Verslag van een schriftelijk overleg over publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Kamerstuk 28973-288)
Brontekst
Versie 2152e37c9347374a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202628 973Toekomst veehouderijNr. 290 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 19 februari 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van12 januari 2026 over publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwilligebeëindigingsregeling veehouderijlocaties (Kamerstuk 28 973, nr. 288).De vragen en opmerkingen zijn op 6 februari 2026 aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van19 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,PodtDe griffier van de commissie,Jansma kst-28973-290ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2901 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken metbetrekking tot de Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwilligebeëindigingsregeling veehouderijlocaties. Deze leden hebben geenaanvullende vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de start van deinternetconsultatie voor de Landelijke vrijwillige beëindigingsregelingveehouderijlocaties (Vbr). Deze leden constateren dat het kabinet opnieuwinzet op bedrijfsbeëindiging, terwijl fundamentele knelpunten in hetstikstof- en vergunningenbeleid onopgelost blijven. Dit roept bij dezeleden ernstige vragen op over de vrijwilligheid, doelmatigheid enrechtsstatelijke onderbouwing van deze regeling.Vrijwilligheid of verkapte dwangDe leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling als vrijwilligwordt gepresenteerd, terwijl boeren tegelijk worden geconfronteerd metvergunningsonzekerheid, handhavingsdreiging en juridisch stilstaandbeleid. Hoe kan de Minister volhouden dat er sprake is van echtevrijwilligheid, zolang boeren geen reëel perspectief hebben op legalisatieen voortzetting van hun bedrijf?AntwoordHet kabinet heeft in de afgelopen periode stevige inzet getoond door deMinisteriële Commissie Economie en Natuurherstel in te stellen, die eenstartpakket en een vervolgpakket gemaakt heeft, om van het stikstofslot tekomen. Zo werkt het kabinet ook aan toekomstperspectief voor blijvers.Wanneer veehouders desondanks zelf besluiten dat ze willen stoppen,bijvoorbeeld omdat ze geen bedrijfsopvolger hebben, kan een vrijwilligebeëindigingsregeling uitkomst bieden.Uitkoop als standaardoplossingDe leden van de PVV-fractie constateren dat het kabinet opnieuw kiestvoor bedrijfsbeëindiging in plaats van het oplossen van de kernpro-blemen: vastgelopen vergunningverlening en juridisering van hetstikstofbeleid. Waarom zet het kabinet opnieuw in op het uitkopen vanboeren, in plaats van eerst te zorgen voor rechtszekerheid en toekomst-perspectief voor bedrijven die willen doorgaan?AntwoordDe landelijke Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) isbedoeld voor veehouders die zelf besluiten dat ze willen stoppen,bijvoorbeeld omdat ze geen bedrijfsopvolger hebben. Het kabinet werktdaarnaast breed aan het op gang krijgen van de vergunningverlening.Daarom heeft het kabinet de Ministeriële Commissie Economie enNatuurherstel ingesteld, die een startpakket en een vervolgpakket heeftgemaakt dat is gericht om van het stikstofslot te komen.Onduidelijke doelmatigheidDe leden van de PVV-fractie constateren dat het voor de Kamer nietinzichtelijk is welk stikstofeffect met deze regeling daadwerkelijk wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2902 behaald en tegen welke kosten. Kan de Minister aangeven hoeveelstikstofreductie met deze regeling wordt verwacht, hoeveel bedrijven naarverwachting zullen deelnemen en wat de kosten per mol reductie zijn?AntwoordDe Vbr is een vrijwillige subsidieregeling. Dit maakt dat het lastig is om opvoorhand te kwantificeren wat het mogelijke doelbereik is. De daadwerke-lijke stikstofreductie zal, onder andere, afhankelijk zijn van het aantal entype bedrijven dat uiteindelijk zal deelnemen aan de regeling. Het huidigekabinet heeft ervoor gekozen om te sturen op stikstofemissiereductie ende Vbr draagt als zodanig bij aan dit doel. Bij volledige benutting van hetbeschikbare budget wordt de opbrengst van de Vbr ingeschat op 1,2 tot1,5 kiloton ammoniakreductie, onder voorbehoud van voorgenoemdeonzekerheden.Brussel vóór de KamerDe leden van de PVV-fractie constateren dat de regeling op korte termijnter pre-notificatie wordt aangeboden aan de Europese Commissie, terwijlde Kamer hierover nog niet inhoudelijk heeft gedebatteerd. Waarom kiestde Minister ervoor Brussel voorrang te geven boven het parlement enwelke beleidsruimte resteert de Kamer nog na pre-notificatie?AntwoordSinds mijn aantreden heb ik met uw Kamer regelmatig van gedachtengewisseld over de opzet en het tijdpad van de Vbr, zowel in debatten als inschriftelijk overleg. Tevens heb ik uw Kamer bij brief van 19 september2025 op de hoogte gesteld van de voorgenomen opzet van de Vbr1, verderaangevuld in mijn brief van 19 december 20252, waarin ik ook mijn inzetkenbaar heb gemaakt om de prenotificatie van de conceptregeling bij deEuropese Commissie zo snel mogelijk in 2026 te starten. Dit met het oogop een zo spoedig mogelijke publicatie en openstelling van de regeling.Lessen uit eerdere regelingenDe leden van de PVV-fractie constateren dat eerdere beëindigingsrege-lingen trage uitvoering, complexe voorwaarden en langdurigeonzekerheid voor boeren kenden. Welke concrete verbeteringen zijndoorgevoerd ten opzichte van eerdere regelingen en kan de Ministergaranderen dat deelnemers niet opnieuw vastlopen in langdurigeprocedures?AntwoordIk herken mij niet in het geschetste beeld van de PVV-fractie. Bedrijfsbe-ëindiging is een complex proces waarbij ondernemers voor grotebeslissingen staan. Dit vraagt dus ook om zorgvuldige processen. Eerderheb ik uw Kamer bij brief van 15 juni 20253 geïnformeerd over uitda-gingen die zich in de uitvoering van voorgaande landelijke beëindigings-regelingen hebben voorgedaan en hoe hierop geanticipeerd is. Bij devormgeving van de Vbr is er zoveel mogelijk rekening gehouden met dezeervaringen. Het kan echter niet gegarandeerd worden dat er bij hetcomplexe proces van bedrijfsbeëindiging in individuele gevallen situatiesontstaan waar op voorhand niet op geanticipeerd is. Dergelijke gevallenkunnen namelijk ook door bijvoorbeeld gerechtelijke uitspraken ontstaan.Door tijdens de uitvoering van de Vbr in goed contact blijven met RVO,zaakbegeleiders, sectorpartijen en medeoverheden blijf ik, net zoals ik bij1Kamerstuk 28 973, nr. 2822Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 113Kamerstuk 35 334, nr. 400Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2903 de Lbv-regelingen heb gedaan, de vinger aan de pols houden. En waarnodig zal ik in goede samenspraak met de uitvoering, zaakbegeleiders endecentrale overheden steeds onderzoeken of er voor deze gevallenoplossingen mogelijk zijn.Risico-inventarisatie bij beleid dat afwijkt van het EU-beleidDe leden van de PVV-fractie zijn voor de instandhouding van de Neder-landse boeren en daarmee ook voor de Nederlandse voedselzekerheid.Deze leden vinden dan ook dat dit leidend moet zijn. Graag zouden dezeleden een concrete reactie van de Minister ontvangen met alle risico’s enmogelijke gevolgen wanneer de Nederlandse regering echt achter deboeren gaat staan en daarmee geen gehoor geeft aan de onwerkbarebeperkingen die Brussel ons oplegt.AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk om boeren perspectief te geven. Ik heb mijhier de afgelopen tijd hard voor gemaakt. Dat betekent ook dat er somsstevige gesprekken met de Europese Commissie noodzakelijk zijn. Diegesprekken gaat het kabinet niet uit de weg. We doen dit vanuit hetbelang van Nederland en vanuit het belang van de Nederlandse boeren.Het is echter niet in het belang van de Nederlandse boeren om decommunicatie met de Europese Commissie te staken en de afsprakenbinnen de Europese Unie te negeren. Onze Nederlandse boeren zijn medeafhankelijk van de afspraken die we binnen de Unie hebben gemaakt enhebben ook nadrukkelijk baat bij deze afspraken. Daarbij valt onder anderete denken aan vrij verkeer van goederen, het tegengaan van concurrentie-verstorende maatregelen door andere lidstaten, afspraken op het terreinvan dier- en plantgezondheid. Juist daarom blijven open lijnen met deEuropese Commissie van groot belang, waarbij het kabinet zich tegelij-kertijd blijft inzetten voor aanpassing of uitzondering van specifiekeEuropese regelgeving.Tot slotDe leden van de PVV-fractie benadrukken dat boeren geen probleem zijndat moet worden «weggekocht», maar ondernemers zijn die recht hebbenop rechtszekerheid, eigendomsbescherming en een toekomst. Zolang hetkabinet vasthoudt aan een stikstofbeleid dat bedrijven juridisch klemzet enuitkoop als oplossing presenteert, is geen sprake van vrijwilligheid maarvan politieke druk. Deze leden verzetten zich tegen beleid dat hetNederlandse platteland verder uitholt in plaats van versterkt.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deregering over Publicatie internetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindi-gingsregeling veehouderijlocaties en hebben enkele vragen.De leden van de CDA-fractie constateren dat jonge boeren meer moeitehebben met financiële redzaamheid dan langer zittende boeren vanwegeonder andere financiële opstartproblemen. Deze leden zijn van meningdat er een risico kan ontstaan dat jonge boeren hierdoor eerder geneigdzijn zichzelf aan te melden voor een vrijwillige beëindigingsregeling. Dezeleden zien het belang van jonge boeren voor een toekomstbestendigesector en willen de toegang tot de sector toegankelijker maken. Zij vragende Minister in hoeverre er bij het opstellen van deze vrijwillige beëindi-gingsregeling rekening is gehouden met dit risico en in hoeverre en opwelke wijze de regeling zo kan worden ingericht dat dit risico wordtbeperkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2904 AntwoordJonge landbouwers zijn essentieel voor de toekomst van de landbouw: zijzorgen voor de continuïteit en toekomstbestendigheid van de Neder-landse landbouw. Het is niet bekend in hoeverre er interesse is bij jongeboeren voor een vrijwillige beëindigingsregeling.De start of overname van een landbouwbedrijf is voor veel jonge boereneen grote drempel doordat bedrijven een relatief grote aankoopsomkennen (onder meer door grondwaarde) maar tegelijkertijd een lagerentabiliteit. Om de financieringslast te verlagen is daarom de interventie«Vestigingssteun voor jonge landbouwers» in het GLB-NSP opgenomen.Hiermee kunnen jonge boeren en tuinders een subsidie krijgen bijvestiging waarmee juist in de fase direct na de bedrijfsovernamefinanciële ondersteuning geboden wordt. Daarnaast is zichtbaar dat hetinstrument Investeringsfonds Duurzame Landbouw door relatief veeljonge boeren wordt benut. Ongeveer twee derde van de IDL-aanvragen isafkomstig van jonge boeren (<40 jaar). Samen met de verplichte cofinan-ciering kan een lening uit het IDL worden gebruikt om een bestaandboerenbedrijf (inclusief grond) over te nemen en waarbij maatregelenworden genomen om emissies te beperken. Jonge boeren worden binnenhet IDL met een hoger percentage ondersteund.Bedrijfsovername door jonge boeren is een vaak langdurig proces,waarbij familie, adviseurs en financiers zijn betrokken. Eerder genoemdinstrumentarium ondersteunt jonge boeren bij deze overname en hetopstarten van het bedrijf. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat kortna het doorlopen van een bedrijfsovername jonge boeren alsnog totvrijwillige bedrijfsbeëindiging overgaan. Hoewel ik het zou betreuren alsjonge boeren overwegen mee te doen aan de Vbr, kan en wil ik deelnamevan jonge boeren aan de regeling niet uitsluiten. In de eerste plaats zaleen veehouder een keuze om te stoppen niet lichtvaardig maken, en wil ikdaar dan ook niet vanuit de overheid op ingrijpen. In de tweede plaatsmag op grond van het gelijkheidsbeginsel geen onderscheid gemaaktworden op basis van persoonlijke kenmerken van de subsidieaanvrager.Bovendien bepaalt het Europese steunkader dat de te verlenen staats-steun voor alle in aanmerking komende ondernemingen toegankelijkmoet zijn.De leden van de CDA-fractie merken op dat binnen de Landelijkebeëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv) en Landelijke beëindi-gingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) wasopgenomen dat de ondernemer bij vrijwillige uitkoop 15 procent van deomgevingsvergunning van een Natura 2000-activiteit kon behouden. Nade uitspraken van de Raad van State op 18 december 2024 inzake Rendac(Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, 18 december 2024,ECLI:NL:RVS:2024:4923) en Amercentrale (Afdeling bestuursrechtspraakRaad van State, 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4909) is dit in depraktijk nagenoeg onmogelijk geworden vanwege de additionaliteitsver-eiste en de ontbrekende stikstofruimte. Dit heeft er toe geleid dat eenaanzienlijk aantal bedrijven zich uiteindelijk terugtrokken en niet meerwilden deelnemen aan de beëindigingsregeling. In de Vbr wordt ook eensoortgelijke 15 procent-regeling opgenomen.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister in hoeverre de uitsprakenvan 18 december 2024 ook invloed heeft op de voorgenomen 15 procent-regeling in deze nieuwe beëindigingsregeling. Ook vragen deze leden deMinister in hoeverre en op welke wijze er rekening wordt gehouden meteen scenario waarin deelnemers zich in de Vbr ook terugtrekken als blijktdat er geen ruimte voor de 15 procent-regeling is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2905 AntwoordIk ben van plan ook in de Vbr de voorwaarde op te nemen dat als eenondernemer, na de sluiting van de veehouderijlocatie (met subsidie opgrond van de regeling), voornemens is een andere activiteit te gaanverrichten, de toegestane stikstofemissie door het bevoegd gezag(doorgaans de provincie) wordt gemaximeerd op de daadwerkelijkestikstofemissie van die nieuwe activiteit, met een maximum van 15% vanhetgeen waarvoor voorheen toestemming was verleend.Door de uitspraken van de Raad van State, eind 2024, is er inderdaad eenperiode onduidelijkheid geweest over de vraag hoe deze zogenaamde«15 procent-voorwaarde» bij de Lbv, de Lbv-plus en de Lbv kleineresectoren kon worden toegepast. Dit heeft tijdelijk voor onzekerheidgezorgd bij deelnemende veehouders. Provincies en het Ministerie vanLVVN hebben in het voorjaar van 2025 duidelijkheid kunnen verschaffendoor de oplevering van een handelingsperspectief voor deze bestaanderegelingen, dat provincies concrete handvatten geeft om nieuweactiviteiten tot maximaal 15% van de voorheen toegestane emissie tekunnen toestaan door middel van een natuurvergunning. Sindsdien zijnprovincies voortvarend aan de slag gegaan: een fors aantal nieuwenatuurvergunningen voor nieuwe activiteiten zijn inmiddels onherroe-pelijk. Gelet op deze ervaringen met de Lbv, Lbv-plus en Lbv kleineresectoren heb ik met vertrouwen in de Vbr weer een «15 procent-voorwaarde» opgenomen.De leden van de CDA-fractie constateren dat zaakbegeleiders wordeningezet in het ondersteunen van deelnemers van de Vbr. Deze ledenmerken op dat deze zaakbegeleiders een waardevolle rol vervullen en eenunieke positie innemen die ook bij het opstellen van een nieuwe beëindi-gingsregeling kan worden benut. Deze leden zien de kennis en inzichtenvan de zaakbegeleiders uit zowel de Lbv en Lbv+ rals ook de gesprekkenmet Programma Aanpak Stikstof (PAS)-melders dan ook als zeer relevantvoor de totstandkoming van de Vbr. Deze leden vragen de Minister of enop welke wijze de zaakbegeleiders ook daadwerkelijk zijn en wordenbetrokken in de totstandkoming van de Vbr.AntwoordBij de totstandkoming van de regeling hebben er meerdere gesprekkenplaatsgevonden met, onder andere, zaakbegeleiders, sectorpartijen,medeoverheden en de uitvoering. In deze gesprekken zijn waardevolleinzichten opgehaald en waar mogelijk verwerkt in de Vbr. Ook tijdens deuitvoering van de regeling blijf ik openstaan voor deze waardevollesignalen vanuit de praktijk, zoals van zaakbegeleiders. Ik zal daarom ook indeze fase in contact blijven met onder andere de zaakbegeleiders.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben de Vbr waarvoor 12 januari 2026 deinternetconsultatie is gestart, gelezen en hebben daarover nog enkelevragen.De leden van de BBB-fractie vragen waarom ervoor is gekozen om deregeling zo in te richten dat veehouderijlocaties die volledig of deelsgelegen zijn binnen een strook van 1.000 meter rondom een overbelast envoor stikstof gevoelige Natura 2000-gebied met voorrang aanspraakkunnen maken op subsidie, en daarnaast deelnemers buiten die gebiedengeen vergoeding te geven voor sloopkosten.AntwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2906 Ik heb uw Kamer bij brief van 19 september 20254 uitgebreid geïnfor-meerd over de hoofdlijnen van de regeling. Ik heb u daarbij aangeven dathet kabinet zich sterk maakt voor het zo snel mogelijk weer van het slotkrijgen van Nederland en het spoedig mogelijk maken van vergunningver-lening. Wat onder andere door natuurherstelmaatregelen en emissiere-ductie bevorderd moet worden. Zoals vermeld concludeer ik op basis vancijfers van het RIVM dat de Vbr, bij het hanteren van een afstandscriteriumvan 1.000 meter rondom de overbelaste Natura 2000-gebieden, eensubstantiële doelgroep kent die aanzienlijke emissiereductie kan bewerk-stelligen. Daarom wil ik veehouderijlocaties die zijn gelegen binnen 1.000meter rondom de overbelaste Natura 2000-gebieden met voorrang inaanmerking laten komen voor een subsidie. Gelet op de urgentie van deproblematiek acht het kabinet een vergoeding voor de sloopkosten binnen1.000 meter van belang.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast of de Minister kanreflecteren op de gevolgen van deze uitkoopregeling voor structuur op hetplatteland. Deze leden zien namelijk het risico dat gebiedsgericht nu ergveel agrarische bedrijven verdwijnen. Wat zijn de gevolgen voor desamenleving als men breder kijkt dan alleen naar voedselproductie enfinanciën? Boeren voorzien ook in agrarisch natuurbeheer, educatie ophun bedrijf en neventakken zoals zorg en kinderopvang. Daarnaast isnatuurlijk ook de structuur rondom agrarische bedrijven gevoelig voor hetwegvallen van een groot aantal bedrijven in één gebied. Is daarnaaronderzoek gedaan? Wat zijn de gevolgen voor toeleveranciers, veeartsen,loonwerkers en andere bedrijven die afhankelijk zijn van de agrariërs?AntwoordHet kabinet erkent dat beëindigingsregelingen naast effecten voor deindividuele agrariërs en de kwaliteit van de leefomgeving ook effectenhebben op ketenpartijen en de vitaliteit van het landelijk gebied. Het islastig om mogelijke tweede-orde-effecten op de keten exact te duiden,omdat de impact sterk wordt bepaald door de bredere beleidsinzet, delokale context en marktomstandigheden. Er zijn er diverse onderzoekengedaan naar de sociaaleconomische impact van de aanpak van destikstofopgave.Om de effecten op de werkgelegenheid beter inbeeld te brengen heb ik,als onderdeel van de uitvoering van de motie Van der Plas inzake eentransitieplan voor werknemers, een onderzoek uitgezet om aardenomvang van het verlies van werkgelegenheid in beeld te brengen5. Deresultaten hiervan verwacht ik in de eerste helft van dit jaar. Daarnaastheeft de Wageningen University & Research in opdracht van LVVN eenrapport gepubliceerd over de te verwachte technische uitvoerbaarheid enmaatschappelijke impact van vier theoretische scenario’s waarmee aan deuitspraak van de rechter inzake de Greenpeace bodemprocedure kanworden voldaan. Uit dit onderzoek blijkt dat mogelijke maatregelenaanzienlijke consequenties hebben voor de individuele boeren engemeenschappen waar de maatregelen neerslaan, maar dat de bredewelvaartseffecten positief kunnen zijn mits er flankerend beleid wordtopgevoerd6. Ook structureel worden sociaaleconomische effectengemonitord. Uit de monitor van het programma stikstof en natuur (PSN)4Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 115Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 516Reinhard, S., F. Speijer, R.P. Baayen, G. Migchels, S. van Berkum, R.H. Pessers, A.N. Walker,P.J. Woltjer, M.P.H. Selten, W.H.G.J. Hennen, 2025. Sociaaleconomische en ecologische effectenvan theoretische scenario’s voor reductie van de stikstofdepositie op stikstofgevoeligeNatura 2000-gebieden. Wageningen, Wageningen Social & Economic Research, Rapport2025–133. 124 blz.; 8 fig.; 22 tab.; 88 ref.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2907 blijkt dat de effecten op de arbeidsmarkt en economie van de in het PSNopgenomen maatregelen groter kunnen worden naarmate er meerbedrijven stoppen7. Dit is vooral het geval in gebieden waar meerveehouderijen in aanmerking komen voor de beëindigingsregelingen.Daartegenover staat dat er ook deels nieuwe economische activiteitenkunnen ontstaan. Veel van de veehouders die meedoen aan de beëindi-gingsregelingen willen blijven ondernemen en een andere economischeactiviteit starten. Het Kabinet ondersteunt dit onder meer doorveehouders die meedoen aan beëindigingsregelingen de mogelijkheid tebieden om maximaal 15% van hun vrijgekomen stikstofruimte tegebruiken voor nieuwe activiteiten. Het is aan de nieuwe bewindspersoonom opvolging te geven aan de resultaten uit deze onderzoeken.De leden van de BBB-fractie vragen tot slot wat de te verwachtengevolgen zijn voor het areaal blijvend grasland als deze uitkoopregelingsuccesvol is. Wat zouden de gevolgen zijn voor bijvoorbeeld de waterkwa-liteit als het aandeel grasland afneemt door deze regeling?AntwoordLandbouwgrond is geen onderdeel van de Vbr gelet op de beperkingenvanuit het staatssteunkader, het budgettaire beslag dat hiermee gemoeidgaat, en het verwachte negatieve effect op de deelnamebereidheid.Deelnemers kunnen zelf besluiten wat zij met hun landbouwgrond doen.Deelname aan de Vbr is vrijwillig. Hierdoor is het niet bekend hoeveel enwelk type bedrijven uiteindelijk zullen deelnemen. Daarbij is het ookonzeker wat de deelnemende veehouderijlocaties met blijvend graslandmet hun grond gaan doen. Het is daarom niet mogelijk om op voorhanduitspraken te doen over de mogelijke gevolgen voor het areaal blijvendgrasland. Wat het omzetten van grasland naar bouwland betekent voor dewaterkwaliteit hangt af van veel factoren waaronder de grondsoort en deteeltwijze.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de conceptre-geling voor vrijwillige bedrijfsbeëindiging in de veehouderij die terconsultatie is voorgelegd. Deze leden hebben enkele vragen.De leden van de SGP-fractie constateren dat bij vorige saneringsrege-lingen relatief veel geld is geïnvesteerd in de sanering van relatiefmoderne stallen met relatief lage emissies per dierplaats en dat deregelingen minder aantrekkelijk waren voor bedrijven met verouderdestallen en relatief hoge emissies per dierplaats. Deelt de Minister dezeanalyse? Deelt zij de mening van deze leden dat dit niet bijdraagt aanstructuurversterking van de veehouderij en geen doelmatige bestedingvan middelen is? Deelt de Minister de analyse van deze leden dat devoorgestelde beëindigingsregeling opnieuw aantrekkelijker is voorbedrijven met relatief moderne stallen dan voor bedrijven met verouderdestallen? Ziet de Minister mogelijkheden om de regeling zo in te richten dathet bijdraagt aan structuurversterking van de veehouderij en de regelingaantrekkelijker wordt voor bedrijven met verouderde stallen? Deze ledenwijzen in dit verband op de mogelijkheid om een koppeling te maken metde verplaatsingsregeling, zodat de verouderde stallen van een onder-nemer die door wil gaankunnen worden gesloopt, maar de ondernemerdoor kan gaan op een locatie met modernere stallen.7PBL, 2024 Trienekens et al. Sociaaleconomische effecten van stikstofbronmaatregelen ennatuurmaatregelenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2908 AntwoordDe vragen van de leden van de fractie van de SGP zien op het sturen vande Vbr op «verouderde» stallen of bedrijven. Dit was tevens een wens inhet hoofdlijnenakkoord van kabinet Schoof. Ik heb meermaals onderzochtof het binnen een beëindigingsregeling mogelijk is om hierop te sturen enheb hierover in verschillende debatten met uw Kamer over van gedachtengewisseld.Het beeld dat met de vorige beëindigingsregelingen relatief veel jongemoderne stallen permanent uit productie zijn genomen herken ik niet. Inmijn brief van 19 september 20258 heb ik aan uw Kamer gemeld dat uitgegevens van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland blijkt dattwee derde van de stallen van veehouders die een aanvraag voor de Lbvof Lbv-plus hebben ingediend ouder is dan 20 jaar.In diezelfde brief licht ik toe dat het niet mogelijk is gebleken om te sturenop verouderde bedrijven. Het Europese steunkader vereist dat hetselectiecriterium van de doelgroep aansluit bij het doel van de regeling.Gezien het doel van de Vbr moet het selectiecriterium dus sturen op dereductie van ammoniakemissie. Voor veehouderijlocaties geldt echter dathet niet mogelijk is om een dergelijk selectiecriterium vast te stellenwaarbij verouderde en (ver)nieuw(d)e bedrijven onderscheiden worden,omdat oudere bedrijven namelijk niet per definitie meer ammoniakuitstoten dan nieuwe bedrijven. Dit houdt verband met het feit dat op veelveehouderijlocaties een combinatie van oudere en nieuwe stallenaanwezig is. Bovendien zijn veel oudere stallen aangepast, om te voldoenaan de huidige eisen.De leden van de SGP-fractie constateren dat er in de varkenshouderijzorgen zijn over de gevolgen van de verschillende saneringsregelingenvoor de balans tussen het aantal zeugen en het aantal vleesvarkens,omdat relatief veel vleesvarkensbedrijven worden gesaneerd en eengroter deel van de biggen geëxporteerd zal moeten worden. Hoe weegt deMinister dit, zo vragen deze leden.AntwoordHet kabinet kiest er nadrukkelijk voor om uit te gaan van vrijwilligheid bijbeëindiging van veehouderijlocaties. Ik zet mij er ook nadrukkelijk voor inom agrarische ondernemers perspectief te bieden. Als veehouders tot dekeuze komen om te stoppen met hun activiteiten en voor een nettefinanciële afhandeling een beroep willen doen op de beëindigingsregelingwil ik hen niet uitsluiten vanwege hun specifieke veehouderijactiviteit. Datkan inderdaad betekenen dat er nieuwe evenwichten zullen ontstaan opde markt. Nederland is een markteconomie en daarom zie ik hierbij geenrol voor de overheid.De leden van de SGP-fractie horen graag waarom de Minister heeftgekozen voor een selectie op basis van wie het eerst komt, wie het eerstmaalt. Zijn vanuit het oogpunt van doelmatigheid andere variantenoverwogen? Zo ja, welke? Waarom is hier niet voor gekozen? Waarom isbijvoorbeeld niet gekozen voor prioritering op basis van euro’s pervermeden kilogram stikstofuitstoot in combinatie met de afstand tot destikstofgevoelige natuur?AntwoordIk heb uw Kamer bij brief van 19 september 20259 uitgebreid geïnfor-meerd over de hoofdlijnen van de regeling. Ik heb daarbij aangeven dat8Kamerstuk 28 973, nr. 2829Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 11Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 2909 het kabinet zich sterk maakt voor het zo snel mogelijk weer van het slotkrijgen van Nederland en het spoedig mogelijk maken van vergunningver-lening, wat onder andere door natuurherstelmaatregelen en emissiere-ductie bevorderd moet worden.Om de ammoniakemissies nabij de overbelaste Natura 2000-gebieden zosnel als mogelijk te reduceren is er, na het zorgvuldig afwegen vanverschillende varianten, gekozen om veehouderijlocaties gelegen binneneen zone van 1.000 meter rondom overbelaste Natura 2000-gebieden opbasis van «wie het eerst komt, wie het eerst maalt» te beschikken.Hierdoor kunnen de subsidieaanvragen voor deze veehouderijlocaties bijbinnenkomst gelijk worden beschikt, waardoor zij ook sneller stappenkunnen zetten in de beëindiging van hun veehouderijlocatie.Indien er na het beschikken van alle veehouderijlocaties binnen1.000 meter van overbelaste Natura 2000-gebieden nog budget resteert,dan komen veehouderijlocaties gelegen buiten deze zone in aanmerkingvoor subsidie. Voor deze groep is gekozen om te rangschikken op basisvan doelmatigheid (aantal euro subsidie per kilogram ammoniakemissie),waarbij de veehouderijlocaties die tegen het laagste subsidiebedrag perkilogram emissie beëindigd kunnen worden komen als eerste inaanmerking.De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister mogelijkhedenziet voor een regeling voor veehouders die vanwege het ontbreken vaneen opvolger binnen afzienbare termijn willen stoppen en met dezeregeling contractueel akkoord gaan met bedrijfsbeëindiging binnen eenafgesproken termijn, inclusief de garantie dat ze in de tussentijd niet meerhoeven te investeren in nieuwe milieu- of dierenwelzijnseisen.AntwoordIk zie de mogelijke voordelen van dit voorstel. Tegelijkertijd zijn eruitdagingen bij het vormgeven van een dergelijke regeling Zo is het in deeerste plaats niet evident welke grondslag er is voor een contractueleverplichting tot stoppen in de toekomst. In de tweede plaats is eendergelijke verplichting geen garantie dat een ondernemer in de toekomstdaadwerkelijk tot sluiting overgaat. Deelname aan een subsidieregeling isimmers vrijwillig, een ondernemer heeft te allen tijde de mogelijkheid omzich uit de subsidieregeling terug te trekken en van de onomkeerbaresluiting van de veehouderijlocatie af te zien. Voorts zou een dergelijkeinvulling van de regeling betekenen dat er een financieel beslag wordtgelegd op financiële middelen voor de mogelijke toekomstige sluiting vaneen veehouderijlocatie, zonder dat dit op korte termijn leidt tot minderstikstofemissie en -depositie en de opbrengst van stikstofruimte voorvergunningverlening. De financiële middelen die hiermee gemoeid zijnkunnen dan niet ten gunste komen aan veehouders die wél nu willenstoppen en zo direct stikstof reduceren. Het is aan het volgende kabinetom te besluiten over de vormgeving van nieuwe regelingen.De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister mogelijkhedenziet om gedeeltelijke bedrijfsbeëindigingen in de opkoopregeling mee tenemen, bijvoorbeeld bij gemengde bedrijven die een tak willen afstoten ofbij bedrijven die een verouderde stal willen slopen.AntwoordHet wordt niet mogelijk om op grond van de Vbr een veehouderijlocatiegedeeltelijk te beëindigen. Vanuit het staatssteunkader is het vereist datde sluiting van de productiecapaciteit definitief en onherroepelijk is,waardoor een deelnemende veehouder (of een eventuele opvolger), diezijn bedrijf gedeeltelijk wil beëindigen, nooit meer in dieraantallen magTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 29010 gaan groeien. Hierdoor zal de verdere economische ontwikkeling van debetreffende locatie onmogelijk zijn, dat vind ik onwenselijk. Het gedeel-telijk beëindigen is bovendien juridisch en uitvoeringstechnisch complex,waardoor het moeilijker te waarborgen is dat sprake is van rechtmatigebesteding van overheidsmiddelen en van geoorloofde staatssteun.Tegelijkertijd is het uiteraard mogelijk de akkerbouwtak voort te zetten opeen deelnemend gemengd bedrijf met een veehouderijtak en eenakkerbouwtak.De leden van de SGP-fractie zien risico’s voor de ontwikkeling van dewaterkwaliteit als vrijkomende graslanden omgezet worden in bouwland.Hoe wordt, bijvoorbeeld door inzet van de Nationale Grondbank,omzetting van grasland in bouwland zoveel mogelijk voorkomen, zovragen deze leden.AntwoordLandbouwgrond is geen onderdeel van de Vbr gelet op de beperkingenvanuit het staatssteunkader, het budgettaire beslag dat hiermee gemoeidgaat, en het verwachte negatieve effect op de deelnamebereidheid.Deelnemers kunnen zelf besluiten wat zij met hun landbouwgrond doen.Wat het omzetten van grasland naar bouwland betekent voor de water-kwaliteit hangt af van veel factoren waaronder de grondsoort en deteeltwijze. Ik vind ook dat het behoud van grasland aandacht verdient. Dedoor de Nationale Grondbank verkregen gronden, waaronder grasland,worden na het doorlopen van een gebiedsproces op verzoek vanprovincie verkocht ten behoeve van realisatie van LVVN-doelen. Uit hetgebiedsproces blijkt welke functie of gebruik de gronden krijgen.Eventuele gebruiksbeperkingen worden bij de verkoop vastgelegdmiddels kwalitatieve verplichtingen. De Nationale grondbank van LVVN isslechts een van de spelers op de grondmarkt.De leden van de SGP-fractie horen graag waarom opnieuw een beroeps-verbod binnen dezelfde veehouderijtak, ook binnen Nederland, isopgenomen, terwijl door de opkoop van de productie- en fosfaatrechtenin combinatie met bijbehorend stelsel al is verzekerd dat het aantal dierenop nationale schaal afneemt. De op een op te kopen locatie stoppendeveehouder kan immers alleen elders verder als hij bestaande productie-en fosfaatrechten overneemt.AntwoordIk kan de inbreng van de leden van de SGP-fractie goed volgen. Echter,subsidieregelingen moeten voldoen aan de toepasselijke Europesestaatssteunkaders. In het geval van subsidie voor de onomkeerbarebeëindiging van veehouderijlocaties gaat het om het kader voor steunvoor de sluiting van de productiecapaciteit. Eén van de voorwaardenonder dit steunkader is dat van de begunstigde een wettelijk bindendetoezegging moet worden verkregen dat de begunstigde dezelfde activiteitniet opnieuw zal beginnen op een andere plaats. Deze voorwaardevertaalt zich in de Vbr (zoals ook in eerdere beëindigingsregelingen) in hetvereiste dat een veehouder niet elders dezelfde diersoort gaat houden alsdie werd gehouden op de met subsidie gesloten veehouderijlocatie, voorzover het een diersoort betreft waarop de subsidieverstrekking betrekkinghad. Een ondernemer kan dus na deelname aan deze regeling elders eenandere diersoort gaan houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 29011 Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de publicatieinternetconsultatie Landelijke vrijwillige beëindigingsregeling veehoude-rijlocaties en hebben hier een aantal vragen over.De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Minister te reflecteren op hetonderzoek van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) (Rli,februari 2026 «Grond voor verbetering» (https://www.rli.nl/publicaties/2026/advies/grond-voor-verbetering)), waarin wordt geconcludeerd dat deoverheid de verduurzaming van de landbouw belemmert. Zo wordt bij deuitkoop van veehouderijen niet de grond opgekocht. Deze grondenworden vervolgens door de uitgekochte veehouders verpacht of verkochtaan de hoogste bieders, vaak voor intensieve teelten waarvoor veellandbouwgif wordt gebruikt, zoals aardappel- en lelieteelt.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister de mening van dezeleden deelt dat dit zeer onwenselijk is. Zo nee, waarom niet? Is zij bereidom, conform het advies van de Rli, actiever in te grijpen op de grondmarktom zo maatschappelijke doelen te realiseren? Zo nee, waarom niet? Zietde Minister mogelijkheden om, in lijn met het advies van de Rli, deaankoop van grond onderdeel uit te laten maken van de beëindigingsre-gelingen, zodat deze grond vervolgens kan worden verkocht of verpachtten behoeve van biologische, plantaardige teelten? Zo nee, waarom niet?Ziet zij dan mogelijkheden om via flankerend beleid ervoor te zorgen datgronden die vrijkomen bij beëindigingsregelingen niet mogen wordenverpacht of verkocht voor intensieve teelten maar uitsluitend mogenworden gebruikt voor biologische en plantaardige landbouw, indien deMinister hier niet toe bereid is? Zo nee, waarom niet?AntwoordWe hebben het rapport van Rli in ontvangst genomen. Het is echter aanhet volgende kabinet om hier een reactie op te geven.De leden van de PvdD-fractie vragen hoe de Minister het verder opdrijvenvan de hoge prijzen van landbouwgrond, wat vaak wordt aangejaagd doorbeleggers en speculanten, tegengaat.AntwoordDe hoogte van de prijs voor landbouwgrond wordt door diverse factoren,zoals de ruimtelijke bestemming en de vraag naar grond in een specifiekgebied een vrije markt bepaald. Speculatie is een van de factoren die vaninvloed kan zijn. Daarom heeft de Minister van VRO in haar aanpakModernisering Grondbeleid10 de wens opgenomen om speculatie metgrond tegen te gaan. Samen met LVVN en Financiën wordt momenteeluitgewerkt hoe met een vorm van planbatenheffing invulling kan wordengegeven aan deze wens. Het Ministerie van VRO is eindverantwoordelijkvoor dit initiatief.De leden van de PvdD-fractie verzoeken de Minister te reageren op dekritische inbreng van de Caring Farmers bij de internetconsultatie enexpliciet in te gaan op de door hen genoemde punten.AntwoordOp www.internetconsultatie.nl/vbr zal na een verslag gepubliceerdworden waarin op hoofdlijnen gereflecteerd wordt op de inbreng. Ook dereactie van Caring Farmers zal, zoals geldt voor alle inbreng, zal hierinworden meegenomen.10Kamerstuk 34 682, nr. 164Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 29012 De leden van de PvdD-fractie zijn voorts van mening dat het niet uit teleggen is dat er met belastinggeld stallen worden opgekocht in het kadervan beëindigingsregelingen, maar dat op andere plekken veehoudersnieuwe stallen bouwen of uitbreiden. Is de Minister bereid om eenlandelijk moratorium voor nieuwe stallen en voor de uitbreiding vanveehouderijen in te stellen? Zo nee, waarom niet? Is de Minister tevensbereid om binnen de beëindigingsregeling prioriteit te geven aanniet-dierwaardige sectoren en stallen? Zo nee, waarom niet?AntwoordDe voorgenomen Vbr en de voorgaande Lbv-regelingen kennen devoorwaarde dat deelnemers hun productierecht laten doorhalen, deveestapel wordt daarmee kleiner. Bovendien geldt het vereiste dat dezeondernemers niet elders dezelfde diersoort gaan houden. Tezamen methet laten intrekken of verkleinen van de geldende vergunning (en)voor deveehouderijactiviteit maakt dit de regelingen goed uitlegbaar. Op ditmoment is de vergunningsruimte in Nederland zoals bekend zeer beperkt,ook voor uitbreiding of modernisering van veehouderijen. Als er weermeer ruimte ontstaat is het aan ondernemers om te bepalen of ze dezeruimte benutten voor modernisering of uitbreiding, afhankelijk van hetperspectief dat zij voor ogen hebben. Een moratorium voor nieuwe stallenof uitbreiding van veehouderijen vind ik niet wenselijk, niet proportioneelen niet noodzakelijk.De voorgenomen beëindigingsregeling heeft tot doel om stikstof tereduceren. Het verlenen van voorrang aan aanvragers om andere redenendan stikstofreductie vind ik niet opportuun.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 973, nr. 29013
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.