Nota van wijziging
Brontekst
Versie 430799a07638de8f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 577Wijziging van de Wet hersteloperatie toeslagenen van de Wet aanvullende regelingenhersteloperatie toeslagen, houdendeaanpassingen in de hersteloperatie toeslagenvan bepaalde termijnen, van de peildatum voorbrede ondersteuning voor gedupeerden in hetbuitenland en van de nabestaandenregeling (Wetaanpassing termijnen en nabestaandenregelinghersteloperatie toeslagen)Nr. 9 NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 11 september 2024 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:1Voor artikel I, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:0AIn artikel 1.1 wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbe-paling ingevoegd:overleden kind: een kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat isoverleden voordat aan hem een tegemoetkoming als bedoeld in afdeling2.2 is toegekend en van wie aannemelijk is dat aan hem die tegemoet-koming zou zijn toegekend indien:a. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoet-koming ambtshalve zou zijn toegekend;b. hij nog in leven zou zijn geweest op het moment dat de tegemoet-koming zou zijn toegekend naar aanleiding van diens aanvraag daartoe; ofc. hij daartoe een aanvraag zou hebben gedaan en hij is overledenvoordat de aanvraagtermijn, bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, isverlopen;.2Na artikel I, onderdeel B, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:BaArtikel 2.14b vervalt. kst-36577-9ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 91 3Na artikel I, onderdeel G, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:GaArtikel 2.21 wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid wordt «ouder dan 18 jaar» vervangen door «van 18jaar of ouder».2. Aan het vierde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Het plan vanaanpak wordt opgesteld binnen acht weken na het eerste gesprek waarinde hulpvraag voor brede ondersteuning is vastgesteld, tussen die persoonen het college van burgemeester en wethouders.3. Na het vierde lid worden twee leden ingevoegd, luidende:4a. Indien de hulpvraag een of meer materiële voorzieningen betreft,worden die voorzieningen uitsluitend toegekend indien die naar hetoordeel van het college van burgemeester en wethouders noodzakelijkzijn voor het maken van een nieuwe start in het kader van herstel. Detoekenning van die voorzieningen vindt plaats binnen zes maanden na heteerste gesprek.4b. Het college van burgemeester en wethouders beëindigt de bredeondersteuning ten behoeve van een persoon als bedoeld in het eerste oftweede lid, indien die persoon naar het oordeel van dat college eennieuwe start in het kader van herstel heeft kunnen maken, maar uiterlijktwee jaar na het eerste gesprek.4Artikel I, onderdeel Q, wordt als volgt gewijzigd:a. In het tweede subonderdeel, onder a, wordt na «In onderdeel a»ingevoegd «vervalt «, bedoeld in artikel 2.14b,» en».b. In het tweede subonderdeel, onder b, wordt na «In onderdeel b»ingevoegd «vervalt «, bedoeld in artikel 2.14b» en».c. Het derde subonderdeel komt te luiden:3. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:2. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in deartikelen 2.14c, 2.14d of 2.14e ingediend tot zes maanden na de dagte-kening van de beschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel alsbedoeld in artikel 2.7 door de partner, het kind, onderscheidenlijk de oudervan een overleden kind van wie aannemelijk is dat het in aanmerkinggekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkoming op grond vande artikelen 2.10 of 2.11, indien:a. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024; enb. het overleden kind is overleden voorafgaand aan de datum vandagtekening van die beschikking.3. In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag als bedoeld in deartikelen 2.14c, 2.14d of 2.14e ingediend tot zes maanden na de dagte-kening van de beschikking tot het toekennen van compensatie als bedoeldin artikel 2.14h, eerste lid, door de partner, het kind, onderscheidenlijk deouder van een overleden kind van wie aannemelijk is dat het inaanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van een tegemoetkomingop grond van de artikelen 2.11a of 2.11b, indien:a. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024; enb. het overleden kind is overleden voorafgaand aan de datum vandagtekening van die beschikking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 92 5Artikel I, onderdeel S, komt te luiden:SIn artikel 6.2, eerste lid, wordt «2.14h, eerste lid,» vervangen door«2.14h, eerste of derde lid,».6Artikel I, onderdeel T, wordt als volgt gewijzigd:a. Het tweede subonderdeel komt te luiden:2. Onder vernummering van het derde lid tot vijfde lid worden tweeleden ingevoegd, luidende:3. In afwijking van het eerste en tweede lid besluit de Dienst Toeslagenop een aanvraag als bedoeld in artikel 2.14c, eerste lid, binnen een termijnvan zes maanden na dagtekening van de beschikking tot het toepassenvan een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7, indien het eenaanvraag betreft van de partner van een overleden kind van wie aanne-melijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van eentegemoetkoming op grond van de artikelen 2.10 of 2.11, indien:a. die aanvraag is gedaan voorafgaand aan de datum van dagtekeningvan die beschikking; enb. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024.4. In afwijking van het eerste en tweede lid besluit de Dienst Toeslagenop een aanvraag als bedoeld in artikel 2.14c, eerste lid, binnen een termijnvan zes maanden na dagtekening van de beschikking tot het toekennenvan compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, indien het eenaanvraag betreft van de partner van een overleden kind van wie aanne-melijk is dat het in aanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van eentegemoetkoming op grond van de artikelen 2.11a of 2.11b, indien:a. die aanvraag is gedaan voorafgaand aan de datum van dagtekeningvan die beschikking; enb. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024.b. In het derde subonderdeel wordt «vierde lid (nieuw)» vervangen door«vijfde lid (nieuw)».7Artikel I, onderdeel EE, wordt als volgt gewijzigd:a. In de aanhef wordt «worden twee artikelen» vervangen door «wordteen artikel».b. Het voorgestelde artikel 8.9 vervalt, onder vernummering van hetvoorgestelde artikel 8.10 tot 8.9.c. Het opschrift van het voorgestelde artikel 8.9 (nieuw) komt te luiden:Artikel 8.9 Overgangsrecht verlenging bezwaartermijn enaanvang beslistermijn op bezwaar.8Na artikel EE wordt een artikel ingevoegd, luidende:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 93 EEaAan afdeling 8.2 wordt een artikel toegevoegd, luidende:Artikel 8.10 Overgangsrecht introductie termijnen voor verlenenvan brede ondersteuning door gemeenten1. Indien voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeelGa, van de Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling herstel-operatie toeslagen het eerste gesprek waarin de hulpvraag voor bredeondersteuning is vastgesteld tussen een persoon als bedoeld in artikel2.21, eerste lid, en het college van burgemeester en wethouders heeftplaatsgevonden, maar nog geen plan van aanpak is opgesteld, geldt, inafwijking van artikel 2.21, vierde lid, tweede zin, lid 4a en lid 4b, dat:a. het plan van aanpak wordt opgesteld binnen acht weken na diedatum;b. materiële voorzieningen worden toegekend binnen zes maanden nadie datum;c. het college van burgemeester en wethouders de brede ondersteuningbeëindigt uiterlijk twee jaar na die datum.2. Indien voor de datum van inwerkingtreding van artikel I, onderdeelGa, van de Wet aanpassing termijnen en nabestaandenregeling herstel-operatie toeslagen, een plan van aanpak als bedoeld in artikel 2.21, vierdelid, is opgesteld, geldt, in afwijking van artikel 2.21, lid 4a en lid 4b, dat:a. materiële voorzieningen worden toegekend binnen zes maanden nadie datum;b. het college van burgemeester en wethouder de brede ondersteuningbeëindigt uiterlijk twee jaar na die datum.9In artikel III wordt, onder verlettering van onderdeel d tot onderdeel e,een onderdeel ingevoegd, luidende:d. artikel I, onderdeel Q, tot en met 22 april 2024;.Toelichting I. Algemene toelichting In deze nota van wijziging wordt naast drie inhoudelijke wijzigingen vande Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) ook een technische omissiehersteld. Deze wordt in de onderdeelsgewijze toelichting nader toegelicht.De inhoudelijke wijzigingen betreffen de volgende aanpassingen:Geen aanpassing beslistermijn aanvullende compensatie voor dewerkelijke schadeIn het wetsvoorstel werd voorgesteld om de beslistermijnen opaanvragen voor aanvullende compensatie van werkelijke schade vanaanvragers van kinderopvangtoeslag en in de toekomst ex-partners teverlengen. Deze nota van wijziging past het wetsvoorstel aan zodat debeslistermijn op aanvragen voor aanvullende compensatie voor dewerkelijke schade van aanvragers van kinderopvangtoeslag enex-partners ongewijzigd blijft. Dat wil zeggen een beslistermijn van zesmaanden, met de mogelijkheid om deze te verlengen met maximaal zesmaanden. Op 16 juli 2024 is er een dienstverleningsovereenkomstgesloten met de Stichting (Gelijk)waardig Herstel (SGH), waarmee eengrote groep gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag demogelijkheid heeft gekregen om op vereenvoudigde wijze aanvullendecompensatie te krijgen voor werkelijke schade. Mede om de druk op deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 94 Commissie aanvullende schadevergoeding werkelijke schade(CWS)verder te verlichten wordt momenteel gewerkt aan opschaling vande Regieroute VSO en worden voorbereidingen getroffen voor deintroductie van een digitale schaderoute. De verwachting is dat een grootdeel van de ouders die nu nog in de wachtrij staan bij de CWS, of oudersdie zich daar in de toekomst zouden hebben aangemeld, niet meer doorde CWS maar via de alternatieve schaderoute, uitgevoerd door SGH,geholpen zal worden om hun financieel herstel af te ronden. Daarmee zalde druk op de CWS aanzienlijk afnemen, al blijft er een aanzienlijke groepouders over die (nog) niet de route van de SGH kunnen of willenbewandelen. Tegelijkertijd blijft het kabinet volop inzetten op hetversnellen van de afhandeling door de CWS. Er blijft immers nog steedseen groep ouders die ervoor zal kiezen om hun aanvraag voor aanvul-lende compensatie voor de werkelijke schade via de CWS te latenafhandelen. Ook heeft de CWS een plan van aanpak opgesteld. Dat planvan aanpak bestaat uit personele opschaling, een efficiënter proces eneenvoudiger en ruimhartige beleid met meer empathische bejegening vande ouders.1 Met de grote stappen die met de opschaling van deSGH-route, de opschaling van de Regieroute VSO en de ontwikkeling vande digitale schaderoute zijn gezet om de druk op de CWS te verlichten, deaanpassing van het schadekader en de werkwijze van de CWS en devoortdurende inzet om de afhandeling bij de CWS verder te versnellen,vindt het kabinet noodzakelijk noch wenselijk om de beslistermijn opaanvragen voor aanvullende compensatie voor de werkelijke schade aante passen. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de eerstepagina’s van de nota naar aanleiding van het verslag, die gezamenlijk metdeze nota van wijziging aan u toekomt.Aanpassing aanvraag- en beslistermijn nabestaanden vanoverleden kinderenIn het wetsvoorstel wordt een aanpassing voorgesteld van de aanvraag-en beslistermijnen voor de regeling voor nabestaanden van overledenkinderen2 in de Wht. Die aanpassing heeft betrekking op overledenkinderen van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag. Devoorgestelde aanpassing kan echter niet worden toegepast in de situatiedat het een overleden kind van een ex-partner van de gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag betreft. Dit is wel de bedoeling. Dezenota van wijziging wijzigt daarom het in het wetsvoorstel opgenomenvoorstel tot aanpassing van de aanvraag- en beslistermijn, rekeninghoudend met de situatie waarin sprake is van een overleden kind van eenex-partner. Deze wijzigingen worden voorgesteld omdat een nabestaandevan een overleden kind pas kan weten of er sprake is van een kind datonder de kindregeling gevallen zou zijn indien het niet was overleden, alsvastgesteld is dat er sprake is van een gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag of van een ex-partner die in aanmerking komt voorde ex-partner-regeling. Die vaststelling heeft nog niet in alle gevallenplaatsgevonden, waardoor de huidige aanvraagtermijn ontoereikend is.Bij het opstellen van de regeling voor nabestaanden van overledenkinderen was beoogd dat nabestaanden een half jaar de tijd zouden1De CWS heeft een nieuw schadekader ontwikkeld en een nieuwe werkwijze. Op 1 juli jongst-leden heeft de CWS «De werkwijze en het schadekader van de Commissie Werkelijke Schade»gepubliceerd op de website.2Indien in deze toelichting wordt gesproken over een overleden kind, wordt ook een overleden(voormalig) pleegkind bedoeld, dat onder de reikwijdte van de kindregeling gevallen zou zijnindien het niet was overleden. Ook wordt hiermee bedoeld het overleden kind of (voormalig)pleegkind van de partner van de gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag dat onder dereikwijdte van de kindregeling gevallen zou zijn indien het niet was overleden. Hiervan kanuitsluitend sprake zijn indien die partner tevens de partner was van de aanvrager van kinderop-vangtoeslag op 26 januari 2021 (artikelen 2.10 en 2.11 Wht).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 95 hebben om een aanvraag te doen voor die regeling.3 Met de in deze notavan wijziging opgenomen wijzigingen van het wetsvoorstel wordtbewerkstelligd dat nabestaanden van overleden kinderen die tijd alsnogkrijgen. Een nabestaande kan de aanvraag doen tot zes maanden nadatbepaald kan worden dat het aannemelijk is dat het kind dat is overledenbij leven in aanmerking gekomen zou zijn voor de kindregeling. Daartoewordt voorgesteld aan te sluiten bij de beschikking die vaststelt dat deaanvrager van kinderopvangtoeslag gedupeerd is onderscheidenlijk datde voormalig partner voldoet aan de criteria om te worden aangemerktals ex-partner. Dan is immers pas duidelijk dat het kind van die aanvragervan kinderopvangtoeslag of van diens partner onderscheidenlijk van diensex-partner bij leven in aanmerking gekomen zou zijn voor de kindregelingen daarmee of de nabestaande in aanmerking kan komen voor definanciële tegemoetkoming op grond van de regeling voor nabestaandenvan overleden kinderen.Op dit moment geldt een aanvraagtermijn die loopt tot:1. zes maanden na 22 april 2024 (de datum van inwerkingtreding van deregeling voor nabestaanden van overleden kinderen4) indien hetoverleden kind is overleden voor of op die datum; of2. zes maanden na de datum van overlijden van het overleden kindindien het kind is overleden na 22 april 2024.In aanvulling op deze aanvraagtermijnen wordt een afwijking vanbovengenoemde hoofdregels voorgesteld voor de situatie waarin op22 april 2024 nog geen gedupeerdheid van de aanvrager van kinderop-vangtoeslag is vastgesteld of nog geen toekenning heeft plaatsgevondenaan de ex-partner van € 10.000 indien het kind is overleden vóór dedagtekening van de desbetreffende beschikking. Voorgesteld wordt dat indie situatie een aanvraag kan worden ingediend tot zes maanden na dedagtekening van de desbetreffende beschikking.Voorts wordt met de aanpassingen in deze nota van wijziging bewerk-stelligd dat ook met betrekking tot de beslistermijn voor de DienstToeslagen op een aanvraag door de nabestaande partner van eenoverleden kind van een ex-partner een verruiming wordt voorgesteldconform de verruiming die al is opgenomen in het wetsvoorstel voor denabestaande partner van een overleden kind van een gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag. Dat ziet op de situatie waarin al eenaanvraag is gedaan door de partner van een kind dat is overleden voordatkan worden vastgesteld of het aannemelijk is dat het kind dat is overledenbij leven in aanmerking gekomen zou zijn voor de kindregeling.Aanpassing brede ondersteuning in verband met introductietermijnenOuders die zich hebben aangemeld bij de Dienst Toeslagen als mogelijkgedupeerde, hebben meer nodig dan financieel herstel alleen. Zij hebbenbijvoorbeeld ook hulp nodig op het gebied van het zoeken naar passendwerk en bij het oplossen van schulden of begeleiding bij gezondheidspro-blemen. Gemeenten staan het dichtst bij hun inwoners en hebbendaarnaast ruime ervaring met ondersteuning van hun inwoners in hetsociaal domein. Dat is destijds de reden geweest om het college vanburgemeester en wethouders (het college) de bevoegdheid te geven ompersonen die zijn getroffen door de toeslagenproblematiek bredeondersteuning te bieden. Op dit moment komen desgewenst voor bredeondersteuning in aanmerking aanvragers van kinderopvangtoeslag die3Kamerstukken II 2022/23, 36 352, nr. 3, p.29–32.4Stb. 2024, 99.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 96 een aanvraag voor een herstelmaatregel hebben ingediend, (pleeg)kin-deren die in aanmerking komen voor de kindregeling en ex-partners aanwie het bedrag van € 10.000 is toegekend (hierna ex-toeslagpartners5).Ook nabestaanden van overleden gedupeerde aanvragers van kinderop-vangtoeslag die na inwerkingtreding van de regeling voor nabestaandenvan overleden aanvragers in aanmerking komen voor die regeling, komenin aanmerking voor brede ondersteuning. De brede ondersteuning wordtook verleend ten behoeve van het gezin van genoemde personen en tenbehoeve van het thuiswonende (pleeg)kind ouder dan 18 jaar vangenoemde personen of van hun partner. Een ieder die in aanmerkingkomt voor brede ondersteuning wordt hierna rechthebbende genoemd.Deze ondersteuning wordt verleend op basis van een plan van aanpak datis gericht op het bevorderen van een nieuwe start in het kader van hetherstel na de toeslagenproblematiek dat met de aanvrager van dekinderopvangtoeslag, het kind, de ex-toeslagpartner of de nabestaandepartner of kind6 is opgesteld.Het eerste gesprek waarin de hulpvraag wordt vastgesteld tussen dehiervoor genoemde personen en het college, vindt plaats binnen eenredelijke termijn. Daarna wordt een plan van aanpak opgesteld. Dit planheeft betrekking op de vijf leefgebieden: financiën, gezin, werk, wonen enzorg, en is gericht op het mogelijk maken van een nieuwe start na detoeslagenproblematiek. De ondersteuning aan (mogelijk) rechthebbendenis dus toekomstgericht.In praktische zin betekent de brede ondersteuning kortgezegd quadoelstelling het volgende.Financiën: dit betekent financieel vaardig zijn, in staat zijn om eenduurzaam financieel gezonde huishouding te voeren. Iemand beschiktover de vaardigheden om inkomsten en uitgaven in balans te houden.Gezin: gericht op samenleven en opgroeien in een veilige omgevingwaarbinnen kinderen zich kunnen ontwikkelen.Werk: gericht op minimaal de beschikking hebben over een startkwalifi-catie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces.Wonen: gericht op het realiseren van een veilige en betaalbare plek omte wonen, een passende woning.Zorg: ziet op welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.Waar er duidelijke verschillen zitten tussen de doelstellingen envoorwaarden van de reguliere ondersteuning in het sociaal domein en debrede ondersteuning in de hersteloperatie toeslagen, sluiten werkwijzenwel op elkaar aan. De brede ondersteuning in het kader van de herstelope-ratie toeslagen is per definitie tijdelijk. Het stelt de gemeente in staat omsnel en gericht richting rechthebbenden te kunnen handelen.5Dat wil zeggen een voormalig partner van een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslagdie voldoet aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 2.14g Wht om aangemerkt te worden alsex-partner in de zin van die wet.6Dat zijn de personen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, onderdelen a tot en met c, Wht, en nainwerkingtreding van de nabestaandenregeling de personen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid,onderdelen a tot en met e, Wht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 97 Brede ondersteuning onder drukIn de afgelopen jaren is gebleken dat brede ondersteuning voor oudersen kinderen essentieel is voor hun herstel en om een nieuwe start tekunnen maken. Echter, doordat veel meer mensen zich als (potentieel)gedupeerde hebben aangemeld bij de Dienst Toeslagen en het proces vanfinancieel herstel langer duurt dan bij de start van de brede ondersteuningin 2020 was voorzien, is er grote druk op gemeenten ontstaan. Verdermerken gemeenten op dat zij niet toekomen aan de echte hulpvraag,doordat het gesprek vaak gaat over materiële voorzieningen. Daardoorkrijgen niet alle rechthebbenden tijdig de hulp die ze nodig hebben enblijven zij hierdoor lang in onzekerheid over wat zij mogen verwachtenvan hun gemeenten. Rechthebbenden geven aan behoefte te hebben aanduidelijkheid over de opbouw en looptijd van de brede ondersteuning.Brede ondersteuning blijft hulp op maat voor de rechthebbenden.Inherent aan maatwerk is dat er bepaalde verschillen in ondersteuningblijven bestaan, ook tussen gemeenten onderling, omdat de situatie enbehoefte van iedereen die in aanmerking komt voor brede ondersteuninganders is.Gelet op deze ervaringen is het afgelopen kwartaal in samenwerkingmet ouders, gemeenten, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten(VNG), stakeholders, en de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgele-genheid en Financiën verkend wat de belangrijkste knelpunten zijn en hoede brede ondersteuning voor rechthebbenden duurzaam verbeterd kanworden.7Introductie van termijnen bij het bieden van brede ondersteuningHet college stelt een plan van aanpak op na het eerste gesprek van hetcollege met de ouder, het kind, de ex-partner dan wel de nabestaande,waarin de hulpvraag voor het verlenen van brede ondersteuning op de vijfleefgebieden is besproken en vastgesteld. Zij zullen door het college naafloop van dit eerste gesprek worden geïnformeerd dat het gesprek datkwalificeert als eerste gesprek heeft plaatsgevonden.Voorgesteld wordt om te regelen dat binnen acht weken na dat eerstegesprek het plan van aanpak wordt opgesteld. Deze termijn sluit aan bij deredelijke termijn zoals die op grond van de Algemene wet bestuursrechtwordt gehanteerd. Dit plan van aanpak vermeldt de datum waarop heteerste gesprek is gevoerd en kan in de eerste fase van de ondersteuningeen plan van aanpak op hoofdlijnen zijn. Immers, niet in alle gevallen zaltijdens het eerste gesprek alle benodigde informatie beschikbaar zijn omde hulp- en ondersteuningsbehoefte duidelijk te krijgen en een volledig enpassend plan van aanpak op te stellen.Voorgesteld wordt om duidelijkheid te bieden over de rol van materiëlevoorzieningen binnen de brede ondersteuning. Materiële voorzieningen inhet kader van brede ondersteuning worden alleen toegekend indien dezenaar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het maken van eennieuwe start. Zij worden niet verstrekt als compensatie voor geledenschade; daarvoor zijn andere routes beschikbaar. Het recht op bredeondersteuning staat niet gelijk aan een recht op een materiëlevoorziening. Het verstrekken van materiële zaken, zoals een laptop,huisraad of een fiets, kan passend zijn in de eerste fase van de bredeondersteuning indien dit noodzakelijk is om de hulpverlening te latenslagen en de doelen, zoals vastgelegd in het plan van aanpak, te behalen.7Kamerstukken II 2023/24, 31 066, 1390, bijlage Voortgangsrapportage Hersteloperatie Toeslagenjanuari – april 2024 (17e VGR), p.18–20.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 98 Voorgesteld wordt dat de beslissing om een materiële voorziening toe tekennen wordt genomen binnen zes maanden na het eerste gesprek. Hetcollege bepaalt (het is het «oordeel» van het college) wanneer materiëlevoorzieningen noodzakelijk zijn voor het kunnen maken van een nieuwestart. De noodzaak tot het verstrekken van de materiële voorziening wordtgemotiveerd vastgelegd in het plan van aanpak. De voorgestelde termijnvan zes maanden stelt het college in staat om de nood in (acute) situatieste verlichten en ruimte te bieden voor hulpverlening.De brede ondersteuning eindigt nadat de rechthebbende, na hetuitvoeren van het door de ouder, het kind, de ex-partner dan welnabestaande tezamen met het college opgestelde plan van aanpak, naarhet oordeel van het college een nieuwe start heeft kunnen maken in hetkader van herstel, maar uiterlijk twee jaar na het eerste gesprek. Determijn van twee jaar geldt voor het vaststellen van de aanspraken in hetkader van brede ondersteuning. De termijn vormt echter geen belem-mering voor de situatie dat voorzieningen die reeds aan de betrokkenezijn toegekend, op basis van het plan van aanpak langer doorlopen. Als debrede ondersteuning is afgerond, maar iemand heeft nog wél hulp nodig,staat de reguliere hulp en ondersteuning vanuit het gemeentelijk sociaaldomein – met de daarvoor geldende criteria en voorwaarden – open.Gemeenten zorgen voor een warme overdracht naar de desbetreffendereguliere hulpverlening als mensen dat nodig hebben.Het college kan in geval van onvoorziene en schrijnende situatiesafwijken van de wettelijke voorwaarden. Zij kunnen dan gebruik makenvan de mogelijkheid om de hardheidsclausule toe te passen.BudgettairHet aanpassen van de aanvraag- en beslistermijn voor nabestaandenvan overleden kinderen heeft geen budgettaire gevolgen omdat dedoelgroep reeds begroot was als onderdeel van de groep die recht heeftde kindregeling.De voorgestelde aanpassingen met betrekking tot de brede onder-steuning hebben geen budgettaire gevolgen. Het totale uitkeringsplafondvoor de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aangedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021 (€ 256 miljoeninclusief btw8) wordt niet gewijzigd als gevolg hiervan.UitvoeringsgevolgenHet aanpassen van de aanvraag- en beslistermijn voor nabestaandenvan overleden kinderen heeft geen effect op de beoogde doelgroep. Deaanpassing heeft daarmee geen invloed op de conclusies in de eerdereuitvoeringstoets.9De voorgestelde aanpassingen met betrekking tot de brede onder-steuning hebben beperkt gevolgen voor de Dienst Toeslagen (mogelijkextra contactverzoeken of hulpvragen voor het Brede Hulpteam van deDienst Toeslagen). Deze zijn naar verwachting op te vangen. Er is daaromgeen uitvoeringstoets door de Dienst Toeslagen opgesteld. De aanpas-singen betreffen een verbetering om de brede ondersteuning toekomstbe-stendig te maken. Daarmee zijn de aanpassingen uitvoerbaar voorgemeenten, mits de aanpassingen in werking treden aan het begin van8Stcrt. 2023, 30181.9Kamerstukken II 2022/23, 36 352, nr. 3, bijlage Uitvoeringstoetsen, pagina 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 99 een boekjaar. Het streven is inwerkingtreding op 1 januari 2025. Door deVNG is daarom afgezien van een uitvoeringstoets.II. Onderdeelsgewijze toelichting Onderdeel 1Artikel I, onderdeel 0A (Artikel 1.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel 2.14b Wht is een begripsbepaling opgenomen van het begripoverleden kind voor de toepassing van afdeling 2.2A Wht. Afdeling 2.2AWht heeft betrekking op de tegemoetkoming voor nabestaanden vanoverleden kinderen. Met de in deze nota van wijziging opgenomenaanpassing van het wetsvoorstel wordt voorgesteld om de begripsbe-paling «overleden kind» te verplaatsen van artikel 2.14b Wht naar debegripsbepalingen in artikel 1.1 Wht. De reden hiervoor is dat het begripoverleden kind op meerdere plaatsen in de Wht voorkomt. Aangezien opdit moment het begrip alleen van toepassing is in afdeling 2.2A, is eenverwijzing naar artikel 2.14b Wht noodzakelijk indien het begrip overledenkind buiten de genoemde afdeling wordt gebezigd. Dit komt niet tengoede aan de leesbaarheid en begrijpelijkheid van de desbetreffendebepalingen. Met de in deze nota van wijziging opgenomen aanpassingwordt de begripsbepaling van toepassing in de gehele Wht en is eenverwijzing naar artikel 2.14b Wht niet langer nodig. Er is geen sprake vaneen inhoudelijke wijziging.Onderdeel 2Artikel I, onderdeel Ba (Artikel 2.14b van de Wet hersteloperatie toeslagen)Nu ingevolge onderdeel 1 wordt voorgesteld de begripsbepaling vanhet begrip «overleden kind» op te nemen in artikel 1.1 Wht, wordt artikel2.14b Wht overbodig. Daarom wordt voorgesteld laatstgenoemd artikel telaten vervallen. De in onderdeel 2 opgenomen wijziging van hetwetsvoorstel strekt hiertoe.Onderdeel 3Artikel I, onderdeel Ga (Artikel 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen)In het wetsvoorstel wordt na onderdeel G een onderdeel ingevoegd(onderdeel Ga), dat een aantal aanpassingen van artikel 2.21 Whtvoorstelt. Artikel 2.21 Wht heeft betrekking op brede ondersteuning doorgemeenten in het kader van de hersteloperatie toeslagen.Op grond van artikel 2.21, tweede lid, Wht wordt brede ondersteuningonder meer verleend ten behoeve van het gezin van degene die inaanmerking komt voor brede ondersteuning op grond van artikel 2.21,eerste lid, Wht. Voor het begrip gezin is aangesloten bij artikel 4, eerstelid, onderdeel c, van de Participatiewet. Een kind van 18 jaar valt nietonder dat begrip. In artikel 2.21, tweede lid, Wht is voorts bepaald dat debrede ondersteuning wordt verleend ten behoeve van het thuiswonendekind of pleegkind van die rechthebbende dat ouder is dan 18 jaar. Een kindvan 18 jaar zou daarmee onbedoeld niet in aanmerking komen. Voorge-steld wordt deze omissie te herstellen door «ouder dan 18 jaar» tevervangen door «van 18 jaar of ouder».De overige in deze nota van wijziging opgenomen aanpassingen vanartikel 2.21 Wht hangen samen met het voorstel om een aantal termijnente introduceren in het proces rondom brede ondersteuning zoals hiervoorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 910 toegelicht in het algemeen deel van deze toelichting. Om te beginnenwordt voorgesteld een zin toe te voegen aan artikel 2.21, vierde lid, Wht,waarin wordt bepaald dat het plan van aanpak opgesteld dient te wordenbinnen acht weken na het zogenaamde eerste gesprek tussen deaanvrager van kinderopvangtoeslag (artikel 2.21, eerste lid, onderdeel a,Wht), het kind, pleegkind of voormalig pleegkind dat in aanmerking komtvoor een tegemoetkoming op grond van de kindregeling (artikel 2.21,eerste lid, onderdeel b, Wht) of een ex-partner die in aanmerking komtvoor de compensatie van € 10.000 en aan wie deze tegemoetkoming istoegekend (artikel 2.21, eerste lid, onderdeel c, Wht) en het college. Na deinwerkingtreding van de nabestaandenregeling (afdeling 2.1A Wht) zou ditook gelden voor de nabestaanden van overleden aanvragers vankinderopvangtoeslag (artikel 2.21, eerste lid, onderdelen d en e, Wht). Hethiervoor genoemde eerste gesprek is het eerste gesprek van degenoemde personen met het college waarin de hulpvraag voor bredeondersteuning is vastgesteld. Zij zullen door het college na afloop van diteerste gesprek worden geïnformeerd dat het gesprek dat kwalificeert alseerste gesprek heeft plaatsgevonden en dat het plan van aanpak dus doorhet college binnen acht weken na de datum van dat eerste gesprekopgesteld dient te worden.Het is mogelijk dat het toekennen van materiële voorzieningenonderdeel uitmaakt van de brede ondersteuning. Voorgesteld wordt inartikel 2.21, lid 4a, Wht te regelen dat in dat geval de toekenning plaats-vindt binnen zes maanden na het hiervoor genoemde eerste gesprek. Nadie zes maanden zouden dus geen materiële voorzieningen in het kadervan brede ondersteuning toegekend kunnen worden. De mogelijkheid omna die zes maanden materiële voorzieningen te verstrekken is er dan nogwel, mits deze verstrekkingen passen binnen het kader van de materiëlevoorzieningen die zijn toegekend. Daarnaast wordt voorgesteld teverduidelijken dat materiële voorzieningen uitsluitend worden toegekendals ze naar het oordeel van het college noodzakelijk zijn voor het makenvan een nieuwe start in het kader van herstel. Voorgesteld wordt dit teregelen in artikel 2.21, lid 4a, Wht, dat wordt ingevoegd na artikel 2.21,vierde lid, Wht. Er is voor gekozen om na artikel 2.21, vierde lid, Wht eenlid 4a in te voegen en niet te vernummeren, omdat een vernummering dekenbaarheid niet ten goede komt. Ook is er niet voor gekozen om eennieuw lid toe te voegen aan het slot van artikel 2.21 Wht, omdat de inhoudvan het voorgestelde artikel 2.21, lid 4a, Wht inhoudelijk logisch volgt opartikel 2.21, vierde lid, Wht dat betrekking heeft op het plan van aanpak.Dit mede in verband met het feit dat in beide leden de aldaar gesteldetermijn wordt gekoppeld aan het moment waarop het eerste gesprekplaatsvindt. Met betrekking tot de keuze om het voorgestelde artikel 2.21,lid 4b, Wht op de genoemde wijze in te voegen, geldt dezelfde onder-bouwing.Het voorgestelde artikel 2.21, lid 4b, Wht regelt dat het college de bredeondersteuning uiterlijk twee jaar na het hiervoor genoemde eerstegesprek beëindigt. Daarnaast wordt in dit voorgestelde nieuwe lidverduidelijkt dat het college de brede ondersteuning beëindigt indien derechthebbende naar het oordeel van het college een nieuwe start heeftkunnen maken in het kader van herstel. De periode van twee jaar na heteerste gesprek is dus de maximale periode waarin de brede onder-steuning in het kader van de hersteloperatie wordt verleend. Indien derechthebbende al eerder een nieuwe start in het kader van herstel heeftkunnen maken, is er geen grondslag meer voor de brede ondersteuning inhet kader voor de hersteloperatie toeslagen. De toets of een rechtheb-bende een nieuwe start heeft kunnen maken, ligt bij het college alsverantwoordelijk bestuursorgaan voor brede ondersteuning. Dezebepaling laat onverlet hetgeen nu al is geregeld in artikel 2.21, zesde lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 911 Wht. Dat wil zeggen dat het college de brede ondersteuning aan derechthebbenden beëindigt binnen 30 dagen nadat de Dienst Toeslagen hetcollege heeft geïnformeerd dat aan de aanvrager van kinderopvang-toeslag een afwijzende beschikking is gegeven met betrekking tot diensaanvraag tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel2.7 Wht. Voor een nadere toelichting met betrekking tot de aanpassingvan artikel 2.21, vierde lid, Wht en het invoegen van artikel 2.21, leden 4aen 4b, Wht wordt verwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.Onderdeel 4Artikel I, onderdeel Q (Artikel 6.1a van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel 6.1a Wht is de aanvraagtermijn geregeld voor de regeling voornabestaanden voor overleden kinderen in de hersteloperatie toeslagen.Met de aangepaste tekst van artikel I, onderdeel Q, wordt bewerkstelligddat de aanvraagtermijn voor nabestaanden van overleden kinderen in allegevallen lang genoeg is. Om te beginnen zijn bepalingen opgenomen diezien op het schrappen van de verwijzingen naar artikel 2.14b Wht in artikel6.1a Wht en de voorgestelde wijzigingen daarvan in verband met hetvoorstel om de begripsbepaling «overleden kind» in op te nemen in artikel1.1 Wht, zoals hiervoor toegelicht. De overige wijzigingen hangen samenmet het uitgangspunt dat de nabestaanden van overleden kinderen altijdeen half jaar de tijd zouden moeten hebben om een aanvraag voor dieregeling in te dienen, ook in de situatie waarin op de datum van inwer-kingtreding van de regeling voor nabestaanden van overleden kinderennog geen gedupeerdheid van de aanvrager van kinderopvangtoeslag isvastgesteld doordat nog geen herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7Wht is toegepast of wanneer nog geen toekenning heeft plaatsgevondenvan € 10.000 aan de voormalig partner van een gedupeerde aanvragervan kinderopvangtoeslag. Voorgesteld wordt om het aflopen van dietermijn, conform de aanvraagtermijn in de kindregeling, te koppelen aande beschikking waarin dit wordt vastgesteld. Dit is namelijk het eerstemoment waarop een kind kan weten dat het in aanmerking komt voor dekindregeling. Het is dan ook het eerste moment waarop een nabestaandevan een overleden kind kan weten dat het aannemelijk is dat hetoverleden kind voor de kindregeling in aanmerking gekomen zou zijnindien het niet was overleden.Ook wordt in het voorgestelde artikel 6.1a, tweede lid, Wht verduidelijktdat die bepaling ziet op nabestaanden van overleden kinderen vangedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag alsmede opnabestaanden van overleden kinderen van partners van die gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag, indien deze bij leven in aanmerkinggekomen zouden zijn voor de kindregeling10. Aangezien dit onderdeel zouzijn van een, wat betreft het aantal wijzigingsopdrachten, omvangrijkewijziging van artikel I, onderdeel Q, onder 3, wordt de tekst van datsubonderdeel integraal vervangen. De inhoudelijke wijzigingen zijn10Dit wordt geregeld door op te nemen dat het gaat om een aanvraag door de partner, het kind,onderscheidenlijk de ouder, van een overleden kind van wie aannemelijk is dat die inaanmerking gekomen zou zijn voor toekenning van tegemoetkoming op grond van deartikelen 2.10 of 2.11 Wht. Dit heeft betrekking op nabestaanden van de kinderen en(voormalig) pleegkinderen van gedupeerde aanvragers kinderopvangtoeslag die bij leven inaanmerking gekomen zouden zijn voor kinderopvangtoeslag. Het heeft ook betrekking op denabestaanden van de kinderen en (voormalig) pleegkinderen van partners van die gedupeerdeaanvragers van kinderopvangtoeslag, indien die kinderen en (voormalig) pleegkinderen bijleven in aanmerking gekomen zouden zijn voor de kindregeling. Die situatie zal in verbandmet de leesbaarheid van de toelichting, in het vervolg van deze toelichting niet genoemdworden, wat niet wegneemt dat het genoemde voorstel tot aanpassing van de aanvraag-termijn ook voor hen van toepassing is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 912 evenwel beperkt en in lijn met de bedoeling van de aanvraagtermijn zoalsdie nu luidt en met het voorstel zoals al opgenomen in het wetsvoorstel.Deze wijziging is bedoeld om een onderscheid te maken met hetingevolge de onderhavige nota van wijziging voorgestelde artikel 6.1a,derde lid, Wht dat betrekking heeft op de aanvraagtermijn voornabestaanden van overleden kinderen van de ex-partner. Een toelichtingop die wijziging volgt hierna. Daarnaast wordt het voorgestelde artikel6.1a, tweede lid, Wht zo aangepast dat de afwijking van de aanvraag-termijn die van toepassing is op grond van het voorgestelde artikel 6.1a,eerste lid, Wht uitsluitend van toepassing is als het kind is overledenvoorafgaand aan de datum van dagtekening van de beschikking. Ditlaatste is erop gericht om te voorkomen dat de beoogde uitbreiding vande aanvraagtermijn tot een inperking zou leiden in de situatie dat het kindis overleden na de dagtekening van de beschikking tot het toepassen vaneen herstelmaatregel. In de laatstgenoemde situatie geldt, zoals ook nu alhet geval is, dat een aanvraag wordt gedaan binnen zes maanden na dedatum van overlijden van het kind. Met de aangepaste tekst van artikel I,onderdeel Q, onder 3, wordt dus geregeld dat een (nabestaande) partner,kind of ouder van een overleden kind van een gedupeerde aanvrager vankinderopvangtoeslag tot zes maanden na de dagtekening van debeschikking tot het toepassen van een herstelmaatregel als bedoeld inartikel 2.7 Wht een aanvraag kan doen als:a. die beschikking een dagtekening heeft van na 22 april 2024; enb. het overleden kind is overleden voorafgaand aan de datum vandagtekening van die beschikking.Als aan een van die twee voorwaarden niet is voldaan, is het voorge-stelde artikel 6.1a, eerste lid, Wht van toepassing.Voorgesteld wordt aan artikel 6.1a Wht nog een lid toe te voegen,waarin een vergelijkbare uitbreiding wordt opgenomen voor de aanvraag-termijn voor nabestaanden van een overleden kind van een ex-partnervan een gedupeerde aanvrager van kinderopvangtoeslag. Hier wordtuitgegaan van de situatie die bepalend is om te kunnen vaststellen of hetaannemelijk is dat het kind van de ex-partner dat is overleden bij leven inaanmerking gekomen zou zijn voor de kindregeling. Voor het vaststellenof de nabestaanden van de kinderen van de ex-partner in aanmerkingkomen voor de regeling, is niet de dagtekening van de beschikking tottoekenning van een herstelmaatregel bepalend, maar de dagtekening vande beschikking tot toekenning van het bedrag van € 10.000 aan deex-partner van een aanvrager van kinderopvangtoeslag op grond vanartikel 2.14h, eerste lid, Wht. Dan staat immers vast dat er sprake is vaneen ex-partner als bedoeld in artikel 2.14g Wht. Ook kan dan wordenvastgesteld of een kind in aanmerking komt voor de kindregeling of dathet aannemelijk is dat een overleden kind in aanmerking gekomen zou zijnvoor de kindregeling indien het niet was overleden. In het voorgesteldeartikel 6.1a, derde lid, Wht wordt de aanvraagtermijn voor denabestaanden van overleden kinderen van de ex-partner daaromgekoppeld aan de dagtekening van de beschikking op grond van artikel2.14h, eerste lid, Wht. Het voorstel ziet erop dat de afwijking van dehoofdregel op grond van het voorgestelde artikel 6.1a, eerste lid, Whtuitsluitend van toepassing is als aan twee voorwaarden is voldaan.Voorstel is dat deze uitzondering uitsluitend geldt in de situatie dat dedagtekening van de beschikking tot toekenning van € 10.000 aan deex-partner op grond van artikel 2.14h, eerste lid, Wht is gelegen na22 april 2024, de dag van inwerkingtreding van afdeling 2.2A Wht. Zonderdeze toevoeging zou de aanvraagtermijn juist korter worden. Daarnaastregelt het voorgestelde artikel 6.1a, derde lid, Wht dat dit lid uitsluitendvan toepassing is als het kind is overleden voor de datum van dagte-kening van de beschikking op grond van artikel 2.14h, eerste lid, Wht. OokTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 913 hiermee wordt beoogd te voorkomen dat de aanpassing van de aanvraag-termijn juist zou leiden tot een kortere aanvraagtermijn. Als aan een vandie twee voorwaarden niet is voldaan, is het voorgestelde artikel 6.1a,eerste lid, Wht van toepassing. In alle gevallen geldt: de nabestaandeheeft zes maanden om een aanvraag te doen gerekend vanaf het momentwaarop bepaald kan worden dat die nabestaande hiervoor in aanmerkingkan komen.Onderdeel 5In artikel I, onderdeel S, van het wetsvoorstel zijn diverse wijzigingenvan artikel 6.2 Wht opgenomen. Artikel 6.2 Wht ziet op beslistermijnenmet betrekking tot onder meer aanvragen voor aanvullende compensatievoor de werkelijke schade van aanvragers van kinderopvangtoeslag.11 Dein artikel I, onderdeel S, van dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingenzagen er met name op om de desbetreffende beslistermijn van zesmaanden die met ten hoogste zes maanden verlengd kan worden, aan tepassen naar een beslistermijn van twaalf maanden die met ten hoogstetwaalf maanden kan worden verlengd. De onderhavige wijzigingbewerkstelligt dat die voorgestelde aanpassing vervalt. Dit betekent dat dewettelijke beslistermijn met betrekking tot aanvragen voor aanvullendecompensatie voor de werkelijke schade van aanvragers van kinderop-vangtoeslag, zes maanden blijft, met een mogelijkheid om deze met tenhoogste zes maanden te verlengen. Voor een toelichting hierop wordtverwezen naar het algemeen deel van deze toelichting.Ook met betrekking tot de regeling voor aanvullende compensatie voorde werkelijke schade voor ex-partners wordt geregeld dat het voorstel omde wettelijke beslistermijn te verlengen vervalt. Hiertoe wordt voorgesteldom artikel 2.14h, derde lid, Wht op te nemen in de opsomming van artikel6.2, eerste lid, Wht. Daardoor zou na inwerkingtreding van die regelingeen wettelijke beslistermijn van zes maanden van toepassing zijn voor deDienst Toeslagen, met de mogelijkheid om de beslistermijn met tenhoogste zes maanden te verlengen.12Onderdeel 6Artikel I, onderdeel T (Artikel 6.2bis van de Wet hersteloperatie toeslagen)In artikel 6.2bis, eerste en tweede lid, Wht is de beslistermijn geregeldvoor de partner van overleden kinderen in het kader van de regeling voornabestaanden voor overleden kinderen (afdeling 2.2A Wht). Op grond vanhet in artikel I, onderdeel T, onder 2, van het in het wetsvoorstel voorge-stelde artikel 6.2bis, derde lid, Wht wordt geborgd dat de Dienst Toeslagenzes maanden13 de tijd heeft om deze aanvragen in behandeling te nemenvanaf de dagtekening van de beschikking tot het toepassen van een11Artikel 6.2 Wht ziet na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wetaanvullende regelingen hersteloperatie toeslagen en de daarmee samenhangende bepalingenvoorts op aanvragen van ex-partners voor aanvullende compensatie voor de werkelijkeschade. Met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wet aanvullenderegelingen hersteloperatie toeslagen treedt artikel 2.14h, derde lid, Wht, dat betrekking heeftop aanvullende compensatie voor de werkelijke schade voor ex-partners, in werking, ondervernummering van het huidige artikel 2.14h, derde lid, Wht tot artikel 2.14h, vierde lid, Wht.12Die aanpassing van artikel 6.2 Wht op grond van het gewijzigde artikel I, onderdeel S, zougelijktijdig met de inwerkingtreding van artikel I, onderdeel M, onder 3, van de Wet aanvul-lende regelingen hersteloperatie toeslagen moeten plaatsvinden.13Die termijn van een zes maanden kan een eenmaal met ten hoogste zes maanden wordenverlengd. Waar in het vervolg van deze toelichting wordt gesproken over een beslistermijnvan zes maanden voor de regeling voor nabestaanden van overleden kinderen, geldt steedsdat de mogelijkheid bestaat dat deze eenmaal kan worden verlengd met ten hoogste zesmaanden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 914 herstelmaatregel als een aanvraag is gedaan voorafgaand aan die datum.Hiermee wordt beoogd dat het uitgangspunt voor het bepalen van debeslistermijn het moment is waarop kan worden vastgesteld of de partnervan een overleden kind in aanmerking komt voor een tegemoetkoming opgrond van deze regeling. In de gekozen formulering is er echter geenrekening mee gehouden dat het onwenselijk zou zijn als de afwijking vanartikel 6.2bis, eerste en tweede lid, Wht, ook van toepassing zou zijn als dedagtekening van de beschikking is gelegen voor de datum van inwerking-treding van afdeling 2.2A Wht, zijnde 22 april 2024. Dit is van belangomdat er ook aanvragen zijn gedaan voor die datum van inwerking-treding. Artikel 6.2bis, tweede lid, Wht voorziet in de beslistermijndaarvoor. In die situatie zou de beslistermijn gekoppeld moeten blijvenaan de inwerkingtredingsdatum van afdeling 2.2A Wht. Een koppeling aande datum van dagtekening van de beschikking zou daar leiden tot eenonbedoelde verkorting van de beslistermijn. Met de aangepaste tekst vanartikel I, onderdeel T, onder 2, wordt het voorgaande geregeld.Met de in deze nota van wijziging opgenomen aanpassing van hetwetsvoorstel wordt verder verduidelijkt dat het voorgestelde artikel 6.2bis,derde lid, Wht uitsluitend van toepassing is met betrekking tot de regelingvoor de nabestaande partner van een overleden kind van een gedupeerdeaanvrager van kinderopvangtoeslag of van diens partner door teverwijzen naar de artikelen 2.10 en 2.11 Wht. Die verduidelijking wordtvoorgesteld omdat in het voorgestelde artikel 6.2bis, vierde lid, Wht eenvergelijkbare bepaling als hiervoor beschreven, is opgenomen metbetrekking tot de nabestaande partner van overleden kinderen vanex-partners van gedupeerde aanvragers van kinderopvangtoeslag. Dat wilzeggen dat met betrekking tot de aanvraag van de nabestaande partnervan een overleden kind van een ex-partner een beslistermijn geldt van zesmaanden na de datum van dagtekening van de beschikking tot hettoekennen van compensatie als bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, Wht(€ 10.000) aan de ex-partner, indien de aanvraag is gedaan voor dedagtekening van die beschikking en die beschikking een dagtekening heeftna 22 april 2024. Dat wil zeggen dat de beslistermijn op grond van artikel6.2bis, eerste lid, Wht (zes maanden na ontvangst van de aanvraag) enartikel 6.2bis, tweede lid, Wht (zes maanden na inwerkingtreding vanafdeling 2.2A) ook voor de partner van het overleden kind van deex-partner onverkort van toepassing blijft wanneer de aanvraag is gedaanna de dagtekening van de beschikking of wanneer de dagtekening isgelegen voor de datum van inwerkingtreding van afdeling 2.2A Wht. Hetvoorgestelde artikel 6.2bis, vierde lid, Wht is dus uitsluitend vantoepassing met betrekking tot de beslistermijn op een aanvraag van eenpartner van een overleden kind van een ex-partner die is gedaan voordattoekenning heeft plaatsgevonden aan de ex-partner van € 10.000, waarbijde dagtekening van die beschikking aan de ex-partner na 22 april 2024 is.Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijzetoelichting bij het voorgestelde artikel I, onderdeel T, van het wetsvoorstelen naar de toelichting op de wijziging van het voorgestelde artikel 6.2bis,derde lid, Wht in de onderhavige nota van wijziging. Aangezien ditonderdeel zou zijn van een, wat betreft het aantal wijzigingsopdrachten,omvangrijke wijziging van artikel I, onderdeel T, onder 2, wordt de tekstvan dat subonderdeel integraal te vervangen. De inhoudelijke wijzigingenzijn beperkt en in lijn met de bedoeling van de beslistermijn zoals die nuluidt en met het voorstel zoals al opgenomen in het wetsvoorstel.Onderdeel 7Vanwege de aanpassing van de beslistermijnen met betrekking totaanvragen voor aanvullende compensatie voor werkelijke schade vanaanvragers van kinderopvangtoeslag ingevolge onderdeel 5 van deze notaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 915 van wijziging, is het voorgestelde overgangsrecht overbodig geworden.Daarom vervalt het voorgestelde artikel 8.9 Wht. Het voorgesteldeovergangsrecht met betrekking tot de aanpassing van de bezwaartermijnen de aanpassing van het moment waar de beslistermijn op bezwaaraanvangt (de voorgestelde artikelen 6.10a, eerste lid, en 6.10aa Wht), datwas opgenomen in het voorgestelde artikel 8.10 Wht, is als gevolg vanvernummering opgenomen in het voorgestelde artikel 8.9 (nieuw) Wht.Onderdeel 8Artikel I, onderdeel EEa (artikel 8.10 van de Wet hersteloperatie toeslagen)In de artikelsgewijze toelichting bij onderdeel 3 zijn de aanpassingentoegelicht die betrekking hebben op het introduceren van termijnen in hetproces van brede ondersteuning door de colleges van de diversegemeenten. Op dit moment wordt reeds geruime tijd brede ondersteuninggeboden. Het is belangrijk dat voor alle rechthebbenden duidelijk is welkegevolgen de voorgestelde aanpassingen voor hen hebben. Onderdeel 8regelt dat in het wetsvoorstel artikel I, onderdeel EEa, wordt opgenomen.In artikel I, onderdeel EEa, wordt een voorstel gedaan voor het overgangs-recht bij de introductie van de termijnen in het proces van brede onder-steuning door artikel 8.10 Wht toe te voegen aan afdeling 8.2 Wht.Voorgesteld wordt dat de voorgestelde aanpassingen van artikel 2.21 Whtvan toepassing zijn, maar dat voor het bepalen van de start van de diversetermijnen niet wordt aangesloten bij de datum van het eerste gesprek,maar bij de datum van inwerkingtreding van het voorgestelde artikel I,onderdeel Ga, van het wetsvoorstel indien het tot wet is verheven. Deafwijking heeft dus uitsluitend betrekking op de peildatum die van belangis voor het bepalen van de termijn waarbinnen het plan van aanpak moetzijn opgesteld, de termijn waarbinnen materiële voorzieningen moetenzijn toegekend en het moment waarop de brede ondersteuning uiterlijkbeëindigd moet zijn. De aanpassingen die betrekking hebben op determijn voor het opstellen van het plan van aanpak, hebben geen effectindien het plan van aanpak reeds is opgesteld voorafgaand aan de datumvan inwerkingtreding. De overige in het voorgestelde artikel 2.21, vierdelid, tweede zin, lid 4a en lid 4b, Wht opgenomen aanpassingen in hetproces van brede ondersteuning zijn op grond van het voorstel onverkortvan toepassing, ook in situaties waarin het proces van brede onder-steuning al is gestart. Uitsluitend het startmoment voor het bepalen vande relevante termijnen wijkt af.Onderdeel 9Artikel III (Inwerkingtreding)In artikel III van het wetsvoorstel is de inwerkingtredingsbepalingopgenomen. Die bepaalt dat nadat het wetsvoorstel is aangenomen en totwet is verheven, de wet in werking treedt op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen en onderdelen daarvanverschillend kan worden vastgesteld. Voorts is voor een aantal bepalingenterugwerkende kracht opgenomen. In artikel I, onderdeel Q, wordenwijzigingen voorgesteld in verband met de aanvraagtermijn voor deregeling voor nabestaanden van overleden kinderen. Bij inwerkingtredingvan de in het wetsvoorstel opgenomen relevante aanpassingen langerdan zes maanden na de datum van inwerkingtreding van die regeling,zouden aanvragen in de tussenliggende periode geen grondslag hebben.In de situatie dat de aanvraagtermijn is gekoppeld aan de inwerkingtre-dingsdatum, zou dit betekenen dat de aanvraagtermijn verstrijkt zesmaanden na 22 april 2024 (de inwerkingtredingsdatum). Daarom wordteen bepaling opgenomen die voorstelt dat aan het ingevolge deze notaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 916 van wijziging gewijzigde artikel I, onderdeel Q, terugwerkende krachtwordt verleend tot en met 22 april 2024. Voorgesteld wordt dat deaanpassingen terugwerken tot en met de datum waarop de regeling voornabestaanden van overleden kinderen in werking is getreden, om teverduidelijken dat het de bedoeling is dat de aanvraagtermijn vanaf dieinwerkingtredingsdatum al op de manier had moeten luiden en om tevoorkomen dat onduidelijkheid zou bestaan over de situatie in detussenliggende periode. Het verlenen van terugwerkende kracht heeftvoor de nabestaanden van overleden kinderen een begunstigendewerking. Met deze wijziging wordt immers een grondslag gegeven aanaanvragen die zijn ingediend in de periode tussen inwerkingtreding vande regeling en de datum van inwerkingtreding van het wetsvoorstelindien het tot wet is verheven.De Staatssecretaris van Financiën,N. AchahbarTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 577, nr. 917
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.