijde onderbouwing van het door de raad genoemde bedrag wil ik welenkele kanttekeningen plaatsen. Als we kijken naar de totale overheidsuit-gaven over 2023, waar de raad zijn analyse op baseert, is het belangrijk tebeseffen dat hier ook incidentele middelen voor bijvoorbeeld energiecom-pensatie en corona in zijn opgenomen. Deze uitgaven hebben eenbelangrijke bijdrage geleverd aan de ophoging van de totale rijksbe-groting. Deze middelen zijn ook beschikbaar gesteld aan de culturele encreatieve sector, maar zijn niet gespecificeerd naar de verschillendesectoren. Daarnaast, zoals beschreven in het onderzoek naar de spreidingvan cultuur, zijn gemeenten en provincies belangrijke publieke financiersvan de culturele en creatieve sector.5 Zij kunnen dit onder anderebekostigen uit de algemene uitkering die zij uit het provincie- of gemeen-tefonds ontvangen. Ook deze fondsuitkeringen vallen onder de totaleoverheidsbijdrage.Ik snap de opmerking van de raad over de indexatie van onder andere deloon- en prijstelling. Culturele instellingen hebben vaak maar beperkteruimte om prijsstijgingen of andere extra kosten zelf op te vangen. Het isdaarom wenselijk dat subsidies worden geïndexeerd. Het wettelijkvastleggen van deze indexatie vraagt echter om een goede afweging. Hetgeeft instellingen zekerheid, maar het vergroot tegelijk de ongelijkheidtussen de verschillende sectoren op de OCW-begroting. Daarnaastbeperkt het de handelingsvrijheid van het kabinet én het budgetrecht vanhet parlement. Voor meer informatie over deze afweging verwijs ik graag5Kamerstukken II, 2025–2026. 32 820, nr. 572Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5803 naar de Kamerbrief van mijn ambtsvoorganger over de wettelijkverplichte loon- en prijsbijstelling in het onderwijs.6Samenwerking overhedenRijk, provincies en gemeenten hebben ieder hun eigen cultuurbeleid en-uitgaven. De gedachte van de raad dat er verbeteringen mogelijk zijn inde samenwerking tussen de verschillende overheidslagen kan ik volgen.In het kader van het nieuwe cultuurbestel voer ik daarom het gesprek metde medeoverheden over onderwerpen als de samenhang en werking vanhet stelsel als geheel, de onderlinge taakverdeling tussen overheden,regionale spreiding en het opbouwen van weerstandsvermogen. Deresultaten van deze gesprekken zal ik meenemen in de communicatie overhet nieuwe cultuurbestel. Na de zomer informeer ik uw Kamer hierover.De raad is enthousiast over het voornemen om de maximale subsidie-termijn van subsidies aan te passen naar acht jaar. De raad zou hetgunstig vinden als provincies en gemeenten deze maximale termijn ookgaan hanteren. Ik kan die gedachte volgen, maar wil benadrukken datprovincies en gemeenten zelfstandig afwegen hoe zij met dit onderwerpomgaan.Publiek-private samenwerkingDe raad adviseert om meer duidelijkheid te creëren in de rolverdelingtussen publieke en private financiers. Het inzicht in private financiering isminder systematisch ontwikkeld dan dat in publieke financiering, terwijldit voor de sector een belangrijke bron van financiering is. Ik start samenmet private financiers een verkenning om de verschillende fondsen enfinanciers in de sector beter in kaart te brengen. Het doel van dezeverkenning is ook om de basis te leggen voor een meer structureledialoog tussen publieke en private financiers in de culturele sector. Daarbijzie ik een nadrukkelijk meerwaarde van een betere vertegenwoordigingvan de private fondsen.De raad adviseert ook om publieke middelen als matching voor privaatgeld in te zetten. Dat vind ik een interessante gedachte die voortbouwt opwat er de afgelopen jaren al is opgezet. Het Cultuurfonds, voordekunst enPlatform Acct hebben met ondersteuning van het ministerie hetprogramma Leve het Geven uitgevoerd. Onderdeel van het programmawas een matchingsproject waarbij particuliere bijdragen werden gematchtmet geld van het ministerie en private fondsen. Niet alleen is door hetprogramma meer privaat geld opgehaald, ook is de samenwerking tussenfinanciers verbeterd en is gewerkt aan het verminderen van de regeldrukin de culturele sector. Dat waardeer ik. Ik stel voor de aankomende vierjaar € 1,4 miljoen euro ter beschikking voor het vervolg van ditprogramma. Het draagt namelijk bij aan de wens in het regeerakkoord omde afstemming tussen financiers te verbeteren en de regeldruk in deculturele sector te verminderen.FilantropieDe raad adviseert culturele organisaties zich daarom meer als goededoelen te profileren. Ik snap deze gedachte, die kansen biedt voor extrafilantropische bijdragen aan de sector. De raad merkt terecht op dat wevoor de grootste vermogensoverdracht uit de geschiedenis staan. Ik vindhet goed om te zien dat de sector zich hiervan bewust is en hieropanticipeert. De Universiteit Utrecht, ondersteund door de Vriendenloterij,6Kamerstukken II, 2025–2026. 36 800 VIII, nr. 36Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5804 faciliteert bijvoorbeeld de leergang «De kunst van het vragen» waar almeer dan 250 culturele instellingen en ondernemers hun kennisniveauover het mecenaat hebben verbeterd. Via de stichting Nalaten aan Cultuurinvesteren ruim 100 culturele instellingen in de bewustwording over demogelijkheid om na te laten aan culturele instellingen. Omdat ik hetbelangrijk vind om de kennis over nalatenschappenwerving in decultuursector te vergroten, zal ik dit initiatief de aankomende jarenfinancieel ondersteunen. Waar mogelijk zal ik zelf ook het schenken aankunst en cultuur onder de aandacht te brengen.De raad is van oordeel dat de Geefwet essentieel is voor de culturele encreatieve sector. Het kabinet vindt het belangrijk om het geven aan goededoelen fiscaal aantrekkelijk te houden. Wel ziet het dat er nog verbete-ringen mogelijk zijn in bijvoorbeeld de ANBI-wetgeving. De Staatssecre-taris van Financiën heeft u hier op 1 juni 2026 over geïnformeerd.7 Op hetbrede gesprek over de rol van filantropie in de samenleving, dat vanuithet Ministerie van Justitie en Veiligheid wordt gevoerd, ben ik goedaangesloten om de belangen van de culturele en creatieve sector onderde aandacht te brengen. In dit kader krijgt ook het advies van de raad aande culturele sector om gezamenlijk een CBF-erkenning en aansluiting bijGoede Doelen Nederland te overwegen mijn steun. Dit vind ik iets dat desector zelf kan oppakken, maar waar nodig zal ik dit ondersteunen.Kennis en ondernemerschapCulturele en creatieve sectoren leveren een aanzienlijke directie enindirecte bijdrage aan innovatie, ons imago in het buitenland, stedelijkeleefkwaliteit, maatschappelijke transities en de brede welvaart vanNederland. Niet alleen in Nederland, maar ook in onze buurlanden en inde Europese Unie is het besef van dit belang gegroeid. De culturele encreatieve sector is daarmee ook een belangrijke economische factor.Vanuit die gedachte ondersteun ik het advies van de raad aan de sector enbrancheverenigingen om meer gebruik te maken van de kennis, ervaring,en financieringsmogelijkheden van bijvoorbeeld de Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO). Ik begrijp dat niet alle regelingen eventoegankelijk zijn voor de sector, toch zie ik kansen. Om beter inzicht tekrijgen in de waarde van de regelingen door de culturele en creatievesector, ben ik samen met RVO een eerste inventarisatie van het gebruikgestart.Bovenstaande sluit ook aan op het advies van de raad aan de sector ommeer te investeren in de ontwikkeling van financieel-economische kennis.Dat is belangrijk voor de interne bedrijfsvoering en zorgt er ook voor datmen de taal van het bedrijfsleven beter gaat spreken. Vanuit de culturelebasisinfrastructuur financier ik een landelijke informatie-, kennis- ennetwerkfunctie over ondernemerschap en financiering, waar ookfinancieel-economische kennis een plek heeft. Op dit moment wordt dezefunctie uitgevoerd door Cultuur+Ondernemen. Ik ben voornemens dezefunctie voor de aankomende periode verder aan te scherpen, zodat meernadruk komt te liggen op financieel-economische kennis in relatie tot hetvinden van financiering. Om de professionele ontwikkeling vanwerkenden in de sector te stimuleren heeft Platform Acct in 2020 hetprogramma Permanente Professionele Ontwikkeling (PPO) opgezet. Hetprogramma werd gefinancierd door het Ministerie van OCW. Een vervolgop dit programma loopt nog tot 2028. Via het programma investeer ik inde professionele ontwikkeling van de sector, ook waar het financieel-economische kennis betreft.7Kamerstukken II, 2025–2026. 36 812, nr. 126Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5805 In dit kader vind ik ook het onlangs verschenen advies van de commissie-Bussemaker van waarde. Deze commissie heeft in opdracht van deVereniging Hogescholen een verkenning uitgevoerd naar hethbo-kunstonderwijs8. In dit advies adviseert de commissie onder andereom meer aandacht te hebben voor ondernemersvaardigheden entechnologie in het curriculum. Ik kan mij goed vinden in deze aanbeve-lingen en ben benieuwd hoe dit vorm krijgt in het kunstsectorplan dat zijgezamenlijk gaan vormgeven.Evaluatie cultuurleningenHet Ministerie van OCW heeft verschillende instrumenten ter beschikkingom de toegang tot financiering voor de culturele en creatieve onder-nemers te verbeteren. Een van de instrumenten zijn de cultuurleningen,die zijn belegd bij Cultuur+Ondernemen. De cultuurleningen zijn gerichtop ondernemers en instellingen die moeilijk toegang hebben tot regulierefinanciering, maar wel beschikken over inkomstenpotentieel. Deafgelopen maanden heeft SEO Economisch Onderzoek (hierna: SEO) inopdracht van het Ministerie van OCW een evaluatie uitgevoerd van decultuurleningen. In dit deel van de brief beschrijf ik de belangrijkstebevindingen van SEO en reageer ik inhoudelijk op de evaluatie van decultuurleningen.SEO concludeert dat de cultuurleningen doeltreffend en doelmatig zijn. Decultuurlening biedt volgens hen financiering aan cultuurorganisaties metweinig andere leenmogelijkheden. Verstrekte leningen worden vooralingezet voor investeringen in bedrijfsactiva en als voorfinanciering, zoalsdat door andere bedrijven buiten de cultuursector wordt gedaan. SEOconcludeert dat de combinatie van financiering en de aangebodenbegeleiding bijdraagt aan het meer en sneller tot stand komen van hetaanbod van cultuur. De begeleiding draagt daarnaast bij aan het ontwik-kelen van meer financiële kennis en zakelijke vaardigheden. Tot slot wijzende onderzoekers erop dat de leningen voor additionele effecten zorgen,zoals het mogelijk maken van fair pay en het verlagen van de drempel omexterne financiering aan te trekken. SEO concludeert dat de kostendek-kendheid van het instrument de afgelopen jaren is gestegen en dekostenratio daalt, wat wijst op efficiënter gebruik van middelen. Deuitvoeringskosten per lening blijven wel relatief hoog door de kleinscha-ligheid, het maatwerk en de intensieve begeleiding. De verhouding tussenbereikte effecten en maatschappelijke kosten is volgens SEO erg positief.SEO ziet geen reden om aanpassingen te doen aan de manier waarop deleningen worden uitgezet en onder welke voorwaarden dit gebeurt. Weldoen ze aanbevelingen die de impact van de cultuurleningen verderkunnen vergroten. De kern daarbij is schaalvergroting. Meer leningendragen volgens de onderzoekers namelijk bij aan een groter cultuur-aanbod en meer zakelijke kennis. Om dit te bereiken noemt SEO driedenkrichtingen: het kritisch kijken naar de samenhang tussen subsidie-voorwaarden en financieringsvormen, het versterken van de zakelijkevaardigheden en de bekendheid van de cultuurleningen en het lenenvergroten.KabinetsreactieVoor startende, vernieuwende en ambitieuze ondernemers en organi-saties binnen de culturele en creatieve sector blijft het aantrekken vanprivate financiering een uitdaging. Dat hangt enerzijds samen met de8Commissie Bussemaker. (2026). ACT! Naar een assertief, collectief en transformatief kunston-derwijs: Advies van de Commissie Bussemaker. Vereniging Hogescholen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5806 beperkte bekendheid van financiers met de sector en anderzijds metspecifieke kenmerken van culturele en creatieve ondernemingen enprojecten. De beperkte toegang tot financiering staat talentontwikkeling,vernieuwing en verbreding van het aanbod in de weg. De cultuurleningenvervullen daarom een belangrijke rol voor de sector.Ik zal mijn reactie ophangen aan de drie denkrichtingen die SEO beschrijft.Daarna ga ik nog in op leningen in relatie tot maatschappelijke impact, enbeschrijf ik mijn visie op de rol van Cultuur+Ondernemen.Samenhang tussen subsidievoorwaarden en financieringsvormenSEO stelt dat bepaalde subsidievoorwaarden rondom het aanhouden vanhet eigen vermogen belemmerend werken voor het ondernemerschap inde sector. Dit is ook iets wat de raad eerder concludeerde. Hij benadruktedat culturele organisaties ruimte moeten krijgen om een gezondweerstandsvermogen op te bouwen. Zoals ik eerder heb aangegeven,neem ik dit onderwerp mee in mijn gesprekken met de medeoverheden.Vergroten van zakelijk vaardigheden.SEO concludeert dat er cultuurorganisaties zijn die niet in aanmerkingkomen voor leningen, omdat ze onvoldoende zakelijk opereren. Uit deevaluatie van SEO blijkt eveneens dat passende begeleiding bij eenfinancieringsaanvraag van groot belang is. Goede ondersteuning vergrootniet alleen de toegang van financiering, maar versterkt ook de onderne-mersvaardigheden die nodig zijn voor een duurzame en toekomstbe-stendige bedrijfsvoering. Ik zie hier kansen. Daarom ga ik onderzoekenhoe ik de verbinding tussen financiering en het versterken van hetondernemerschap van de sector beter kan benutten. Een financieringsaan-vraag is immers vaak meer dan alleen een verzoek om kapitaal. Het is ookeen moment waarop ondernemers keuzes maken over hun bedrijfs-voering, verdienvermogen, strategie en toekomstbestendigheid. De vraagnaar financiering vormt daarmee een belangrijk aangrijpingspunt voorbegeleiding, coaching en professionalisering van de sector. Juist op datmoment kan gerichte ondersteuning het verschil maken. Dit sluit ook aanop het advies van de raad aan culturele organisaties om meer te inves-teren in de ontwikkeling van financieel-economische kennis, omdat dezekennis een rol speelt in de positionering richting private financiering.Hierbij merk ik op dat ondernemerschap in de culturele en creatieve sectoreen breed begrip is, dat op verschillende manieren wordt gebruikt. Ikrealiseer mij dat ondernemerschap meer omvat dan alleen de financiëleen bedrijfsmatige kant. In deze context richt ik mij echter specifiek op dezakelijke vaardigheden die ondernemers helpen om hun financieringsbe-hoefte scherp te formuleren, inzicht te krijgen in hun verdienvermogen enop een duurzame manier investeringen aan te trekken en te benutten.Vergroten bereikIk zie in de analyse van SEO dat de cultuurleningen door de verschillendedeelsectoren in de culturele en creatieve sector worden gebruikt. Dat isgoed om te lezen. SEO merkt in haar conclusie wel op dat de leningenvoor een groot deel terecht komen bij ondernemers uit de Randstad. Ikvind het belangrijk dat instrumenten van de overheid door de hele sectorworden gebruikt, in heel Nederland. Ik ga in gesprek metCultuur+Ondernemen over manieren waarop de organisatie de geogra-fische spreiding van de leningen kan verbeteren.Uit de analyse van SEO maak ik verder op dat het plafond van het budgetvoor leningen dreigt te worden bereikt. Ik kies er daarom voor om hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5807 budget de aankomende jaren stapsgewijs te verhogen. In de komendejaren zal ik stapsgewijs € 6 miljoen toevoegen aan het budget voor deleningen.Vergroten van impactIk zie dat maatschappelijke impact voor financiers en investeerders eensteeds belangrijkere rol speelt bij investeringsbeslissingen. Binnen debredere ontwikkeling van impact investing groeit ook de belangstellingvoor sectoren die naast financieel rendement aantoonbaar maatschappe-lijke waarde creëren. Dat blijkt uit ook de haalbaarheidsstudie die DOENParticipaties vorig jaar heeft latenuitvoeren naar de mogelijkheden voor een investeringsfonds gericht opimpact investing in de culturele en creatieve sector.9 Uit dit onderzoekblijkt dat er, binnen bepaalde randvoorwaarden, zowel vanuit onder-nemers als vanuit financiers belangstelling bestaat voor een dergelijkfonds. De culturele en creatieve sector is in dat opzicht interessant, juistvanwege de bijdrage aan sociale cohesie, leefbaarheid, innovatie en bredewelvaart.De aandacht voor impact biedt kansen om financiering vanuit anderesectoren aan te trekken. In 2023 heeft Berenschot in opdracht van uwKamer het rapport In de schijnwerpersuitgebracht. Volgens Berenschotliggen er kansen voor het vergroten van het verdienvermogen in hetaanboren van bronnen uit andere sectoren, namelijk de sectoren dieprofiteren van de bijdragen die de culturele sector levert aan de vraag-stukken in die sectoren.10 Mijn ambtsvoorganger heeft uw Kamer alsreactie op het rapport een meerjarenplan toegezegd.11 Bij gemeenten zieik goede voorbeelden van de samenwerking tussen cultuur en voorna-melijk het sociale domein. Op dit moment zie ik zelf geen meerwaardevoor een apart meerjarenplan. Zoals uit deze brief blijkt, ben ik al opverschillende manieren aan het verkennen hoe ik de toegang tot finan-ciering kan verbeteren. Wel zie ik een aanknopingspunt met de cultuurle-ningen. Ik vind het van belang dat bij de verstrekking van leningen oog isvoor de maatschappelijke en culturele impact van projecten en onderne-mingen. Ik ga onderzoeken hoe binnen de cultuurleningen meer aandachtkan worden besteed aan impact om daarmee in lijn met het rapportandere financieringsbronnen aan te boren. Tegelijkertijd wil ik terug-houdend zijn met het verder formaliseren of uitbreiden van criteria binnende leningen. Juist de toegankelijkheid en eenvoud van de leningen dragenbij aan het succes ervan.Partner in financieringHet verstrekken van leningen vraagt om andere expertise dan hetverstrekken van subsidies. Het vereist een gespecialiseerde kennis vankredietverstrekking, ervaring met meerjarig kapitaalbeheer en inzicht in despecifieke dynamiek van de culturele en creatieve sector. Daarbij is hetvan belang dat men niet uitsluitend gericht is op één discipline, maar oogheeft voor de breedte van het culturele en creatieve veld, inclusiefondernemers en organisaties die geen subsidie ontvangen. De cultuurle-ningen zijn immers bedoeld voor de brede culturele en creatieve sector.De kennis en ervaring die Cultuur+Ondernemen de afgelopen jaren heeftopgebouwd, zijn daarbij van grote waarde. Dat lees ik ook terug in deevaluatie van SEO. Ik wil verkennen hoe deze expertise beter kan worden9Steiner, A., Blom, M. (2025) Haalbaarheidsstudie impact investeren in de culturele en creatievesector. In opdracht van DOEN participaties.10In de schijnwerpers: Kamerstukken II 2022–2023, 32 820, nr. 49811TZ202211-161, TZ202307-013Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5808 benut, bijvoorbeeld door ook voor instrumenten samen te gaan werkenmet Cultuur+Ondernemen. Dat biedt ruimte voor verdere professionali-sering en doorontwikkeling van het instrumentarium en versterkt deonderlinge samenhang en kennisuitwisseling tussen instrumenten.Wanneer in de toekomst nieuw instrumentarium wordt ontwikkeldwaarvoor sectorspecifieke kennis en financiële expertise nodig zijn, zie iknadrukkelijk kansen voor samenwerking tussen Cultuur+Ondernemen, deRijkscultuurfondsen en het ministerie. Daarmee verandert de positie vanCultuur+Ondernemen. Ik ga samen met hen onderzoeken wat dit betekentvoor de relatie tussen OCW en Cultuur+Ondernemen.Tot slotDoor te werken aan een toekomstbestendig financieringsstelstel voorcultuur wil ik bijdragen aan stabiliteit en ruimte voor ontwikkeling.Makers, instellingen en ondernemers in onze sector moeten kunnenbouwen aan kwaliteit, talent en publieksbereik, met oog voor zowelartistieke vernieuwing en brede toegankelijkheid. Dat vraagt om eenfinancieringsstelsel dat meebeweegt met toekomstige ontwikkelingen en,om in de woorden van de Raad voor Cultuur te spreken, een gezamenlijkeinspanning van overheden, private partijen en culturele organisaties zelf.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. LetschertTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 820, nr. 5809

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 59ac2243a9c748bd

14 okt 2026 · d07937d61b4619ee

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.