document · 30 jun 2026 · Tweede Kamer
Verslag van een schriftelijk overleg over de beleidsreactie bij het advies van de Gezondheidsraad 'Risicoreductie en vroegdiagnostiek dementie' (Kamerstuk 25424-782)
Brontekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202625 424Geestelijke gezondheidszorgNr. 804 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 30 juni 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 19 maart 2026 over debeleidsreactie bij het advies van de Gezondheidsraad «Risicoreductie envroegdiagnostiek dementie» (Kamerstuk 25 424, nr. 782).De vragen en opmerkingen zijn op 21 april 2026 aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 30 juni 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-25424-804ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8041 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de GroepMarkuszower6II.Reactie van de Minister10 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debeleidsreactie bij het advies van de Gezondheidsraad «Risicoreductie envroegdiagnostiek dementie». Daartoe hebben deze leden een aantalvragen.De Gezondheidsraad heeft geadviseerd om primair in te zetten oppreventieve maatregelen die het risico op ontwikkelen van dementiekunnen verkleinen, en pleit ervoor om bestaande preventieve maatregelenter preventie van andere chronische aandoeningen met dezelfderisicofactoren te versterken en te verbreden. Daarnaast wordt gesteld datde inzet op een gezonde leefstijl kan bijdragen aan de risicoreductie vandementie. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie welke concreteacties de Minister hier nu al op onderneemt, naast het starten van deCoalitie Leefstijl in de Zorg?Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar onder andere de (kosten)ef-fectiviteit van dementie risicoreductie via individueel leefstijladvies.Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of er ook gekeken wordt naarhet gezonder inrichten van de samenleving in bredere zin. Bijvoorbeelddoor meer actie te ondernemen op het creëren van meer openbarebeweegruimte en een gezonde omgeving? Zo ja, welke dingen gebeurener concreet? Op welke wijze en op welke termijn wordt de Kamergeïnformeerd over de voortgang? Zo nee, waarom wordt hier momenteelnog geen actie op ondernomen?Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er verkend wordt of hetopportuun is om via het afwegingskader ook een casus uit te werken ophet gebied van dementie. Daartoe vragen deze leden wanneer het besluithierover verwacht kan wordenVragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dereactie van de Minister over het advies van de Gezondheidsraad. Dezeleden hebben nog wel een aantal vragen hierover.De leden van de VVD-fractie lezen dat in Nederland één op de vijf mensendementie krijgt. Bij vrouwen ligt dit aanzienlijk hoger. Eén op de drievrouwen krijgt te maken met dementie. Kan de Minister aangeven welkegevolgen dit grote verschil heeft voor haar preventiebeleid? Ziet zijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8042 aanleiding en mogelijkheden om specifiek beleid te voeren gericht opvrouwen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?De leden van de VVD-fractie lezen dat het RIVM aan het verkennen is ofhet opportuun is om via het afwegingskader voor het investeringsmodelpreventie een casus uit te werken op gebied van dementie. Kan deMinister aangeven wanneer zij verwacht dat hierover een knoopdoorgehakt kan worden?De leden van de VVD-fractie begrijpen dat causaal bewijs tussen preven-tieve maartregelen op risicofactoren voor dementie en de daadwerkelijkeverlaging van het aantal dementiegevallen lastig te onderbouwen is. Tochgeeft de Minister aan dat er verschillende initiatieven zijn gestart en ersubsidies zijn vergeven. Kan de Minister toelichten of zij kan waarborgendat dit zinvol is, aangezien de risicofactoren die de kans op dementiezouden verhogen, nog niet zijn aangetoond?De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister groot belang hecht aanhet tijdige organiseren van zorg voor mensen met dementie. Dit is bijdementie extra belangrijk omdat de wilsbekwaamheid vervalt. Heeft deMinister er zicht op of ouderen in Nederland hier regelingen toe getroffenhebben? Kan zij aangeven hoe groot de groep is bij wie dit (waarschijnlijk)nog niet geregeld is? Is het voor ouderen of andere risicogroependuidelijk wat zij bij een notaris, bank en/of huisarts moeten regelen?Wordt er genoeg gedaan om deze groepen de informeren over het belangvan het vastleggen wat zij willen mochten zij worden overvallen doordementie?De leden van de VVD-fractie lezen dat er binnen het onderzoekspro-gramma dementie van ZonMw onderzoek gedaan wordt wat hetNederlands zorgstelsel nodig heeft als in de toekomst meerdere therapeu-tische behandelingen beschikbaar komen. Kan de Minister aangeven hoezij ervoor kan zorgen dat de Nederlandse zorg hier klaar voor is, wanneerdeze doorbraken er zijn? Hoe wordt het patiënten- en mantelzorgper-spectief hierin meegenomen?De leden van de VVD-fractie begrijpen tot slot dat diagnosestelling bijmensen met een al aanwezige verstandelijke beperking vaak ingewikkeldis. Kan de Minister aangeven hoe zij wil bereiken dat juist ook deze groepbeter bereikt wordt? Is de kennis hierover genoeg aanwezig in Nederland?Op welke manier kan zij zorgverleners hier beter toe helpen voorbereiden?Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de fractie van PRO hebben kennisgenomen van de beleids-reactie bij het advies van de Gezondheidsraad «Risicoreductie envroegdiagnostiek dementie». Zij hebben hier nog enkele vragen enopmerkingen over.De leden van de fractie van PRO lezen dat in Nederland één op de vijfmensen dementie heeft en dat bij vrouwen dat zelfs één op de drie is. Kannader toegelicht worden welke oorzaken mogelijk ten grondslag liggenaan dit verschil waarbij vrouwen vaker dementie hebben? Zij lezen tevensdat de zorgkosten voor dementie naar verwachting naar € 15,6 miljardzullen stijgen in 2040. Zou nader toegelicht kunnen worden hoe dezeinschatting is gemaakt en hoe de kosten zijn opgebouwd? Zou tevensnader per tabel een vergelijking kunnen geschetst worden met andereveelvoorkomende aandoeningen bij ouderen en de daarmee geassoci-eerde kosten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8043 De leden van de PRO-fractie lezen dat dementie in alle gevallen bijzonderingrijpend voor de mensen met dementie en hun naasten is. Zijherkennen dit beeld en vragen de Minister welke ondersteuningsmogelijk-heden er bestaan voor naasten van mensen met dementie. Op welke wijzeworden naasten goed meegenomen in en voorbereid op het verdereverloop van de ziekte? Zij willen daarnaast graag het belang van demen-tievriendelijke buurten onderstrepen. Op welke wijze zet het kabinet zichin voor het dementievriendelijk inrichten van buurten? Hoe stimuleren zijinitiatieven die zich hiervoor inzetten?De leden van de PRO-fractie lezen dat de beschikbare methoden voorvroegdiagnostiek nog onvoldoende betrouwbaar zijn om buiten despecialistische ziekenhuiszorg breed toe te passen. Welke onderzoekenlopen er momenteel zowel binnen als buiten Nederland om de methodente verbeteren? Deelt de Minister de mening van de leden van de fractiePRO dat, ondanks dat dementie (momenteel) niet te genezen is, eentijdige diagnose wel heel belangrijk is? Bestaat de mogelijkheid ombinnen een aantal Alzheimercentra alvast te starten met voorbereidingenop de komst van mogelijke nieuwe medicijnen, zodat zorgprofessionalszich kunnen blijven ontwikkelen in deze innovaties? Hoe wordt in ditproces het perspectief van patiënten en mantelzorgers meegenomen?Genoemde leden lezen tevens dat de Gezondheidsraad adviseert omprimair in te zetten op preventieve maatregelen die het risico op hetontwikkelen van dementie kunnen verkleinen en pleit ervoor om debestaande maatregelen ter preventie van andere chronische aandoe-ningen met dezelfde risicofactoren te versterken en te verbreden. Zijonderstrepen het belang van effectieve preventieve maatregelen, die ookaangekaart worden bij de brede bevolking. Wat is de huidige status vanhet investeringsmodel preventie? Wanneer kan de Kamer een afwegings-kader voor het investeringsmodel preventie verwachten? Wat gaat deMinister specifiek doen voor qua preventie voor groepen met een lageresociaaleconomische status?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactieop het advies van de Gezondheidsraad over risicoreductie en vroegdiag-nostiek van dementie. Deze leden lezen dat de Minister de nadruk oppreventie omarmt en deze wil inbedden in bestaand beleid, onder meervia de Samenhangende preventiestrategie, de geactualiseerde NationaleDementiestrategie, het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en de uitwerkingvan de basisfunctionaliteit dementie binnen het Aanvullend Zorg- enWelzijnsakkoord (AZWA). Ook lezen deze leden dat met het NederlandseHuisartsen Genootschap (NHG) wordt bezien wat het advies betekent voorde omgang met hoge bloeddruk als risicofactor. Daarover hebben zijenkele vragen en opmerkingen.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister per genoemd beleids-traject concreet uiteen te zetten welke nieuwe maatregelen specifiekgericht zijn op risicoreductie van dementie, en welke onderdelen slechtsvoortzetting zijn van reeds bestaand beleid. Ook vragen deze leden hoe deMinister voorkomt dat de verwijzing naar meerdere bestaande akkoorden,strategieën en beleidslijnen in de praktijk vooral leidt tot stapeling vangoede intenties, zonder dat dit resulteert in concreet merkbare preven-tieve inzet. Deze leden vragen voorts welke concrete, meetbare doelstel-lingen de Minister aan deze preventiebenadering verbindt als het gaat omdementierisico, en op welke termijn zichtbaar moet worden of deze inzetdaadwerkelijk effect sorteert.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8044 De leden van de PVV-fractie vragen de Minister nader toe te lichten wat deuitwerking van de basisfunctionaliteit dementie binnen het AZWA precieszal toevoegen aan het bestaande beleid, en welke preventieve componentdaarin expliciet wordt opgenomen. Deze leden vragen de Minister tevensaan te geven wat de basisfunctionaliteit dementie naar verwachtingoplevert voor mensen met dementie, professionals en hun naasten. Ookvragen zij de Minister wanneer de kaders voor de basisfunctionaliteitdementie beschikbaar zijn.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister uiteen te zetten wat zij,mede in overleg met het NHG, concreet wil veranderen ten aanzien vanhoge bloeddruk als risicofactor voor dementie. Zij vragen of daarbijbijvoorbeeld wordt gedacht aan aanpassing van richtlijnen, intensieveresignalering, eerdere behandeling of extra bewustwording in de spreek-kamer. Deze leden vragen voorts wanneer de Minister verwacht de Kamerte informeren over de uitkomsten van het overleg met het NHG over hogebloeddruk en dementierisico. Ook vragen deze leden hoe de gelden voordementie beschikbaar vanuit het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg exactworden ingezet.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe er in andere Europeselanden wordt omgegaan met de inzet van vroegdiagnostiek. Deze ledenwillen ook graag weten wat de Minister onderneemt om te zorgen voorvoldoende Casemanagers Dementie en hoe de Minister aankijkt tegen hetidee van Alzheimer Nederland om in een aantal Alzheimer centra al tebeginnen met het voorbereiden op eventuele medicijnen.Deze leden vragen tot slot of de Minister bereid is de Kamer periodiek teinformeren over de voortgang van de preventieve inzet op dementie, juistom te kunnen beoordelen of de uitgesproken beleidsintentie ookdaadwerkelijk wordt omgezet in uitvoerbaar en toetsbaar beleid.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsre-actie op het advies van de Gezondheidsraad over risicoreductie envroegdiagnostiek van dementie en hebben hierover nog enkele vragenaan de Minister.De Minister benadrukt volgens de leden van de CDA-fractie terecht hetbelang van preventie. Daarbij is aandacht voor het individu belangrijk,met zoveel mogelijk eigen regie nadat dementie is vastgesteld en metaandacht voor een gezonde leefstijl. Ook is er aandacht voor het verbe-teren van afspraken over samenwerking op het snijvlak van publiekegezondheid, zorg en het sociaal domein, rond het thema dementie via hetAZWA.Deze leden vragen welke rol de Minister ziet voor de omgeving en desamenleving als geheel in het kader van preventie. Als de samenlevingbeter leert omgaan met de aanwezigheid van dementie in de directeleefomgeving, helpt dat om problemen eerder te signaleren en beter tedragen. Dat vergroot volgens deze leden het onderlinge begrip en draagtbij aan een meer zorgzame samenleving, waarin mensen elkaar snellerweten te vinden en ondersteunen. Deze leden vragen of de Minister ditdeelt en zo ja, hoe dit vorm krijgt in het beleid de komende jaren, ook tenaanzien van het afsluiten van het bestuurlijk akkoord voor deouderenzorg.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8045 De leden van de CDA-fractie vragen wanneer er meer bekend wordt of hetRIVM ook een afwegingskader voor dementie uit gaat werken. Ook vragendeze leden op welke manier er bij preventie aandacht is voor groepen meteen lage sociaaleconomische status.De leden van de CDA-fractie lezen dat ook de Minister benoemt dathoewel dementie niet te genezen is, een tijdige diagnose voor mensenmet dementie en hun naasten belangrijk is. In de praktijk wordt vaakalleen «dementie» vastgesteld, zonder de onderliggende oorzaak tespecificeren, zoals Alzheimer, Lewy body of vasculaire dementie. Dat kanechter meerwaarde hebben, omdat zorg en ondersteuning dan gerichterkunnen worden ingezet en er meer begrip in de omgeving ontstaat. Hoekijkt de Minister hiertegen aan, zo vragen deze leden.Vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractieDe leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden vande beleidsreactie. Zij willen hierover nog een vraag stellen.Genoemde leden juichen toe dat er meer aandacht is voor de inzet op eengezonde leefstijl als mogelijke manier van risicoreductie. Op pagina 3/4staat vermeld dat eerste onderzoeksresultaten hierop wijzen, maar«daarbij geldt wel dat de kosteneffectiviteit nog beter moet onderbouwd».En: «De ambitie is om leefstijl integraal onderdeel te maken van dereguliere zorg voor mensen met een gezondheidsklacht, aandoening ofziekte».Hoe kijkt de Minister naar de stelling dat preventie en het bevorderen vangezonde levensstijl de primaire uitgangspunten zouden moeten zijn, inplaats van een ambitie? Bij dementie, maar zeker daarvoor niet alleen,maar zorgbreed?De aandacht voor casemanagement als standaard is volgens de leden vande 50PLUS-fractie terecht. Het is goed om te lezen dat de casemanager alin een vroegtijdig stadium mag worden ingeschakeld. Zijn er voldoendecasemanagers om te voldoen aan de vraag?Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van hetadvies van de Gezondheidsraad en de bijbehorende Kamerbrief van deMinister. Deze leden nemen nota van de conclusie van de raad datvroegdiagnostiek via bloedbiomarkers thans geen bewezen meerwaardeheeft voor brede inzet buiten de specialistische zorg. Deze leden menenechter dat een aantal kernargumenten van het advies te kort door debocht is en te weinig recht doet aan het snel veranderende wetenschappe-lijke landschap. Zij hebben hierover de volgende vragen en opmerkingenaan de Minister.De leden van de Groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraadstelt dat bloedbiomarkers «niet betrouwbaar genoeg» zijn voor bredeinzet buiten de specialistische zorg. Deze leden merken op dat het advieshiermee voorbijgaat aan recentelijk gepubliceerde, peer-reviewedliteratuur die een aanzienlijk hogere diagnostische betrouwbaarheidaantoont. Zo publiceerde Nature Medicine (2025) een studie onder 1.767patiënten in vier secundaire zorgcohorten en één huisartsencohort in vierEuropese landen, waarbij geautomatiseerde plasma p-tau217-meting eennauwkeurigheid bereikte van 89–91 procent in de tweede lijn en 85procent in de eerste lijn. Een meta-analyse gepubliceerd in Alzheimer’s &Dementia (2025, n = 30 studies) toonde voor plasma p-tau217 eensensitiviteit van 82 procent en een specificiteit van 86 procent voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8046 amyloïdpositiviteit aldus vergelijkbaar met, en in sommige gevallensuperieur aan, klassieke liquordiagnostiek. Lancet Neurology (2025)concludeerde bovendien in een systematische review dat plasma p-tau217een sterk nauwkeurige biomarker is met potentie voor klinische imple-mentatie1. Genoemde leden vragen de Minister of zij het advies van deGezondheidsraad op dit punt nader wil laten bezien in het licht vanpublicaties die na de sluitingsdatum van de literatuurreview zijnverschenen, en of zij bereid is een actuele wetenschappelijke update, inconjunctie met een technische briefing in samenwerking met AmsterdamUMC, hierover aan de Kamer aan te bieden.De leden van de groep Markuszower constateren dat het advies van deGezondheidsraad vroegdiagnostiek vrijwel uitsluitend beoordeelt op devraag of hiermee individuele ziekteprogressie kan worden voorspeld.Hierdoor wordt het wetenschappelijk breed erkende doel van risicostratifi-catie ten behoeve van klinisch onderzoek en toekomstige therapiege-schiktheid buiten beschouwing gelaten.Bloedbiomarkers, met name plasma p-tau217, worden internationaalreeds ingezet om deelnemers voor klinische trials met ziekte-modificerende middelen (lecanemab, donanemab) te selecteren,waardoor kostbare en invasieve amyloïd-PET-scans kunnen wordenbeperkt. De Alzheimer’s Association heeft hier in 2022 expliciete «appro-priate use recommendations» voor uitgebracht. Een biomarker hoeft nietperfect prognostisch te zijn om legitiem voor stratificatiedoeleinden teworden gebruikt2.De leden van de groep Markuszower vragen de Minister te bevestigen ofte weerleggen of het advies van de Gezondheidsraad ook de toepassingvan bloedbiomarkers voor klinische trialselectie beoordeelt, dan wel of ditbuiten beschouwing is gelaten, en wat haar standpunt hierover is.Genoemde leden merken op dat het advies van de Gezondheidsraad zichbeperkt tot bloed- en liquorbiomarkers en niet rept van alternatievebiofluid-diagnostiek zoals traanvloeistof (lacrimal fluid). Een in ScientificReports (2021) gepubliceerde observationele studie van het AlzheimerCentrum Limburg (Maastricht UMC+) toonde aan dat tau-eiwitten (t-tau) intraanvocht aantoonbaar zijn en significant hoger liggen bij dementiepati-ënten dan bij patiënten met vroege cognitieve klachten. Traanvocht biedtals bijkomend voordeel dat het volledig non-invasief kan wordenverzameld. Verdere validatie is nodig, maar het ontbreken van ditonderzoeksspoor in het advies achten deze leden een lacune3.Is de Minister bereid te bezien of het lopende onderzoek naar traanvloei-stofdiagnostiek, ook in Nederlandse onderzoekscentra, deel kan uitmakenvan de nationale dementieonderzoeksagenda? Zo nee, op welke grond?De leden van de groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraadmede het argument van psychologische belasting voor patiënten aanvoertals reden om vroegdiagnostiek te ontraden. Deze leden erkennen dat diteen reëel punt van zorg kan zijn, maar stellen dat dit argument in zijnhuidige formulering onvoldoende wordt genuanceerd.1Nature Medicine 2025 – p-tau217 in primaire en secundaire zorg (n = 1.767)Alzheimer’s & Dementia 2025 – p-tau217 diagnostische accuraatheid, meta-analyse (n = 30studies)Lancet Neurology 2025 – bloedtest p-tau: systematische review en meta-analyse2Alzheimer’s Association Appropriate Use Recommendations – bloedbiomarkers (Alzheimer’s &Dementia 2022) Nature Aging 2025 – bloedgebaseerde biologische stagering Alzheimer3Scientific Reports 2021 – tau en amyloïd in traanvloeistof, Maastricht UMC+ / AlzheimerCentrum LimburgTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8047 Ten eerste toont de wetenschappelijke literatuur aan dat de vrees voorpsychologische schade bij het bekendmaken van biomarkerresultatenminder empirisch gefundeerd is dan vaak wordt aangenomen. Grill et al.(Neurology 2023) concluderen dat vragen over de wenselijkheid van hetmeedelen van biomarkerresultaten steeds meer plaatsmaken voor hetinzicht dat dit over het algemeen veilig is en dat veel mensen hun uitslagwillen kennen. Ten tweede geldt dit in versterkte mate wanneer de uitslagwordt gecombineerd met begeleiding en counseling vooraf. Patiënten metklachten of een familiaire belasting wensen doorgaans wél te weten waarzij aan toe zijn, het paternalistisch onthouden van diagnostische infor-matie gaat voorbij aan autonomie als kernwaarde in de gezondheidszorg.De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister op welkeempirische basis de Gezondheidsraad de psychologische last weegt, en ofzij bereid is een afzonderlijk onderzoek te laten uitvoeren naar de feitelijkepsychologische uitkomsten van het bekendmaken van biomarkerresul-taten in de Nederlandse context, inclusief de wensen van patiënten enmantelzorgers.De leden van de Groep Markuszower constateren dat een cruciaaldraagvlak van het negatieve advies de stelling is dat er geen effectievetherapeutische behandeling beschikbaar zou zijn. Zij wijzen de Minister optwee relevante ontwikkelingen die dit standpunt nuanceren.Ten eerste zijn lecanemab (Leqembi) en donanemab in 2025 door deEuropese Commissie goedgekeurd voor de Europese markt. ZorginstituutNederland heeft in februari 2026 negatief geadviseerd over vergoedingvan lecanemab vanuit het basispakket, vanwege het als beperkt beoor-deelde klinische effect. Alzheimer Nederland heeft aangegeven teleurge-steld te zijn in dit besluit en benadrukt dat patiënten samen met hun artsmoeten kunnen besluiten of zij een behandeling willen. Juist voor beidemiddelen geldt dat vroegdiagnostiek een absolute voorwaarde is: ze zijnuitsluitend inzetbaar in het vroegste stadium van Alzheimer. Een beleiddat vroegdiagnostiek ontmoedigt, ondermijnt daarmee de toekomstigetoegankelijkheid van ziekte-modificerende therapieën zodra vergoedingwél aan de orde is.Ten tweede bestaat een veelbelovende therapeutische modaliteit in devorm van therapeutische plasma-uitwisseling met albumine (therapeuticplasma exchange, TPE). De AMBAR-studie (fase IIb/III, Alzheimer’s &Dementia 2020; n = 347 gerandomiseerde patiënten, 41 centra in Spanjeen de VS) toonde een statistisch significante vertraging van cognitieve enfunctionele achteruitgang aan bij patiënten met milde tot matigeAlzheimer. Een real-world-cohortonderzoek uit Argentinië (Taragano et al.,2025; n = 32) ondersteunt de externe validiteit van deze bevindingen4. Deleden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij het advies vande Gezondheidsraad ook op het punt van beschikbare en in ontwikkelingzijnde therapieën nader wil laten bezien.De leden van de Groep Markuszower merken op dat naast diagnostischevraagstukken ook een specifieke therapeutische technologie nadereaandacht verdient: nanofiltratietechnieken en immunoselective nanophe-resis. Bij deze aanpak wordt bloed of liquor door een nanoscopisch filtergeleid dat amyloïd-bèta en tau-eiwitten selectief verwijdert op basis vangrootte en lading. Een in International Journal of Molecular Sciences(2024) gepubliceerde review beschrijft de wetenschappelijke grondslagenvan deze benadering en de potentie ervan bij de ziekte van Alzheimer. Het4Scoping review TPE/albumine Alzheimer (Frontiers in Neurology 2024)Gonzalo R et al. (2024) – ontstekingsmarkers in AMBAR (Ann Clin Transl Neurol)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8048 onderliggende mechanisme sluit aan bij de «peripheral sink hypothesis»die ook de grondslag vormt van de AMBAR-studie5.Deze leden constateren dat Nederland over sterke infrastructuur beschiktop het gebied van dementieonderzoek (onder meer via AlzheimerCentrum Amsterdam, Alzheimer Centrum Limburg en de nationaleDementiestrategie) en dat er in beginsel mogelijkheden bestaan om insamenwerking met academische centra, ziekenhuizen en industrie pilotsop te zetten voor nanofiltratietechnieken bij Alzheimer.De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij bereid is telaten onderzoeken of nanofiltratietechnieken als therapeutische aanpak bijAlzheimer wetenschappelijk en klinisch kansrijk zijn, en of zij vervolgensbereid is in gesprek te gaan met relevante partners, waaronder univer-sitair medische centra, Alzheimer Nederland en eventuele industriëlepartijen, om de haalbaarheid van een pilot in Nederland te verkennen. Zonee, op welke grond acht de Minister dit niet opportuun?De leden van de Groep Markuszower merken op dat wetenschappelijkeadviezen over snel evoluerende medische technologieën per definitie eenhoudbaarheidsdatum kennen. Het advies sloot de literatuurreview in 2025,maar publicaties uit datzelfde jaar, waaronder een grote meta-analyse inLancet Neurology (september 2025) en studies in Nature Medicine enNature Aging, geven aanleiding tot herbeoordeling. Genoemde ledenmaken zich zorgen dat beleid wordt gebaseerd op een momentopnamedie de internationale wetenschappelijke stand van zaken niet langervolledig weerspiegelt.Is de Minister bereid toe te zeggen dat zij de Gezondheidsraad verzoekthet advies over vroegdiagnostiek periodiek, bij voorkeur jaarlijks, teactualiseren in het licht van nieuwe literatuur, en de Kamer hierover teinformeren? Is zij voorts bereid toe te zeggen dat de aanbeveling omvroegdiagnostiek te ontraden niet permanent als beleidslijn wordtverankerd, maar uitdrukkelijk als een huidige, tijdgebonden conclusiewordt gepresenteerd?De leden van de Groep Markuszower constateren dat de tijdelijkecommissie van de Gezondheidsraad die dit advies opstelde, uitsluitendbestaat uit academisch-wetenschappelijke en medischspecialistischeleden. Alzheimer Nederland (de grootste patiënten- en mantelzorgersor-ganisatie op dit terrein) is daarin niet als geraadpleegde deskundigevertegenwoordigd6. Dit is frappant. Het gaat om een advies dat direct hetbelang raakt van patiënten en mantelzorgers: de wens om te weten, dewaarde van autonomie en de ervaringskennis van het leven metdementie. De Gezondheidsraad stelt in zijn werkwijze dat commissiesmultidisciplinair worden samengesteld en dat ervaringsdeskundigheiddaarin uitdrukkelijk een rol speelt. Alzheimer Nederland heeft echter pasná publicatie van het advies kunnen reageren, zonder enige invloed op detotstandkoming ervan te hebben gehad. Daarmee ontbreekt structureelhet patiëntenperspectief in een advies dat mede op psychologische enethische gronden vroegtijdige diagnostiek ontraadt.De leden vragen de Minister of Alzheimer Nederland geconsulteerd istijdens de totstandkoming van het advies. Zo nee, acht zij dit eentekortkoming in het adviesproces? Erkent de Minister dat een advies overde wenselijkheid van vroegdiagnostiek dat de stem van patiënten en5Menéndez-González M et al. (2024) – Intrathecal immunoselective nanopheresis voor Alzheimer(IJMS)6Alzheimer Nederland – reactie op het Gezondheidsraadadvies (december 2025)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 8049 mantelzorgers niet structureel meeneemt, per definitie een onvolledigbeeld geeft? Is zij bereid dit bij toekomstige adviestrajecten over dementiete corrigeren, en erkent zij de gesignaleerde tekortkomingen in hetvoorliggende advies?Tot slot vragen de leden of de Minister, mede in het licht van de boven-staande overwegingen, bereid is een pilotprogramma voor biomarkerdi-agnostiek bij hoog-risicogroepen (familiaire belasting, APOE e4- drager-schap, vroege klachten) te overwegen ten behoeve van stratificatie enonderzoeksdeelname, en de uitkomsten daarvan aan de Kamer voor teleggen. Deze leden wijzen de Minister in dit verband op het amendementvan het lid Claassen7 inzake een nationaal versnellingsprogrammaMinimaal Invasieve Dementiediagnostiek (MIDD), dat voorzag in geoor-merkte middelen voor precies dit doel: bloedbiomarkers als triagein-strument, waarbij een negatieve bloedtest verdere invasieve diagnostiekvoorkomt en een positieve bloedtest gerichte doorverwijzing naaramyloïd-PET mogelijk maakt. Dit triage-model leidt niet alleen tot minderbelasting voor patiënten en minder gebruik van schaarse PET-capaciteit,maar ook tot een substantiële reductie van stralingsbelasting bij patiëntenbij wie pathologie op grond van de bloedtest onwaarschijnlijk is.Genoemde leden betreuren dat dit amendement ingetrokken is naaraanleiding van de ontrading en vragen de Minister of zij de beleidsmatigedoelstelling achter dat amendement alsnog onderschrijft en langs eenandere weg wil realiseren.Deze leden merken voorts op dat de onderhavige inbreng zich heeftgeconcentreerd op de ziekte van Alzheimer, hetgeen de prevalentiepro-portie binnen het dementiesyndroom rechtvaardigt: Alzheimer isverantwoordelijk voor circa twee derde van alle dementiegevallen inNederland. De leden van de Groep Markuszower benadrukken echter datde hierboven uiteengezette argumenten in wezenlijke mate ook opgaanvoor andere neurodegeneratieve aandoeningen, zij het met anderediagnostische en therapeutische nuances. Voor de ziekte van Parkinson,Lewy body-dementie en fronto-temporale dementie bestaan eveneensbiomarkertrajecten in ontwikkeling; bij vasculaire dementie spelenmodificeerbare vaatrisicofactoren een nog prominentere rol. Is deMinister bereid binnen de uitvoering van de NDS 2026–2030 per demen-tievorm een concreet actieplan voor de diagnostische agenda op te stellen(in het bijzonder de inzet van minimaal invasieve biomarkers), en deKamer hierover te informeren?II. Reactie van de Minister Ik dank de leden van de commissie en de fracties voor hun inbreng. Ik gahieronder in op de vragen die zijn gesteld.Reactie op de vragen van de leden van de D66-fractieDe Gezondheidsraad heeft geadviseerd om primair in te zetten oppreventieve maatregelen die het risico op ontwikkelen van dementiekunnen verkleinen, en pleit ervoor om bestaande preventieve maatregelenter preventie van andere chronische aandoeningen met dezelfderisicofactoren te versterken en te verbreden. Daarnaast wordt gesteld datde inzet op een gezonde leefstijl kan bijdragen aan de risicoreductie vandementie. Daartoe vragen de leden van de D66-fractie welke concreteacties de Minister hier nu al op onderneemt, naast het starten van deCoalitie Leefstijl in de Zorg?7Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 77Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80410 Naast de inzet op leefstijl in en vanuit de zorg, zet het kabinet op meerderemanieren in op het belang van een gezonde leefstijl en preventie in desamenleving. Zo zijn in de Samenhangende preventiestrategie (opvolgervan het Nationaal Preventieakkoord) ambities geformuleerd op gebiedvan meerdere leefstijlfactoren die ook als risicofactor voor dementiegelden, zoals de preventie van gehoorschade en roken. Daarnaast is er inhet Aanvullend Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) afgesproken om debeweging van zorg naar gezondheid te versterken door meer te gaaninvesteren in preventie, waaronder ook aandacht voor het terugdringenvan roken en overgewicht, beiden belangrijke risicofactoren.Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar onder andere de (kosten)ef-fectiviteit van dementie risicoreductie via individueel leefstijladvies.Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of er ook gekeken wordt naarhet gezonder inrichten van de samenleving in bredere zin. Bijvoorbeelddoor meer actie te ondernemen op het creëren van meer openbarebeweegruimte en een gezonde omgeving? Zo ja, welke dingen gebeurener concreet? Op welke wijze en op welke termijn wordt de Kamergeïnformeerd over de voortgang? Zo nee, waarom wordt hier momenteelnog geen actie op ondernomen?VWS heeft aan het RIVM en ZonMw opdracht gegeven tot het ProgrammaGezonde Leefomgeving (PGLO). Dat programma richtte zich niet specifiekop dementie, maar wel op de bijdrage die een gezonde leefomgeving kanhebben aan het tegengaan van risicofactoren die ook voor dementie vanbelang zijn. Het programma is gefinancierd met middelen die hettoenmalige kabinet vrijmaakte voor het bestrijden van volksziekten,waaronder dementie maar ook kanker en obesitas.Het PGLO heeft veel kennis opgeleverd die met name gemeenten moethelpen om de openbare ruimte gezonder in te richten. Die kennis wordtvoor een groot deel ontsloten via gezondeleefomgeving.nl en dit jaarbesteedt het RIVM veel aandacht aan het laten landen van deze kennisdoor middel van onder andere workshops en seminars. Parallel aan hetPGLO ontvingen gemeenten onder de vlag van het Gezond en ActiefLeven Akkoord middelen om te investeren in gezonde leefomgeving. UwKamer wordt hiervan op de hoogte gehouden via de GALA-monitor8.Daarnaast heeft de Minister van VWS bij de begrotingsbehandelingafgelopen maart naar aanleiding van de motie Kostic´ toegezegd de Kamerte informeren over de voortgang op gebied van gezonde leefomgeving(Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 136). Naar verwachting ontvangt de Kamerdeze brief voor het eind van het jaar.Vanuit het ZonMw Onderzoeksprogramma Dementie financiert VWS ookhet landelijke consortium BIRD-NL9. Dit consortium levert de wetenschap-pelijke basis voor preventieve interventies tegen dementie. De focus ligthierbij op risico-communicatie voor individuen, scenario’s voor populatie-brede maatregelen en beleidsstrategieën gericht op leefstijl, omgeving enmaatschappelijke gezondheidsdeterminanten. In de jaarlijkse voortgangs-brief van de NDS wordt u geïnformeerd over de voortgang en resultatenvan de onderzoekconsortia van het Onderzoeksprogramma Dementie.Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er verkend wordt of hetopportuun is om via het afwegingskader ook een casus uit te werken ophet gebied van dementie. Daartoe vragen deze leden wanneer het besluithierover verwacht kan worden.8GALA-monitor | RIVM9BIRD-NL – Alzheimercentrum Erasmus MCTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80411 Ik verwacht voor de zomer duidelijkheid te hebben over of er dit jaar nogeen casus wordt uitgewerkt op het gebied van dementie. Het RIVMadviseert mij hierover, mede op basis van de beschikbaarheid vanwetenschappelijk bewijs en de mate waarop een casus kan bijdragen aanhet doorontwikkelen van het afwegingskader.Reactie op vragen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie lezen dat in Nederland één op de vijf mensendementie krijgt. Bij vrouwen ligt dit aanzienlijk hoger. Eén op de drievrouwen krijgt te maken met dementie. Kan de Minister aangeven welkegevolgen dit grote verschil heeft voor haar preventiebeleid? Ziet zijaanleiding en mogelijkheden om specifiek beleid te voeren gericht opvrouwen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?De incidentie van dementie ligt hoger bij vrouwen, maar dat geldtdaarmee niet per se voor de risicofactoren. Een andere mogelijkeverklaring ligt in de langere levensverwachting van vrouwen. Daarnaastricht het preventiebeleid zich niet specifiek op preventie maar oprisicofactoren die voor een veelvoud aan ziektebeelden relevant zijn,waarvan sommige meer prevalent bij mannen en anderen weer bijvrouwen. Daarmee ligt het niet voor de hand om het preventiebeleid voorrisicofactoren als overgewicht en beweegarmoede te differentiëren naargeslacht.De leden van de VVD-fractie lezen dat het RIVM aan het verkennen is ofhet opportuun is om via het afwegingskader voor het investeringsmodelpreventie een casus uit te werken op gebied van dementie. Kan deMinister aangeven wanneer zij verwacht dat hierover een knoopdoorgehakt kan worden?Ik verwacht voor de zomer duidelijkheid te hebben of er dit jaar nog eencasus wordt uitgewerkt op het gebied van dementie. Het RIVM adviseertmij hierover, mede op basis van de beschikbaarheid van wetenschappelijkbewijs en de mate waarop een casus kan bijdragen aan het doorontwik-kelen van het afwegingskader.De leden van de VVD-fractie begrijpen dat causaal bewijs tussen preven-tieve maartregelen op risicofactoren voor dementie en de daadwerkelijkeverlaging van het aantal dementiegevallen lastig te onderbouwen is. Tochgeeft de Minister aan dat er verschillende initiatieven zijn gestart en ersubsidies zijn vergeven. Kan de Minister toelichten of zij kan waarborgendat dit zinvol is, aangezien de risicofactoren die de kans op dementiezouden verhogen, nog niet zijn aangetoond?Er loopt inderdaad veel rond preventie en gezondheidsbevordering. Dit isechter niet alleen op het voorkomen van dementie gericht, maar op hetvoorkomen van vele ziektebeelden die gerelateerd zijn aan risicofactorenzoals overgewicht en beweegarmoede. Het feit dat de effectiviteit vandeze maatregelen voor het tegengaan van dementie moeilijk aantoonbaaris hoeft daarom geen belemmering te zijn om hierin te investeren gelet opde bredere maatschappelijke baten die preventie oplevert.De leden van de VVD-fractie lezen dat de Minister groot belang hecht aanhet tijdige organiseren van zorg voor mensen met dementie. Dit is bijdementie extra belangrijk omdat de wilsbekwaamheid vervalt. Heeft deMinister er zicht op of ouderen in Nederland hier regelingen toe getroffenhebben? Kan zij aangeven hoe groot de groep is bij wie dit (waarschijnlijk)nog niet geregeld is? Is het voor ouderen of andere risicogroependuidelijk wat zij bij een notaris, bank en/of huisarts moeten regelen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80412 Wordt er genoeg gedaan om deze groepen de informeren over het belangvan het vastleggen wat zij willen mochten zij worden overvallen doordementie?Het kabinet hecht groot belang aan tijdige, proactieve begeleiding vanmensen met dementie en naasten gedurende het gehele verloop van deziekte, van de zogenoemde niet-pluisfase tot en met de laatste levensfase.Het kabinet acht vroegtijdige inzet van de casemanager dementie vangrote waarde. Hoe eerder een casemanager betrokken is, ook al in deniet-pluisfase, voordat de diagnose vaststaat, hoe beter mensen metdementie en hun naasten ondersteund kunnen worden bij het maken vankeuzes en het organiseren van passende zorg. De casemanager informeertcliënten en hun naasten over het ziektebeloop, begeleidt bij het makenvan moeilijke beslissingen, en verwijst door naar de juiste hulp,waaronder juridische en financiële ondersteuning. Dit kan eraan bijdragendat mensen langer verantwoord thuis kunnen blijven wonen.Het kabinet heeft geen volledig beeld van de mate waarin ouderen inNederland juridische en financiële regelingen hebben getroffen voor hetgeval zij wilsonbekwaam worden, noch van de omvang van de groepwaarbij dit mogelijk nog niet is geregeld. Er zijn op dit moment geenlandelijke gegevens beschikbaar over bijvoorbeeld het aantal mensen meteen levenstestament, volmacht of andere vertegenwoordiging.Het is niet voor iedereen duidelijk wat geregeld moet worden en bij welkepartijen ze terecht kunnen. De casemanager dementie kan hierin eenbelangrijke rol spelen door cliënten en hun naaste te informeren en zonodig door te verwijzen, bijvoorbeeld voor het vastleggen van eenlevenstestament of volmacht bij de notaris, het informeren van de bankover vertegenwoordiging, en het gesprek met de huisarts over wensenrondom behandeling en levenseinde, de zogeheten proactievezorgplanning.Proactieve zorgplanning is een belangrijk onderdeel van het werk van decasemanager dementie: al in een vroeg stadium worden wensen, doelenen voorkeuren rondom de palliatieve fase besproken en vastgelegd,samen met de cliënt, naasten en betrokken artsen. Dit gebeurt bijvoorkeur terwijl de persoon met dementie nog wilsbekwaam is.De leden van de VVD-fractie lezen dat er binnen het onderzoekspro-gramma dementie van ZonMw onderzoek gedaan wordt wat hetNederlands zorgstelsel nodig heeft als in de toekomst meerdere therapeu-tische behandelingen beschikbaar komen. Kan de Minister aangeven hoezij ervoor kan zorgen dat de Nederlandse zorg hier klaar voor is, wanneerdeze doorbraken er zijn? Hoe wordt het patiënten- en mantelzorgper-spectief hierin meegenomen?Het klopt inderdaad dat er in opdracht van ZonMw binnen het Onder-zoeksprogramma Dementie (onderdeel van de Nationale Dementiestra-tegie) momenteel een gerichte verkenning wordt uitgevoerd. Dezeverkenning brengt in kaart wat het zorgveld nodig heeft bij een eventueletoekomstige introductie van ziektemodificerende geneesmiddelen voordementie. Hierbij wordt gekeken naar de organisatie van zorg, monitoringvan bijwerkingen en communicatie richting patiënten en professionals. Deresultaten van deze verkenning worden in de zomer van 2026 verwacht.Op basis van de uitkomst van deze verkenning is ZonMw voornemens eenspecifieke subsidieregeling voor een vervolgtraject op te zetten. Het doelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80413 hiervan is om het Nederlandse zorgsysteem concreet en structureel klaarte maken voor deze medische innovaties.Het perspectief van patiënten en hun naasten is van essentieel belang bijdeze transitie. Dit is op twee manieren verankerd: 1) In de huidigeverkenning is Alzheimer Nederland actief betrokken. 2) Voor de opvol-gende subsidieregeling is actieve participatie van patiënten en naasten inalle fasen van het traject een standaard ZonMw-voorwaarde.De leden van de VVD-fractie begrijpen tot slot dat diagnosestelling bijmensen met een al aanwezige verstandelijke beperking vaak ingewikkeldis. Kan de Minister aangeven hoe zij wil bereiken dat juist ook deze groepbeter bereikt wordt? Is de kennis hierover genoeg aanwezig in Nederland?Op welke manier kan zij zorgverleners hier beter toe helpen voorbereiden?Ik deel met de leden van de VVD-fractie dat het belangrijk is aandacht tehebben voor dementie onder mensen met een verstandelijke beperking.Op het kennisplein gehandicaptensector10 zijn handreikingen en infor-matie beschikbaar over mensen met een beperking en dementie.Daarnaast is in oktober 2023 gestart met de ontwikkeling van de richtlijnVeroudering bij mensen met een verstandelijke beperking door SKILZ. Deverwachting is dat de richtlijn eind 2026 gepubliceerd zal worden.In de Zorgstandaard Dementie11, wordt ook aandacht besteed aandementie bij mensen met een verstandelijke beperking. Tevens wordenbinnen de Nationale Dementiestrategie (NDS) middelen vrijgemaakt omzorgstandaard te implementeren. Dat wordt onder meer gedaan doormaandelijkse leerbijeenkomsten en maatwerktrajecten. Bij maatwerktra-jecten kunnen regionale dementienetwerken middelen aanvragen omspecifieke knelpunten rond dementiezorg aan te kunnen pakken,waaronder de zorg voor mensen met een beperking en dementie.Daarnaast bekijk ik welke activiteiten ik kan ontplooien binnen de driethema’s van de NDS om de zorg en ondersteuning voor mensen met eenbeperking en dementie te verbeteren. Hiertoe zet ik gericht onderzoek uit.Ik zal uw Kamer hier met de voortgangsrapportage NDS over informeren.Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van dePRO-fractieDe leden van de fractie van PRO lezen dat in Nederland één op de vijfmensen dementie heeft en dat bij vrouwen dat zelfs één op de drie is. Kannader toegelicht worden welke oorzaken mogelijk ten grondslag liggenaan dit verschil waarbij vrouwen vaker dementie hebben?Het onderzoeksprogramma dementie bij ZonMw zoekt naar verklaringenvoor deze geslachtsverschillen. Het NCDC12 consortium bekijkt in hunonderzoek of een specifiek eiwit wat geassocieerd wordt met bepaaldevormen van alzheimer bij vrouwen vaker voorkomt dan mannen.Dementie is een ziekte die zich vaak pas laat in het leven van mensenopenbaart. Omdat vrouwen relatief ouder worden dan mannen is ditmogelijk een deel van de verklaring. Onderzoekers denken echter dat erook andere verklaringen voor kunnen zijn, zoals hormonale factoren,genetische verschillen, verschillen in hart- en vaatziekten en in de werkingvan het immuunsysteem13. Uit onderzoek weten we dat bepaaldezenuwcellen (zogenaamde parvalbumine (PV) cellen) een rol spelen bij deontwikkeling van cognitie verschillen tussen mannen en vrouwen. Binnenhet internationale onderzoeksprogramma JPND wordt gekeken of deze10https://www.vilans.nl/kennis/kennisplein-gehandicaptensector11Zorgstandaard Dementie12ZonMw project – NCDC13https://link.springer.com/article/10.1186/s12916-023-03159-0Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80414 cellen mogelijk het verschil tussen mannen en vrouwen nader kunnenverklaren14.Zij lezen tevens dat de zorgkosten voor dementie naar verwachting naar€ 15,6 miljard zullen stijgen in 2040. Zou nader toegelicht kunnen wordenhoe deze inschatting is gemaakt en hoe de kosten zijn opgebouwd? Zoutevens nader per tabel een vergelijking kunnen geschetst worden metandere veelvoorkomende aandoeningen bij ouderen en de daarmeegeassocieerde kosten?Het RIVM heeft in het kader van de Volksgezondheid ToekomstVerkenning(VTV) 202415 een trendscenario uitgevoerd naar verschillende ziekten enaandoeningen, waaronder dementie. Dit wordt gedaan door eengeïntegreerd model waar demografie, ziektelast en zorgconsumptieworden gecombineerd. Het RIVM geeft aan dat de stijging van zorgkostenvolledig voor rekening van de vergrijzing zijn. Andere ziekten diegeassocieerd worden met ouderdom, zoals artrose, stijgen weliswaar ook,maar de kosten die voor behandeling en zorg van dementie nodig zijn, zijnveel hoger dan voor deze ouderdomsziekten. Dit omdat dementie eenprogressieve hersenziekte is waarbij, afhankelijk van het soort dementieen de mate van progressie, mensen volledig afhankelijk worden van zorgen ondersteuning. Omdat het hier gaat om een trendscenario, is een éénop één vergelijking met andere veel voorkomende aandoeningen bijouderen niet mogelijk. De gevraagde tabel kan ik daarmee niet leveren.De leden van de PRO-fractie lezen dat dementie in alle gevallen bijzonderingrijpend voor de mensen met dementie en hun naasten is. Zijherkennen dit beeld en vragen de Minister welke ondersteuningsmogelijk-heden er bestaan voor naasten van mensen met dementie. Op welke wijzeworden naasten goed meegenomen in en voorbereid op het verdereverloop van de ziekte? Zij willen daarnaast graag het belang van demen-tievriendelijke buurten onderstrepen. Op welke wijze zet het kabinet zichin voor het dementievriendelijk inrichten van buurten? Hoe stimuleren zijinitiatieven die zich hiervoor inzetten?Ik erken dat dementie veel vraagt van mantelzorgers en naasten vanmensen met dementie en deel dan ook de noodzaak van goede onder-steuning. Vanuit de Nationale Dementie Strategie wordt hier invullingaangegeven binnen het thema: betere zorg en ondersteuning voormensen met dementie en hun naasten. Met het AZWA wordt ook ingezetop betere afspraken tussen het sociale, medische en publieke gezond-heidsdomein wat moet leiden tot een gerichter ondersteuningsaanbod datgemeenten kunnen inkopen. Het doel is vooral het uitstellen vanzwaardere zorg, maar een goede ondersteuningsstructuur draagt ook bijaan ondersteuning en ontlasting van mantelzorgers en naasten vanmensen met dementie.Verder hecht ik eveneens belang aan dat naasten gedurende het geheleverloop van de ziekte goed worden begeleid, dus vanaf het moment datde eerste vermoedens van dementie optreden (niet-pluisfase) tot en metde eindelevensfase. Dit door duidelijke informatie, emotionele onder-steuning en begeleiding van professionals zoals een casemanagerdementie te bieden.Zij krijgen uitleg over het verloop van de ziekte, leren omgaan metveranderingen in gedrag en worden betrokken bij zorg- en behandel-keuzes. Daarnaast helpt lotgenotencontact en praktische ondersteuningom mantelzorgers en naasten beter voor te bereiden op toekomstige14JPND-MESEPAD – Project Factsheet15Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2023–2024, Kamerstuk 32 793, nr. 705Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80415 situaties om overbelasting te voorkomen. Vroegtijdige inzet van decasemanager dementie is hierbij essentieel: hoe eerder deze betrokken is,ook al in de niet-pluisfase, hoe groter het verschil dat gemaakt kanworden. De casemanager vervult een centrale rol als spin in het web, kandoorverwijzen naar de juiste hulp en draagt er zo toe bij dat mensen metdementie langer thuis kunnen blijven wonen en zorgescalatie wordtvoorkomen. Daarmee waarborgt de casemanager niet alleen de continu-ïteit van zorg, maar ook een menswaardig bestaan voor de persoon metdementie en diens naasten.Tenslotte vind ik het van belang dat mensen met dementie langer thuiskunnen blijven wonen in hun vertrouwde omgeving. Vanuit het kabinetwordt dit gestimuleerd door de bouw van zorggeschikte en geclusterdewoonvormen. Ook onderzoekt het kabinet hoe gemeenschapsvorming inwoonvormen verder kan worden gestimuleerd wat ook bijdraagt aan eeninclusievere buurt, onder andere voor mensen met dementie. Daarnaastwordt er vanuit de Nationale Dementie Strategie ingezet op een meerdementievriendelijke samenleving door o.a. het trainen van vrijwilligersop locatie van verenigingen en clubs. Daarmee wordt ingezet op hetverkleinen van stigma’s die er leven over mensen met dementie en wordtingezet op het creëren van een positievere beeldvorming. Het afgelopenjaar was het daarnaast mogelijk om bij ZonMw een voucher aan te vragenom samen met bewoners de wijk beweeg- en ontmoetingsvriendelijker temaken. Dit jaar gaan gemeenten hiermee aan de slag.De leden van de PRO-fractie lezen dat de beschikbare methoden voorvroegdiagnostiek nog onvoldoende betrouwbaar zijn om buiten despecialistische ziekenhuiszorg breed toe te passen. Welke onderzoekenlopen er momenteel zowel binnen als buiten Nederland om de methodente verbeteren?Om de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en toegankelijkheid van vroegeen tijdige diagnostiek te vergroten, lopen er momenteel zowel nationaalals internationaal omvangrijke onderzoeken. Deze richten zich met nameop de transitie van invasieve, complexe diagnostiek naar laagdrempelige,betrouwbare methoden zoals bloedtesten, geavanceerde beeldvorming endigitale tests.Lopende onderzoeken in NederlandBinnen het ZonMw Onderzoeksprogramma Dementie, onderdeel van deNDS, lopen twee grootschalige consortia die sterk internationaal zijnverweven:•TAP-dementie (Tijdige, Accurate en gePersonaliseerde diagnose vandementie)16: Dit consortium werkt aan de verbetering van de diagnos-tiek van alzheimer en andere dementievormen in de dagelijkse praktijk.Naast onderzoek naar nieuwe methoden zorgt dit consortium voorimplementeren van bewezen methodieken.•ABOARD-consortium (A personalized medicine approach for Alzhei-mer’s disease)17: Dit landelijke, multidisciplinaire consortium richt zichop gepersonaliseerde zorg, diagnose in de stadia vóórdat dementieoptreedt, en de voorspelling en preventie van Alzheimer.Daarnaast lopen er specifieke projecten gericht op de directe implemen-tatie van bloedbiomarkers:16TAP-dementia – Alzheimercentrum Amsterdam: financiering o.a. door ZonMw-OPD17ABOARD project: financiering o.a. door ZonMw-OPDTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80416 •BRIDGE-AD18: Onderzoekt de klinische impact van het gebruik vanbloedbiomarkers op Nederlandse geheugenpoliklinieken.•BRIDGE-Pragmatic19: Richt zich op de ervaringen, visies en behoeftenvan artsen ten aanzien van de introductie van bloedtesten.Lopende onderzoeken buiten Nederlanda. Europa (JPND en Horizon Europe) Binnen de Europese programma’s lopen diverse projecten met deelnamevan Nederlandse onderzoekers die zich richten op vroege en nauwkeurige(differentiaal)diagnostiek. De financiering van deze projecten lopen onderander via JPND (Nederlandse onderzoeken ontvangen het budget via hetZonMw Onderzoeksprogramma Dementie)20, Horizon Europe enInnovative Health Initiative21. Een paar van deze lopende projecten zijnhieronder uitgelicht:–HBCI22 (2022–2025): Ontwikkelt innovatieve, niet-invasieve MRI-technieken om het reinigingssysteem van de hersenen (glymfatischsysteem) in de pre-symptomatische fase in kaart te brengen.–MESEPAD23 (2025–2028): Onderzoekt de fundamentele biologischemechanismen en biomarkers achter de geslachtspecifieke kwetsbaar-heid van zenuwcellen in de vroege fase van Alzheimer.–FluiDx-AD24 (2024–2028): Richt zich op de klinische validatie enopschaling van een geavanceerd vloeistoftestentrio (bloed enspeeksel) voor de vroege detectie van alzheimer.–PREDICTFTD25 (2024–2029): Focust op de versnelde diagnostiek enbiologische subclassificatie van frontotemporale dementie (FTD) metbehulp van vloeistofbiomarkers en AI-gestuurde computermodellen.–Access-AD26 (2026–2031): richt zich specifiek op de herinrichting vande alzheimer-zorgpaden. Het project valideert de gecombineerde inzetvan vloeistofbiomarkers en digitale thuistesten.–PROMINENT27 (2023–2028): gaat een digitaal platform opzetten om dediagnose en gepersonaliseerde behandeling van mensen met de ziektevan Alzheimer, en andere vormen van dementie, te verbeteren.b. Buiten Europa Buiten Europa zijn langlopende, grootschalige netwerken zoals hetAmerikaanse ADNI (Alzheimer’s Disease Neuroimaging Initiative)28 enNational Dementia Workforce Study29, het JapanseJ-ADNI30 en hetAustralische AIBL31 die zicht bezig houden met o.a. valideren vangrootschalige uitrol van bloedbiomarkers in diverse populaties o.a. ineerstelijnszorg, klinische automatisering en kostenreductie van bloed-testen voor populatiebrede screening, de combinatie van bloedtesten enoptische oogmetingen respectievelijk. Daarnaast fungeert de DavosAlzheimer’s Collaborative (DAC) als een wereldwijde aanjager voor deimplementatie van laagdrempelige digitale screeningstools en vloeistof-18BRIDGE-AD2 – Alzheimercentrum Amsterdam19BRIDGE-Pragmatic – Alzheimercentrum Amsterdam20Programme Neurodegenerative Disease Research21Innovative Health Initiative22HBCI Project factsheet/ JPND: financiering o.a. door ZonMw-OPD23MESEPAD – Project Fact Sheet / JPND: financiering o.a. door ZonMw-OPD24FluiDx-AD: financiering door Horizon Europe25PREDICTFTD: financiering door Horizon Europe26Access-AD project: financiering door Innovative Health Initiative27PROMINENT-Project28ADNI | ADNI 429National Dementia Workforce Study30ALZHEIMER’S DISEASE RESEARCH IN JAPAN31The AIBL study – aibl.org.auTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80417 biomarkers in klinieken waar geavanceerde imaging-infrastructuur (zoalsPET-scans) ontbreekt.Deelt de Minister de mening van de leden van de fractie PRO dat, ondanksdat dementie (momenteel) niet te genezen is, een tijdige diagnose welheel belangrijk is?Ja.Bestaat de mogelijkheid om binnen een aantal Alzheimercentra alvast testarten met voorbereidingen op de komst van mogelijke nieuwemedicijnen, zodat zorgprofessionals zich kunnen blijven ontwikkelen indeze innovaties? Hoe wordt in dit proces het perspectief van patiënten enmantelzorgers meegenomen?Binnen de kaders van het Onderzoeksprogramma Dementie van deNationale Dementiestrategie wordt momenteel actief verkend hoe hetzorgsysteem en de Alzheimercentra optimaal kunnen worden voorbereidop de introductie van toekomstige ziektemodificerende behandelingen.Daarnaast ben ik ervan overtuigd dat zorgprofessionals, al dan niet viahun wetenschappelijke verenigingen, uitstekend in staat zijn ominnovaties zelfstandig te volgen en doorlopend de benodigde expertisevia onder andere deelname aan (inter)nationale consortia te ontwikkelen.Bij deze voorbereidingen staat het perspectief van patiënten en mantel-zorgers centraal. Alzheimer Nederland behartigd de belangen vanpatiënten en naasten via directe vertegenwoordiging in de stuurgroep vande NDS en de betrokken onderzoeksconsortia. Bovendien organiseertZorginstituut Nederland bij de mogelijke markttoelating van nieuweproducten zogeheten «scoping meetings». Tijdens deze bijeenkomstenbepalen patiëntenorganisaties, medisch specialisten en zorgverzekeraarsgezamenlijk de potentiële waarde van de therapie en de impact op deinrichting van de zorg. Op deze manier wordt geborgd dat de praktijker-varing en de behoeften van de patiënt vanaf het begin worden meege-nomen bij de inrichting van nieuwe zorgpaden.Genoemde leden lezen tevens dat de Gezondheidsraad adviseert omprimair in te zetten op preventieve maatregelen die het risico op hetontwikkelen van dementie kunnen verkleinen en pleit ervoor om debestaande maatregelen ter preventie van andere chronische aandoe-ningen met dezelfde risicofactoren te versterken en te verbreden. Zijonderstrepen het belang van effectieve preventieve maatregelen, die ookaangekaart worden bij de brede bevolking. Wat is de huidige status vanhet investeringsmodel preventie? Wanneer kan de Kamer een afwegings-kader voor het investeringsmodel preventie verwachten?In december 202532 is de Kamer geïnformeerd over de ontwikkeling vanhet afwegingskader als onderdeel van het investeringsmodel voorpreventie. Ik verwacht dat vanaf 2027 een eerste volwaardige versie vanhet afwegingskader beschikbaar zal zijn, die in 2028 en 2029 verderverfijnd zal worden. Voor het einde van 2026 volgt een nieuwe voort-gangsbrief over de ontwikkeling van het investeringsmodel.Wat gaat de Minister specifiek doen voor qua preventie voor groepen meteen lagere sociaaleconomische status?Bij het beleid t.a.v. gezondheidsbevordering en preventie ligt een grote rolbij gemeenten. Lokale gezondheidsbevordering zet in de regel nietspecifiek in op dementie-risicoreductie maar draagt daar wel aan bij32Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 32 793, nr. 878Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80418 doordat dit beleid zich richt op risicofactoren die ook van toepassing zijnop dementie, zoals overgewicht en beweegarmoede. Vanuit VWSontvangen gemeenten middelen om in hun lokaal beleid in te zetten ophet verkleinen van gezondheidsverschillen. In 2026 gaat het om € 20miljoen, vanaf 2027 is per jaar € 18 miljoen beschikbaar. Daarmee zet ikniet specifiek in op dementie-risicoreductie bij groepen met een lagesociaaleconomische status, maar in de brede bevolking. Wel is van belangdat maatregelen gericht op gezondheid toegankelijk zijn voor mensen meteen lagere sociaaleconomische status. Via verschillende beleidsterreinenheeft het Ministerie van VWS aandacht voor groepen met een lageresociaaleconomische status. Waaronder het beleid voor sport en bewegenwaar wij ons inzetten op het bevorderen van kansengelijkheid in (lokaal)sport en beweegbeleid.Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van dePVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactieop het advies van de Gezondheidsraad over risicoreductie en vroegdiag-nostiek van dementie. Deze leden lezen dat de Minister de nadruk oppreventie omarmt en deze wil inbedden in bestaand beleid, onder meervia de Samenhangende preventiestrategie, de geactualiseerde NationaleDementiestrategie, het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en de uitwerkingvan de basisfunctionaliteit dementie binnen het Aanvullend Zorg- enWelzijnsakkoord (AZWA). Ook lezen deze leden dat met het NederlandseHuisartsen Genootschap (NHG) wordt bezien wat het advies betekent voorde omgang met hoge bloeddruk als risicofactor. Daarover hebben zijenkele vragen en opmerkingen.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister per genoemd beleids-traject concreet uiteen te zetten welke nieuwe maatregelen specifiekgericht zijn op risicoreductie van dementie, en welke onderdelen slechtsvoortzetting zijn van reeds bestaand beleid. Ook vragen deze leden hoe deMinister voorkomt dat de verwijzing naar meerdere bestaande akkoorden,strategieën en beleidslijnen in de praktijk vooral leidt tot stapeling vangoede intenties, zonder dat dit resulteert in concreet merkbare preven-tieve inzet. Deze leden vragen voorts welke concrete, meetbare doelstel-lingen de Minister aan deze preventiebenadering verbindt als het gaat omdementierisico, en op welke termijn zichtbaar moet worden of deze inzetdaadwerkelijk effect sorteert.Het preventiebeleid richt zich niet specifiek op dementie, maar breder opgezondheidswinst. De mate waarin dit beleid effect sorteert blijkt onderandere uit de trends die we zien in de Volksgezondheid ToekomstVerkenning van het RIVM33. Wel zal onder de basisfunctionaliteit dementiedie in het AZWA is afgesproken specifiek aandacht zijn voor dementie-risicoreductie. Bij de beoordeling of deze basisfunctionaliteit leidt totbesparingen in de zorg zal ook worden gekeken naar de effectiviteit vanhet preventieve deel van de keten. Daarnaast richten de grote multidisci-plinaire onderzoeksconsortia BIRD-NL34 en NDPI35 gefinancierd via hetOnderzoeksprogramma Dementie van de NDS op gepersonaliseerderisicoprofielen en laagdrempelige interventies voor kwetsbare enpraktisch opgeleide doelgroepen. De inzet in de NDS en het AZWAversterken elkaar. Waar het onderzoeksprogramma binnen de NDS zichtricht op verdere kennisontwikkeling, richt de basisfunctionaliteit dementieuit het AZWA zich op toepassing in de praktijk. Zo bevat de basisfunctio-naliteit dementie een overzicht van concrete interventies die o.a. zijn33Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) | RIVM34BIRD-NL – Alzheimercentrum Erasmus MC35NDPI: Nederlands Dementie Preventie Initiatief | ZonMw ProjectsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80419 gericht op selectieve risicoreductie. In het HLO zijn geen maatregelenopgenomen specifiek gericht op risicoreductie van dementie. Juist doorvast te houden aan uitvoering van eerdere afspraken voorkomen we destapeling waar de leden van PVV-fractie naar verwijzen.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister nader toe te lichten wat deuitwerking van de basisfunctionaliteit dementie binnen het AZWA precieszal toevoegen aan het bestaande beleid, en welke preventieve componentdaarin expliciet wordt opgenomen. Deze leden vragen de Minister tevensaan te geven wat de basisfunctionaliteit dementie naar verwachtingoplevert voor mensen met dementie, professionals en hun naasten. Ookvragen zij de Minister wanneer de kaders voor de basisfunctionaliteitdementie beschikbaar zijn.Het doel van de basisfunctionaliteit dementie is het realiseren van eensamenhangend, toegankelijk en regionaal ingebed netwerk van onder-steuning en zorg voor mensen met dementie en hun naasten, op hetsnijvlak van zorg, sociaal domein en publieke gezondheid. Voor preventiekijkt de basisfunctionaliteit expliciet naar mensen die een verhoogd risicolopen op het ontwikkelen van dementie, zoals hoge bloeddruk ofovergewicht.Veel gemeenten, aanbieders van zorg en ondersteuning, GGD’en enverzekeraars zijn wel aan de slag met het thema dementie, maar dataanbod is nog niet altijd voldoende op elkaar afgestemd. De basisfunctio-naliteit maakt duidelijk op welke onderdelen extra aanbod nodig is, welkaanbod passend kan zijn met behulp van specifieke interventies uit degereedschapskist, en wat de rol van partijen in zorg, gezondheid enondersteuning daarbij is. Partijen kunnen elkaar aanspreken als die rolonvoldoende wordt opgepakt. Dat is nieuw, want voorheen was diewederkerigheid niet geborgd binnen afspraken. Tevens krijgen gemeentenextra middelen beschikbaar om het dementieaanbod in te kopen (20miljoen in 2027 oplopend tot 50 miljoen in 2029). Ik verwacht dat erdaardoor meer aanbod wordt georganiseerd voor mensen met dementieen hun naasten, zodat zij langer in eigen omgeving kunnen wonen. Doorde verbetering in samenwerkingsafspraken is de verwachting dat ditaanbod ook sneller gevonden wordt en beter toegankelijk is.Om gemeenten te ondersteunen bij het opzetten van de basisfunctiona-liteit dementie wordt nu gewerkt aan een handreiking waarin staat hoe debasisfunctionaliteit er uit moet zien. De eerste handreiking komt 15 julibeschikbaar op zorgakkoorden.nl. Op basis daarvan gaan gemeenten enGGD’s aan de slag met het voorbereiden en implementeren van debasisfunctionaliteit dementie.De basisfunctionaliteit staat de komende drie jaar op de ontwikkelagenda,wat betekent dat de aanpak nog in ontwikkeling is. Dit in vergelijking metal lopende aanpakken, zoals de basisfunctionaliteit valpreventie, dieinmiddels breed geïmplementeerd wordt. Op basis van ervaringen uit depraktijk, evaluatie en aanvullende toetsing zal de handreiking en functio-naliteit worden aangepast en uitgebreid.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister uiteen te zetten wat zij,mede in overleg met het NHG, concreet wil veranderen ten aanzien vanhoge bloeddruk als risicofactor voor dementie. Zij vragen of daarbijbijvoorbeeld wordt gedacht aan aanpassing van richtlijnen, intensieveresignalering, eerdere behandeling of extra bewustwording in de spreek-kamer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80420 Het kabinet zal met het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) ingesprek gaan over de mogelijke gevolgen van het advies van de Gezond-heidsraad voor de behandeling van mensen met een hoge bloeddruk. Ofdit leidt tot andere afwegingen of herziening van richtlijnen is aan deberoepsgroepen om te bepalen. In Nederland is het aan de beroeps-groepen om goede zorg voor (preventie) van dementie concreet vorm tegeven.Deze leden vragen voorts wanneer de Minister verwacht de Kamer teinformeren over de uitkomsten van het overleg met het NHG over hogebloeddruk en dementierisico.Het kabinet verwacht de Kamer in het najaar een volgende voortgangsrap-portage van de Nationale Dementiestrategie te sturen.Ook vragen deze leden hoe de gelden voor dementie beschikbaar vanuithet Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg exact worden ingezet.Vanuit het HLO is 7 mln. euro beschikbaar gesteld voor de uitvoering vande Nationale Dementiestrategie. In de Kamerbrief bij de geactualiseerdeNDS36 is aangegeven dat de doelstellingen grotendeels ongewijzigdblijven. De middelen worden ingezet voor de invulling van thema 2 eendementievriendelijke samenleving en thema 3 Leven met dementie.Daarbij moet worden gedacht aan de Campagne Samen Dementievrien-delijk, de implementatie van de Zorgstandaard Dementie, subsidie aanDementie Netwerk Nederland, de Odensehuizen, Ontmoetingscentra enhet Kenniscentrum Dementie op Jonge Leeftijd. Tevens bekijken wesamen met de partijen die de NDS ondersteunen37 op welke zakenaanvullende inzet nodig is. Voor een gedetailleerd overzicht van debeoogde inzet van de middelen verwijs ik deze leden naar de Begrotingvan VWS38.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe er in andere Europeselanden wordt omgegaan met de inzet van vroegdiagnostiek.De aanpak en inzet van vroegdiagnostiek binnen Europa varieert sterk.Nederland bevindt zich hierin in de voorhoede. Via de consortia binnen deNationale Dementiestrategie (zoals TAP-dementie en ABOARD) en onzesterke deelname aan klinisch onderzoek (zoals bevestigd door deEuropean Dementia Monitor 39), worden internationale best practicesdirect meegewogen in het Nederlandse beleid.Uit rapportages van Alzheimer Europe blijkt dat steeds meer landen«tijdige en vroege diagnostiek» expliciet opnemen in hun beleid. Eenbelangrijk knelpunt dat Alzheimer Europe signaleert, is de ongelijkheid inde toegang tot moderne diagnostische technieken (zoals lumbaalpunctiesof geavanceerde PET-scans). In West- en Noord-Europese landen is demedische infrastructuur beter uitgerust om goede diagnostischeinstrumenten in te zetten in de vroege (of prodromale) fase van de ziekte.De recente Europese markttoelating van de eerste ziektemodificerendemedicijnen (zoals lecanemab en donanemab) en de ontwikkeling vanbloedtesten als triage-instrument versnellen de discussie over vroege36Tweede Kamer der Staten-Generaal, Vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 25 424, nr. 77637Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Zorgverzekeraars Nederland (ZN), AlzheimerNederland, ActiZ, GGD GHOR Nederland, Sociaal Werk Nederland, Dementie NetwerkNederland (DNN), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN), Verenso en deBeroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW), ZonMw en de ZorgstandaardDementie38Tweede Kamer der Staten-Generaal, vergaderjaar 2025–2026, Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 139307767_ALZHEIMER EUROPE _European Dementia Monitor_2023_V7.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80421 opsporing en de inzet van gespecialiseerde diagnostiek in Europa. Erwordt veel internationaal onderzoek gedaan naar de validatie en imple-mentatie hiervan, waarin Nederland goed vertegenwoordigd is. NaastNederland onderzoeken en bereiden ook landen zoals Frankrijk enDuitsland voor hoe deze bloedtesten in de toekomst als laagdrempelige«vóórsortering» kunnen worden ingezet. De huidige klinische validatie enrichtlijnen in deze landen richten zich nu echter nog primair op degespecialiseerde tweede lijn (geheugenpoliklinieken). In Zwedendaarentegen vinden pilotprojecten en grootschalige validatie vanbloedbiomarkers al daadwerkelijk plaats in de eerste lijn (huisartsenprak-tijken).Binnen Europese netwerken, zoals Alzheimer Europe en de EuropeanAlzheimer’s Disease Consortium (EADC)40, worden best practicesuitgewisseld. Er wordt gezamenlijk gewerkt aan onder andere deharmonisatie van diagnostische protocollen en de updates van medischerichtlijnen. Dit moet helderheid bieden over welke patiënten het meestebaat hebben bij vroege, geavanceerde diagnostiek, mede met het oog opde introductie van potentiële nieuwe behandelingen.Deze leden willen ook graag weten wat de Minister onderneemt om tezorgen voor voldoende Casemanagers Dementie?In opdracht van VWS heeft PwC in 2024 een doorrekening gemaakt van deinzet van professionals in het casemanagement dementie (CMD) en devoorwaarden om deze inzet te vergroten. Naar aanleiding hiervan heb ikin 2025 gesprekken gevoerd met betrokken partijen over het toekomstbe-stendig organiseren van CMD. De Kamer is hierover eerder geïnfor-meerd41.Partijen geven aan te verwachten dat met goede samenwerking enorganisatie in de regio CMD ook in tijden van arbeidsmarktkrapte goedgeorganiseerd kan worden. De primaire verantwoordelijkheid hiervoor ligtbij partijen in de regio: professionals, zorgaanbieders en zorgverzekeraars.Zorgverzekeraars hebben daarbij de verantwoordelijkheid om vanaf deniet-pluisfase in te kopen, ook wanneer deze door casemanagers met eensociale werkachtergrond wordt geleverd. De aanspraak en bekostigingbieden daarvoor de ruimte. Dit is vastgelegd in de duiding van hetZorginstituut over de vergoeding van casemanagement voor mensen metdementie42.Tegelijkertijd ervaren partijen in de praktijk knelpunten rondom indicatie-stelling en financiering. Zo zijn mensen met beginnende dementie somsnog niet in beeld bij de wijkverpleging, van waaruit CMD wordt geïndi-ceerd, en zijn zorgverzekeraars niet altijd gewend partijen uit het sociaaldomein te contracteren. Het is aan het veld om hiermee aan de slag tegaan. Het kabinet houdt daarbij de vinger aan de pols.Hoe de Minister aankijkt tegen het idee van Alzheimer Nederland om ineen aantal Alzheimer centra al te beginnen met het voorbereiden opeventuele medicijnen.Binnen de kaders van het Onderzoeksprogramma Dementie van deNationale Dementiestrategie wordt momenteel actief verkend hoe hetzorgsysteem en de Alzheimercentra optimaal kunnen worden voorbereidop de introductie van toekomstige ziekte-modificerende behandelingen.Hierbij wordt gekeken naar de organisatie van zorg, monitoring vanbijwerkingen en communicatie richting patiënten en professionals. Deresultaten van deze verkenning worden in de zomer van 2026 verwacht.40EADC – eadc.online41Kamerbrief over stand van zaken Casemanagement dementie | Rijksoverheid.nl42Duiding – Casemanagement dementie in de Zvw | Zorginstituut NederlandTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80422 Op basis van de uitkomst van deze verkenning is ZonMw voornemens eenspecifieke subsidieregeling voor een vervolgtraject op te zetten. Het doelhiervan is om het Nederlandse zorgsysteem concreet en structureel klaarte maken voor deze medische innovaties.Deze leden vragen tot slot of de Minister bereid is de Kamer periodiek teinformeren over de voortgang van de preventieve inzet op dementie, juistom te kunnen beoordelen of de uitgesproken beleidsintentie ookdaadwerkelijk wordt omgezet in uitvoerbaar en toetsbaar beleid.Zoals hierboven wordt aangegeven richt het preventiebeleid zich nietspecifiek op dementie, maar breder op gezondheidswinst. De mate waarindit beleid effect sorteert blijkt onder andere uit de trends die we zien in deVolksgezondheid Toekomst Verkenning van het RIVM43. Het is dan ookniet mogelijk om periodiek aan de Kamer te rapporteren over devoortgang van preventieve inzet op specifiek dementie. Wel zal onder debasisfunctionaliteit dementie die in het AZWA is afgesproken specifiekaandacht zijn voor dementie-risicoreductie. Bij de beoordeling of dezebasisfunctionaliteit leidt tot besparingen in de zorg zal ook wordengekeken naar de effectiviteit van het preventieve deel van de keten. Overde voortgang van preventiebeleid in den brede wordt uw Kamer op dehoogte gehouden via diverse monitors, waaronder de GALA-monitor44.Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van deCDA-fractieDe leden van de CDA-fractie vragen welke rol de Minister ziet voor deomgeving en de samenleving als geheel in het kader van preventie. Als desamenleving beter leert omgaan met de aanwezigheid van dementie in dedirecte leefomgeving, helpt dat om problemen eerder te signaleren enbeter te dragen. Dat vergroot volgens deze leden het onderlinge begrip endraagt bij aan een meer zorgzame samenleving, waarin mensen elkaarsneller weten te vinden en ondersteunen. Deze leden vragen of deMinister dit deelt en zo ja, hoe dit vorm krijgt in het beleid de komendejaren, ook ten aanzien van het afsluiten van het bestuurlijk akkoord voorde ouderenzorg.Het kabinet deelt deze zienswijze. Een dementievriendelijke samenlevingis één van de belangrijkste thema’s binnen de Nationale DementieStrategie. Op dit thema wordt ingezet door middel van het programma«Samen dementievriendelijk» dat door Alzheimer Nederland wordtuitgevoerd. Als onderdeel van dit programma worden online trainingenen trainingen op locatie aangeboden die inzetten op een positieverebeeldvorming van mensen met dementie en het bieden van handvattenhoe je op een goede manier kunt reageren wanneer iemand bijvoorbeeldde weg kwijt is.Daarnaast wordt met het ZonMw programma «Dagactiviteiten voorthuiswonende mensen met dementie» extra ingezet op het blijvenmeedoen met dementie. Dit programma richt zich erop dat organisaties,bijvoorbeeld musea, bibliotheken en sportclubs, hun reguliere activiteitenlanger toegankelijk en aantrekkelijk houden voor thuiswonende mensenmet dementie.De leden van de CDA-fractie vragen wanneer er meer bekend wordt of hetRIVM ook een afwegingskader voor dementie uit gaat werken.43Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) | RIVM44GALA-monitor | RIVMTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80423 Ik verwacht voor de zomer duidelijkheid te hebben over of er dit jaar nogeen casus wordt uitgewerkt op het gebied van dementie. Het RIVMadviseert mij hierover, mede op basis van de beschikbaarheid vanwetenschappelijk bewijs en de mate waarop een casus kan bijdragen aanhet doorontwikkelen van het afwegingskader.Ook vragen deze leden op welke manier er bij preventie aandacht is voorgroepen met een lage sociaaleconomische status.Bij het beleid t.a.v. gezondheidsbevordering en preventie ligt een grote rolbij gemeenten. Lokale gezondheidsbevordering zet in de regel nietspecifiek in op dementie-risicoreductie maar draagt daar wel aan bijdoordat dit beleid zich richt op risicofactoren die ook van toepassing zijnop dementie, zoals overgewicht en beweegarmoede. Vanuit VWSontvangen gemeenten middelen om in hun lokaal beleid in te zetten ophet verkleinen van gezondheidsverschillen. In 2026 gaat het om € 20miljoen, vanaf 2027 is per jaar € 18 miljoen beschikbaar. Daarmee zet ikniet specifiek in op dementie-risicoreductie bij groepen met een lagesociaaleconomische status, maar in de brede bevolking. Wel is van belangdat maatregelen gericht op gezondheid toegankelijk zijn voor mensen meteen lagere sociaaleconomische status. Via verschillende beleidsterreinenheeft het Ministerie van VWS aandacht voor groepen met een lageresociaaleconomische status. Waaronder het beleid voor sport en bewegenwaar wij ons inzetten op het bevorderen van kansengelijkheid in (lokaal)sport en beweegbeleid.De leden van de CDA-fractie lezen dat ook de Minister benoemt dathoewel dementie niet te genezen is, een tijdige diagnose voor mensenmet dementie en hun naasten belangrijk is. In de praktijk wordt vaakalleen «dementie» vastgesteld, zonder de onderliggende oorzaak tespecificeren, zoals Alzheimer, Lewy body of vasculaire dementie. Dat kanechter meerwaarde hebben, omdat zorg en ondersteuning dan gerichterkunnen worden ingezet en er meer begrip in de omgeving ontstaat. Hoekijkt de Minister hiertegen aan, zo vragen deze leden.Ik deel de visie van de leden van de CDA-fractie dat een tijdige en zospecifiek mogelijke diagnose van grote waarde is voor mensen metdementie en hun naasten.De meerwaarde van een specifieke diagnose – in plaats van de verzamel-diagnose «dementie» – uit zich op verschillende terreinen. Het maaktpassende zorg en behandeling mogelijk die is afgestemd op de specifiekesymptomen en oorzaken van de betreffende dementievorm (zoals deziekte van Alzheimer of vasculaire dementie). Daarnaast helpt dezespecifieke kennis naasten om gedrag beter te begrijpen, wat hun belastingkan verminderen. Bovendien biedt het inzicht in het verwachte ziekte-verloop, waardoor patiënten en naasten tijdig keuzes kunnen maken ophet gebied van zorg, financiën en juridische zaken.Conform de ambities van de NDS wordt actief ingezet op de transitie naaroptimale, gepersonaliseerde diagnostiek. Een concreet voorbeeld hiervanis het landelijke consortium TAP-dementie (Tijdige, Accurate en gePerso-naliseerde diagnose van dementie). Dit grootschalige onderzoek richt zichonder andere op het ontwikkelen van nieuwe, minder belastendediagnostische instrumenten, zoals bloedtesten en geavanceerdebiomarkers. De onderzoekers brengen ook de biologische diversiteit ensubtypen van dementie in kaart.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80424 De inzet van de NDS is er de komende jaren op gericht om deze inzichtenen innovaties uit wetenschappelijk onderzoek zo snel mogelijk te vertalennaar de praktijk. Het doel blijft om, daar waar het meerwaarde heeft voorde kwaliteit van leven, zo tijdig en specifiek mogelijk te diagnosticeren.Reactie op vragen en opmerkingen van de leden van de 50PLUS-fractieDe leden van 50PLUS-fractie danken de Minister voor het toezenden vande beleidsreactie. Zij willen hierover nog een vraag stellen.Genoemde leden juichen toe dat er meer aandacht is voor de inzet op eengezonde leefstijl als mogelijke manier van risicoreductie. Op pagina 3/4staat vermeld dat eerste onderzoeksresultaten hierop wijzen, maar«daarbij geldt wel dat de kosteneffectiviteit nog beter moet onderbouwd».En: «De ambitie is om leefstijl integraal onderdeel te maken van dereguliere zorg voor mensen met een gezondheidsklacht, aandoening ofziekte».Hoe kijkt de Minister naar de stelling dat preventie en het bevorderen vangezonde levensstijl de primaire uitgangspunten zouden moeten zijn, inplaats van een ambitie? Bij dementie, maar zeker daarvoor niet alleen,maar zorgbreed?Het kabinet onderschrijft het belang van de inzet op een gezonde leefstijlals integraal onderdeel van de zorg. In het Integraal Zorgakkoord maaktehet kabinet al samen met partijen afspraken hierover. Om uitvoering tegeven aan deze afspraken is in 2023 de Coalitie Leefstijl in de Zorgopgericht. De Coalitie heeft in de afgelopen jaren aantoonbaar bijge-dragen aan de beweging om leefstijl structureel onderdeel te maken vanpassende zorg.Het kabinet is verheugd met deze beweging, maar ziet ook dat leefstijl nogniet volledig onderdeel is van de zorg. Het Kabinet vindt het goed en vanwezenlijk belang dat patiënten, zorgprofessionals, zorgorganisaties/zorgaanbieders, en zorgverzekeraars zich hiervoor, vanuit ieders eigenverantwoordelijkheid, inzetten. Het kabinet heeft onlangs de TweedeKamer geïnformeerd dat de Coalitie met financiële steun vanuit hetMinisterie van VWS, tot en met eind 2028 wordt voorgezet om deimplementatie en borging van leefstijl in de zorg te ondersteunen45. Na2028 stopt de Coalitie en is het aan de deelnemende partijen om dehandschoen verder op te pakken.De aandacht voor casemanagement als standaard is volgens de leden vande 50PLUS-fractie terecht. Het is goed om te lezen dat de casemanager alin een vroegtijdig stadium mag worden ingeschakeld. Zijn er voldoendecasemanagers om te voldoen aan de vraag?Uit onderzoek46 dat VWS door PWC heeft laten uitvoeren blijkt dat er in detoekomst een tekort aan casemanagers kan ontstaan. Net als in anderesectoren speelt een krappe arbeidsmarkt en vergrijzing hierbij eenbelangrijke rol. Het veld geeft aan dat dit sterk afhankelijk is van de wijzewaarop casemanagement dementie (CMD) wordt georganiseerd. Zijgeven aan dat CMD toegankelijk kan blijven, indien dit integraal onderdeelis van de geleverde zorg en ondersteuning in de wijk. Daarbij verwachtenpartijen dat in de praktijk minder dan de door PWC geraamde 80–100%van de mensen met dementie casemanagement willen gebruiken. Zowelprofessionals uit de zorg als het sociaal domein kunnen casemanagementbieden, waardoor het belangrijk is dat zorgverzekeraars deze zorg breed45Tweede Kamer der Staten-Generaal, 2026, Kamerstuk 32 793, nr. 88946PWC-Eindrapportage doorrekening casemanagement dementieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80425 inkopen. Het kabinet verwacht dat zij samen met gemeenten en zorgaan-bieders in elke regio afspraken maken, zodat zij invulling geven aan hunzorgplicht.Reactie op vragen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraadstelt dat bloedbiomarkers «niet betrouwbaar genoeg» zijn voor bredeinzet buiten de specialistische zorg. Deze leden merken op dat het advieshiermee voorbijgaat aan recentelijk gepubliceerde, peer-reviewedliteratuur die een aanzienlijk hogere diagnostische betrouwbaarheidaantoont. Zo publiceerde Nature Medicine (2025) een studie onder 1.767patiënten in vier secundaire zorgcohorten en één huisartsencohort in vierEuropese landen, waarbij geautomatiseerde plasma p-tau217-meting eennauwkeurigheid bereikte van 89–91 procent in de tweede lijn en 85procent in de eerste lijn. Een meta-analyse gepubliceerd in Alzheimer’s &Dementia (2025, n = 30 studies) toonde voor plasma p-tau217 eensensitiviteit van 82 procent en een specificiteit van 86 procent vooramyloïdpositiviteit aldus vergelijkbaar met, en in sommige gevallensuperieur aan, klassieke liquordiagnostiek. Lancet Neurology (2025)concludeerde bovendien in een systematische review dat plasma p-tau217een sterk nauwkeurige biomarker is met potentie voor klinische imple-mentatie47. Genoemde leden vragen de Minister of zij het advies van deGezondheidsraad op dit punt nader wil laten bezien in het licht vanpublicaties die na de sluitingsdatum van de literatuurreview zijnverschenen, en of zij bereid is een actuele wetenschappelijke update, inconjunctie met een technische briefing in samenwerking met AmsterdamUMC, hierover aan de Kamer aan te bieden.De Gezondheidsraad weegt als onafhankelijk wetenschappelijk advies-orgaan altijd de meest actuele stand van de (inter)nationale wetenschapen klinische praktijk. In het advies constateert de raad dat eiwitbepalingenin het bloed (bloedbiomarkers) weliswaar steeds betrouwbaarder wordenen steeds beter overeenkomen met biomarkeruitslagen in hersenvocht enPET-scans, maar dat grootschalige inzet buiten de specialistische zorg ophet moment van advisering nog te vroeg werd geacht. De door de ledenaangehaalde recente publicaties uit 2025 onderstrepen deze snelletechnologische vooruitgang.Het is, gegeven de dynamiek binnen dit onderzoeksveld, niet ondenkbaardat hernieuwde wetenschappelijke consensus of veranderde klinischerichtlijnen in de toekomst aanleiding zullen vormen om de Gezond-heidsraad te vragen de stand van zaken opnieuw te wegen.De Gezondheidsraad heeft laten weten dat zij uiteraard gaarne bereid isom, desgewenst, een technische briefing aan uw Kamer te verzorgen overde totstandkoming en de wetenschappelijke onderbouwing van dit advies.Het staat uw Kamer vrij om daarnaast experts uit het veld, zoals van hetAmsterdam UMC, uit te nodigen om hun perspectief op de meest recenteliteratuur te schetsen.De leden van de groep Markuszower constateren dat het advies van deGezondheidsraad vroegdiagnostiek vrijwel uitsluitend beoordeelt op devraag of hiermee individuele ziekteprogressie kan worden voorspeld.Hierdoor wordt het wetenschappelijk breed erkende doel van risicostratifi-47Nature Medicine 2025 – p-tau217 in primaire en secundaire zorg (n = 1.767)Alzheimer’s & Dementia 2025 – p-tau217 diagnostische accuraatheid, meta-analyse (n = 30studies)Lancet Neurology 2025 – bloedtest p-tau: systematische review en meta-analyseTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80426 catie ten behoeve van klinisch onderzoek en toekomstige therapiege-schiktheid buiten beschouwing gelaten.Bloedbiomarkers, met name plasma p-tau217, worden internationaalreeds ingezet om deelnemers voor klinische trials met ziekte-modificerende middelen (lecanemab, donanemab) te selecteren,waardoor kostbare en invasieve amyloïd-PET-scans kunnen wordenbeperkt. De Alzheimer’s Association heeft hier in 2022 expliciete «appro-priate use recommendations» voor uitgebracht. Een biomarker hoeft nietperfect prognostisch te zijn om legitiem voor stratificatiedoeleinden teworden gebruikt48.De leden van de groep Markuszower vragen de Minister te bevestigen ofte weerleggen of het advies van de Gezondheidsraad ook de toepassingvan bloedbiomarkers voor klinische trialselectie beoordeelt, dan wel of ditbuiten beschouwing is gelaten, en wat haar standpunt hierover is.Het klopt dat de commissie van de Gezondheidsraad niet heeft gekekennaar het gebruik van bloedbiomarkers als methode voor klinischetrialselectie. Dit viel buiten de scope van de adviesaanvraag en hetuiteindelijke advies; de raad doet hier dan ook geen aanbevelingen over.Het gebruik van bloedbiomarkers ten behoeve van trialselectie is primairhet domein van het (inter)nationale wetenschappelijke onderzoek en demedisch-ethische toetsingscommissies (METC’s) die individuele klinischestudies beoordelen. Het selecteren van geschikte patiënten voor weten-schappelijk onderzoek door innovatieve methoden kan een waardevollemanier zijn om vroege inzichten op te doen. Dit staat echter los van devraag of een diagnostisch instrument voldoende wetenschappelijk isgevalideerd en daarmee rijp is voor brede inzet binnen het Nederlandsezorgstelsel.Genoemde leden merken op dat het advies van de Gezondheidsraad zichbeperkt tot bloed- en liquorbiomarkers en niet rept van alternatievebiofluid-diagnostiek zoals traanvloeistof (lacrimal fluid). Een in ScientificReports (2021) gepubliceerde observationele studie van het AlzheimerCentrum Limburg (Maastricht UMC+) toonde aan dat tau-eiwitten (t-tau) intraanvocht aantoonbaar zijn en significant hoger liggen bij dementiepati-ënten dan bij patiënten met vroege cognitieve klachten. Traanvocht biedtals bijkomend voordeel dat het volledig non-invasief kan wordenverzameld. Verdere validatie is nodig, maar het ontbreken van ditonderzoeksspoor in het advies achten deze leden een lacune49.Is de Minister bereid te bezien of het lopende onderzoek naar traanvloei-stofdiagnostiek, ook in Nederlandse onderzoekscentra, deel kan uitmakenvan de nationale dementieonderzoeksagenda? Zo nee, op welke grond?Het Onderzoeksprogramma Dementie van de NDS focust onder andere opdiagnostiek en prognostiek. Daarnaast zijn er verschillende subsidiemoge-lijkheden van NWO en Alzheimer Nederland.Mochten de onderzoekers op basis van robuuste data kansen zien en eenconcreet onderzoeksvoorstel willen indienen, dan biedt de huidigeonderzoekinfrastructuur van de NDS met de subsidiemogelijkheden vanZonMw, NWO en Alzheimer Nederland, daarvoor de geëigende route.Deze aanvragen worden in onafhankelijke competitie gewogen op basisvan wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijke impact.48Alzheimer’s Association Appropriate Use Recommendations – bloedbiomarkers (Alzheimer’s& Dementia 2022)Nature Aging 2025 – bloedgebaseerde biologische stagering Alzheimer49Scientific Reports 2021 – tau en amyloïd in traanvloeistof, Maastricht UMC+ / AlzheimerCentrum LimburgTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80427 De leden van de groep Markuszower constateren dat de Gezondheidsraadmede het argument van psychologische belasting voor patiënten aanvoertals reden om vroegdiagnostiek te ontraden. Deze leden erkennen dat diteen reëel punt van zorg kan zijn, maar stellen dat dit argument in zijnhuidige formulering onvoldoende wordt genuanceerd.Ten eerste toont de wetenschappelijke literatuur aan dat de vrees voorpsychologische schade bij het bekendmaken van biomarkerresultatenminder empirisch gefundeerd is dan vaak wordt aangenomen. Grill et al.(Neurology 2023) concluderen dat vragen over de wenselijkheid van hetmeedelen van biomarkerresultaten steeds meer plaatsmaken voor hetinzicht dat dit over het algemeen veilig is en dat veel mensen hun uitslagwillen kennen. Ten tweede geldt dit in versterkte mate wanneer de uitslagwordt gecombineerd met begeleiding en counseling vooraf. Patiënten metklachten of een familiaire belasting wensen doorgaans wél te weten waarzij aan toe zijn, het paternalistisch onthouden van diagnostische infor-matie gaat voorbij aan autonomie als kernwaarde in de gezondheidszorg.De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister op welkeempirische basis de Gezondheidsraad de psychologische last bijvroegdiagnostiek weegt, en of zij bereid is een afzonderlijk onderzoek telaten uitvoeren naar de feitelijke psychologische uitkomsten van hetbekendmaken van biomarkerresultaten in de Nederlandse context,inclusief de wensen van patiënten en mantelzorgers.De Gezondheidsraad weegt in zijn adviezen maatschappelijke, ethische enpsychologische aspecten zorgvuldig mee op basis van de beschikbarewetenschappelijke literatuur en de inbreng van de onafhankelijkeadviescommissie. In het specifieke advies ontraadt de raad vroegdiag-nostiek overigens niet primair vanwege de psychologische belasting,maar constateert de raad dat op dit moment de diagnostische enprognostische waarde van de beschikbare methoden voor vroegdiag-nostiek beperkt zijn en het nog ontbreekt aan een effectieve therapeu-tische behandeling die vroegdiagnostiek buiten de (hoog)specialistischezorg rechtvaardigt.De raad beschrijft in het advies verschillende maatschappelijke, psycholo-gische en ethische overwegingen die bij toekomstige ontwikkelingen rondvroegdiagnostiek moeten worden meegewogen, mochten er effectieverevroegdiagnostische methoden of behandelingen beschikbaar komen. Dedoor de leden aangehaalde literatuur over het belang van pre- enposttestcounseling onderstreept precies de complexiteit van dezetoekomstige inrichting.Ik onderschrijf het belang van autonomie, goede begeleiding encounseling bij het delen van biomarkerinformatie. Op dit moment zie ikgeen aanleiding om een afzonderlijk, nieuw onderzoek te laten uitvoerennaar de feitelijke psychologische uitkomsten en patiëntenwensen in deNederlandse context. Deze thema’s, inclusief de impact van het bekend-maken van biomarker-resultaten en het perspectief van patiënten enmantelzorgers, worden namelijk al nadrukkelijk meegenomen binnen delopende consortia (zoals ABOARD en TAP-dementie) onder het Onder-zoeksprogramma Dementie van de Nationale Dementiestrategie. Deinzichten uit deze onderzoeken, waarin ook patiëntenvereniging AlzheimerNederland participeert, leveren onder andere de empirische basis dienodig is voor toekomstige, verantwoorde zorgpaden.De leden van de Groep Markuszower constateren dat een cruciaaldraagvlak van het negatieve advies de stelling is dat er geen effectievetherapeutische behandeling beschikbaar zou zijn. Zij wijzen de Minister optwee relevante ontwikkelingen die dit standpunt nuanceren.Ten eerste zijn lecanemab (Leqembi) en donanemab in 2025 door deEuropese Commissie goedgekeurd voor de Europese markt. ZorginstituutTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80428 Nederland heeft in februari 2026 negatief geadviseerd over vergoedingvan lecanemab vanuit het basispakket, vanwege het als beperkt beoor-deelde klinische effect. Alzheimer Nederland heeft aangegeven teleurge-steld te zijn in dit besluit en benadrukt dat patiënten samen met hun artsmoeten kunnen besluiten of zij een behandeling willen. Juist voor beidemiddelen geldt dat vroegdiagnostiek een absolute voorwaarde is: ze zijnuitsluitend inzetbaar in het vroegste stadium van Alzheimer. Een beleiddat vroegdiagnostiek ontmoedigt, ondermijnt daarmee de toekomstigetoegankelijkheid van ziekte-modificerende therapieën zodra vergoedingwél aan de orde is.Ten tweede bestaat een veelbelovende therapeutische modaliteit in devorm van therapeutische plasma-uitwisseling met albumine (therapeuticplasma exchange, TPE). De AMBAR-studie (fase IIb/III, Alzheimer’s &Dementia 2020; n = 347 gerandomiseerde patiënten, 41 centra in Spanjeen de VS) toonde een statistisch significante vertraging van cognitieve enfunctionele achteruitgang aan bij patiënten met milde tot matigeAlzheimer. Een real-world-cohortonderzoek uit Argentinië (Taragano et al.,2025; n = 32) ondersteunt de externe validiteit van deze bevindingen50. Deleden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij het advies vande Gezondheidsraad ook op het punt van beschikbare en in ontwikkelingzijnde therapieën nader wil laten bezien.Het wereldwijde dementieonderzoek is dynamisch. ZorginstituutNederland heeft in februari 2026 negatief geadviseerd over de vergoedingvan lecanemab, omdat deze voor de geregistreerde indicatie (volwassenpatiënten met een klinische diagnose van milde cognitieve stoornissen enmilde dementie als gevolg van de ziekte van Alzheimer) niet aan hetwettelijke criterium «stand van de wetenschap en praktijk» voldoet. Ditonafhankelijke oordeel is leidend voor opname in het basispakket.Dit besluit ontmoedigt tijdige diagnostiek niet. Via het Onderzoekspro-gramma Dementie van de Nationale Dementiestrategie (NDS) blijven wejuist investeren in tijdige en accurate diagnostiek (zoals via hetTAP-dementie consortium). Dit is essentieel voor eventuele toekomstigebehandelingen die wél voldoen, maar vooral om patiënten en naasten nual passende zorg en ondersteuning en toekomstplanning te kunnenbieden.Met interesse heb ik kennisgenomen van het genoemde onderzoek naartherapeutische plasma-uitwisseling (TPE) met albumine. In Nederlanddragen de relevante wetenschappelijke verenigingen (zoals NederlandseVereniging voor Neurologie (NVN) en de Nederlandse Vereniging voorKlinische Geriatrie (NVKG)) de verantwoordelijkheid voor de medischeinhoud van hun richtlijnen. Zij wegen nieuwe diagnostische en therapeu-tische interventies zelfstandig op basis van internationale wetenschappe-lijke standaarden en consensus, in nauwe afstemming met andereveldpartijen en eventuele parallelle pakketbeoordelingen door Zorgin-stituut Nederland.De Gezondheidsraad weegt als onafhankelijk orgaan de actuele weten-schappelijke stand van zaken. De conclusie dat er «geen effectievebehandeling beschikbaar is», duidt op het ontbreken van breed klinischbewezen, veilige en effectief toepasbare therapieën op dat moment. Ik ziegeen aanleiding voor een tussentijdse herziening; de raad volgtdoorbraken nauwgezet. Pas als de internationale consensus of nationalerichtlijnen substantieel wijzigen, is dat het moment om de impact opzorgpaden te evalueren.50Scoping review TPE/albumine Alzheimer (Frontiers in Neurology 2024) Gonzalo R et al. (2024)– ontstekingsmarkers in AMBAR (Ann Clin Transl Neurol)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80429 De leden van de Groep Markuszower merken op dat naast diagnostischevraagstukken ook een specifieke therapeutische technologie nadereaandacht verdient: nanofiltratietechnieken en immunoselective nanophe-resis. Bij deze aanpak wordt bloed of liquor door een nanoscopisch filtergeleid dat amyloïd-bèta en tau-eiwitten selectief verwijdert op basis vangrootte en lading. Een in International Journal of Molecular Sciences(2024) gepubliceerde review beschrijft de wetenschappelijke grondslagenvan deze benadering en de potentie ervan bij de ziekte van Alzheimer. Hetonderliggende mechanisme sluit aan bij de «peripheral sink hypothesis»die ook de grondslag vormt van de AMBAR-studie51.Deze leden constateren dat Nederland over sterke infrastructuur beschiktop het gebied van dementieonderzoek (onder meer via AlzheimerCentrum Amsterdam, Alzheimer Centrum Limburg en de nationaleDementiestrategie) en dat er in beginsel mogelijkheden bestaan om insamenwerking met academische centra, ziekenhuizen en industrie pilotsop te zetten voor nanofiltratietechnieken bij Alzheimer.De leden van de Groep Markuszower vragen de Minister of zij bereid is telaten onderzoeken of nanofiltratietechnieken als therapeutische aanpak bijAlzheimer wetenschappelijk en klinisch kansrijk zijn, en of zij vervolgensbereid is in gesprek te gaan met relevante partners, waaronder univer-sitair medische centra, Alzheimer Nederland en eventuele industriëlepartijen, om de haalbaarheid van een pilot in Nederland te verkennen. Zonee, op welke grond acht de Minister dit niet opportuun?Het Onderzoeksprogramma Dementie van de NDS focust onder andere opfundamenteel onderzoek, diagnostiek, prognostiek en veelbelovendeinnovatieve therapieën. De prioritering en financiering van onderzoekbinnen de verschillende thema’s verloopt onafhankelijk via ZonMw.Daarnaast financieren de Nederlandse Organisatie voor WetenschappelijkOnderzoek (NWO) en Alzheimer Nederland maatschappelijk en weten-schappelijk relevant onderzoek dat binnen de kaders van hun subsi-dierondes past (zoals de NWO KIC-calls en de Biomedical research-subsidies van Alzheimer Nederland).Onderzoeksvoorstellen voor innovatieve therapieën – inclusief nanotech-nologische toepassingen – kunnen door consortia van universitairemedische centra en kennisinstellingen, in samenwerking met industriëlepartners, worden ingediend binnen de open subsidierondes van dezeinstanties. Onafhankelijke expertcommissies toetsen deze voorstellenvervolgens op wetenschappelijke kwaliteit, haalbaarheid en klinischerelevantie.Ik acht het dan ook niet opportuun om als Minister zelf het initiatief tenemen tot een specifieke haalbaarheidsstudie of pilot voor nanofiltratie.Dit initiatief ligt primair bij het wetenschappelijke veld en de klinischeexperts. Mochten zij op basis van robuuste data kansen zien en eenconcreet onderzoeksvoorstel willen indienen, dan biedt de huidigeinfrastructuur van de NDS, samen met de subsidiemogelijkheden vanZonMw, NWO en Alzheimer Nederland, daarvoor de geëigende route.De leden van de Groep Markuszower merken op dat wetenschappelijkeadviezen over snel evoluerende medische technologieën per definitie eenhoudbaarheidsdatum kennen. Het advies sloot de literatuurreview in 2025,maar publicaties uit datzelfde jaar, waaronder een grote meta-analyse inLancet Neurology (september 2025) en studies in Nature Medicine enNature Aging, geven aanleiding tot herbeoordeling. Genoemde ledenmaken zich zorgen dat beleid wordt gebaseerd op een momentopname51Menéndez-González M et al. (2024) – Intrathecal immunoselective nanopheresis voorAlzheimer (IJMS)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80430 die de internationale wetenschappelijke stand van zaken niet langervolledig weerspiegelt.Is de Minister bereid toe te zeggen dat zij de Gezondheidsraad verzoekthet advies over vroegdiagnostiek periodiek, bij voorkeur jaarlijks, teactualiseren in het licht van nieuwe literatuur, en de Kamer hierover teinformeren? Is zij voorts bereid toe te zeggen dat de aanbeveling omvroegdiagnostiek te ontraden niet permanent als beleidslijn wordtverankerd, maar uitdrukkelijk als een huidige, tijdgebonden conclusiewordt gepresenteerd?De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaandat de (inter)nationale wetenschappelijke ontwikkelingen en trendsinherent nauwgezet volgt. Het periodiek of jaarlijks routinematig herhalenvan een formele adviesaanvraag is niet gebruikelijk en bovendien nietdoelmatig voor de capaciteit van de raad. Wel is het vaste praktijk dat deGezondheidsraad signalen afgeeft of uit eigen beweging adviseertwanneer nieuwe, doorslaggevende wetenschappelijke inzichten of trendsdaar aanleiding toe geven. Op basis van deze of andere signalen kan deraad gevraagd worden de stand van de wetenschap opnieuw in kaart tebrengen (zoals hiervoor aangegeven bij de beantwoording van vraag 1). Ikzal de Kamer uiteraard informeren zodra dergelijke substantiële updatesaan de orde zijn. Een vaste toezegging voor een jaarlijkse, formeleherziening door de raad kan ik om die redenen niet doen.Ik kan de Kamer daarentegen wel toezeggen dat de huidige aanbevelingenen de daarop gebaseerde beleidslijn niet definitief zijn verankerd, maaruitdrukkelijk gelden als een huidige, tijdgebonden conclusie die meebe-weegt met nieuwe ontwikkelingen. Zodra de effectiviteit, werking enveiligheid van nieuwe diagnostische methoden of de daaraan gekoppeldeziektemodificerende medicijnen in de klinische praktijk zijn bewezen,zullen we de beleidsregels in nauw overleg met het zorgveld en dewetenschappelijke instituten heroverwegen.De leden vragen de Minister of Alzheimer Nederland geconsulteerd istijdens de totstandkoming van het advies. Zo nee, acht zij dit eentekortkoming in het adviesproces? Erkent de Minister dat een advies overde wenselijkheid van vroegdiagnostiek dat de stem van patiënten enmantelzorgers niet structureel meeneemt, per definitie een onvolledigbeeld geeft? Is zij bereid dit bij toekomstige adviestrajecten over dementiete corrigeren, en erkent zij de gesignaleerde tekortkomingen in hetvoorliggende advies?De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaandat zijn adviezen opstelt op basis van de stand van de wetenschap en deklinische praktijk. De raad stelt daartoe een commissie van deskundigen indie de opdracht heeft om de wetenschappelijke literatuur en demaatschappelijke context onafhankelijk en objectief te wegen.Alzheimer Nederland is bij de totstandkoming van dit specifieke adviesdoor de Gezondheidsraad niet rechtstreeks formeel geconsulteerd. Ikbeschouw dit echter niet als een tekortkoming in het adviesproces van deraad. Inhoudelijk gezien waren de commissieleden immers goed op dehoogte van de standpunten van de patiëntenvereniging; diverse commis-sieleden onderhouden nauwe contacten met Alzheimer Nederland.Daarnaast zijn de standpunten, behoeften en zorgen van patiënten enmantelzorgers breed gedocumenteerd in wetenschappelijke publicaties,grijze literatuur en de openbare uitingen van de organisatie zelf, en zijndeze zodoende meegewogen.Ik deel de mening van de leden dat het perspectief van patiënten ennaasten essentieel is bij vraagstukken rondom de inrichting van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80431 dementiezorg. Voor toekomstige adviestrajecten over dementie blijft hetuitgangspunt dat de Gezondheidsraad, binnen zijn onafhankelijke positie,de relevante maatschappelijke context nauwgezet betrekt.Buiten de adviezen van de Gezondheidsraad om is het patiënten- enmantelzorgperspectief via Alzheimer Nederland bovendien al structureelen stevig verankerd in de stuurgroepen van de Nationale Dementiestra-tegie en de onderzoekconsortia van het Onderzoeksprogramma Dementie.Op deze wijze is de waardevolle inbreng van patiënten en hun naasten inde uiteindelijke besluitvorming en beleidsuitvoering geborgd.Tot slot vragen de leden of de Minister, mede in het licht van de boven-staande overwegingen, bereid is een pilotprogramma voor biomarkerdi-agnostiek bij hoog-risicogroepen (familiaire belasting, APOE e4- drager-schap, vroege klachten) te overwegen ten behoeve van stratificatie enonderzoeksdeelname, en de uitkomsten daarvan aan de Kamer voor teleggen. Deze leden wijzen de Minister in dit verband op het amendementvan het lid Claassen52 inzake een nationaal versnellingsprogrammaMinimaal Invasieve Dementiediagnostiek (MIDD), dat voorzag in geoor-merkte middelen voor precies dit doel: bloedbiomarkers als triagein-strument, waarbij een negatieve bloedtest verdere invasieve diagnostiekvoorkomt en een positieve bloedtest gerichte doorverwijzing naaramyloïd-PET mogelijk maakt. Dit triage-model leidt niet alleen tot minderbelasting voor patiënten en minder gebruik van schaarse PET-capaciteit,maar ook tot een substantiële reductie van stralingsbelasting bij patiëntenbij wie pathologie op grond van de bloedtest onwaarschijnlijk is.Genoemde leden betreuren dat dit amendement ingetrokken is naaraanleiding van de ontrading en vragen de Minister of zij de beleidsmatigedoelstelling achter dat amendement alsnog onderschrijft en langs eenandere weg wil realiseren.Ik onderschrijf de beleidsmatige doelstelling om te komen tot minderbelastende, efficiëntere en doelmatigere dementiediagnostiek. Dit is eenbelangrijk speerpunt binnen de Nationale Dementiestrategie (NDS). Demeerwaarde van een triage-model – waarbij betrouwbare bloedbio-markers in een vroeg stadium worden ingezet om onnodige en kostbarevervolgdiagnostiek (zoals ruggenmergpuncties of amyloïd-PET-scans) tevoorkomen – wordt in de wetenschappelijke gemeenschap breed herkend.Dit model vermindert de belasting voor de patiënt en spaart de schaarsezorg- en diagnostiekcapaciteit.Hoewel het amendement-Claassen destijds is ingetrokken en opgevolgddoor een motie, wordt er binnen de bestaande kaders van het Onder-zoeksprogramma Dementie al gewerkt aan de achterliggende doelstelling.De grootschalig onderzoeksconsortia TAP-dementie (Tijdige, Accurate engePersonaliseerde diagnose van dementie) en ABOARD richten zichspecifiek op de ontwikkeling, validatie en implementatie van onder anderedeze minimaal invasieve diagnostische instrumenten, waaronderbloedtesten. Binnen deze consortia vinden ook al de gezochte stratificatievan hoog-risicogroepen (zoals personen met een familiaire belasting ofvroege cognitieve klachten) plaats ten behoeve van onderzoeksdeelname.Het opzetten van een apart, aanvullend pilotprogramma voor biomarker-diagnostiek naast de reeds lopende infrastructuren is daarom nietdoelmatig en zou leiden tot fragmentatie van middelen en expertise. Deresultaten en voortgang van de consortia binnen de NDS wordennauwgezet gemonitord. De uitkomsten zullen, zodra deze gereed zijn voor52Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 77Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80432 vertaling naar klinische praktijk, vanzelfsprekend met uw Kamer wordengedeeld.Deze leden merken voorts op dat de onderhavige inbreng zich heeftgeconcentreerd op de ziekte van Alzheimer, hetgeen de prevalentiepro-portie binnen het dementiesyndroom rechtvaardigt: Alzheimer isverantwoordelijk voor circa twee derde van alle dementiegevallen inNederland. De leden van de Groep Markuszower benadrukken echter datde hierboven uiteengezette argumenten in wezenlijke mate ook opgaanvoor andere neurodegeneratieve aandoeningen, zij het met anderediagnostische en therapeutische nuances. Voor de ziekte van Parkinson,Lewy body-dementie en fronto-temporale dementie bestaan eveneensbiomarkertrajecten in ontwikkeling; bij vasculaire dementie spelenmodificeerbare vaatrisicofactoren een nog prominentere rol.Op dit moment zie ik geen aanleiding om naast de bestaande onderzoe-kinfrastructuur in de NDS per dementievorm een afzonderlijk actieplanvoor de diagnostische agenda op te stellen. De doelstellingen rondomspecifieke en gepersonaliseerde diagnostiek, met inbegrip van de inzetvan minimaal invasieve biomarkers, zijn namelijk al integraal belegdbinnen het lopende landelijke onderzoeksconsortium TAP-dementie(Tijdige, Accurate en gePersonaliseerde diagnose van dementie).Binnen dit consortium wordt intensief gewerkt aan het in kaart brengenvan de biologische diversiteit en de subtyperingen van dementie.Daarnaast richt het consortium zich specifiek op het valideren encombineren van verschillende biomarkers om zorgprofessionals meerhouvast te bieden bij complexe diagnostische vraagstukken in de praktijk.De Kamer wordt over de voortgang en resultaten van de NDS, inclusief demijlpalen van de onderzoekconsortia, jaarlijks geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 25 424, nr. 80433
Versie ddd65ae5e687357ca53926440a922963474a047136b4cb90b22fa28129af3d37 · Officiële bron.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.