Memorie van toelichting
Brontekst
Versie ae0713b3ce8eb6ad · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 881Wijziging van het voorstel van wet tot wijzigingvan de Algemene wet bestuursrecht, deHuisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING I. ALGEMENE TOELICHTING 1. Inleiding Op 3 juli 2025 is het voorstel van wet tot Wijziging van de Algemene wetbestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband metde versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog openkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen (Wetversterking regie volkshuisvesting, hierna: wetsvoorstel) door de TweedeKamer aangenomen.1 Dit wetsvoorstel voorziet in expliciet instrumen-tarium zodat overheden kunnen sturen op hoeveel, waar en voor wie erwoningen gerealiseerd worden, met meer tempo en een gelijke kans voorurgent woningzoekenden. Het Rijk, provincies en gemeenten kunnen zode regie hernemen op de volkshuisvesting en sturen op de woningbouw-programmering.2 Met deze novelle wordt voormeld wetsvoorstel op drieonderdelen aangepast in verband met de juridische houdbaarheid enpraktische uitvoerbaarheid en doeltreffendheid van deze onderdelen. Hetbetreft geamendeerde onderdelen van de wet die zien op:1.een absoluut verbod op het verlenen van urgentie op een socialehuurwoning aan personen met een vergunning op grond van deVreemdelingenwet 2000;32.een regeling voor de overgang van de bevoegdheid tot vergunning-verlening voor een technische bouwactiviteit na een fatale termijnvan de gemeente naar het Rijk;4 en1Kamerstukken I, 2024/25, 36 512, A.2Voor nadere toelichting op het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting wordt verwezennaar de memorie van toelichting: Kamerstukken II 2023/2024, 36 512, nr. 3.3Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 30.4Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 98. kst-36881-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 31 3.een regeling tot wijziging van de regeling over het verlengen enhervestiging van voorkeursrechten op onroerende zaken.5In een brief van 26 augustus 2025 aan de Eerste Kamer6 is uiteengezet datdeze onderdelen juridisch onhoudbaar dan wel praktisch onuitvoerbaarzijn. In een brief van 9 september 2025 aan de Eerste Kamer is aange-kondigd dat ter reparatie een novelle in procedure zal worden gebracht. 72. Inhoudelijke toelichting 2.1. Vervallen absoluut verbod op urgentie voor alle vreemdelingen(onderdeel A, Huisvestingswet 2014) Onderdeel A voorziet in het vervallen van dat onderdeel van hetwetsvoorstel dat ziet op een verbod op het verlenen van voorrang aanpersonen die een verblijfsvergunning hebben als bedoeld in de Vreemde-lingenwet 2000. Dit betreft in de praktijk alle personen die niet deNederlandse nationaliteit hebben of burger zijn van een van de lidstatenvan de Europese Unie (EU). De te vervallen bepaling voorziet erin datpersonen die rechtmatig in Nederland verblijven op basis van eenverblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000 wordenuitgesloten van de mogelijkheid tot het verkrijgen van een urgentiever-klaring op welke grond dan ook (bij amendement voorgesteld vierde lidvoor artikel 12 van de Huisvestingswet 2014). Dat geldt dus ook in hetgeval zij wel onder een van de verplichte of andere gemeentelijkeurgentiecategorieën zouden vallen.Voorgesteld wordt dit onderdeel te laten vervallen omdat het in strijd ismet artikel 1 van de Grondwet en artikel 14 van het Europees Verdragvoor de Rechten van de Mens. In artikel 1 van de Grondwet is vastgelegddat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijkbehandeld worden en dat het verboden is om te discrimineren. Destrijdigheid met deze artikelen is het gevolg van het feit dat het onderdeelervoor zorgt dat een specifieke groep personen enkel op basis van hunnationaliteit – het niet zijn van Nederlander of EU-burger – wordtuitgesloten van een recht dat alle andere personen die rechtmatig inNederland verblijven wel is gegeven. Het betreft het recht op hetverkrijgen van urgentie voor een woning als hun situatie daartoeaanleiding geeft. Dit leidt tot direct onderscheid op grond van nationaliteitonder groepen woningzoekenden. Onderscheid kan toegestaan zijn,indien het een legitiem doel dient en daarvoor een objectieve en redelijkerechtvaardiging bestaat. Het doel van het benoemde onderscheid is echterin zichzelf discriminerend omdat het met opzet niet-Nederlanders uitsluit,en daarom niet legitiem. Een discriminerend doel kan nooit gerecht-vaardigd worden.2.2. Vervallen regeling voor overgang van bevoegdheid tot vergunning-verlening voor de technische bouwactiviteit na fatale termijn (onderdeelB, onderdeel 1, Omgevingswet) Dit bij amendement voorgestelde onderdeel regelt dat voor in hetOmgevingsbesluit aan te wijzen gevallen de Minister van Volkshuisvestingen Ruimtelijke Ordening (VRO) automatisch bevoegd gezag wordt als eencollege van B&W niet tijdig beslist op een aanvraag om een omgevings-vergunning voor een (technische) bouwactiviteit waarop de reguliere5Kamerstukken II 2024/25, 36 512, nr. 97.6Kamerstukken I, 2024/2025, 36 512, nr. D.7Kamerstukken I, 2024/2025, 36 512, nr. E.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 32 procedure van toepassing is. Deze novelle voorziet erin dat deze bepalingvervalt om de volgende redenen.In de eerste plaats is deze bepaling niet doeltreffend in het versnellen vanvergunningverlening voor woningbouwprojecten. De regeling zou juistkunnen zorgen voor vertraging bij de woningbouw, omdat de Minister vanVRO daarmee de bevoegdheid krijgt in te grijpen op een verkeerd aspectin de realisatie van woningbouwprojecten. Minder dan 5% van deaanvragen voor een (technische) bouwactiviteit betreft woningbouwpro-jecten. Met de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwengeldt alleen voor niet-grondgebonden woningbouw nog een vergunning-plicht voor een technische bouwactiviteit. Bij de behandeling van dezeaanvragen is zelden sprake van termijnoverschrijding als alleenvergunning voor een (technische) bouwactiviteit voor woningbouw wordtaangevraagd. Ingrijpen op dit element in een woningbouwproject is danook niet effectief om de stagnatie in de woningbouw tegen te gaan. Tentweede zit de stagnatie niet bij de vergunningverlening voor de(technische) bouwactiviteit, maar in de fase vóór de vergunningverleningwaarbij het gaat om de ruimtelijke afwegingen over de locatiekeuze. Ookkan stagnatie ontstaan vanwege knelpunten die zich in deze voorfasevoordoen, zoals netcongestie. Deze ruimtelijke keuzes of knelpunten zijnniet aan de orde bij de omgevingsvergunning voor de (technische)bouwactiviteit. Intensieve samenwerking tussen marktpartijen enoverheden is belangrijk voor versnelling in de voorfase. Wanneer devertraging wel zit bij de vergunningverlening is het belangrijk datgemeenten vooral in staat worden gesteld om tijdig te beslissen. Daaromwordt ingezet op structurele versterking van de uitvoeringscapaciteit vangemeenten.Verder zorgt dit onderdeel voor problemen in de uitvoering. Hoewel debepaling niet leidt tot versnelling, creëert het wel significante uitvoerings-problematiek voor het Rijk. Als gevolg van de regeling zou de Minister vanVRO een nieuwe taak krijgen, waarbij de Minister ook belast wordt met debehandeling van bezwaar en beroep en toezicht op de naleving van deverleende vergunning. Het Ministerie van VRO beschikt niet over decapaciteit en specifieke kennis om aanvragen voor (technische) bouwacti-viteiten te behandelen. Een aanvraag om een omgevingsvergunning vooreen (technische) bouwactiviteit kan enkelvoudig of meervoudig zijn. Bijeen meervoudige aanvraag worden er naast de (technische) bouwacti-viteit ook andere activiteiten aangevraagd, bijvoorbeeld een buitenplanseomgevingsplanactiviteit of een milieubelastende activiteit. DeOmgevingswet heeft als uitgangspunt dat er bij een meervoudigeaanvraag één bevoegd gezag is. Indien de Minister bevoegd gezag wordtbij termijnoverschrijding van meervoudige aanvragen waar naast de(technische) bouwactiviteit ook andere activiteiten worden aangevraagd,zal het aantal vergunningaanvragen waarop de regeling betrekking heeftsterk toenemen. Voor deze taak is geen capaciteit en expertise bij het Rijkvoorhanden, en er zijn geen financiële middelen om deze capaciteit enexpertise op te bouwen. Het betreft niet alleen capaciteit voor hetbeoordelen van de aanvraag, maar ook voor het eventueel afhandelen vanbezwaar en beroep en toezicht op de naleving van de verleendevergunning. Daarnaast vergt het ook afstemming met de gemeente,omdat voor de beoordeling van de aanvraag kennis over de lokale situatievereist is. Bijvoorbeeld kennis over de bodemgesteldheid van de locatie.Het met deze novelle vervallen voorstel wijkt daarnaast af van deuitgangspunten van het interbestuurlijk toezicht (IBT) zoals die vastliggenin de Gemeentewet. Het uitgangspunt bij IBT is dat de naastgelegenhogere overheidslaag toezicht houdt. Voor de vergunningverlening bijgemeenten geldt dat de provincie hier de toezichthouder is en kanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 33 ingrijpen bij taakverwaarlozing. Ook wijkt het voorstel af van de wijzewaarop is voorzien in doorwerking van nationale en provinciale belangenin de Omgevingswet. Wanneer het nationale c.q. provinciale belangenbetreft, bijvoorbeeld de ruimtelijke inpassing van een substantieelwoningbouwproject, voorziet de Omgevingswet reeds in instrumentariumom bij een bestuurlijke patstelling door te zetten. Er kan bijvoorbeeld eeninstructiebesluit worden genomen ten aanzien van het omgevingsplan.2.3. Aanpassing regeling voorkeursrecht (onderdeel B, onderdelen 2 en 3,Omgevingswet) Het voorkeursrecht in de Omgevingswet geeft gemeenten, provincies enhet Rijk de mogelijkheid om een voorkeursrecht op een onroerende zaakte vestigen wanneer in een niet-agrarische functiewijziging is voorzien. Deregering is van oordeel dat de bij amendement voorgestelde regeling detoets aan het recht op eigendom zoals beschermd door artikel 1 van hetEerste Protocol van het EVRM niet kan doorstaan doordat getornd wordtaan twee belangrijke randvoorwaarden behorende bij het voorkeursrecht.In de eerste plaats gaat het om de randvoorwaarde dat de totalegeldingsduur van het voorkeursrecht aan termijnen gebonden is. Detweede randvoorwaarde is dat het voorkeursrecht alleen kan voortdurendoor tijdig vervolgstappen te zetten in de ruimtelijke planontwikkeling. Hetbij amendement gewijzigde onderdeel van het wetsvoorstel regelt datgemeenten (en provincies of de Staat) in een vroege planfase voor vijfjaar een voorkeursrecht kunnen vestigen met de mogelijkheid diteenmalig met vijf jaar te verlengen. Er gelden daarbij geen voorwaardenom tijdig vervolgstappen in de ruimtelijke planvorming te zetten om hetvoorkeursrecht voort te laten duren. Daarnaast wordt het verbodgeschrapt om na het overschrijden van een termijn in de ruimtelijkeplanvorming direct een nieuw voorkeursrecht te vestigen, waardoor hetvoorkeursrecht telkens aansluitend meteen opnieuw kan wordengevestigd.Hoewel een inmenging in het eigendomsrecht, zoals bij het voorkeurs-recht, voor een algemeen belang zoals woningbouw gerechtvaardigd kanzijn, vereist dit duidelijke regels die aangeven onder welke voorwaardenin eigendom mag worden ingegrepen (legaliteitsvereiste) en die proporti-oneel zijn. De regeling zoals opgenomen in het geamendeerdewetsvoorstel voldoet hier niet aan en moet zodoende aangepast wordenom weer in lijn gebracht te worden met het eigendomsrecht.Met deze novelle wordt geregeld dat de koppeling tussen de termijnenvoor de maximale geldingsduur van het voorkeursrecht en de voortgangin de ruimtelijke planvorming wordt teruggebracht. Het gaat dan om detijdige vaststelling van een omgevingsvisie of een programma en om detijdige vaststelling van een omgevingsplan om het voorkeursrecht voort telaten duren. Om een nieuwe functie zoals woningbouw mogelijk temaken, moet een omgevingsplan worden vastgesteld. Door hetschrappen van de koppeling aan de ruimtelijke planvorming, neemt het bijamendement voorgestelde onderdeel van het wetsvoorstel de druk wegom te komen tot de tijdige vaststelling van een omgevingsplan. Door hetherstellen van deze koppeling komt een belangrijke stimulans omvoortgang te boeken in het planproces over woningbouw te komenzodoende terug, en wordt de inperking van het eigendomsrecht dus ookvoorwaardelijk aan voortgang op dit doel.Ook wordt met deze novelle het hervestigingsverbod gedurende eenperiode van twee jaar te hersteld. Dit verbod waarborgt dat wanneer eengemeente niet binnen de vastgestelde termijnen voldoende voortgangboekt, de gemeente gedurende twee jaar niet opnieuw het voorkeursrechtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 34 op een locatie kan vestigen. Op deze manier wordt voorkomen dat eengemeente kort voor de termijn waarop het voorkeursrecht dreigt teverlopen, een nieuw voorkeursrecht kan vestigen op dezelfde grondslagen op dezelfde onroerende zaken. Zonder het hervestigingsverbod zou debeperkte geldingsduur van het voorkeursrecht dus geen betekenishebben. Ook wordt met het verbod voorkomen dat een voorkeursrecht –in theorie – voor onbepaalde duur gevestigd kan blijven, met strijdigheidmet het eigendomsrecht tot gevolg.Deze novelle regelt dat de mogelijkheid van vestiging van het voorkeurs-recht in een vroege fase voor vijf jaar, eenmalig kan worden verlengd metvijf jaar, zoals voorgesteld met het amendement waarbij dit op een anderewijze in de Omgevingswet wordt verankerd. Hiertoe wordt geregeld datde maximale geldingsduur van een voorkeursrecht dat bij beschikkingwordt gevestigd, wordt verlengd van drie naar vijf jaar. De termijnwaarmee dit voorkeursrecht kan worden verlengd door het vaststellen vaneen omgevingsvisie of programma, wordt ook verlengd van drie naar vijfjaar. Op deze wijze blijven de bij amendement voorgestelde mogelijk-heden van het wetsvoorstel behouden, maar blijft een koppeling metruimtelijke planvorming in stand. Omdat een voorkeursrecht navaststelling van een omgevingsplan op grond van de Omgevingswet nogeens maximaal tien jaar kan gelden, zou de totale maximale geldingsduurvan een voorkeursrecht dan verlengd worden naar twintig jaar en driemaanden op basis van de consultatieversie van dit voorstel. In het adviesvan de ATR is naar voren gebracht dat de noodzakelijkheid van deverlenging van de totale geldingsduur van de termijn van zestien jaar en 3maanden op basis van de bestaande regeling in de Omgevingswet naartwintig jaar en drie maanden niet is gebleken. Om die reden regelt dezenovelle dat de maximale totale geldingsduur gelijk blijft aan de termijnzoals die was geregeld in de Omgevingswet en voorheen de Wetvoorkeursrecht gemeenten: zestien jaar en drie maanden. Deze maximaletermijn is in overeenstemming met de bestaande praktijk. Bestuursor-ganen krijgen met deze regeling dus meer flexibiliteit om het voorkeurs-recht in een vroege fase van de planvorming te vestigen. In het geval datalle termijnen achtereenvolgens volledig worden benut wordt de totalegeldingsduur van het voorkeursrecht ingekort. Dit betekent dat als eenvoorkeursrecht op het moment van vaststelling van een omgevingsplanbijvoorbeeld al acht jaar en drie maanden geldt, dat het daarna op basisvan het omgevingsplan nog maximaal acht jaar kan blijven gelden.Bestuursorganen krijgen dus vijf jaar om een omgevingsvisie ofprogramma vast te stellen en daarna nog eens vijf jaar om eenomgevingsplan vast te stellen. Daarmee voorziet deze novelle in reparatiemet behoud van het doel van de indieners van het amendement omspeculatieve waardestijging bij onder meer grondposities voorwoningbouw te voorkomen door in een vroege fase een zelfstandigvoorkeursrecht eerder en langer te kunnen vestigen. Ook wordt daarmeerecht gedaan aan de door gemeenten soms als krap ervaren termijnen totaan de vaststelling van het omgevingsplan. Tegelijkertijd wordt voorzienin herstel van de koppeling aan ruimtelijke planvorming en herstel van hethervestigingsverbod, waarmee de strijdigheid van dit onderdeel van hetwetsvoorstel met het eigendomsrecht wordt voorkomen. Gezien dehierboven heringevoerde voorwaarden die tevens aan het voorkeursrechtzijn gekoppeld, doorstaat deze regeling de evenredigheidstoets. De matevan inmenging in het eigendom is voldoende voorzienbaar en proporti-oneel in verhouding tot het daarmee gediende algemene belang: eenadequate en voortvarende woningbouw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 35 3. Adviezen en internetconsultatie 3.1 Advies ATR, Raad voor de rechtspraak en Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State De ATR heeft geadviseerd de ontwerpnovelle niet in te dienen omdat nuten noodzaak van de voorgestelde verruiming van de maximalegeldingsduur van een voorkeursrecht naar twintig jaar en drie maandenten opzichte van de bestaande regeling (zestien jaar en drie maanden)daarvan in de Omgevingswet kwalitatief en kwantitatief niet zijn onder-bouwd en de werkbaarheid en praktische gevolgen voor grondeigenarenniet zijn gemotiveerd. Naar aanleiding van het advies van de ATR wordtde maximale geldingsduur van een voorkeursrecht ten opzichte van degeconsulteerde versie teruggebracht naar zestien jaar en drie maanden.Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het advies van de ATR inzake hetontbreken van een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van depraktische noodzaak van het verlengen van termijnen voor het vestigenvan voorkeursrechten. Verwezen wordt naar de toelichting op ditonderdeel in paragraaf in paragraaf 2.3.De Raad voor de rechtspraak en de Afdeling bestuursrechtspraak van deRaad van State hebben in deze novelle geen aanleiding gezien voor hetmaken van inhoudelijke opmerkingen of vanuit het oogpunt van rechtsbe-scherming of rechtspleging.3.2 Internetconsultatie en bestuurlijke consultatie AlgemeenUit de consultatie blijkt een brede steun voor deze novelle. Zo spreken IPOen VNG en Aedes steun uit voor de reparatie op alle onderdelen waarin denovelle voorziet. Hieronder wordt op de specifieke inbreng per onderdeelingegaan.Ongedaan maken van het absolute verbod op urgentie voorvreemdelingenAedes, VNG, VTW, IPO, VNG en enkele andere indieners geven aan dat zijpositief zijn over het ongedaan maken van het absolute verbod opurgentie voor alle vreemdelingen.De reactie van Kences, G4 en VTW betreffende het wetsvoorstel Wetnieuwe regels inzake huisvesting statushouders vallen buiten dereikwijdte van deze consultatie. Dat wetsvoorstel is op 4 oktober jl.ingediend bij de Tweede Kamer. Voor wat betreft deze novelle wordt hetonderdeel van het wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting dat eenabsoluut verbod op urgentie voor vreemdelingen introduceert geschrapt.Ongedaan maken van de regeling voor overgang van bevoegdheidtot vergunningverlening voor de technische bouwactiviteit nafatale termijnIPO en VNG geven aan dat zij positief zijn over het met deze novelleongedaan maken van het onderdeel dat voorziet in de overgang vanbevoegdheid tot vergunningverlening voor de technische bouwactiviteitna een fatale termijn. Zij benadrukken daarnaast het belang van struc-turele uitvoeringscapaciteit van gemeenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 36 De regering deelt het standpunt van de VNG dat de opgave voor dewoningbouw vraagt om versterking van de ambtelijke capaciteit bijgemeenten. Om ervoor te zorgen dat gemeenten voldoende capaciteithebben voor de woningbouw zonder dat dit ten koste gaat van anderetaken wordt samen met IPO en VNG gewerkt aan een aanpak dieoverheden en andere partners duidelijkheid en continuïteit biedt inondersteuning, middelen en inzet. Als onderdeel daarvan wordt in 2026een Landelijk Expertisecentrum Versnellen Woningbouw opgericht.Gemeenten kunnen daarnaast nog gebruik maken van regelingen terversterking van de ambtelijke capaciteit, bijvoorbeeld de Flexpoolregelingen het Expertteam Woningbouw. De regelingen worden door veelgemeenten benut: in 2024 door 207 gemeenten 8 en 166 gemeenten in2023.9Aanpassing regeling voorkeursrechtVNG en IPO onderschrijven de in deze novelle opgenomen regeling tenaanzien van het voorkeursrecht waarmee wordt voorzien in reparatievanwege de bescherming van het eigendomsrecht, maar met behoud vanhet doel van het amendement. Ook onderschrijven zij daarbij deaanpassing ten opzichte van de geconsulteerde versie ten aanzien van demaximale geldingsduur van het voorkeursrecht van zestien jaar en driemaanden in plaats van twintig jaar en drie maanden in de geconsulteerdeversie. Ook Aedes en enkele andere indieners geven aan positief te zijnover de voorgestelde aanpassingen. Voor de VNG is vooral van belang datde regeling voorziet in de mogelijkheid om eerder en langer eenvoorkeursrecht te vestigen voorafgaand aan de vaststelling van hetomgevingsplan. De regeling voorziet daarin, ook met de aanpassing tenopzichte van de geconsulteerde versie van deze novelle.Overwater Grondbeleid kaart aan dat er bij een maximale geldingsduurvan het voorkeursrecht van twintig jaar en drie maanden moet wordenoverwogen of er nog sprake is van een fair balance tussen het belang vande individuele grondeigenaar enerzijds en het met het voorkeursrecht tedienen algemene belang. Daarbij mag niet uit het oog worden verlorendat de eerder voorgestelde termijnverruiming weliswaar direct gekoppeldwordt aan het grote maatschappelijke belang van het realiseren van dewoningbouwopgave, maar dat zij, als het parlement dit voorstelaanvaardt, ook van toepassing zal zijn in tal van andere situaties waarinhet voorkeursecht wordt ingezet om als overheid de regie te kunnenblijven voeren over de beoogde ontwikkeling(en).Met de naar aanleiding van het ATR-advies in afstemming met de VNGaangepaste regeling wordt tegemoetgekomen aan deze reactie. Verwezenwordt naar de toelichting op dit onderdeel in paragraaf 2.3.Amendement schrappen beroepsmogelijkheid tegen woning-bouwplannen van een andere gemeenteDe VNG, de G4 en een andere respondent verzoeken om in deze novelleook het bij amendement10 toegevoegde onderdeel te schrappen dat regeltdat een gemeente geen beroep kan instellen tegen een besluit van eenandere gemeente over woningbouw. Zij vinden dit een ontoelaatbareinbreuk op het recht op toegang tot de rechter en een aantasting van deautonomie van gemeenten.8Jaarrapportage Expertteam Woningbouw in 2024.9Jaarrapportage Expertteam Woningbouw in 2023.10Kamerstukken II 2025/26, 36 512, nr. 101.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 37 Bij het nemen van een besluit moeten gemeenten ook rekening houdenmet de effecten die dit besluit heeft op andere gemeenten. Daarover moetvoorafgaand afstemming plaatsvinden. Dit is het uitgangspunt van deOmgevingswet, die diverse bepalingen bevat over bestuurlijk overleg ensamenwerking tussen overheden onderling. Waar sprake is van botsendebelangen, of waar een gemeente onvoldoende rekening houdt met dezebelangen moet dit verschil van inzicht dus niet leiden tot het proceduresbij de rechter, maar bij voorkeur bestuurlijk worden opgelost. In sommigegevallen kan de provincie interveniëren of een knoop doorhakken. DeOmgevingswet bevat daarvoor de nodige instrumenten zoals een reactiefinterventiebesluit. Daarmee kunnen gedeputeerde staten besluiten dateen onderdeel van het besluit tot vaststelling of wijziging van hetomgevingsplan geen deel blijft uitmaken van dat besluit, als dit nodig isvoor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en als hetbesluit in strijd is met een provinciaal belang. Het verzoek om hetwetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting ook op dit punt aan tepassen wordt dus niet overgenomen.Amendement urgentie aan dakloze gezinnen met kinderenIn twee reacties wordt ingegaan op de wenselijkheid om daklozen toe tevoegen aan de groep die met het wetsvoorstel worden aangemerkt alsurgent op grond van het voorgestelde artikel 12 Huisvestingswet 2014.Enerzijds pleit Dakloosheid Voorbij! ervoor dat in de Huisvestingswet 2014wordt vastgelegd dat alle dakloze mensen urgentie krijgen. Anderzijdsconstateert de G4 dat het amendement Grinwis c.s.11 over verplichteurgentiecategorie voor dakloze gezinnen met minderjarige kinderen in dewet blijft staan. Deze reacties pleiten ervoor om met deze novelle ditonderdeel van het wetsvoorstel te wijzigen.Bij het bepalen van de verplichte urgentiecategorieën heeft de regering inogenschouw genomen dat zoveel mogelijk eenduidig te objectiveren isdat huisvesting voor deze categorie nodig is vanwege een grootmaatschappelijk belang. Dit is aangegeven in reactie op de vragen vanverschillende fracties bij de nota naar aanleiding van het verslag aan deTweede Kamer bij het wetsvoorstel versterking regie op de volkshuis-vesting.12 Voor woningzoekenden vallend onder de definitie van ETHOS-light heeft dit ertoe geleid dat mensen die uitstromen uit de maatschappe-lijke opvang die dakloos zijn en maatschappelijke ondersteuning nodighebben, aangewezen worden als urgent woningzoekenden. Met hetamendement Grinwis c.s. is daaraan de groep toegevoegd bestaande uitdakloze gezinnen met minderjarige kinderen. De regering is van meningdat nadere afbakening van deze groep binnen de gegeven wettelijkebepaling nodig is met het oog op het verbeteren van de uitvoerbaarheidvan dit amendement. Het voornemen is om deze nadere afbakening op tenemen in de Regeling versterking regie volkshuisvesting (de regeling).Met deze novelle wordt daarom niet voorzien in een nadere wijzing vanartikel 12 van de Huisvestingswet 2014.In hun consultatiereacties hebben Dakloosheid voorbij!, IPO, Aedes, G4tevens aandacht gevraagd voor het al dan niet nader afbakenen van degroep daklozen gezinnen met minderjarige kinderen, de daaraanverbonden IBT-rol en monitoringsrol voor provincies, de gevolgen voorandere woningzoekenden, het terugvalpercentage dat geldt op hetmoment dat gemeenten niet slagen in het (tijdig) maken van regionaleafspraken over de huisvesting van verplichte urgenten en voor extrafinanciële middelen voor provincies en gemeenten. Het voornemen is om11Kamerstukken II 2023/24, 36 512, nr. 93.12Kamerstukken II 2023/24, 36 512, nr. 7Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 38 in extra financiële middelen voor provincies en gemeenten te voorzien enin de regeling een nadere afbakening op te nemen van de urgentiere-geling voor (dreigend) dakloze gezinnen met minderjarige kinderen.Daarbij zal ook worden ingegaan op de uitvoering daarvan. De IBT-rol vande provincie is daarbij voor deze categorie verplicht urgenten gelijk aan deIBT-rol voor andere categorieën verplicht urgenten. Dat wil zeggen dat hettoezicht betrekking heeft op de in de wet opgenomen verplichtingen voorgemeenten zoals het opstellen van een huisvestingsverordening metdaarin opgenomen de landelijke categorieën urgenten en het vervolgensuitvoeren van deze urgentieregeling.Amendementen inzake procedurele versnellingen en verhoginggriffierechtenIn één van de consultatiereacties wordt verzocht de bij amendement13toegevoegde artikelen 8:41, tweede lid, Awb (verhoogde griffierechten),16.83a Omgevingswet (rechtstreeks beroep/prorogatie), 16.86aOmgevingswet (geen tweede zitting), 16.87a, vijfde lid, Omgevingswet en16.87b Omgevingswet (verkorte uitspraak) te schrappen, omdat dezevolgens de indiener niet passen binnen het systeem van het wetsvoorstel.In de brief van 9 september 2025 aan de Eerste Kamer is om de daaringenoemde redenen aangekondigd dat ter reparatie een novelle inprocedure zal worden gebracht in verband met drie amendementen. Deregering ziet geen aanleiding om de andere bij amendement toegevoegdeonderdelen te wijzigen.II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel IOnderdeel A (Vervallen verbod op voorrang in Huisvestingswet2014)Onderdeel A regelt het vervallen van het verbod op voorrang voorpersonen met een vergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000.Het voorgestelde vierde lid ziet door de vernummering weer op hetinvoeren van een informatieverplichting voor gemeenten ten aanzien vanhuisvesting van categorieën urgent woningzoekenden. Het wetsvoorstelwordt hiermee op dit onderdeel teruggebracht naar hoe het luidde voorstemming over de amendementen door de Tweede Kamer.14Onderdeel B (Wijzigingen Omgevingswet)Onderdeel 1 (Vervallen regeling fatale termijn)In dit onderdeel komen onderdelen van het wetsvoorstel te vervallen diezien op het invoeren van een fatale termijn voor vergunningverleningvoor een technische bouwactiviteit door gemeenten. Dit betreft onder-delen FA, FB, FG en FH van artikel III van het wetsvoorstel.Onderdelen 2 en 3 (Aanpassing regeling voorkeursrecht)In dit onderdeel wordt geregeld dat onderdeel FD van artikel III van hetwetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting zo wordt gewijzigd datartikel 9.3 van de Omgevingswet na inwerkingtreding van de voorgesteldewijzigingen de in het algemeen deel van deze memorie van toelichtingbeschreven regeling voor het vestigen van voorkeursrechten omvat. Dit13Kamerstukken II 2025/26, 36 512, nrs. 96, 99, 54, 57 resp. 100.14Zie: Kamerstukken II 2023/2024, 36 512, nr. 3, p. 64 en 155.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 39 betekent dat een voorkeursrecht dat wordt gevestigd als er nog geenomgevingsplan is vastgesteld vijf jaar geldt in plaats van drie jaar. Doorvaststelling van een omgevingsvisie of programma wordt deze termijnmet nog eens vijf jaar verlengd. De geldingsduur van een voorkeursrechtna vaststelling van een omgevingsplan blijft ongewijzigd, met dienverstande dat de maximale totale geldingsduur van het voorkeursrechtnooit meer dan zestien jaar kan bedragen. Deze beperking is alleen aan deorde bij een besluit over verlenging van een voorkeursrecht dat al vijf jaarop een omgevingsplan berust, en dat in een vroege fase is gevestigd opbasis van een zelfstandige voorkeursrechtbeschikking (artikel 9.1, eerstelid, onder c, van de Omgevingswet). In beginsel kan een dergelijkvoorkeursrecht op grond van de Omgevingswet met nog eens vijf jaarworden verlengd, maar als dit leidt tot een overschrijding van de met ditonderdeel ingevoegde termijn van 16 jaar, wordt de verlengingstermijndienovereenkomstig ingekort.Daarnaast voorziet dit onderdeel in het vervallen van die onderdelen vande regeling voor het voorkeursrecht die noodzakelijk zijn voor de in hetalgemene deel van deze toelichting beschreven aanpassing daarvan. Ditbetreft onderdelen FC en FE.Onderdeel C (Overgangsrecht)Dit onderdeel houdt verband met de aanpassingen van de regeling voorhet voorkeursrecht zoals voorgesteld met onderdeel B van deze novelle.Dat onderdeel voorziet in het vervallen van artikel III, onderdeel van FE,van het wetsvoorstel, waarmee werd voorzien in een wijziging van artikel15.52 van de Omgevingswet. Door het vervallen van onderdeel FE kan deverwijzing naar artikel 15.52 van de Omgevingswet in artikel VII van hetwetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting komen te vervallen.Het overgangsrecht in artikel VII voor artikel 9.4 van de Omgevingswetwordt niet gewijzigd. Dit betekent dat de termijnen voor het vervallen vaneen voorkeursrecht zoals die golden voor inwerkingtreding van devoorgestelde wijzigingen in het wetsvoorstel versterking regie volkshuis-vesting, van toepassing blijven op voorkeursrechten die op dat momentreeds waren gevestigd.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 310
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.