Verslag van een schriftelijk overleg over stand van zaken uitvoering moties en toezegging naar aanleiding van de initiatiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen (Kamerstuk 36624-17)
Brontekst
Versie d0be54fb4f922b93 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 624Initiatiefnota van het lid De Korte over eenkritische reflectie op euthanasie bij psychischlijden van jonge mensenNr. 18 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 11 maart 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 9 oktober 2025 over de standvan zaken uitvoering moties en toezegging naar aanleiding van deinitiatiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasiebij psychisch lijden van jonge mensen (Kamerstuk 36 624, nr. 17).De vragen en opmerkingen zijn op 29 januari 2026 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 11 maart 2026zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Meijerink kst-36624-18ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 181 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en groep2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van deChristenUnie-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep-Markuszower5II.Reactie van de Minister6 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en groep Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deStaatssecretaris over de Stand van zaken uitvoering moties en toezeggingnaar aanleiding van de initiatiefnota van het lid De Korte over eenkritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen.Genoemde leden hebben hierover op dit moment geen vragen aan deStaatssecretaris.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief van de Staatssecretaris over de Stand van zaken uitvoering motiesen toezegging naar aanleiding van de initiatiefnota van het lid De Korteover een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jongemensen. Zij hebben geen aanvullende vragen of opmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van debrief inzake Stand van zaken uitvoering moties en toezegging naaraanleiding van de initiatiefnota van het lid De Korte over een kritischereflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen.Naar aanleiding van de paragraaf «Motie van het lid Boomsma c.s. overonderzoek naar de invloed van de staat van de ggz op euthanasiever-zoeken en -meldingen van jonge patiënten tot 30 jaar met psychischeaandoeningen» (Kamerstuk 36 624, nr. 7). De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er momenteel een onderzoek loopt naar de stijgingvan het aantal euthanasieverzoeken en -meldingen. Genoemde leden zijnbenieuwd in hoeverre in dat onderzoek ook het aantal mensen wordtmeegenomen die een einde aan hun leven hebben gemaakt door te kiezenvoor versterving, dus door te stoppen met eten en drinken. Ook onderjongeren komt dit voor. Worden hiervan cijfers bijgehouden? Zo ja,hoeveel mensen overlijden hierdoor jaarlijks? Is ook bekend bij hoeveel dedoodswens een gevolg is van psychisch lijden? En hoeveel mensen zijnjonger dan 30 jaar? In hoeverre wordt er in het onderzoek ook gekekenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 182 naar de mogelijke samenhang tussen euthanasie bij psychisch lijdenonder jongeren en ervaringen in de (gesloten) jeugdzorg?Naar aanleiding van de paragraaf «Motie van het lid Westerveld c.s. overhet in kaart brengen wat nodig om betere hulp en nazorg te realiserenvoor betrokkenen» (Kamerstuk 36 624, nr. 14). De leden van deGroenLinks-PvdA-fractie merkt op dat de Staatssecretaris bij de uitvoeringvan deze motie vooral in kaart heeft gebracht welke hulp er al is, terwijl demotie vroeg om in kaart te brengen wat er nodig is om betere hulp ennazorg te realiseren voor betrokkenen. Heeft de Staatssecretaris gekekenof de hulp die er is voor naasten en nabestaanden momenteel voldoendeis? Zo ja, op welke manier is daarnaar gekeken?Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stand vanzaken uitvoering moties en toezegging naar aanleiding van de initia-tiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bijpsychisch lijden van jonge mensen. Deze leden hebben hier nog eenenkele vraag bij.De Staatssecretaris geeft aan dat de motie-Boomsma c.s. over de invloedvan de staat van de ggz op euthanasieverzoeken van jonge mensen nietbinnen het lopende onderzoek past (Kamerstuk 36 624, nr. 8). Dit omdatde vragen volgens ZonMw niet passend zouden zijn binnen de reikwijdte.De leden van de CDA-fractie vragen waarom niet is gezocht naar eenparallelle, aanvullende onderzoekslijn binnen het bestaande onderzoek.Kan de Staatssecretaris explicieter maken waarom dit niet mogelijk isgebleken?In het vierde kwartaal van 2025 zou het Expertisecentrum Euthanasie eenevaluatieonderzoek uitvoeren naar zijn eigen mediarichtlijn. De leden vande CDA-fractie vragen of dit onderzoek inmiddels gereed is, wat deuitkomsten zijn en of op basis hiervan iets valt te concluderen metbetrekking tot het Werther-effect.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stand vanzaken uitvoering moties en toezegging naar aanleiding van de initia-tiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bijpsychisch lijden van jonge mensen. Genoemde leden hebben geenvragen aan de Staatssecretaris.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met zorg kennisgenomen over dewijze waarop de Staatssecretaris opvolging geeft aan de aangenomen(ontraden) moties. Zij hebben hierover een aantal vragen.De leden van de SGP-fractie constateren met teleurstelling dat deStaatssecretaris de aangenomen motie van het lid Boomsma c.s. overonderzoek naar de invloed van de staat van de ggz op euthanasiever-zoeken en -meldingen van jonge patiënten tot 30 jaar met psychischeaandoeningen niet uitvoert. Zij verzoeken de Staatssecretaris, nu blijkt datde motie-Boomsma c.s. niet meengenomen kan worden met het lopendeonderzoek naar de oorzaak van de stijging van het aantal euthanasiever-zoeken en -meldingen alsnog opdracht te geven tot een separaatonderzoek naar de invloed van de staat van de ggz op euthanasiever-zoeken. Graag ontvangen zij een reactie op dit punt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 183 De leden van de SGP-fractie zijn overigens zeer benieuwd naar deresultaten van het lopende onderzoek. De resultaten van dit onderzoekkomen volgens de Staatssecretaris in juni 2026 beschikbaar. Genoemdeleden vragen om deze resultaten op dat moment per ommegaande metde Kamer te delen.De leden van de SGP-fractie vragen hoeveel geld er nodig is om van hetSUNSET-onderzoek een langlopende cohortstudie te maken tot 2030.Deelt de Staatssecretaris de wens voor langlopend onderzoek naareuthanasie bij psychisch lijden, vergelijkbaar met andere gevoeligemedische thema’s?De leden van de SGP-fractie zijn niet verrast, maar betreuren het wel datde Staatssecretaris geen noodzaak ziet voor het creëren van eennoodventiel in de euthanasiewet. De Staatssecretaris concludeert dat eennoodventiel niet noodzakelijk en niet wenselijk is. De leden van deSGP-fractie vragen hoe dan wordt geborgd dat bij onverwachte of snelleontwikkelingen alsnog tijdig kan worden ingegrepen. Zij vragen deStaatssecretaris om nader toe te lichten waarom een noodventiel wordtgezien als aantasting van professionele autonomie, terwijl het ook kanworden opgevat als extra waarborg voor zorgvuldigheid bij uitzonderlijkesituaties. Acht de Staatssecretaris het uitgesloten dat toekomstigeontwikkelingen, zoals een verdere stijging bij jonge patiënten, alsnogaanleiding kunnen geven tot heroverweging van wettelijke waarborgen?De leden van de SGP-fractie lezen dat de mediarichtlijn van Expertise-centrum Euthanasie eind 2025 zou worden geëvalueerd. Is deze evaluatieinmiddels afgerond en zo ja, kan de Staatssecretaris de Kamer informerenover de uitkomsten hiervan?Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikvragen te stellen over de brief van de Staatssecretaris over de stand vanzaken van de uitvoering van moties en toezeggingen, naar aanleiding vande initiatiefnota De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bijpsychisch lijden bij jonge mensen.Ten aanzien van de motie Boomsma c.s. om meer wetenschappelijkonderzoek te doen naar euthanasieverzoeken van jonge mensen tot 30jaar die ernstig psychisch lijden vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de NVvP-richtlijn al herzien is en zo ja, op welke punten dit isgebeurd. Geeft de wijziging van de richtlijn antwoord op de onderwerpenuit de motie, namelijk hoe uitzichtloosheid als zorgvuldigheidscriterium bijeuthanasie beoordeeld moet worden, de mate van zekerheid overprognoses bij psychisch lijden en hoe dit zich verhoudt tot die vansomatische aandoeningen die aanleiding zijn voor euthanasie? Daarnaastvragen zij wat de stand van zaken is ten aanzien van de gesprekken omhet SUNSET-onderzoek een langlopende cohortstudie te maken.Ten aanzien van de motie Bikker en Diederik van Dijk over een noodventielin de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding(Wtl) betreuren de leden van de ChristenUnie-fractie het ten zeerste dat ergeen noodzaak en wens wordt gezien om een noodventiel in de wet op tenemen (Kamerstuk 36 624, nr. 9). Deze leden vinden dat met deredenering dat de evaluaties van de wet geen aanleiding geven omhiernaar te kijken geen recht wordt gedaan aan de zorgen die er leven inde samenleving en onder een deel van de beroepsgroep, en de stand vande ggz, zoals in de motie verwoord. De leden Bikker en Diederik van Dijkhebben, met steun van de meerderheid in de Kamer, gevraagd om teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 184 bezien of en hoe de wet een juridische mogelijkheid kan creëren voor eennoodventiel, een tijdelijke pas op de plaats, als er onvoorziene ontwikke-lingen bij elkaar komen die niet in de wet worden afgedekt. Aangezien deontwikkelingen rond euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensenpas de afgelopen jaren hard gaan, is het logisch dat de evaluaties van deWet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl)hier niet op ingaan. Bovendien zijn de leden van de ChristenUnie-fractievan mening dat de wetsevaluaties zich vooral richten op het functionerenvan de wet en vrijwel niet op de ontwikkelingen in de samenleving. Dezeleden vinden de evaluaties van de Wtl dus geen afdoende bron om tekunnen concluderen of het nodig en wenselijk is om een noodventiel aante brengen. Kan de Staatssecretaris hierop reageren? Is de Staatssecre-taris bereid zich breder te laten informeren over nut en wenselijkheid vaneen aanpassing van de wet, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Zo nee, waarom niet?Ten aanzien van de motie Bikker c.s. over onderzoek naar de mediarichtlijnvan Expertisecentrum Euthanasie vragen de leden van de ChristenUnie-fractie wat de resultaten van het evaluatieonderzoek van het Expertise-centrum Euthanasie zijn, en of dit onderzoek naar de Kamer kan wordengestuurd (Kamerstuk 36 624, nr. 10). Is er wat de Staatssecretaris betreftreden om extern te laten onderzoeken of de mediarichtlijn goed werkt?Deze leden vinden het beperkt dat het Expertisecentrum Euthanasie deeigen richtlijn evalueert. In dit licht verbazen de leden van deChristenUnie-fractie zich erover dat de documentaire over Milou, «Milou’sstrijd gaat door» door Nederland is ingezonden voor de Emmy Awards.Heeft de NPO met het oog op de inzending getoetst aan de mediarichtlijn,zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.De leden van de ChristenUnie-fractie blijven zich zorgen maken overeuthanasie bij psychisch lijden bij jongen mensen, de verdeeldheid in desector en de media-aandacht die psychiaters en betrokkenen krijgen dieachter deze ontwikkeling staan, terwijl waarschijnlijk een meerderheid inde sector hier flinke bezwaren tegen heeft. Deze leden maken zich zorgendat er langzaamaan een normalisering plaatsvindt van euthanasie bijpsychisch lijden bij jonge mensen terwijl er niet voldoende medisch-inhoudelijk, ethisch en maatschappelijk is onderzocht en uitgewerkt watde consequenties hiervan zijn. Kan de Staatssecretaris ingaan op dezezorgen?Tot slot verzoeken de leden van de ChristenUnie-fractie zodra hetjaarverslag van de Regionale toetsingscommissies euthanasie over 2025afgerond is, deze naar de Kamer te sturen, samen met gedetailleerdegegevens over het aantal jongeren onder 30 jaar met de precieze leeftijddie vanwege psychisch lijden euthanasie hebben gekregen.Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep-MarkuszowerDe leden van de Groep-Markuszower hebben kennisgenomen van destand van zaken en de uitvoering rondom moties en toezeggingen naaraanleiding van de initiatiefnota van het lid De Korte over een kritischereflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen. Genoemdeleden hebben hierover geen aanvullende vragen en opmerkingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 185 II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van debrief inzake Stand van zaken uitvoering moties en toezegging naaraanleiding van de initiatiefnota van het lid De Korte over een kritischereflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen.Naar aanleiding van de paragraaf «Motie van het lid Boomsma c.s. overonderzoek naar de invloed van de staat van de ggz op euthanasiever-zoeken en -meldingen van jonge patiënten tot 30 jaar met psychischeaandoeningen». De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ermomenteel een onderzoek loopt naar de stijging van het aantal euthana-sieverzoeken en -meldingen. Genoemde leden zijn benieuwd in hoeverrein dat onderzoek ook het aantal mensen wordt meegenomen die eeneinde aan hun leven hebben gemaakt door te kiezen voor versterving, dusdoor te stoppen met eten en drinken. Ook onder jongeren komt dit voor.De insteek van het lopende onderzoek naar de oorzaak van de stijging vanhet aantal euthanasieverzoeken en -meldingen is meer inzicht te krijgen inde brede ontwikkelingen rondom euthanasie. Er wordt geen specifiekonderzoek verricht naar het aantal mensen dat een einde aan hun levenhebben gemaakt door te kiezen voor te stoppen met eten en drinken,waaronder jongeren. In lijn met de motie Bikker c.s.1 richt het onderzoekzich op de oorzaken van de stijging van het aantal euthanasieverzoeken en-meldingen in het algemeen en op de interpretatie van de zorgvuldig-heidseisen van de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bijzelfdoding (Wtl). Daarbij wordt ook gekeken naar specifieke aandoe-ningen: dementie, psychiatrie en ouderdomsaandoeningen. Er wordtonder meer onderzocht in hoeverre ontwikkelingen in de samenleving enveranderende morele opvattingen een rol spelen bij de stijging. Bijvoor-beeld de roep om meer zeggenschap over het eigen levenseinde, eenveranderend beeld van de kwaliteit van de gezondheidszorg of toene-mende media-aandacht voor euthanasie, in het bijzonder voor euthanasiebij mensen met een psychiatrische aandoening.Worden hiervan cijfers bijgehouden? Zo ja, hoeveel mensen overlijdenhierdoor jaarlijks? Is ook bekend bij hoeveel de doodswens een gevolg isvan psychisch lijden? En hoeveel mensen zijn jonger dan 30 jaar?In beginsel wordt eens per vijf jaar het zogenoemde Sterfgevallenon-derzoek (SGO) uitgevoerd. Dit onderzoek vindt plaats in het kader van deevaluatie van de Wtl. Doel van het SGO is het in kaart brengen vanontwikkelingen in de praktijk van euthanasie, hulp bij zelfdoding enandere beslissingen rond het levenseinde. Sinds 2010 wordt in het SGOook gevraagd naar levensbeëindiging door de patiënt zelf en de methodedie daarbij is gebruikt, waaronder stoppen met eten en drinken.In het rapport van de vierde evaluatie van de Wtl geven de onderzoekersaan dat in 2021 slechts twee gevallen van bewust stoppen met eten endrinken in het SGO waargenomen zijn, waardoor het niet mogelijk wasvoor stoppen met eten en drinken in 2021 een betrouwbare frequentie-1Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 71.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 186 schatting te maken en de kenmerken van deze patiënten weer te geven.2Het SGO uit 2015 laat zien dat het percentage sterfgevallen waarbijmensen gestopt waren met eten en drinken (0,5%) betrof, in 2010 betrofdit 0,4%. In 2015 was van de personen die waren gestopt met eten endrinken, net als in 2010, de grote meerderheid (82%) 80 jaar of ouder en(78%) was vrouw. Twee derde (60%) had een (ernstige) somatischeaandoening en/of een stapeling van ouderdomsklachten (64%); een derde(34%) had dementie.3Recent onderzoek naar levensbeëindiging in eigen regie in Nederland laatandere cijfers zien. Daaruit blijkt dat in de periode 2019–2023 naarschatting jaarlijks 5.800 mensen stierven als gevolg van bewust stoppenmet eten en drinken ((3,5%) van alle sterfgevallen tegen (2,1%) twintig jaargeleden).4 De keuze voor bewust stoppen met eten en drinken wordtvooral gemaakt door ouderen (twee derde is 80+), meestal met lichame-lijke klachten of gebreken. Soms is er een levensbekortende ziekte, maarniet altijd. Uit het onderzoek blijkt ook dat 2.000 mensen (1,2%) stiervendoor inname van zelf verzamelde middelen. Het gaat veelal om relatiefjongere mensen (30–70 jaar), vaak met psychische problemen of eenvoorgeschiedenis van suïcidepogingen. In beide groepen ervaart meerdan 90% ondraaglijk lijden en zien de meeste mensen geen perspectief opverbetering. Afwijzing van een euthanasieverzoek blijkt een belangrijkeaanleiding voor bewust stoppen met eten en drinken of zelfstandigeinname van dodelijke medicijnen of (slaap)middelen te kiezen. Twee derdevan de overledenen die stierven door bewust stoppen met eten en drinkenhad voorafgaand een euthanasieverzoek aan een arts gedaan. Mensen diekozen voor zelfstandige inname van middelen hadden in bijna de helft vande gevallen eerder een euthanasieverzoek gedaan.5Een ander onderzoek waar in dit kader naar verwezen kan worden, iskwalitatief onderzoek naar de achtergrond van 29 patiënten in Nederlandin de periode januari 2020 – juni 2021 die overwogen te stoppen met etenen drinken of daartoe waren overgegaan. Dit onderzoek toont aan dat driegroepen kunnen worden onderscheiden: 1) ouderen die vonden dat hunleven voltooid was en voor wie controle belangrijk was – ouder dan 70jaar (12 patiënten), 2) oudere, zorgbehoevende patiënten met een slechtekwaliteit van leven – ouder dan 80 jaar (11 patiënten) en 3) psychiatrischepatiënten met een langdurige maar wisselende doodswens – jonger dan70 jaar, gemiddeld 47 jaar (6 patiënten). Zij hadden, net als de meestepatiënten in de andere twee groepen, een voorkeur voor hulp bij2Voor het SGO wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) een steekproefgetrokken uit doodsoorzaakverklaringen waarbij de arts die betrokken was bij een sterfgevaleen vragenlijst toegestuurd krijgt. In het SGO wordt weging toegepast waarbij rekening wordtgehouden met de stratificatie (verdeling in subgroepen), de respons en verschillende demogra-fische kenmerken van de overledenen waardoor het SGO een representatief beeld geeft vooralle sterfgevallen in Nederland in een bepaalde periode. Het SGO uit 2021 kende een lagerespons op de vragenlijst, wat volgend de onderzoekers te maken kan hebben met strengereprivacyregels, het feit dat de vragenlijst voor het eerst digitaal was verstuurd en het feit dat dedataverzameling tijdens de COVID-19 pandemie plaatsvond.3ZonMw (2017), Derde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bijzelfdoding, p. 130.4Als oorzaak voor het verschil ten opzichte van het SGO geven de onderzoekers aan dat het nietonredelijk is te veronderstellen dat artsen niet altijd op de hoogte zijn van het feit dat eenpatiënt is gestopt met eten en drinken (of het zelf innemen van dodelijke medicijnen of(slaap)middelen) met als gevolg een onderschatting van de werkelijke frequentie. Anderzijds isin het onderzoek naar levensbeëindiging in eigen regie het perspectief van naasten (leken)gebruikt die wellicht niet altijd in staat zijn te beoordelen of de dood van een naaste inderdaadhet geplande resultaat was van een bewuste beslissing om te stoppen met eten of drinken (ofom zelf weloverwogen dodelijke middelen in te nemen) waardoor de frequentieschatting tehoog zou kunnen uitvallen.5Fenne Bosma e.a., Levensbeëindiging in eigen regie in Nederland, Erasmus MC, Rotterdam,februari 2026.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 187 zelfdoding. Sommigen van hen verzochten om hulp bij zelfdoding, maarhun behandelaar weigerde het verzoek of stelde de beslissing uit. Zijverkozen stoppen met eten en drinken boven andere zelfdodingsme-thoden. Vijf van de zes patiënten gingen daadwerkelijk over tot stoppenmet eten en drinken, waarvan er één overleed.6In hoeverre wordt er in het onderzoek ook gekeken naar de mogelijkesamenhang tussen euthanasie bij psychisch lijden onder jongeren enervaringen in de (gesloten) jeugdzorg?In het onderzoek wordt niet specifiek gekeken naar de mogelijkesamenhang tussen euthanasie bij psychisch lijden onder jongeren enervaringen in de (gesloten) jeugdzorg.Naar aanleiding van de paragraaf «Motie van het lid Westerveld c.s. overhet in kaart brengen wat nodig om betere hulp en nazorg te realiserenvoor betrokkenen». De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merkt op datde Staatssecretaris bij de uitvoering van deze motie vooral in kaart heeftgebracht welke hulp er al is, terwijl de motie vroeg om in kaart te brengenwat er nodig is om betere hulp en nazorg te realiseren voor betrokkenen.Heeft de Staatssecretaris gekeken of de hulp die er is voor naasten ennabestaanden momenteel voldoende is? Zo ja, op welke manier isdaarnaar gekeken?Conform het verzoek van de motie is de voormalig Staatssecretaris Jeugd,Preventie en Sport in gesprek gegaan met Stichting Aurora om te kijkennaar de zorg voor naasten en nabestaanden. In dit gesprek is zowel hetbestaande aanbod aan de orde gekomen als de stappen die nog gezetkunnen worden. Eén van die stappen is geweest om zorg voor naasten ennabestaanden op te nemen in de Landelijke nota gezondheidsbeleid2025–2028. Gemeenten worden daarmee ruimte geboden om dezerisicogroep lokaal een plek te geven in het eigen suïcidepreventie netwerk.Het aanbod gericht op naasten en nabestaanden is nog in ontwikkeling.Dit gebeurt bijvoorbeeld vanuit de recent gestarte vierde LandelijkeAgenda Suïcidepreventie. In het kader van de lopende SUNSET-studiewordt een ondersteuningsaanbod voor mensen met een euthanasie-verzoek op grond van psychisch lijden ontworpen. Hierin wordt ook hetperspectief van naasten en nabestaanden meegenomen. Op basis van debevindingen uit zowel de landelijke agenda als de SUNSET-studie wordtgekeken of het aanbod uiteindelijk aansluit of dat er nog aanvullendeacties nodig zijn. Gelet op deze twee trajecten is het kabinet dan ook vanmening dat het in deze fase niet opportuun is om nader onderzoek tedoen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de stand vanzaken uitvoering moties en toezegging naar aanleiding van de initia-tiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bijpsychisch lijden van jonge mensen. Deze leden hebben hier nog eenenkele vraag bij.De Staatssecretaris geeft aan dat de motie-Boomsma c.s. over de invloedvan de staat van de ggz op euthanasieverzoeken van jonge mensen nietbinnen het lopende onderzoek past. Dit omdat de vragen volgens ZonMw6Eva Elizabeth Bolt et al, Patients Who Seek to Hasten Death by Voluntarily Stopping Eating andDrinking: A Qualitative Study, Annals of Family Medicine, vol. 21, no. 6, November/December2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 188 niet passend zouden zijn binnen de reikwijdte. De leden van deCDA-fractie vragen waarom niet is gezocht naar een parallelle, aanvul-lende onderzoekslijn binnen het bestaande onderzoek. Kan de Staatsse-cretaris explicieter maken waarom dit niet mogelijk is gebleken?De enige mogelijkheid om het lopende onderzoek uit te breiden zou zijnvia een nieuwe specifieke subsidieoproep vanuit ZonMw met bijbeho-rende additionele middelen om de aanvullende onderzoeksvraag tekunnen beantwoorden. Het kabinet wil daarom eerst de uitkomsten vanhet lopende onderzoek afwachten. Het lopende onderzoek kan mogelijkinzichten opleveren over de vraag welke rol de situatie in de ggz speelt bijde groei van het aantal euthanasieverzoeken en -meldingen. Als blijkt dataanvullend onderzoek nodig is, sluit het kabinet vervolgonderzoek niet uit.In het vierde kwartaal van 2025 zou het Expertisecentrum Euthanasie eenevaluatieonderzoek uitvoeren naar zijn eigen mediarichtlijn. De leden vande CDA-fractie vragen of dit onderzoek inmiddels gereed is, wat deuitkomsten zijn en of op basis hiervan iets valt te concluderen metbetrekking tot het Werther-effect.Expertisecentrum Euthanasie (EE) heeft inmiddels onderzocht wat deimpact van haar mediarichtlijn is geweest tot nu toe. EE geeft daarbij wélaan dat – zoals eerder aan de Kamer is gemeld7 – het niet mogelijk isgeweest na te gaan in hoeverre de mediarichtlijn het Werther-effect heeftweten te voorkomen. Het is namelijk niet alleen zo dat het afgelopen jaarqua berichtgeving in de media lastig te vergelijken is met de jaren ervoor(het afgelopen jaar is veel meer media-aandacht geweest voor euthanasiebij psychisch lijden dan eerdere jaren). Ook is het zo dat een mediarichtlijnniet de enige variabele is die voor meer of minder aanmeldingen bij EEzorgt.EE signaleert de volgende ontwikkelingen:–De mediarichtlijn wordt (h)erkend als richtlijn. De richtlijn wordt gezienals ethisch referentiekader waar media, professionals en beleidsma-kers naar verwijzen.–De richtlijn draagt bij aan bewustwording. Het zet aan tot nadenken:wat is zorgvuldige berichtgeving over euthanasiezorg?–Niet zelden geven journalisten die EE benaderen aan dat ze hunproducties aan de richtlijn toetsen.–Kwaliteitsmedia brengen minder eenzijdige persoonlijke verhalenzonder professionele duiding. Er is meer aandacht voor context (deuitzondering is geen norm) en de complexiteit van euthanasiezorg,met name euthanasiezorg voor patiënten met psychisch lijden.–Er is meer aandacht voor neutraler taalgebruik en passend beeldmate-riaal. Ook deze ontwikkeling zien we vooral bij kwaliteitsmedia.–Qua aanmeldingen waren er tussen november 2024 en november 2025geen significante verschillen in het aantal aanmeldingen bij EE opbasis van psychisch lijden rond grote media-uitingen over ditonderwerp. Hiervoor zijn meegenomen:•Het artikel «Romy zag op het laatste moment af van euthanasie»,NRC 1 november 2024.•Het rondetafelgesprek over euthanasie bij psychisch lijden vanjonge mensen, 15 mei 2025.•De documentaire «Milou’s strijd gaat door», 16 oktober 2025.EE signaleert dus voorzichtige positieve ontwikkelingen die volgens haar,gelet op het korte bestaan van de richtlijn, realistisch zijn. De media-richtlijn wordt volgens EE positief ontvangen en draagt bij aan een7Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 189 zorgvuldigere berichtgeving over euthanasiezorg in de media. EE heeftaangegeven de komende jaren te blijven werken aan meer bekendheidvan de mediarichtlijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met zorg kennisgenomen over dewijze waarop de Staatssecretaris opvolging geeft aan de aangenomen(ontraden) moties. Zij hebben hierover een aantal vragen.De leden van de SGP-fractie constateren met teleurstelling dat deStaatssecretaris de aangenomen motie van het lid Boomsma c.s. overonderzoek naar de invloed van de staat van de ggz op euthanasiever-zoeken en -meldingen van jonge patiënten tot 30 jaar met psychischeaandoeningen niet uitvoert. Zij verzoeken de Staatssecretaris, nu blijkt datde motie-Boomsma c.s. niet meegenomen kan worden met het lopendeonderzoek naar de oorzaak van de stijging van het aantal euthanasiever-zoeken en -meldingen alsnog opdracht te geven tot een separaatonderzoek naar de invloed van de staat van de ggz op euthanasiever-zoeken. Graag ontvangen zij een reactie op dit punt.Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de briefvan 9 oktober 2025 heeft aangegeven, wordt in het lopende onderzoeknaar de oorzaak van de stijging van het aantal euthanasieverzoeken en-meldingen onder meer aandacht besteed aan een veranderend beeld vande kwaliteit van de gezondheidszorg.8 Het onderzoek kan daarmeemogelijk de nodige inzichten opleveren over de vraag welke rol de situatiein de ggz speelt bij de groei van het aantal euthanasieverzoeken en-meldingen. Ook is aangegeven dat, als uit de uitkomsten van het lopendeonderzoek blijkt dat aanvullend onderzoek nodig is om meer inzicht tekrijgen in de invloed van de staat van de ggz op euthanasieverzoeken en-meldingen van jonge patiënten tot 30 jaar met psychische aandoeningen,vervolgonderzoek niet wordt uitgesloten.9 Het kabinet wil dus eerst deuitkomsten van het lopende onderzoek, die in juni 2026 gereed zijn,afwachten.De leden van de SGP-fractie zijn overigens zeer benieuwd naar deresultaten van het lopende onderzoek. De resultaten van dit onderzoekkomen volgens de Staatssecretaris in juni 2026 beschikbaar. Genoemdeleden vragen om deze resultaten op dat moment per ommegaande metde Kamer te delen.Zodra ik de onderzoeksresultaten heb ontvangen, zal ik deze met deKamer delen. Het kabinet streeft ernaar in het derde kwartaal van 2026met een inhoudelijke reactie op de onderzoeksresultaten te komen.De leden van de SGP-fractie vragen hoeveel geld er nodig is om van hetSUNSET-onderzoek een langlopende cohortstudie te maken tot 2030.Deelt de Staatssecretaris de wens voor langlopend onderzoek naareuthanasie bij psychisch lijden, vergelijkbaar met andere gevoeligemedische thema’s?Van de onderzoekers heb ik begrepen dat zij voor 2026 financieringhebben kunnen regelen om het SUNSET-onderzoek voorlopig voort tekunnen zetten. Om van het SUNSET-onderzoek een langlopendecohortstudie te maken tot en met 2030, is in totaal € 685.000 benodigd. Deonderzoekers hebben aangegeven dat – om de groep zo lang mogelijk te8Kamerstukken II, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 17.9Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1810 kunnen volgen – het hun voorkeur heeft de groep ook in 2031 te volgen.Dat zou nog een extra investering van € 228.200 vergen. Dit betekent datin totaal € 913.200 benodigd zou zijn.Zoals de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport in de briefvan 9 oktober 2025 heeft aangegeven, kan met het SUNSET-onderzoek, alshet een langlopende cohortstudie wordt, meer inzicht worden verkregenin onder meer de uitzichtloosheid van het lijden, het effect van behan-deling in de ggz en de ontwikkelingen in de ggz-praktijk, en daarmee duswaardevolle inzichten opleveren.10 Het kabinet hoopt de Kamer binnenafzienbare termijn te kunnen informeren of voortzetting van het SUNSET-onderzoek via ZonMw mogelijk is. Een voortzetting van het onderzoek zouaanvullende financiering vereisen vanuit het Ministerie van VWS. In hetlicht van de bezuinigingsopgave waar het Ministerie van VWS voor staat,is het echter geen gemakkelijke opgave.De leden van de SGP-fractie zijn niet verrast, maar betreuren het wel datde Staatssecretaris geen noodzaak ziet voor het creëren van eennoodventiel in de euthanasiewet. De Staatssecretaris concludeert dat eennoodventiel niet noodzakelijk en niet wenselijk is. De leden van deSGP-fractie vragen hoe dan wordt geborgd dat bij onverwachte of snelleontwikkelingen alsnog tijdig kan worden ingegrepen. Zij vragen deStaatssecretaris om nader toe te lichten waarom een noodventiel wordtgezien als aantasting van professionele autonomie, terwijl het ook kanworden opgevat als extra waarborg voor zorgvuldigheid bij uitzonderlijkesituaties. Acht de Staatssecretaris het uitgesloten dat toekomstigeontwikkelingen, zoals een verdere stijging bij jonge patiënten, alsnogaanleiding kunnen geven tot heroverweging van wettelijke waarborgen?Allereerst wil het kabinet erop wijzen dat, zoals ook in de brief van9 oktober 2025 is aangegeven, in Nederland sprake is van een zorgvuldigeeuthanasiepraktijk en dat uit de vier evaluaties van de Wtl, de toetsings-praktijk van de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) en hetvervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM) blijkt dat de Wtl goedfunctioneert. Een euthanasietraject is met de nodige waarborgenomgeven, zowel vooraf als achteraf. Het professionele oordeel van de artsdie geconfronteerd wordt met een euthanasieverzoek is bepalend voor devraag of er in een specifiek geval aan de wettelijke zorgvuldigheidseisenwordt voldaan. Euthanasie betreft bijzonder medisch handelen en vergteen medisch vakkundig oordeel. Waar het een euthanasieverzoek op basisvan psychisch lijden betreft is bovendien grote behoedzaamheid vereist,met name waar het een relatief jonge patiënt betreft die nog een grootaantal jaren zou kunnen leven. Dit wordt door de RTE getoetst. Het is aande beroepsgroep om te beoordelen of ontwikkelingen aanleiding vormenvoor een aanpassing van de geldende medisch-professionele normering.Een noodventiel in de Wtl zou tot gevolg hebben dat bij onvoorzieneontwikkelingen de Wtl tijdelijk niet van toepassing is op verzoeken omlevensbeëindiging of hulp bij zelfdoding, zonder rekening te houden metde omstandigheden van het geval. Dit betekent dat de (medisch)professionele standaard niet langer leidend is. Een noodventiel grijptdaarmee in op de professionele autonomie van de arts. De KoninklijkeNederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) ende Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) hebben eerder in eengezamenlijke brief aan de Kamer hun zorgen geuit over het instellen vaneen moratorium van drie jaar op euthanasieverzoeken van jonge mensenmet psychisch lijden. Volgens KNMG en NVvP zou daarmee hetvertrouwen in de beroepsgroep worden ondermijnd en zou een10Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1811 moratorium leiden tot ongewenste politieke inmenging in een zorgvuldigmedisch proces dat thuishoort bij arts en patiënt, niet bij de politiek.11Verder hebben verschillende experts en ervaringsdeskundigen tijdens hetrondetafelgesprek op 15 mei 2025 over euthanasie bij psychisch lijden vanjonge mensen betoogd dat het instellen van een leeftijdsgrens nietwenselijk is.Mochten toekomstige ontwikkelingen in zijn algemeenheid aanleidinggeven om het huidige wettelijke kader te herzien, dan vergt dat uiteraardeen zorgvuldige onderbouwing en afweging en een zorgvuldig proces.De leden van de SGP-fractie lezen dat de mediarichtlijn van Expertise-centrum Euthanasie eind 2025 zou worden geëvalueerd. Is deze evaluatieinmiddels afgerond en zo ja, kan de Staatssecretaris de Kamer informerenover de uitkomsten hiervan?Expertisecentrum Euthanasie (EE) heeft inmiddels onderzocht wat deimpact van haar mediarichtlijn is geweest tot nu toe. EE signaleert devolgende ontwikkelingen:–De mediarichtlijn wordt (h)erkend als richtlijn. De richtlijn wordt gezienals ethisch referentiekader waar media, professionals en beleidsma-kers naar verwijzen.–De richtlijn draagt bij aan bewustwording. Het zet aan tot nadenken:wat is zorgvuldige berichtgeving over euthanasiezorg?–Niet zelden geven journalisten die EE benaderen aan dat ze hunproducties aan de richtlijn toetsen.–Kwaliteitsmedia brengen minder eenzijdige persoonlijke verhalenzonder professionele duiding. Er is meer aandacht voor context (deuitzondering is geen norm) en de complexiteit van euthanasiezorg,met name euthanasiezorg voor patiënten met psychisch lijden.–Er is meer aandacht voor neutraler taalgebruik en passend beeldmate-riaal. Ook deze ontwikkeling zien we vooral bij kwaliteitsmedia.–Qua aanmeldingen waren er tussen november 2024 en november 2025geen significante verschillen in het aantal aanmeldingen bij EE opbasis van psychisch lijden rond grote media-uitingen over ditonderwerp. Hiervoor zijn meegenomen:•Het artikel «Romy zag op het laatste moment af van euthanasie»,NRC 1 november 2024.•Het rondetafelgesprek over euthanasie bij psychisch lijden vanjonge mensen, 15 mei 2025.•De documentaire «Milou’s strijd gaat door», 16 oktober 2025.EE signaleert dus voorzichtige positieve ontwikkelingen die volgens haar,gelet op het korte bestaan van de richtlijn, realistisch zijn. De media-richtlijn wordt volgens EE positief ontvangen en draagt bij aan eenzorgvuldiger berichtgeving over euthanasiezorg in de media. EE heeftaangegeven de komende jaren te blijven werken aan meer bekendheidvan de mediarichtlijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikvragen te stellen over de brief van de Staatssecretaris over de stand vanzaken van de uitvoering van moties en toezeggingen, naar aanleiding vande initiatiefnota De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bijpsychisch lijden bij jonge mensen.11Zie: Reactie NVvP en KNMG op NSC-initiatiefnota euthanasie | NVvPTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1812 Ten aanzien van de motie Boomsma c.s. om meer wetenschappelijkonderzoek te doen naar euthanasieverzoeken van jonge mensen tot 30jaar die ernstig psychisch lijden vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of de NVvP-richtlijn al herzien is en zo ja, op welke punten dit isgebeurd. Geeft de wijziging van de richtlijn antwoord op de onderwerpenuit de motie, namelijk hoe uitzichtloosheid als zorgvuldigheidscriterium bijeuthanasie beoordeeld moet worden, de mate van zekerheid overprognoses bij psychisch lijden en hoe dit zich verhoudt tot die vansomatische aandoeningen die aanleiding zijn voor euthanasie?In de huidige NVvP-richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiëntenmet een psychische stoornis (2018) komt al aan de orde hoe uitzicht-loosheid (en ondraaglijkheid) als zorgvuldigheidscriterium bij euthanasiebeoordeeld moet worden en hoe de arts met de patiënt tot de overtuigingkan komen dat er voor de situatie van de patiënt geen redelijke andereoplossing is. In de richtlijn wordt aangegeven dat van een redelijkbehandelperspectief naar huidig medisch inzicht sprake is als zicht is opverbetering bij adequate behandeling, binnen een overzienbare termijn énmet een redelijke verhouding tussen de te verwachten resultaten en debelasting van de behandeling voor de patiënt. Zowel het professioneleoordeel van de arts als de inschatting van de patiënt in het licht van diensvoorgeschiedenis is hierbij van belang. Volgens de richtlijn moet bij dezeafweging tevens rekening gehouden worden met de kans op spontaanherstel of de mogelijkheid van herstel ondersteunende interventies.Beschreven wordt wat een «adequate behandeling» is en wat wordtverstaan onder een «overzienbare termijn». In de richtlijn is ook aandachtvoor de onzekerheid en complexiteit ten aanzien van de beoordeling vaneen verzoek om levensbeëindiging op psychische grondslag en op diverseplekken wordt aangegeven hoe hiermee om te gaan. Een explicietevergelijking met somatische aandoeningen – anders dan ten aanzien vande levensverwachting – wordt in de richtlijn niet gemaakt.De herziening van de richtlijn betreft niet een algehele herziening, maar(zoals te doen gebruikelijk) een herziening van specifieke modules, teweten de modules 4.1 – Second opinion door onafhankelijke psychiater,5.1 – Beoordeling door onafhankelijk consulent en 7 – Specifieke patiënt-groepen levensbeëindiging. Bij deze laatste module wordt specifiekingegaan op jongeren. De modules zijn geselecteerd na een «need forupdate» die wordt ingevuld door verschillende organisaties en belangheb-benden.12Zoals de NVvP op haar website aangeeft, is euthanasie bij jongeren eencomplex onderwerp waarbij de evaluatie van de richtlijn meer tijd eninput vanuit verschillende perspectieven vraagt. De NVvP houdt zichmomenteel bezig met verdere visievorming rondom euthanasie oppsychische grondslag, ook bij jongeren. Om deze visievorming van deleden van de NVvP mee te kunnen nemen in de herziening van debetreffende modules van de richtlijn is er daarom voor gekozen hetmodulaire onderhoud op te knippen in twee cycli.De modules 4.1 en 5.1 zijn inmiddels herzien en bevinden zich in deautorisatie-/goedkeuringsfase waarbij de volgende organisaties betrokkenzijn: de NVvP, het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), hetNederlands Huisartsen Genootschap (NHG), de Koninklijke NederlandscheMaatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) en MIND (delandelijke koepelvereniging van, voor en door cliënten- en familieorgani-saties in de ggz). In de herziene versie van module 4.1 wordt dieperingegaan op hoe de second opinion psychiater de uitzichtloosheid toetst.12Zie: Richtlijnherziening en visievorming Euthanasie | NVvPTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1813 De voorbereidingen van de herziening van module 7 zijn inmiddelsgestart. Gezien de zorgen die in de samenleving en onder een deel van deberoepsgroep zijn (en die door de beroepsgroep herkend worden), heeftde NVvP een brede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactievedialoogsessies over euthanasie op psychische grondslag bij jongeren omverdiepende input op te halen voor de richtlijnherziening. De bijeen-komsten – die in februari, maart en april 2026 plaatsvinden – brengenpsychiaters, andere behandelaren, jongeren- en ervaringsdeskundigen enrelevante kennis- en expertisecentra samen. Tijdens de sessies vindengesprekken plaats over belangrijke vragen en dilemma’s uit de praktijk. Erwordt stilgestaan bij diverse thema’s als uitzichtloosheid bij jongeren inontwikkeling, ontwikkelingsleeftijd versus kalenderleeftijd, wilsbe-kwaamheid inzake het euthanasieverzoek, gesprekken over de doodswensmet jongeren en de invloed van sociale media. Ook wordt verkend hoeextra zorgvuldigheid bij de beoordeling van een euthanasieverzoek vanjongeren nader kan worden ingevuld. De opbrengst van deze dialoog-sessies wordt, naast de gebruikelijke input voor het modulaire onderhoud,benut bij de verdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel.13 Het streven isde herziening van module 7 eind 2026 af te ronden en begin 2027 teautoriseren/goedkeuren.In zijn algemeenheid geldt dat zodra een module is geautoriseerd/goedgekeurd, een geüpdatete versie van de richtlijn Levensbeëindigingop verzoek bij patiënten met een psychische stoornis wordt gepubliceerdop de website van de Federatie Medisch Specialisten (FMS).Daarnaast vragen zij wat de stand van zaken is ten aanzien van degesprekken om het SUNSET-onderzoek een langlopende cohortstudie temaken.Het kabinet hoopt de Kamer binnen afzienbare termijn te kunneninformeren of voortzetting van het SUNSET-onderzoek via ZonMwmogelijk is. Een voortzetting van het onderzoek zou aanvullende finan-ciering vereisen vanuit het Ministerie van VWS. In het licht van debezuinigingsopgave waar het Ministerie van VWS voor staat, is het echtergeen gemakkelijke opgave.Ten aanzien van de motie Bikker en Diederik van Dijk over een noodventielin de Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding(Wtl) betreuren de leden van de ChristenUnie-fractie het ten zeerste dat ergeen noodzaak en wens wordt gezien om een noodventiel in de wet op tenemen. Deze leden vinden dat met de redenering dat de evaluaties van dewet geen aanleiding geven om hiernaar te kijken geen recht wordt gedaanaan de zorgen die er leven in de samenleving en onder een deel van deberoepsgroep, en de stand van de ggz, zoals in de motie verwoord. Deleden Bikker en Diederik van Dijk hebben, met steun van de meerderheidin de Kamer, gevraagd om te bezien of en hoe de wet een juridischemogelijkheid kan creëren voor een noodventiel, een tijdelijke pas op deplaats, als er onvoorziene ontwikkelingen bij elkaar komen die niet in dewet worden afgedekt. Aangezien de ontwikkelingen rond euthanasie bijpsychisch lijden van jonge mensen pas de afgelopen jaren hard gaan, ishet logisch dat de evaluaties van de Wet toetsing levensbeëindiging opverzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) hier niet op ingaan. Bovendien zijn deleden van de ChristenUnie-fractie van mening dat de wetsevaluaties zichvooral richten op het functioneren van de wet en vrijwel niet op deontwikkelingen in de samenleving. Deze leden vinden de evaluaties vande Wtl dus geen afdoende bron om te kunnen concluderen of het nodigen wenselijk is om een noodventiel aan te brengen. Kan de Staatssecre-taris hierop reageren? Is de Staatssecretaris bereid zich breder te laten13Zie: Dialoogsessies euthanasie bij jongeren (2) | NVvPTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1814 informeren over nut en wenselijkheid van een aanpassing van de wet, zovragen de leden van de ChristenUnie-fractie. Zo nee, waarom niet?Allereerst wil het kabinet benadrukken dat het oordeel over het ontbrekenvan een noodzaak om een noodventiel in de wet op te nemen niet alleengebaseerd is op de vier wetsevaluaties die inmiddels hebben plaatsge-vonden, maar tevens op de toetsingspraktijk van de RTE en het vervol-gingsbeleid van het Openbaar Ministerie (OM). Euthanasie bij psychischlijden – zeker waar het jonge mensen betreft – is zeer zeldzaam en geenenkele euthanasiemelding van een patiënt jonger dan 30 jaar is alsonzorgvuldig beoordeeld.Voorts is het niet zo dat de wetsevaluaties niet zien op opvattingen onderartsen en binnen de maatschappij. Praktijkonderzoek naar ervaringen enopvattingen van artsen over de euthanasiepraktijk, waaronder euthanasiebij psychisch lijden, maakt namelijk onderdeel uit van de evaluatie.Evenals onderzoek naar het draagvlak onder burgers voor de huidigeregeling waaronder euthanasie bij psychische aandoeningen. Naaraanleiding van schriftelijke vragen vanuit de Kamer waarom in de vierdeevaluatie van de Wtl geen psychiaters betrokken zijn geweest, heeft devoormalig Minister voor Medische Zorg laten weten dat tweemaal eerderextra onderzoek is uitgevoerd onder psychiaters en dat het de bedoelingis om psychiaters mee te nemen in de volgende wetsevaluatie.14Daarnaast is, zoals aangegeven op een andere vraag van de leden van deChristenUnie-fractie, de NVvP haar richtlijn Levensbeëindiging op verzoekbij patiënten met een psychische stoornis (2018) aan het herzien, ondermeer waar het jonge mensen betreft. Gezien de zorgen die in de samen-leving en onder een deel van de beroepsgroep zijn, heeft de NVvP eenbrede oproep uitgezet om deel te nemen aan interactieve dialoogsessiesover euthanasie bij jongeren om input op te halen voor deze herziening.De bijeenkomsten brengen psychiaters, andere behandelaren, jongeren-en ervaringsdeskundigen en relevante kennis- en expertisecentra samen.Tijdens de sessies vinden gesprekken plaats over belangrijke vragen endilemma’s uit de praktijk. Er wordt stilgestaan bij thema’s als uitzicht-loosheid bij jongeren in ontwikkeling, ontwikkelingsleeftijd versuskalenderleeftijd, wilsbekwaamheid, gesprekken over de doodswens en deinvloed van sociale media. Ook wordt verkend hoe extra zorgvuldigheidbij jongeren op een zorgvuldige en uitvoerbare manier kan wordeningevuld. De opbrengst van deze dialoogsessies wordt benut bij deverdere uitwerking van dit richtlijnonderdeel.15Het kabinet constateert dan ook dat de beroepsgroep de herziening van derichtlijn gedegen oppakt en wacht de uitkomst van de herziening metbelangstelling af.In het licht van bovenstaande ziet het kabinet geen aanleiding om zich nubreder te laten informeren over nut en wenselijkheid van een aanpassingvan de wet. Mochten toekomstige ontwikkelingen in zijn algemeenheidaanleiding geven om het huidige wettelijke kader te herzien, dan vergt datuiteraard een zorgvuldige onderbouwing en afweging en een zorgvuldigproces.Ten aanzien van de motie Bikker c.s. over onderzoek naar de mediarichtlijnvan Expertisecentrum Euthanasie vragen de leden van de ChristenUnie-fractie wat de resultaten van het evaluatieonderzoek van het Expertise-centrum Euthanasie zijn, en of dit onderzoek naar de Kamer kan worden14Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 31 036, nr. 11.15Zie: Dialoogsessies euthanasie bij jongeren (2) | NVvPTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1815 gestuurd. Is er wat de Staatssecretaris betreft reden om extern te latenonderzoeken of de mediarichtlijn goed werkt? Deze leden vinden hetbeperkt dat het Expertisecentrum Euthanasie de eigen richtlijn evalueert.In dit licht verbazen de leden van de ChristenUnie-fractie zich erover datde documentaire over Milou, «Milou’s strijd gaat door» door Nederland isingezonden voor de Emmy Awards. Heeft de NPO met het oog op deinzending getoetst aan de mediarichtlijn, zo vragen de leden van deChristenUnie-fractie.Expertisecentrum Euthanasie (EE) heeft inmiddels onderzocht wat deimpact van haar mediarichtlijn is geweest tot nu toe. EE geeft daarbij wélaan dat – zoals eerder aan de Kamer gemeld16 – het niet mogelijk isgeweest om na te gaan in hoeverre de mediarichtlijn het Werther-effectheeft weten te voorkomen. Het is namelijk niet alleen zo dat het afgelopenjaar qua berichtgeving lastig te vergelijken is met de jaren ervoor (hetafgelopen jaar is er veel meer media-aandacht geweest voor euthanasiebij psychisch lijden dan eerdere jaren), ook is het zo dat een mediarichtlijnniet de enige variabele is die voor meer of minder aanmeldingen bij EEzorgt.EE signaleert de volgende ontwikkelingen:–De mediarichtlijn wordt (h)erkend als richtlijn. De richtlijn wordt gezienals ethisch referentiekader waar media, professionals en beleidsma-kers naar verwijzen.–De richtlijn draagt bij aan bewustwording. Het zet aan tot nadenken:wat is zorgvuldige berichtgeving over euthanasiezorg?–Niet zelden geven journalisten die EE benaderen aan dat ze hunproducties aan de richtlijn toetsen.–Kwaliteitsmedia brengen minder eenzijdige persoonlijke verhalenzonder professionele duiding. Er is meer aandacht voor context (deuitzondering is geen norm) en de complexiteit van euthanasiezorg,met name euthanasiezorg voor patiënten met psychisch lijden.–Er is meer aandacht voor neutraler taalgebruik en passend beeldmate-riaal. Ook deze ontwikkeling zien we vooral bij kwaliteitsmedia.–Qua aanmeldingen waren er tussen november 2024 en november 2025geen significante verschillen in het aantal aanmeldingen bij EE opbasis van psychisch lijden rond grote media-uitingen over ditonderwerp. Hiervoor zijn meegenomen:•Het artikel «Romy zag op het laatste moment af van euthanasie»,NRC 1 november 2024.•Het rondetafelgesprek over euthanasie bij psychisch lijden vanjonge mensen, 15 mei 2025.•De documentaire «Milou’s strijd gaat door», 16 oktober 2025.EE signaleert dus voorzichtige positieve ontwikkelingen die volgens haar,gelet op het korte bestaan van de richtlijn, realistisch zijn. De media-richtlijn wordt volgens EE positief ontvangen en draagt bij aan eenzorgvuldiger berichtgeving over euthanasiezorg in de media. EE heeftaangegeven de komende jaren te blijven werken aan meer bekendheidvan de mediarichtlijn.Het kabinet ziet nu geen aanleiding om de mediarichtlijn extern te latenevalueren. Navraag bij onderzoekers leert overigens dat onderzoek naarde effectiviteit van de mediarichtlijn – dat wil zeggen het vermogen van derichtlijn om potentieel schadelijke effecten van media-uitingen, waarondereen toename van euthanasieverzoeken en/of zelfdodingen, te voorkomen– complex is en het de vraag is of dergelijk onderzoek de benodigdekennis oplevert.16Kamerstukken II, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 17.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1816 Wat de inzending door Nederland betreft van de documentaire «Milou’sstrijd gaat door» voor de Emmy Awards en de vraag of de NPO deinzending heeft getoetst aan de mediarichtlijn blijkt uit navraag bij hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het volgende: de NTR isde omroep die redactioneel verantwoordelijk is voor deze documentaire.De NTR is redactioneel onafhankelijk en gaat zelf over de inhoudelijkekeuzes die bij de productie van de documentaire zijn gemaakt. Ook dekeuze van de NTR om de documentaire «Milou’s strijd gaat door» in tezenden voor de Emmy Awards is een keuze van de omroep zelf. De NTRheeft desgevraagd laten weten dat de keuze om de documentaire in tezenden niet formeel is getoetst aan de mediarichtlijn. Dit is overigens ookniet vereist.De NTR benadrukt dat de makers van de documentaire zich steeds hebbeningespannen om, voor zover passend binnen de redactionele onafhanke-lijkheid, zorgvuldig om te gaan met de uitgangspunten uit deze media-richtlijn. Ook laat de NTR weten dat de documentaire is voorgelegd aan113 Zelfmoordpreventie. Het advies van 113 Zelfmoordpreventie om in defilm verwijzingen op te nemen naar hun hulpaanbod is daarbij overge-nomen.De leden van de ChristenUnie-fractie blijven zich zorgen maken overeuthanasie bij psychisch lijden bij jongen mensen, de verdeeldheid in desector en de media-aandacht die psychiaters en betrokkenen krijgen dieachter deze ontwikkeling staan, terwijl waarschijnlijk een meerderheid inde sector hier flinke bezwaren tegen heeft. Deze leden maken zich zorgendat er langzaamaan een normalisering plaatsvindt van euthanasie bijpsychisch lijden bij jonge mensen terwijl er niet voldoende medisch-inhoudelijk, ethisch en maatschappelijk is onderzocht en uitgewerkt watde consequenties hiervan zijn. Kan de Staatssecretaris ingaan op dezezorgen?Vooropgesteld zij dat geen sprake is van «normalisering van euthanasiebij psychisch lijden van jonge mensen». Allereerst toont het aantalmeldingen van euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen dat deRegionale Toetsingscommissies Euthanasie (RTE) de afgelopen jaren heeftontvangen dit niet aan, ook de NVvP ziet geen «normalisering vaneuthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen» en ziet dat ook in detoekomst niet gebeuren. Volgens de NVvP zal het altijd om een zeer kleineen zeer beperkte groep gaan waarbij het uitgangspunt zal zijn «nee,tenzij».De NVvP herkent de zorgen over euthanasie bij psychisch lijden van jongemensen en is zich bewust van de media-aandacht en het huidige debat.Om die reden gaat de NVvP zeer zorgvuldig te werk en wordt ernaargestreefd om zo breed mogelijk uiteenlopende meningen van professi-onals en ervaringsdeskundigen op te halen, om alle argumenten te horenen te wegen en een genuanceerde dialoog over dit thema te voeren. Zoalseerder aangegeven, worden de uitkomsten van de dialoogsessiesmeegenomen in de richtlijnherziening.Tot slot verzoeken de leden van de ChristenUnie-fractie zodra hetjaarverslag van de Regionale toetsingscommissies euthanasie over 2025afgerond is, deze naar de Kamer te sturen, samen met gedetailleerdegegevens over het aantal jongeren onder 30 jaar met de precieze leeftijddie vanwege psychisch lijden euthanasie hebben gekregen.Zodra de Regionale Toetsingscommissies Euthanasie hun jaarverslag over2025 aan mij hebben aangeboden, zal ik deze, samen met de gevraagdegegevens, aan de Kamer sturen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 624, nr. 1817
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.