KamerkringInloggen
Kamerstuk

Lijst van vragen en antwoorden over de zesde voortgangsrapportage Nationaal Programma Onderwijs (Kamerstuk 36600-VIII-135)

6 mrt 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie c4242fbeb54b509c · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2025Nr. 165 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 6 maart 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap over de brief van 4 december 2024 inzake de zesdevoortgangsrapportage Nationaal Programma Onderwijs (Kamerstuk36 600 VIII, nr. 135).De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 6 maart2025. Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Huls kst-36600-VIII-165ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1651 Vragen en antwoordenIn hoeverre kunt u al reflecteren op de voor- en nadelen van de manierwaarop deze subsidie is verstrekt, namelijk directer aan scholen in plaatsvan via schoolbesturen?Omdat de problemen als gevolg van de schoolsluitingen acuut waren,moesten leerlingen en scholen snel ondersteunend worden bij hetaanpakken van leervertragingen en problemen op sociaal-emotioneelvlak. Hierdoor is het NP Onderwijs in korte tijd – al tijdens de pandemie –tot stand gekomen. Op 17 februari 2021 is de Tweede Kamer geïnformeerdover de investeringen in het onderwijs via het Nationaal ProgrammaOnderwijs1.Voor het funderend is via dit programma in totaal € 5,8 miljardbeschikbaar. Dat geld moest snel bij scholen terecht komen om leerlingente helpen bij het tegengaan van de negatieve effecten van de coronacrisis.Het geld is daarom uitgekeerd in de vorm van aanvullende bekostigingaan schoolbesturen en niet als een subsidie. Schoolbesturen leggen overde aanvullende bekostiging verantwoording af in hun jaarverslag.Daarnaast verantwoorden zij zich, in het XBRL-portaal van DUO, over debesteding van het geld op schoolniveau.Een voordeel van deze wijze van geldverstrekking is dat alle schoolbe-sturen aanvullende bekostiging hebbend ontvangen; schoolbesturenhebben geen aanvraag moeten doen. Wanneer het geld via een subsidieverstrekt zou worden, was een aanvraag wel noodzakelijk geweest. Datzou, in een crisisperiode, te grote administratieve lasten met zich hebbenmeegebracht.Ook was het belangrijk dat het geld zoveel mogelijk zou landen in de klas.Scholen hebben goed zicht op de behoeftes van hun leerlingen. Daarom iser op schoolniveau – en niet op bestuursniveau – een schoolprogrammaopgesteld. De afgelopen periode is meerdere keren aan onderwijsper-soneel gevraagd hoe zij het NP Onderwijs ervaren. Daarbij geven zij aangoed betrokken te zijn bij het programma en dit te waarderen.Een nadeel van aanvullende bekostiging is dat niet kan wordenafgedwongen dat het geld wordt uitgegeven aan de bestedingsdoelen vanhet NP onderwijs. Daarnaast hebben schoolbesturen aangegeven dat zijhun formele rol in het stelsel, als bevoegd gezag en eindverantwoordelijkevoor onderwijskwaliteit, tijdens het NP Onderwijs minder goed kunneninvullen.Met deze voor- en nadelen is rekening gehouden bij de vormgeving vannieuwe regelingen, zoals de subsidieregelingen basisvaardigheden. Ookbij de uitwerking van de regeling voor gerichte bekostiging basisvaardig-heden wordt hier rekening mee gehouden. In de evaluatie van het NPOnderwijs wordt u ook nader geïnformeerd over de wijze waarop het geldis toegekend. Uw Kamer wordt hier naar verwachting voor het eind van2025 over geïnformeerd.2Wat zijn de opbrengsten van het stimuleren van scholen om evidenceinformed te werken?1Kamerstukken II 2020/21, 35 570 VIII nr. 185Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1652 Het NP Onderwijs is het eerste grootschalige programma waar scholengestimuleerd zijn om evidence informed te werken. In het implementatie-onderzoek van najaar 2024 wordt daarom ook stilgestaan bij deopbrengsten van evidence informed werken. Hieruit blijkt dat een grootdeel van de scholen aangeeft hierdoor beter zicht te hebben op deonderwijsbehoeften van hun leerlingen. Ook geeft een groot deel aanbeter inzicht te hebben in effectieve manieren om leerresultaten teverbeteren.3Klopt de claim van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapin berichtgeving van de NOS op dinsdag 17 december 2024 dat delerarentekorten kleiner zijn dankzij de middelen van het NationaalProgramma Onderwijs?2In de Trendrapportage arbeidsmarkt leraren po, vo en mbo 2024 wordtgemeld dat het teruglopen van de personeelstekorten onder anderesamenhangt met de uitputting van het NP Onderwijsgeld. Dit is overigensniet de enige reden voor het teruglopen van de tekorten, die uit deTrendrapportage naar voren komt. Een andere reden is het dalende aantalleerlingen, waardoor er minder leraren nodig zijn.4Kan het lerarentekort verkleind worden met meer middelen voor scholenen zo ja, hoeveel middelen zijn daarvoor nodig?De afgelopen jaren is er veel geld geïnvesteerd, bijvoorbeeld in hetsalaris, het verlagen van de werkdruk en professionalisering vanonderwijspersoneel. Dat is hard nodig, want we kampen met eenlerarentekort van 8,1% in het primair onderwijs. Daarbij laten prognosesvan de tekorten en het rapport van de commissie Demografischeontwikkelingen 2050 zien dat de schaarste op de bredere arbeidsmarkt dekomende decennia zal aanblijven. Het terugbrengen van de personeelste-korten vraagt dus om méér dan alleen geld. Het vraagt van alle partijen inhet onderwijs inzet om werk in het onderwijs aantrekkelijk te maken en tehouden in tijden van aanhoudende arbeidsmarktkrapte. Denk bijvoorbeeldaan het bieden van goede begeleiding aan startende leraren, ontwikkel-mogelijkheden voor personeel en het aanpakken van werkdruk. In hetHerstelplan onderwijskwaliteit funderend onderwijs, dat uw Kamer in hetvoorjaar van 2025 ontvangt, zal hier nader op worden ingegaan.5Kunt u voorbeelden noemen van activiteiten die succesvol bijgedragenhebben aan herstel van de leerprestaties?Voordat de coronapandemie uitbrak, waren er in het onderwijs al zorgenover de leerprestaties en het welbevinden van leerlingen. Ook waren ergrote tekorten op de arbeidsmarkt. Het herstel van leerprestaties kan hierniet los van worden gezien. Ondanks deze uitdagingen, werken scholenmet het NP Onderwijs hard aan het herstel na corona. Scholen voerenhiervoor een breed scala aan interventies uit, waarmee zij direct werkenaan het herstel van leervertragingen en sociaal-emotionele ontwikkelingvan leerlingen. Scholen kunnen hiervoor kiezen uit een menukaart metbewezen effectieve interventies. Van deze interventies is bekend dat zijbijdragen aan het herstel van leerprestaties. Enkele voorbeelden vaninterventies, die door scholen veel zijn ingezet, zijn extra lesuren voor taalof rekenen-wiskunde, kleinere klassen en bijlessen. Scholen zetten ook2NOS, 17 december 2024, «Lerarentekort blijft groot, aantal zij-instromers nog op record-hoogte».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1653 veelvoudig in op interventies op het gebied van sociaal-emotioneleontwikkeling, wat positief bijdraagt aan het welbevinden van leerlingen.Onderzoek laat zien dat dit een ook positief effect heeft op leerprestaties3.Om meer grip te krijgen op de effectiviteit van interventies, heeft het NROde opdracht gekregen om het programma «Effectmeting kansrijkeinterventies in het po en vo» uit te voeren. Dit programma maakt deel uitvan het NP Onderwijs. Voorbeelden van interventies die onderzochtworden, zijn extra onderwijstijd, individuele leesondersteuning en hetoefenen van rekenvaardigheden via een mondelinge, remediërendeaanpak. De interventies zijn in schooljaar 2023–2024 geïmplementeerd, entegelijkertijd evalueren de onderzoekers de effectiviteit ervan. Hetonderzoek loopt tot najaar 2025, waarna uw Kamer hierover wordtgeïnformeerd.6Welke belemmeringen zijn er nog meer waar schoolleiders tegenproblemen aanlopen?Schoolleiders die tegen problemen aanlopen bij de uitvoering van het NPOnderwijs, noemen in implementatieonderzoek uit het najaar van 2024het lerarentekort, werkdruk en tijdgebrek als belangrijke belemmeringen.7Welk deel van de 20% van het NP4 Onderwijsgeld (of minder) dat scholenbesteden bij externe partijen, gaat naar commerciële instellingen, zoalsuitzendbureaus?De coronacrisis ging gepaard met veel uitval van onderwijspersoneel,bijvoorbeeld door ziekte. Zonder externe inzet was de opgave voor veelscholen ondoenlijk. Dit maakt dat een deel van de scholen inderdaad dekeuze heeft gemaakt externe partijen in te zetten. De exacte cijfers waar unaar vraagt zijn niet beschikbaar. Uit implementatieonderzoek uit hetnajaar van 2024 kan wel herleid worden welk type partijen het meestfrequent wordt ingezet. Scholen die commerciële partijen inzetten, kiezenmet name voor opleiders voor onderwijspersoneel en ondersteuning ophet gebied van welbevinden. Dit is expertise die over het algemeen niet inde school zelf aanwezig is. In het voortgezet onderwijs wordt naarverhouding ook vaak gebruik gemaakt van huiswerkbegeleiding of extrahulp voor leerlingen.8Op welke wijzen stimuleert u zoal dat scholen het geld binnen de duur vanhet Programma – dus voor het einde van het schooljaar 2024–2025 –besteden?Direct vanaf de start van het programma zijn scholen en gemeentengestimuleerd om het geld te besteden aan het aanpakken van de door decoronacrisis ontstane leervertragingen en het verminderde welbevindenvan leerlingen. Schoolbesturen zijn bijvoorbeeld verplicht zich in hunjaarverslag te verantwoorden over hoe op schoolniveau het geld isbesteed. Zo maken zij duidelijk hoe scholen tot plannen en besluitenkomen en waar geld aan is uitgegeven. Daarnaast wordt kennisdelinggefaciliteerd en gestimuleerd, door onder meer handreikingen, kennis-pleinen, video’s van goede voorbeelden, webinars, tutorials, nieuws-brieven en aanvullende onderzoeken ter beschikking te stellen voorscholen en gemeenten. Ook worden scholen en gemeenten bij elkaar3Welbevinden en sociaal-emotionele ontwikkeling | Onderwijskennis4NP: Nationaal ProgrammaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1654 gebracht, zodat ze van en met elkaar kunnen leren. Hiervoor wordtsamengewerkt met sectororganisaties en (wetenschappelijke) experts.9Valt te bepalen hoe groot de sociaal-emotionele problematiek is bijscholieren, nu scholen slechts bijna 11% van het geld inzetten voorsociaal-emotionele ontwikkeling?Al aan het begin van de pandemie bleek dat de problemen op sociaal-emotioneel vlak groot waren. Het NP Onderwijs richt zich daarom ook opde sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Scholen hebben hierook veelvuldig aandacht aan besteed. Zo koos gemiddeld 94% van descholen in het voortgezet onderwijs aan het begin van de pandemie voorinterventies op dit vlak. In het (voortgezet) speciaal onderwijs en primaironderwijs was dit 82% en 74%. Onderwijspersoneel en schoolleiders zijnook het positiefst over de opbrengsten van deze interventies. Een ruimemeerderheid van de schoolleiders (69% vo tot 77% po) vindt het welbe-vinden van hun leerlingen als gevolg van interventies bijvoorbeelddaadwerkelijk verbeterd.Daarbij moet worden opgemerkt dat deze interventies vaak minderkostbaar zijn dan die in andere categorieën van de menukaart. Ookkunnen scholen op andere manieren werken aan sociaal-emotioneleontwikkeling. Het geven van instructie in kleine groepen of de inzet vanonderwijsassistenten kan bijvoorbeeld ook een bijdrage leveren aan desociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. Over de inzet van dezeinterventies hebben scholen apart gerapporteerd. Deze uitkomsten zijn ineerdere voortgangsrapportages met uw Kamer gedeeld.10Hoe komt het dat nog niet alle schoolbesturen het geld hebbenopgenomen in de jaarrekening als bestemmingsreserve NP Onderwijs?Het staat schoolbesturen vrij om al dan niet een bestemmingsreserve NPOnderwijs op te nemen in de jaarrekening. Schoolbesturen zijn, mededoor de werkgeversorganisaties in het onderwijs, wel dringend geadvi-seerd om, indien van toepassing, een bestemmingsreserve NP Onderwijsop te nemen. Dit om het gesprek over het NP Onderwijsgeld binnen hetschoolbestuur te kunnen voeren, maar ook om sectoraal de uitputting vanhet NP Onderwijsgeld in beeld te kunnen brengen. Ook is het mogelijk dathet geld al besteed is. In dit geval is een bestemmingsreserve niet nodig.11In welke mate zijn de verbeterde prestaties in de basisvaardighedenrekenen-wiskunde het resultaat van de investeringen uit de NPO-geldenten opzichte van de subsidie Verbetering basisvaardigheden?Het is niet mogelijk om de resultaten van beide programma’s volledig losvan elkaar te zien. Beide programma’s hebben het verbeteren vanleerprestaties als doel, en zullen elkaar daarom versterken. Wel verschiltde scope van beide programma’s: het NP Onderwijs is er primair omcoronagerelateerde vertragingen te herstellen, terwijl het Masterplanbasisvaardigheden er is om de trend, die er voor de pandemie al was, omte buigen. Maatregelen die ingezet worden voor het NP Onderwijs zullendaarom ook helpen voor het Masterplan, en vice versa. Ook voor scholenzelf is het niet volledig mogelijk om onderscheid te maken tussen deresultaten van beide programma’s, zo bleek uit het meest recenteimplementatieonderzoek over het NP Onderwijs.12Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1655 Hoe verklaart u dat scholen in het voortgezet onderwijs in mindere mateverbeterde prestaties voor taal en rekenen-wiskunde realiseren?Hier is niet één verklaring voor. Meerdere verklaringen spelenwaarschijnlijk een rol, en het is niet mogelijk de precieze invloed vanindividuele verklaringen in beeld te brengen. Scholen in het voortgezetonderwijs zijn tijdens de pandemie bijvoorbeeld langer gesloten geweestdan basisscholen. Uit gesprekken met onderwijsprofessionals blijkt verderdat de zorgen om het welbevinden en de motivatie van leerlingen in hetvoortgezet onderwijs groter zijn dan in het basisonderwijs. Ook vóórcorona waren deze zorgen er al, mede door de jongeren in kwetsbareposities in het voortgezet onderwijs. Beide zijn belangrijke voorwaardenom tot leren te komen en opgelopen vertragingen in te halen. In dezelfdegesprekken werd ook gewezen op brede maatschappelijke ontwikke-lingen, zoals minder lezen in de vrije tijd, meer schermtijd en de invloedvan sociale media. Met name de laatste twee ontwikkelingen hebbenmeer impact op leerlingen in het voortgezet onderwijs. Het is belangrijkmeer te weten te komen over deze verklaringen. Daarom wordt dit inzichtde komende periode verder vergroot. Uw Kamer wordt hier in deevaluatie NP Onderwijs over geïnformeerd. Deze rapportage verschijntvoor het einde van 2025.13Wordt de verbetering van het welbevinden van leerlingen tijdens delooptijd van het NP Onderwijs, die zeven op de tien schoolleiderssignaleren, behalve door het gegeven dat 12- tot 16-jarigen hun leven in2023 gemiddeld een 7,4 geven, ook bevestigd door andere externebronnen?Er zijn andere bronnen waarin het welbevinden in kaart wordt gebracht.Deze bronnen laten een redelijk vergelijkbaar beeld zien, hoewel verschil-lende bronnen niet één op één te vergelijken zijn. De Gezondheidsenquêtedie het CBS in 2022 uitvoerde, laat bijvoorbeeld zien dat het aandeeltieners (11%) en jongvolwassenen (20%) met psychische klachten in 2022iets lager is dan in 2021. Toch blijft dit percentage hoog in vergelijking met5 jaar geleden. Uit het meest recente HBSC-onderzoek blijkt verder dat hetrapportcijfer (7,1) dat leerlingen geven aan hun leven in het voortgezetonderwijs in 2022 stabiel is ten opzichte van 2021. In de periode voor 2021daalde dit cijfer juist. Nieuwe cijfers op basis van het HBSC-onderzoekworden in 2026 verwacht.14Betekent dat er in het voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaalonderwijs «veel [is] ingezet op het welbevinden van leerlingen» méér dande slechts bijna 11% van het geld inzetten voor sociaal-emotioneleontwikkeling?Hiermee wordt bedoeld dat veel scholen hebben gekozen voor inter-venties op dit vlak. In het voortgezet onderwijs geldt dit voor 94% van descholen. In het (voortgezet) speciaal onderwijs en primair onderwijs wasdit 82% en 74%. Een ruime meerderheid van de schoolleiders vindt hetwelbevinden van hun leerlingen ook daadwerkelijk verbeterd als gevolgvan interventies. Ook besteden scholen in het voortgezet onderwijs en het(voortgezet) speciaal onderwijs gemiddeld een groter deel van hun geldaan deze interventies dan scholen in het primair onderwijs. In hetvoortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs gaat het om14,5% van het geld. Verder is het belangrijk op te merken dat interventiesvoor sociaal-emotionele ontwikkeling over het algemeen budgetvriende-lijker zijn dan interventies zoals de extra inzet van personeel, en dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1656 hoeveelheid middelen die voor dit doel worden ingezet dus niet zegt dathier geen of onvoldoende aandacht voor is op scholen.15Heeft u er ook een verklaring voor dat leerlingen met praktisch opgeleideouders bij begrijpend lezen in het vierde schooljaar sinds corona (invergelijking met pre-corona) een hogere leergroei halen dan bijvoorbeeldleerlingen met theoretisch opgeleide ouders?Het is een bewuste keuze geweest om meer NP Onderwijsgeld toe tekennen aan scholen met veel leerlingen met praktisch opgeleide oudersdan aan scholen met minder leerlingen met praktisch opgeleide ouders5.Deze leerlingen hebben aan het begin van de pandemie gemiddeldnamelijk een hogere leervertraging opgelopen.Ook zijn deze leerlingen tijdens de pandemie mogelijk vaker wél naarschool geweest, ten opzichte van andere leerlingen. Dit kan er aanbijgedragen hebben dat leerlingen op deze scholen uiteindelijk eenhogere leergroei halen.Een andere mogelijke verklaring is dat scholen hun NP Onderwijsgeldmeer en/of specifieker hebben gericht op deze groep leerlingen. Uit eerderimplementatieonderzoek bleek dat een deel van de scholen bovenge-middeld inzet op leerlingen met praktisch opgeleide ouders.16Hoe heeft, in vergelijking met pre-corona, het aantal leerlingen dat één ofmeer klassen in het basis- en in het voortgezet onderwijs doubleert zichontwikkeld?In het basisonderwijs daalde het aandeel leerlingen dat doubleerde in dejaren vóór corona licht, van 13,7% in schooljaar 2016–2017 tot 12,7% in2019–2020. In de coronaperiode, maar ook hierna, stabiliseert deze lichtedaling. In schooljaar 2022–2023 kwam het aandeel doublerende leerlingenuit op 12,8%.In het voortgezet onderwijs daalde het aandeel doublerende leerlingentussen schooljaar 2011–2012 en 2015–2016. Sindsdien zien we een lichtstijgend percentage doublerende leerlingen, tot 5,9% in schooljaar2018–2019. Schooljaar 2019–2020 vormt wel een trendbreuk: scholen zijnin het voorjaar van 2020 opgeroepen om het bevorderingsbeleid passendte maken, waarbij voorop moest staan dat leerlingen niet onevenredigbenadeeld werden door de coronacrisis. In 2019–2020 kwam hetpercentage leerlingen dat een jaar over moet doen mede hierdoor uit op3,29%. Na dit schooljaar zien we weer een lichte stijging, waardoor depercentages weer stegen tot rond het niveau van schooljaar 2011–2012(6,6% in 2022–2023). In het najaar informeer ik uw Kamer over de meestrecente cijfers.17Hoe komt het dat bij spelling wel nog sprake is van een kleine leerver-traging en bij begrijpend lezen als rekenen-wiskunde dit sneller ingehaaldlijkt te worden?Hier is niet één verklaring voor. Meerdere factoren spelen een rol. Ingesprekken met onderwijsprofessionals wijzen zij er bijvoorbeeld op dat5Dit is bepaald op grond van de CBS-indicator, waarbij scholen met een positieve achterstands-score wordt aangemerkt als een school met «veel leerlingen met een risico op eenonderwijsachterstand».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1657 er in het basisonderwijs gemiddeld minder uur aan schrijfonderwijs wordtbesteed dan aan begrijpend lezen en rekenen-wiskunde. Ook gavenleraren aan dat zij het lees- en rekenonderwijs na de schoolsluitingeneenvoudiger op konden pakken dan het schrijfonderwijs. In sommigesituaties moest bijvoorbeeld eerst teruggegrepen worden op ouderelesstof. Het is belangrijk meer te weten te komen over de verschillentussen deze leergebieden. Daarom wordt een verkennend onderzoekuitgevoerd. Uw Kamer wordt hier voor het einde van 2025 nader overgeïnformeerd.18Geldt het lagere vaardigheidsniveau op alle vakken behalve op Engelsetaal?De vaardigheidsniveaus voor Engels woordenschat en Engels leesvaar-digheid in de onderbouw van het voortgezet onderwijs zijn inderdaadhoger dan tijdens de laatste meting pre-corona. Uit gesprekken metonderwijspersoneel blijkt dat leerlingen in hun vrije tijd meer bezig zijnmet Engelse taal, bijvoorbeeld via games en streamingdiensten. Devaardigheidsniveaus zijn ten opzichte van de laatste meting voor decoronapandemie met name achteruit gegaan op Nederlands leesvaar-digheid en Nederlands woordenschat en in mindere mate ook opRekenen-Wiskunde. Andere vakken dan Engels, Nederlands en Rekenen-Wiskunde zijn niet onderzocht. Ook blijft aandacht voor digitale gelet-terdheid van belang. Het is daarnaast goed om op te merken dat we in hetprimair onderwijs tekenen van herstel zien, met name op de vaardighedenbegrijpend lezen en rekenen-wiskunde.19Zijn er naast de schoolsluitingen nog andere factoren die invloed hebbenop de verschillen per leerjaar en de snelheid van herstel?In het algemeen geldt dat de effecten van de coronapandemie niet altijdeven goed zijn te specificeren en te becijferen. De snelheid van het herstelkan bijvoorbeeld niet los worden gezien van andere contextuele factorendie een rol spelen in het onderwijs, zoals de personeelstekorten in hetonderwijs.Als we meer specifiek kijken naar de verschillen per leerjaar, dan zien wedat het uitmaakt in welk leerjaar leerlingen zaten ten tijde van deschoolsluitingen. Op dit moment zien we het minste herstel bij leerlingendie vlak voor of na de overgang van primair naar voortgezet onderwijsgeconfronteerd werden met schoolsluitingen. Ook zijn met name in hetvoortgezet onderwijs de zorgen over het welbevinden en de motivatie vanleerlingen nog groot. In gesprekken met professionals is ook gewezen opbrede maatschappelijke ontwikkelingen die hier van invloed op zijn, zoalsminder lezen in de vrije tijd en meer schermtijd. De invloed hiervan is inhet voortgezet onderwijs mogelijk groter dan in het primair onderwijs. Hetis belangrijk hier meer over te weten te komen. Daarom wordt eenverkennend onderzoek uitgevoerd. Uw Kamer wordt hier voor het eindevan 2025 nader over geïnformeerd.20In hoeverre hangt het gegeven dat onderzoekers op het vwo, vmbo-kb envmbo-b geen significant verschil zien in vaardigheid van leerlingen tenopzichte van de situatie vóór de coronapandemie samen met de (andere)normeringssystematiek waarvan door de gevolgen van de corona-epidemie sprake was?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1658 Daar is geen relatie tussen. De afgelopen jaren is er, door de gevolgen vande coronacrisis, sprake geweest van een andere normeringssystematiekvan de centrale examens in het voortgezet onderwijs. Hierdoor reflec-teerde de hoogte van de cijfers mogelijk niet precies de vaardigheid vande kandidaten en konden trends niet één-op-één geïnterpreteerd wordenals een directe toe- of afname van de vaardigheid van kandidaten. Om ditin beeld te brengen, was aanvullend onderzoek nodig. Daarom hebbenhet College voor Toetsen en Examens en Stichting Cito op mijn verzoekaanvullend onderzoek uitgevoerd naar de vaardigheid van examenkandi-daten. De conclusie waar u naar verwijst, is afkomstig uit dit onderzoek.De vaardigheid van de kandidaten die met dit onderzoek zichtbaar isgemaakt, staat volledig los van de gehanteerde normeringssystematiek.21Op welke wijzen zijn gemeenten zoal bezig met de borging van dewaardevolle lessen die zij hebben geleerd van het NP Onderwijs?Uit jaarlijks implementatieonderzoek onder gemeenten, waar uw Kamer inde laatste voortgangsrapportage over is geïnformeerd, blijkt dat zij dit opdiverse manieren doen. Ten eerste wil meer dan de helft van degemeenten interventies voortzetten na afloop van het NP Onderwijs. Hetgaat dan met name om maatregelen die gericht zijn op zorg en welzijn inde school of in de verlengde leertijd om coronavertragingen op sociaal enemotioneel vlak in te halen. Dit kan bijvoorbeeld door het verbinden vaninterventies aan het gemeentelijk onderwijsachterstanden beleid (GOAB)of door het opstellen van meerjarenplannen. Ten tweede noemengemeenten enkele leerervaringen die zij hebben opgedaan dankzij het NPOnderwijs. Zo geven gemeenten aan nu meer aandacht te hebben voorhet welzijn van leerlingen, dat de samenwerking tussen gemeenten, hetonderwijs en andere partijen is verbeterd en dat ze meer doelgerichtwerken met tijdelijk geld.22Hoe gaat u ervoor zorgen dat de effectiviteit van een aantal veelbelovendeinterventies zó in beeld wordt gebracht dat ook bij eventuele toekomstigeepidemieën (ook van andere ziekten) het onderwijs daarmee zijn voordeelkan doen?Het NRO heeft de opdracht gekregen om het programma «Effectmetingkansrijke interventies in het po en vo» uit te voeren. Dit programma maaktdeel uit van het NP Onderwijs en onderzoekt de effectiviteit van 13veelbelovende interventies in het funderend onderwijs. De interventieszijn in het schooljaar 2023–2024 geïmplementeerd, en tegelijkertijdevalueren de onderzoekers de effectiviteit ervan. Het onderzoek loopt totnajaar 2025. Dit onderzoek helpt niet alleen bij toekomstige uitdagingen,maar helpt onderwijsprofessionals ook op korte termijn aan kennis overde effectiviteit van interventies waarmee zij leerlingen zo goed mogelijkkunnen ondersteunen. Om dit te faciliteren, worden de uitkomsten van hetonderzoek breed gedeeld in het onderwijs.23Betekent de «structurele aanpak» die u nodig acht voor herstel van deleerprestaties tevens dat scholen straks kunnen rekenen op structureelgeld en zo ja, om welke bedragen gaat het dan?Ja. Vanaf 2027 krijgen alle scholen in het primair en voortgezet onderwijsstructureel geld voor de verbetering van basisvaardigheden. Dezemiddelen worden verstrekt als gerichte bekostiging, waarbij tijdelijkverplichtingen worden gesteld. Het betreft een bedrag van circa 182 europer leerling per jaar. Daarnaast verkennen we momenteel welkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 1659 incidentele subsidies omgezet kunnen worden in structurele financieringvan scholen.24Kunt u nader duiden op welke manier scholen samen met het Ministerievan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werken aan borging van de methet NPO behaalde resultaten?Onze activiteiten zijn tweeledig. Ten eerste richten we ons dit schooljaarop het vastleggen van de geleerde lessen vanuit het NP Onderwijs, zodatiedereen van het programma kan leren, óók na afloop van hetprogramma. De geleerde lessen worden onder meer vastgelegd invideo’s, webinars en regionale bijeenkomsten. Ook zal de content op dewebsite van het NP Onderwijs beschikbaar blijven op een voor scholen engemeenten vindbare plaats. Ten tweede ondersteunen we scholen engemeenten bij het evalueren en borgen van de geleerde lessen opschoolniveau. Dit doen we onder andere door het aanreiken vanpraktische tips en handvatten.25Overweegt u nog om de subsidieperiode te verlengen als blijkt datscholen het geld uit de regeling misschien niet op krijgen?Het merendeel van het geld, circa 80%, is aan het eind van het kalen-derjaar 2023 besteed. Dit maakt het aannemelijk dat scholen het geld voorhet einde van schooljaar 2024–2025 in kunnen zetten. Vanwege de wijzewaarop het geld aan scholen is verstrekt, als aanvullende bekostiging,blijven scholen beschikken over het geld; ook als het niet (tijdig) wordtuitgegeven. De looptijd van het NP Onderwijs zal daarom niet nogmaalsverlengd worden. Wel worden scholen gestimuleerd het geld tijdig in tezetten om leerlingen zo snel mogelijk te helpen met het inlopen vancoronagerelateerde vertragingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VIII, nr. 16510

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 734f38ecbb545e85

14 okt 2026 · cada20906bef9acd

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.