KamerkringInloggen
Kamerbrief

Verslag van een schriftelijk overleg over evaluatie CO2-heffing industrie en CO2- minimumprijs elektriciteitsopwekking (Kamerstuk 32813-1553)

2 jul 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 4eb956c7ab56928b · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 813Kabinetsaanpak KlimaatbeleidNr. 1568 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 2 juli 2026 De vaste commissie voor Financiën heeft een aantal vragen en opmer-kingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Financiën over de brief van5 februari 2026 over evaluatie CO2-heffing industrie en CO2-minimumprijselektriciteitsopwekking (Kamerstuk 32 813, nr. 1553)De vragen en opmerkingen zijn op 6 maart 2026 aan de Staatssecretarisvan Financiën voorgelegd. Bij brief van 2 juli 2026 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,Van der LeeAdjunct-griffier van de commissie,Lips kst-32813-1568ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15681 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoonVragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deevaluatie van de CO2-heffing voor de industrie. Deze leden hebben enkelevragen over de evaluatie en over het bredere beleid.Deze leden constateren ten aanzien van het aanvullend beleid datNederland als een van de weinige EU-lidstaten ervoor koos omETS-sectoren extra te beprijzen. Deze leden hebben er begrip voor dat ditkabinet voor een meer Europees gerichte aanpak kiest. Tegelijkertijdconstateren deze leden dat het afschaffen van de CO2-heffing ertoe leidtdat er minder emissiereductie in de industrie zal worden gerealiseerd. Zevragen wat de algemene inzet is van de Staatssecretaris op dit punt enwelke aanknopingspunten de Staatssecretaris ziet in de suggesties van deoverlegtafel CO2-heffing Industrie.Het kabinet spant zich in voor een stevig Europees pakket. CO2-beprijzing,bij voorkeur Europees, is de hoeksteen van de beleidsarchitectuur enessentieel om investeringen in verduurzaming financieel aantrekkelijk temaken en het pad naar klimaatneutraal minder vrijblijvend te maken.Daarnaast heeft het kabinet aanvullende middelen gereserveerd voor deSDE++ en voor het verlagen van de kosten van elektriciteit. Deze maatre-gelen maken verduurzaming aantrekkelijker. Het kabinet treft indien nodigaanvullende nationale maatregelen in het voorjaar van 2027 om het doelvan 2040 te halen. Daarbij houdt het kabinet oog voor handelingsper-spectief en betaalbaarheid. De borgende maatregelen die zijn gesugge-reerd door de Overlegtafel CO2-heffing Industrie zullen daarbij wordenmeegewogen.De leden constateren ten aanzien van het helpen van duurzame bedrijvendat het afschaffen van de CO2-heffing ertoe leidt dat de concurrentiepo-sitie van bedrijven die vóórlopen in de verduurzaming of al duurzaam zijnverslechtert. Deze leden lezen dat het coalitieakkoord uitspreekt dat hetvoor de industrie stabiel langetermijnbeleid wil voeren. Ze zijn vanmening dat dat ook voor deze bedrijven moet gelden. Ze vragen daaromde Staatssecretaris om inzichtelijk maken welke bedrijven nadeel hebbenondervonden van het afschaffen van de CO2-heffing. Deze leden vragenvoorts of de SDE++ voldoende is om het daardoor ontstane nadeel voorduurzame bedrijven weg te nemen. Daarnaast vragen ze in algemene zinwelke inzet de Staatssecretaris pleegt voor deze duurzame bedrijven.Afschaffen van de CO2-heffing heeft een negatieve impact op de businesscase van verduurzaming doordat het uitstoten van CO2 goedkoper wordt.Tevens heeft het afschaffen van de CO2-heffing een negatief effect op debedrijven die reeds verduurzaamd hebben. Bedrijven die voorlopenzouden meer dispensatierechten krijgen dan emissies, waardoor ze ditoverschot hadden kunnen verkopen aan andere bedrijven binnen deCO2-heffing industrie.De negatieve impact op winstgevendheid van bedrijven die reeds hebbengeïnvesteerd is klein. Voor de meeste bedrijven is dit beperkt tot eenoverschot aan dispensatierechten. Daarnaast neemt ook de winstge-vendheid af van bedrijven die in staat waren om de kosten van denationale heffing af te wentelen op afnemers. Vanwege internationaleconcurrente geldt dit slechts voor een beperkt aantal bedrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15682 Publiek beschikbare gegevens van de NEa laten zien dat slechts eenbeperkt aantal bedrijven (5–10 bedrijven) een overschot hadden aandispensatierechten in 2024. De CO2-efficiëntie van een aantal van dezebedrijven is niet of slechts in beperkte mate toegenomen na introductievan de CO2-heffing, wat er op wijst dat deze bedrijven reeds in verduur-zaming hadden geïnvesteerd voordat de CO2-heffing werd geïntrodu-ceerd. Voor deze bedrijven zorgde de introductie van de CO2-heffing vooreen financiële meevaller.De SDE++ is een verduurzamingssubsidie en is daarmee niet een geschiktinstrument om bij bedrijven nadelen weg te nemen die ontstaan dooraanpassingen aan de CO2-heffing. De hoogte van de subsidie is nietafhankelijk van de CO2-heffing, waardoor bedrijven die hebben verduur-zaamd met behulp van de SDE++ niet gekort worden op hun subsidie dekomende jaren. Het kabinet vindt het belangrijk dat de duurzamebedrijven hier in Nederland kunnen blijven produceren. Het kabinet trektdaarom voor de periode tot en met 2035 jaarlijks ca. € 1 mld. uit voor hetverlengen van de Indirecte Kosten Compensatie (IKC) en het verlagen vande elektriciteitskosten voor de industrie. Dit verbetert de concurrentiepo-sitie voor de in Nederland gevestigde industrie en komt direct ten goedeaan bedrijven die reeds veel elektriciteit verbruiken, bijvoorbeeld doordatprocessen geëlektrificeerd zijn.De leden van de D66-fractie constateren op het punt van invulling gevenaan de ambitie voor verduurzaming van de industrie dat het kabinetstevige ambities heeft op het gebied van verduurzaming van de industrie.Zo lezen ze dat het kabinet vol wil inzetten op een groene industrie meteen lagere uitstoot. Deze leden vragen de Staatssecretaris welke beleids-stappen de Staatssecretaris vanuit zijn departement gaat zetten omindustrie te verduurzamen. Ze vragen daarbij specifiek naar instrumentenwaarmee de overheid daadwerkelijk stuurt op het verduurzamen vanindustrie.Het kabinet heeft middelen gereserveerd voor het beperken van deelektriciteitskosten van de energie-intensieve industrie. Lagere kostenvoor elektriciteit maken investeringen in elektrificatie aantrekkelijker. Ik zetmij ervoor in dat deze middelen zo goed mogelijk daartoe worden benut.In het kader van het energiepakket is daarnaast besloten om het aftrekper-centage in de energie-investeringsaftrek (EIA) per 2027 te verhogen.Hierdoor wordt het voor bedrijven aantrekkelijker om te investeren inCO2-reducerende en energiebesparende maatregelen.Ik zet mij tot slot in voor een sterk Europees emissiehandelssysteem enCarbon Border Adjustment Mechanism. Europees instrumentarium isbepalend voor investeringen in verduurzaming en het reduceren vanfossiele afhankelijkheden. Belangrijke factoren daarbij zijn een toereikendeCO2-prijs, effectieve koolstoflekkagebescherming gericht op industrie dieverduurzaamt en stabiliteit van beleid.De leden van de D66-fractie constateren op het punt van de inzet door deStaatssecretaris op de knelpunten voor de industrie dat uit de evaluatievan de CO2-heffing blijkt dat deze op zichzelf onvoldoende is om bedrijvente verduurzamen. Er zijn namelijk stevige knelpunten voor industrie om teverduurzamen. Deze leden noemen in dit kader netcongestie en hetstikstofslot. Ze constateren dat uit de evaluatie blijkt dat als de overheiddeze knelpunten niet oplost, bedrijven geen handelingsperspectief hebbenom serieus te kunnen investeren in verduurzaming. Deze leden zien daarineen goede reden om op dit moment geen aanvullende CO2-heffing bovenop de Europese ETS te heffen. Deze leden constateren wél dat voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15683 verduurzaming van industrie het wegnemen van deze knelpuntenabsoluut noodzakelijk is. Ze vragen de Staatssecretaris daarom hoe deStaatssecretaris vanuit zijn departement bijdraagt aan de kabinetsbredeambitie om stikstof- en netcongestie zo snel mogelijk op te lossen.Ik erken het belang van het oplossen van knelpunten voor verduurza-mingsinvesteringen. Voor de landbouw, natuur en stikstofaanpak wordteen investeringsbedrag van € 20 miljard beschikbaar gesteld. De aanpakvan netcongestie ligt hoofdzakelijk bij het Ministerie van EconomischeZaken en Klimaat.De leden van de D66-fractie constateren ten aanzien van de inzet in deEuropese Unie door de Staatssecretaris dat dit kabinet de klimaatdoelenvasthoudt en alles op alles gaat zetten om doorbraken te realiseren omdeze doelen te halen. Deze leden vragen in algemene zin wat de inzet vande Staatssecretaris is om hieraan bij te dragen. Daarnaast constaterendeze leden dat het kabinet ook wil inzetten op een ambitieuze Europeseklimaataanpak. In dat kader constateren deze leden dat er ook bedrijvenzijn waarvoor mondiale overcapaciteit en import uit de Europese Unievanuit China een belangrijke oorzaak is van de druk op hun verdienver-mogen en dat ook zonder de nationale CO2-heffing ingrijpende keuzesover fabriekssluitingen onvermijdelijk waren geweest. In dat kader vragende leden van de D66-fractie de Staatssecretaris specifiek hoe de Staatsse-cretaris zich de aankomende tijd gaat inzetten voor stevige EuropeseCO2-beprijzing en een stevig CO2-beprijzingsinstrument aan de Europesegrens.Het kabinet zet zich in Brussel in voor een sterk Europees Emissiehandels-systeem (EU ETS) en Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM). Hetkabinet ziet deze instrumenten als essentieel voor de transformatie naarenergie van Europese bodem en daarmee het verminderen van geopoli-tieke afhankelijkheden, juist in de huidige complexe geopolitieke context.Het kabinet hecht er daarnaast ook aan dat bedrijven die investeren inverduurzaming voldoende investeringszekerheid hebben.Richting de aanstaande ETS1-herziening (juli 2026), pleit het kabinet voorverbeteringen in het ETS die zich richten op het versterken van maatre-gelen tegen koolstoflekkage, bijvoorbeeld door een herverdeling van degratis ETS-rechten middels de ETS benchmarks. Ingrepen die direct ofindirect de prijs of de integriteit van het ETS ondermijnen moeten wordenvermeden, ten behoeve van de investeringszekerheid. Het kabinet wil eenkoploperspositie bekleden voor behoud van een sterk ETS, waarbij weoog houden voor de zorgen vanuit de energie-intensieve industrie tenaanzien van de hoge energiekosten en het concurrentienadeel ten aanzienvan derde landen. Het kabinet heeft samen met Zweden, Finland,Denemarken, Luxemburg en Slovenië een non-paper van Spanjegesteund waarin deze positie wordt onderschreven. Het kabinet wil een zoeen breed mogelijke coalitie vormen. De steun van Duitsland en Frankrijkis hier van belang. Het kabinet zet hier proactief op in.Het CBAM speelt een cruciale rol in het behalen van de afgesprokenklimaatdoelen. Een goed werkend CBAM voor energie-intensieve sectorenis namelijk noodzakelijk om de industrie te beschermen tegen (oneerlijke)concurrentie van buitenaf. Het kabinet is voorstander van een stapsge-wijze uitbreiding van het CBAM met inachtneming van deWTO-conformiteit, administratieve lasten en uitvoerbaarheid. Het kabinetonderzoekt daarom momenteel de mogelijkheden voor uitbreiding naarkoolstoflekkagegevoelige sectoren, zoals papier, glas en keramiek. Voorsectoren waar het CBAM (vooralsnog) geen uitkomst biedt, zet het kabinetin op vraagcreatie – bijvoorbeeld via de recent gepubliceerde IndustrialTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15684 Accelerator Act, met voorstellen voor koolstofarme productiestandaardenen industriële versnellingsgebieden, of de EU Critical Chemical Alliance,waar Nederland de werkgroep lead markets voorzit.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de evaluatieCO2-heffing industrie en CO2-minimumprijs elektriciteitsopwekking. Dezeleden hebben hierover op dit moment geen vragen of opmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de evaluatie metinteresse gelezen. Deze leden hebben veel vragen.Deze leden merken allereerst op dat de evaluatie moeilijk negatief tenoemen valt. De evaluatie is kritisch over de minimum CO2-prijs industrieen de minimum CO2-prijs elektriciteitsopwekking, maar gematigd positiefover de CO2-heffing industrie. Deelt de Staatssecretaris deze lezing ofinterpreteert de Staatssecretaris de uitkomsten van het onderzoek anders?Zo ja, waarom?Het kabinet interpreteert de uitkomsten van het onderzoek als negatiefover de minimum CO2-prijs industrie en de minimum CO2-prijs elektrici-teitsopwekking. De uitkomsten aangaande de CO2-heffing industrie zijnminder eenduidig. De CO2-heffing industrie kan volgens de onderzoekersweliswaar bijdragen aan de doeltreffendheid en doelmatigheid van debeleidsmix, maar afhankelijk van de snelheid waarmee bedrijven kunnenverduurzamen, en de mate van ondersteuning die zij ontvangen. Hetkabinet vindt het belangrijk dat bedrijven in staat worden gesteld totverduurzaming.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hechten zeer aan onafhankelijkeevaluaties van belastinginstrumenten. Het valt deze leden echter op datmet veel ronduit negatieve evaluaties weinig tot niets wordt gedaan.Tegelijkertijd is dit kabinet voornemens de CO2-heffing af te schaffen,terwijl de evaluatie van de heffing juist gematigd positief is. Kan deStaatssecretaris hierop reflecteren? Vindt de Staatssecretaris onafhanke-lijke evaluaties van fiscale instrumenten net als deze leden belangrijk? Zoja, hoe komt het dan dat het kabinet niet van plan lijkt om ook maar éénvan de aanbevelingen uit evaluaties die de afgelopen jaren verschenenzijn op te volgen?Het kabinet hecht veel waarde aan de onafhankelijke evaluatie van fiscaleinstrumenten. Opvolging van de aanbevelingen uit evaluaties moet perfiscaal instrument worden beoordeeld, en laat zich niet eenvoudiggeneraliseren.Wat betreft de CO2-heffing industrie vindt het kabinet de concurrentiepo-sitie van de in Nederland gevestigde industrie en het handelingsper-spectief om daadwerkelijk te kunnen verduurzamen doorslaggevendeoverwegingen. Het kabinet handelt in lijn met de aanbevelingen uit deevaluatie door helderheid te bieden, subsidies voor industriële verduur-zaming te verruimen en knelpunten rondom o.a. stikstof en netcongestieaan te pakken. Verder was een aanbeveling uit het onderzoek om dehandel van dispensatierechten te bevorderen. De Nederlandse Emissieau-toriteit heeft daar verder reeds maatregelen toe genomen. De aanbeve-lingen van de evaluatie zullen tevens worden betrokken bij de voorjaars-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15685 besluitvorming van 2027, waarin beleidsmaatregelen voor klimaat-doelbereik zullen voorliggen.De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie vragen ook of de Staatssecretarishet geen beter idee zou vinden om te kijken naar de aanbevelingen uit deevaluatie van de CO2-heffing, in plaats van over te gaan tot het volledigafschaffen of anderszins buiten werking stellen. Zo nee, waarom niet? Zoja, gaat de Staatssecretaris dat dan ook doen?Het kabinet hecht aan de concurrentiepositie van de in Nederlandgevestigde industrie en het handelingsperspectief om daadwerkelijk tekunnen verduurzamen. Het kabinet geeft met het afschaffen van deCO2-heffing industrie invulling aan de motie Van Dijk c.s. (Kamerstuk36 725, nr. 11) In lijn met de aanbevelingen van de onderzoekers zet hetkabinet vol in op het mogelijk maken van verduurzaming, onder meerdoor netcongestieproblemen aan te pakken. Ook maakt het kabinet meermiddelen vrij voor verduurzaming.In die context hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ook nogenkele vragen over alternatieve heffingsvormen die niet zijn meegenomenin de evaluatie. Deze leden wijzen daarbij op de zogenaamde «bezemwa-genheffing» in de fichebundel bij het rapport «Routes naar realisatie»(door de CO2-tafel voor de industrie «benchmarkheffing» genoemd),waarbij een vast heffingstarief wordt ingevoerd, maar enkel boven deETS-benchmark, waardoor alleen «achterblijvers» extra worden belast.Hoe kijkt de Staatssecretaris naar dit alternatief en naar andere alonderzochte alternatieven? Is de Staatssecretaris bereid om deCO2-heffing om te vormen in plaats van volledig te schrappen?Het kabinet treft in het voorjaar van 2027 indien nodig aanvullendenationale maatregelen om emissiereductiedoelen te halen. De borgendemaatregelen die zijn gesuggereerd door de Overlegtafel CO2-heffingIndustrie zullen daarbij worden meegewogen.De leden van de Groenlinks-PvdA vragen wat de Staatssecretaris ervanvindt dat het concurrentievoordeel voor duurzame productie ten opzichtevan conventionele productie wegvalt als de CO2-heffing verdwijnt, en ofde Staatssecretaris het met deze leden eens dat investeringen in verduur-zaming daardoor minder rendabel worden?Het kabinet is van mening dat door de CO2-heffing industrie de concurren-tiepositie van de industrie juist onder druk staat. In veel gevallen hebbenbedrijven onvoldoende mogelijkheden om daadwerkelijk te verduur-zamen, waardoor de prikkel van de heffing niet altijd leidt tot investe-ringen in Nederland. Als gevolg daarvan bestaat het risico dat productiezich verplaatst naar het buitenland in plaats van dat de uitstoot daadwer-kelijk afneemt. Het kabinet acht dat een onwenselijke uitkomst.Tegelijkertijd is het kabinet zich ervan bewust dat afschaffing van deCO2-heffing invloed kan hebben op de aantrekkelijkheid van duurzameinvesteringen en op het speelveld tussen duurzame en conventioneleproductie. Het kabinet is daarom voornemens om in het voorjaar van 2027eventuele aanvullende nationale maatregelen te nemen om en deemissiereductiedoelen te halen en investeringen in een duurzame inNederland gevestigde economie te versnellen.De leden van de Groenlinks-PvdA vragen hoe de Staatssecretaris kijktnaar de conclusie uit de evaluatie dat «de huidige subsidies ontoereikendzijn om alle «financiële knelpunten aan te pakken»?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15686 Het kabinet deelt de conclusie dat de beleidsmix van beprijzend,normerend beleid en de beschikbare subsidies zoals beschouwd door deonderzoekers niet toereikend zijn voor alle financiële knelpunten. Niet alleverduurzamingsmaatregelen met financiële knelpunten zijn subsidiabel,bijvoorbeeld wanneer de maatregelen niet goed passen binnen debestaande subsidieregelingen. De business case van deze maatregelenhangt ook af van normerend en beprijzend beleid. Wat betreft dehoeveelheid beschikbare subsidiemiddelen verwacht het kabinet dat devrijgemaakte aanvullende middelen in de SDE++ een belangrijke bijdragezullen leveren om financiële knelpunten aan te pakken. De OverlegtafelCO2-heffing Industrie gaat in op de omvang van steun voor verduur-zaming van de ETS1-industrie, en becijfert dit op € 13,8 miljard aandirecte steun, exclusief te verlenen steun voortkomend uit de jaarlijkseSDE++-openstellingsrondes van 2026 t/m 2032 van € 8 miljard per jaar,waar de ETS1-industrie ook deels gebruik van zal kunnen maken. Hoe ditzich verhoudt tot de omvang van de investeringsopgave met inacht-neming van EU ETS is sterk afhankelijk van de ETS-prijs, en van anderekostenontwikkeling (gas, elektriciteit, staal, etc.). Ter indicatie van deordegrootte, bij een ETS-prijs van circa € 100 per ton in 2030 dekken desubsidiemiddelen indicatief driekwart van de verduurzamingskosten diebovenop EU ETS moeten worden gemaakt om het nationale 2030-doelvoor de ETS1-industrie te halen1. Ook ander normerend en beprijzendbeleid heeft invloed op de mate waarin subsidies toereikend zijn, omdatdergelijk beleid strategische uitstel en/of afstel van investeringenontmoedigt.De leden van de Groenlinks-PvdA vragen of de Staatssecretaris erkent datmet het afschaffen van de heffing nog minder financiële ruimte ontstaatvoor dergelijke subsidies, en of de Staatssecretaris inzicht kan geven in detotale budgettaire derving tot 2040 als gevolg van het schrappen van deCO2-heffing? De leden van GroenLinks-PvdA merken op dat uit deevaluatie blijkt dat afschaffing van de CO2-heffing in de praktijk betekentdat hogere subsidies nodig zijn om verduurzaming rendabel te maken envragen of het kabinet van plan is fors meer geld voor verduurzamingssub-sidies uit te trekken, en zo ja, waar dat geld vandaan moet komen? Zo nee,hoe denkt het kabinet verduurzaming van de industrie te bereiken?Schrappen van de CO2-heffing industrie leidt niet tot een budgettairederving. Sinds de aanpassingen in het Belastingplan 2026 worden er geeninkomsten meer verwacht. Door het wegvallen van de CO2-heffing dalende kosten van de uitstoot waardoor de prikkel tot emissiereductieafneemt. Het afschaffen van de CO2-heffing industrie leidt volgens het PBLtot een beperkte verwachte nationale emissietoename in 2030 van 0 tot 2megaton.2 Het kabinet is voornemens om in het voorjaar van 2027eventuele aanvullende nationale maatregelen te nemen om de emissiere-ductiedoelen te halen en investeringen in een duurzame in Nederlandgevestigde economie te versnellen.Generieke subsidies worden niet gecorrigeerd voor de betaalde CO2-prijsonder de CO2-heffing industrie, zoals bijvoorbeeld de SDE++ dat wel doetvoor de hoogte van de ETS-prijs.3 Desondanks heeft CO2-beprijzing welinvloed op de mate waarin subsidies toereikend zijn, omdat dergelijk1Zie ook bijlage 9 van het rapport «Kantelpunt voor klimaat en industrie». https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/12/03/kantelpunt-voor-klimaat-en-industrie2In deze berekening is uitgegaan van de heffing zoals voorgenomen conform voorjaarsnota2025. Zie de notitie CO2-heffing industrie van PBL: link3Binnen de maatwerkaanpak wordt in zoverre rekening gehouden met de CO2-heffing dat deheffing wordt meegenomen in de analyse van de business case, alleen bovenwettelijkereductie wordt gesubsidieerd en dat daarmee verkregen dispensatierechten niet verhandeldmogen worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15687 beleid strategische uitstel en/of afstel van investeringen ontmoedigt. Hetkan dus dat het afschaffen van de CO2-heffing tot hogere uitgaven leidtom het emissiereductiedoel te bereiken. Tegelijkertijd heeft het kabinetervoor gekozen de CO2-heffing af te schaffen voor de industrie uit zorgenvoor de concurrentiepositie van de in Nederland gevestigde industrie enomdat het handelingsperspectief van de in Nederland gevestigdeindustrie door o.a. netcongestie onvoldoende is. Voor aanvullendeverduurzamingsinvesteringen reserveert het kabinet budget voor zesnieuwe openstellingen van elk € 8 miljard voor de SDE++ vanaf 2027.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast dat deCO2-heffing heeft bijgedragen aan het ontwikkelen van verduurzamings-plannen en tot het daadwerkelijk investeren in verduurzamingsprojectenbij bedrijven. Vindt de Staatssecretaris dit ook een wenselijkeontwikkeling?Ja.Hoe reageert de Staatssecretaris op de klacht dat bedrijven die al hebbengeïnvesteerd in verduurzaming benadeeld worden door het afschaffenvan de CO2-heffing?Afschaffen van de CO2-heffing heeft een negatieve impact op de businesscase van verduurzaming doordat het uitstoten van CO2 goedkoper wordt.Bedrijven die voorlopen zouden meer dispensatierechten krijgen danemissies, waardoor ze dit overschot hadden kunnen verkopen aan anderebedrijven binnen de CO2-heffing industrie.De negatieve impact op winstgevendheid van bedrijven die reeds hebbengeïnvesteerd is echter klein. Voor de meeste bedrijven is dit beperkt toteen overschot aan dispensatierechten. Daarnaast neemt ook de winstge-vendheid af van bedrijven die in staat waren om de kosten van denationale heffing af te wentelen op afnemers. Vanwege internationaleconcurrentie geldt dit slechts voor een beperkt aantal bedrijven.Publiek beschikbare gegevens van de NEa laten zien dat slechts eenbeperkt aantal bedrijven (5–10 bedrijven) een overschot hadden aandispensatierechten in 2024. De efficiëntie van een aantal van dezebedrijven is niet of slechts in beperkte mate toegenomen na introductievan de CO2-heffing, wat er op wijst dat deze bedrijven reeds in verduur-zaming hadden geïnvesteerd voordat de CO2-heffing werd geïntrodu-ceerd. Voor deze bedrijven zorgde de introductie van de CO2-heffing vooreen financiële meevaller.Het kabinet vindt het belangrijk dat de duurzame bedrijven zoalsopgenomen in de onderstaande tabel hier in Nederland kunnen blijvenproduceren. Het kabinet trekt daarom voor de periode tot en met 2035jaarlijks ca. € 1 mld. uit voor het verlengen van de Indirecte KostenCompensatie (IKC) en het verlagen van de elektriciteitskosten voor deindustrie. Dit zorgt voor een gelijker speelveld voor de industrie en komtdirect ten goede aan bedrijven die reeds veel elektriciteit verbruiken,bijvoorbeeld doordat processen geëlektrificeerd zijn.In hoeverre hecht de Staatssecretaris waarde aan voorspelbaarheid vanbeleid en zekerheid voor bedrijven die voor een verduurzamingsopgavestaan? Hoe denkt hij dat het afschaffen van de CO2-heffing daaraanbijdraagt?Investeringsbeslissingen, en daarmee verduurzamingsprojecten, komenenkel tot stand als een bedrijf voldoende zekerheid heeft dat de inves-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15688 tering terugverdiend kan worden. Voorspelbaarheid van beleid draagt bijaan deze zekerheid, waardoor het een belangrijke factor is in het facili-teren van investeringsbeslissingen. Tegelijkertijd is het onwenselijk om bijonvoldoende handelingsperspectief voor verduurzaming een heffing dienooit was bedoeld om inkomsten te genereren in stand te houden.Is de Staatssecretaris het ermee eens dat de CO2-heffing meer zekerheidbiedt dan het ETS, omdat de ETS-prijs sterk kan fluctueren?De ETS-prijs kan fluctueren wat onzekerheid met zich meebrengt voorbedrijven. Tegelijkertijd biedt het EU ETS bedrijven wel mogelijkheden ommet deze prijsrisico’s om te gaan, bijvoorbeeld door emissierechten opvoorhand aan te kopen of prijsrisico’s af te dekken. Daarmee kunnenbedrijven binnen zekere grenzen meer voorspelbaarheid creëren over huntoekomstige kosten.Een nationale CO2-heffing of minimumprijs kan daarentegen zorgen vooreen stabielere ondergrens in de CO2-prijs, maar kan leiden tot onzekerheidover de concurrentiepositie. De heffing leidt tot hogere kosten voorbedrijven in Nederland ten opzichte van bedrijven in andere lidstaten. Ditkan de concurrentiepositie van de in de Nederland gevestigde economieverslechteren en daarmee invloed hebben op investeringsbeslissingen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben voorts een aantalvragen over de behandeling van afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s) in deCO2-heffing. Deze leden vragen of het kabinet van plan is de CO2-heffingook voor AVI’s volledig te laten vervallen en of dit plan ook is meege-nomen in de analyse van het CPB van het coalitieakkoord, gezien dit naarverwachting zowel budgettaire effecten heeft als koopkrachteffecten.Het kabinet heeft geen plannen voor het laten vervallen van deCO2-heffing voor AVI’s. Over de hoogte van de heffing wordt de Kameruiterlijk geïnformeerd op Prinsjesdag 2026. Inkomsten vanuit deCO2-heffing voor AVI’s zijn opgenomen in de begroting en zijn als zodanigmeegenomen in de analyse van het CPB van het coalitieakkoord.Deze leden vragen ook hoe het kabinet de toekomst van de afvalverbran-dingssector in Nederland ziet en hoe en wanneer deze sector volgens hetkabinet moet gaan verduurzamen.In de beleidsvisie «Afvalverbranding in 2030 en 2050» is omschreven watde wenselijke situatie is voor de afvalverbrandingssector in 2030 en 20504.Hier wordt o.a. ingegaan op de verduurzamingsopgave. In de beleidsvisieis vastgelegd dat in 2030 het verbranden van recyclebaar materiaal zoveelmogelijk voorkomen wordt, koolstofverwijdering bij AVI’s mogelijk isgemaakt en de CO2-uitstoot bij AVI’s sterk is teruggebracht.Is de Staatssecretaris het ermee eens dat het handelingsperspectief vanAVI’s beperkt is?Tijdens een werkbezoek heb ik zelf van de sector gehoord dat hethandelingsperspectief voor verduurzaming voor AVI’s per casus verschilt.AVI’s hebben ten aanzien van het verminderen van de kosten van deCO2-heffing twee opties: minder afval verbranden, bijvoorbeeld doormeer fossiele afvalstromen uit te sorteren en deze te laten recyclen, en/ofCCS toe te passen. Hoewel de CO2-heffing aan de ene kant de prikkel omCCS toe te passen vergroot, laat de studie van Trinomics ook zien dat deCO2-heffing de business case voor verduurzaming voor AVI’s onzeker4Beleidsvisie afvalverbranding in 2030 en richting 2050 | Rapport | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 15689 maakt. Voor sommige AVI’s geldt ook dat toepassing van CCS minderrendabel is dan voor andere AVI’s, vanwege bijvoorbeeld de transport-kosten voor afgevangen CO2. Voor CCS is het handelingsperspectieftevens afhankelijk is van de realisatie en ontwikkelsnelheid vanCCS-project Aramis.Deelt de Staatssecretaris de mening dat afval idealiter zoveel mogelijkwordt gerecycled en dat broeikasgasemissies als gevolg van verbrandingvan het niet-recyclebare deel zoveel mogelijk beperkt dienen te worden?Het kabinet is het ermee eens dat zoveel mogelijk moet wordenvoorkomen dat recyclebaar afval wordt verbrand. Afvalrecycling leverteen belangrijke bijdrage aan zowel de klimaatdoelen als de strategischeautonomie van Nederland en Europa. Daarnaast is het van belang datbroeikasgasemissies als gevolg van verbranding zo veel mogelijk beperktdienen te worden.Wat gaat het kabinet de komende jaren doen om deze doelen te bereikenen in hoeverre bestaat volgens de Staatssecretaris het risico dat de exportvan afval toeneemt en/of de kosten van de CO2-heffing afgewenteldworden op huishoudens?Nederland is verplicht om 60% van haar stedelijke afvalstoffen te recyclenin 2030. Dit loopt op tot 65% in 2035. Om dit te bewerkstelligen helpt hetkabinet gemeenten en bedrijven met het beter scheiden en voorkomenvan afval via het Uitvoeringsprogramma Van Afval Naar Grondstof. Inaanvulling hierop lopen meerdere verkenningen naar het meer en beterrecyclen van afvalstoffen. Zo verkent het kabinet de (on)mogelijkhedenvoor meer landelijke standaardisering van afvalscheiding en inzamelingen wordt voor gerichte recyclebare afvalstromen bekeken hoe voorkomenkan worden dat deze worden verbrand. Het kabinet wil hiermee toewerkennaar gerichte maatregelen die bijdragen aan meer en meer hoogwaardigerecycling.De inzet van het kabinet is om zo veel mogelijk te voorkomen datrecyclebaar materiaal wordt verbrand. Daarbij zal er ook een deelniet-recyclebaar afval verbrand worden bij AVI’s. Om broeikasgasemissieste kunnen reduceren bij de verbranding hiervan zullen AVI’s moeteninvesteren in CO2-afvanginstallaties. In de Werkgroep Afvalsector isgewerkt aan een intentieverklaring voor investeringszekerheid inverduurzamingsmaatregels door AVI’s. Hierin heeft het rijk haar beleidsin-tenties vastgelegd om bedrijven met afvalverbrandingsinstallaties meerzekerheid te bieden zodat zij tot investeringsbesluiten voor verduurzamingkunnen komen.Uit het rapport van Trinomics blijkt dat door de budgettaire opgave die bijde afvalsector is neergelegd de export van afval mogelijk toeneemt en deimport afneemt. Daarnaast is het voor AVI’s ook mogelijk om de kosten(deels) door te berekenen, waardoor de kosten voor huishoudens kunnenstijgen. Het afwentelen van verduurzamingskosten richting afvalont-doeners is nodig voor de investeringszekerheid van AVI’s. Vanwege dezorgen vanuit de sector en andere mogelijke negatieve effecten heeft deWerkgroep Afvalsector de opdracht gekregen om te zoeken naar eenalternatieve dekking voor de budgettaire opgave. Hierover is gerappor-teerd in het Eindrapport Werkgroep Afvalsector5. Over het fiscale pakketvoor de AVI’s zal uiterlijk bij de aankomende Miljoenennota wordenbesloten. Het kabinet zal Uw Kamer met Prinsjesdag ook informeren over5Eindrapport werkgroep afvalsector. 2025. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/10/28/eindrapport-werkgroep-afvalsectorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156810 de appreciatie en weging van de alternatieve voorstellen die deWerkgroep Afvalsector voor het beprijzingspakket voor afvalverbrandings-installaties heeft gedaan.Deze leden merken op dat zekerheid nodig is over het rendement van deinvesteringen in verduurzaming voor de jaren vanaf 2030. Vindt deStaatssecretaris het vanuit dat perspectief niet wenselijk om deCO2-heffing voort te laten bestaan en zo snel mogelijk duidelijkheid tebieden over het prijspad voor in ieder geval de komende tien jaar?De CO2-heffing voor afvalverbranding blijft bestaan, ook na 2030. DeCO2-heffing vergroot op zichzelf de prikkel om CCS toe te passen,afhankelijk van het tarief. De CO2-heffing is een belangrijk onderdeel vande business case voor CCS en het kabinet acht het dus van belang datAVI’s in de toekomst voldoende geprikkeld worden om CCS toe te passen.Ik deel dat het wenselijk is om duidelijkheid te bieden voor het prijspadvanwege de te nemen investeringsbeslissingen. De huidige maatvoeringbetreft een technische dekking, en kent ook risico’s voor het speelveld. Hetkabinet zal met Prinsjesdag duidelijkheid over het prijspad geven.Deze leden horen ook graag van de Staatssecretaris wat op dit moment destand van zaken is van de uitvoering van de motie Stultiens c.s.(Kamerstuk 36 812, nr. 83).Het kabinet zal Uw Kamer met Prinsjesdag informeren over de appreciatieen weging van de alternatieve voorstellen die de Werkgroep Afvalsectorvoor het beprijzingspakket voor afvalverbrandingsinstallaties heeftgedaan. Het kabinet heeft meer tijd nodig heeft om deze voorstellen tebeoordelen.Tot slot hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie enkele vragenover de aanbevelingen uit het evaluatierapport. Deze leden lezen dat deonderzoekers aanbevelen om een keuze te maken tussen «(1) hetverruimen van subsidies, of (2) het accepteren van een verhoogd risico opverminderde industriële activiteit om het nationale klimaatdoel voor deindustrie te halen». Deze leden vragen de Staatssecretaris welke keuze ditkabinet maakt en waarom.Het kabinet zet in op effectief klimaatbeleid dat leidt tot mondialeemissiereductie. Het verminderen van industriële activiteit in Nederland,met een stijging van productie elders ter wereld tot gevolg, draagt daarniet direct aan bij en kan zelfs leiden tot een stijging van mondialeemissies. Het kabinet kiest daarom voor additionele middelen voorsubsidies en reserveert budget voor zes nieuwe rondes van € 8 mld. voorde Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++)vanaf 2027. De SDE++ dekt een breed scala aan industriële verduurza-mingstechnieken waaronder elektrificatie, waterstof, en CCS, de belang-rijkste verduurzamingsroutes voor de industrie. Deze subsidies stellenproducenten in staat om te verduurzamen én concurrerend te blijven opde internationale markten waarop zij opereren. Ook heeft het kabinetmiddelen gereserveerd om de kosten voor elektriciteit te beperken. In hetvoorjaar van 2027 zullen indien nodig aanvullende maatregelen wordengenomen om het doel van 2040 te halen.De leden van de Groenlinks-PvdA-fractie vragen hoe de aanbevelingenom prioriteit te geven aan het aanpakken van knelpunten en het vergrotenvan de voorspelbaarheid omtrent de CO2-heffing industrie te rijmen vallenmet het rücksichtsloze afschaffen dan wel buiten werking stellen van degehele CO2-heffing?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156811 Investeringsbeslissingen, en daarmee verduurzamingsprojecten, komenenkel tot stand als een bedrijf voldoende zekerheid heeft dat de inves-tering terugverdiend kan worden. Voorspelbaarheid van beleid draagt bijaan deze zekerheid, waardoor het een belangrijke factor is in het facili-teren van investeringsbeslissingen. Tegelijkertijd is het onwenselijk om bijonvoldoende handelingsperspectief voor verduurzaming een heffing dienooit was bedoeld om inkomsten te genereren in stand te houden...Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie vinden het belangrijk dat we nu sprekenover de evaluatie van de CO2-heffing. Deze leden wijzen erop dat denationale CO2-heffing is ontworpen om samen met subsidiemaatregelente functioneren als de wortel en de stok om bedrijven te verduurzamen.De evaluatie concludeert dat de (extra) druk van de CO2-heffing opbedrijven en de overheid om te verduurzamen de transitie naar eenklimaatneutrale economie ten goede komt omdat bedrijven zich (blijven)inspannen voor de realisatie van de benodigde infrastructuur voor deverduurzamingsplannen. Tegen die achtergrond achten deze leden hetzorgelijk dat juist nu uit de Klimaat- en Energieverkenning (KEV) van hetPlanbureau voor de Leefomgeving (PBL) en de doorrekening van hetcoalitieakkoord blijkt dat het huidige beleid en de plannen van het kabinettekortschieten, de CO2-heffing wordt afgeschaft. Ze hebben daarom devolgende vragen.Allereerst hebben deze leden vragen over de juridische verplichtingen enklimaatdoelen. Acht de Staatssecretaris, kijkend naar de conclusies vanhet rapport «Routes naar realisatie» van de commissie-Van Kempen enhet vonnis van de rechtbank Den Haag in de klimaatzaak Bonaire, hetmogelijk om aan dit gerechtelijk vonnis te voldoen voor het zichtjaar 2030zonder behoud van de nationale CO2-heffing voor de industrie? Zo ja,kunnen de analyses worden gedeeld waarop de Staatssecretaris dezeverwachting baseert?De rechtbank heeft de Staat in de rechtszaak Klimaatzaak GreenpeaceBonaire bevolen om binnen achttien maanden in nationale regelgevingabsolute emissiereductiedoelstellingen voor de gehele economie vast teleggen voor de periode tot 2050, inclusief tussentijdse doelstellingen enreductietrajecten. Deze emissiereductiedoelstellingen dienen te voldoenaan de in VN-verband gemaakte klimaatafspraken. De Staat moet ook deresterende emissieruimte (met een koolstofbudget of op andere wijze)voor Nederland inzichtelijk maken. 6De uitspraak van de rechtbank isuitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat het kabinet de bevelen uit hetvonnis direct moet uitvoeren, ongeacht het hoger beroep dat de Staatheeft ingesteld. Concreet betekent dit dat er binnen 18 maanden emissie-reductiedoelen in de Klimaatwet moeten worden vastgelegd. Derechtbank stelt hierbij een aantal eisen, maar laat ook ruimte voorinvulling. Op dit moment wordt gekeken naar de invulling van het vonnis.De Kamer wordt uiterlijk met Prinsjesdag 2026 nader hierovergeïnformeerd.Het rapport «Routes naar realisatie» concludeert dat het reductiedoel van55 procent bijna gehaald kan worden met aanvullende maatregelen(pakket B+), maar dat dit onder meer vereist dat de nationale CO2-heffingvoor de industrie niet wordt afgeschaft en mogelijk zelfs moet wordenverhoogd. Is de Staatssecretaris bereid om dit advies over te nemen?6Kamerstukken II 2025/26, 32 813, nr. 1552Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156812 In het rapport «Routes naar realisatie» zijn enkele illustratieve beleidspak-ketten doorgerekend. De pakketten A en A+ bevatten geen CO2-heffingindustrie terwijl pakketten B en B+ dit instrument wel bevatten. Voor deCO2-heffing zoals opgenomen in het B+ pakket wordt een additionele 0,4Mton CO2-reductie geraamd richting 2030 en levert daarmee een relatiefkleine bijdrage richting het 2030 doel, maar heeft richting 2040 van alleindividuele maatregelen het grootste effect (18,2 Mton). De restemissies inde doorrekening komen in A+ en B+ uit op 33 Mton CO2-eq. in 2030. Opbasis hiervan kan het dus niet gesteld worden dat voor het 2030 doel (55%emissiereductie t.o.v. 1990) een CO2-heffing industrie noodzakelijk is. Indeze berekeningen is geen rekening gehouden met weglek. Dit is echterwel een serieus risico. In het rapport is dan ook opgenomen dat voor eeneffectief klimaat- en energiebeleid én behoud van een gelijk Europeesspeelveld, het voor de hand ligt om klimaat- en energiebeleid zo veelmogelijk op EU-niveau te voeren. In het Coalitieakkoord is afgesprokendat Nederland zich inspant voor een ambitieus Europees pakket tenbehoeve van een gelijk speelveld en het Europese 2040 doel.Zo nee, hoe verhoudt dat zich tot de verplichting om aan het gerechtelijkevonnis in de klimaatzaak Bonaire te voldoen?Het kabinet is aan de slag met de uitvoering van het vonnis. Concreetbetekent dit dat er binnen 18 maanden emissiereductiedoelen in deKlimaatwet moeten worden vastgelegd. De rechtbank stelt hierbij eenaantal eisen, maar laat ook ruimte voor invulling. Op dit moment wordtgekeken naar de invulling van het vonnis. De Kamer wordt uiterlijk metPrinsjesdag 2026 nader hierover geïnformeerd.De KEV van het PBL laat zien dat het huidige beleid onvoldoende is om deklimaatdoelen te halen. Kan de Staatssecretaris concreet toelichten hoehet kabinet, bij afschaffing van de nationale CO2-heffing, alsnog borgt datde industrie haar reductiedoelen haalt?In het Coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet volle kracht aan hetwerk gaat om de Klimaatdoelen te halen. Het klimaatdoel van 2030 wordtlastig, maar we houden die ambitie vast. Door vol in te zetten op langetermijnbeleid en een slimme Europese aanpak doen we alles wat nodig isom de klimaatdoelen voor 2040 en 2050 te halen. We gaan door met deimplementatie en realisatie van maatregelen die reeds zijn afgesproken,lossen knelpunten in de uitvoering op en versnellen doorbraken waarmogelijk. Nederland spant zich in voor een ambitieus Europees pakket tenbehoeve van een gelijk speelveld en het Europese 2040 doel. HetEuropese pakket samen met het EU-ETS moet leiden tot de benodigdeverduurzaming in de industrie richting 2040. De EU-ETS wetgeving wordtmomenteel herzien en het kabinet verwacht in juli 2026 een voorstel vande Europese Commissie. Over de inzet van Nederland betreffende hetEuropees pakket en EU-ETS wordt de Kamer te zijner tijd geïnformeerd. Inhet voorjaar van 2027 zullen indien nodig aanvullende nationaal geborgdemaatregelen worden genomen om het doel van 2040 te halen en metdaarbij oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief.Bestaat er een analyse van de juridische consequenties als niet aan deklimaatdoelen en gerechtelijke uitspraken wordt voldaan en zo ja, kandeze analyse met de Kamer worden gedeeld?De rechtbank Den Haag heeft op 28 januari 2026 de Staat onder andereeen bevel opgelegd om binnen achttien maanden na het vonnis absoluteemissiereductiedoelen voor de gehele economie in nationale regelgevingop te nemen, waaronder tussentijdse doelen en trajecten voor deemissiereductie in de periode tot 2050. Het is belangrijk dat de Staat zichTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156813 houdt aan rechterlijke uitspraken; dit volgt uit het beginsel van constituti-onele hoffelijkheid. Indien de Staat onvoldoende actie onderneemt omeen rechterlijk bevel na te komen, kan de eisende partij een procedurestarten tot nakoming. Hierbij kunnen dwangsommen worden gevorderd.Het betalen van dwangsommen ontslaat de Staat niet van de verplichtingom het bevel na te komen. Doorgaans worden aan de Staat geendwangsommen opgelegd omdat het uitgangspunt is dat de Staat zich aaneen rechterlijke uitspraak houdt. In de stikstofzaak die door Greenpeacewas aangespannen tegen de Staat is wel een dwangsom opgelegd(eenmalig € 10 miljoen).Deelt de Staatssecretaris de analyse van het PBL dat versterking vanklimaatbeleid noodzakelijk is om de klimaatdoelen te halen? Zo nee, opbasis van welke analyses of doorrekeningen komt het kabinet tot eenandere conclusie dan het PBL, met name in relatie tot het afzwakken ofafschaffen van de nationale CO2-heffing?Het kabinet zal met volle kracht aan het werk gaan om de klimaatdoelen tehalen. De analyses van het PBL in de Klimaat en Energieverkenning (KEV)bevestigen voor het Kabinet dat de uitstootvermindering van 55%, dievoor 2030 als doel is gesteld, een enorme opgave is. Het afschaffen vande CO2-heffing industrie leidt naar verwachting tot een beperkteverwachte nationale emissietoename in 2030 van 0 tot 2 megaton. Hetkabinet zet in op een sterk EU-ETS als robuuste prijsprikkel.7 De verduur-zaming van de industrie kent grote uitdagingen op de korte termijn,waaronder in de uitvoering van verduurzamingsprojecten. Daarbij staatook de concurrentiepositie in Europa en Nederland onder druk. Hetkabinet houdt desalniettemin vast aan de ambitie voor 2030. Het kabinetgaat vol door met de implementatie en realisatie van maatregelen diereeds zijn afgesproken, lossen knelpunten in de uitvoering op enversnellen doorbraken waar mogelijk. De doorgang van verduurzamings-projecten zijn van belang om op koers te blijven, en bieden kansen. Doorvol in te zetten op lange termijnbeleid en een slimme Europese aanpak,wil het kabinet alles doen wat nodig is om de klimaatdoelen voor 2040 en2050 te halen. Hiervoor is aanvullende inspanning nodig. De EuropeseCommissie komt dit jaar met voorstellen voor het 2040-maatregelenpakket. Nederland spant zich in voor een ambitieus Europees pakket tenbehoeve van een gelijk speelveld. We sluiten na het vaststellen van deEuropese maatregelen zoveel mogelijk aan bij deze aanpak. In hetvoorjaar van 2027 zullen indien nodig aanvullende nationaal geborgdemaatregelen worden genomen om het doel van 2040 te halen en metdaarbij oog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief.Welk concreet en juridisch houdbaar alternatief heeft het kabinet voor denationale CO2-heffing dat aantoonbaar dezelfde emissiereductie realiseertbinnen de vereiste termijn en hoe wordt geborgd dat hiermee daadwer-kelijk wordt voldaan aan de klimaatdoelen en gerechtelijke uitspraken?In het rapport «Routes naar realisatie» wordt aangegeven dat maatregelendie de kans op het doel in 2030 groot maken, alleen ingrijpende volume-maatregelen zijn. Dat wil zeggen: sterk op de korte termijn gerichte sturingop het volume van emitterende activiteiten die onder de nationaleemissieboekhouding vallen. Deze maatregen zijn in kaart gebracht inbijlage 5 van dit rapport.7PBL 2025. Notitie CO2-heffing industrie: toelichting ten behoeve van de overlegtafel CO2-heffingindustrie. https://www.pbl.nl/system/files/document/2025-09/pbl-2025-notitie-co2-heffing-industrie-toelichting-ten-behoeve-van-de-overlegtafel-co2-heffing-industrie-5955.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156814 Zulke maatregelen kunnen op gespannen voet staan met een gedegentransitie naar een klimaatneutrale samenleving omdat ze wel puntdoel-bereik ondersteunen maar niet de structurele omschakeling naarduurzame technologieën en praktijken. Het gaat dan dus vooral ommaatregelen gericht op afbouw en niet op ombouw van activiteiten.Daarnaast kunnen snelle nationale volumemaatregelen het draagvlak voorde transitie verminderen en leiden deze tot verplaatsing van emissies naarde landen om ons heen, met minder afname of zelfs een toename van demondiale emissies tot gevolg.Voor bedrijven die geen concrete plannen hebben om te investerenkunnen volumemaatregelen nationale emissiereductie versnellen. Hetmondiale klimaateffect hangt af van de CO2-efficientie van de installaties,wat sterk varieert afhankelijk van de hoeveelheid investeringen in deinstallaties in de afgelopen decennia.Ook hebben deze leden nog een vraag over de maatschappelijke kostenvan afzwakken beleid. De klimaatcrisis gaat onverminderd door. Degevolgen hiervan zijn steeds zichtbaarder, onder meer door toenemendeextremen in weer, schade aan ecosystemen en risico’s voor voedselpro-ductie. Tegelijkertijd wordt klimaatbeleid op verschillende puntenafgezwakt of uitgesteld.Hoe weegt de Staatssecretaris het risico dat het afzwakken van instru-menten zoals de CO2-heffing leiden tot hogere fysieke en maatschappe-lijke kosten op de middellange- en lange termijn? Op welke manierworden deze kosten meegewogen in een besluit over een alternatief voorde CO2-heffing?Het kabinet houdt vast aan de klimaatdoelen van 2030, om ook op kortetermijn voldoende tempo te houden in de transitie. Het kabinet zetdaarnaast in op ambitieus Europees beleid met een sterk ETS. In hetvoorjaar van 2027 zullen indien nodig aanvullende nationaal geborgdemaatregelen worden genomen om het doel van 2040 te halen, met daarbijoog voor betaalbaarheid en handelingsperspectief.De leden vragen hoe het kabinet de positie van bedrijven beoordeelt diereeds hebben geïnvesteerd in emissiereductie of verduurzaming, mede opbasis van de invoering en aangekondigde ontwikkeling van de nationaleCO2-heffing voor de industrie, terwijl bedrijven die dergelijke investe-ringen hebben uitgesteld mogelijk profiteren van het (tijdelijk) afzwakkenvan deze heffing? Kan het kabinet daarbij ingaan op:a.In hoeverre het kabinet het onwenselijk acht dat bedrijven die hunverantwoordelijkheid voor emissiereductie eerder hebben genomenmogelijk worden benadeeld ten opzichte van bedrijven die dat niethebben gedaan; b. Of het kabinet risico’s ziet dat het afzwakken vanklimaatbeleid leidt tot strategisch uitstelgedrag van bedrijven bijinvesteringen in verduurzaming; en c. Welke maatregelen het kabinetoverweegt om te voorkomen dat bedrijven, die al hebben geïnvesteerdin emissiereductie of verduurzaming worden benadeeld door hetafschaffen of afzwakken van de CO2-heffing?Het kabinet streeft naar een duurzame en concurrerende industrie. Ditvergt een goede balans tussen verduurzamingsprikkels en oog voorinternationale concurrentiepositie. Het kabinet kiest er in het coalitieak-koord om deze balans te waarborgen door nauwer aan te sluiten bij hetEuropese tempo van verduurzaming. Het afschaffen van de nationaleCO2-heffing past bij die ambitie. Het EU ETS blijft borgend voor emissiere-ductie in de industrie richting 2040 waardoor de industrie nog altijd eenverduurzamingsprikkel kent. Het aantal bedrijven dat reeds heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156815 geïnvesteerd in verduurzaming en dat wordt geraakt door het afschaffenvan de CO2-heffing industrie is beperkt. De negatieve impact voorduurzame bedrijven, hoewel beperkt, is onwenselijk. Het kabinet zet zichin voor een sterk EU ETS, om verduurzamingsinvesteringen aantrekke-lijker te maken. Uiteraard vindt het kabinet belangrijk dat deze duurzamebedrijven in Nederland kunnen blijven produceren. De middelen die in hetcoalitieakkoord vrij zijn gemaakt voor het verlagen van elektriciteitskostenhelpen hierbij.Het kabinet erkent risico’s van strategisch uitstelgedrag bij bedrijven,maar ziet deze CO2-heffing industrie niet als een goed antwoord hierop.Het generieke karakter en de scherpe doelen van de CO2-heffing industriezorgden ervoor dat ook de bedrijven die tijdig hadden geïnvesteerd in hetontwikkelen van handelingsperspectief konden aanlopen tegen eenheffing die niet was bedoeld om opbrengsten te genereren.In de berichtgeving, onder andere in de Volkskrant van 7 april 2025 8 ,geven bedrijven als LyondellBasell en Covestro aan dat mondialeoverproductie, met name vanuit China, hun businessmodel onder druk zeten dat fabrieken ook zonder een nationale CO2-heffing zouden moetenkunnen gaan sluiten. Kan de Staatssecretaris met cijfers onderbouwen inwelke mate de nationale CO2-heffing daadwerkelijk bijdraagt aan deverslechterende concurrentiepositie van specifieke industriële sectoren?Hoe verhoudt deze invloed zich tot andere factoren zoals de hogeenergieprijzen, internationale overcapaciteit en afnemende vraag naarfossiele producten?Het kabinet laat jaarlijks een speelveldtoets uitvoeren waarin wordtonderzocht hoe het klimaatbeleid de concurrentiepositie van de Neder-landse industrie beïnvloedt. In deze studies wordt middels bedrijfsspeci-fieke case studies inzichtelijk gemaakt hoe verschillende klimaatmaatre-gelen de winstgevendheid, en daarmee de concurrentiepositie, van debedrijven beïnvloedt. In de afgelopen jaren is daarbij onder anderegekeken naar de impact van de nationale CO2-heffing. De onderstaandetabel geeft een overzicht van de daling in winstgevendheid (uitgedrukt alsEBITDA) van de onderzochte bedrijven in de 2024 studie.9 Omdat deimpact sterk afhankelijk is van de onzekere ETS-prijs is de impact voorverschillende scenario’s van de ETS-prijs opgenomen zoals opgenomen inde KEV2022. In het hoge ETS-scenario is er geen impact van deCO2-heffing omdat de ETS-prijs boven het tarief van de CO2-heffing ligt.BedrijfSectorImpact winstgevendheid nationale CO2-heffing in2030ETS-laagETS-middenETS-hoogDowChemie– 13,1%– 0,3%0%YaraKunstmest– 8,8%– 0,2%0%Smurfit KappaRoermondPapier– 2,0%– 0,04%0%NyrstarZinkGeen impact vanwege hoge CO2-efficiëntieVanderSandenKeramiek– 15,4%– 0,4%0%AvebeVoeding– 2,1%– 0,1%0% 8https://www.volkskrant.nl/economie/moeten-we-de-energie-intensieve-industrie-behouden-in-nederland~b4c5ab2c/9In 2025 is gekozen voor een internationale vergelijking waarin geen winstgevendheid analyse isuitgevoerd. De 2026 studie is nog niet beschikbaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156816 De daadwerkelijke impact van de CO2-heffing is in sterke mate afhankelijkvan de CO2-efficiëntie van bedrijven. De bovenstaande inzichten zijndaarmee niet representatief voor de onderliggende sectoren.Het is daarbij goed om op te merken, zoals ook opgemerkt door de ledenvan Groenlinks-PvdA-fractie, dat de concurrentiepositie van de Neder-landse industrie niet enkel afhankelijk is van de CO2-heffing. Anderefactoren zoals de relatief hoge energieprijzen in Europa en specifiek dehoge elektriciteitskosten in Nederland en mondiale overcapaciteit zettende winstgevendheid van de Nederlandse industrie onder druk. Ook dezefactoren verschillen sterk per bedrijf en sector. Dit geldt met name voor demondiale overcapaciteit die op dit moment voornamelijk de concurrentie-positie van de chemische industrie aantast.Een exacte vergelijking van de impact van al deze factoren is nietbeschikbaar. De volgende indicatieve cijfers geven een beeld van deordegrootten. De geraamde jaarlijkse inkomsten van de CO2-heffingindustrie, voorafgaand aan de wijzigingen in het belastingplan 2026, lagenrond de tientallen tot honderden miljoenen euro’s per jaar. Het verschiltussen de industriële gasprijzen in Europa versus China en India voorbedrijven onder de CO2-heffing industrie ligt indicatief rond de één totenkele miljarden euro’s per jaar.10 Mondiale concurrentie is terug te zienin de druk op marktprijzen. Voor specifiek de chemie lagen de reële prijzenmarktprijzen eind december 2025 circa 11 en 17% lager dan het respectie-velijk tien- en vijfjaarsgemiddelde (zie figuur). Vergeleken met de omzetvan de chemie11 gaat het om een ordegrootte van tien miljard euro.Het kabinet vindt het belangrijk dat de concurrentiepositie van deNederlandse industrie verbetert. Het kabinet zet daarom vol in op hetverlagen van de elektriciteitskosten van de industrie en heeft hiervoor € 1miljard per jaar tussen 2028 en 2035 beschikbaar gemaakt in hetcoalitieakkoord.10Het prijsverschil is geanalyseerd door Draghi (Pagina 05 van European Commission (2024), thefuture of European Competitiveness, part B | in-depth analysis and recommendations). Hetprijsverschil met de VS heeft gelegen tussen de 15 en 50 euro/MWh, respectievelijk vooraf-gaand aan en tijdens de piek van de gasprijzen van 2022 en 2023. CBS-cijfers (Aardgasverbruikbedrijven; belastingschijf, SBI2008) geven het aardgasverbruik van industriële sectoren. Dit isniet uitgesplitst naar bedrijven onder de CO2-heffing industrie, maar op basis van de verdelingvan gasverbruik naar belastingschijven ligt het gasverbruik van deze bedrijven totaal op eenkleine 10 miljard m3/jaar.11Chemie in cijfers – VNCI Koninklijke Vereniging van de Nederlandse Chemische IndustrieFiguur: reële prijsontwikkeling van producentenprijzen bij «manufacture of chemicalsand chemical productsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156817 Tot slot vragen deze leden of de Staatssecretaris de opvatting deelt datconsistent en voorspelbaar klimaatbeleid noodzakelijk is om bedrijvendaadwerkelijk te bewegen tot investeringen in emissiereductie enduurzame technologieën?Het kabinet deelt de opvatting dat consistent en voorspelbaar klimaat-beleid belangrijk is om bedrijven daadwerkelijk te bewegen tot investe-ringen in emissiereductie en duurzame technologieën. Voor het doen vandergelijke investeringen kijken bedrijven vaak ver vooruit. Wisselendoverheidsbeleid zorgt voor onzekerheid bij bedrijven en heeft als risico datbedrijven investeringen uitstellen of afstellen.Zo ja, hoe wordt die voorspelbaarheid geborgd wanneer instrumentenzoals de CO2-heffing telkens ter discussie worden gesteld en/of afgezwakt,terwijl alle analyses erop wijzen dat er aanvullend klimaatbeleid nodig zalzijn en de evaluatie van de CO2-heffing concludeert dat de heffing detransitie naar een klimaatneutrale economie ten goede komt?Investeringsbeslissingen, en daarmee verduurzamingsprojecten, komenenkel tot stand als een bedrijf voldoende zekerheid heeft dat de inves-tering terugverdiend kan worden. Voorspelbaarheid van beleid draagt bijaan deze zekerheid, waardoor het een belangrijke factor is in het facili-teren van investeringsbeslissingen. Tegelijkertijd is het onwenselijk om bijonvoldoende handelingsperspectief voor verduurzaming een heffing dienooit was bedoeld om inkomsten te genereren in stand te houden.Hoe voorkomt het kabinet dat het afzwakken van klimaatbeleid ertoe leidtdat verouderde en vervuilende productiemodellen langer in stand wordengehouden, terwijl deze geen toekomstbestendig perspectief hebben engepaard gaan met hoge maatschappelijke kostenHet kabinet kiest ervoor om nauw aan te sluiten bij het Europese tempovan verduurzaming. Door vol in te zetten op lange termijnbeleid en eenslimme Europese aanpak, wil het kabinet alles doen wat nodig is om deklimaatdoelen voor 2040 en 2050 te halen. Hiervoor is aanvullendeinspanning nodig. De Europese Commissie komt dit jaar met voorstellenvoor het 2040-maatregelen pakket. Nederland spant zich in voor eenambitieus Europees pakket ten behoeve van een gelijk speelveld. BinnenEuropa bestaat het EU ETS wat emissiereductie binnen de industrie zalrealiseren. Vervuilende installaties hebben dankzij dit Europeseinstrument geen toekomst in Europa en dus ook niet in Nederland.Tegelijkertijd biedt het EU ETS geen zekerheid dat de emissiereductiewordt gerealiseerd middels verduurzaming. Daarvoor is ook Europeseinzet nodig op het gebied van marktbescherming en vraagcreatie.Daarnaast zijn er subsidiemiddelen nodig en kiest het kabinet daaromvoor additionele middelen voor zes nieuwe rondes van € 8 mld. voor deStimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++)vanaf 2027. Via deze subsidie wordt onder meer de industrie in staatgesteld om hier in Nederland te verduurzamen. In het voorjaar van 2027zullen indien nodig aanvullende nationaal geborgde maatregelen wordengenomen om het doel van 2040 te halen, met daarbij oog voor betaal-baarheid en handelingsperspectief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 813, nr. 156818

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 67546cac4731a99f

14 okt 2026 · 464a2c37aa5507da

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.