KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de Kabinetsreactie advies nr. 46 van de Commissie advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV) (Kamerstuk 36600-V-59)

17 apr 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 9f9dc5f2597ceef7 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 VVaststelling van de begrotingsstaat van hetMinisterie van Buitenlandse Zaken (V) voor hetjaar 2025Nr. 69 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 17 april 2025 De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken over debrief van 9 januari 2025 over de Kabinetsreactie advies nr. 46 van deCommissie advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV)(Kamerstuk 36 600 V, nr. 59).De vragen en opmerkingen zijn op 12 februari 2025 aan de Minister vanBuitenlandse Zaken voorgelegd. Bij brief van 17 april 2025 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,KlaverDe griffier van de commissie,Westerhoff kst-36600-V-69ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 691 InhoudsopgaveVragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enreactie van de bewindspersoon2Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie enreactie van de bewindspersoon4Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie enreactie van de bewindspersoon4Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie en reactie van de bewindspersoon5Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie enreactie van de bewindspersoon14 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoonVragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op het advies nummer 46 van de Commissie van advies inzakevolkenrechtelijke vraagstukken (CAVV); zij hebben hier enkele vragen enopmerkingen over.De leden van de VVD-fractie constateren dat zowel het kabinet, als deCAVV de formulering van de International Law Commission (ILC) inontwerpconclusie 3(b) als onnodig voorzichtig beschouwen. De ILC heeftdeze formulering echter bewust gekozen, gezien de voortdurendediscussie over de waarde van wetten binnen het internationale juridischesysteem. Het schrappen van voorzichtige bewoordingen zou kunnenimpliceren dat dit systeem extra waarde krijgt toegekend, terwijl juistvoorzichtige bewoordingen ruimte geven aan de discussie over de waardeen betrouwbaarheid van jurisprudentie. Dit kan juist het vertrouwen intoekomstige uitspraken vergroten. Deze leden vragen zich dan ook af hoehet kabinet dit evalueert.1. Antwoord van het kabinetDe formulering van de International Law Commission (ILC) biedtvolgens de ILC ruimte aan staten die sceptisch staan tegenoverde categorie algemene rechtsbeginselen gevormd binnen deinternationale rechtsorde. Het advies van zowel het kabinet alsde CAVV om te spreken over algemene rechtsbeginselen«gevormd» binnen de internationale rechtsorde in plaats vanalgemene rechtsbeginselen die «gevormd kunnen worden»binnen de internationale rechtsorde, is consistent met eerdereuitingen van het Koninkrijk der Nederlanden. Het Koninkrijk derNederlanden heeft zich bijvoorbeeld voor het Zeerechttribunaalberoepen op het beginsel van vrijheid van navigatie op volle zeeen erkent daarmee expliciet het bestaan van algemene rechtsbe-ginselen gevormd binnen de internationale rechtsorde.De ILC heeft het mandaat om een gezaghebbende toelichting tegeven op de aard, reikwijdte en functies van algemene rechtsbe-ginselen, evenals op de wijze waarop zij moeten worden geïdenti-ficeerd. Opname van tegengestelde meningen in de toelichting ofin het rapport van de ILC zelf dient voldoende te zijn om ruimtete geven aan discussie. Dit hoeft niet in de conclusies zelf totuiting te worden gebracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 692 De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan het sluiten vaninternationale verdragen. Zij zien dit als een internationaal democratischmiddel om internationaal recht af te dwingen. Deze leden lezen in hetCAVV-advies dat er wordt uitgegaan van een niet hiërarchischeverhouding tussen internationale verdragen en het internationalegewoonterecht. Deze leden stellen dat een verdrag wel meer waarde heeftdan internationaal gewoonterecht. Zij vragen het kabinet om een reactieop het hiërarchische verschil binnen het internationale recht tusseninternationale verdragen en het internationale gewoonterecht.2. Antwoord van het kabinetDe wetgevers hebben in de formulering van artikel 38 van hetStatuut van het Internationaal Gerechtshof geen hiërarchievoorzien tussen verdragen, internationaal gewoonterecht enalgemene rechtsbeginselen. De hiërarchie die wel wordt erkend,staat uitdrukkelijk in het artikel beschreven. Jurisprudentie enhet werk van de meest gekwalificeerde rechtsgeleerden wordendaarin immers gekwalificeerd als subsidiaire bron.De leden van de VVD-fractie lezen dat de CAVV zelf ook van mening is dathet onderscheid tussen algemene rechtsbeginselen ten opzichte vaninternationaal gewoonterecht niet duidelijk is. Deze leden vragen hetkabinet dan ook of zij er volledig op toe gaat zien dat dit nog verwerkt gaatworden.3. Antwoord van het kabinetHet kabinet heeft gehoor gegeven aan de oproep aan VN lidstatenom hun standpunten te uiten en heeft de ILC verzocht om demethodologie tussen het identificeren van internationaalgewoonterecht en algemene rechtsbeginselen te verduidelijken.Of de ILC het standpunt van het Koninkrijk der Nederlandenverwerkt en overneemt moet worden afgewacht.De leden van de VVD-fractie constateren dat er afgelopen jaren veelscepticisme en discussie is geweest over de werking van het internati-onaal recht en het Internationaal Gerechtshof. Deze leden vragen hetkabinet dan ook hoe een aanscherping en dus versterking van het statuutvan het Internationaal Gerechtshof, en dus het internationaal recht, inverhouding staan tot alle kritiek en scepticisme die bestaat over hetInternationaal Gerechtshof en internationaal recht. Deze leden constaterendat in het CAVV-advies het antwoord op de vraag of algemene rechtsbe-ginselen zelfstandig primaire rechten en plichten en secundaire enprocedurele regels kunnen genereren, onduidelijk is. Deze leden uiten hunzorgen hierover, aangezien een mogelijk «ja» als antwoord op deze vraageen belangrijke uitbreiding van de juridische functie van het InternationaalGerechtshof zou blijken. Deze leden vragen hoe het kabinet dit interpre-teert. Wil het kabinet erop toezien dat het statuut van het InternationaalGerechtshof duidelijk stelt, dat hier geen sprake van moet zijn? Kan hetkabinet daarmee niet akkoord gaan totdat dit duidelijker geformuleerd is?De leden van de VVD-fractie vragen in navolging van het CAVV-advies ookhoe het kabinet aankijkt tegen de verdere codificering van het internati-onaal recht, gelet op dergelijke versterkingen van de statuten. Kan hetkabinet toelichten hoe zij hiernaar kijkt?4. Antwoord van het kabinetHet Koninkrijk der Nederlanden is partij bij het Handvest van deVerenigde Naties en daarmee ook bij het Statuut van het Interna-tionaal Gerechtshof. Het kabinet heeft de mogelijkheid om bij deILC het standpunt van het Koninkrijk der Nederlanden over tebrengen ten aanzien van de aard, reikwijdte, functie, en methodo-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 693 logie ter identificatie van algemene rechtsbeginselen in de zinvan artikel 38 van het Statuut van het InternationaalGerechtshof. Het Koninkrijk heeft aangegeven dat naderetoelichting over het verband tussen de inhoud en reikwijdte vaneen algemeen rechtsbeginsel en de functie die het vervultgewenst is. Het kabinet hecht groot belang aan het internationaalrecht en acht het werk van de ILC inzake algemene rechtsbegin-selen als positief voor de ontwikkeling van de internationalerechtsorde.De vraag omtrent het zelfstandig genereren van rechten enplichten door algemene rechtsbeginselen is de Minister nietgeheel duidelijk, maar voor zover deze vraag betrekking heeft ophet punt of algemene rechtsbeginselen rechten en plichtenkunnen genereren voor staten, is het antwoord van het kabinetdaarop bevestigend. Om die reden zijn algemene rechtsbegin-selen als rechtsbron ook opgenomen in artikel 38 van het Statuutvan het Internationaal Gerechtshof. Het beginsel van onderscheidin het humanitair oorlogsrecht schept bijvoorbeeld inderdaadverplichtingen voor de strijdende partijen. De taak van hetInternationaal Gerechtshof is om geschillen te beslechten enadviezen te geven op verzoek van daartoe gemachtigde organenen gespecialiseerde organisaties van de VN. Bij het vervullen vandie taak zal het Hof het toepasselijk recht moeten vinden. Daarbijkan het Hof een rechtsbeginsel identificeren en interpreteren,waarbij het Hof tot het oordeel kan komen dat een staat of datstaten op basis van dat rechtsbeginsel bepaalde rechten ofverplichtingen onder het internationaal recht hebben. Dat is geenuitbreiding van de functie van het Internationaal Gerechtshof,maar betreft de kern van haar functioneren als internationaalgerechtelijke instantie.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de NSC-fractie hebben met interesse kennisgenomen van destukken voor dit schriftelijk overleg. Deze leden hebben zich ervan kunnenovertuigen dat er door de experts van CAVV zorgvuldig naar de ontwerp-conclusies van de International Law Commission is gekeken. Deze ledenkunnen zich dan ook in de reactie van het kabinet op CAVV-adviesnummer 46 vinden.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het advies vande Commissie van advies inzake volkenrechtelijke vraagstukken (CAVV)over de ontwerpconclusies van de International Law Commission inzakealgemene rechtsbeginselen en de kabinetsreactie daarop. De leden van deBBB-fractie hebben nog de volgende vragen en opmerkingen.De leden van de BBB-fractie volgen de lijn van de kabinetsreactie, maarhebben nog wel een vraag over het gestelde op pagina 6 van dezekabinetsreactie over ««de internationale gemeenschap», waartoe in iedergeval staten en internationale organisaties behoren als entiteiten die eenrol kunnen spelen bij het erkennen, en dus het vormen, van algemenerechtsbeginselen».Wat betekent dit, als het hierbij gaat om niet statelijke actoren, maarbijvoorbeeld om milities, fracties, of andere groeperingen, die de controleover een bepaald gebied voor langere termijn lijken te hebben?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 694 5. Antwoord van het kabinetAls subjecten van internationaal recht zijn het vooral staten dieeen rol kunnen spelen bij het vormen en erkennen van algemenerechtsbeginselen. Zoals aangegeven in het werk van de ILC tenaanzien van het vaststellen van internationaal gewoonterecht, ishet primair de praktijk van staten waar naar gekeken moetworden bij het bepalen van het bestaan en de inhoud van regelsvan internationaal gewoonterecht.1 Staten zijn de primairesubjecten van het internationale rechtssysteem en ze spelendaarin een uitzonderlijke rol. Als dit al geldt bij de ontwikkelingen vaststelling van regels van internationaal gewoonterecht, dangeldt dat des te meer voor de ontwikkeling van algemenerechtsbeginselen. Het is daarnaast niet uitgesloten dat ookinternationale organisaties, als subjecten van internationaalrecht, een rol kunnen spelen bij het vormen en erkennen vanalgemene rechtsbeginselen, maar niet in dezelfde mate alsstaten.Aangezien milities, fracties, en andere groeperingen die onafhan-kelijk opereren niet op dezelfde manier als staten en interna-tionale organisaties deel uitmaken van de internationale gemeen-schap, dragen zij niet bij aan de vorming van het internationaalrecht. Wat betreft de vaststelling van internationaal gewoonte-recht, geeft de ILC aan dat de gedragingen van entiteiten andersdan staten en internationale organisaties – zoals non-gouver-nementele organisaties en niet-statelijke gewapende groepe-ringen – geen internationaal gewoonterecht kunnen creëren nochdaarvan een uitdrukking kunnen zijn. Hun handelen draagt nietbij aan het vormen of uiten van regels van internationaal gewoon-terecht. Dezelfde conclusie kan worden getrokken ten aanzienvan het vormen en erkennen van algemene rechtsbeginselen.Milities, fracties, en andere groeperingen dragen daar niet aanbij. Dit neemt niet weg dat zij wel kunnen worden gehouden aanbepaalde onderdelen van het internationaal recht, zoals hethumanitair oorlogsrecht wanneer zij partij zijn bij een gewapendconflict.Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractieen reactie van de bewindspersoonDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de stukken voor dit schriftelijk overleg. Zij lezen dat deMinister op pagina 2 van de kabinetsreactie op het CAVV-advies opmerkt:«Het zoeken naar de methodologie van de identificatie van algemenebeginselen van internationaal recht toont volgens het kabinet dehistorische spanning tussen aanhangers van het natuurrecht enerzijds envan het positivisme anderzijds.» Hoewel dit volgens de leden van deChristenUnie-fractie een terechte observatie is, blijft het standpunt van hetkabinet vervolgens uit. Wat is het standpunt van het kabinet ten aanzienvan de spanning tussen natuurrecht enerzijds en positivisme anderzijds?Erkent het kabinet dat natuurrecht een transcendente orde impliceert? Hoegaat het kabinet daarmee om op het moment dat positief recht totspanning leidt ten aanzien van deze breed ervaren beginselen?6. Antwoord van het kabinetHet kabinet erkent dat de discussie omtrent algemene rechtsbe-ginselen als rechtsbron haar historie vindt in natuurrecht, zoals1ILC Draft conclusions on identification of customary international law, with commentaries,2018.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 695 ook blijkt uit de travaux préparatoires van het Statuut van hetInternationaal Gerechtshof. Dit is een constatering van hetkabinet waar geen waardeoordeel aan is verbonden. Verderconstateert het kabinet dat de term «transcendente orde» juisteen hiërarchie impliceert, die niet voortvloeit uit de tekst van hetStatuut van het Internationaal Gerechtshof.De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat positief recht ininternationale zin ook een uitkomst is van een politiek krachtenveld.Erkent de Minister dit? Zo ja, kan het dan zo zijn dat positief internationaalrecht theoretisch in strijd kan zijn met rechtsbeginselen? Zo ja, kan deMinister enkele voorbeelden geven waar hij gezien heeft dat positiefinternationaal recht weliswaar als rechtsnorm gold, maar achteraf gezienin strijd bleek met de bredere afweging van bronnen die nodig zijn om tekunnen beoordelen of er sprake is van recht?7. Antwoord van het kabinetDe Minister erkent dat het internationaal recht onderdeel vormtvan de internationale rechtsorde, waar het politieke krachtenveldook onderdeel van uit maakt. De internationale rechtsordeverschilt in dat opzicht niet wezenlijk van de nationalerechtsorde. Eerder dan strijd kan er sprake zijn van een positief-rechtelijke ontwikkeling gericht op de totstandbrenging van eenuitzondering op een erkend algemeen rechtsbeginsel. Eenvoorbeeld hiervan is het beginsel van vrijheid van navigatiewaarop in de loop der decennia uitzonderingen zijn gemaakt,zoals het recht op onschuldige doorvaart door de territorialewateren van een kuststaat. Een buitenlands vaartuig is slechtsgerechtigd tot «onschuldige doorvaart» wanneer aan een aantalvoorwaarden wordt voldaan. Dit rechtsregime is gecodificeerd inhet Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zeevan 1982. Een vergelijkbare uitzondering wordt gevormd door devoorwaarden die verbonden zijn aan het «recht van doortocht»door zeestraten die een verbinding vormen tussen twee delen vande volle zee of exclusieve economische zones en het recht vankuststaten om veiligheidszones af te kondigen rondom instal-laties en kunstmatige eilanden in de exclusieve economischezone van die kuststaat. In verschillende van dit soort situatieskan de statenpraktijk in eerste instantie op gespannen voet staanmet een relevant algemeen rechtsbeginsel, maar kan dezepraktijk, bij voldoende steun door andere staten, leiden tot eennieuwe positiefrechtelijke regel die een uitzondering vormt ophet betreffende rechtsbeginsel.De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het internationaalrecht en de analyse van de ILC zich toespitsen op mensen, terwijl ook hetborgen van de rechten van dieren middels positief (internationaal) recht inopkomst is. Kan het kabinet uiteenzetten welk beginsel ten grondslag ligtaan het verschil in rechten tussen mensen en dieren?8. Antwoord van het kabinetStaten zijn de primaire subjecten van het internationaal recht, enhet zijn daarom (zoals ook hierboven aangegeven) staten die eenrol spelen bij het erkennen en vormen van algemene rechtsbegin-selen. Het internationaal recht geldt in principe tussen staten,terwijl mensen ook rechten kunnen hebben onder het internati-onaal recht en daarmee beschouwd kunnen worden als eenrechtssubject onder het internationaal recht. Deze mensen-rechten gelden (primair) tussen staten en mensen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 696 Dieren hebben onder het internationaal recht vooralsnog geenrechten zoals mensen die hebben. Dit betekent niet dat dierengeen rechtssubject zouden kunnen zijn onder het internationaalrecht. Hoewel recentelijk meer aandacht is voor de rechten vandieren en het erkennen van de intrinsieke waarde van het milieu,heeft dit zich evenwel nog niet vertaald in de ontwikkeling vanpositief (internationaal) recht ten aanzien van het erkennen vandieren als rechtssubjecten onder het internationaal recht. Datneemt niet weg dat dieren (en andere organismen) wordenbeschermd op basis van internationaal recht, in het bijzonderverdragen die strekken tot de instandhouding van biologischediversiteit, zoals de Conventie inzake biologische diversiteit.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn het met het kabinet en de CAVVeens dat spreken van «beschaafde naties» problematisch en anachronis-tisch is. Deze leden vragen de Minister om te reflecteren op de invloedvan deze notie op de ontwikkeling van internationaal recht tot nu toe,aangezien deze voor een groot deel in een tijdsgewricht heeft plaatsge-vonden waarin spreken over «beschaafde» en «onbeschaafde» naties nogwel gebruikelijk was. Kan het zijn dat bij de ontwikkeling van het internati-onaal recht de belangen van «onbeschaafde» naties onvoldoendemeegewogen zijn? Welke gevolgen heeft dat volgens de Minister gehadvoor de huidige constellaties van internationaal recht en de ontstanebronnen waar we de afgelopen eeuwen uit putten?9. Antwoord van het kabinetDe term «beschaafde naties», zoals dat genoemd wordt inartikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof,stamt uit een periode dat er op internationaal niveau onderscheidwerd gemaakt tussen Europese Christelijke staten en staten engemeenschappen die niet dezelfde waarden en rechtssystemenhanteerden. In die periode werden bij de ontwikkeling van hetinternationaal recht de belangen van andere staten en gemeen-schappen niet (voldoende) meegewogen, omdat alleen de«beschaafde naties» het internationaal recht ontwikkelden enalleen zij geacht werden zich aan dat recht te houden.Na de Tweede Wereldoorlog vond daarin een kentering plaats,vooral als gevolg van de oprichting van de Verenigde Naties, hetdekolonisatieproces en de erkenning van individuele mensen-rechten. De staten die ontstonden naar aanleiding van dekoloni-satie konden op voet van juridische gelijkheid met andere statenaan tafel zitten bij de totstandbrenging of aanpassing van regelsvan internationaal recht. Ook waren deze nieuwe staten nietgebonden aan de door de koloniale machthebbers geslotenverdragen op basis van de zgn. «clean slate» doctrine, zoalsneergelegd in het Verdrag van Wenen inzake Statenopvolging metbetrekking tot verdragen van 1978 (nog niet in werkinggetreden). Een uitzondering op deze regel word gevormd doorverdragen die specifiek betrekking hebben op het grondgebied,zoals grensverdragen. De nieuwe staten ontwikkelden ookregionale instrumenten (zoals het African Charter on Human andPeoples’ Rights en de American Convention on Human Rights),traden toe tot bestaande verdragen en verkregen invloed op deontwikkeling van internationaal recht door hun lidmaatschap vanverschillende (universele) internationale organisaties.Met de dekolonisatiegolf zijn er verschillende bewegingenontstaan die zich richtten op het verbeteren en herzien vaninternationaal recht. De verdragen die zijn gesloten na dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 697 periode en de gewoonterechtelijke regels die sindsdien tot standzijn gekomen, reflecteren de belangen van deze nieuwe statenaanzienlijk beter. De term «civilized nations» wordt nu dan ookgeïnterpreteerd als een verwijzing naar alle staten die de interna-tionale gemeenschap vormen.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister kan ingaan opde realiteit waarin internationaal recht en de toepassingen daarvanpolitiek worden vastgesteld, enerzijds door lidstaten die iets overeen-komen en vervolgens duiden als internationaal recht, en anderzijds doorhet beroepen op dat recht vanuit politieke overwegingen, bijvoorbeeld bijresoluties van de Verenigde Naties (VN)? Erkent de Minister dat hetingewikkeld is om resoluties hetzelfde gewicht toe te kennen als anderebronnen omschreven in artikel 38 van het statuut van het InternationaalGerechtshof, omdat bij de eerste politieke en machtsmotieven tevens eenrol spelen?10. Antwoord van het kabinetNiet alle resoluties van de VN hebben dezelfde status. Resolutiesvan de VN Veiligheidsraad kunnen juridisch bindend zijn, endaarmee dezelfde status krijgen als een andere bindenderechtsbron van het internationaal recht. Aan resoluties van deAlgemene Vergadering van de VN wordt niet hetzelfde gewichttoegekend als de bronnen omschreven in artikel 38 van hetStatuut van het Internationaal Gerechtshof. Zij zijn als zodanigmeestal niet juridisch bindend. Wel worden dit soort resoluties inde praktijk gebruikt om normen als vastgelegd in verdragen ofhet gewoonterecht te interpreteren. Daarnaast kunnen resolutiesgebruikt worden om het bestaan van een internationaalrechte-lijke regel vast te stellen: een resolutie kan een weergave van eenregel van gewoonterecht bevatten, en indien zij unaniem, metconsensus of met een overgrote meerderheid van stemmen isaangenomen, kan dit de gewoonterechtelijke status van een regelbevestigen. Volgens het Internationaal Gerechtshof hangt het afvan de bewoordingen van een resolutie, en van de totstand-koming (stemverhoudingen), of een resolutie van de AlgemeneVergadering van de VN een weerspiegeling is van het internati-onaal recht. Het Internationaal Gerechtshof verwijst geregeldnaar resoluties van de Algemene Vergadering voor de weergavevan een regel van internationaal recht. Te denken valt hierbij aande resoluties over de betrekkingen tussen staten (zoals Resolutie2625 (1970), Declaration on Principles of International Lawconcerning Friendly Relations and Co-operation among States inaccordance with the Charter of the United Nations), dekoloni-satie (zoals Resolutie 1514 (1960), Declaration on the Granting ofIndependence to Colonial Countries and Peoples) en de ontwerp-artikelen inzake staatsaansprakelijkheid (Resolutie 56/83 van12 december 2001).Zou dat instrumentarium dan ook niet herijkt moeten worden ommachtsafwegingen in te perken, zo vragen deze leden. De leden van deChristenUnie-fractie vragen of de Minister erkent dat er een verschil istussen de internationale rechtsorde en internationaal recht? Indien dat zois, kan de Minister dan uitleggen hoe artikel 90 van de Grondwetgeïnterpreteerd zou moeten worden en wat het verschil zou zijn als ergeen «rechtsorde», maar «internationaal recht» zou staan?11. Antwoord van het kabinetInternationaal recht is gebaseerd op regels, normen en beginselendie primair de relaties tussen staten regelen. De «internationaleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 698 rechtsorde» dient te worden verstaan in de ruime zin van «eeninternationaal bestel gebaseerd op universeel geldende rechts-normen» (Kamerstuk 15 049 (R 1100), nr. 7, p. 5). De interna-tionale rechtsorde is dus een breed concept dat verwijst naar hetsysteem waarin internationaal recht opereert, waar internationalediplomatie en naleving alsmede het respecteren van internati-onaal recht onderdeel van zijn. Het omvat daarnaast de mecha-nismen voor handhaving en geschillenbeslechting, en voor hetontstaan van nieuwe regels van internationaal recht.Conform artikel 90 van de Grondwet bevordert het kabinet deontwikkeling van de internationale rechtsorde. Nederland geeftop verschillende manieren inhoud aan de grondwettelijke taak,die raakt aan vele departementen en beleidsterreinen. Dit isonder andere uiteengezet in de Beleidsnota Mensenrechten,Democratie en Internationale Rechtsorde, en het BeleidskaderMondiaal Multilateralisme (zie Kamerstuk 32 735 nr. 370 enKamerstuk 31 271, nr. 22).De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de Minister of soevereiniteitvan staten echt een algemeen rechtsbeginsel is en, zo ja, sinds wanneerdat als zodanig is vastgesteld? Is de Minister van mening dat de vastge-stelde grenzen – bijvoorbeeld de grenzen die rond de conferentie vanBerlijn zijn bepaald, maar waarover tot aan de dag van vandaag conflictbestaat – een uiting van deze rechtsbeginselen zijn? Is het kabinet vanmening dat deze vastgestelde besluiten onveranderlijk zijn en dat dezeeen uiting van rechtsbeginselen zouden zijn?12. Antwoord van het kabinetStaatssoevereiniteit betekent dat een staat het hoogste gezaguitoefent over een bepaald grondgebied (en de daar woonachtigebevolking). De grenzen van een staat kunnen betwist wordenzonder dat dat afbreuk doet aan statelijkheid en daarmee aan desoevereiniteit van die staat. Het concept van soevereiniteit vanstaten (en daarmee de soevereine gelijkheid van staten, ongeachtterritoriale omvang of politiek systeem) is terug te voeren naar deVrede van Westfalen van 1648. Dat betrof een vredesregelingtussen Europese staten, waarbij een op personen (monarchen)gebaseerde rechtsorde werd getransformeerd naar een opgrondgebied (van staten) gebaseerde rechtsorde gegrondvest opde soevereine gelijkheid van staten. Als gevolg van dekolonisatiena de Tweede Wereldoorlog zijn verschillende voormaligekoloniale gebieden onafhankelijke staten geworden waardoor hetbeginsel van staatssoevereiniteit ook op hen van toepassingwerd. Het Internationaal Gerechtshof heeft het beginsel vansoevereine gelijkheid van staten (en daarmee staatssoevereiniteit)als beginsel onder internationaal recht bevestigd, waaronder inde context van het non-interventie verbod en het verbod op hetgebruik van geweld.Op basis van het (aan het Romeinse recht ontleende) beginsel vanuti possidetis worden de buitengrenzen van een territorialeentiteit bij onafhankelijkheid «bevroren». Dit beginsel is opinternationaal niveau eerst toegepast tijdens het ontstaan vanZuid-Amerikaanse staten, later tijdens het ontstaan van verschil-lende staten op het Afrikaanse continent en vervolgens in decontext van het voormalig Joegoslavië, het uiteenvallen van deUSSR en de ontbinding van Tsjechoslowakije. De tijdens deconferentie van Berlijn (1884–1885) door koloniale mogendhedenvastgestelde grenzen in Afrika vormden in de meeste gevallenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 699 inderdaad de basis voor de buitengrenzen van de onafhankelijkgeworden staten na dekolonisatie middels toepassing van hetbeginsel van uti possidetis. In het Statuut van de Afrikaanse Uniewordt de toepasselijkheid van dit beginsel op de buitengrenzenvan een koloniaal gebied bij het bereiken van onafhankelijkheidbevestigd. Dergelijke buitengrenzen zijn echter niet onveran-derlijk. Buitengrenzen kunnen door middel van wederzijdseinstemming van de betrokken staten worden gewijzigd.De leden van de ChristenUnie-fractie merken de volgende zinsnede oppagina 4 van de kabinetsreactie op: «Het kabinet merkt op dat waar deCAVV aangeeft dat de ILC niet ingaat op de vraag wat een beginselonderscheidt van een rechtsbeginsel, het kabinet het zo begrijpt, dat eenrechtsbeginsel een juridisch bindende norm is die de oorsprong kan zijnvan andere regels, terwijl een beginsel een buiten het recht gelegenuitgangspunt is dat zelf niet juridisch bindend is.» Deze leden vragen of ditbetekent dat, als een rechtsbeginsel niet (meer) als norm wordt ervaren,deze daarmee haar zeggingskracht verliest? Ziet de Minister het gevaardat er slechts normovertreding ontstaat als maar een paar landen hetrechtsbeginsel niet meer als bindend ervaren, maar dat, zodra meerlanden dat doen, de ontwikkeling niet meer als een normovertredinggezien kan worden, maar als een doorontwikkeling van een rechtsbe-ginsel? Hoe verhoudt deze conclusie zich tot de essentie van beginselen,de internationale machtsverhoudingen en bescherming van minderhedendaarbij en de feitelijke constatering dat rechtspositivisme uiteindelijk tochvaker doorslaggevend blijkt te zijn dan beginselen? Vindt de Minister dezeredenering dan niet zeer kwetsbaar, aangezien die tevens vatbaar is voormachtsspel van de machtigste landen die (ook bij andere afhankelijkelanden) afdwingen dat een rechtsbeginsel niet meer een bindende normis?13. Antwoord van het kabinetStaten zijn de primaire actoren die het internationaal rechtvormgeven, inclusief bij het vormen en erkennen van algemenerechtsbeginselen die als intrinsiek onderdeel van de interna-tionale rechtsorde worden beschouwd. Dat betekent dat erruimte is voor ontwikkeling van rechtsbeginselen in het licht vanveranderende opvattingen en praktijk. Dergelijke veranderingenvergen echter brede, consistente steun van de gehele interna-tionale gemeenschap. Dit blijkt ook uit de bewoordingen van deILC, die als eis stelt dat het algemene rechtsbeginsel wordterkend als intrinsiek aan de internationale rechtsorde door degemeenschap van naties. Het kabinet ziet derhalve het door deChristenUnie genoemde risico hierbij niet.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen aan de Minister hoe deze deacht criteria van professor Lon Fuller, waaraan een wetgever zich volgenshem zou moet houden, beoordeelt. Deze criteria zijn:−Wetten moeten algemeen zijn (zorgt voor rechtvaardigheid envoorkomt willekeur)−Wetten moeten kenbaar zijn−Wetten moeten geen terugwerkende kracht hebben (voorkomtwillekeur en machtsmisbruik)−Wetten moeten duidelijk en helder zijn−Wetten moeten elkaar niet tegenspreken−Wetten moeten niet het onmogelijke verlangen−Wetten moeten stabiel en constant zijn−Er moet overeenstemming zijn tussen wat werkelijk wordt onderno-men en wat er in de wet is opgenomen; ook de overheid dientgebonden te zijn aan de wetten en regels niet te vaak te veranderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 6910 Heeft de Minister het idee dat het huidig internationaal recht aan dezeacht principes voldoet, zo vragen de leden? Zo nee, op welke onderdelendan niet en kan het kabinet concrete voorbeelden geven?14. Antwoord van het kabinetDe criteria van Lon Fuller zijn niet zonder meer van toepassing ophet internationaal recht.De totstandkoming van internationaal recht is gebaseerd opinstemming. De meeste regels van het internationaal recht zijnniet algemeen, maar gelden alleen tussen de partijen die daarmeeingestemd hebben (in het geval van verdragen), of jegens partijendie zich niet aanhoudend en vanaf het ontstaan van de regeltegen de regel hebben verzet (in het geval van internationaalgewoonterecht). De uitzondering hierop wordt gevormd doorregels van dwingend internationaal recht, jus cogens, die geldenvoor alle staten ongeacht hun expliciete instemming.Het belang van instemming alvorens een staat wordt gebondenaan een regel van internationaal gewoonterecht blijkt uit het feitdat het internationaal recht de ruimte biedt aan een staat doormiddel van aanhoudend bezwaar te maken tegen de totstand-koming van die regel. Dit vereist dat een staat aanhoudendbezwaar maakt tegen zowel de totstandkoming van een regel alstegen het bestaan van de regel als deze tot stand gekomen is. Indat geval wordt die staat niet gebonden aan de desbetreffenderegel van internationaal gewoonterecht.Internationaal recht is niet op dezelfde wijze kenbaar zoalswetten dat zijn: het gewoonterecht is per definitie ongeschreven.Hoewel het Weens Verdragenverdrag stelt dat verdragen inbeginsel niet met terugwerkende kracht gelden, is dit nietuitgesloten. Partijen bij een verdrag kunnen ervoor kiezen tochterugwerkende kracht toe te kennen aan hun afspraken, hetgeennodig kan zijn om het beoogde doel van een verdrag te bereiken.Met name in geval van het uiteenvallen van staten, dekolonisatie,en onafhankelijkheid kan het van belang zijn feiten te regulerendie in het verleden liggen.Het internationaal recht is ook niet op dezelfde wijze duidelijk enhelder als het nationale recht kan zijn. Dit is ook niet per sewenselijk, aangezien de situatie die een regel van internationaalrecht adresseert per land kan verschillen. Het internationaal rechtmoet dus de ruimte laten opdat landen een margin of appreci-ation hebben voor wat betreft de implementatie daarvan in denationale rechtsorde.Het internationaal recht zal weliswaar niet snel zichzelf tegen-spreken, maar het is niet uitgesloten. Tegelijkertijd kent hetinternationaal recht duidelijke voorrangsregels die bepalen welkeregel in geval van conflict voorgaat. Om te beginnen heeft eenregel van dwingend internationaal recht altijd voorrang op eenregel die niet die status heeft. Verdragen die in strijd zijn met eenregel van dwingend internationaal recht zijn nietig. Daarnaastbepaalt artikel 103 van het Handvest van de Verenigde Naties datverplichtingen voortvloeiend uit het Handvest voorrang hebbenop verplichtingen voortvloeiend uit andere verdragen. Tevenskunnen in verdragen zelf specifieke voorrangsregels opgenomenzijn. Te denken valt aan artikel 311, lid 1, van het Verdrag inzakehet recht van de zee, dat bepaalt dat dit Verdrag voorrang heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 6911 op de Verdragen van Genève van 1958 die betrekking hebben ophet zeerecht. Tenslotte bepaalt het verdragenrecht dat specifiekeregels voorrang hebben op algemene regels (lex specialis derogatlege generali) en dat latere verdragen voorrang hebben opeerdere verdragen die betrekking hebben op eenzelfde onderwerp(lex posterior derogat lege priori).Het is dus in vrijwel alle gevallen mogelijk om te bepalen welkeregel voorrang heeft.Het internationaal recht zal in de praktijk niet snel het onmoge-lijke verlangen. Toch is daar onder internationaal recht eenoplossing voor te vinden. Indien een staat niet aan zijn verplich-tingen kan voldoen, zonder daar zelf schuld aan te hebben, is eenberoep op een aansprakelijkheidsuitsluitingsgrond mogelijk.Hierbij valt te denken aan Force Majeure (overmacht) of eenonvoorzienbare wezenlijke verandering van omstandigheden.Deze gronden geven staten het recht een regel niet na te levenrespectievelijk het recht een regel op te schorten of tebeëindigen.Het internationaal recht is relatief stabiel en constant, maarontwikkelt zich om ervoor te zorgen dat het blijft aansluiten bijde praktijk van staten. Hierin verschilt het internationaal rechtniet wezenlijk van het nationaal recht. Voor de ontwikkeling vanhet internationaal recht gelden (evenals voor de ontwikkeling vanhet nationaal recht) regels. Het gewoonterecht wordt gevormddoor statenpraktijk en de daaraan verbonden rechtsopvatting vanstaten. Als die verandert, dan verandert ook het gewoonterechtindien aan de voorwaarden voor het ontstaan van een nieuweregel van gewoonterecht is voldaan. Deze voorwaarden zijnuitgewerkt in de Draft conclusions on identification of customaryinternational law uit 2018 van de ILC. Verdragen kunnengesloten, aangepast, en opgezegd worden, al naar gelang denoodzaak ingegeven door de stand van zaken in de internationalegemeenschap. Een voorbeeld hiervan is absolute en relatieveimmuniteit van staten. In de loop van de vorige eeuw is uitgekris-talliseerd, en vervolgens ook in verdragen vastgelegd, dat statenniet langer een beroep kunnen doen op absolute immuniteit voorhandelingen die privaatrechtelijk van aard zijn en geen publiekdoel dienen.De totstandkoming van regels van internationaal recht isnoodzakelijkerwijs tijdrovend: voor de vorming van internationaalgewoonterecht is een virtueel universele statenpraktijk met eendaaraan verbonden rechtsopvatting vereist (zie ook de hierbovengenoemde Draft conclusions on identification of customaryinternational law); voor de sluiting van verdragen zijn onderhan-delingen vereist en moeten in de regel nationale proceduresworden gevolgd om daaraan te worden gebonden; en vooralgemene rechtsbeginselen is vereist dat deze gevonden wordenin de verschillende rechtssystemen van de wereld of wordenerkend door de gemeenschap van naties als intrinsiek aan deinternationale rechtsorde. Verandering zal dus niet vaak en nietsnel optreden. Daarentegen is overeenstemming over de preciezereikwijdte van regels niet van te voren vast te leggen. Verwezenzij hierbij naar de eerdere opmerking over de noodzakelijkemargin of appreciation. Een regel van internationaal recht wordtmeestal op hoofdlijnen afgesproken, waarbij de precieze invullingin een concreet geval weliswaar voorspelbaar is, maar niet in deregel zelf uitgewerkt kan worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 6912 De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de beginselenonderliggend aan het «Verdrag inzake de voorkoming en bestraffing vangenocide» voorbeelden zijn van beginselen die bepaald gedrag verbieden.Kan de Minister toelichten op welke manier de inbreng van het Neder-landse kabinet in de Myanmar/Rohingya-zaak om daar de definitie vangenocide te willen aanscherpen, zich verhoudt tot beginselen vanvoorzienbaarheid van wetten en de onveranderlijkheid van beginselen?15. Antwoord van het kabinetDe interventie in de zaak bij het Internationaal Gerechtshof vanGambia tegen Myanmar inzake de vermeende genocide jegens deRohingya is bedoeld om het Hof te informeren over de visie vanNederland, samen met Canada, Denemarken, Duitsland, Frankrijken het Verenigd Koninkrijk, met betrekking tot de constructie vanhet Genocideverdrag. De interventie beoogt dus geen veranderingof wijziging van het verdrag, maar een interpretatie van verschil-lende bepalingen van het verdrag, waaronder met betrekking tothet vereiste van genocidale opzet, en dus een verduidelijking vaneen bestaande verplichting.De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat volgens de ILC eenalgemeen rechtsbeginsel intrinsiek is aan de internationale rechtsorde, alseen algemeen rechtsbeginsel specifiek is aan de internationale rechtsordeen diens fundamentele kenmerken weerspiegelt en ordent. Het kabinet ishet eens met de CAVV dat deze eis verder uitgewerkt dient te worden. Hoeziet de Minister dit voor zich? Zouden de criteria van Fuller daarhandvatten voor kunnen bieden? Leidt deze conclusie ook tot de optie omeen herijking van internationale instituten (van de VN-Veiligheidsraad enpermanente vertegenwoordiging, het vetorecht van vijf lidstaten, destemmingen rond VN-resoluties etc.) te verkennen? Zo niet, waarom niet?16. Antwoord van het kabinetDe criteria van Fuller zien op de totstandkoming van nationalewetgeving. Deze criteria lenen zich niet zonder meer vooranaloge toepassing daarvan op algemene rechtsbeginselengevormd binnen de internationale rechtsorde (zie ookantwoord 14 hierboven). Voor de totstandkoming van nationalewetgeving bestaat in Nederland, evenals in de meeste anderestaten, een vaste totstandkomingsprocedure met parlementairebetrokkenheid. De totstandkoming van het internationaal recht isgebaseerd op instemming van staten.Het kabinet acht de inzet op een andere benadering nietwenselijk in het licht van de soevereiniteit van staten en ook nietrealistisch in het licht van de rechtsopvattingen van anderestaten met betrekking tot de totstandkoming van het internati-onaal recht.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de Minister de lexspecialis-afspraken tussen staten of groepen in verhouding totVN-besluitvorming waardeert? Zou het respecteren van lex specialismoeten betekenen dat VN-besluitvorming theoretisch niet zou kunnenvoldoen aan de criteria van internationaal recht, omdat de besluitvorming(die enerzijds belegd is bij een aantal landen die bij de oprichting eenveto-structuur hebben ingesteld en anderzijds via VN-resoluties eenpolitieke lading en weging kent) in strijd zou zijn met het eerbieden vanlex specialis-afspraken? Kan het kabinet hier voorbeelden van noemen inhet verleden? Indien de Minister dit concludeert, hoe zou het kabinetdaarmee omgaan in de toekomst, mocht dit scenario zich voordoen?17. Antwoord van het kabinetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 6913 De ook bij antwoord 14 aangehaalde lex specialis-regel ziet op deaard van de regel: is dat wat geregeld wordt in een verdragsbe-paling specifieker dan een andere regel die een meer algemenenorm reflecteert in de vorm van een verdragsbepaling, in hetgewoonterecht of als algemeen rechtsbeginsel? In dat geval gaatde specifiekere bepaling voor. De lex specialis-regel ziet niet opde wijze van totstandkoming van een regel. Het is in dat opzichtdus irrelevant of een verdragsbepaling tot stand komt tussen eenbeperkte groep staten of een grote groep staten. Evenzeer is hetniet bepalend voor de verbindende kracht van een regel of dezetot stand gekomen is in een politieke context.Zoals hierboven aangegeven, in antwoord op vraag 14, voorziethet internationaal recht in voorrang van regels van dwingendinternationaal recht en het Handvest van de Verenigde Naties invoorrang van het Handvest op andere verdragsverplichtingen. Hetlaatste betekent ook dat bindende besluiten van de VN voorranghebben op andere verdragsverplichtingen, ook als deze speci-fieker zijn.Besluiten van de VN Veiligheidsraad die niet worden genomenonder Hoofdstuk VII van het VN Handvest en de meeste besluitenvan de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties zijn nietbindend. Dit betekent dat zij sowieso geen voorrang kunnenhebben op afspraken die wel bindend zijn, ongeacht of dezeafspraken als een lex specialis te karakteriseren zijn. Zij kunnenwel een rol spelen bij het interpreteren van bindende normenvastgelegd in verdragen of het gewoonterecht. Zie hiervoor ookantwoord 10 hierboven.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de SGP-fractie hebben met dank kennisgenomen van hetCAVV-advies inzake algemene rechtsbeginselen in het internationaal rechten de kabinetsreactie. De voornoemde leden zien enige waarde in deontwerpconclusies van de International Law Commission om algemenerechtsbeginselen te kunnen identificeren. De voornoemde leden hebbendaarover een aantal vragen.Hoe kijkt het kabinet naar een recht zoals soevereine gelijkheid waar dieeen algemeen rechtsbeginsel is en ook gecodificeerd is, zo vragen deleden van de SGP-fractie. Wat zijn de gangbare technieken om eventueleconflicten in interpretatie daarin op te lossen?Bestaan er bij beginselen van internationaal recht ook mogelijkheden omeventueel voorbehoud of uitzondering te maken, zoals die in verdragen-recht bestaan, zo vragen deze leden.De voornoemde leden vragen naar het bestaan van het instrument, maarzien graag dat dat niet eenvoudig wordt ingezet. Hoe reflecteert hetkabinet op ontwerpconclusie 9, die in het CAVV-advies niet zeer wordttoegelicht, zo vragen deze leden. Deze luidt «Teachings of the most highlyqualified publicists of the various nations may serve as a subsidiarymeans for the determination of general principles of law». Bij internati-onaal recht weegt de opinie van rechtsgeleerden vaker mee als bron. Hoewordt hierin een keuze en balans gemaakt bij verschillende interpretatiesvan verschillende geleerden waar soms nog zeer uiteenlopende visieskunnen bestaan? Hoe borgt het kabinet bij de algemene beginselen vaninternationaal recht dat er niet teveel beginselen komen die bij specifiekeinvulling, toepassing en toetsing ons buitenlandbeleid te veel inperken, zovragen deze leden voorts. Voornoemde leden vinden het belangrijk omook het kabinet aan afspraken te kunnen houden, maar dat maakt het ideeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 6914 dat het kabinet meer vrijheid moet toekomen in buitenlandbeleid en bijrechterlijke toetsing rond onder andere wapenexport dan lastig.18. Antwoord van het kabinetHet uitgangspunt is dat regels van internationaal recht zoveelmogelijk harmonieus geïnterpreteerd moeten worden. Datbetekent dat in de interpretatie van internationaal recht, zoveelmogelijk effect aan regels wordt toegekend, en een regel alleenbuiten beschouwing gelaten wordt als dit moet vanwege eenconflict met een andere regel en die andere regel voorrang heeft.Het internationaal recht kent duidelijke regels over voorrang ingeval van conflict (zie ook het antwoord op vraag 14). Dezevoorrangsregels zijn dus pas van toepassing als harmonieuzeinterpretatie niet mogelijk is.Voor de interpretatie van een verdragsbepaling voorziet hetverdragenrecht (zoals gecodificeerd in het Weens Verdragen-verdrag) in een methode: een verdrag moet te goeder trouwworden uitgelegd overeenkomstig de gewone betekenis van determen van het verdrag in hun context en in het licht vanvoorwerp en doel van het verdrag. Indien dat de betekenisdubbelzinnig of duister laat of leidt tot een resultaat dat duidelijkongerijmd of onredelijk is, kan gekeken worden naar de aanvul-lende middelen van uitlegging.Voor verdragen geldt dat deze pas verbindend voor een staat zijnnadat deze partij is geworden bij het verdrag. Voor gewoonte-recht geldt dat dit niet verbindend is voor een staat die zichaanhoudend verzet heeft tegen de totstandkoming van die regel.De ILC heeft echter geen regel geïdentificeerd op grond waarvaneen staat het recht zou hebben zich niet gebonden te achten aaneen algemeen rechtsbeginsel. Het kabinet is ook niet bekend meteen situatie waarin zich dit heeft voorgedaan.De doctrine, waaronder naast gerechtelijke uitspraken ook vallende opvattingen van de meest bevoegde schrijvers der verschil-lende naties, is een subsidiaire bron van het internationaal recht.Dat betekent dat deze bron pas relevantie toekomt in tweegevallen. Ten eerste kan doctrine van belang zijn als er in deeerste drie bronnen (verdragen, gewoonterecht, algemenerechtsbeginselen) geen regel bestaat die een concrete situatiebeheerst. Bij ontbreken van een regel kunnen gerechtelijkeuitspraken en de opvattingen van de meest bevoegde schrijversgeraadpleegd worden. Ten tweede kunnen gerechtelijkeuitspraken en de opvattingen van de meest bevoegde schrijversrelevant zijn als een bestaande regel nadere toelichting vereist, ofom een ogenschijnlijk conflict tussen twee regels op te lossen.Het kabinet is zeer terughoudend met gebruik maken van desubsidiaire bronnen van het internationaal recht. De uitzonderingdaarop wordt gevormd door uitspraken van het InternationaalGerechtshof. Deze beschouwt het kabinet als gezaghebbend, enin beginsel als een weergave van het bestaande internationaalrecht. Uitspraken van dit Hof daargelaten zal het kabinet zichniet zo snel laten leiden door de doctrine. Dit is, zoals de ledenvan de SGP-fractie zelf ook al aangeven, onwenselijk omdat ervoor elke opvatting een tegenovergestelde opvatting te vinden is.De waarde van de opvatting van een meest bevoegde schrijver isdaarmee beperkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 6915 Voor de zorgen over de (te) specifieke invulling van algemenerechtsbeginselen verwijs ik naar mijn antwoord op vraag 4 envraag 13. Het internationaal recht biedt staten een margin ofappreciation om een internationale regel te kunnen toepassen opeen wijze die past binnen de context van de desbetreffende staat.Dit geldt in het bijzonder voor de invulling van algemene rechts-beginselen die inherent minder specifiek zijn dan verdragsbepa-lingen en regels van internationaal gewoonterecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 V, nr. 6916

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 793567a2f3b7e617

14 okt 2026 · 0e279c09b6dee33f

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.