Nader verslag
Brontekst
Versie 1a7181303047aeaa · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 512Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht,de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 14 NADER VERSLAGVastgesteld 13 maart 2025 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eerals volgt nader verslag uit te brengen van haar bevindingen.Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en degemaakte opmerkingen afdoende zal hebben geantwoord, acht decommissie de openbare behandeling van dit wetsvoorstel voldoendevoorbereid.Inhoudsopgaveblz.I.ALGEMEEN21.Aanleiding en analyse31.1Aanleiding en doel31.2Resultaat: instrumenten voor regie op devolkshuisvesting61.3Kader en analyse62.Hoofdlijnen van het voorstel62.1Meer regie op volkshuisvesting72.2Uitwerking van het wetsvoorstel langs drie pijlers72.2.1Regie op aantallen woningen en locaties(I)72.2.2Regie op betaalbaarheid en evenwichtigeverdeling van woningen (II)82.2.3Verstevigen van lokale prestatieafspraken(III)93.Wijzigingen van wetgeving ten behoeve van regie op devolkshuisvesting93.1Wijzigingen in de Omgevingswet93.1.1Volkshuisvesting113.1.2Omgevingsvisie en het verplichtevolkshuisvestingsprogramma113.1.3Sturinginstrumenten van de Omgevings-wet12 kst-36512-14ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 141 3.1.4Instructieregels over het volkshuisves-tingsprogramma in het Besluit kwaliteitleefomgeving123.1.5Overgang van huidige situatie naarinwerkingtreding wetsvoorstel163.1.6Versnellen van procedures163.1.7Griffierechten bij beroep tegen onteige-ningsbesluiten173.2Wijzigingen in de Huisvestingswet 2014173.2.1Vormgeving verplichte urgentieregeling173.3Weigeringsgronden die niet in de huisvestingsver-ordening mogen worden opgenomen183.3.1Urgentie in de praktijk183.3.2Definities van categorieën van woon-ruimte193.4Wijzigingen in de Woningwet203.4.1Verhouding tot het volkshuisvestingspro-gramma203.4.2Lokale prestatieafspraken203.4.3Flexwoningen214.Verhouding tot andere nationale regelgeving en hogerrecht214.1Grond- en mensenrechten214.1.1Toegang tot de rechter215.Uitvoering215.1Omgevingswet225.2Huisvestingswet 2014226.Toezicht en handhaving226.1Interbestuurlijk toezicht227.Financiële gevolgen227.1Financiële gevolgen voor gemeenten22II.ARTIKELSGEWIJS23Artikel I Algemene wet bestuursrecht23Artikel III Omgevingswet23Onderdelen B en C (artikelen 2.33 en 2.34 Omgevingswet)23 I. ALGEMEEN De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanvoorliggend wetsvoorstel en hebben een aantal vragen voor de regering.Deze leden danken de regering alvast voor het beantwoorden van degestelde vragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat na een jaarvertraging de Wet versterking regie volkshuisvesting in behandelingwordt genomen. Deze leden merken op dat het immers heel hard nodig isdat de overheid weer regie pakt om de woningbouw op gang te helpen.Zij spreken hun stellige wens uit dat de wet nu snel behandeling komtwordt en op 1 juli in werking kan treden. Zij hebben bij het voorstel nogenkele vragen en opmerkingen.De leden van de VVD-fractie hebben een aantal vragen over de Wijzigingvan de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, deOmgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuis-vesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen.De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de Tweede nota van wijziging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 142 De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de Tweede nota van wijziging op de Wet versterking regie volkshuis-vesting en de bijbehorende Kamerbrief die inzicht geeft in de wijzigingenop hoofdlijnen in de onderliggende ontwerpbegroting.De leden van de D66-fractie zien dat het grote tekort aan betaalbarewoningen vraagt om politieke actie. Deze leden vinden het daarom goedom te merken dat het kabinet wil werken aan het versterken van de regie.Wel vragen zij zich af hoe het proces is gelopen waarmee de inwerking-treding van de wet tot twee keer toe is vertraagd. Deelt de regering demening dat de situatie urgent is? Heeft de regering meegewogen in hetuitstel dat hierbij ook risico wordt gelopen op het mogelijk mislopen vanhonderden miljoenen aan middelen uit het coronaherstelfonds?De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dewet regie op de volkshuisvesting en willen de regering nog enkele vragenvoorleggen.De leden van de CDA-fractie hebben met grote belangstelling kennisge-nomen van de voorgenomen wijziging van de Wijziging van de Algemenewet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014, de Omgevingswet, de Wetmaatschappelijke ondersteuning 2015 en de Woningwet in verband metde versterking van de regie op de volkshuisvesting en met het oog openkele andere met de volkshuisvesting samenhangende maatregelen, ookwel de Wet versterking regie volkshuisvesting genoemd. Deze ledenhebben grote zorgen over de bestaande woningnood en spreken hunverbazing uit dat het zo lang heeft moeten duren voordat de voorliggendeTweede nota van wijziging naar de Kamer is gestuurd.De leden van de SP-fractie hebben met interesse kennisgenomen van hetwetsvoorstel en onderschrijven de noodzaak om de regie op de volkshuis-vesting te versterken. Deze leden constateren echter dat het wetsvoorstelop meerdere punten onduidelijkheid schept en risico’s met zichmeebrengt, met name ten aanzien van de ontwikkeling van de socialehuurvoorraad.De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voorlig-gende wetsvoorstel en de nota van wijziging. In aanvulling op de eerdergestelde vragen, hebben deze leden nog enkele vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van deWijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisvestingswet 2014,de Omgevingswet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking van de regie op de volkshuis-vesting en met het oog op enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting) ende Eerste en Tweede nota van wijziging die in de achterliggende maandenaan de Kamer zijn toegezonden. Deze leden hebben daarover een aantalvragen.1. Aanleiding en analyse 1.1 Aanleiding en doel De leden van de PVV-fractie vragen aan de regering in hoeverre de Wetversterking regie volkshuisvesting gewenste resultaten kan opleveren, alsfinanciering van de onrendabele toppen achterblijft, bijvoorbeeld omdatgemeenten niet het budget hebben.De leden van de PVV-fractie merken op dat in het artikel «De Jonge: kleinehuizen «onvermijdelijk» bij meer regie op woningmarkt» (De Telegraaf,7 maart 2024) door voormalig Minister De Jonge wordt gesteld dat de eisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 143 van betaalbaarheid gevolgen gaat hebben voor de omvang van woningenin de toekomst. Hij denkt dat het onvermijdelijk is dat er kleiner gebouwdgaat worden. Deze leden vragen de regering of via de Wet versterkingregie volkshuisvesting kan worden voorkomen dat, om de haalbaarheidvan twee derde betaalbare woningen te vergroten, te realiseren woningenmogelijk kleiner worden in oppervlakte dan oorspronkelijk gepland ofwaar behoefte aan is.De leden van de VVD-fractie lezen dat de regering dit wetsvoorstel alsbasis ziet om het woningtekort op te lossen en om tot een meerevenwichtige woningvoorraad te komen, die in het bijzonder past bij debehoefte van mensen met een middeninkomen of een laag inkomen. Dezeleden staan achter deze ambitie maar vinden wel dat de betaalbaarheids-grenzen passend moeten zijn bij de woningmarktregio’s en dat regionaledifferentiatie mogelijk moet zijn. Zij vragen zich af hoe er preciesuitzonderingen door gemeenten kunnen plaatsvinden op de voorgesteldebetaalbaarheidsgrenzen. Hoe zien deze uitzonderingen er precies uit? Zijvragen daarnaast of er een inschatting valt te maken of deze betaalbaar-heidsgrenzen de bouw van woningen ook kunnen belemmeren. Zo ja, omhoeveel woningen gaat dit, hoeveel plannen zullen niet gerealiseerdworden?Zij vragen zich af waarom het woningtekort niet nader uitgesplitst kanworden naar prijssegmenten. Hoe kan ervoor gezorgd worden dat er,zonder goede monitoring, de juiste woningen worden gebouwd? Waaromvindt deze monitoring, op dit moment, niet plaats?Zij merken op dat uit de beantwoording op de vragen van de VVD-fractieblijkt dat dertien van de twintig grootste steden meer dan 30 procentsociale huurwoningen hebben in het woningbouwbestand. Zij vragen danook hoe dit wetsvoorstel er precies voor zorgt dat deze steden focussenop de bouw van betaalbare koopwoningen.De leden van de D66-fractie merken op dat met het oorspronkelijkewetsvoorstel destijds ook het ontwerpbesluit is gedeeld, maar dat bij dezetweede nota van wijziging alleen een brief is gedeeld met informatie overwijzigingen in het ontwerpbesluit in hoofdlijnen. Waarom is het nieuweontwerpbesluit niet direct gedeeld met de Kamer bij deze nota vanwijziging en wordt dit nog gedaan voor de stemming over de wet in deTweede Kamer? Kan de regering uiteenzetten welke zaken uit hetoorspronkelijke ontwerpbesluit nu precies worden gewijzigd en op welkemanier? Klopt het bijvoorbeeld dat het uitgangspunt in de Kamerbrief dateen gemeente een verplichting heeft om ofwel 40 procent in het midden-segment te programmeren ofwel 30 procent sociale huur te program-meren bij nieuwbouw, ook al op dezelfde manier was opgenomen in hetoorspronkelijke ontwerpbesluit? Welke precieze wijziging wordt daaringemaakt? Klopt het dat het Hoofdlijnenakkoord weliswaar stelt dat tweederde van de te realiseren woningen betaalbaar moet zijn, maar dat deregering nu juist voorstelt deze specifieke instructie aan gemeenten teschrappen?Deze leden constateren verder dat de regering in het ontwerpbesluit hetmogelijk wil maken om het binnen voorwaarden vergunningsvrij eenmantelzorgwoning op het achtererf bij een woning te bouwen. Zij vindenhet goed dat de regering hierdoor aansluit bij een grote wens van deD66-fractie en andere fracties in de Kamer. Wel vragen zij voor welkepersonen deze regeling inclusief wijzigingen nu precies is afgebakend enwaarom.De leden van de BBB-fractie lezen dat de wet de regie op de volkshuis-vesting beoogt te versterken. Echter, deze leden merken op dat de huidigewoningmarkt wordt gekenmerkt door een complex samenspel vanfactoren, bijvoorbeeld stijgende bouwkosten, personeelstekorten en langeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 144 procedures. Zij vragen of de regering kan toelichten welke concretemechanismen en prestatie-indicatoren worden ingebouwd om tegaranderen dat de beoogde versterking van de regie daadwerkelijk leidttot een versnelling van de woningbouw en een verbetering van debetaalbaarheid, rekening houdend met deze externe factoren.De leden van de CDA-fractie zijn zeer overtuigd van het grote belang vangoede en betaalbare volkshuisvesting. Deze leden hechten eraan tebenadrukken dat het de hoogste tijd is voor versterking van de regie op devolkshuisvesting. Zij wijzen op het in de Grondwet opgenomen recht omergens thuis te zijn. Er staat in artikel 22 dat de «bevordering vanvoldoende woongelegenheid» een «voorwerp van zorg der overheid» is.Zij stellen dat de opgave om te zorgen voor voldoende woningen, inwelke vorm dan ook, dus een zaak van algemeen belang is. Dat maakt dewooncrisis in de ogen van deze leden meer dan enkel een economisch ofbestuurlijk vraagstuk. Volkshuisvesting betreft een sociale kwestie stellenzij. Zij wijzen erop dat een huis onderdeel is van een gemeenschap in jewijk of de buurt. De verandering van woningmarkt naar volkshuisvestingis in de ogen van deze leden cruciaal. Wat betreft deze leden wordt deliberale en individualistische bril van de afgelopen decennia afgezet en debril van gemeenschapszin opgezet.Zij vragen naar de haakjes in deze wet om meer grip en sturing te krijgenop het afdwingen van het realiseren van 40 procent betaalbare koop.Zij vragen de regering welke aspecten van de wet bijdragen aan hetaanpakken van dakloosheid, en hoe de effectiviteit van deze maatregelenwordt gemonitord.De leden van de SP-fractie constateren dat de regering met ditwetsvoorstel beoogt de regie op de volkshuisvesting te versterken, ondermeer door instructieregels op te stellen voor de bouw van socialehuurwoningen en woningen in het middensegment. Deze leden onder-schrijven de noodzaak van meer sturing, maar hebben zorgen over degevolgen van de voorgestelde maatregelen voor de sociale huurwoning-voorraad in absolute aantallen.Zij vragen de regering hoe de huidige sociale huurvoorraad zich heeftontwikkeld in de afgelopen tien jaar, en in welke mate deze is afgenomenof toegenomen. Zij willen inzicht in het huidige aantal sociale huurwo-ningen in Nederland, zowel in absolute aantallen als percentage van detotale woningvoorraad. Ook vragen zij hoeveel gemeenten op dit momenteen sociale huurvoorraad onder de 30 procent hebben en hoeveelgemeenten een sociale huurvoorraad boven de 30 procent hebben.Daarnaast vernemen zij graag hoeveel extra sociale huurwoningen nodigzijn om landelijk een aandeel van 30 procent te behalen. Zij vragen deregering verder hoeveel woningen in het middensegment er momenteelin Nederland zijn en hoe dit aantal zich heeft ontwikkeldZij vragen de regering inzichtelijk te maken wat de mogelijke gevolgen zijnvoor de sociale huurwoningvoorraad als gemeenten met een bovenge-middeld aandeel sociale huur verplicht worden om ten minste 40 procentmiddenhuur te realiseren. Zij willen weten of de regering het onwenselijkacht als door dit voorschrift de totale sociale huurvoorraad niet toeneemtof zelfs afneemt. Zij vragen tevens waarom gemeenten niet demogelijkheid krijgen om, in overleg met de regio, af te wijken van dezeinstructieregel indien dit nodig is om een evenwichtige woningvoorraadte waarborgen.Zij vragen daarnaast wat het verwachte effect van het wetsvoorstel is opde totale sociale huurvoorraad in Nederland in de komende tien jaar. Zijwillen weten hoeveel procent van de in de komende vijf jaar geplandenieuwbouwwoningen sociale huur betreft onder het huidige beleid, enhoeveel extra sociale huurwoningen nodig zijn om in de komende tienjaar de wachttijden terug te dringen tot maximaal twee jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 145 1.2 Resultaat: instrumenten voor regie op de volkshuisvesting De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe prestatieafsprakenworden gekoppeld aan daadwerkelijke realisatie in plaats van enkelprogrammatische plannen.1.3 Kader en analyse De leden van de CDA-fractie vragen de regering naar het tijdpad om viade Nota Ruimte tot daadwerkelijke keuzes te komen.2. Hoofdlijnen van het voorstel De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 3 van de Kamerbrief bij detweede nota van wijziging dat de betreffende percentages gaan over alletoevoegingen van woningen; nieuwbouw, maar ook via bijvoorbeeldsplitsing, optoppen, transformatie. Deze leden vragen de regering of ervoldoende ambtelijke capaciteit aanwezig is om ook vergunningstrajectendie toezien op splitsing, optoppen en transformatie te begeleiden.Zij lezen op bladzijde 4 van de Kamerbrief bij de tweede nota vanwijziging dat gezien de aanleiding om de Ladder voor woningbouwpro-jecten uit te zetten, het niet doelmatig is als de Ladder op decentraalniveau op een vergelijkbare wijze opnieuw wordt ingevoerd. De Ministergeeft daarom aan dat ze nog bekijkt op welke wijze dit kan wordenvoorkomen. Zij merken op dat we circa een maand verder zijn en zijvragen dan ook de regering of al iets gezegd kan worden over mogelijkeopties. Mocht een antwoord nog niet mogelijk zijn, dan vragen zij of deregering kan inschatten wanneer dat wel zo is.Zij lezen op bladzijde 7 van de Kamerbrief bij de tweede nota vanwijziging dat met het voorgenomen besluit Versterking regie volkshuis-vesting in het Omgevingsbesluit tijdelijk – voor een periode van tien jaar –besluiten voor categorieën van projecten worden aangewezen waarop deprocedurele versnellingen uit het wetsvoorstel van toepassing zijn. Zijvragen aan de regering waarom is gekozen voor een periode van tien jaar.Waarom niet langer?De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het uitzetten van deLadder voor duurzame verstedelijking. Blijft het voor gemeenten welmogelijk om goede en nuttige elementen van deze Ladder te gebruiken,bijvoorbeeld bij inbreidingslocaties?Tevens vragen deze leden naar de periode waarin de Ladder uitgezetwordt. Is daar een termijn aan verbonden?Zij zijn verheugd om te lezen dat dit wetsvoorstel het mogelijk maakt ommakkelijker mantelzorgwoningen te bouwen. Dit moeten gemeenten,onder voorwaarden, vergunningsvrij toestaan. Welke voorwaarden geldendaarvoor? En hoe worden gemeenten ondersteund bij deze wijziging vande wet?Tevens lezen zij dat het vergunningsvrij bouwen ook gaat gelden voorfamiliewoningen. Wat wordt daar precies onder verstaan? Wordt daar eenruime definitie aan verbonden? En hoe wordt dat getoetst?Zij lezen dat met het voorgenomen besluit Versterking regie volkshuis-vesting in het Omgevingsbesluit tijdelijk – voor een periode van tien jaar –besluiten voor categorieën van projecten worden aangewezen waarop deprocedurele versnellingen uit het wetsvoorstel van toepassing zijn.Waarom is gekozen voor een periode van tien jaar? Deze voorstellenhebben ook gevolgen voor de Afdeling bestuursrechtsspraak van de Raadvan State. Zo moet er sneller uitspraak gedaan worden. Hoe wordt deAfdeling bestuursrechtsspraak daarvoor in staat gesteld? In hoeverrehebben de voorgestelde maatregelen effect op de Afdeling bestuurs-rechtsspraak?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 146 2.1 Meer regie op volkshuisvesting De leden van de SP-fractie vragen of het klopt dat het wetsvoorstel uitgaatvan een maximale grens van 30 procent sociale huur. Kan de regeringbevestigen dat gemeenten die méér dan 30 procent sociale huurrealiseren, hiervoor niet worden gestraft door uitsluiting van subsidies? Ishet toegestaan voor gemeenten om méér dan 30 procent sociale huur tebouwen, mits zij daarnaast ook de 40 procent norm voor het midden-segment hanteren?Deze leden vragen daarnaast waarom de sociale huurnorm afhankelijkwordt gesteld van het fluctuerende landelijke gemiddelde, en niet wordtvastgelegd op 30 procent. Zij vernemen graag of de regering bereid is omgemeenten toe te staan een hoger percentage sociale huur te realiserenindien daar lokaal of regionaal behoefte aan is.2.2 Uitwerking van het wetsvoorstel langs drie pijlers 2.2.1 Regie op aantallen woningen en locaties (I) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat het wettelijkinstrumentarium nog niet optimaal benut wordt door de Wet versterkingregie volkshuisvesting. Ziet de regering eveneens nog sturingsmogelijk-heden die niet worden benut, bijvoorbeeld sturen om betaalbarewoningen éérst te bouwen, in plaats van als sluitstuk van projecten, zoalsnu veelal gebeurt? Hoe kijkt de regering tegen actief grondbeleid aan, eenbelangrijke route die nu niet wordt bewandeld? Hoe kan wordenopgetreden of gestuurd als grondprijzen betaalbare woningbouw juistfrustreren? Wanneer komen de uitwerkingen van de planbatenheffing ende grondbank naar de Kamer en hoe verhouden deze instrumenten zichtot de bouwdoelen in de Wet versterking regie volkshuisvesting?De leden van de VVD-fractie kunnen de lijn om de beroep- en bezwaarpro-cedure te verkorten goed volgen. Wel vragen deze leden zich af of de Raadvan State voldoende toegerust is op een toename van het aantal zaken, nuzaken sneller bij deze instantie terecht zullen komen. Kan hier nader opingegaan worden door de regering?De leden van de BBB-fractie vinden het belangrijk dat er een gelijkeontwikkeling van zowel stedelijke als landelijke gebieden plaatsvindt. Kande regering toelichten welke specifieke maatregelen worden getroffen omde leefbaarheid en het karakter van dorpen en kleine kernen te behouden?De leden van de CDA-fractie vragen de regering of de volgende syste-matiek correct is: met de Wet regie volkshuisvesting geldt dat opnationaal, provinciaal en regionaal niveau twee derde van de nieuwbouw-woningen betaalbaar moet zijn en 30 procent sociale huur. Op gemeen-teniveau geldt de eis van twee derde betaalbare woningen niet, maarkrijgen gemeenten wel één specifieke opdracht: 40 procent middenhuur/betaalbare koop of 30 procent sociale huur. Daarnaast dienen gemeentenmet elkaar in overleg te treden om op regionaal niveau alsnog de normvan twee derde betaalbaar en 30 procent sociaal te realiseren. Zijn dezepercentages op nationaal, provinciaal en regionaal niveau, evenals deopdrachten voor gemeenten, zowel het minimale als het maximalepercentage?Deze leden vragen de regering hoe geborgd wordt dat in elke regio tweederde van de nieuwbouw betaalbaar is en 30 procent sociale huur betreft.In de meest recente versie van het Ontwerpbesluit versterking regievolkshuisvesting (consultatieversie) wordt op pagina 34 vermeld dat deprovincie verantwoordelijk is voor de afbakening van de woningbouwre-gio’s waarin de betaalbaarheidsafspraken moeten worden gemaakt. Kande regering toelichten welke instrumenten de provincie heeft om dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 147 afbakening vast te stellen? Kan een individuele gemeente besluiten omzich terug te trekken uit een woningbouwregio?Zij vragen aan de regering welke rol de provincie precies krijgen toebe-deeld in dit wetsvoorstel bij het toevoegen van twee derde betaalbarewoningen op regioniveau.Zij vragen de regering naar de stand van zaken rondom de programma’sonder het Nationaal Programma Ruimtelijke Ordening en de provincialeruimtelijke arrangementen, en de samenhang met dit wetsvoorstel.Zij vragen de regering welke haakjes er in dit wetsvoorstel zitten over hoeDefensie-infrastructuurprojecten kunnen bijdragen aan de ontsluiting vannieuwe woongebieden2.2.2 Regie op betaalbaarheid en evenwichtige verdeling van woningen(II) De leden van de PVV-fractie lezen op bladzijde 3 van de Kamerbrief bij detweede nota van wijziging dat gemeenten een verplichting krijgen omofwel verplicht 40 procent van de te realiseren woningen te program-meren in het middensegment, dan wel 30 procent sociale huur teprogrammeren. Deze leden vragen de regering op welke manier welwil-lende gemeenten die om redenen buiten hen om en ondanks albeschikbare ondersteuning, niet in staat blijken te zijn de voor hengeldende instructieregel (40 procent middensegment of 30 procent socialehuur) te realiseren (aanvullend) worden ondersteund. Daarnaast vragen zijaan de regering een toelichting onder welke voorwaarden gemeentenmogen afwijken van de betaalbaarheidseis (bijvoorbeeld vanwegefinanciële haalbaarheid, de aankoopsom van grond of vastgoed etcetera).Zij vragen tot slot aan de regering hoe kan worden voorkomen dat doorde Wet versterking regie volkshuisvesting gemeenten sneller voorbetaalbare koop gaan dan voor middenhuurwoningen, omdat eerstge-noemde groep woningen mogelijk financieel beter rond te krijgen is,waardoor het segment middenhuur achterop kan raken. Wordt ditgemonitord?De leden van de D66-fractie vinden dat overal in Nederland zicht op eenbetaalbare woning vanzelfsprekend zou moeten zijn. Daarom is het vanbelang dat alle gemeenten een bijdrage leveren aan het bouwen vanvoldoende betaalbare woningen. Deze leden constateren dat gemeentenontheven kunnen worden van de opdracht om 30 procent sociale huur tebouwen of 40 procent in het middensegment als dat niet passend is enniet nodig om regionaal en provinciaal de doelen te behalen. Kan deregering toelichten voor welke specifieke situaties deze bepaling eenuitkomst gaat zijn? Zou niet iedere gemeente een bijdrage moeten leverenaan de opgave om betaalbare woningbouw te realiseren? Hoe voorkomtde regering het risico dat gemeenten geen bijdrage leveren vanwege dezebepaling, terwijl de acties van andere gemeenten om op regionaal ofprovinciaal niveau de doelen te halen, uiteindelijk tekort blijken teschieten? Welke criteria hanteert de regering om te bepalen dat zo’nbesluit voldoende overlegd, afgestemd en onderbouwd is? Wordt dan ookde mogelijkheid geboden om bijvoorbeeld tot 0 procent sociale huur of0 procent middeldure woningen af te wijken op grond van deze bepaling?Zij vragen zich tevens af waarom de regering ervoor heeft gekozen om hetlandelijk gemiddelde sociale huur als omslagpunt te hanteren? Waaromheeft de regering niet gekozen voor 30 procent, aangezien in de nota «Eenthuis voor iedereen» nog 30 procent sociale huur in heel Nederland alsdoelstelling werd gesteld? Dit is volgens deze leden een veel duidelijkeren beter handhaafbaar doel dan het landelijk gemiddelde dat constant inbeweging is. Op welk moment moet het aandeel sociale huur onder ofboven het landelijk gemiddelde liggen? Aan het begin of aan het eind vanhet volkshuisvestingprogramma? En welk effect heeft het op de opgaveTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 148 als dit verandert tijdens de loop van het programma? Wat gebeurt erbijvoorbeeld als in een gemeente in korte tijd veel particuliere socialewoningen verkocht worden en op die manier de gemeente ver onder hetlandelijk gemiddelde komt te liggen? Wordt de gemeente dan alsnogalleen opgedragen 40 procent middeldure woningen te bouwen terwijl ereigenlijk een grote opgave is om het been bij te trekken op sociale huur?De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen dathet streven naar een percentage betaalbare woningen in de praktijk eenschuifmechanisme wordt.Deze leden vragen de regering hoe wordt voorkomen dat gemeenten deinstructieregels voor betaalbare woningen kunnen omzeilen.Zij vragen de regering hoe wordt geborgd dat de nieuwbouwopgave vantwee derde betaalbare woningen, waarvan 30 procent sociale huur,daadwerkelijk wordt gerealiseerd op nationaal, provinciaal en regionaalniveau. Over welke periode wordt deze opgave bepaald en welke dataworden hiervoor gebruikt?Zij vrezen dat betaalbare woningen in de planning naar achteren wordengeschoven, waardoor er uiteindelijk te weinig worden gerealiseerd. In deNationale Prestatieafspraken 2025–2035 is afgesproken dat realisatie-plannen in jaarschijven worden uitgewerkt. Hoe wordt dit in de Wetversterking regie volkshuisvesting geborgd? Is de regering bereid vast teleggen hoeveel betaalbare woningen, inclusief sociale huur, in de eerstejaren van de realisatie moeten worden gebouwd? Uit welke bron wordt denieuwbouwopgave afgeleid: de Woondeal, het volkshuisvestingspro-gramma of de publiek private monitor?2.2.3 Verstevigen van lokale prestatieafspraken (III) De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen datvergunningvrij bouwen leidt tot een oncontroleerbare toename vanbijgebouwen en verslechtering van de woonkwaliteit en veiligheid.Deze leden vragen de regering welke risico’s er zijn dat vergunningvrijbouwen leidt tot grotere scheefheid en kansenongelijkheid in woningtoe-wijzing.Zij vragen de regering hoe gemeenten moeten aantonen welke particu-liere sociale huurwoningen meetellen als sociale huurvoorraad naast dediensten van algemeen economisch belang (DAEB)-voorraad. Hoe wordtdeze validatie uitgevoerd door het Rijk en de provincie?3. Wijzigingen van wetgeving ten behoeve van regie op devolkshuisvesting 3.1 Wijzigingen in de Omgevingswet De leden van de SP-fractie vragen wat de definitie van een socialehuurwoning zal zijn in het besluit. Hoe wordt bepaald of particulieresociale huur meetelt? Welke instrumenten krijgen gemeenten om dezewoningen in hun volkshuisvestingsprogramma op te nemen?Deze leden willen weten wat de huidige verdeling is van sociale huurwo-ningen tussen woningcorporaties en particuliere aanbieders. Daarnaastvragen zij hoeveel sociale huurwoningen van particuliere verhuurdersvoldoen aan de definitie die wordt gehanteerd in het wetsvoorstel.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat met de Tweede nota vanwijziging het gemakkelijker wordt om het toepassingsbereik vanbestaande experimenten uit te breiden. In het licht van het vereenvou-digen van experimenten brengen deze leden de motie Grinwis enMeulenkamp (Kamerstuk 36 600 XXII, nr. 50) in herinnering. Zij vragen deregering of het eventueel nodig is de Omgevingswet aan te passen omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 149 een experiment met een voortoets naar Duits model mogelijk te maken,en zo ja, welke wijziging dit dan behelst. Hoe verhoudt de planning vanhet wetgevingsproces zich tot het tijdspad van dit experiment dat op deWoontop afgesproken is?Zij hebben grote en blijvende zorgen over de mate waarin voorliggendvoorstel de stokkende nieuwbouwopgave als gevolg van grote aantallenberoepsprocedures gaat vlot trekken. Zij vragen de regering een cijfer-matig overzicht te bieden van de ontwikkeling van het aantal beroepspro-cedures tegen woningbouwprojecten bij de Raad van State in deafgelopen vijf jaar. Zij vragen de regering te bevestigen dat de gemiddeldedoorlooptijd inmiddels is opgelopen tot 20 maanden. Zij vragen deregering aan te geven wat het geschatte effect is van de voorgesteldemaatregelen betreffende beroep bij de Raad van State is. Zij vragen welkealternatieve maatregelen de regering heeft onderzocht om de doorlooptijdbij de Raad van State te bespoedigen, en waarom zij daarvoor nietgekozen heeft. Zij vragen welke beleidsvoornemens de regering heeft alsde doorlooptijd bij de Raad van State niet zal afnemen.Zij lezen dat onder het Besluit versterking regie volkshuisvestinginstructieregels gaan gelden «ten behoeve van de programmering van tenminste twee derde betaalbare woningen (middenhuur én betaalbare koop)en 30 procent sociale huurwoningen op nationaal niveau, provinciaalniveau en regionaal niveau.» In de laatst bekende versie van het Ontwerp-besluit versterking regie volkshuisvesting wordt gesteld dat de provinciebepaalt door welke gemeenten de woningbouwregio gevormd wordtwaarbinnen de betaalbaarheidsafspraken worden gemaakt. Deze ledenvragen de regering aan te geven op welke wijze de provincie dezeafbakening vaststelt en hoe dit afdwingbaar is. Zij vragen of individuelegemeenten kunnen besluiten uit dergelijke woningbouwregio’s testappen.Zij constateren dat gemeenten met de Tweede nota van wijziging opgrond van de instructieregel één opdracht met betrekking tot de nieuw-bouwopgave: ofwel 40 procent middensegment, danwel 30 procentsociale huur. Kan de regering bevestigen dat dit onverlet laat dat opregionaal niveau de doelstellingen twee derde betaalbaar en 30 procentsociale huur in de nieuwbouwopgave blijven gelden? Erkent de regeringdat dit verdere afstemming tussen gemeenten in de woningbouwregiovergt? Hoe moet deze afstemming vormgegeven worden? Welke rol krijgtde provincie hierbij? Wanneer moet deze afstemming bereikt zijn? Voorwelke termijn worden deze afspraken gemaakt? Wat gebeurt er als er geenovereenstemming wordt bereikt? Wat gebeurt er als een gemeenteweigert mee te werken? Heeft de provincie doorzettingsmacht, en zo ja,wanneer? Kunnen gemeenten hiertegen in beroep gaan? Wat gebeurt erals gemeenten ook 40 procent middensegment willen bouwen maar noggeen 30 procent sociale huur in hun woningvoorraad hebben? Watgebeurt er als de provincie hierop weigert te handhaven? Concluderendvragen zij de regering aan te geven hoe voorkomen wordt dat gemeentenbinnen hun regio jarenlang aan het steggelen zijn over wie hoeveelsociale huurwoningen gaat bouwen en daarmee de opgave als geheelvertraagd wordt.Zij vragen de regering een prognose te bieden van hoe de (ontwikkelingvan de) verwachte netto voorraad aan sociale huur er uitziet over tien jaarmet de voorgenomen plannen. Hoe heeft de regering rekening gehoudenin de aangekondigde vormgeving van het Besluit versterking regie op devolkshuisvesting met het verschil in relatieve groei van gemeenten naargelang de mate van stedelijkheid? Deelt de regering de analyse dat degemeenten met relatief meer sociale huurwoningen gemiddeld genomeneen hogere mate van stedelijkheid hebben en gemiddeld relatief meernieuwbouw hebben?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1410 Zij vragen de regering wat de strikte juridische betekenis is van het«uitzetten» van de ladder van duurzame verstedelijking. Deze ledenvragen hoe dit juridisch verankerd is. Zij vragen wat ervoor nodig is omdeze ladder desgewenst weer «aan te zetten» en wat de gevolgen daarvanzijn voor vergunning die verleend zijn op het moment dat de ladder «uitgezet» was. Tevens vragen zij hoe de waarden die de ladder duurzameverstedelijking beoogde te beschermen, zoals openheid van het landschapandere landschappelijke waarden, alsmede zorgvuldige ruimtelijkeordening, geborgd worden.Zij lezen dat de deze regeling voor mantelzorgwoningen ook vantoepassing wordt op familieleden in de eerste graad. Deze leden consta-teren daarbij dat een situatie van mantelzorg altijd tijdelijk is, wat nietgeldt voor bewoning door familieleden. Zij vragen of de vereisten enbeperkingen die de geldende regeling voor mantelzorgwoningen kent vankracht blijven of dat deze aangepast worden ten behoeve van familiewo-ningen? Zij vragen hoe de tijdelijkheid van dergelijke woningen gewaar-borgd wordt? Zij vragen welke kwaliteitseisen gaan gelden voor familie-woningen.3.1.1 Volkshuisvesting De leden van de CDA-fractie vragen de regering te reflecteren op deinvoering van verschillende regio-indelingen binnen de Wet versterkingregie volkshuisvesting. Het werkgebied van corporaties wordt verruimdtot de provinciegrens, maar tegelijkertijd worden een woningmarktregio(voor de huisvesting van wettelijk urgent woningzoekenden) en eenwoningbouwregio (voor afspraken over betaalbare woningbouw)geïntroduceerd. Hoe draagt dit bij aan een duidelijke en effectieve regie?Ziet de regering risico’s voor praktische problemen in de uitvoering?Deze leden vragen de regering hoe de doorzettingsmacht van het Rijk ende provincie in de praktijk wordt toegepast na invoering van de Wet regievolkshuisvesting. Hoe wordt gemonitord of gemeenten voldoendelocaties aanwijzen in hun omgevingsplannen om te voldoen aan debetaalbaarheidsdoelstellingen in het gemeentelijk volkshuisvestingspro-gramma? Welke instanties kunnen een melding doen indien hieraan nietwordt voldaan? Zijn corporaties en huurdersorganisaties bevoegd om eendergelijke melding te maken? Zijn er termijnen verbonden aan de inzetvan doorzettingsmacht?3.1.2 Omgevingsvisie en het verplichte volkshuisvestingsprogramma De leden van de NSC-fractie lezen dat in de huisvestingswet een nieuw lidtoegevoegd wordt waardoor gedeputeerde staten een woningmarktregioaan kunnen wijzen waarin de gegeven bevoegdheid van artikel 12 wordtuitgeoefend. Deze leden vragen de regering of er op dit moment noggemeenten zijn zonder regionale huisvestingsverordening. Zij vragen deregering daarnaast of er signalen zijn die aantonen dat de huidigeregio-indeling niet functioneert. Daarnaast vragen zij wat de uiterstedatum is waarop het Rijk, de provincies en gemeenten een volkshuisves-tingsprogramma dienen vast te stellen.De leden van de D66-fractie merken op dat volkshuisvestingsprogramma’saandacht moeten besteden aan het huisvesten van verschillendespecifieke groepen, maar dat jongeren hier geen apart onderdeel vanuitmaken. Deelt de regering de mening dat de positie van jongeren op dewoningmarkt nu dermate problematisch is dat álle gemeenten hunbehoefte in kaart dienen te brengen en moeten adresseren? Is de regeringniet van mening dat jongeren in het algemeen (of starters specifiek) nuTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1411 een grote achterstand hebben als het gaat om kansen op de woningmarkten dat zij een aparte aandachtsgroep dienen te zijn?3.1.3 Sturinginstrumenten van de Omgevingswet De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering in het ontwerpbesluitversterking regie volkshuisvesting instructieregels heeft opgenomen voorhet volkshuisvestingsprogramma van provincie en Rijk ten behoeve vande programmering van ten minste twee derde betaalbare woningen(middenhuur én betaalbare koop) en 30 procent sociale huurwoningen opnationaal niveau, provinciaal niveau en regionaal niveau. Deze ledenvragen de regering of zij middels rekenvoorbeelden kan aantonen hoe zijgarandeert dat na het uitvoeren van de bouwopgave zowel landelijk,provinciaal en regionaal er sprake is van twee derde betaalbare woningenwaarvan 30 procent sociale huur, uitgaande van 100.000 woningen perjaar.Zij lezen dat het percentage sociale huur in een gemeente ten opzichtevan het landelijk gemiddelde percentage sociale huur bepalend gaat zijnvoor de bouwopgave van deze gemeente. Deze leden vragen de regeringof het percentage landelijk gemiddelde sociale huur een momentopnameis, of dat deze vaker herijkt gaat worden en zo ja met welke termijn dezeherijkt zal gaan worden.Zij vragen de regering of zij via een overzicht kunnen aantonen wat hettotale huidige percentage sociale huur is ten opzichte van de woning-voorraad per provincie, regio en gemeente in Nederland.Zij lezen dat een betaalbare koopwoonruimte een koopwoning betreft meteen koopprijs van ten hoogste 390.000 euro en de indexatie aan de handvan CPI gaat. Zij vragen de regering waarom er gekozen is voor indexatieaan de hand van CPI.De leden van de CDA-fractie vragen de regering toe te lichten welkeinstrumenten de provincie heeft om de woningmarktregio’s vast te stellen,zoals beschreven in de meest recente consultatieversie van de Conceptre-geling versterking regie volkshuisvesting. Kan een individuele gemeentebesluiten uit een woningmarktregio te stappen?3.1.4 Instructieregels over het volkshuisvestingsprogramma in het Besluitkwaliteit leefomgeving De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het verontrustend dat hetwetsvoorstel slechts een deel van de gemeenten – het deel met relatiefweinig sociale huur – een plicht oplegt tot de bouw van sociale huur. Kande regering uitleggen hoe deze wijzigingen zich verhouden tot hetHoofdlijnenakkoord en de afspraken van de Woontop – waarin isafgesproken dat twee derde van álle nieuwbouw gericht moet zijn ophuishoudens met een laag- of middeninkomen, waaronder «tenminste»30 procent sociale huur? Kan de regering verder bevestigen dat dezeinstructieregel om een minimum gaat, en dat het gemeenten dus vrij staatom méér dan 30 procent sociale huur en twee derde betaalbaar tebouwen als hun woningopgave daarom vraagt?Deze leden vragen zich af waarom de regering instructieregels voorgemeenten opstelt aan de hand van of zij meer of minder sociale huur danhet landelijk gemiddelde hebben. Erkent de regering dat het landelijkgemiddelde fluctueert en al jaren een dalende trend laat zien? Waaromkiest de regering er niet voor om gemeenten te ijken aan de hand van ofzij meer of minder dan 30 procent sociale huur hebben, zoals eerdergehanteerd in het interbestuurlijke programma een Thuis voor Iedereen?Zij zien dat de wet de mogelijkheid aan deze gemeenten biedt omontheffing te vragen van deze verplichting, waardoor zij géén socialehuurwoningen hoeven te bouwen, zolang door afstemming met anderegemeenten in de regio de 30 procent eis op regionaal niveau wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1412 gerealiseerd. Waarom maakt de regering een dergelijke ontheffingmogelijk als de noodzaak voor sociale huur zo hoog is? Hoe ziet deregionale escalatie eruit als de regio niet op 30 procent sociale huur komt?Hoe ziet het regionale proces om gezamenlijk tot 30 procent sociale huurte komen er volgens de regering uit? Welke doorzettingsmacht eninstrumentarium wordt voorzien voor de provincie indien gemeenten ineen regio niet voldoen aan hun gezamenlijke plicht? Verwacht de regeringdat provincies ook echt hun tanden zullen laten zien? Welke formeletaakstellingen krijgen provincies daarvoor? Als één gemeente mindersociaal bouwt, betekent dit automatisch dat een andere gemeenteaanvullend moet bouwen – hoe bepaalt een provincie welke gemeenteaanvullend moet inzetten op sociale woningbouw? Hoe verhoudt zich dattot het voornemen van de regering om geen of minder middelen uit tekeren aan gemeenten die meer dan twee derde betaalbaar bouwen?Worden de gemeenten die aanvullend moeten bouwen om regionaal tot30 procent te komen, hierdoor benadeeld? En hoe wordt «meeliftgedrag»van de andere gemeenten voorkomen?Zij zijn van mening dat er door dit wetsvoorstel juist onduidelijkheid wordtgecreëerd, bijvoorbeeld door de bevoegdheid om ontheffing aangemeenten te verlenen bij zowel de provincie als het Rijk neer te leggenop basis van een onduidelijke motivatiegrond. Kan de regering derolverdeling duidelijker toelichten?Zij vragen of de regering de mening deelt dat het doel van de Wetversterking regie volkshuisvesting is om woningbouw te versnellen enprocedures efficiënter te maken. Ziet de regering eveneens het risico datdeze plannen gaan leiden tot lange afstemming tussen bestuurslagenwaarin kostbare tijd, menskracht en middelen verloren gaan? Hoe ziet deregering dit in het licht van een tijd waarin het lokaal bestuur al mindermiddelen heeft? Zij vragen de regering hoe zij van plan is te voorkomendat gemeenten binnen hun regio jarenlang steggelen over wie hoeveelsociale huurwoningen gaat bouwen. Deelt de regering de zorg dat desnelle bouw van sociale huurwoningen – die broodnodig is – door dezewijziging juist uitblijft? Hoe gaat de regering dit meenemen in de verdereuitwerking van het wetsvoorstel? Hoe verhoudt de regionale afstemmingzich tot het doel van het kabinet om het bouwtempo te versnellen en100.000 woningen per jaar te bouwen, waarvan twee derde betaalbaar?Binnen welke periode moeten de plannen per regio vastgesteld enuitgerold worden? Hoe wordt er toegezien op het halen van deze doelen?Zij zien dat provincies als taak krijgen om de woningbehoefte (waarondervoor ouderen en aandachtsgroepen) in beeld te brengen en te zorgen datalle gemeenten met hun volkshuisvestingsprogramma hieraan bijdragen.Zij vragen zich af hoe deze opdracht zich verhoudt tot de instructieregelsen het landelijke gemiddelde als ijkpunt, die niet gebaseerd zijn op deprovinciale of regionale behoefte en volkshuisvestelijke opgaven.Volgens deze leden leidt het opleggen van een verplichting om 30 procentsociale huur te bouwen aan slechts een deel van de gemeenten, ook totonwenselijke lappendeken van eisen. Deelt de regering de mening datmeer uniformiteit, duidelijkheid en consistentie in de regelgevingwenselijk is voor projectontwikkelaars? Hoe past deze lappendeken in hetprogramma Schrappen Tegenstrijdige en Overbodige Eisen en Regel-geving (STOER)? Is de regering bereid om meer consistentie en unifor-miteit aan te brengen en hierbij het belang van sociale huur voorop tezetten, bijvoorbeeld door landelijke minimumquota voor sociale huur opte nemen in de wet? Ziet de regering in dat een eenduidige instructieregelvoor alle gemeenten beter zou zijn, met desnoods mogelijkheden af tewijken voor gemeenten en regio’s?Zij vinden de verplichting voor gemeenten met relatief weinig socialehuur, om tenminste 30 procent sociale huur bouwen, een te lage ambitie.Zij vragen zich af waarom de regering niet een hoger percentage hanteert.Zou een hoger percentage niet verstandiger zijn om tegenwicht te biedenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1413 aan het dalende aandeel sociale huur als gevolg van sloop, verkoop enliberalisatie van bestaande sociale huurwoningen? Zij vrezen dat hetaantal sociale huurwoningen in Nederland zal dalen, ziet de regering ditrisico? Kan ze uitsluiten dat het aantal sociale huurwoningen niet daalt?Hoe rekent de regering de minimale regionale nieuwbouweis voor socialehuur van 30 procent voor slechts een deel van de gemeenten door naareen stijging van het landelijke aandeel sociale huur van 27 procent naar 30in de totale woningvoorraad? Hoe kijkt de regering naar het probleem van«nep sociale-huur»: huurwoningen die slechts tijdelijk in het socialesegment vallen en na een paar jaar voor de hoofdprijs verhuurd worden?Welke waarborgen zitten in de wet om de bouw van dit type woningen tevoorkomen? Hoe kijkt de regering naar een regel dat sociale huurwo-ningen minstens 25 jaar in het sociale segment zouden moeten vallen?Zij vragen zich af hoe bijvoorbeeld een provincie als Zuid-Holland, dearmste provincie van Nederland, waar meer dan de helft van dehuishoudens aanspraak maakt op een sociale huurwoning, en maarslechts 15 van de 50 gemeenten aan de eis van 30 procent voldoet – opkoers gaat komen om 30 procent sociale huur in de voorraad te hebben,zonder hogere ambitie in de nieuwbouw.Zij zijn, gezien de uitdagingen waar we voor staan om tot het gewensteevenwicht in de woningvoorraad te komen, voorstander van eenwettelijke ambitie van 40 procent sociale huur in de nieuwbouw. Waaromheeft de regering het aandeel sociale huur in de nieuwbouw niet op40 procent vastgesteld? Zou zij overwegen om dit alsnog te doen? Zo nee,waarom hanteert zij dan wél een verplichting van 40 procent als het gaatom de bouw van middeldure woningen in gemeenten die een hogeraandeel bestaande sociale huur hebben?Zij vragen zich af hoe de verwachte netto voorraad aan sociale huureruitziet over tien jaar met de voorgenomen plannen. Hoe zou devoorraad er over tien jaar uit zien bij een ongewijzigde Wet versterkingregie volkshuisvesting? Hoe zou de voorraad er over tien jaar uit zien alseen eis van 40 procent sociaal bij nieuwbouw werd gehanteerd?Zij vragen zich af hoe de regering voorkomt dat alleen zeer rendabeleprojecten, met dus minder betaalbare woningen, worden gerealiseerd?Hoe gaan gemeente, provincie of Rijk hierop toezien en sturen? Wat voormogelijkheden zijn er om in te grijpen of bij te sturen als gevraagdepercentages sociaal en betaalbaar niet worden gehaald? Wat alsgemeenten en ontwikkelaars wel betaalbaar wíllen bouwen, maaraanlopen tegen financiële belemmeringen, stikstofproblemen, of anderekritische succesfactoren uit de regionale woondeals? Welke instrumentenheeft de provincie of het Rijk om te zorgen dat gemeenten en ontwikke-laars de percentages toch kunnen halen? Is er genoeg geld gereserveerdom alle onrendabele toppen te dekken om de bouwdoelen te halen? Klopthet dat gemeenten worden geacht om 50 procent van de kosten tedekken? Wat doet de regering om gemeenten daar genoeg middelen voorte geven?Volgens deze leden is de sociale huursector er voor lage en middenin-komens. Deelt de regering die visie? Zo ja, vragen deze leden zich afwaarom er niet op een hoger percentage sociale huur wordt gemiktaangezien een dergelijke brede doelgroep in de sociale sector moetkunnen wonen.Zij hebben ook enkele vragen en zorgen als het gaat om de verplichtingvan 40 procent middeldure woningen voor gemeenten met een hoogaandeel sociale huur. Deelt de regering de constatering dat gemeentenmet relatief veel sociale huur, een dergelijk hoog aandeel sociale huurhebben, omdat dit past bij de woonbehoefte in hun gemeente – metandere woorden, omdat dit keihard nodig is? Deelt de regering deconstatering dat dit bijvoorbeeld gaat om de grote steden, waar dewachtlijsten voor de sociale huur vaak meer dan tien jaar zijn? Deelt deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1414 regering de constatering dat dit juist plekken zijn waar de nieuwbouw vansociale huur nodig is om de wachtlijsten naar beneden te krijgen? Zo ja,waarom legt de regering deze gemeenten een plicht op om ten minste40 procent middeldure koop- en huurwoningen te bouwen? Onderschrijftde regering dat het onwenselijk is als door dit voorschrift het totale aantalsociale huurwoningen in Nederland niet voldoende toeneemt of zelfsafneemt? Hebben gemeenten een mogelijkheid om hier vanaf te wijken?Waarom geldt voor deze gemeenten geen verplichting om sociale huur bijte blijven bouwen? Deze leden vragen zich af of de regering rekeningheeft gehouden met het verschil in relatieve groei van gemeenten naargelang de mate van stedelijkheid? Deelt de regering de analyse dat degemeenten met relatief meer sociale huurwoningen gemiddeld genomeneen hogere mate van stedelijkheid hebben en gemiddeld relatief meernieuwbouw hebben? Hoeveel moeten deze gemeenten – die geen plichthebben tot de bouw van sociale huurwoningen – gemiddeld bouwen aansociale huurwoningen om landelijk een gemiddelde van 30 procent tebereiken? En hoe ontwikkelt het landelijke percentage sociale huurwo-ningen als aandeel in de totale woningvoorraad, en in absolute aantallen,als deze sociale huurwoningen niet worden gerealiseerd omdat dezegemeenten geen verplichting hiertoe hebben, maar wel een verplichtinghebben om tenminste 40 procent middensegment te realiseren?Zij zijn voor gemengde en diverse wijken, is de regering dat ook? Dezeleden vinden het teleurstellend dat genoemde percentages niet gelden opproject- of wijkniveau. Deelt de regering de analyse dat dit in de praktijkneerkomt op segregatie, omdat gemeenten dure villawijken mogenbouwen zonder enige betaalbare woning, zolang ze ergens aan de randvan hun gemeente ook enkele betaalbare woningen bouwen? Zo nee,waarom deelt zij die analyse niet? Zij vragen de regering wat zij denkt datdit betekent voor de diversiteit van wijken in Nederland? En gezien alletoevoegingen van woningen (ook door splitsing of optopping) bijdragenaan het behalen van het streefpercentage, betekent dit in de praktijk dateen gemeente sociale huurwoningen kan optoppen of splitsen, om een«plekje» vrij te maken om een dure villa te bouwen?De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering de gemeentes in eenregio onderling willen laten uitzoeken welke percentages sociale huur enbetaalbare woningen zij bouwen. Deze leden vragen de regering welkerisico’s deze keuze met zich meebrengt met het oog op versnelling envertraging. Zij vragen de regering ook of de gemeentes binnen eenzelfderegio gebonden zijn aan een termijn waarbinnen bekend moet zijn welkegemeentes welk percentage gaat realiseren.Zij lezen dat de provincie en het Rijk de bevoegdheid hebben om eenknoop door te hakken over een woningbouwlocatie als dit op lokaalniveau onvoldoende lukt. Deze leden vragen de regering op welke termijnde provincie en/of het Rijk ingrijpen wanneer decentraal een conflictontstaat.Zij vinden het belangrijk om met fatale termijnen te werken. Zij vragen deregering of er een vaste termijn is vastgesteld waarbinnen decentraal eenconflict opgelost moet worden voordat het Rijk en/of de provincieingrijpen en zo ja, wat deze termijn is.Zij lezen dat de regering zal ingrijpen wanneer een gemeente met debouwopgave achterblijft. Zij vragen de regering waaraan gepeild zalworden of een gemeente met haar bouwopgave achterblijft. Daarnaastvragen zij of de regering aan deze peiling termijn verbind waarbinnen eengemeente een van te voren vastgesteld deel van de bouwopgavegerealiseerd moet hebben.Zij zien het risico dat er met meer tempo betaalbaar gebouwd wordt dandat er sociaal gebouwd wordt. Zij vinden het belangrijk dat een concretebouwlijst, bijvoorbeeld via een algemene maatregel van bestuur (AMvB),onderdeel wordt van de wet en vragen de regering hoe zij gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1415 waarborgen dat 30 procent sociale huur actief onderdeel zal zijn vanaf destart van de realisatie van de bouwopgave.Zij lezen dat het Rijk en de provincie toestemming kunnen geven aangemeenten om af te wijken van de Rijksinstructieregels of afwijkendeprovinciale regels wanneer een gemeente van mening is dat zij hiervoorin aanmerking komen en daarover overlegd heeft met gemeentes in deregio. Zij vragen de regering hoe gekaderd is of een gemeente terechtaanspraak maakt op afwijking van de rijksinstructieregels of afwijkendeprovinciale regels.De leden van de SGP-fractie hebben vragen over het aandeel sociale huurdat een gemeente moet bouwen. Als een gemeente een lager percentagesociale huur in de voorraad heeft dan gemiddeld, moet deze gemeententen minste 30 procent sociale huur in de nieuwopgave programmeren.Deze leden staan positief tegenover de uitzondering die de instructieregelbiedt, zodat, na onderbouwing en afstemming, afgeweken mag wordenvan deze regel. Hoe ziet die onderbouwing er precies uit? En wanneer isde regionale afstemming voldoende? En wat is precies de rol van deprovincie hierin? Kan de gemeente deze uitzondering zelf regelen?Zij merken op dat in de toelichting van de Tweede nota van wijzigingwordt gesteld dat de percentages niet per project gelden. Echter, insommige kleinere gemeenten worden er in absoluut aantal niet veelwoningen bijgebouwd per jaar, waardoor de eis van 30 procent socialehuur in de gemeente alsnog op één of enkele projecten kan slaan, zostellen zij. Erkent de regering dat, en wat is de appreciatie van de regeringdaarop?3.1.5 Overgang van huidige situatie naar inwerkingtreding wetsvoorstel De leden van de VVD-fractie vragen welke maatregelen er precies kunnenworden genomen als gemeenten en provincies te strenge en te hogebetaalbaarheidseisen opleggen, waardoor de woningbouw stilvalt.3.1.6 Versnellen van procedures De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de regering bereid is deprojecten van een zwaarwegend maatschappelijk belang al op te nemenin het wetsvoorstel of in de diverse beleidsprogramma’s. Heeft deregering al zicht op welke locaties in aanmerking komen voor ditzwaarwegende maatschappelijke belang?Deze leden vragen zich af of de regering bereid is de eis van«12 woningen of meer» los te laten en daarmee de hele bezwaar- enberoepsprocedure te herzien.De leden van de NSC-fractie lezen dat de regering met deze wijziging in dewet een versnelling bij bouwprojecten verwacht te realiseren van tenminste zeven maanden. Deze leden vragen de regering wat de verwachtegemiddelde versnelling zal worden over de landelijke bouwopgave.Zij zien noodzaak om in de planvorming versnelling aan te brengen. Dezeleden vragen de regering hoe zij dit gaan bewerkstelligen.Zij lezen dat de regering de ladder voor duurzame verstedelijkingcompleet uit zal gaan zetten voor het onderdeel woningbouw. Zij vragende regering hoe zij ervoor gaan zorgen dat ondanks de aanpassing van deladder realisatie van woningen uit bestaande bouw en nabij het openbaarvervoer en infrastructuur actief benut blijft worden.Zij lezen dat de regering nog bekijkt hoe voorkomen gaat worden datdecentraal de ladder voor duurzame verstedelijking voor het onderdeelwoningbouw opnieuw ingevoerd gaat worden. Zij vragen de regering opwelke termijn de Kamer gaat horen hoe de regering dit wilt bewerkstel-ligen. Zij vragen de regering ook hoe zij voorkomt dat in het buitengebiedTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1416 onder andere de stankcirkels, bereikbaarheid en werkplekken debepalende en beperkende factor gaat worden in plaats van een integraleafweging vooraf.De leden van de CDA-fractie vragen de regering welke mogelijkheden erzijn voor provincies en gemeenten om capaciteitstekorten op afdelingenruimte, wonen en andere relevante afdelingen op te lossen, bijvoorbeelddoor parallelle planprocessen.3.1.7 Griffierechten bij beroep tegen onteigeningsbesluiten De leden van de VVD-fractie vragen zich af of de regering bereid is degriffiekosten bij de Raad van State voor bouwzaken te verhogen, zodat diteen extra drempel tot procederen oplegt.3.2 Wijzigingen in de Huisvestingswet 2014 3.2.1 Vormgeving verplichte urgentieregeling De leden van de D66-fractie ondersteunen dat het wetsvoorstel urgentiegeeft aan een deel van de dakloze mensen in Nederland. De regering heefter echter niet voor gekozen om alle dakloze mensen onder de urgentie telaten vallen. Kan de regering uiteenzetten welke daklozen mensen hetbetreft die wel opgenomen zijn in de ETHOS-light tellingen maar nietonder de urgentieregeling vallen? Deze leden merken bijvoorbeeld op datmensen die geen thuis hebben maar wel een baan bijvoorbeeld niet onderde urgentie vallen. Deelt de regering de mening dat mensen die geen dakof thuis hebben dak- of thuisloos zijn en als zodanig beschouwd moetenworden in wet- en regelgeving? Kan de regering uitleggen welk nut het desamenleving dient om mensen die geen dak of thuis hebben in eenuitzichtloze positie te laten in plaats van ze te helpen aan een woning? Kande regering ook uiteenzetten hoe het niet opnemen van deze doelgroeponder de urgentie strookt met het Housing First-principe dat de regeringop andere momenten uitdraagt? Neemt de regering alsnog de ETHOSLight-groep op onder de urgentie of stapt de regering af van het HousingFirst-principe?Zij vragen zich daarnaast of de regering kan onderbouwen hoe zij dezichzelf opgelegde doelstelling uit de Verklaring van Lissabon gaan halenom dakloosheid te beëindigen in 2030 als nu ervoor wordt gekozen nietalle dakloze mensen urgentie te verlenen, of laat de regering dit doel los?De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe het verlenen vanurgentie op basis van verblijf in de maatschappelijke opvang zichverhoudt tot de ambitie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid.Deze leden vragen de regering welke mogelijkheden er zijn om deverplichte urgentieregeling te herzien, zodat alle dakloze mensen volgensde gemeenschappelijke en erkende definitie van dakloosheid, ETHOS-Light, verplichte urgentie krijgen.De leden van de SP-fractie constateren dat het wetsvoorstel bepalingenbevat met betrekking tot dakloosheid. Deze leden vragen hoe hettoekennen van urgentie op basis van verblijf in de maatschappelijkeopvang zich verhoudt tot de ambitie van het Nationaal ActieplanDakloosheid om opvang te vervangen door structurele huisvesting. Is deregering bereid de verplichte urgentieregeling te herzien zodat álledakloze mensen, conform de ETHOS-Light definitie, verplichte urgentiekrijgen?Zij vragen zich daarnaast af hoeveel mensen momenteel op de wachtlijststaan voor een sociale huurwoning in Nederland en wat de gemiddeldewachttijd per regio is. Zij vernemen graag hoe deze wachttijd zich heeftontwikkeld in de afgelopen tien jaar. Ook vragen zij hoeveel huishoudensTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1417 met urgentieverklaring langer dan één jaar op een woning wachten enhoeveel sociale huurwoningen jaarlijks worden toegewezen aan urgentenen specifieke doelgroepen zoals statushouders, daklozen of mensen uitmaatschappelijke opvang.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te reflecteren opeen situatie waarbij gemeenten in de regio niet tot afspraken komen voorde verdeling van het huisvesten van wettelijk urgent woningzoekenden.Klopt het dat in zulke gevallen elke gemeente 15 procent van de vrijko-mende aangewezen categorie huurwoonruimte toewijst aan deze urgentwoningzoekenden? Kan de regering bevestigen dat in veel gemeenten nual meer dan 15 procent van de vrijkomende voorraad wordt toegewezenaan urgent woningzoekenden? Kan de regering onderbouwen waarom15 procent wel een stok achter de deur is om afspraken te maken?Deze leden zijn van mening dat bestrijden van dakloosheid prioriteitnummer één in het volkshuisvestingsbeleid zou moeten zijn. Zij vragen deregering of zij deze mening deelt. Zij vragen de regering op welke wijzehet voorliggend wetsvoorstel bijdraagt aan het oplossen van dedakloosheid in Nederland. Zij zijn van mening dat niet alle mogelijkhedenin het voorliggend wetsvoorstel benut zijn om dakloosheid te bestrijden,bijvoorbeeld door urgentie te verlenen aan dakloze personen. Zij vragende regering waarom daar niet voor is gekozen en vragen de regering deconsequenties van dat voorstel te benoemen. Tevens vragen zij deconsequenties van een voorstel om dakloze gezinnen met kinderenurgentie te verlenen te benoemen. Kan de regering uitleggen hoe hetverlenen van urgentie op basis van verblijf in de maatschappelijke opvangzich verhoudt tot de ambitie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid omvan opvang naar wonen te gaan? Kan de regering aangeven wanneer demonitor huisvesting aandachtsgroepen wordt aangevuld met informatieen data over de groep die uit de maatschappelijke opvang stroomt? Is erinformatie over de mate waarin tijdelijke oplossingen daadwerkelijkhebben geleid tot structurele stabiele huisvesting?3.3 Weigeringsgronden die niet in de huisvestingsverordening mogenworden opgenomen 3.3.1 Urgentie in de praktijk De leden van de PVV-fractie merken op dat op moment van schrijven hetwetsvoorstel schrappen voorrang statushouders bij sociale huur inconsultatie is. Deze leden zouden voor de zekerheid aan de regering willenvragen of de Wet versterking regie volkshuisvesting geen onbedoeldegeitenpaadjes aan gemeenten biedt om statushouders tot urgentiecate-gorie te kunnen maken, teneinde de uitvoering van het wetsvoorstelschrappen voorrang statushouders te omzeilen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden dakloosheid de grootsteuitwas van de wooncrisis en achten het onacceptabel dat in een rijk landals Nederland mensen geen dak boven hun hoofd hebben. Daarom ziendeze leden met grote zorgen aan dat dit wetsvoorstel een nauwe definitiehanteert van dakloosheid, waardoor slechts een kleine groep daklozemensen met dit wetsvoorstel geholpen lijkt te worden, terwijl veelmensen die dakloos zijn, niet verblijven in de maatschappelijke opvang.Zij vragen de regering om uit te leggen hoe het verlenen van urgentie opbasis van verblijf in de maatschappelijke opvang zich verhoudt tot deambitie van het Nationaal Actieplan Dakloosheid om van opvang naarwonen te gaan. Ook vragen zij of de regering bereid is de verplichteurgentieregeling te herzien om alle dakloze mensen verplichte urgentie tegeven als zij vallen onder de gemeenschappelijke en erkende definitie vandakloosheid (ETHOS-Light), de definitie die ook gebruikt wordt door hetdoor dit kabinet omarmde actieplan. Zo nee, waarom niet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1418 Zij vragen zich op het gebied van urgentie verder af of de regering bereidis om in de wet vast te leggen dat gemeenten verplicht worden omspecifieke urgentiecategorieën op te nemen voor daklozen, jonge oudersen arbeidsmigranten met een sociaaleconomische kwetsbare positie,zodat zij sneller toegang krijgen tot sociale huurwoningen. Zo nee,waarom niet? En hoe wordt anders geborgd dat deze groepen nietlangdurig op straat of in onzekere woonsituaties blijven?De leden van de VVD-fractie vragen zich af waarom er extra verplichteurgentiecategorieën in het leven worden geroepen, terwijl de regering ookvoornemens is deze voorrang juist af te schaffen voor bijvoorbeeldstatushouders.Deze leden vragen zich af over hoeveel ex-gedetineerden door dezenieuwe urgentiecategorie en daarmee voorrangspositie gaat gelden. Kanhier een inschatting van worden gemaakt?Zij vragen zich af hoeveel gemeenten al een lokale urgentiecategoriehebben voor ex-gedetineerden.Zij vragen zich af hoeveel ex-sekswerkers, door de verplichte urgentiecate-gorie, met voorrang gehuisvest gaan worden. Kan hier een inschattingvan worden gemaakt?Zij vragen zich af wat de voordelen en nadelen zijn van deze verplichteurgentiecategorieën?De leden van de BBB-fractie lezen dat de wet verplichte urgentiecatego-rieën introduceert. Deze leden merken echter op dat er een risico is datdeze uniforme urgentiecategorieën niet altijd aansluiten bij de lokalebehoeften en omstandigheden. Zij vragen of de regering kan aangevenhoe ervoor gezorgd wordt dat gemeenten voldoende flexibiliteitbehouden om de urgentiecategorieën af te stemmen op de lokale situatie,bijvoorbeeld door het toevoegen van lokale urgentiecategorieën of hetaanpassen van de criteria voor urgentieverlening. Zij vragen daarnaast ofde regering kan toelichten of deze wet mogelijk niet voor extra werk zorgtvoor gemeenten. Zo ja, krijgen gemeenten daar extra middelen voor?Zij lezen dat de wet een evenwichtige samenstelling van de woning-voorraad beoogt. Zij merken echter op dat er een risico is dat deverplichte huisvesting van urgent woningzoekenden leidt tot eenconcentratie van kwetsbare groepen in bepaalde wijken, met negatievegevolgen voor de leefbaarheid en de sociale cohesie. Zij vragen of deregering kan aangeven welke concrete maatregelen er worden getroffenom een evenwichtige spreiding van urgent woningzoekenden over deverschillende wijken en gemeenten te waarborgen, rekening houdend metde draagkracht van de wijken en de beschikbaarheid van voorzieningen.De leden van de CDA-fractie vragen de regering wanneer de monitorhuisvesting aandachtsgroepen wordt aangevuld met data over de groepdie uit de maatschappelijke opvang uitstroomt.Deze leden vragen de regering of er informatie beschikbaar is over demate waarin tijdelijke oplossingen daadwerkelijk hebben geleid totstructurele, stabiele huisvesting.3.3.2 Definities van categorieën van woonruimte De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het van groot belang dater middenhuur komt voor de mensen die buiten de boot vallen, énbetaalbare koop voor de starters en de mensen met een bescheideninkomen die een koophuis willen. Deze leden vragen zich af waarom deregering de middenhuur en betaalbare koop op dezelfde hoop gooit. Is hetniet verstandig om hier twee doelen voor te hanteren, gezien het vangroot belang is dat beide gebouwd worden in het kader vandoorstroming?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1419 Zij vragen of de regering de mening deelt dat differentiatie van betaalbarekoopwoningen wenselijk is. Ziet de regering het risico dat, door hethanteren van één bovengrens van 390.000 euro zonder prijssegmentatie,de woningbouw in de praktijk gericht is op de realisatie van woningen opof rond die grens? Hoe zorgt de regering dat er in de lagere prijsklassenook koopwoningen beschikbaar komen, aangezien voor de meestemensen een woning van 390.000 euro niet betaalbaar is?3.4 Wijzigingen in de Woningwet 3.4.1 Verhouding tot het volkshuisvestingsprogramma De leden van de NSC-fractie constateren dat het gemeentelijk volkshuis-vestingsprogramma een centrale rol zal krijgen. Deze leden vragen deregering hoe zij aankijkt tegen de gedachte om het geldende uitvoerings-programma voor de woonvisie, wat nagenoeg alle gemeente hebben, tebeschouwen als volkshuisvestingsprogramma om parallelle adminis-traties te voorkomen, doordat er op voorhand extra eisen gesteld worden.3.4.2 Lokale prestatieafspraken De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom gemeenten nietverplicht worden om de volledige sociale huurvoorraad, inclusiefparticuliere sociale huurwoningen, te benutten voor de huisvesting vanwettelijk urgent woningzoekenden. Nu dit niet verplicht is, bestaat hetrisico dat kwetsbare woningzoekenden geconcentreerd worden inbepaalde corporatiebuurten, terwijl particuliere sociale huur wel meeteltin de totale sociale huurvoorraad van een gemeente.Deze leden vragen de regering waarom bij het bepalen van de instructie-regel voor gemeenten wordt uitgegaan van een sociale huurvoorraad dieboven of onder het landelijk gemiddelde van 27 procent ligt. Waarom isniet gekozen voor 30 procent, zodat gemeenten die daaronder zittenstapsgewijs naar dit percentage kunnen groeien? Is de regering bereiddeze norm aan te passen naar 30 procent?Zij vragen de regering hoe prestatieafspraken worden gekoppeld aandaadwerkelijke realisatie in plaats van enkel programmatische plannen.Zij vragen de regering hoe de regionale afstemming tussen gemeentenvorm krijgt om de doelstelling van twee derde betaalbare woningen en30 procent sociale huur te behalen. In de Tweede nota van wijziging wordtgesteld dat gemeenten op grond van de instructieregel één specifiekeopdracht krijgen: 30 procent sociale huur of 40 procent middenhuur/betaalbare koop. Dit impliceert dat verdere regionale afstemmingnoodzakelijk is. Hoe wordt deze afstemming georganiseerd? Binnen welketermijn dient deze afstemming te zijn bereikt? Wie neemt de uiteindelijkebeslissing indien er geen overeenstemming wordt bereikt? Welkehandhavingsmaatregelen zijn beschikbaar indien gemeenten hunafspraken niet nakomen?Zij vragen de regering of woningcorporaties en huurdersorganisatiesmeebeslissen over de vraag of het realiseren van 30 procent sociale huurin een gemeente niet passend is. Daarnaast vragen zij de regering om toete lichten hoe de afstemming tussen gemeenten in een regio vorm krijgt.Wordt deze afstemming niet te vrijblijvend? Zou de regering willenreflecteren op de mogelijkheid om een afwijking van de 30 procent-normenkel toe te staan indien hierover overeenstemming is bereikt met anderegemeenten en de provincie? In de Nationale Prestatieafspraken 2025–2035is opgenomen dat afwijkingen alleen kunnen worden onderbouwd doorvolkshuisvestelijke overwegingen. Financiële motieven, zoals een lagereopbrengst van sociale huur of de kosten van grond en vastgoed, zijn geengeldige reden om af te wijken. Welke mogelijkheden ziet de regeringTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1420 bereid om deze afspraak uit de Nationale Prestatieafspraken over tenemen in de Wet versterking regie volkshuisvesting?Zij vragen de regering of herstructureringsurgenten voorrang krijgen opwettelijk urgent woningzoekenden, zodat woningbouwprojecten nietonnodig worden vertraagd.3.4.3 Flexwoningen De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie geloven in een socialehuurvoorraad die structureel is. Deze leden vragen zich daarom af hoe deregering gaat voorkomen dat gemeenten met weinig sociale huur hunplicht om 30 procent sociale huurwoningen te bouwen, grotendeels ofvolledig invullen met de bouw van tijdelijke flexwoningen. Deelt deregering de mening dat we ons dan rijk rekenen met een sociale voorraaddie niet structureel is? Hoe ziet de regering de rol van flexwoningen in dewoningvoorraad en op welke manier waarborgt ze dat gemeentenflexwoningen breder gaan inzetten als doekje voor het bloeden?De leden van de CDA-fractie vragen de regering inzichtelijk te makenhoeveel extra woningen vergunningsvrij bouwen oplevert.Deze leden vragen de regering waarom vergunningsvrij bouwen in hetbuitengebied alleen gericht is op zelfstandig wonen en niet bijvoorbeeldop huisvesting van thuiswonende kinderen die geen passende woningkunnen vinden.4. Verhouding tot andere nationale regelgeving en hoger recht 4.1 Grond- en mensenrechten 4.1.1 Toegang tot de rechter De leden van de NSC-fractie lezen dat wanneer de Afdeling bestuursrecht-spraak van de Raad van State voor beroepen tegen besluiten als bedoeldin het eerste lid advies inwint van de Stichting Advisering Bestuursrecht-spraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, die stichting binnen tweemaanden na het verzoek advies uitbrengt. Deze leden vragen de regeringof dit tot extra kosten of vertraging van andere zaken kan leiden en vragenom onderbouwing van het antwoord.5. Uitvoering De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de gemeenten metvoorliggend wetsvoorstel extra taken op zich krijgen. De VNG geeft aandat deze deels in beeld zijn gebracht maar dat daarvoor nog onvolledigefinanciële compensatie is toegezegd. Deze leden vragen de regering zorgte dragen voor afdoende financiële middelen om de gemeenten in staat testellen hun taak in de volkshuisvesting uit te voeren.Zij hebben zorgen over de uitvoerbaarheid van de wet voor kleinegemeenten. Zij ontberen vaak specialistische kennis om goed sturing tegeven op hun volkshuisvestelijke opgave. Zij vinden dat het voorliggendwetsvoorstel daar onvoldoende rekenschap van geeft. Dat geldt nietalleen voor uitvoering van voorliggende wet, maar ook in bredere zin voorhet voorzien in voldoende goed geëquipeerde ambtenaren die vergun-ningverlening, toezicht en handhaving kunnen vormgeven. Zij vragen deregering hierop te reflecteren.Zij hebben in algemene zin zorgen over de uitvoering de volkshuisveste-lijke opgave nu de financiering lijkt te stokken. Projecten met eenonrendabele top dreigen niet van de grond te komen, zeker niet als hetkleinere projecten betreft. Met name kleine gemeenten of groteregemeenten die bestaan uit een veelvoud kleine kernen hebben hier lastvan. Zij kennen geen of nauwelijks grootschalige uitleglocaties, waarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1421 bovenwijkse voorzieningen eenvoudiger te dekken zijn. De kleinerewoningbouwlocaties in deze kernen of gemeenten dreigen daardoor stil tevallen. Zij vragen of de regering het relatieve voordeel van grootschaligeontwikkelingen ten opzichte van kleinschaligere ontwikkelingen herkent,inclusief de constatering dat kleinschaligere ontwikkelingen eerder stil(dreigen te) vallen. Zij constateren dat het voorliggende voorstel hier geenantwoord op biedt. Zij vragen de regering hoe zij zicht inspant hetstilvallen van kleinschaligere projecten te voorkomen – niet in de laatsteplaats omdat dit vaak in kleinere kernen in de regio plaats vindt.5.1 Omgevingswet De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe wordt voorkomen datnieuwe woningen op agrarische percelen de bedrijfsvoering vanagrarische bedrijven juridisch beperken.5.2 Huisvestingswet 2014 De leden van de CDA-fractie vragen de regering hoe de effectiviteit van dehier genoemde maatregelen wordt gemonitord.6. Toezicht en handhaving De leden van de SP-fractie hebben een aantal vragen over toezicht enhandhaving. Hoe wordt interbestuurlijk toezicht ingezet om ervoor tezorgen dat de betaalbaarheidsdoelstellingen worden gehaald? Welkesancties volgen als gemeenten niet voldoen aan de volkshuisvestings-normen?6.1 Interbestuurlijk toezicht De leden van de D66-fractie ondersteunen op hoofdlijnen de maatregelendie ervoor moeten zorgen dat het Rijk en provincie instructies kunnengeven om voldoende betaalbare woningen te bouwen. Waarom heeft deregering er niet voor gekozen om gemeenten ook instrumenten te gevenom het Rijk en provincie te kunnen aanspreken op hun acties als dieervoor zorgen dat zij in hun gemeenten onvoldoende woningen kunnenbouwen? Heeft de regering opties hiervoor overwogen en waarom heeftde regering hier uiteindelijk niet voor gekozen?7. Financiële gevolgen De leden van de SP-fractie vragen of gemeenten die méér dan 30 procentsociale huur bouwen toegang houden tot financiële regelingen vanuit hetRijk. Wat zijn de financiële gevolgen voor gemeenten zonder bouwplicht,maar met een verantwoordelijkheid om landelijk op 30 procent te komen?7.1 Financiële gevolgen voor gemeenten De leden van de NSC-fractie lezen dat er gestuurd gaat worden op debouw van 30 procent sociale huurwoningen waarvoor gemeenten ookfinancieel ondersteund zullen worden. Deze leden vragen de regering ofgemeenten die meer dan 30 procent sociale huur gaan realiseren ook voorhet aandeel boven de 30 procent gefinancierd gaan worden en of zij hetantwoord kunnen onderbouwen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1422 II. ARTIKELSGEWIJS Artikel I Algemene wet bestuursrechtDe leden van de D66-fractie hebben begrip voor het opnemen van eeninstructie vanuit gedeputeerde staten of de Minister van Volkshuisvestingen Ruimtelijke Ordening op de negatieve lijst van de Awb, maar hebbenhier nog wel enkele vragen over. Hoe wordt voorkomen dat gemeenten devoorkeur krijgen om zaken via een instructie te laten lopen omdat op diemanier de beroepsprocedure omzeild kan worden? Ziet de regering ditrisico ook en hoe zal daarop ingespeeld worden? Klopt het dat elders inhet wetsvoorstel de bevoegdheid voor een instructie juist bij de Ministervan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties ligt en vallen dezeinstructies dan alsnog onder deze bepaling? Wordt dit risico niet juistgroter als straks het geval blijkt dat de rechtspraak besluiten van degemeenteraad vernietigt die in strijd zijn met het gemeentelijk woning-bouwprogramma en dat de enige route om een plan alsnog aan te nemenis door een instructie te krijgen, waar een ontheffingsmogelijkheid ingeboden is (zoals wordt aangekondigd in de memorie van toelichting)?Hebben gemeenten dan nog andere mogelijkheden tot hun beschikkingom af te wijken van hun gemeentelijk volkshuisvestingprogramma, zo neewelke wetswijzigingen zouden nodig moeten zijn om dat op zorgvuldigewijze mogelijk te maken?Artikel III OmgevingswetDe leden van de D66-fractie ondersteunen de wijziging om de experimen-teerregel aan te passen waarmee per ministeriële regeling gemeentenkunnen worden toegevoegd aan een experiment, zodat dit snel en flexibeltoegepast kan worden. Kan de regering een overzicht geven van andereexperimenteerbepalingen in andere wetten waarin uitbreiding van hetaantal gemeenten niet per ministeriële regeling gebeurt en kan deregering aangeven waarom deze zelfde aanpassing daar ook niet kanplaatsvinden? Is de regering bereid om hierop één lijn te trekken en zonee, waarom niet?Onderdelen B en C (artikelen 2.33 en 2.34 Omgevingswet)De leden van de SGP-fractie hebben vragen over de uitbreiding van hettoepassingsbereik van experimenten. Dit kan bij ministeriële regelinguitgebreid worden, zonder aanpassing van de AMvB. Welk kader wordtgebruikt om te bepalen of het toepassingsbereik uitgebreid moet worden?En hoe wordt bijvoorbeeld bepaald of en welke gemeenten onder eenbepaald experiment moeten vallen?De voorzitter van de commissie,PostmaAdjunct-griffier van de commissie,MorrinTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 512, nr. 1423
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.