Stand van zaken hervorming landelijke publieke omroep en aangenomen moties Wetgevingsoverleg media van 26 januari 2026
Brontekst
Versie bd722cbd4e34031c · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 827Toekomst mediabeleidNr. 380 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR ENWETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 april 2026Tijdens het Wetgevingsoverleg media van 26 januari 2026 (Kamerstuk36 800 VIII, nr. 135) is onder andere gesproken over de hervorming van delandelijke publieke omroep. Tijdens dit overleg is door mijn ambtsvoor-ganger toegezegd uw Kamer een brief te sturen over de stand van zakenvan het wetsvoorstel over de hervorming.1 Ook is tijdens dit overleg eenbrief toegezegd over wat er al is onderzocht rondom de normering vantopinkomens bij de landelijke publieke omroep.2 Met deze brief geef ikopvolging aan beide toezeggingen.VoorafgaandHet kabinet hecht belang aan een integraal mediabeleid dat een sterkNederlands medialandschap kent, met publieke en private mediapartijendie samen zorgen voor kwalitatief en pluriform media-aanbod voor alleNederlanders. Ik ga nader in op het belang van een integraal mediabeleidin de OCW-brede beleidsbrief die op 24 april naar uw Kamer is verstuurd.In deze brief staat ook wanneer uw Kamer nader geïnformeerd wordt overde stappen die ik zet om het medialandschap in brede zin te versterken.Inhoud en planning wetsvoorstel hervorming landelijke publieke omroepTen eerste wil ik benadrukken dat ik het met uw Kamer eens ben dat ergeen tijd te verliezen is als het gaat over het in internetconsultatiebrengen van het wetsvoorstel over de hervorming van de landelijkepublieke omroep. Het is van groot belang voor de Nederlandse kijkers enluisteraars dat het landelijke publieke omroepbestel duurzaam versterktwordt zodat het klaar is voor de digitale toekomst. Alleen zo kan depublieke omroep de Nederlandse samenleving blijven bedienen metonafhankelijk, betrouwbaar en pluriform aanbod, via allerlei distributieka-1Toezegging met nummer: TZ202601-082.2Toezegging met nummer: TZ202601-083. kst-32827-380ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3801 nalen waaronder eigen gebruiksvriendelijke online platforms. Om dezereden zal ik mij inspannen het wetsvoorstel rond de zomer in internetcon-sultatie te brengen.De uitdagingen in het gedigitaliseerde medialandschap zijn groot en devoorgenomen hervorming zoals uiteengezet door mijn ambtsvoorgangerin de brief van 4 april 2025, grijpt dan ook fundamenteel in op de wijzewaarop de landelijke publieke omroep is georganiseerd om dezeuitdagingen het hoofd te kunnen bieden.3 Het nieuwe bestel gaat uit vaneen nieuwe inrichting die gesloten is voor nieuwe organisaties, maaropener voor nieuwe geluiden. Bestaande omroepverenigingen zullenopgaan in een viertal omroephuizen die stichtingen zullen zijn, metdaarnaast de organisatie NOS-NTR. Omroephuizen zullen de rol vanwerkgever gaan vervullen omdat medewerkers in dienst komen van deomroephuizen. Er zal geen sprake zijn van meerdere bestuurslagen in hetomroephuis: een huis heeft één bestuur en één raad van toezicht. Dezittingstermijnen van bestuurders en leden van de raad van toezichtworden gemaximeerd.Ook wordt de rolverdeling tussen NPO en omroephuizen aangepastwaarbij de NPO minder in detail op aanbod zal coördineren. Strategiekomt meer gezamenlijk tussen de omroepen en NPO tot stand. Tegelij-kertijd behoudt de NPO zijn coördinerende rol op het gebied vanprogrammering en distributie. Verder worden het externe toezicht en debeoordelings- en evaluatiesystematiek herijkt. Dit alles maakt hetbijbehorende wetsvoorstel omvangrijk en complex: alle verschillendeelementen moeten goed op elkaar aansluiten om ervoor te zorgen dat hetnieuwe bestel goed functioneert en de eerder geconstateerde knelpuntenworden geadresseerd.4 Daarbij hebben de keuzes die worden gemaaktverstrekkende gevolgen voor de mensen en organisaties die deeluitmaken van de landelijke publieke omroep. Ik vind het dan ookbelangrijk om het wetsvoorstel nauwgezet en zorgvuldig uit te werken inoverleg met de betrokken partijen.Om dit alles te realiseren zijn de afgelopen periode al belangrijke stappengezet. In een werkgroep met omroepen en de NPO is veel voorbereidendwerk uitgevoerd. Verschillende onderdelen van de hervorming zijn hierinbesproken en uitgewerkt. Ook is veelvuldig overleg geweest met hetCommissariaat voor de Media en met andere partijen zoals de Raad voorCultuur, onafhankelijke producenten, commerciële omroepen enstreamers. De uitkomsten van deze gesprekken worden gebruikt om hetwetsvoorstel verder inhoudelijk uit te werken. Voor de zomer zullen dezegesprekken bestuurlijk worden afgerond.De omvang en onderlinge samenhang van de voorgestelde wijzigingenmaken dat in de komende periode intensieve afstemming met betrokkenpartijen noodzakelijk is. De uitkomsten van de gesprekken raken aangovernance, arbeidsverhoudingen en toezicht en vereisen daarom eenzorgvuldige wetstechnische doorwerking, zodat het geheel juridischhoudbaar en uitvoerbaar is. Daarbij heb ik ook tijd nodig om mij teoriënteren op dit belangrijke onderwerp en om in bestuurlijk overleg tetreden met de verschillende stakeholders.Ik voorzie dan ook dat het niet mogelijk is om exact te voldoen aan deaangenomen motie die tijdens het wetgevingsoverleg door de ledenMartens-America (VVD) en Nanninga (JA21) is ingediend over het in3Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 333.4Kamerstukken II, 2025–26, 32 827, nr. 333.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3802 internetconsultatie brengen van het wetsvoorstel vóór 1 juni 2026.5 Ik zalde bestuurlijke en inhoudelijke afstemming vóór het zomerreces afrondenen ik zal de internetconsultatie van het wetsvoorstel rond de zomerstarten. Ik streef er nog steeds naar om het wetsvoorstel in het eerstekwartaal van 2027 bij uw Kamer in te dienen. Publicatie van de wet isvoorzien op 1 januari 2028 met inwerkingtreding op 1 januari 2029.Openstaande moties en toezeggingenTijdens het wetgevingsoverleg is door een aantal Kamerleden aange-geven dat er openstaande moties zijn die betrekking hebben op dehervorming van de landelijke publieke omroep waaraan nog niet istegemoetgekomen. Alle eerder aangenomen moties die betrekkinghebben op de hervorming van de landelijke publieke omroep wordenmeegenomen in het wetsvoorstel. Uw Kamer wordt hierover geïnfor-meerd middels een aparte, begeleidende brief conform de toezegging dieis gedaan tijdens het wetgevingsoverleg op 26 januari 2026. Deze brief zalnaar verwachting gelijktijdig met de aanbieding van het wetsvoorstel terinternetconsultatie, voorzien rond de zomer, naar uw Kamer wordenverstuurd. Hierin zullen alle aangenomen moties die raken aan dehervorming worden langsgelopen om aan te geven hoe hier in hetwetsvoorstel uitvoering aan wordt gegeven.Rol verenigingen in het nieuwe bestelEen fundamentele herziening van het bestel is zoals gezegd noodzakelijkom de publieke omroep klaar te maken voor de digitale toekomst. Eenwendbaar en slagvaardig bestel is nodig om op een goede manier in tekunnen zetten op het bereiken van het Nederlandse publiek, zekerjongeren, in de digitale omgeving met aanbod van publieke waarde,waaronder journalistiek aanbod. Om deze reden vind ik het belangrijk datin het nieuwe bestel de huidige omroepen zijn omgevormd naar eenviertal omroephuizen. Ook de huizen zelf moeten slagkrachtig wordeningericht waarbij taken en verantwoordelijkheden zuiver moeten zijnbelegd. Dit is de reden waarom er in het nieuwe bestel geen sprake kanzijn van dubbelfuncties. Dit geldt in de eerste plaats voor functies binnenhet omroephuis zelf, dus tussen intern toezicht, bestuur en hoofdredactie.Het gaat hierbij ook om dubbelfuncties tussen het omroephuis enverenigingen die een rol kunnen spelen in het nieuwe bestel.De komende periode ga ik in het wetsvoorstel verder uitwerken hoe ik derol van verenigingen in het nieuwe bestel voor me zie. Daarbij hanteer ikeen aantal uitgangspunten. Ten eerste zie ik de inzet van een ledenver-eniging als een waardevolle manier waarop een omroephuis demaatschappelijke worteling duurzaam vorm kan geven en aan kan tonen.Ik vind het dan ook belangrijk dat er in het nieuwe bestel betekenisvollebanden tussen omroephuizen en verenigingen kunnen worden gelegd.Ten tweede kent het nieuwe bestel flexibiliteit in de manieren waarop hetomroephuis maatschappelijke worteling vormgeeft en aantoont. Waar hethuidige bestel nog primair van verenigingen uitgaat als manier ommaatschappelijke worteling te organiseren wil ik dat dit in het nieuwebestel ook op andere manieren kan, zodat er meerdere vormen naastelkaar kunnen worden ingezet, afhankelijk van welke vorm het beste bijwelke doelgroep past. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan (digitale) commu-nities waarmee mensen zich identificeren, bijvoorbeeld rondom specifiekepublieke waarden die ze van belang vinden voor de Nederlandsesamenleving. Ik vind het belangrijk dat er een goede balans gevonden5Kamerstukken II, 2025–26, 36 800 VIII, nr. 60.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3803 wordt in de invloed die verschillende vormen van maatschappelijkeworteling kunnen uitoefenen in de aansturing en aanbodstrategie van hetomroephuis.Ten derde zal in het nieuwe bestel het omroephuis de omroep zijn. Hetomroephuis is een stichting met een wettelijke taak waar de medewerkersin dienst zijn en het aanbod wordt gemaakt. Wel vind ik het van belang datde verenigingen een rol van betekenis kunnen blijven spelen bij hetomroephuis, zoals benoemd in de vorige twee uitgangspunten.Zoals gezegd zal ik de komende periode in het wetsvoorstel verderuitwerken hoe ik de rol van verenigingen in het nieuwe bestel voor me zie.Ik doe dit op basis van bovenstaande uitgangspunten, in overleg metomroepen en NPO en op basis van wensen die uw Kamer eerder over deinrichting van omroephuizen heeft geuit, bijvoorbeeld als het gaat over debenoemingsprocedure van raden van toezicht.6Clustering omroephuizenIn de tussentijd zijn NPO en omroepen gekomen tot een nieuw voorstelvoor een clustering van omroepen in een viertal omroephuizen. Dit sluitaan bij de wens van dit kabinet om te komen tot vier omroephuizen metdaarnaast de organisatie NOS-NTR. Ik ben blij dat het de landelijkepublieke omroep is gelukt zelf tot een voorstel te komen. Dit draagt bij aangoed functionerende omroephuizen en voldoende draagvlak onder departijen die deze huizen zullen vormen in het nieuwe bestel.Tegelijkertijd constateer ik dat niet elke omroep met een (voorlopige)erkenning een plek heeft gevonden in de te vormen omroephuizen. Hetgaat hierbij om de aspirant-omroep Ongehoord Nederland die tot opheden geen plek heeft gevonden in de voorgenomen clustering. Hetuitgangspunt blijft dat elke omroep die een (voorlopige) erkenning heeft,een plek moet kunnen vinden in een van de omroephuizen. Ik benvoornemens dit uitganspunt te borgen door dit wettelijk als voorwaardevast te leggen voor het kunnen oprichten van omroephuizen. Als het deomroepen niet lukt om op vrijwillige basis tot een dergelijke clustering tekomen, kan ik advies van externe partijen inwinnen over de clustering.Nu de omroepen tot een clustering zijn gekomen die alleen OngehoordNederland buiten beschouwing laat, ben ik voornemens om alvast advieste vragen aan externe partijen over de vraag welke clustering het meestvoor de hand ligt, lettende op de eerder gedeelde kaders waaraan deomroephuizen moeten voldoen.7 Ik denk hierbij aan een soortgelijk procesals voor het verlenen van de erkenningen in het huidige bestel, wat ik doeop basis van advies van de NPO, het Commissariaat voor de Media en deRaad voor Cultuur. Ook voorziet de huidige Mediawet 2008 in eenaanwijsprocedure wanneer het een aspirant-omroep niet lukt opvrijwillige basis aansluiting te vinden bij een samenwerkingsomroep.Financiering en rol reclameIn het coalitieakkoord is € 50 miljoen beschikbaar gesteld voor mediadoel-einden (bijlage bij Kamerstuk 36 848, nr. 31). Hiervan wordt € 45 miljoeningezet om de bezuinigingen op de rijksmediabijdrage van de landelijkepublieke omroep deels terug te draaien.8 Hiermee is de noodzaak voor hetverhogen van de reclame-inkomsten op de korte termijn vervallen. Om6Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 336.7Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 369.8Kamerstukken II, 2025–26, 2026Z04231.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3804 deze reden zal ik de aangekondigde verhoging van het aandeel reclame-inkomsten in de financiering van de landelijke publieke omroep met€ 11,7 miljoen niet doorzetten. Ook het terugdraaien van de verlaging vande toegestane hoeveelheid reclame op de lineaire televisiekanalen van delandelijke publieke omroep van 8% naar 10% zet ik vooralsnog niet door.9Ik ga de komende tijd gebruiken om mij te oriënteren op de rol diereclame op de langere termijn speelt bij de financiering van het budgetvan de landelijke publieke omroep. De moties die raken aan het reclame-dossier die de afgelopen periode zijn aangenomen zal ik hierbij betrekken.Het gaat hier bijvoorbeeld om de motie van het lid Martens-America(VVD) die vraagt reclame bij podcasts bij de landelijke publieke omroep teverbieden.10 Ik zal uw Kamer nader informeren over het reclamedossier inde reeds toegezegde Kamerbrief die ik zal sturen wanneer ik hetwetsvoorstel over de hervorming in internetconsultatie breng. Hierin zal ikook terugkomen op de aangenomen moties die raken aan dit dossier,waaronder de al genoemde motie van het lid Martens-America (VVD).Deze brief is net als de internetconsultatie voorzien rond de zomer.Wet Normering Topinkomens en overheadTijdens het Wetgevingsoverleg media op 26 januari 2026 heeft mijnambtsvoorganger toegezegd uw Kamer binnen enkele weken na het debatte informeren over wat er al is onderzocht rond topinkomens bij delandelijke publieke omroep.11 Daarnaast ga ik hier nog in op de aange-nomen motie van het lid van der Plas (BBB) over de overhead bij delandelijke publieke omroep.12KPMG-onderzoekIn de Mediabegrotingsbrief voor het jaar 2024 is de Kamer geïnformeerdover het onderzoek dat het Commissariaat voor de Media (het Commissa-riaat) in 2023 heeft laten uitvoeren door KPMG Forensic naar de nalevingvan de Wet Normering Topinkomens (WNT) in de mediasector en hetBeloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO).13 Het onderzoek,inclusief de reactie van het Commissariaat, is aan de Kamer toegezondenper brief van 11 januari 2024.14 Het KPMG-onderzoek geeft een feitelijk enonafhankelijk inzicht in de wijze waarop de NPO en de landelijke publiekeomroepen de WNT en het BPPO naleven. Ook is er aandacht voor de wijzewaarop het Commissariaat het toezicht op de WNT en het BPPO heeftingericht en uitgevoerd.Uit het KPMG-onderzoek is naar voren gekomen dat er binnen delandelijke publieke omroep geen topfunctionarissen en presentatorenmeer zijn die boven de maximumnorm voor de bezoldiging zitten. Hetaantal presentatoren dat op grond van een overgangsregeling boven demaximumnorm werd beloond, is in de afgelopen jaren teruggebracht vanzeventien naar nul. Dit laat duidelijk zien dat de regelgeving zijn werkheeft gedaan voor werknemers van de publieke omroep. Ook laat hetonderzoek van KPMG zien dat er geen overtredingen zijn geconstateerdrond de inhuur van presentatoren bij de onderzochte onafhankelijkeproducenten.9Kamerstukken II, 2025–26, 32 827, nr. 374.10Kamerstukken II, 2025–26, 36 800 VIII-53.11Toezegging met nr. TZ202601-083.12Kamerstukken II, 2025–26, 36800 VIII-63.13Kamerstukken II, 2023–24, 36 410 VIII, nr. 34.14Kamerstukken II, 2023–24, 36 410 VIII, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3805 In het onderzoek staan ook verbeterpunten, bijvoorbeeld over deverantwoording van beloningen van presentatoren die bij meerdereomroepen werken of via buitenproducenten worden betaald. HetCommissariaat concludeerde daarom dat het BPPO verder aangescherptkon worden.15Beloningskader Presentatoren Publieke Omroep (BPPO)De NPO is met de verbeterpunten aan de slag gegaan en zoals ookgemeld in de Kamerbrief van 10 juli 2025 heeft dit geresulteerd in eenaangepast en aangescherpt BPPO.16 Een belangrijke wijziging is datomroepen presentatoren die bepalend zijn voor één programma enwaarvan buiten kijf staat dat zij voldoen aan de criteria voor het toekennenvan een beloning op BPPO-niveau, altijd rechtstreeks gecontracteerdzullen worden door de betreffende omroep. Ook als het programma wordtgeproduceerd door een externe producent vindt er in die gevallen dusgeen betaling plaats door de producent aan de presentator. Dat draagt bijaan de naleving van het BPPO en het toezicht daarop.Voor presentatoren die voor meerdere opdrachtgevers werken, geldt dathun totale beloning voor werkzaamheden voor de publieke omroep perjaar niet boven het BPPO-maximum mag uitkomen. Voor de nalevinghiervan geldt een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de presentatorzelf, de producenten, de contracterende omroepen en de NPO. Invoorkomende gevallen wijst de NPO een coördinerende omroep aan diehier de eindregie op voert.Daarnaast is van belang om te vermelden dat er een Samenwerkingscodetot stand is gekomen tussen de NPO, het College van Omroepen (CvO), deVereniging van Nederlandse Content Producenten (NCP) en de Neder-landse Audiovisuele Producenten Alliantie (NAPA). In deze Samenwer-kingscode is bepaald dat ook producenten zich zullen committeren aan debeloningsregels uit het BPPO.Verlaagde sectorale maxima voor media-instellingenSinds 2021 gelden voor de regionale en landelijke publieke omroepenverlaagde maxima op grond van artikel 2.6 van de WNT. Hiermee isinvulling gegeven aan de behoefte die er in de samenleving en de politiekwas voor verdere regulering van de bezoldiging van bestuurders bijlandelijke en regionale media-instellingen.Om te bepalen welke instelling bij welk verlaagd maximum wordtingedeeld, is gebruikgemaakt van vier generieke instellingscriteria: totalebaten, aantal leden, mandaat en bereik. Deze instellingscriteria bieden eenweergave van de zwaarte van de functie van de bestuurders gebaseerd opfunctiewaarderingsverhoudingen. Gezamenlijk geven de criteria eenindicatie van de complexiteit van de betreffende bestuursfunctie. Hoelager de complexiteit van de instelling, hoe lager het bezoldigings-maximum is dat voor de instelling geldt. De basis voor de criteria en debezoldigingsklassen komt uit een onafhankelijk onderzoek dat is uitge-voerd door Panteia en AWVN.1715Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 330.16Kamerstukken II, 2024–25, 32 827, nr. 371.17Dit onderzoek is gepubliceerd op 14 september 2020 (2020D35231) en is te vinden ophttps://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-onderwijs-cultuur-en-wetenschap/documenten/kamerstukken/2020/09/14/kamerbrief-onderzoeken-distributievergoeding-vensterprogrammering-en-wnt-maxima-mediasector.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3806 Daarnaast ben ik van plan een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in hetkader van het wetsvoorstel versterking lokale publieke omroepen. Alsgevolg van dit wetsvoorstel zullen de bestuurders van lokale publiekeomroepen ook onder de WNT komen te vallen. Uit het onderzoek moetblijken wat een redelijk (verlaagd) maximum is voor deze categoriebestuurders.Kamervragen interim-salarissenIk verwijs in het kader van de toezegging rondom salarisconstructies ooknaar de antwoorden van de Minister van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties – mede namens de Ministers van Onderwijs, Cultuur enWetenschap, en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid – op vragen vande leden Mohandis en Patijn (beiden GroenLinks-PvdA).18Het betrof hier de situatie van een topfunctionaris bij de landelijkepublieke omroep waarbij sprake was van meerdere interim-opdrachten enwaarbij mogelijk het WNT-maximum werd overschreden. De WNT maaktonderscheid tussen topfunctionarissen in dienstbetrekking en topfunctio-narissen zonder dienstbetrekking (bijvoorbeeld interim of ZZP). De WNTstaat echter toe dat aan een leidinggevende topfunctionaris zonderdienstbetrekking in de eerste twaalf kalendermaanden van een functiever-vulling een hoger bedrag dan het algemeen bezoldigingsmaximum vanartikel 2.3 van de WNT kan worden uitgekeerd.Hiervoor is gekozen zodat een instelling met een urgente vervangings-vraag of bij behoefte aan specialistische kennis een geschikte kandidaatkan werven. Daarnaast biedt dit hogere bezoldigingsmaximum compen-satie aan de topfunctionaris voor de (financiële) risico’s die samenhangenmet de veelal flexibele en kortdurende opdrachten. Vanaf de dertiendekalendermaand van de functievervulling geldt echter het (verlaagde)maximum dat voor de instelling van toepassing is. Het is dan ook nietmogelijk om een topfunctionaris zonder dienstbetrekking langer dan éénjaar meer te betalen dan het bezoldigingsmaximum dat voor de instellingvan toepassing is.Verder kent de WNT in artikel 1.6a WNT de zgn. anticumulatiebepaling.Daarin is bepaald dat de totale bezoldiging van een topfunctionaris die opbasis van een dienstbetrekking gelijktijdig werkzaam is bij twee of meerWNT-instellingen, niet hoger mag zijn dan het algemeen bezoldigings-maximum uit artikel 2.3 WNT. Zoals ook in het antwoord op de Kamer-vragen is aangegeven ziet de anticumulatiebepaling van artikel 1.6a WNTniet op de situatie dat een topfunctionaris zonder dienstbetrekking twee ofmeer (interim-)functies bij twee of meer WNT-instellingen naast elkaarvervult. Naar aanleiding van deze casus zal de Minister van BZK latenonderzoeken of de beschreven situatie zich vaker voordoet of heeftvoorgedaan. Zo ja, dan zal de Minister van BZK een voorstel indienen omde WNT zodanig aan te passen om de anticumulatiebepaling vanartikel 1.6a WNT uit te breiden voor interimmers.Normering overheadTot slot heeft uw Kamer bij het Wetgevingsoverleg media een motieaangenomen die oproept tot het normeren van overhead bij de gehelelandelijke publieke omroep. Zoals in het debat toegezegd ga ik, in overlegmet de NPO en de omroepen, een voorstel doen voor een benchmarkvoor overheadkosten en de wijze waarop daarover door de NPO en deomroepen gerapporteerd wordt. Ik zal uw Kamer hierover nader infor-18Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 3016.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3807 meren in het vierde kwartaal van 2026, in de Mediabegrotingsbrief 2027.De motie vraagt daarnaast om bij eventuele toekomstige bezuinigingenop de publieke omroep de raad van bestuur, de raad van toezicht en dedirectie van de NPO minstens hetzelfde percentage te laten besparen alswat wordt bezuinigd op het mediabudget. Die koppeling kan en wil ik niettoezeggen. De publieke omroep is onafhankelijk in zijn keuzes over inzetvan de beschikbare middelen. Dat geldt dus ook voor de invulling vanbezuinigingen. Beloningen van individuele medewerkers, bestuurders oftoezichthouders worden bepaald door contractuele afspraken tussen deinstelling en het betreffende individu. De overheid is hier geen partij in.Bovendien worden de beloningen van bestuurders en toezichthouders bijde publieke omroep al gemaximeerd door de WNT.Ik hoop u met deze brief voldoende te hebben geïnformeerd over mijninzet op het dossier hervorming landelijke publieke omroep en de huidigestand van zaken omtrent het wetsvoorstel alsook hoe ik om ga met deaangenomen moties tijdens het wetgevingsoverleg. Ik zal uw Kameropnieuw informeren over de hervorming wanneer ik het wetsvoorstel ininternetconsultatie breng.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. LetschertTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 827, nr. 3808
Gerelateerde bronnen
- De Kamer ontvangt over enkele weken een brief over wat er al is onderzocht rondom de normering van topinkomens bij de landelijke publieke omroep.
De Kamer ontvangt over enkele weken een brief over wat er al is onderzocht rondom de normering van topinkomens bij de landelijke publieke omroep.
- De Kamer ontvangt over een paar weken een brief over de stand van zaken van de inhoud van het wetsvoorstel over de hervorming van de landelijke publieke omroep.
De Kamer ontvangt over een paar weken een brief over de stand van zaken van de inhoud van het wetsvoorstel over de hervorming van de landelijke publieke omroep.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.