Evaluatie geloofwaardigheidsbeoordeling asielrelaas
Brontekst
Versie 60d6306c3531cff9 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202619 637VreemdelingenbeleidNr. 3612 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 juli 2026In het commissiedebat d.d. 19 december 2024 (Kamerstuk 19 637, nr.3344) heeft mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer toegezegd te evaluerenhoe de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in de praktijk uitpakt en deKamer daarover te informeren. Omdat een jaar na een wijziging te kort isom een volwaardige evaluatie uit te voeren is ervoor gekozen dit in devorm van een invoeringstoets te doen. Een invoeringstoets is bedoeld omde impact van nieuwe regelgeving op zowel de uitvoering (de IND) als dedoelgroep (asielzoekers) te beoordelen. Het is daarbij niet bedoeld als eenoordeel over de doeltreffendheid (effectiviteit) en doelmatigheid (effici-ëntie) van een regeling. Ten behoeve van deze invoeringstoets hebbenVluchtelingenWerk Nederland, Nidos en de asieladvocatuur inputgeleverd namens de doelgroep.Gelet op de gelijktijdige invoering van het nieuwe groepenbeleid is ervoorgekozen dit ook te betrekken bij de invoeringstoets. De afdelingOnderzoek en Analyse van de IND heeft deze invoeringstoets uitgevoerden op 26 maart 2026 aan de DG Migratie van het Ministerie van Justitie enVeiligheid aangeboden. Ik ben de onderzoekers van de afdeling Onderzoeken Analyse erkentelijk voor de bevindingen. Middels deze brief reageer ikop de bevindingen uit het rapport en doe ik de toezegging aan de Kamergestand.AchtergrondOp 1 juli 2024 is de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling in werkinggetreden. Voor de volledige beschrijving van de gewijzigde geloofwaar-digheidsbeoordeling verwijs ik u naar de brief van mijn ambtsvoorgangerd.d. 5 maart 2024.1 In het kort is de voornaamste wijziging ten opzichtevan de oude geloofwaardigheidsbeoordeling dat wordt gestart met hetbeoordelen van objectieve documenten ter ondersteuning van hetasielrelaas. Indien dergelijke documenten ontbreken wordt vervolgens de1Kamerstukken II, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 3211. kst-19637-3612ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 36121 geloofwaardigheidsbeoordeling uitgevoerd aan de hand van de vijfcumulatieve voorwaarden die voortvloeien uit artikel 31, lid zes Vw. Metdeze wijziging sluit de geloofwaardigheidsbeoordeling meer aan bij determinologie en de bedoeling van het EU-kader en artikel 31 Vw, wordt deindividuele beoordeling weer meer voorop gesteld, waarbij de bewijslastweer meer bij de vreemdeling is neergelegd, wordt een preciezeretoepassing van de vijf cumulatieve voorwaarden bewerkstelligd en alsgevolg daarvan het Nederlandse besliskader meer in lijn gebracht met depraktijk in andere lidstaten en de EU-regelgeving.Gelijktijdig met deze wijziging is het nieuwe groepenbeleid in werkinggetreden. Ook voor de volledige beschrijving van deze wijziging verwijs iku naar voornoemde brief van mijn ambtsvoorganger. De voornaamstewijziging is dat er is afgestapt van het oude risicogroepen en kwetsbareminderheidsgroepen beleid en de lagere bewijslast die daaraan wasverbonden. Niet voor elke groep en voor alle leden binnen een groep ishet risico immers gelijk en dus was een meer individuele beoordeling opzijn plaats. In de plaats daarvan wordt er met het nieuwe risicoprofielenbeleid geen beleidsmatig voordeel toegekend aan deze groepen enfungeert deze aanwijzing slechts als uitroepteken bij landeninformatieover een groep voor de beslispraktijk. Met een risicoprofiel wordtbeleidsmatig duiding gegeven aan de veiligheidssituatie én de positie vangroepen in een herkomstland en biedt tegelijkertijd de IND uitvoering deruimte voor een meer individuele beoordeling.Hiermee is beoogd de individuele omstandigheden en de daarmeegepaard gaande vrees voor vervolging van individuele leden van groepenweer een prominente rol te geven in de beoordeling en daarmee hetNederlandse besliskader meer in overeenstemming te brengen metEU-regelgeving. Voorts is beoogd aansluiting te zoeken bij de werkwijzemet profielen zoals deze ook gebruikt wordt door verschillendeEU-lidstaten en het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA).Reactie geloofwaardigheidsbeoordelingDe medewerkers van de IND beoordelen de nieuwe werkwijze voor degeloofwaardigheidsbeoordeling volgens de onderzoekers over hetalgemeen positief. Het biedt volgens de medewerkers richtinggevendehandvatten en heeft het er onder andere toe geleid dat de beoordelingmeer gestructureerd en logischer kan worden uitgevoerd. Hierdoorkunnen zij goed onderbouwde en gestructureerde voornemens enbesluiten nemen. Bij sommige medewerkers van de IND werd de wijzewaarop de referentiekaders van de aanvragers betrokken moeten worden,echter als knelpunt ervaren. Ook zijn er soms interpretatie verschillen vande cumulatieve voorwaarden zichtbaar tussen locaties en medewerkers.Dit leidde echter niet tot verschillende uitkomsten maar wel tot uiteenlo-pende motiveringen in zaken.Ik ben blij dat de IND over het algemeen positief is over de gewijzigdegeloofwaardigheidsbeoordeling. Het is goed dat de medewerkers debeslisruimte en de nuance die binnen het nieuwe kader bestaan goedweten te gebruiken. Juist daarom kan meer recht gedaan worden aan debeoordeling in de individuele zaak. De kritiek van de advocatuur dat ersprake is van wisselende kwaliteit omdat er nu teveel beslisruimte iswaardoor ogenschijnlijk gelijke zaken wisselende uitkomsten kennen,herken ik dan ook niet.Ten aanzien van het ervaren knelpunt met betrekking tot de wijze waaropreferentiekaders van aanvragers betrokken moeten worden, geldt hetvolgende. Het voornaamste is dat de referentiekaders op de juiste manierTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 36122 en zichtbaar worden betrokken in de besluitvorming. Dat wil zeggen dat inhet kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling op juiste wijze reken-schap wordt gegeven van o.a. de leeftijd, het geslacht, de opleiding, hetland/gebied van herkomst en/of de cultuur van de aanvrager. Al dezeaspecten kunnen een rol spelen in wat in zijn algemeenheid verlangd magworden van de aanvrager. In sommige gevallen vinden medewerkers hetmoeilijk referentiekaders van de vreemdeling te wegen, met name als ermedische of psychologische problematiek speelt. Het is goed tebenadrukken dat het individuele referentiekader van de vreemdelingweliswaar een meer expliciete plek heeft gekregen in de nieuwe geloof-waardigheidsbeoordeling, maar dat het betrekken van het referentiekaderook daarvoor al vast onderdeel uitmaakte van de beoordeling. Dezeknelpunten zijn dan ook niet nieuw. De IND pleegt daarom blijvende inzetom hun medewerkers wegwijs te maken in het betrekken en wegen vanhet referentiekader. Dit gebeurt in verschillende interne overleggen en aande hand van actuele jurisprudentie.Ten aanzien van de verschillende interpretaties van de cumulatievevoorwaarden tussen locaties en medewerkers moet benadrukt worden datgeen zaak gelijk is en dat de omstandigheden van de individuele zaakvorm geven aan de beoordeling. Het is goed dat er beslisruimte is voormedewerkers, zodat tot een beslissing gekomen kan worden die rechtdoet aan specifieke omstandigheden van de individuele zaak. Dat laatonverlet dat er eenduidigheid moet bestaan over de kaders en de invullingvan de voorwaarden in de beslispraktijk. Hierbij is echter ook van belangdat het een nieuwe werkwijze betreft en dat de precieze uitwerking van dekaders nog uitgekristalliseerd moet worden in de jurisprudentie. De INDhoudt de ontwikkelingen op dat gebied nauwlettend in de gaten en spantzich in om verschillen in interpretatie, waar die bestaan, te verhelpen.Vertegenwoordigers van de doelgroep menen volgens de onderzoekersdat de nieuwe werkwijze geen positieve impact heeft. Zij stellen dat er eenverschuiving in de samenwerkingsplicht heeft plaats gevonden met eenverhoogde bewijslast voor de aanvrager ingevolge de nadruk op deobjectieve bewijsstukken. Ook wordt er volgens hen onvoldoenderekenschap gegeven van de referentiekaders van betrokkenen enontbreekt een integrale weging. Voorts stellen de vertegenwoordigers vande doelgroep dat er sprake is van een wisselende kwaliteit van besluitenen meer afwijzingen.De stellingname van vertegenwoordigers van de doelgroep dat desamenwerkingsplicht is veranderd en de bewijslast zwaarder is gewordenvoor de aanvrager berust op de nadruk die er in het nieuwe kader wordtgelegd op objectieve bewijsstukken. Omdat het niet in alle gevallenmogelijk is voor de aanvragers om dergelijke bewijsstukken te overleggenleidt dit voor hen tot verhoogde druk, zo stellen de vertegenwoordigers.Hoewel met deze wijziging is beoogd de bewijslastverdeling meer in lijnte brengen met het geldende EU-kader, acht ik het van belang om tebenadrukken dat het niet beschikken over objectieve bewijsmiddelen indeze beoordeling niet op zichzelf leidt tot een negatief besluit. Wel is devraag relevant of de aanvrager daadwerkelijk inspanningen heeft verrichtom alle relevante stukken over te dragen. De vreemdeling kan het relaasook zonder het overleggen van bewijsmaterialen aannemelijk maken. Ervindt in dat geval een voortzetting plaats van de beoordeling op basis vande eerder genoemde cumulatieve voorwaarden. Daarmee wordt rekeninggehouden met de lastige bewijspositie waarin vluchtelingen kunnenverkeren. Als onderdeel van deze fase van de beoordeling kunnen ookbewijsstukken zoals kopieën en informele en indicatieve bewijsstukken bijde beoordeling worden betrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 36123 Het ontbreken van een integrale weging wordt door de vertegenwoor-digers van de doelgroep als knelpunt gezien. In de oude werkwijze haddeze integrale geloofwaardigheidsbeoordeling in de praktijk tot gevolg datde IND het asielrelaas teveel opknipte in kleinere relevant geachteelementen, die vervolgens elk apart op geloofwaardigheid werdenbeoordeeld. Ook indien een relaas op meerdere punten ongeloofwaardigwas bevonden beoordeelde en motiveerde de uitvoeringspraktijk elkafzonderlijk benoemd relevant element van het relaas op zichzelf én insamenhang. Het EU recht eist een dergelijke gedetailleerde en opgekniptebeoordeling niet. De aanpassing hiervan is een doelbewust onderdeelgeweest van de wijziging in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Met degewijzigde geloofwaardigheidsbeoordeling is de nadruk komen te liggenop de beoordeling van breder geformuleerde asielmotieven aan de handvan de cumulatieve voorwaarden van de Kwalificatierichtlijn. Met dezewerkwijze worden alle feiten en omstandigheden betrokken in debeoordeling en wordt er recht gedaan aan de omstandigheden van deindividuele zaak en de relevante elementen die bij de beoordelingbetrokken moeten worden.De vertegenwoordigers ervaren voorts dat er kortere en snellere besluitengenomen worden vanwege een toegenomen focus op snelheid enproductie. Dit wordt dezerzijds, specifiek in relatie tot de toets aan degeloofwaardigheid, niet herkend. Het leerproces en de implementatie vandeze nieuwe werkwijze heeft er volgens de IND initieel juist toe geleid dater iets meer tijd nodig was in de besluitvorming. Er is dan ook geensprake van een doelstelling om zaken met deze nieuwe werkwijze snelleraf te doen. Wel is het zo dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordelingenige tijdswinst oplevert wanneer medewerkers er meer ervaring meehebben opgedaan.De onderzoekers concluderen dat ten aanzien van de nieuwe geloofwaar-digheidsbeoordeling, monitoring van de in het rapport genoemde puntenen ervaren mogelijke onbedoelde effecten op zijn plaats is. Ingrijpen isvolgens hen op dit moment echter niet nodig. Gelet op de bevindingen inhet rapport volg ik dit. De wijze waarop referentiekaders wordenbetrokken in voornemens en besluiten zullen desalniettemin nadrukkelijkmijn aandacht behouden.Reactie risicoprofielenTen aanzien van de risicoprofielen lijken er twee parallelle opvattingen tebestaan bij IND medewerkers. Enerzijds stellen zij dat de afschaffing vanhet oude risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen beleid alspositief wordt ervaren. De nieuwe werkwijze met risicoprofielen wordt ookals eerlijker ervaren door IND medewerkers, omdat de volledig individuelebeoordeling meer recht doet aan de individuele vreemdeling. Gebleken isdat meeste hoor- en beslismedewerkers en de pleiters van JZ over hetalgemeen uit de voeten kunnen met de toepassing van de risicoprofielen.Anderzijds stellen IND hoor- en beslismedewerkers dat er weinigtoegevoegde waarde wordt ervaren in het gebruik van een risicoprofiel alser toch al een individuele beoordeling plaatsvindt. Onder meer door eenbeperkte hoeveelheid informatie is het daarbij lastig te bepalen inhoeverre iemand een groter risico loopt, zo menen zij. Dit wordt nietherkend door pleiters bij de IND. Zij lijken geen noemenswaardige moeitete hebben met de risicoprofielen. Ook lijken de pleiters naar eigen zeggenover voldoende informatiebronnen te beschikken.De vertegenwoordigers van de doelgroep vinden het in theorie goed dater individueler wordt getoetst maar hebben in de praktijk geen positieveTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 36124 impact van de risicoprofielen gezien. Ook zij stellen dat het op dit momentonduidelijk is welke meerwaarde het risicoprofiel heeft in de beoordeling.Daarnaast is er kritiek van de vertegenwoordigers dat landeninformatieonvoldoende in de beoordeling wordt meegenomen.De vragen bij de huidige meerwaarde van risicoprofielen in de beoor-deling zijn begrijpelijk in zoverre dat er voorheen een situatie was(gegroeid) waarin er een grotere beleidsmatige meerwaarde uitging vanhet groepenbeleid. In zowel het risicogroepen als het kwetsbare minder-heidsgroepenbeleid gold er voorheen een lichtere toets in de vorm vangeringe en beperkte indicaties. De vreemdeling hoefde individueel minderaannemelijk te maken. Met de introductie van de risicoprofielen is erechter doelbewust van deze lichtere toets afgestapt en gekozen voor eenvolledig individuele beoordeling. Het feit dat niet langer diezelfdebeleidsmatige meerwaarde wordt herkend door zowel de hoor- enbeslismedewerkers als de vertegenwoordigers van de doelgroep is danook juist wat was beoogd met de opzet van de risicoprofielen. Eenrisicoprofiel fungeert slechts als uitroepteken voor de beslispraktijk. Hetheeft een signalerende functie en betreft de constatering op basis van delandeninformatie, in de regel het ambtsbericht, dat een bepaald profiel inalgemene zin een bepaalde mate van risico kan lopen in een bepaald landvan herkomst. Vervolgens dient op basis van het persoonlijke profiel ende persoonlijke activiteiten van de aanvrager binnen de groep, incombinatie met landeninformatie, beoordeeld te worden of sprake is vaneen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstigeschade. Dit maakt het belang van juiste, duidelijke, actuele en toeganke-lijke landeninformatie des te groter.Ten slotte noemen de vertegenwoordigers van de doelgroep het feit dathet risicogroepenbeleid leidt tot meer afwijzingen. Dit wordt door hen ookgenoemd in relatie tot de geloofwaardigheidsbeoordeling. Ten aanzienvan toegenomen afwijzingen kan niet zonder meer gesteld worden dat ersprake is van een causaal verband met de introductie van risicoprofielenof met de gewijzigde geloofwaardigheidsbeoordeling. De gemiddeldeuitkomst van asielaanvragen wordt immers gevormd door eensamenhang van allerlei relevante factoren, zoals de samenstelling van deinstroom, de actuele situatie in landen van herkomst en de individueleomstandigheden van de vreemdeling. Het is daarom niet mogelijk omsluitende conclusies te verbinden aan de impact van de nieuwe geloof-waardigheidsbeoordeling in relatie tot het aantal inwilligingen ofafwijzingen.De onderzoekers concluderen dat ten aanzien van de risicoprofielen eenaanpassing gewenst kan zijn. Op dit moment zie ik echter geen aanleidingde systematiek van de risicoprofielen wezenlijk te wijzigen aangezien degenoemde punten grotendeels inherent zijn aan de gekozen inrichting vande risicoprofielen en daar bewust onderdeel van zijn. Gelet op dekritiekpunten van zowel de vertegenwoordigers van de doelgroep als dehoor- en beslismedewerkers ten aanzien van de toepassing van delandeninformatie, zal in samenspraak met de IND wel bezien worden hoede relevante landeninformatie nog beter aangeboden kan worden aan dehoor- en beslismedewerkers. De IND heeft het afgelopen jaar reeds eenbegin gemaakt met het duidelijker meegeven aan beslissers op welkelandeninformatie in het bijzonder moet worden gelet bij de beoordelingvan bepaalde risicoprofielen en hoe deze informatie betrokken dient teworden in de besluitvorming. Deze inzet zal worden voortgezet en waarnodig verder worden uitgebreid.De Minister van Asiel en Migratie,G. van den BrinkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 36125
Gerelateerde bronnen
- De minister zegt toe de nieuwe werkinstructie van de IND met betrekking tot de beoordeling van de geloofwaardigheid een jaar na de invoering te evalueren en de
De minister zegt toe de nieuwe werkinstructie van de IND met betrekking tot de beoordeling van de geloofwaardigheid een jaar na de invoering te evalueren en de Kamer te informeren over de uitkomsten daarvan.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.