KamerkringInloggen
Kamerbrief

Recent uitgevoerde evaluaties en impactanalyses van fiscale klimaatmaatregelen

7 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 7713000a15fc610d · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 813Kabinetsaanpak KlimaatbeleidNr. 1414 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 7 oktober 2024Ik bied u, mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei(MKGG), middels deze brief een aantal evaluaties en onderzoeken aan dierecent op het gebied van fiscale vergroeningsmaatregelen zijn uitgevoerd.Per onderzoek zal ik eerst de belangrijkste conclusies beschrijven envervolgens een reactie van de zijde van het kabinet geven. De conclusiesen aanbevelingen van de onderzoeken zal het kabinet meenemen in devoorjaarsbesluitvorming van 2025. Het gaat om de volgende onderzoeken:1.Evaluatie van de afvalstoffenbelasting;2.Onderzoek naar flexibiliteitsopties in de CO2-heffing industrie;3.Impactanalyse naar de fiscale klimaatmaatregelen voor de metallurgi-sche en mineralogische industrie;4.Impactanalyse naar het beperken van de inputvrijstelling in deenergiebelasting voor gebruik van aardgas bij elektriciteitsopwekking.1. Evaluatie afvalstoffenbelasting (zie bijlage 1) Het samenwerkingsverband Ecorys en CE Delft is in het voorjaar 2024gestart met de evaluatie van de afvalstoffenbelasting en heeft het rapportin augustus jl. opgeleverd. De evaluatie vloeit voort uit de RegelingPeriodiek Evaluatieonderzoek (RPE), die voorschrijft dat de doeltref-fendheid en doelmatigheid van beleid periodiek moeten worden geëva-lueerd en dat de vragen uit het toetsingskader fiscale regelingen wordenbeantwoord.De onderzoekers zijn tot de conclusie gekomen dat de afvalstoffenbe-lasting zeer doeltreffend is in haar budgettaire doelstelling en eenfinancieel doelmatig beleidsinstrument is. Volgende de onderzoekers kande doelmatigheid van de afvalstoffenbelasting worden vergroot dooraanvullend niet-fiscaalbeleid en vermindering van de verbrandingscapa-citeit en betere handhaving van de afvalhiërarchie. De onderzoekersmerken namelijk op dat het onduidelijk is of het huidige toezichts- enhandhavingsniveau toereikend is, waarbij vanuit de sector een sterkevraag naar meer en beter toezicht is. kst-32813-1414ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14141 De afvalstoffenbelasting heeft in enige mate bijgedragen aan de preventievan afvalproductie door bedrijven en huishoudens. Er zijn indicaties datafvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) de kosten van de afvalstoffenbe-lasting absorberen, waardoor de prikkel slechts in enige mate wordtdoorgegeven aan de keten. De onderzoekers geven als aanbeveling om deafvalstoffenbelasting te continueren en dat een tariefverhoging vanuitmilieuperspectief een meer regulerende werking kan hebben. Op basisvan de uitgevoerde analyse verwachten de onderzoekers dat een hogertarief van de afvalstoffenbelasting een grotere prikkel geeft voor investe-ringen in sorteer/scheidingsinstallaties en andere innovaties. De effectendaarvan zullen naar verwachting wel pas op langere termijn zichtbaarworden, omdat met name op korte termijn er sprake kan zijn vanabsorptie van de afvalstoffenbelasting door AVI’s. De onderzoekersadviseren daarnaast om een eventuele tariefverhoging van de afvalstof-fenbelasting vanuit de milieudoelstelling, in combinatie te zien metaanpassingen in normerend beleid elders in de keten.Bij het toetsen van de drie vrijstellingen in de afvalstoffenbelasting(zuiveringsslib, asbest en baggerspecie) aan het toetsingskader fiscaleregelingen komen de onderzoekers tot het oordeel dat de vrijstelling voorzuiveringsslib niet doeltreffend is, omdat deze niet bijdraagt aan degestelde milieudoelstelling. Ze bevelen aan deze vrijstelling af te schaffen.Voor het storten van baggerspecie en asbest doen de onderzoekers deaanbeveling om in de wet een horizonbepaling op te nemen. De vrijstel-lingen voor asbest en baggerspecie zijn positief beoordeeld.Ook hebben de onderzoekers gekeken naar de effecten van de introductievan de CO2-heffing industrie in 2021 voor afvalverbrandingsinstallaties alsaanvulling op de afvalstoffenbelasting. De onderzoekers stellen dat decombinatie van deze instrumenten de overheid de mogelijkheid geeft ombeter te sturen op de verschillende beleidsdoelen, reductie van afval enreductie van CO2-uitstoot.De onderzoekers adviseren tot slot om de verbrandingscapaciteit inbalans met de vraag te houden. Verlaging van verbrandingscapaciteit kanbij vermindering van afvalstromen bijdragen aan een doeltreffende prikkelvan de afvalstoffenbelasting en betere werking van de markt.Het kabinet vindt het belangrijk om resultaten van deze evaluatie, inclusiefde negatief beoordeelde vrijstelling, en de aanbevelingen zorgvuldig tebestuderen en mee te nemen in de besluitvorming bij de Voorjaarsnota2025.2. Onderzoek flexibiliteitsopties CO2-heffing industrie (zie bijlage2) Met de motie Erkens c.s. verzoekt uw Kamer het kabinet om eenhardheidsclausule in de CO2-heffing industrie gericht op vermijdbareuitstoot uit te werken en te implementeren per 1 januari 2025. In devoorjaarsnota is uw Kamer geïnformeerd dat een aparte hardheids-clausule, in aanvulling op de al bestaande algemene hardheidsclausule,juridisch en uitvoeringstechnisch onwenselijk en onuitvoerbaar is. Naaraanleiding daarvan heeft het kabinet extern onderzoek laten uitvoerennaar mogelijke alternatieven voor een aparte hardheidsclausule. Dit isgeconcretiseerd als een verkenning naar nieuwe flexibiliteitsopties binnende CO2-heffing industrie, in aanvulling op de bestaande flexibiliteitsoptiesvan handel en verrekening.Het onderzoeksbureau Trinomics heeft vier aanvullende flexibiliteitsoptiesuitgewerkt. Hierbij hebben de onderzoekers zich gericht op opties die hethandelingsperspectief van bedrijven vergroten zonder dat het doelbereikvan de CO2-heffing industrie in 2030 wordt aangetast. Twee opties zijngericht op het nader faciliteren van handel via publicatie van tekorten enoverschotten in dispensatierechten (optie 1) of via een handelsplatform(optie 2). Optie 3 ziet toe op het erkennen van negatieve emissies, en optieTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14142 4 stelt een bedrijf in staat om eigen dispensatierechten te lenen uit detoekomst.Het kabinet gaat de optie van het opstellen van een handelsplatformnader uitwerken en onderzoeken hoe deze in de praktijk kan werken. Dekosten hiervan zijn beperkt, en de bevordering van handel kan de kostenvan de CO2-heffing voor marktpartijen beperken door vraag en aanbodbeter op elkaar aan te laten sluiten. Het kabinet verkiest deze optie bovende publicatie van een lijst van tekorten en overschotten van dispensatie-rechten, omdat marktpartijen zorgen hebben uitgesproken richting deonderzoekers over eventuele marktverstoring door publicatie vanconcurrentiegevoelige informatie.Wat betreft negatieve emissies zet het kabinet zich in Europees verband inom negatieve emissies erkend te krijgen in het EU ETS. Hierop vooruit-lopen in de CO2-heffing industrie kan leiden tot onwenselijke koerswijzi-gingen nadat helder is geworden hoe EU ETS met negatieve emissiesomgaat.Het kabinet werkt de optie van lenen van toekomstige dispensatierechtenverder uit en onderzoekt of dit in de praktijk kan werken, omdat deze optievan de geïnventariseerde opties de grootste impact op het handelingsper-spectief voor bedrijven heeft. Hierbij hoort de kanttekening dat deze optieuitvoeringstechnisch en juridisch uitdagend lijkt en de complexiteit vanhet instrument verder vergroot. De Nederlandse Emissieautoriteit zal,zoals gebruikelijk, door het kabinet worden verzocht een oordeel te gevenover de uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en fraudebestendigheid (deHUF-toets) van de maatregel. Een positief oordeel is voor het kabinetrandvoorwaardelijk. Om nadelige impact op het doelbereik te voorkomen,kan deze beleidsoptie daarnaast alleen beschikbaar zijn voor bedrijvenmet voldoende concrete en realistische verduurzamingsplannen. In devoorjaarsbesluitvorming 2025 besluit het kabinet of verder wordt gegaanmet de verder uitgewerkte en onderzochte flexibiliteitsopties in deCO2-heffing industrie.3. Impactanalyse fiscale maatregelen voor de metallurgische enmineralogische industrie (zie bijlage 3) De energiebelasting kent sinds 2004 een vrijstelling voor elektriciteit diewordt gebruikt voor zogenoemde chemische reductie, elektrolytische enmetallurgische procedés. Sinds 2017 kent de energiebelasting ookvrijstellingen op aardgas dat wordt gebruik in metallurgische (o.a. staal)en mineralogische (glas, baksteen, etc.) procedés. Ze zijn geïntroduceerdom de concurrentiepositie van de Nederlandse industrie te versterken tenopzichte van buitenlandse concurrenten die vergelijkbare vrijstellingenkennen.In overeenstemming met de motie van het lid Erkens c.s1 van uw Kameren de motie van de Eerste Kamer (Heijnen c.s.2) heeft het kabinet eennieuwe impactanalyse laten uitvoeren naar het afschaffen van devrijstelling in de energiebelasting voor metallurgische en mineralogischeprocedés. Hierbij heeft het kabinet tevens de stapeling van de verschil-lende fiscale klimaatmaatregelen voor deze industriële bedrijvenonderzocht. De gebruikte gegevens zijn gevalideerd bij de betrokkenbedrijven, waarbij als uitgangspunt gold dat alle gebruikte data openbaaren verifieerbaar moeten zijn. Bij de totstandkoming van deze impact-analyse is, net als bij een reeks eerdere impactanalyses die gemaakt zijnrond voorgenomen aanpassingen in de energiebelasting, samengewerkttussen het Ministerie van Financiën en het Ministerie van Klimaat enGroene Groei (voorheen het Ministerie van Economische Zaken en1Kamerstukken II 2023–2024, 36 418, nr. 1142Kamerstukken I 2023–2024, 36 418, MTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14143 Klimaat)3. In het onderzoek is alleen gekeken naar het effect op bestaandebedrijven en producten. Er is niet gekeken naar de kansen die eenafbouwpad voor de vrijstelling kan bieden voor nieuwe duurzametechnologieën, zoals circulaire bouwmaterialen, die mogelijk makkelijkerkunnen opkomen doordat het kostenverschil wordt verkleind.De nieuwe impactanalyse van CE Delft laat vergelijkbare resultaten zienals het onderzoek dat Trinomics vorig jaar in opdracht van het Ministerievan Financiën heeft uitgevoerd4. De belangrijkste verduurzamingsoptiesvoor de metallurgische en mineralogische industrie zijn volgens deonderzoekers de overstap op waterstof of groen gas, elektrificatie en hetnemen van efficiencymaatregelen. Diverse knelpunten leiden totonzekerheid over verduurzamingsplannen. Dit zijn met name de beschik-baarheid van elektriciteit via het bestaande elektriciteitsnet, groengas enwaterstof.De lasteneffecten van het afschaffen van specifiek de vrijstelling voormineralogische en metallurgische procedés zijn gemiddeld gezien opsectorniveau relatief beperkt en het grootst voor de bouwmaterialenin-dustrie en ijzer- en staalindustrie. Op korte termijn gaat dit om ca. 3% vande bedrijfskosten in die sector, maar op bedrijfsniveau kunnen effecteneen factor 3 hoger liggen, zoals bij de bakstenenindustrie. De onder-zoekers geven aan dat de mate waarin de lastenstijging kan wordendoorberekend verschilt per deelsector. In de bouwmaterialen- enmetaalproductenindustrie is er enige ruimte tot doorberekening, terwijl deruimte in de ijzer- en staal en non-ferro industrie relatief beperkt is.De onderzoekers bevelen aan om een gefaseerde en zorgvuldige aanpakvoor de afschaffing van de vrijstelling voor mineralogische en metallur-gische processen. De onderzoekers bevelen daarnaast aan om voorbedrijven die onder de CO2-heffing vallen te monitoren, in hoeverreverduurzamings-maatregelen haalbaar zijn en hierop te anticiperenbinnen de heffing en met aanvullend beleid.Het kabinet neemt de aanbevelingen van de nieuwe impactanalyse mee inde voorjaarsbesluitvorming 2025. Overwegingen die hierbij een rol spelenis dat het voorstel van het vorige kabinet voor het afschaffen van devrijstellingen voor mineralogische en metallurgische procedés in deEerste Kamer is verworpen. Dit met name doordat de mogelijkheden totverduurzaming op korte termijn beperkt zijn en vanwege zorgen over denadelige impact op de concurrentiepositie.De nieuwe impactanalyse laat daarnaast zien dat het voor de verduurza-mingsprikkel effectiever is om in het beprijzingsbeleid direct te sturen opde CO2-emissies via een aparte CO2-heffing of het ETS in plaats vanindirect via de energiebelasting. Voor een deel van de metallurgische enmineralogische industrie gebeurt dit momenteel al via de CO2-heffingindustrie. In de overwegingen zal het kabinet ook de stapeling met anderbeleid meenemen. Zo wordt in het Belastingplan 2025 reeds voorgesteldom de vrijstelling voor het duaal en non-energetisch gebruik van kolenper 1 januari 2027 af te schaffen. Dit dient in samenhang te worden gezienmet de effecten die het afschaffen van de genoemde vrijstellingen in deEnergiebelasting op de ijzer- en staalindustrie heeft. Tot slot is eenbelangrijke overweging in hoeverre de industrie het doel voorCO2-reductie realiseert. Indien doelbereik achterwege blijft, dan zal het3Hiermee is invulling gegeven aan de motie Bontenbal en Erkens: Kamerstukken II, 2022–2023,29 826 nr. 191.4https://www.rijksfinancien.nl/sites/default/files/bestanden/belastingplan-2024/overige-impactanalyses/Trinomics-%26-BlueTerra-2023--Effectenonderzoek-vrijstellingen-energiebelasting-DEF.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14144 kabinet bezien welk alternatief beleid nodig is om de afgesprokenklimaatdoelen te halen.Het afschaffen van de vrijstellingen voor metallurgische en mineralo-gische procedés is door het vorige kabinet voorgesteld en opgenomen inhet Nederlandse herstel en veerkrachtplan (HVP). Het kabinet isvoornemens om in gesprek te gaan met de Europese Commissie over eenvervangende hervormingsmaatregelen in het HVP. Hierbij zal in eersteinstantie worden gekeken naar fiscale vergroeningsmaatregelen die hetkabinet al voornemens is om te nemen. Een definitief besluit over devrijstelling voor metallurgische en mineralogische procedés en eventueelvervangende maatregelen onder het HVP, neemt het kabinet in hetvoorjaar van 2025.4. Impactanalyse beperken inputvrijstelling aardgas voor elektri-citeitsopwekking (zie bijlage 4) Met het pakket Belastingplan 2024 is wettelijk vastgelegd dat de inputvrij-stelling in de energiebelasting voor gebruik van aardgas bij elektriciteits-opwekking stapsgewijs wordt beperkt tussen 2025 en 2030. Momenteel isde aardgasinput volledig vrijgesteld bij installaties met een elektrischrendement hoger dan 30%. Met deze aanpassing neemt de hoeveelheidvrijgestelde aardgasinput per geproduceerde kWh elektriciteit stapsgewijsaf. Vanaf 2030 is de aardgasinput alleen nog volledig vrijgesteld bij eenelektrisch rendement hoger dan 60%. Bij een lager elektrisch rendement iseen deel van de aardgasinput vrijgesteld, naar rato van de output vanelektriciteit.Tijdens de parlementaire behandeling heeft de Eerste Kamer middels demotie Heijnen c.s. verzocht om een aanvullende impactanalyse. Deanalyse gaat in het effect op netcongestie, de bijdrage die WarmteKrachtkoppelingsinstallaties (WKK’s) kunnen leveren aan de flexibiliseringvan het stroomnet, de reële alternatieven die industriële bedrijven hebbenvoor emissiereductie vóór 2030, de impact op de CO2-emissies en tot slotde kosten voor de afnemers van industriële WKK’s.Het kabinet heeft deze impactanalyse door Trinomics en Blueterra latenuitvoeren. Hiermee is tevens invulling gegeven aan de toezegging door deMinister van Klimaat en Energie naar aanleiding van een vraag het lidHeijnen (BBB) om de impact van de bijdrage van wkk’s aan de flexibili-sering van het stroomnet nader te analyseren.5De onderzoekers concluderen dat de versobering van de inputvrijstellinghet fiscale voordeel voor warmte uit warmtekrachtkoppelinstallaties(wkk’s) verkleint, waardoor de lasten stijgen voor sectoren met WKK’s.Deze lastenstijging bedraagt in totaal € 330 mln. in 2030. Hierdoorverlaagt de maatregel de onrendabele top van verschillende verduurza-mingsopties en leidt volgens de onderzoekers tot een jaarlijkse emissiere-ductie van 0,4 Mton. Het grootste deel van de lastenstijging en deemissiereductie vindt plaats in de glastuinbouwsector. De glastuinbouwondervindt de meest substantiële lastenverzwaring, doordat meer dan80% van het gasgebruik in de sector in een WKK wordt gebruikt incombinatie met de degressieve energiebelasting. In de glastuinbouw zijner relatief veel bedrijven die met hun aardgasverbruik in de lagereschijven van de energiebelasting vallen, waarvoor (door de degressievetariefstructuur) hogere tarieven gelden. De verduurzamingsprikkel in deindustrie is beperkt tot 0,06 Mton. De lasten voor de industrie stijgen met5Kamerstukken I, 2023–2024, T03814Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14145 circa € 50 mln., voornamelijk bij de cluster 6 bedrijven waar de meestewkk’s van de industriesector staan.De onderzoekers concluderen daarnaast dat bedrijven beperkt in staat zijnom de lastenverzwaring te dempen via rendabele investeringen inverduurzaming, waardoor de concurrentiepositie achteruit gaat. Metrendabele investeringen wordt bedoeld dat bedrijven weliswaar technischwel kunnen verduurzamen, maar dat duurzamere productietechnieken ineen aantal gevallen duurder blijven dan de huidige fossiele productie-techniek (ondanks het versoberen van de inputvrijstelling). Deglastuinbouw ondervindt de grootste lastenverzwaring.Naar verwachting van de onderzoekers leidt het versoberen van deinputvrijstelling tot en met 2030 niet tot een significante afname van hetwkk-vermogen. Het vermogen blijft vrijwel constant, maar het aantaldraaiuren zal volgens de onderzoekers wel lager worden. De directeimpact op het ontstaan van netcongestie is beperkt, maar de onderzoekerssignaleren wel een aantal aandachtspunten. Zo kan de wkk wel eenpositief effect op het voorkomen van netcongestie hebben, zolang hetwkk-vermogen behouden blijft en de wkk’s worden ingezet in congestie-management op basis van de lokale netsituatie. Anderzijds kan netcon-gestie elektrificatie en de snelheid waarmee de inzet van WKK’s gedeel-telijk worden vervangen, belemmeren. Tot slot concluderen deonderzoekers dat het versoberen van de inputvrijstelling, los van de lokalecongestie-gerelateerde effecten, geen significante impact heeft op deleveringszekerheid tot en met 2030 en dat het geen substantiële impactlijkt te hebben op netbalancering. Voor netbalancering zijn ook na 2030naar verwachting voldoende alternatieven om flexdiensten te leveren, ookbij eventuele uitbedrijfname van wkk’s. Na 2030 neemt de leveringsze-kerheid in algemene zin wel af (los van het versoberen van de inputvrij-stelling), wat door een eventuele versnelde afname van hetwkk-vermogen verder onder druk kan komen te staan.In grote lijnen bevestigt de nieuwe impactanalyse het beeld van debeleidseffecten die vorig jaar naar zijn gekomen in de studie die vorig jaaris uitgevoerd. De maatregel verkleint het fiscale voordeel dat momenteelbestaat voor fossiele warmteproductie in wkk’s en leidt met name in deglastuinbouwsector tot een extra prikkel om de CO2-emissies tereduceren. Hier staat tegenover dat met name in de glastuinbouwsectorde lasteneffecten fors zijn.Het kabinet heeft op basis van deze impact-analyse geen aanleiding om de maatregel te heroverwegen. De effectenop leveringszekerheid en netcongestie blijft het kabinet nauwgezetmonitoren. Ook blijft het kabinet inzetten op het wegnemen vanknelpunten in de transitie, zodat ondernemers die willen verduurzamendat ook kúnnen. Het kabinet houdt, conform het Convenant Energietran-sitie Glastuinbouw 2022 – 2030 daarnaast voor de glastuinbouw vast aanhet samenhangende pakket dat vorig jaar voor de glastuinbouwsector isafgesproken, waarbij naast de beprijzende maatregelen ook extrasubsidiemiddelen beschikbaar zijn gesteld om de glastuinbouwsector tehelpen bij de verduurzaming. Indien doelbereik in de glastuinbouwsectorachterwege blijft, zal het kabinet bezien welke aanpassing aan hetbeprijzingsinstrumentarium en het beleid gericht op het in orde brengenvan de randvoorwaarden voor verduurzaming, nodig is om te borgen datde klimaatdoelen worden gerealiseerd.Tijdens de plenaire behandeling heeft uw Kamer daarnaast middels hetamendement Grinwis c.s.6 een evaluatiebepaling in de wet opgenomen,waarin is vastgelegd dat binnen twee jaar na inwerkingtreding van de wet6Kamerstukken II, 2023–2024, 36 426, nr. 13Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14146 en vervolgens ieder jaar, een verslag over de effecten van het beperkenvan de inputvrijstelling op de omvang van het regelbaar vermogen binnenhet Nederlandse energiesysteem wordt gemaakt. Hierbij moet tevensaandacht worden besteed aan de impact op de glastuinbouw en aan devraag of de geraamde budgettaire opbrengst van het beperken van deinputvrijstelling overeenkomt met de gerealiseerde budgettaireopbrengst. De impact op de omvang van het regelbaar vermogen zijnonderdeel van de jaarlijkse monitoring van TenneT over de leveringsze-kerheid. Om de gerealiseerde budgettaire opbrengst goed te kunnenmonitoren, zijn meer gegevens over de opgestelde warmtekrachtkoppe-linginstallaties (wkk’s) nodig. Het kabinet zal hiertoe volgend jaar eengrondslag in de wet voorstellen om deze gegevens te kunnen verzamelen.Tijdens de plenaire behandeling van het Pakket Belastingplan 2024 heeftde Minister voor Klimaat en Energie tot slot een toezegging gedaan aanhet lid Schalk (SGP). Dit betreft een verzoek aan de Ministeries vanFinanciën en Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur om dekomende jaren regelmatig de in 2024 uitgevoerde analyses te herhalen.Het gaat hierbij om analyses waaruit blijkt wat de impact is van fiscalemaatregelen op bedrijven in de glastuinbouwsector, waarbij het makenvan onderscheid tussen de kleine en grote tuinders een specifiekaandachtspunt is7. In eerdere evaluaties is gewerkt met bedrijfstypes, watinzicht geeft in de effecten van maatregelen op verschillendesoorten glastuinbouwbedrijven. Dit is gedaan omdat de diversiteit in deglastuinbouw zeer groot is; een gemiddeld bedrijf bestaat niet. Dezebedrijfstypes kennen ook grote en kleine bedrijven. In de komendebeleidsanalyses wordt invulling gegeven aan deze toezegging doorwederom gebruik te maken van deze bedrijfstypes. Het betreft onderandere de nieuwe tariefstudie voor de CO2-heffing glastuinbouw, diekomend voorjaar mede op basis van de nieuwe Klimaat- en Energiever-kenning 2024 zal worden uitgevoerd.Tot slotIk hoop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd en ga graag metuw Kamer in debat over de inzichten en conclusies van deze onderzoeken.De Staatssecretaris van Financiën,F.L. Idsinga7Kamerstukken I, 2023–2024, T03823Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 813, nr. 14147

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8eec161eb9f14f62

14 okt 2026 · 5afa4f54185181fd

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.