Lijst van vragen en antwoorden over de update onderhoud cao-stelsel (Kamerstuk 29544-1304)
Brontekst
Versie acce848d11e625fd · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202629 544ArbeidsmarktbeleidNr. 1320 LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDENVastgesteld 21 mei 2026 De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft eenaantal vragen voorgelegd aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgele-genheid over de brief van 15 oktober 2025 inzake de update onderhoudcao-stelsel (Kamerstuk 29 544, nr. 1304).De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 21 mei 2026.Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.De voorzitter van de commissie,Van der LeeAdjunct-griffier van de commissie,Van den Broek kst-29544-1320ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13201 1. Wat is de stand van zaken ten aanzien van het proces? Is ereind 2025 een actieplan naar de Europese Commissie gestuurddat nodig is omdat Nederland een collectieve arbeidsovereen-komst (cao-)dekkingsgraad onder de 80 procent heeft?Antwoord vraag 1:Ja. De Kamerbrief Update onderhoud cao-stelsel (15 oktober 2025) vormtsamen met een aanbiedingsbrief, tijdschema en het advies van deStichting van de Arbeid over het bevorderen van collectieve onderhande-lingen teneinde de cao-dekkingsgraad te verhogen (4 juli 2025) hetNederlandse actieplan. Eind december 2025 is het actieplan verstuurdnaar de Europese Commissie. Uw Kamer is hier per brief overgeïnformeerd1.2. Hoe is de legitimiteit en representativiteit van cao-partijengeborgd in Scandinavische landen?Antwoord vraag 2:De organisatiegraad van zowel werknemers als werkgevers is vanoudsher hoog in Scandinavische landen. Dat heeft te maken metverschillende institutionele en culturele factoren. Zo hebben vakbonden inde meeste Scandinavische landen een centrale rol bij de uitvoering enuitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen, het zogenaamde Gentssysteem. Ook is in de meeste Scandinavische landen het minimumloonniet wettelijk bepaald, maar wordt het in cao-onderhandelingenvastgelegd. Dit draagt bij aan een grotere mate van afhankelijkheid van enbetrokkenheid bij collectieve onderhandelingen.3. Op welke wijze is momenteel in wet- en regelgeving geborgddat vakbonden onafhankelijk opereren bij het sluiten van cao’s?Antwoord vraag 3:De onafhankelijkheid van een vakbond ten opzichte van een werkgever ofwerkgeversorganisatie geldt als uitgangspunt in ons cao- en avv-stelsel.Dit vloeit voort uit artikel 2 van ILO-verdrag nr. 98, waarin staat datverenigingen van werkgevers en werknemers vrij moeten zijn vaninmenging van de één in de zaken van de ander bij de oprichting, deuitoefening van hun werkzaamheden en het beheer van hun organisaties.Het vereiste van onafhankelijkheid is nu niet in nationale wetgevingvastgelegd, dat werd bij het ratificeren van het betreffende ILO-verdrag in1993 niet nodig geacht. Het Toetsingskader AVV (algemeen verbindendverklaring cao-bepalingen) bevat wel de voorwaarde dat de verenigingenvan werkgevers en werknemers onafhankelijk van elkaar moeten zijn,conform ILO-verdrag 98.4. Welke eisen gelden momenteel voor vakbonden om alscao-partij op te treden?Antwoord vraag 4:In de Wet op de cao is opgenomen dat alleen één of meer werkgevers(ver-enigingen) samen met één of meer werknemersverenigingen een caokunnen afsluiten. Om rechtsgeldig een cao aan te kunnen gaan, stelt dewet eveneens aan werkgevers- en werknemersverenigingen de eis dat zijvolledig rechtsbevoegd zijn en in hun statuten hebben opgenomen dat zij1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-31, nr. 810Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13202 tot doel hebben om cao’s te kunnen sluiten. Daarnaast moet een caoschriftelijk zijn overeengekomen. Tot slot moet de cao conform de Wet opde loonvorming worden aangemeld bij de Minister van Sociale Zaken enWerkgelegenheid. De hiervoor genoemde voorwaarden worden gecontro-leerd bij het aanmelden van de cao.5. Welke rol speelt de tweejaarstermijn uit artikel 9.2 Wet op deondernemingsraden (WOR) bij de positie van nieuwe vakbonden?Antwoord vraag 5:De tweejaarstermijn is van toepassing op het kunnen indienen van eenkandidatenlijst voor de ondernemingsraad en zorgt voor een balanstussen ruime toelating van vakverenigingen enerzijds en stabiliteit envoldoende ervaring anderzijds.6. In hoeverre vormt deze termijn een belemmering voor nieuwevakbonden om deel te nemen aan cao-onderhandelingen?Antwoord vraag 6:De tweejaarstermijn uit artikel 9, tweede lid, WOR, heeft geen invloed opdeelname aan cao-onderhandelingen.7. Acht het kabinet het wenselijk om de onafhankelijkheid vanvakbonden expliciet wettelijk vast te leggen?Antwoord vraag 7:Ja. Zoals aangekondigd in de eerder genoemde Kamerbrief van15 oktober 2025 is het kabinet voornemens het onafhankelijkheidsvereisteop te nemen in de Wet op de cao en zo de onafhankelijkheid vancao-partijen ten opzichte van elkaar bij het sluiten van cao’s wettelijk teregelen. De Stichting van de Arbeid heeft dit ook geadviseerd.8. Bestaat er een verplichting voor werkgevers om vakbondenmet aantoonbare leden in de onderneming uit te nodigen voorcao-onderhandelingen indien geen cao van toepassing is?Antwoord vraag 8:Nee. In ons stelsel staan collectieve onderhandelingsvrijheid en contract-vrijheid voorop. Partijen bepalen zelf met wie zij de onderhandelingenover arbeidsvoorwaarden aangaan en welke vorm zij daarvoor kiezen.Dit neemt niet weg dat van werkgevers en brancheverenigingen verwachtmag worden dat zij zich inspannen om in gesprek te gaan met de partijendie de belangen van hun werknemers het best kunnen vertegenwoor-digen. Dit is in het belang van evenwichtige arbeidsverhoudingen.Recente jurisprudentie toont aan dat een weigering van de werkgever omeen vakbond toe te laten tot het cao-overleg in bepaalde omstandighedenonrechtmatig kan zijn2.9. Bestaat er een verplichting voor werkgevers om algemenevakbonden toe te laten tot cao-onderhandelingen indien reedseen cao met bedrijfsvakbonden is gesloten? Zo nee acht u datwenselijk?Antwoord vraag 9:2Zie het arrest van de Hoge Raad inzake FNV/TUI, HR 26 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:673.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13203 Nee. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 8 staan in Nederlandcollectieve onderhandelingsvrijheid en contractvrijheid voorop. Partijenbepalen zelf met wie zij de onderhandelingen over een collectievearbeidsovereenkomst aan willen gaan. Daarin wordt geen onderscheidgemaakt tussen algemene, bedrijfs- of categorale bonden; aan allevakbonden worden dezelfde eisen gesteld.10. Heeft u een concreet doel meegegeven aan de Stichting vande Arbeid die het op zich heeft genomen om het cao- enalgemeen verbindend verklaard (avv-)stelsel actief onder deaandacht te brengen, en cao-partijen op te roepen omcao-afspraken in begrijpelijke taal op te schrijven?Antwoord vraag 10:Het kabinet en sociale partners streven gezamenlijk het doel na omcollectieve onderhandelingen te bevorderen en de cao-dekkingsgraad teverhogen, zoals de Europese richtlijn toereikende minimumlonen ook vanons vraagt. Op verzoek van het Ministerie van SZW heeft de Stichting vande Arbeid in juli 2025 een advies uitgebracht met concrete maatregelenom dit doel te bevorderen. Dat advies bevat suggesties aan het ministerie,maar ook maatregelen die de sociale partners zelf kunnen nemen, zoalshet vereenvoudigen van cao-teksten. SZW werkt samen met socialepartners aan de communicatie over het cao- en avv-stelsel, ieder vanuit deeigen rol.11. Hoe vaak wordt dispensatie verleend van avv-cao’s aanwerkgevers met een eigen cao?Antwoord vraag 11:Dispensatie aan werkgevers wordt zoveel mogelijk door cao-partijen bijavv-cao’s zelf verleend. Hoe vaak door cao-partijen aan werkgeversdispensatie wordt verleend is het Ministerie van SZW niet bekend.Werkgevers met een eigen cao kunnen ook dispensatie krijgen van deMinister van SZW, mits zij voldoen aan de geldende voorwaarden zoalsopgenomen in het Toetsingskader AVV. In de afgelopen 5 jaar (2021–2025)is acht keer dispensatie verleend. Jaarlijks publiceert het Ministerie vanSZW op www.cao.minszw.nl een «Bedenkingen- en dispensatierap-portage» waarin deze informatie is opgenomen.12. Op basis van welke criteria wordt beoordeeld of eenwerkgever met een eigen cao in aanmerking komt voordispensatie?Antwoord vraag 12:De criteria die de Minister van SZW hanteert voor de beoordeling van eendispensatieverzoek van een werkgever met een eigen (rechtsgeldige) caozijn opgenomen in paragraaf 7 van het Toetsingskader AVV. Daarin staatonder meer dat een verzoek om dispensatie alleen in behandeling wordtgenomen wanneer deze is voorzien van een motivering waaruit blijkt datde beoogde dispensatie aansluit bij de doelstelling van de Wet AVV.Dispensatie van avv wordt alleen verleend indien vanwege zwaarwegendeargumenten toepassing van de bedrijfstakcao door middel van avvredelijkerwijze niet kan worden gevergd. Van zwaarwegende argumentenis met name sprake als specifieke bedrijfskenmerken op essentiële puntenverschillen van de ondernemingen die tot de werkingssfeer van deavv-cao gerekend kunnen worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13204 13. In hoeveel gevallen is dispensatie geweigerd en om welkeredenen?Antwoord vraag 13:In de afgelopen 5 jaar (2021–2025) zijn 13 dispensatieverzoekenafgewezen; 6 op formele gronden en 7 op inhoudelijke gronden. Afwijzingop formele gronden vindt onder meer plaats als het dispensatieverzoekniet over een eigen rechtsgeldige cao beschikt, als het verzoek niet binnende termijn van tervisielegging is ingediend, of als een dispensatieverzoekis ingediend naar aanleiding van een tussentijdse wijziging van een caowaarbij de werkingssfeerbepalingen van de avv’de cao niet zijn gewijzigd.Zie ook de jaarlijkse «Bedenkingen- en dispensatierapportage» die wordtgepubliceerd op www.cao.minszw.nl.14. Wat is het beoogde tijdpad van de in de brief opgenomenwens om de huidige criteria voor dispensatie te verduidelijken ende dispensatieroute te vereenvoudigen?Antwoord 14:In de Kamerbrief staan verschillende maatregelen ten aanzien van hetavv- en dispensatiebeleid die met elkaar samenhangen, maar elk eeneigen tijdspad volgen. Aan de uitwerking wordt momenteel gewerkt, inoverleg met sociale partners. Ik streef ernaar uw Kamer kort na de zomerte informeren over de stand van zaken en het beoogde tijdpad van dezeen andere maatregelen waarmee we werken aan de onderhoud van hetcao- en avv-stelsel.15. Wordt bij de beoordeling van cao-bepalingen voor avvonderscheid gemaakt naar het karakter van bepalingen(minimum, standaard of maximum)?Antwoord vraag 15:Nee. Cao-partijen bepalen zelf wat de aard is van de cao-bepalingen die zijafspreken. SZW toetst in het kader van het verzoek om algemeenverbindendverklaring de tekst die door cao-partijen voor avv wordtvoorgedragen en beoordeelt bijvoorbeeld of sprake is van strijd met hetrecht. Bij de beoordeling hanteert SZW het Toetsingskader AVV. Daarin(paragraaf 4.3) is opgenomen welke (typen) cao-bepalingen wel of nietvoor avv in aanmerking komen, zonder onderscheid naar minimum-,standaard- of maximumbepalingen.16. In welke sectoren zou een avv-cao tot een substantiëlestijging in dekkingsgraad kunnen leiden?Antwoord vraag 16:Deze vraag is niet te beantwoorden op basis van de huidige beschikbaredata van het CBS over de cao-dekkingsgraad in Nederland3. Om een caoalgemeen verbindend te verklaren moet op grond van paragraaf 4.1 vanhet Toetsingskader AVV minstens 55% van de werknemers werken vooreen werkgever die lid is van een werkgeversorganisatie die de cao afsluit.De CBS cao-dekkingsgraad-data bevat geen informatie over het lidmaat-schap van een werkgever. Een werknemer valt wel of niet onder een cao,of dit komt door het lidmaatschap van de werkgever of door avv weet het3https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/41/werknemers-naar-soort-cao-en-sbi-naar-achtergrondkenmerken-2010-2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13205 CBS niet. Enkel voor cao’s waarvoor bij SZW een avv-verzoek is ingedienddoor cao-partijen is de verhouding tussen werknemers die werken bijgeorganiseerde werkgevers en werknemers die werken bij via de avvgebonden werkgevers bekend. Voor cao’s zonder avv is zulke informatieniet bekend.17. In het coalitieakkoord staat het voornemen om «hetdraagvlak voor cao’s te vergroten en het instrument te moderni-seren», ook is opgenomen dat de «dispensatiemogelijkheid kneltmet nieuwe innovatieve bedrijfstakken», kunt u toelichten opwelke wijze dit wordt opgepakt danwel uitgewerkt?Antwoord vraag 17:In de Kamerbrief van oktober 2025 staan verschillende maatregelen dieSZW in samenwerking met sociale partners wil nemen om het cao-stelselte versterken en het draagvlak ervoor te behouden. Daaronder ookverschillende maatregelen rond het avv- en dispensatiebeleid. Dezevoornemens zijn eind vorig jaar gedeeld met de Europese Commissie inhet kader van het actieplan voortvloeiend uit de richtlijn toereikendeminimumlonen.In overleg met werkgevers en werknemers in de Stichting van de Arbeidzullen wij deze maatregelen verder uitwerken, en daarbij ook andererelevante partijen raadplegen. Een dieper inzicht in het vóórkomen en deachtergrond van knelpunten die sommige partijen ervaren kan bijdragenaan het formuleren van effectieve maatregelen.18. Kunt u een overzicht geven van de ontwikkeling van deorganisatiegraad van werknemersorganisaties in de afgelopentien jaar, uitgesplitst naar sector, leeftijdsgroep en contractvorm?Antwoord vraag 18:TNO en CBS verzamelen sinds 2018 jaarlijks gegevens over het lidmaat-schap van vakbonden via de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden(NEA). Voor eerdere jaren bevat de NEA hierover geen gegevens. Tussen2018 en 2025 daalde het aandeel werknemers dat lid is van een vakbondvan 18,4% naar 15,3%; een afname van bijna 17%. In 20254 kenden desectoren onderwijs (29%), bestuur (24%) en vervoer (23,7%) naarverhouding de meeste werknemers die vakbondslid zijn. In datzelfde jaarwas de organisatiegraad van werknemers het laagst in de sectoren ICT(5,4%), landbouw (6,9%) en horeca (7,5%). De sterkste daling van deorganisatiegraad vond tussen 2018 en 2025 plaats in de landbouw (–41%),bouw (–29,1%) en het bestuur (–28,4%). In het onderwijs (–9,1%) en dehandel (–12%) daalde het percentage vakbondsleden naar verhouding hetminst. In de financiële sector steeg als enige het percentage vakbonds-leden (+68,6%).Van de verschillende leeftijdsgroepen zijn de 55–64 jarigen veruit hetvaakst lid van een vakbond (23,7% in 2025). Wel laat deze groep tussen2018 en 2025 de grootste daling zien (–24,8%). De jongste groepwerknemers (15–24 jarigen) is naar verhouding het minst vaak lid van eenvakbond. Hun percentage ligt laag maar stabiel op 6,3% in 2018 en op6,2% in 2025.De NEA maakt geen verschil tussen contractvormen, maar de publicatieStatistiek Vakbewegingen van het CBS doet dit wel. Deze dataset maakteen uitsplitsing naar vaste en flexibele contracten. Hieruit blijkt dat4https://monitorarbeid.tno.nl/publicaties/nationale-enquete-arbeidsomstandigheden-2025-resultaten-in-vogelvlucht/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13206 werknemers met een vast contract tot wel twee keer zo vaak lid zijn vaneen vakbond als werknemers met een flexibel contract (19% tegen 9%)5.Ondanks dat relatief weinig werknemers lid zijn van vakbonden is hetovergrote gedeelte van de werknemers tevreden met hun cao. Volgenshet NEA onderzoek is elk jaar minstens driekwart van de werknemerstevreden of zeer tevreden met hun cao.19. Kunt u uiteenzetten welke onderzoeksvragen u met TNOverkent ten aanzien van de organisatiegraad van werkgevers, enof daarin ook onderscheid wordt gemaakt naar subsector,bedrijfsgrootte en type onderneming?Antwoord vraag 19:TNO voert momenteel op verzoek van SZW aanvullende analyses uit opde Werkgevers Enquête Arbeid (WEA) om een beter beeld te krijgen vande organisatiegraad van werkgevers in Nederland. Hierbij onderzoektTNO:–Hoe ontwikkelt de organisatiegraad van werkgevers in Nederland zichin de tijd op landelijk en op sectoraal niveau?–Welke bedrijfs- en sectorale kenmerken hangen samen met lidmaat-schap van een werkgeversvereniging?–In welke mate zijn er groepen van werkgevers te onderscheiden dievergelijkbare patronen in lidmaatschap van een werkgeversverenigingzien?Bij deze analyses onderzoekt TNO een reeks variabelen die mogelijkerwijsinvloed hebben op de organisatiegraad: sector, bedrijfsgrootte en diversevariabelen met specifieke kenmerken over de werkgever of de in dienstzijnde werknemers (bijvoorbeeld percentage flexwerkers en opleidings-niveau werknemers). Verder kijkt TNO ook naar de aanwezigheid vanopenstaande vacatures en de geografische locatie van de werkgever.20. Kunt u toelichten welke concrete overwegingen voor entegen het wettelijk opnemen van het onafhankelijkheidsvereistevan cao-partijen door het kabinet worden betrokken, en op welkepunten de huidige praktijk volgens u wel of juist onvoldoendewaarborgen biedt?Antwoord vraag 20:Zoals aangegeven in het antwoord bij vraag 3 werd het ten tijde van deratificatie van het ILO-verdrag in 1993 niet nodig geacht om het onafhan-kelijkheidsvereiste wettelijk vast te leggen. Recent heeft het Comité vanExperts, dat toeziet op de naleving van ILO-verdragen, echter het verzoekaan Nederland gedaan om het onafhankelijkheidsvereiste op te nemen inde wet en heeft ook de Stichting van de Arbeid in haar advies hier omgevraagd. Daarnaast volgt uit jurisprudentie dat een nationaal wettelijktoetsingskader voor de onafhankelijkheid van vakbonden nodig is nu ergeen rechtstreeks beroep gedaan kan worden op artikel 2 ILO-verdragnr. 98.6 Daarom wordt op dit moment gewerkt aan het opnemen van eenonafhankelijkheidsvereiste in de wet inclusief het kader op grond waarvande rechter de onafhankelijkheid kan beoordelen.5https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2023/wat-kenmerkt-vakbondsleden-?onepage=true6Rechtbank Rotterdam 11 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4472Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13207 21. Hoe definieert u een niet-onafhankelijke vakbond en bestaater inzicht in (de ontwikkeling van) het aantal niet-onafhankelijkevakbonden?Antwoord vraag 21:Een niet-onafhankelijke vakbond voldoet niet aan het vereiste datvoortvloeit uit artikel 2 van ILO-verdrag nr. 98, waarin staat dat vereni-gingen van werkgevers en werknemers vrij moeten zijn van inmengingvan de één in de zaken van de ander bij de oprichting, de uitoefening vanhun werkzaamheden en bij het beheer van hun organisaties. Een uitspraakover de onafhankelijkheid van een vakbond is uiteindelijk aan de rechter.SZW kan dan ook geen uitspraak doen over het aantal niet-onafhankelijkevakbonden.22. Op welke ontwikkelingen wordt gedoeld die aanleidingvormen om de onafhankelijkheid van cao-partijen te waarborgen?Antwoord vraag 22:De oproep om de onafhankelijkheid van cao-partijen wettelijk te borgenkomt van verschillende kanten: de vragen van het Comité van Experts vande ILO, het advies van de Stichting van de Arbeid en jurisprudentie. Ookuw Kamer heeft hiernaar gevraagd, naar aanleiding van sommigecasussen. Zie ook het antwoord op vraag 23.23. Kunt u specificeren welke recente jurisprudentie aanleidingvormt om te onderzoeken of een nationaal wettelijk toetsings-kader voor de onafhankelijkheid van cao-partijen wenselijk is?Antwoord vraag 23:De Committee on Freedom of Association (CFA) heeft zich in verschillendezaken uitgesproken over het belang en de naleving van het onafhankelijk-heidvereiste uit ILO-verdrag nr. 98. Specifiek worden in haar compilationof decisions de volgende voorbeelden benoemd.–Een onderneming mag zich niet bemoeien met de belangen van eenvakbond (1191).–Door het uitnodigen van specifieke werknemersorganisaties voorvergaderingen met de bedrijfsleiding en andere werknemers-organisaties niet, kan indirect invloed worden uitgeoefend op hetlidmaatschap van die specifieke vakbond (1204).–Onderhandelingen namens werknemers(organisaties) mogen nietworden gevoerd door vertegenwoordigers die zijn aangesteld doorwerkgevers(organisaties) (1214).Daarnaast volgt uit een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam7dat het voor een belanghebbende niet mogelijk is om een rechtstreeksberoep te doen op de naleving van artikel 2 van ILO-verdrag nr. 98.Volgens de rechtbank is het niet mogelijk om de Wet op de cao verdrags-conform toe te passen, omdat de Nederlandse wetgeving geen norm overonafhankelijkheid van vakbonden kent. Nu deze norm er volgens dezerechter niet was, kon deze ook niet op grond van artikel 2 van ILO-verdragnr. 98 nader worden ingevuld. Daar werd in de uitspraak aan toegevoegddat er ook geen voorwaarden zijn waaraan een vakbond moet voldoen omals onafhankelijk te worden gekwalificeerd.8 De rechter overweegt verderdat artikel 2 van de Wet op de cao slechts beperkte eisen bevat waaraanmoet worden voldaan om een cao te kunnen sluiten. Dit artikel biedt7Rechtbank Rotterdam 11 april 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:4472.8R.O. 3.14.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13208 volgens de rechter dan ook geen ruimte voor een andere invulling ofinkleuring. Daarvoor zou een wijziging van de wet nodig zijn.924. Welke open normen worden gehanteerd in het dispensatie-proces rond avv-verzoeken, en op welke manier leiden deze totinterpretatieverschillen en vertragingen in de besluitvorming?Antwoord vraag 24:Een verzoek aan de Minister van SZW om dispensatie wordt beoordeeldaan de hand van de criteria zoals opgenomen in paragraaf 7 van hetToetsingskader AVV. Deze bevatten een open norm, nu niet nader isingevuld wat onder de dispensatiecriteria wordt verstaan. Zie ook hetantwoord op vraag 12. De huidige criteria bieden vanwege de gehan-teerde open norm onvoldoende houvast en geven ruimte voor(langdurige) discussie en interpretatieverschillen tussen betrokkenpartijen tijdens de avv-procedure, waardoor vertraging in de besluit-vorming ontstaat.25. Welke maatregelen verkent u om het dispensatietraject tevereenvoudigen, en hoe waarborgen deze dat concurrentie oparbeidsvoorwaarden wordt voorkomen?Antwoord vraag 25:In de Kamerbrief van 15 oktober 2025 worden verschillende maatregelengenoemd die het avv- en dispensatiebeleid kunnen verbeteren. Eenverduidelijking van de huidige open normen voor dispensatie in hetToetsingskader AVV kan naar verwachting helpen het aantal langdurige enterugkerende procedures terug te dringen. Ook heeft SZW voortdurendaandacht voor mogelijkheden tot verbetering van administratieveprocessen en blijft daarover in gesprek met cao-partijen. Daarnaast wordtin overleg met de Stichting van de Arbeid de mogelijkheid onderzocht vaneen nationale commissie met en voor sociale partners, die kan onder-steunen bij conflicten rond de werkingssfeer van cao’s. Cao-partijen gaanimmers zelf over de reikwijdte van hun cao, en kunnen maatwerk ofdispensatie bieden waar dat gewenst is. De gang naar SZW of de rechterblijft open, maar als partijen er in gezamenlijk overleg uit kunnen komenheeft dat de voorkeur.Het voorkomen van oneigenlijke concurrentie door onderbieding oparbeidsvoorwaarden blijft daarbij steeds het uitgangspunt van het avv- endispensatie-beleid.26. Kunt u aangeven in welke sectoren of subsectoren decao-dekkingsgraad het hardst daalt, in welke sectoren geheelgeen cao aanwezig is en of inmiddels al een eerste beeld bestaatvan de omvang van de zogenoemde «witte cao-vlek»?Antwoord vraag 26:Het CBS heeft de cao-dekkingsgraad tussen 2010 en 2024 in Nederlandberekend per sector. Hierbij deelt CBS sectoren in volgens de StandaardBedrijfsindeling (SBI). Wel moet daarbij worden aangemerkt dat delaagste en de snelst dalende cao-dekkingsgraden maar een klein deel vanalle sectoren en werknemers beslaan. In 2024 hadden de volgende tiensectoren de laagste cao-dekkingsgraad in Nederland10:9R.O. 3.17.10https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2025/41/werknemers-naar-soort-cao-en-sbi-naar-achtergrondkenmerken-2010-2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 13209 Tabel 1: Top 10 sectoren met laagste cao-dekkingsgraad in 2024Naam SBI-sectorCao-dekkings-graad2024Aantalwerknemers2024Juridische diensten en administratie1,5%131.800IT-dienstverlening3,2%232.800Diensten op het gebied van informatie4,2%21.100Reclamewezen en marktonderzoek10,8%42.800Dienstverlening delfstoffenwinning12,6%3.500Design, fotografie, vertaalbureaus15,9%30.100Overige financiële dienstverlening19,6%73.500Holdings en managementadviesbureaus19,7%202.100Architecten-, ingenieursbureaus e.d.24,1%134.500Verhuur van roerende goederen29,9%38.400 De cao-dekkingsgraad daalde tussen 2010 en 2024 voor heel Nederlandvan 76,7% naar 72,5%. De sectoren die tussen 2010 en 2024 relatief hethardst daalden zijn de volgende:Tabel 2: Top 10 naar verhouding sterkst dalende cao-dekkingsgraden (2010–2024)Naam SBI-sectorDekkings-graad2010 in%Dekkings-graad2024 in%Verschilin %Aantalwerknemers2024IT-dienstverlening15,63,2– 79,5232.800Juridische diensten en administratie4,71,5– 68,1131.800Diensten op het gebied van informatie8,34,2– 49,421.100Farmaceutische industrie62,739,8– 36,519.600Reclamewezen en marktonderzoek24,215,9– 34,342.800Research44,630,4– 31,844.800Bosbouw88,762– 30,1900Overige zakelijke dienstverlening38,830,9– 20,444.500Verhuur en handel van onroerend goed56,245,5– 19,075.000Holdings en managementadviesbureaus24,219,7– 18,6202.100 Sectoren met een «witte cao-vlek» zijn onder meer de ICT-sector enspecialistische zakelijke dienstverleners zoals reclamebureaus, accoun-tants, marktonderzoekers, consultancybureaus en juridische dienstver-leners. Voor de financiële sector is het beeld van de cao-dekkingsgraadgemengd. Enerzijds heeft de financiële sector een hoge cao-dekkings-graad omdat veel banken, pensioenfondsen en verzekeraars een eigenondernemingscao hebben of vallen onder een bedrijfstak-cao. Maartegelijk vallen veel nieuwe opkomende financiële bedrijven (fintech) nietonder een cao. Zodoende kende de sector «Verzekeraars en pensioen-fondsen» in 2024 een cao-dekkingsgraad van 90,6% terwijl de sector«Overige financiële dienstverlening» in 2024 een cao-dekkingsgraad hadvan 19,6%. Het Ministerie van SZW laat verder onderzoek doen naar deontwikkeling van de cao-dekkingsgraad en de achterliggende oorzakenvan de daling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 29 544, nr. 132010
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.