document · 13 jul 2026 · Tweede Kamer
Verslag van een schriftelijk overleg inzake de Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 13 juli 2026 (Kamerstuk 21501-32-1823)
Brontekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1826 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 13 juli 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur overde brief van 2 juli 2025 over de geannoteerde agenda Landbouw- enVisserijraad 13 juli 2026 (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1823)De vragen en opmerkingen zijn op 6 juli 2026 aan de Minister en Staatsse-cretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd.Bij brief van 13 juli 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,SteenAdjunct-griffier van de commissie,Bosman kst-21501-32-1826ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18261 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersonenVragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda. Deze leden constateren dat de Sociaal-Economische Raad (SER)op 26 juni een kritisch briefadvies heeft uitgebracht over de kwaliteit vande omnibusvoorstellen van de Europese Commissie (EC) (SER, 26 juni2026, «SER vraagt aandacht voor kwaliteit van Europese wetgeving»(https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving). De SERwijst erop dat een onderbouwing in de vorm van een impactassessmentontbreekt, dat de voorstellen eenzijdig op lastenreductie zijn gericht en datoog voor de effecten op de brede welvaart tekortschiet. Deze ledenconstateren dat de SER daarmee niet alleen staat: ook de EuropeseOmbudsman kwam in november 2025 tot het oordeel dat de Commissiezich bij de omnibusreeks niet aan haar eigen Better Regulation-maatstaven houdt. Hoe weegt het kabinet deze opeenvolgende kritischeadviezen en deelt het kabinet de zorg dat het uitblijven van impactassess-ments de voorspelbaarheid, kwaliteit en legitimiteit van Europesewetgeving ondermijnt? De SER roept het kabinet concreet op zich inBrussel actiever in te zetten voor wetgevingskwaliteit en proceswaar-borgen, zoals impactanalyses, brede consultatie en transparantie. Is hetkabinet bereid deze oproep over te nemen en zich hier in Raadsverbandhard voor te maken? Deze leden hechten er tegelijk aan te benadrukkendat vereenvoudiging en wetgevingskwaliteit geen tegenstelling hoeven tevormen. Zij vragen het kabinet hoe het zich ervoor inzet dat de omnibusdaadwerkelijk leidt tot betere, evidence-based regelgeving en nietuitsluitend tot minder regelgeving.Het kabinet is het met de Sociaal-Economische Raad (SER) eens datEuropese regelgeving het concurrentievermogen ten goede kan komenindien deze zorgvuldig, uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd is.Dat geldt ook voor voorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging envermindering van regeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk onnodigeregeldruk te verminderen en regelgeving waar nodig aan te passen.Tegelijkertijd moet vereenvoudiging zorgvuldig gebeuren, op basis vangoede effectbeoordelingen en consultatie, met oog voor het belang vanrechtszekerheid en voorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die metregelgeving worden gediend. Daarom pleit het kabinet ervoor dat bij iedervoorstel een impact assessment door de commissie wordt uitgevoerd. Hetkabinet komt nog met een reactie op de SER-brief.De leden van de D66-fractie zijn voorts bezorgd over het gelekte concep-trapport van de rapporteurs van het Europees Parlement (EP), dat oponderdelen nog verder gaat in het versoepelen van de toelating vangewasbeschermingsmiddelen dan de EC zelf voorstelt. Hoe beoordeelt hetkabinet dit conceptrapport en is het kabinet bereid zich ervoor in tespannen dat een hoog niveau van bescherming van mens, dier en milieugeborgd blijft?Nederland zet zich binnen de onderhandelingen over de Omnibusveiligheid van voedsel en diervoeder in om, conform de eerder met deKamer gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk 22 112, nr. 4261), hethuidige beschermingsniveau voor mens, dier en milieu te handhaven.Wanneer een compromistekst ter instemming aan de lidstaten wordtvoorgelegd zal de Staatssecretaris de Kamer over dit voorstel en hetkabinetsstandpunt informeren. Wanneer de Raad een mandaat van delidstaten heeft gekregen, zullen de onderhandelingen met het EuropeesParlement (EP) starten. Aangezien het hier om een gelekt conceptrapportTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18262 gaat, dat onderdeel is van een eigenstandig proces, kan de Staatssecre-taris hier niet op ingaan.De leden van de D66-fractie maken van dit overleg gebruik om aandachtte vragen voor de positie van voedselinnovatie in Europa. Deze ledenherinneren de Minister aan de eerder aangenomen motie-Tjeerd de Grootwaarin de regering werd verzocht zich ervoor in te zetten dat kweekvleesop de werkagenda van de Europese Commissie zou worden geplaatst(Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 84). Deze leden vragen het kabinet naar destand van zaken: op welke wijze en met welk resultaat is aan deze motieuitvoering gegeven? Deze leden constateren met zorg dat Europa dreigtachterop te raken bij de Verenigde Staten en andere landen als het gaatom de markttoelating van producten uit kweekvlees, precisiefermentatieen natuurlijke fermentatie, terwijl Nederland juist internationaal koploperis in voedselinnovatie. De huidige Novel Food-verordening wordt doorveel bedrijven ervaren als traag en beknellend. Kan het kabinet aangevenhoeveel tijd een gemiddelde markttoelatingsprocedure onder de NovelFood-verordening thans in beslag neemt en hoe zich dit verhoudt tot dedoorlooptijden in de Verenigde Staten en Singapore?In de Biotech Act I stelt de Europese Commissie (hierna: Commissie)wijzigingen voor in de Algemene levensmiddelenverordening (Veror-dening (EG) nr. 178/2002) om de risicobeoordelingsprocedures voorbiotechnologie te vereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Hetkabinet steunt deze voorstellen, omdat ze aansluiten bij de ambitie vanhet kabinet voor doelmatige en voorspelbare toelatingsprocedures, zoalsuitgesproken in de Kabinetsvisie op biotechnologie 2025–2040(2025D16515).In de huidige procedure komt de Europese Autoriteit voor Voedselvei-ligheid (EFSA), volgens de wettelijke doorlooptijd, binnen negen maandenna ontvangst van een geldige aanvraag van de Commissie met haaropinie. Binnen zeven maanden na de publicatie van de EFSA-opinie dientde Commissie een ontwerp-uitvoeringsverordening in bij het PermanentComité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, voortoelating van het nieuwe levensmiddel tot de markt. De werkelijkedoorlooptijd kan langer zijn, omdat er door EFSA om aanvullendeinformatie kan worden gevraagd.Singapore kent een vergelijkbare procedure, met een gemiddeldedoorlooptijd van 9 tot 12 maanden, met mogelijke verlenging doorverzoeken om aanvullende informatie. De VS kent een ander systeem meteen formele en niet-formele procedure en is daarmee onvergelijkbaar metde situatie in Europa.De leden van de D66-fractie vragen het kabinet voorts of de OmnibusFood and Feed, of enig ander aangekondigd voorstel, elementen bevat diede toelating van deze innovatieve producten kunnen versnellen ofvereenvoudigen. Zo ja, welke? Zo nee, is het kabinet bereid zich er inRaadsverband voor in te zetten dat een versnelling en vereenvoudigingvan de Novel Food-toelating alsnog op de Europese agenda komt?In de Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder staan dezevoorstellen niet. Zoals eerder aangegeven, stelt de Commissie in deBiotech Act I wijzigingen voor in de Algemene levensmiddelenveror-dening om de risicobeoordelingsprocedures voor biotechnologie tevereenvoudigen en doorlooptijden te verkorten. Deze voorstellen wordendoor het kabinet gesteund.De onderhandelingen over (een ander gedeelte van) de Biotech Act I zijninmiddels gestart; de eerste Raadswerkgroep heeft recent plaatsge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18263 vonden. De verwachting is indicatief dat de Raad in de loop van volgendjaar tot een compromisvoorstel zal komen. Daarna starten de trilogentussen de Raad, het parlement en de Commissie.Ten slotte maken deze leden zich zorgen over het vestigingsklimaat voordeze sector. Innovatieve voedselbedrijven verlaten Europa vanwege deknellende regelgeving en de trage toelatingsprocedures van dezevoedselinnovaties- en producten. Deelt het kabinet de opvatting dat diteen verlies zou betekenen voor de Europese en Nederlandse strategischeautonomie op eiwitgebied, temeer daar het gelekte Proteïneplan juist inzetop diversificatie van eiwitbronnen? Welke stappen zet het kabinet, inBrussel en nationaal, om te voorkomen dat deze koploperspositie verlorengaat en bedrijven vertrekken?Het vertrek van bedrijven op het gebied van voedselinnovaties betekenteen verlies voor de strategische autonomie en voor het concurrentiever-mogen van Nederland en Europa. Mede daarom kondigde het kabinetrecent de Agrifood Innovatieagenda aan (Kamerstuk 33 009, nr. 179),waarin ook aandacht zal zijn voor innovatieve en alternatieve bronnenvoor eiwitten. Nederland zet daarnaast met de € 60 mln. uit de Groei-fondsmiddelen nationaal in op het versterken van het ecosysteem voorcellulaire agricultuur door te investeren in het juiste personeel(onderwijs), de ontwikkeling van de technologie en maatschappelijkeacceptatie (onderzoek) en het realiseren van twee open access opscha-lingsfaciliteiten (opschaling). Ook heeft het kabinet recentelijk geïnves-teerd in de uitbreiding van een eerste proefboerderij voor kweekvleespro-ductie in Europa, om zo de kansen van deze innovatie voor boeren beterzichtbaar te maken. Ten slotte zet het kabinet in op publiek-privatesamenwerking op het gebied van de eiwittransitie, binnen de Kennis- enInnovatieagenda Landbouw, water, voedsel.Met deze inzet investeert het kabinet gericht in het versterken van hetvestigingsklimaat voor innovatieve bedrijven gericht op alternatieveeiwitten. Het kabinet zal de Kamer kort na het zomerreces middels eenBNC-fiche informeren over de kabinetspositie ten aanzien van hetActieplan voor het EU-eiwittensysteem, inclusief een appreciatie van hetvoorstel.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van13 juli 2026 en de onderliggende stukken. Deze leden hebben hierover nogenkele vragen.Strategie voor de veehouderij en de EU-EiwitstrategieDe leden van de VVD-fractie lezen dat de EC tijdens deze Raad deStrategie voor de Veehouderij en de EU-Eiwitstrategie zal presenteren.Deze leden onderschrijven het belang van een sterke, innovatieve eneconomisch renderende Europese landbouw- en veehouderijsector. Kande Minister aangeven welke concrete uitgangspunten Nederland tijdensdeze eerste gedachtewisseling zal inbrengen? Kan hij bevestigen datNederland zich zal inzetten voor een strategie die de concurrentiekrachtvan de Europese landbouw versterkt, ruimte laat voor innovatie enondernemerschap en niet leidt tot nieuwe productiebeperkingen ofdisproportionele administratieve lasten voor boeren?Wij verwelkomen de publicatie van het Actieplan voor hetEU-eiwittensysteem en de Europese Strategie voor de veehouderij. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18264 strategieën kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan duurzaamheid,concurrentievermogen, verdienvermogen, weerbaarheid en de openstrategische autonomie van het Europese voedselsysteem. Het is vanbelang dat de strategieën een integrale aanpak hebben en een geloof-waardige routekaart bieden voor een veehouderijsector die economischlevensvatbaar, diervriendelijk, klimaatbestendig, weerbaar en inevenwicht met de leefomgeving is. Tegelijkertijd moeten de strategieënhet potentieel van alternatieve eiwitbronnen en circulaire voersystemenactiveren voor zowel dierlijke als humane consumptie. Het kabinet zal deKamer kort na het zomerreces middels een BNC-fiche informeren over deappreciatie van beide strategieën en de Nederlandse inzet.De leden van de VVD-fractie vragen de Minister voorts hoe hij voorkomtdat de Europese eiwitstrategie leidt tot sturing op één specifiekproductiesysteem.Het is van belang dat het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem eenintegrale aanpak heeft. Het kabinet zal de Kamer kort na het zomerrecesmiddels een BNC-fiche informeren over de kabinetspositie ten aanzienvan het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem, inclusief de appreciatievan het voorstel.Actieplan MeststoffenDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het BNC-ficheover het Europese Actieplan Meststoffen. Deze leden onderschrijven hetbelang van strategische autonomie, maar benadrukken dat verduur-zaming alleen kans van slagen heeft wanneer deze uitvoerbaar blijft voorondernemers. Zij lezen dat het kabinet kritisch is op onderdelen van devoorgestelde Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB)-crisisregelingvanwege de uitvoerbaarheid daarvan. Kan de Minister nader toelichtenwelke onderdelen volgens het kabinet tot de grootste uitvoeringspro-blemen leiden? Welke concrete wijzigingen zal Nederland tijdens deonderhandelingen bepleiten om de regeling eenvoudiger, snelleruitvoerbaar en minder administratief belastend te maken?Vanwege de urgentie is de procedure voor het steunpakket versnelddoorlopen. Het voorstel is zowel door de Raad als het EP unaniemaangenomen. Ook Nederland heeft ingestemd. Daarbij heeft Nederlandwel aandacht gevraagd voor de uitvoerbaarheid van het voorstel en deadministratieve lasten voor boeren.De leden van de VVD-fractie lezen tevens dat de EC inzet op versterkingvan de Europese productie van meststoffen en circulaire alternatieven.Kan de Minister aangeven welke concrete maatregelen Nederland hierbijondersteunt? Op welke wijze zet Nederland zich in voor een verderetoelating en toepassing van RENURE en andere circulaire meststoffen,zodat de afhankelijkheid van import uit derde landen daadwerkelijk wordtverminderd?Het kabinet heeft in het BNC-fiche over het Europese ActieplanMeststoffen (Kamerstuk 22 112, nr. 4394) onderkend dat ondersteuningvan de Europese productie van meststoffen en circulaire alternatieven vanbelang is, aangezien deze een kritieke rol vervult in de Europese voedsel-zekerheid. Het kabinet ondersteunt de (kunst)mestindustrie als strate-gische sector. Hiermee wordt onder andere binnen de industriëleinnovatieprogramma’s ingezet op opschaling van circulaire en biobasedmeststoffen. Ook wordt in het BNC-fiche toegelicht op welke wijze deCommissie inzet op het beschermen van de (duurzame) kunstmestpro-ductie in de Europese Unie (EU), waarbij instrumenten als het EmissionsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18265 Trading System (ETS) en het Carbon Border Adjustment Mechanism(CBAM) dienen ter bescherming van de Europese (kunst)meststoffenpro-ductie. Het kabinet zet zich in voor een sterk en effectief ETS en CBAM.Ook is de inzet op verdere toelating en toepassing van RENURE en anderecirculaire meststoffen een mogelijkheid om de Europese productie vanmeststoffen te verhogen. Het kabinet is verheugd dat de Commissie in hetActieplan Meststoffen heeft aangekondigd de reikwijdte van RENURE tewillen verbreden naar bepaalde vormen van digestaat, maar vindt het vanbelang dat dit niet tot nadelige milieueffecten leidt, met name ammonia-kemissies naar de lucht en uit- en afspoeling van stikstof en fosfaat naargrond- en oppervlaktewater. Toelating van vormen van digestaat in deRENURE-ruimte kan op relatief korte termijn verlichting van de mestmarktbieden en de vraag naar stikstofkunstmest verminderen.De Commissie heeft aangekondigd voorbereidingen hiertoe te treffen metals voornemen dat de toelating van een vorm van digestaat in het volgenduitrijdseizoen mogelijk wordt. De Minister wacht het voorstel van deCommissie af en zal, nadat de Europese toelating bekend is, zo spoedigmogelijk zorgen dat nationale regelgeving ter implementatie van deEuropese regelgeving gereed is.De leden van de VVD-fractie vragen de Minister tevens hoe hij voorkomtdat de verduurzamingsambities uit het actieplan leiden tot een verslech-tering van de internationale concurrentiepositie van de Nederlandseagrarische sector en de Europese kunstmestindustrie. Kan hij bevestigendat Nederland zich zal blijven verzetten tegen voorstellen die leiden totextra administratieve lasten of nationale koppen bovenop Europeseregelgeving?De verduurzamingsambities uit het Actieplan Meststoffen hoeven niet perdefinitie te leiden tot een verslechtering van de internationale concurren-tiepositie van de Nederlandse agrarische sector en de Europese kunst-mestindustrie. Positief is dat de Commissie inzet op harmonisatie envereenvoudiging van regels voor alternatieve en circulaire meststoffen.Met het Actieplan worden Europese afspraken gemaakt en is geen sprakevan nationale koppen bovenop Europese regelgeving.De leden van de VVD-fractie lezen dat de EC verschillende tijdelijkecrisismaatregelen voorstelt. Kan de Minister bevestigen dat dezemaatregelen daadwerkelijk tijdelijk blijven en niet via toekomstigewetgeving alsnog structureel onderdeel worden van het GLB?Voor de crisisinterventie die wordt voorgesteld zijn specifiekevoorwaarden opgenomen die expliciet gaan over de stijging van dekosten voor meststoffen. Dit maakt het zeer onwaarschijnlijk dat demaatregel kan worden ingezet voor een nieuwe crisis zonder een nieuwwijzigingsvoorstel voor de verordening vanuit de Commissie.Handelsgerelateerde landbouwvraagstukkenDe leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van openinternationale handelsstromen. Deze leden vragen de Minister welkehandelsdossiers tijdens deze Raad voor Nederland de hoogste prioriteithebben. Hoe zet Nederland zich ervoor in dat nieuwe handelsafsprakendaadwerkelijk leiden tot een gelijk speelveld, waarbij geïmporteerdelandbouwproducten aan vergelijkbare eisen voldoen als Europeseproducten? Is de Minister bereid zich te blijven inzetten voor ambitieuzehandelsakkoorden die bijdragen aan de concurrentiekracht van deNederlandse land- en tuinbouw?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18266 In het Coalitieakkoord is opgenomen dat het kabinet inzet op een actief enambitieus EU-handelsbeleid, waarin handelsakkoorden een belangrijkinstrument zijn. Tijdens de Raad zullen we daarom het belangbenadrukken van goede handelsafspraken met belangrijke handels-partners voor de economische weerbaarheid van de Europese landbouw-sector, zowel in geopolitiek rustige als onrustige tijden, en van het openhouden van handelsstromen. Daarbij zullen we aangeven uit te kijken naarde behandeling in de Raad van het akkoord tussen de EU en Indonesië,dat op 29 juni jl. door de Commissie is aangeboden. Zoals bekend,beoordeelt het kabinet ieder nieuw akkoord op zijn merites voorafgaandaan besluitvorming, met als uitgangspunt dat deze akkoorden moetenbijdragen aan het versterken van de Nederlandse economie, waaronderde Nederlandse land- en tuinbouw. Alvorens een standpunt in de Raad inte nemen zal een kabinetsappreciatie worden opgesteld en aan de Kamerworden gestuurd.Alle geïmporteerde producten moeten voldoen aan de EU-eisen tenaanzien van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid (sanitaire enfytosanitaire maatregelen) en etikettering. Met betrekking tot productie-standaarden zet het kabinet zowel multilateraal (zoals bij de Wereldhan-delsorganisatie) als bilateraal in op het verhogen van die standaarden(Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 85). Zo zijn in handelsakkoorden duurzaam-heidsafspraken opgenomen, zoals over het tegengaan van ontbossing.Tijdens de Raad zullen we aandacht vragen voor de implementatiedaarvan. Ook bieden handelsakkoorden een kader voor regulieredialogen, waarbij gesproken kan worden over het verder gelijk trekkenvan standaarden, evenals het maken van afspraken over arbeids- enmilieustandaarden. Daarbij geldt wel dat productiestandaarden door iederland zelf worden bepaald, op basis van lokale omstandigheden, zoalsinfrastructuur, geografische ligging, sociaaleconomische situatie, klimaaten milieu. Ook kan de EU een ander land niet zomaar dezelfde eisenopleggen voor productie zoals die gelden binnen de EU. De EU zou hetopleggen van productiestandaarden door derde landen ook nietaccepteren.Vrouwen in de landbouwDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de gedachtewis-seling over vrouwen in de landbouw. Deze leden onderschrijven dat talenten ondernemerschap in de agrarische sector optimaal benut moetenworden. Kan de Minister aangeven welke concrete belemmeringenvrouwelijke agrarische ondernemers volgens het kabinet in de praktijknog ervaren en op welke wijze Europese samenwerking daarbij daadwer-kelijk meerwaarde kan bieden? Kan de Minister tevens bevestigen dat deNederlandse inzet erop gericht blijft dat eventuele Europese initiatievenzich richten op het wegnemen van feitelijke belemmeringen en het delenvan goede voorbeelden, en niet leiden tot nieuwe administratieveverplichtingen of rapportageverplichtingen voor agrarische ondernemers?De rol van vrouwen in de landbouw staat toenemend in de belangstelling.Vrouwen leveren op verschillende wijzen een bijdrage aan de agrarischesector, als bedrijfshoofd en/of (mede-)eigenaar van een bedrijf, eenondernemer in een nevenactiviteit aanvullend op het agrarische bedrijf,inkomen vanuit een andere sector, of als partner. In elk van deze rollenleven er andere behoeften of belemmeringen. Wij zien dat de grootsteuitdagingen voor vrouwen in de Nederlandse landbouw in de cultuurbesloten liggen, waarin vrouwen vaak nog niet logischerwijs wordengezien als bedrijfsopvolger of als bedrijfshoofd. Het aanbod vancursussen of netwerken sluit niet altijd voldoende aan op de behoefte vanvrouwelijke agrarische ondernemers. Mooi voorbeeld is een ondernemer-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18267 schapscursus waar vrouwen zich niet voor inschreven, totdat deze cursusmet precies dezelfde inhoud werd aangeboden als ondernemerschaps-cursus voor vrouwen in de landbouw. Daarnaast is de juridische positievan vrouwen en mannen op het erf niet altijd goed geregeld, waardoorvrouwen na een echtscheiding of overlijden van hun partner soms in deproblemen komen.Structuurproblemen zoals gebrek aan infrastructuur, opvang en econo-mische kansen zien wij als een minder urgent probleem in ons dichtbe-volkte land dan in landen waar rurale gebieden minder goed bereikbaarzijn.De Verenigde Naties heeft dit jaar uitgeroepen tot het jaar van devrouwelijke boer. Ook het Ministerie van LVVN besteed hier aandacht aandoor evenementen van vrouwenorganisaties in de landbouw te onder-steunen en sectorpartijen uit te dagen hun bijdrage te leveren. Doorbewust in te zetten op het belang van de rol van vrouwen in de landbouw,door rolmodellen te tonen, en te zoeken naar voldoende diversiteit ingesprekspartners, kan het potentieel van vrouwen in de landbouw wordenvergroot. Europese samenwerking is relevant voor het versterken vankennis over de bijdrage van vrouwen in de landbouw en het verzamelenen analyseren van beschikbare data. De inzet is niet gericht op nieuwerapportageverplichtingen of het doen toenemen van administratievelasten.Gemeenschappelijk LandbouwbeleidDe leden van de VVD-fractie lezen dat de onderhandelingen over het GLBna 2027 voortgaan. Deze leden zijn van mening dat het toekomstige GLBeenvoudiger en minder bureaucratisch moet worden. Kan de Ministeraangeven welke concrete vereenvoudigingen Nederland momenteel actiefbepleit tijdens de onderhandelingen? Welke administratieve verplich-tingen voor agrariërs zouden volgens het kabinet als eerste moetenverdwijnen? Kan de Minister daarnaast aangeven met welke lidstatenNederland momenteel optrekt om te komen tot een eenvoudiger enconcurrerender GLB? Ziet de Minister ruimte om samen met gelijkgezindelidstaten verdere stappen te zetten op het terrein van regeldrukvermin-dering en vereenvoudiging?Vereenvoudiging blijft een zeer belangrijk streven voor het toekomstigeGemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). In de praktijk betekent dat datlidstaten meer ruimte krijgen om zelf keuzes te kunnen maken hoesystemen en individuele regelingen precies in te richten, zodat ze beterkunnen aansluiten op de landbouwpraktijk in Nederland. De Minister zetzich in voor gezamenlijke Europese ambitie op het niveau van de doelen,maar met voldoende ruimte om de juiste maatregelen te kiezen om diedoelen te behalen. Door meer ruimte in de verordening te krijgen,bijvoorbeeld door het schrappen van bepaalde verplichte interventies envoorwaarden die Nederland nu niet toepast, wil de Minister meerjuridische ruimte krijgen om de beste mix van GLB-instrumenten samente stellen, zodat de instrumenten werkbaar zijn op het boerenerf. DeMinister zoekt naar de juiste balans tussen vereenvoudiging op hetboerenerf, uitvoerbaarheid en ook doelbereik van het volgende GLB.Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voorde Landbouw- en Visserijraad van 13 juli. Deze leden zullen hun opmer-kingen, suggesties en vragen per onderwerp uiteenzetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18268 Iers voorzitterschapDe leden van de PRO-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat het Iersvoorzitterschap haar prioriteiten presenteert voor het komende halfjaar.Deze leden zijn benieuwd welke accenten de Ieren leggen. Met namevragen zij zich af welke onderwerpen onder het voorzitterschap dezezomer zullen worden geagendeerd, onderhandeld of besproken. Brengthet kabinet in deze bespreking ook zelf aandachtspunten naar voren? Zoja, welke zijn dit?Het Iers voorzitterschap, dat op 1 juli is begonnen, zal bij de aankomendeRaad zijn werkprogramma en prioriteiten op het gebied van landbouw envisserij voor het komende half jaar presenteren. Onderdeel hiervan is eengemeenschappelijk kader voor een concurrerende en duurzamelandbouw, waaronder de onderhandelingen over het GLB en de Omnibusveiligheid van voedsel en diervoeder, de rol van veehouderij in deEuropese landbouw, zoals de nieuwe Veehouderijstrategie, en de handel-en marktstabiliteit in een veranderende mondiale context, inclusief hetActieplan Meststoffen. Daarnaast benoemt het Iers voorzitterschapgeneratievernieuwing en participatie in de landbouw en de visserij, metspeciale aandacht voor het thema «vrouwen in de landbouw», innovatie,waardecreatie, de bioeconomie, en een duurzame en veerkrachtigetoekomst voor de visserij en de aquacultuur, inclusief de onderhande-lingen over visvangstmogelijkheden. Nederland zal de presentatieaanhoren, aangezien tijdens dit agendapunt geen inhoudelijke discussie isvoorzien.De leden van de PRO-fractie merken op dat, wegens het zomerreces, deKamer zeer beperkt in staat is om zich uit te spreken over nieuweontwikkelingen. Het meest prangende onderwerp is wat deze leden betreftde Omnibus Food and Feed. Zij vragen het kabinet dan ook om aan tegeven tijdens de Raad dat het parlement heeft gevraagd om nauwebetrokkenheid en om verder terughoudend te zijn in het doen vantoezeggingen over politiek gevoelige kwesties. Is het kabinet bereid ditvoorbehoud te maken? Hoe voert het kabinet tijdens het reces demotie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22 112, nr. 4335), die vraagt om vooraf-gaand aan stemmingen over de Omnibus Food and Feed de Kamer instaat te stellen om zich uit te spreken, uit?OmnibusDe leden van de PRO-fractie zijn zeer ontstemd over de wijze waarop deOmnibus Food and Feed tot dusver is behandeld in Europees verband.Deze leden hebben ernstige bezwaren tegen de handelwijze van hetCypriotisch voorzitterschap, de onnodige bloedspoed en de ondoorzich-tigheid van het hele proces. Het is van het grootste belang dat de Kamer isverzekerd dat aan de door haar en het kabinet gestelde randvoorwaardenwordt voldaan. Dit is enkel toetsbaar met een wetenschappelijkeonderbouwing, al helemaal omdat een Europese impactassessmentontbreekt. Hoe heeft het kabinet haar bezwaren over het proces aan hetvoorzitterschap duidelijk gemaakt? Is het kabinet bereid deze zorgen ookluid en duidelijk kenbaar te maken bij het Iers voorzitterschap? Deze ledenverzoeken met klem om de fouten die door het Cypriotisch voorzitter-schap zijn gemaakt te voorkomen onder het Iers voorzitterschap.De leden van de PRO-fractie zijn daarnaast benieuwd wat de tijdlijn is voorde onderhandelingen over de Omnibus Food and Feed in de komendeperiode. Verwacht het kabinet dat er deze zomer een nieuw compromis-voorstel wordt gepresenteerd? Wat doet het kabinet om ervoor te zorgendat er een zorgvuldige en onderbouwde afweging gemaakt kan wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18269 over dit voorstel? Onder welke voorwaarden stemt het kabinet voor eennieuw compromisvoorstel, onder welke voorwaarden maakt zij eenvoorbehoud of stemt het tegen? Hoe houdt het kabinet rekening met deaangenomen Kamermoties die extra voorwaarden stellen aan hetvoorstel? Zou het kabinet een nieuw compromisvoorstel steunen, ook alshet een stap terug is voor de Nederlandse inzet ten opzichte van hetCypriotisch voorstel van 12 juni 2026? Op basis van welke wetenschappe-lijke onderbouwing maakt het kabinet deze afweging? Welke specifiekebronnen raadpleegt het kabinet om haar afweging te maken? Kan hetkabinet een lijst aanleveren van de relevante onderzoeken? Deze ledenvragen dit zo concreet mogelijk te maken.Onder het Iers voorzitterschap zijn de onderhandelingen over de Omnibusveiligheid van voedsel en diervoeder weer opgestart om tot een compro-misvoorstel te komen dat op voldoende steun van lidstaten kan rekenen.Daarbij zal Nederland zich uiteraard actief inzetten voor verdere verbe-tering van het voorstel, conform de eerder met de Kamer gedeeldeNederlandse inzet (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Bij de voorbereiding vandeze onderhandelingen wordt gebruik gemaakt van de inhoudelijkeexpertise van het College voor de toelating van gewasbeschermingsmid-delen en biociden (Ctgb). Het is aan het voorzitterschap om het moment tebepalen wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordtvoorgelegd voor een mandaat om de onderhandelingen met het EP testarten, het triloog. Het voorzitterschap heeft momenteel nog nietaangegeven wanneer dit zal plaatsvinden. De Staatssecretaris heeftbinnen Europa wel expliciet het belang van zorgvuldige en tijdigeprocedures benadrukt (Kamerstuk 27 858, nr. 767) en zal dit blijven doen.Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordtvoorgelegd, zal de Staatssecretaris zich wederom laten adviseren door hetCtgb. Vervolgens zal het kabinet een standpunt bepalen op basis van eeninhoudelijke afweging waarbij tevens de aangenomen Kamermoties entoezeggingen van de Kamer worden meegewogen. De Staatssecretaris zalde Kamer daar wederom zo snel mogelijk over informeren.Welk vervolg geeft het kabinet op de kritische reactie van de SER over deOmnibuswetgeving als geheel (SER, 26 juni 2026, « SER vraagt aandachtvoor kwaliteit van Europese wetgeving») (https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving)? Deelt het kabinet de kritiek van de SER?Het kabinet is het met de SER eens dat Europese regelgeving hetconcurrentievermogen ten goede kan komen indien dit zorgvuldig,uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd is. Dat geldt ook voorvoorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering vanregeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk teverminderen en regelgeving waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd moetvereenvoudiging zorgvuldig gebeuren, op basis van goede effectbeoorde-lingen en consultatie, met oog voor het belang van rechtszekerheid envoorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met regelgeving wordengediend. Daarom pleit het kabinet ervoor dat bij ieder voorstel een impactassesment door de commissie wordt uitgevoerd. Het kabinet komt nogmet een reactie op de SER-brief.EU-Actieplan MeststoffenDe leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van het EU-ActieplanMeststoffen. Deze leden zijn kritisch op het voorstel om vanuit toekom-stige GLB-middelen korte termijn generieke steunmaatregelen tefinancieren voor boeren en makers van kunstmest. Publieke middelenmoeten altijd publieke doelen dienen. In dit geval vinden deze ledenonvoldoende onderbouwd dat dit voorstel de belangen van de natuur enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182610 de groene transitie van de landbouw dient. Zij vragen het kabinet omduidelijk te maken hoe zulke steunmaatregelen worden betaald, omhoeveel geld dit gaat en ten koste van welke doelen dit komt. Kan hetkabinet onderbouwen dat dit geen afbreuk doet aan groene ambities? Ishet kabinet bereid voor te stellen om het uitkeren van geld aan getroffenboeren te combineren met duurzaamheidsambities? Ziet het kabinethiertoe mogelijkheden?De voorwaarden die zijn opgenomen in de verordening om steun teverstrekken, bieden geen ruimte om andere ambities te stimuleren naastde compensatie voor meerkosten van meststoffen die door de agrariërgemaakt zijn. Er wordt wel ruimte gegeven om agrariërs die zich alinzetten op nutriënten efficiëntie, onder voorwaarden, een hogersteunpercentage toe te kennen. De financiering hoeft niet ten koste tegaan van de groene ambities. Lidstaten kunnen zelf besluiten of en waarzij budgettaire ruimte vinden in hun Nationaal Strategisch Plan om desteun te financieren. Daarbij blijft de minimale besteding (ringfencing) vanmilieumaatregelen echter onverkort gehandhaafd.De leden van de PRO-fractie zijn ernstig bezorgd over de staat van deNederlandse natuur en het behalen van de stikstofdoelen. Deze ledenlezen dat het kabinet ook twijfels heeft over de onderdelen van hetvoorstel die de stikstofopgave in Nederland vergroten en de doelen verderuit beeld brengen. Het ligt dan voor de hand dat het kabinet niet in zalstemmen met het Actieplan zolang dit zal leiden tot een toename van destikstofuitstoot, met oog op het recent aangekondigde stikstofplan en deambitie om Nederland van het slot te halen. Kunnen deze leden eroprekenen dat het kabinet het voorstel als geheel afwijst, als het zou leidentot meer stikstofuitstoot? Verwacht het kabinet nog deze zomerstemmingen over (delen uit) het Actieplan? Zo ja, is het kabinet bereid omalle onderdelen die de stikstofuitstoot verhogen af te wijzen?Het kabinet heeft in het BNC-fiche zijn appreciatie ten aanzien van hetActieplan Meststoffen aan de Kamer toegezonden (Kamerstuk 22 112, nr.4394). Daarin benoemt het kabinet aandacht te zullen hebben voor demilieueffecten van dit voorstel, waaronder de effecten op de stikstofpro-blematiek. Een belangrijk spoor in het Actieplan betreft het versnellen vande verduurzaming van (kunst)meststoffenproductie. Een van de mogelijk-heden om de ammoniakemissies terug te brengen is het verantwoordhergebruiken van dierlijke mest. De Commissie heeft aangekondigd eenbepaalde vorm van digestaat te willen toevoegen aan de reeds toegestanemogelijkheden voor RENURE. Nederland zal bij de toetsing van hetvoorstel voor het toevoegen van een vorm van digestaat aan de RENURE-opties aandacht hebben voor de criteria waaraan dit wordt getoetst. Watbetreft het kabinet zijn daarbij de RENURE-criteria, zoals in 2020 opgestelddoor het Joint Research Centre, leidend. In de criteria voor toelating zalook aandacht moeten zijn voor het mitigeren van de ammoniakemissie bijaanwending van RENURE-meststoffen afkomstig van een vorm vandigestaat.Het Actieplan is een mededeling van de Commissie. Over het geheleActieplan worden zodoende geen stemmingen verwacht. Op afzonderlijkeonderdelen, zoals bijvoorbeeld de toelating van bepaalde vormen vandigestaat, zal een voorstel volgen van de Commissie. Dergelijkevoorstellen zullen volgens de gebruikelijke trajecten worden behandeld. Inde Annex van het Actieplan staat aangegeven welke tijdlijn de Commissievoor ogen heeft wat betreft de verdere uitwerking (COM (2026) 310 final).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182611 Gemeenschappelijk LandbouwbeleidDe leden van de PRO-fractie zijn blij met de voortvarende uitvoering vande motie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1780) en de nadere uitleghierover in het verslag van een eerder schriftelijk overleg (Kamerstuk 21501–32, nr. 1812). Deze leden vragen om concreet te maken met welkelidstaten het kabinet optrekt om de motie verder uit te voeren en welkeverdere stappen het hiertoe tijdens het zomerreces zal zetten.De algemene afspraak van het kabinet is dat er niet wordt gerapporteerdover samenwerking met individuele lidstaten, om ook de vertrouwe-lijkheid van het Europese onderhandelproces in de Raad en posities vanandere lidstaten te beschermen. De Minister zet zich in om de motieBromet/Podt (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1780) uit te voeren en naar allemogelijke coalities te zoeken, ook tijdens het zomerreces.De leden van de PRO-fractie vinden dat publieke middelen ten goedemoeten komen van publieke doelen. Daarom pleiten deze leden voor hetoormerken van GLB-middelen voor groenblauwe diensten, die veelboeren bereid zijn te leveren tegen een marktconforme prijs. Ziet hetkabinet mogelijkheden om hier in de onderhandelingen voor te pleiten,zodat GLB-middelen direct bijdragen aan bewezen effectieve maatregelendie de natuur verbeteren en bijdragen aan het verdienmodel van boeren?Helaas kunnen deze leden wegens het zomerreces geen Kameruitspraakop dit punt organiseren. Echter vragen zij het kabinet om toe te zeggenzich in te zetten om een deel van het GLB voor groenblauwe diensten teoormerken.Het kabinet is geen voorstander van verdere oormerking van budgettenvoor specifieke doeleinden binnen de Nationale en regionale partner-schapsplannen (NRPP), zoals de Minister ook schreef in de beantwoordingvan het schriftelijk overleg over de LVVN-inzet in de EU (Kamerstuk 21501–32, nr. 1812). Specifiek binnen de GLB-enveloppe zal de Minister zichin Europees verband inzetten voor gerichte oormerking van groeneinterventies, zoals de eco-regeling en het agrarisch natuur- en landschaps-beheer. Herintroductie van een dergelijk principe zou kunnen bijdragenaan meer gezamenlijke ambitie voor de groene doelen van het GLB eneen gelijk speelveld op Europees niveau. Nederland heeft hier al explicietvoor gepleit tijdens de vorige Raad en ook tijdens het zomerreces blijft deMinister zich hiervoor inzetten. Daarnaast onderzoekt de Minister ookandere oplossingen om negatieve prikkels uit de Europese wetsvoor-stellen weg te nemen die het moeilijker maken voor lidstaten om dezeinterventies te kiezen. Door deze maatregelen kunnen agrariërs beterworden beloond voor de publieke diensten die zij leveren om de natuur enhet milieu te versterken in het toekomstige GLB.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerdeagenda voor de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli 2026. Deze ledenhechten er grote waarde aan dat de Nederlandse agrarische sectorgewaarborgd blijft, roepen op tot het beschermen van onze boeren tegenBrusselse regeldruk en hebben met betrekking tot de voorliggendestukken nog enkele kritische opmerkingen en vragen.Veeteeltplan en ProteïneplanDe leden van de PVV-fractie hebben vernomen dat er concepten zijnuitgelekt van het Veeteeltplan en Proteïneplan van de EC. Uit cijfers vanEurostat blijkt dat de veesector in de EU de afgelopen tien jaar ongekendTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182612 fors is gekrompen, waaronder een daling van 8,9 procent van het aantalvarkens en 9,8 procent van het aantal koeien. Deze leden van dePVV-fractie vragen hoe de krimp in Nederland zich verhoudt tot de krimpin de EU, graag in percentage en concrete aantallen. Zij vragen hoe hetverloop van deze krimp in Europa en in Nederland zich verhoudt over toende krimp begonnen is. Graag ontvangen zij een reactie van de Ministerover tenminste de afgelopen 25 jaar. Zij vragen of de Minister een reactiekan geven op deze desastreuze krimp in het licht van onze nationalevoedselzekerheid en het verdienvermogen van de Nederlandse boer.Het is niet mogelijk om de ontwikkeling van dieraantallen in de EU sinds2000 weer te geven en met de ontwikkeling in Nederland te vergelijken.Dit komt door de verandering in het aantal EU-lidstaten dat na 2000 heeftplaatsgevonden. Daardoor zijn statistische reeksen steeds onderbroken.Eurostat biedt wel cijfers voor melkkoeien en varkens voor de EU-27 vanaf2010 (huidige lidstaten). Zie hiervoor de onderstaande tabel.Voor kippen biedt Eurostat geen cijfers op EU-niveau of op het niveau vanindividuele lidstaten (hiermee is Eurostat pas in 2025 gestart), alleen ophet niveau van regio’s (NUTS-2 gebieden). Bovendien is onzeker of dedoor Eurostat gehanteerde indeling in verschillende pluimveecategorieën(leghennen, vleeskuikens, etc.) overeenkomt met de Nederlandse indeling.Voor kippen is het daarom niet mogelijk om op korte termijn cijfers tegeven over de ontwikkeling van het aantal kippen in de EU en deze tevergelijken met de ontwikkeling in Nederland.EU-2720102025toe-/afname2010–2025Melkkoeien21.466.92019.015.370-11,4%Varkens139.393.760131.458.440-5,7% NL20102025toe-/afname2010–2025Melkoeien1.478.6351.526.837+3,3%Varkens12.254.9729.765.589-20,3% Het Nederlandse aanbod van producten uit de veehouderij, zoals vlees,zuivel en eieren, bestaat niet enkel uit producten die in Nederlandgeproduceerd zijn. Zowel de producten uit Nederland als het voedsel datis geïmporteerd dragen bij aan onze voedselzekerheid. Daarnaast is eenaanzienlijk deel van de Nederlandse productie van dierlijke productenbedoeld voor export. Daarnaast produceert de Nederlandse en Europeselandbouwsector ook plantaardige producten. Een geleidelijke afname vanhet aantal dieren betekent dan ook niet dat onze voedselzekerheid onderdruk komt te staan.Het kabinet merkt op dat het verdienvermogen van agrarische onder-nemers van meer factoren afhangt dan van de omvang van de veestapel.Het verdienvermogen wordt beïnvloed door een breed scala aan factoren,waaronder marktprijzen, productiekosten, arbeidsproductiviteit, export-mogelijkheden, de positie van de boer in de keten, de ruimte om teondernemen en de marktomstandigheden. De ontwikkeling van deomvang van de veestapel is daarom op zichzelf geen goede indicator voorhet verdienvermogen van de Nederlandse boer. Een afname van hetaantal dieren of bedrijven kan, afhankelijk van de marktomstandigheden,ertoe leiden dat de overblijvende bedrijven een groter marktaandeelkrijgen of profiteren van gunstigere prijsontwikkelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182613 Het kabinet blijft zich inzetten voor een toekomstbestendige landbouw-sector die een duurzame bijdrage levert aan voedselzekerheid inNederland en elders, ook op de langere termijn.De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat de EC in het Veeteeltplanmet nieuwe, strenge dierenwelzijnsregels wil komen, wat tot grote kostenin de hele keten leidt. Deze leden verzoeken om de Nederlandse veehou-derij maximaal te beschermen tegen nieuwe, onhaalbare Europeseregeldruk die de concurrentiepositie van onze boeren verder kapotmaakt.Daarbij herinneren zij de Minister aan de motie-Lohman (Kamerstuk 21501–32, nr. 1767) over de visie op de eiwitketen en vragen zij hoe deMinister de belangen van de Nederlandse agrarische sector hierin vooropgaat stellen.Het is van belang dat het Actieplan voor het EU-eiwittensysteem en deEuropese Strategie voor de veehouderij een integrale aanpak heeft.Het kabinet zal de Kamer kort na het zomerreces middels een BNC-ficheinformeren over de beide strategieën en de Nederlandse inzet bij debehandeling van de verschillende voorstellen.Gewasbeschermingsmiddelen en OmnibuswetgevingDe leden van de PVV-fractie delen de forse en terechte kritiek van de SERop de omnibuswetgeving van de EC. De SER hekelt dat fundamenteleimpact assessments ontbreken en wijst op de gebrekkige kwaliteit envoorspelbaarheid van de wetgeving.De leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris of hij de meningdeelt dat Europese regelgeving zonder een gedegen impactanalyseonacceptabel is voor de agrarische sector.Het kabinet is het met de SER eens dat Europese regelgeving hetconcurrentievermogen ten goede kan komen indien dit zorgvuldig,uitvoerbaar, voorspelbaar en goed onderbouwd is. Dat geldt ook voorvoorstellen die gericht zijn op vereenvoudiging en vermindering vanregeldruk. Het kabinet vindt het belangrijk onnodige regeldruk teverminderen en regelgeving waar nodig aan te passen. Tegelijkertijd moetvereenvoudiging zorgvuldig gebeuren, op basis van goede effectbeoorde-lingen en consultatie, met oog voor het belang van rechtszekerheid envoorspelbaarheid en de beleidsdoelstellingen die met regelgeving wordengediend. Daarom pleit het kabinet ervoor dat bij ieder voorstel een impactassesment door de Commissie wordt uitgevoerd. Het kabinet komt nogmet een reactie op de SER-brief.De leden van de PVV-fractie steunen daarnaast het initiatief vanuit het EPom de goedkeuring voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen teverlengen naar 15 jaar in plaats van de door de EC voorgestelde 7 jaar,zodat we onze boeren het benodigde gereedschap en toekomstperspectiefbieden. Deze leden verzoeken om dit initiatief in de Raad volmondig testeunen. Voorafgaand aan het overleg van het Standing Committee onPlants, Animals, Food and Feed (SCoPAFF) adviseerde het College voor detoelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) al positiefover de tijdelijke verlenging van 21 werkzame stoffen, omdat de besluit-vorming door de EC te traag verloopt.De leden van de PVV-fractie verzoeken het kabinet om zich in de EUsnoeihard te maken voor vlottere besluitvorming, zodat Nederlandseboeren niet de dupe worden van een falende Brusselse toelatingspro-cedure.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182614 Nederland steunt het doel van de Omnibus veiligheid van voedsel endiervoeder om gewasbeschermingsmiddelen met een lager risico snellerop de markt te krijgen, zodat dit kan bijdragen aan het benodigdegereedschap en toekomstperspectief voor boeren. Dit is ook onderdeelvan de eerder met de Kamer gedeelde inzet van dit kabinet voor deonderhandelingen (Kamerstuk 22 112, nr. 4261).Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) post-2027De leden van de PVV-fractie constateren dat zich breuklijnen vormenbinnen Europa over het toekomstige GLB. De EC wil in het concept-compromisvoorstel een maximum van 100.000 euro aan directeinkomenssteun per bedrijf invoeren. In de stukken is te lezen dat dit directsamenhangt met een eventuele toetreding van Oekraïne tot de EU, omdatzonder een plafond de immense Oekraïense landbouwbedrijven eengigantisch deel van de GLB-middelen zouden opslokken.De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan toelichten hoe hijgaat voorkomen dat een toetreding van Oekraïne ten koste gaat van hetGLB-budget voor onze eigen Nederlandse boeren.De leden van de PVV-fractie verzoeken om het landbouwbudget voor denationale agrarische sector koste wat kost te waarborgen.Zoals beschreven in het BNC-fiche over het nieuwe GLB na 2027(Kamerstuk 22 112, nr. 4147), is Nederland voorstander van plafonneringen degressiviteit in het GLB-voorstel, aangezien dit kan bijdragen aan hetgelijke speelveld en dit het GLB kan voorbereiden op eventuele toekom-stige verdere Europese uitbreiding. De impact van plafonnering is inNederland beperkt, aangezien het merendeel van de bedrijven kleiner isen de inkomenssteun in Nederland gelijkmatiger is verdeeld dangemiddeld op Europees niveau.EU-Actieplan MeststoffenDe leden van de PVV-fractie hebben de kabinetsappreciatie van hetEU-Actieplan Meststoffen met bovengemiddelde interesse gelezen. Het iscruciaal voor de sector dat bewerkte vormen van dierlijke mest (RENURE)breder mogen worden ingezet boven de huidige gebruiksnorm voordierlijke mest, als een volwaardige kunstmestvervanger. Het kabinet merktin haar appreciatie echter op dat dit mogelijk tot ammoniakemissies leidten dat de huidige strenge RENURE-criteria leidend moeten blijven.De leden van de PVV-fractie verzoeken om direct te stoppen met hetopwerpen van aanhoudende milieu-obstakels en de Nitraatrichtlijnzodanig te interpreteren dat de broodnodige introductie van RENURE nietonmogelijk wordt gemaakt.De Minister ondersteunt het voornemen van de Commissie om anderevormen van RENURE-meststoffen toe te laten. Mocht dit op korte termijnworden toegelaten in de RENURE-ruimte, dan kan dit in Nederland eenverlichting op de mestmarkt bieden en kan dit mogelijke milieuvoordelenbieden door vermindering van de vraag naar stikstofkunstmest enbijdragen aan de ambitie om via monomestvergisting in te zetten opmestverwerking en groengasproductie.Voor de productie van de RENURE-meststoffen blijft het wel van belangdat deze niet tot nadelige milieueffecten leidt. Daarom is het van belangdat ook voor de productie en aanwending van bepaalde vormen vandigestaat als kunstmestvervanger criteria worden gesteld, die ervoorzorgen dat de ammoniakemissies naar de lucht en uit- en afspoeling vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182615 stikstof en fosfaat naar het grond- en oppervlaktewater niet nadeligworden beïnvloed.Tot slot zien deze leden dat er voor de voorgestelde liquiditeitssteun aanboeren een strategische wijziging in het Nationaal Strategisch Plan (NSP)benodigd is, wat weer gepaard gaat met onwerkbare voorwaarden zoalsverplichte voorlichting.De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan garanderen datfinanciële steun de agrarische ondernemers daadwerkelijk en tijdigbereikt, zonder dat zij bedolven worden onder ingewikkelde klimaat- ofmilieuvoorwaarden.Het steunpakket bevat geen aanvullende klimaat- of milieuvoorwaardenwaar de agrariër aan moet voldoen om in aanmerking te komen voorsteun.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de geanno-teerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad van 13 juli. Deze ledenhebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen. Zij vragen deMinister en de Staatssecretaris alle vragen één voor één en volledig tebeantwoorden, omdat deze leden in het verleden hebben gezien datsommige vragen worden overgeslagen.Omnibus food and feed simplificationDe leden van de PvdD-fractie hebben de brief van de Staatssecretaris overde ScoPAFF-vergadering gelezen en zijn benieuwd naar de meest recenteontwikkelingen in de onderhandelingen met betrekking tot het compro-misvoorstel van het Omnibus Food and Feed.De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van geluiden uitEuropa die melden dat bij elk volgend raadsoverleg vlak van tevoren eennieuw compromisvoorstel van het Omnibuspakket op de agenda gezetkan worden. Zo zou er sprake van zijn dat dit voor een overleg op 9 juligebeurt. Deze leden vragen de Staatssecretaris of hij dit kan bevestigen.Zo ja, kan hij delen hoe dit proces is verlopen en wat er tijdens dezevergadering is besloten over mogelijke vervolgstappen in het proces? Zoja, heeft hij het conceptvoorstel tot zijn beschikking en op welke wijze enwanneer gaat hij dit met de Kamer, het Ctgb en de wetenschappers van deEU-wetenschapstoets delen? Hoe wordt geborgd dat dit keer de weten-schappers van de EU-wetenschapstoets wel proactief en meteen wordenbetrokken in het proces, zodat ze zoveel mogelijk tijd krijgen om tereageren op wat er uiteindelijk op tafel ligt (deze vraag geldt ook als debesluitvorming in Brussel pas veel later plaatsvindt)?De onderhandelingen over de Omnibus veiligheid van voedsel endiervoeder zijn inderdaad onder het Iers voorzitterschap weer opgestart.Op 9 juli staat een ambtelijk overleg gepland waarbij gesproken wordtover verschillende onderdelen van het voorstel. Nederland zal zich bijdeze gesprekken actief inzetten voor verdere verbetering van het voorstel,conform de eerder met de Kamer gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk22 112, nr. 4261). Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstatenwordt voorgelegd om in te stemmen met een mandaat om de onderhan-delingen met het EP te starten, zal de Staatssecretaris zich laten adviserendoor het Ctgb. Het Ctgb zal in dit advies de bevindingen van de weten-schapstoets meenemen. Vervolgens zal het kabinet een standpuntbepalen op basis van een inhoudelijke afweging, waarbij tevens deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182616 aangenomen Kamermoties en toezeggingen aan de Kamer wordenmeegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer daar zo snel mogelijk overinformeren.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid is omvoor een ordentelijk democratisch proces te pleiten en zich te blijvenhouden aan de aangenomen motie-Bromet c.s. (Kamerstuk 22 112, nr.4335 ) die vraagt de Kamer zich eerst te laten uitspreken over wat ervoorligt voordat de Staatssecretaris een standpunt zal innemen in verdereontwikkelingen? Is de Staatssecretaris van plan het Ctgb en weten-schappers het commissievoorstel te laten beoordelen voordat hij eenstandpunt gaat innemen? Welke scenario’s heeft de Staatssecretarishiervoor klaarliggen om aan deze motie te voldoen, ook wanneer hetproces in een versnelling terechtkomt?De Staatssecretaris vindt het belangrijk dat bij de onderhandelingen overde Omnibus veiligheid van voedsel en diervoeder voldoende gelegenheidis om te reageren op voorstellen en om de Kamer in het proces mee tenemen. Daarom heeft de Staatssecretaris het belang van zorgvuldige entijdige procedures expliciet benadrukt in Europa (Kamerstuk 27 858, nr.767) en hij zal dit blijven doen. Wanneer een nieuw compromisvoorstelaan de lidstaten wordt voorgelegd, zal de Staatssecretaris zich latenadviseren door het Ctgb. Vervolgens zal de Kamer voorafgaand aan deEuropese besluitvorming worden geïnformeerd over het kabinets-standpunt.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris zich zalhouden aan zijn meerdere toezeggingen en de aangenomen motie-Kostic´(Kamerstuk 22 112, nr. 4328) die vragen hem niet in te stemmen met eenvoorstel dat leidt tot verslechtering van het huidige beschermingsniveauvan mens, dier en milieu en zich in de beoordeling te laten bijstaan dooradviezen van betrokken wetenschappers van Universiteit Leiden,Wageningen University & Research en het Ctgb, en hierover aan deKamer te rapporteren.Nederland zet zich binnen de onderhandelingen over de Omnibusveiligheid van voedsel en diervoeder in om het huidige beschermings-niveau voor mens, dier en milieu minimaal te handhaven. Wanneer eennieuwe compromistekst ter instemming aan de lidstaten wordtvoorgelegd, zal de Staatssecretaris het Ctgb om een advies vragenwaarbij de inbreng van de wetenschapstoets wordt meegenomen.Vervolgens zal het kabinet een standpunt bepalen waarbij tevens deaangenomen Kamermoties en toezeggingen aan de Kamer wordenmeegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer voorafgaand aan deEuropese besluitvorming informeren.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeftgenomen van een wetenschappelijk artikel in het belangrijke wetenschap-pelijke journal Science getiteld «EU Omnibus proposal increases pesticiderisks. More efficient environmental risk assessment and strongerprotection are achievable» (Wintermantel et al., 18 juni 2026, « EUOmnibus proposal increases pesticide risks» (https://www.science.org/doi/10.1126/science.aeg8744?__cf_chl_f_tk=ELuRb5UFQaYe8_PZ9Kne4RBVlmGiQ17_wDx7OO4_UlM1783068309-1.0.1.1-BMUr4CoyV_Qq3v9VaKr1LCKzYmuwK2T7g6vZljL1hi0))? Kan deStaatssecretaris reageren op het feit dat deze wetenschappers conclu-deren dat het omnibuspakketvoorstel van de EC leidt tot vergroting vanhet gezondheidsrisico van mens, dier en milieu? Is hij het met deze ledeneens dat dit voorstel dus, tegen de wens van de Kamer en kabinet in, inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182617 ieder geval geen behoud van het huidige beschermingsniveau betekent?Is de Staatssecretaris het met de wetenschappers eens dat het eenverslechtering betekent van de gezondheid van mens, dier en milieu? Hoegaat hij bewijzen dat een compromisvoorstel leidt tot een verbetering? Isde Staatssecretaris het met hen eens dat zo een kritisch artikel nogmaalsaantoont dat er een impact assessment moet komen op de omnibuswet-geving? Gaat hij daarvoor pleiten? Kan de Staatssecretaris reageren op de«shortcomings of the current approach» en per tekortkoming of hij hethiermee eens is, of met wetenschappelijke argumenten anders denkt? Kanhij aangeven en onderbouwen hoe hij ziet dat deze tekortkomingenverholpen zijn in het compromisvoorstel? Is de Staatssecretaris van planom op Europees niveau te pleiten voor de veiligere alternatieven dieworden aangereikt in dit wetenschappelijke artikel? Welke gevolgenhebben deze belangrijke wetenschappelijke inzichten voor de positie enoordeelsvorming van het kabinet als het gaat om het Omnibuspakket?Neemt hij dit wetenschappelijke onderzoek mee in zijn «gecalculeerdeinschatting»? Zo ja, op welke wijze? Kan de Staatssecretaris toezeggen delijn van de wetenschappers te volgen, en tegen dit pakket te stemmen alser niets fundamenteels aan verandert, in lijn met motie-Kostic (Kamerstuk22 112, nr. 4328 )?De Nederlandse inzet bij de onderhandelingen over de Omnibusveiligheid van voedsel en diervoeder is om het huidige beschermings-niveau voor mens, dier en milieu minimaal te handhaven, conform deeerder met de Kamer gedeelde Nederlandse inzet (Kamerstuk 22 112, nr.4261). Het genoemde artikel betreft een analyse van een eerdere versievan het Omnibusvoorstel met hierbij een kritische blik op onderdelen vanhet huidige toetsingskader. Inmiddels zijn onder het Iers voorzitterschapde Europese onderhandelingen weer opgestart om tot een nieuwcompromisvoorstel te komen waarbij de inbreng van alle lidstaten wordtmeegenomen. Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstatenwordt voorgelegd, zal de Staatssecretaris het Ctgb om een advies vragen.Vervolgens zal het kabinet een inhoudelijke afweging maken waarbijtevens de aangenomen Kamermoties en toezeggingen aan de Kamerworden meegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer voorafgaand aande Europese besluitvorming informeren.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeftgenomen van de brief geschreven door Europarlementariërs Tilly Metz enAnna Strolenberg aan Ursula von der Leyen, President van de EC(Contexte, 1 juli 2026, (https://www.contexte.com/fr/actualite/agro/omnibus-securite-alimentaire-les-rapporteures-fictives-des-verts-ecrivent-a-la-commission-pour-demander-une-etude-dimpact_271040)). Zo ja, deeltde Staatssecretaris de bevindingen van deze rapporteurs? Zo nee, kan deStaatssecretaris toelichten met welke onderdelen van deze brief hij hetniet eens is en kan hij dat met verwijzing naar actuele wetenschappelijkeconclusies onderbouwen?In de betreffende brief uiten twee schaduwrapporteurs hun zorgen overhet Omnibusvoorstel veiligheid van voedsel en diervoeder. De inzet bij deonderhandelingen is om het huidige beschermingsniveau voor mens, dieren milieu minimaal te handhaven. Dit is ook conform het BNC-fiche dateerder naar de Kamer is gestuurd (Kamerstuk 22 112, nr. 4261). Hetkabinet zal inhoudelijke voorstellen van het voorzitterschap hieraantoetsen. Wanneer een nieuw compromisvoorstel aan de lidstaten wordtvoorgelegd, zal het kabinet een inhoudelijke afweging maken waarbijtevens de aangenomen Kamermoties en toezeggingen aan de Kamerworden meegewogen. De Staatssecretaris zal de Kamer hier vervolgenszo snel als mogelijk over informeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182618 De leden van de PvdD-fractie zijn aanvullend op deze brief ook benieuwdnaar wat de Staatssecretaris vindt van het feit dat Foodwatch een klachtheeft ingediend bij de Europese Ombudsvrouw betreffende de handel-wijze van de Europese Commissie. Is hij het met de klacht eens? Zo nee,waarom niet?Dit betreft een lopende klacht van Foodwatch bij de Europese Ombuds-vrouw. Het is niet aan de Staatssecretaris om hier een inhoudelijk oordeelover te geven.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris ervan op dehoogte is dat de Europese Ombudsvrouw van mening is dat de toezeg-gingen van de EC onvoldoende duidelijk en concreet zijn om eentransparant, inclusief en op bewijs gebaseerd wetgevingsproces tewaarborgen, als het gaat om de omnibuswetgeving (EuropeanOmbudsman ( https://www.ombudsman.Europa.eu/en/decision/en/228151)). Is de Staatssecretaris van plan om op Europees niveau te pleiten vooreen zorgvuldiger wetgevingsproces? Hoe gaat hij dat precies borgen? Isde Staatssecretaris het ermee eens dat deze handelwijze van de EClaakbaar is en het democratisch gehalte en zorgvuldigheid van dezewetgeving onder druk zet?Ja, de Staatssecretaris is hiervan op de hoogte. Het kabinet vindt hetbelangrijk onnodige regeldruk te verminderen en regelgeving, waarnodig, aan te passen. Het kabinet pleit er op Europees niveau voor datvereenvoudiging zorgvuldig gebeurt, op basis van impact assessments enconsultatie, met oog voor het belang van rechtszekerheid en de beleids-doelstellingen die met regelgeving worden gediend. De Commissie heeftin haar onlangs verschenen mededeling over Betere Regelgeving elfbelangrijke stappen aangekondigd om de kwaliteit van regelgeving teverbeteren. Op 5 juni 2026 heeft de Kamer over deze mededeling eenBNC-fiche ontvangen (Kamerstuk 22 112, nr. 4364). De Commissie kondigtin de mededeling onder andere aan meer te gaan inzetten op een goedontwerp van regelgeving, goede consultatie van belanghebbenden en hetvaker uitvoeren van impact assessments. Het is positief te zien dat in hetvervolg op de gepubliceerde mededeling, de Commissie bij recentevoorstellen wel impact assessments heeft opgesteld.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Staatssecretaris kennis heeftgenomen van de bezorgde brief van de SER over de kwaliteit van hetEuropese wetgevingsproces, waarvan het Omnibuspakket de directeaanleiding is (SER, 26 juni 2026, « SER vraagt aandacht voor kwaliteit vanEuropese wetgeving» ( https://www.ser.nl/nl/publicaties/kwaliteit-europese-wetgeving )? Hoe reflecteert de Staatssecretaris erop dat de SERzich genoodzaakt voelt om deze brief te sturen? Kan de Staatssecretarisingaan op de aanbevelingen van de SER en per aanbeveling aangeven ofen op welke wijze hij van plan is eraan uitvoering te geven? Is deStaatssecretaris van plan de SER in de komende week uit te nodigen vooreen verdere toelichting? Welke gevolgen heeft het advies van SER voor depositie en standpunt van het kabinet als het gaat om het Omnibuspakket?Het kabinet komt nog met een reactie op de SER-brief. Het kabinet is hetmet de SER eens dat Europese regelgeving het concurrentievermogen tengoede kan komen indien dit zorgvuldig, uitvoerbaar, voorspelbaar engoed onderbouwd is. Dat geldt ook voor voorstellen die gericht zijn opvereenvoudiging en vermindering van regeldruk. Het kabinet vindt hetbelangrijk onnodige regeldruk te verminderen en regelgeving, waarnodig, aan te passen. Tegelijkertijd moet vereenvoudiging zorgvuldiggebeuren, op basis van goede effectbeoordelingen en consultatie, metoog voor het belang van rechtszekerheid en voorspelbaarheid en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182619 beleidsdoelstellingen die met regelgeving worden gediend. Daarom pleithet kabinet ervoor dat bij ieder voorstel een impact assessment door deCommissie wordt uitgevoerd.Veeteeltplan en ProteïneplanDe leden van de PvdD-fractie hebben met betrekking tot het veeteeltplanen het proteïneplan nog een aantal vragen en opmerkingen.De leden van de PvdD-fractie vragen welke stappen het kabinet gaatzetten om de markt en de consument te stimuleren om conform hetproteïneplan meer in te zetten op plantaardige alternatieven voormenselijke consumptie. Deze leden vragen hoe de Staatssecretarisinvulling gaat geven aan aangenomen motie-Dassen (Kamerstuk 35 334,nr. 464) en of de Staatssecretaris ruimte ziet om duidelijk te borgen dat erwordt ingezet op een andere voedselstrategie die toekomst biedt voor delandbouw, en tegelijkertijd emissies reduceert.Het kabinet streeft ernaar dat meer mensen eten volgens de Schijf van Vijfen heeft de ambitie om in 2030 een gebalanceerde gemiddelde eiwitcon-sumptie te bereiken, bestaand uit 50% dierlijke eiwitten en 50% plant-aardige eiwitten.Om deze transitie mogelijk te maken, is er niet alleen een verandering vaneetgewoonten nodig, maar ook een aanpassing van de voedselomgeving.Een breder en aantrekkelijker aanbod van plantaardige alternatievenspeelt daarin een belangrijke rol. Hier zet de Minister zich dan ook voor in.Momenteel werkt het kabinet aan de benodigde maatregelen om detransitie verder te versnellen. In het najaar wordt de Kamer geïnformeerdover de integrale beleidsinzet op het gebied van duurzaam voedsel.Daarnaast acht het kabinet het van belang om ook andere vormen vaneiwitproductie te stimuleren waarbij gebruik wordt gemaakt van biotech-nologie, zoals kweekvlees en -vis op basis van celkweek en eiwitproductievia precisiefermentatie. Deze innovaties maken onderdeel uit van deAgrofood Innovatieagenda, waarvan de contouren recentelijk aan deKamer zijn toegezonden (Kamerstuk 33 009, nr. 179).Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad. Dezeleden hebben daarover zowel vragen als opmerkingen.De leden van de BBB-fractie begrijpen dat de EC agrariërs wil onder-steunen nu de kunstmestprijzen als gevolg van de geopolitieke ontwikke-lingen sterk zijn gestegen. Deze leden zijn heel blij met het feit dat de ECin de huidige geopolitieke omstandigheden maatregelen wil treffen omagrariërs te ondersteunen. Zij waarderen dat de EC oog heeft voor deforse stijging van de kunstmestprijzen en de gevolgen daarvan voor deagrarische sector. Betaalbare en beschikbare meststoffen zijn immers vangroot belang voor de voedselproductie en daarmee uiteindelijk ook voorde beschikbaarheid en betaalbaarheid van voedsel voor Europeseconsumenten. Juist daarom vragen deze leden of de voorgesteldesteunmaatregel wel de meest doelmatige en toekomstbestendigeoplossing is.Met het Actieplan Meststoffen heeft de Commissie een plan voorgesteldwaarin zij een aantal acties voorstelt die zich richten op het vergroten vande beschikbaarheid, betaalbaarheid op de korte termijn en de strategischeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182620 autonomie ten aanzien van productie van meststoffen. Daarnaast wordteen transitie naar duurzame en circulaire meststoffen versneld. Deappreciatie van het kabinet van het Actieplan, zoals neergelegd in hetBNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4394), is over het algemeen positief.De leden van de BBB-fractie constateren dat de EC honderden miljoeneneuro’s uittrekt om de gevolgen van hoge kunstmestprijzen te verzachten,terwijl de Europese regelgeving tegelijkertijd landbouwers ertoe verplichtvoor een deel van hun stikstofvoorziening afhankelijk te blijven vankunstmest.De leden van de BBB-fractie merken op dat de totale hoeveelheid stikstofdie een gewas mag ontvangen, wordt bepaald door de geldendegebruiksnormen, die zijn afgestemd op de behoefte van het gewas en deomstandigheden waaronder het wordt geteeld. De Nitraatrichtlijn beperktechter afzonderlijk de hoeveelheid stikstof die afkomstig mag zijn uitdierlijke mest tot maximaal 170 kilogram stikstof per hectare. Voorlandbouwers die meer stikstof nodig hebben dan deze 170 kilogrambetekent dit dat zij, ook wanneer voldoende dierlijke mest beschikbaar is,voor het resterende deel zijn aangewezen op kunstmest.De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat uit onderzoek vanWageningen Livestock Research (De Boer, Van Mullekom en Smolders,december 2023, «Lower nitrate leaching from dairy cattle slurry comparedto synthetic fertilizer calcium ammonium nitrate applied to grassland»,(https://www.researchgate.net/publication/376243719_Lower_nitrate_leaching_from_dairy_cattle_slurry_compared-_to_synthetic_fertilizer_calcium_ammonium_nitrate_applied_to_gras-sland)) naar voren komt dat vervanging van dierlijke mest door kunstmestniet zonder meer leidt tot een betere waterkwaliteit en onder bepaaldeomstandigheden juist tot meer nitraatuitspoeling kan leiden. Hoe weegtde Minister deze inzichten bij zijn beoordeling van het voorliggendesteunpakket, dat de afhankelijkheid van kunstmest juist in stand lijkt tehouden? Kan de Minister bevestigen dat deze systematiek ertoe leidt datlandbouwers voor een deel van hun stikstofvoorziening afhankelijk blijvenvan kunstmest, terwijl zij binnen de totale gebruiksnorm in veel gevallenover voldoende dierlijke mest zouden beschikken? Hoe beoordeelt deMinister het feit dat de EC enerzijds een steunpakket van honderdenmiljoenen voorstelt om de gevolgen van hoge kunstmestprijzen op tevangen, terwijl anderzijds de Europese regelgeving juist de afhanke-lijkheid van kunstmest in stand houdt? Is de Minister het met deze ledeneens dat het logischer, goedkoper en mogelijk ook milieukundig gunstigerzou zijn om te bezien of binnen de bestaande totale stikstofgebruiksnormeen groter aandeel stikstof uit dierlijke mest kan worden benut, in plaatsvan publieke middelen in te zetten om de aankoop van kunstmest teondersteunen? Kan de Minister toelichten hoe het subsidiëren vankunstmestgebruik bijdraagt aan de strategische autonomie van deEuropese landbouw, terwijl een grotere benutting van in Europabeschikbare dierlijke mest die afhankelijkheid juist structureel zou kunnenverminderen? Heeft de Minister dit alternatief onder de aandacht gebrachtof is hij bereid dit tijdens de Landbouw- en Visserijraad onder de aandachtte brengen? Is de Minister bereid de EC op te roepen te onderzoeken of debepalingen uit de Nitraatrichtlijn die het aandeel stikstof uit dierlijke mestbegrenzen, meer ruimte kunnen bieden voor een gebieds- en grondsoort-specifieke benadering, zodat beschikbare nutriënten beter kunnen wordenbenut en de afhankelijkheid van kunstmest structureel kan wordenverminderd?De Minister is bekend met het door de leden van de BBB-fractiegenoemde rapport. In de afgelopen jaren is een aantal studies uitgevoerdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182621 naar de uitspoeling van dierlijke mest ten opzichte van kunstmest in deNederlandse omstandigheden. Uit geen van deze studies is onomstotelijkgebleken dat stikstof uit dierlijke mest meer af- en uitspoelt naar het waterdan stikstofkunstmest of vice versa.Vanaf 2026 is de derogatie definitief van de baan. Dit betekent datNederland is gehouden aan de Europese norm voor de aanwending vandierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare per jaar. De Minister zietgeen ruimte om hiervan af te wijken. De Minister ziet wel ruimte voor hetmogen gebruiken van RENURE-meststoffen boven de gebruiksruimtevoor dierlijke mest (80 kg stikstof per hectare per jaar). De Minister is blijdat de Commissie zich heeft ingezet voor het mogelijk maken van enkeleRENURE-meststoffen en dat er voorbereidingen worden getroffen ombepaalde vormen van digestaat toe te voegen. Hiermee worden opcirculaire wijze alternatieven voor kunstmest ontwikkeld en kan dierlijkemest worden verwerkt tot een volwaardige kunstmestvervanger dievoldoet aan criteria die bijdragen aan vermindering van de milieuop-gaven.De leden van de BBB-fractie wijzen op de beantwoording van de Ministervan Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van de schriftelijke vragenover voedselveiligheid (Kamerstuk 26 991, nr. 597). Daarin geeft deMinister van VWS aan dat geïmporteerde producten aan dezelfde hogeeisen moeten voldoen als producten die binnen de EU worden geprodu-ceerd en dat hierop actief wordt toegezien door audits van de EC in derdelanden, controles aan de buitengrens van de EU en toezicht door onderandere de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Deze ledenonderschrijven het belang van een gelijk speelveld en het uitgangspuntdat producten die op de Europese markt worden gebracht aan dezelfdehoge standaarden moeten voldoen, ongeacht het land van herkomst. Juistdaarom vragen deze leden hoe het toezicht van de EC op derde landenprecies is geborgd. Kan de Minister aangeven welke objectieve criteria deEC hanteert voor de frequentie waarmee derde landen worden geaudit?Bestaan hiervoor minimumfrequenties, benchmarks of andere toetsbarehandhavingsnormen? Kan de Minister tevens aangeven of hij bereid is deEC te verzoeken vergelijkbare informatie beschikbaar te maken bij andereernstige voedselveiligheidsincidenten met importproducten uit derdelanden, zodat beter inzichtelijk wordt in hoeverre dergelijke incidentenzich voordoen ondanks recente audits of juist samenhangen met eenlangere periode zonder inspecties?De leden van de BBB-fractie constateren dat Verordening (EU) 2017/625lidstaten verplicht om officiële controles risicogebaseerd uit te voeren,meerjarige nationale controleplannen op te stellen en jaarlijks over deuitvoering daarvan te rapporteren. Deze leden constateren tevens dat debepalingen over controles van de EC in derde landen weliswaar uitgaanvan een risicobeoordeling, maar voor zover deze leden kunnen nagaangeen vergelijkbare minimumvereisten bevatten voor auditfrequenties,objectieve handhavingsnormen of transparante beoordelingskaders. Kloptdeze lezing? Zo nee, waar zijn dergelijke normen dan vastgelegd?Regels voor controles op het gebied van levensmiddelen en voedselvei-ligheid zijn opgenomen in de Europese controleverordening (OCR). Hierinstaan ook eisen ten aanzien van de aard, de frequentie en de verslag-legging van controles in landen buiten de EU (zogenaamde derde landen).De uitkomsten van de controles worden openbaar gemaakt. Daarnaaststelt de Commissie jaarlijks een auditprogramma op van uit te voerencontroles in derde landen. Dit programma kan worden aangepast als desituatie daarom vraagt. De Commissie informeert de lidstaten over ditprogramma en elke aanpassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182622 In het geval er sprake is van ernstige voedselveiligheidsincidenten, dandoen lidstaten een zogenaamde Rapid Alert System for Food and Feed(RASFF)-melding, zodat de Commissie en de lidstaten snel op de hoogtezijn en maatregelen kunnen nemen.De leden van de BBB-fractie merken op dat juist voor voorschriften dieaan de Europese buitengrens nauwelijks of niet kunnen worden gecontro-leerd, zoals het verbod op het gebruik van bepaalde hormonen tijdens deproductie of de naleving van dierenwelzijnseisen op bedrijven, goedtoezicht in het land van herkomst essentieel is. Deelt de Minister dezeopvatting? Hoe beoordeelt de Minister in dat licht de huidige systematiekvan audits in derde landen?Het toezicht door de Commissie in derde landen op basis van de OCR iseen essentieel onderdeel van de systematiek om te borgen dat voedings-middelen die in de EU worden geïmporteerd aan de gestelde eisenvoldoen. Audits in derde landen kunnen immers belangrijke tekortko-mingen aantonen, bijvoorbeeld op de door de leden van de BBBgenoemde onderdelen. De Commissie heeft een EU-taskforce importcon-troles opgericht, die voortkomt uit de Visie voor Landbouw en Voedselvan de Commissie. Deze taskforce heeft als doel de importcontrolesefficiënter te maken, met name gericht op residuen van pesticiden,voedsel- en diervoederveiligheid en dierenwelzijn, en mogelijke gecoördi-neerde EU-monitoringacties op specifieke geïmporteerde producten. In ditverband verhoogt de Commissie het aantal audits in derde landen dekomende twee jaar met 50%.De leden van de BBB-fractie wijzen in dit verband op de aanwezigheid vanhet in de EU verboden hormoon oestradiol-17β in rundvlees uit Brazilië enop de eerdere zorgen die onder meer door BBB Europa zijn geuit over deborging van de Braziliaanse controlesystemen (BBB Europa, 20 februari2026, « BBB luidt alarmklok over schandaal met Braziliaans hormoon-vlees» (https://bbb-europa.eu/bbb-luidt-alarmklok-over-schandaal-met-braziliaans-hormoonvlees/)). Deze leden vragen de Minister of hij, voorzover mogelijk, kan aangeven wanneer voorafgaand aan deze consta-tering de meest recente audit van de EC naar het Braziliaanse controle-systeem heeft plaatsgevonden. Hoeveel audits hebben in de twaalfmaanden voorafgaand aan de import van deze partij(en) plaatsgevondenen op welke productcategorieën hadden deze betrekking? Waren tijdensdie audits al tekortkomingen geconstateerd die relevant waren voor dezecasus?Van 27 mei tot 14 juni 2024 vond in Brazilië een audit plaats (DG SANTE2024–8087) met als doel de evaluatie van de implementatie van officiëlecontroles op residuen van farmacologisch werkzame stoffen, pesticidenen contaminanten in dieren en dierlijke producten, overeenkomstig deresidu controleplannen voor de betreffende diersoorten/producten. Uit deaudit kwamen tekortkomingen waar twee aanbevelingen op zijn gedaan.De eerste aanbeveling had betrekking op validatie van analytischemethoden. De tweede aanbeveling was om ervoor te zorgen datproducten afkomstig van runderen die voor therapeutische of zoötech-nische doeleinden met oestradiol-17β zijn behandeld, niet naar de EUworden uitgevoerd.Van 14 tot en met 31 oktober 2025 heeft een vervolgaudit (CT-2025–0241)plaatsgevonden. Het doel van de audit was om de effectiviteit teevalueren van de corrigerende maatregelen die zijn geïnitieerd ofuitgevoerd door de Braziliaanse centrale bevoegde autoriteit (Ministerievan Landbouw, Veeteelt en Voedselvoorziening, MAPA) naar aanleidingvan twee aanbevelingen in het auditrapport van 2024. De audit conclu-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182623 deerde dat de voorgestelde maatregelen met betrekking tot de prestatiesvan het laboratoriumnetwerk grotendeels effectief zijn uitgevoerd en datdie aanbeveling naar tevredenheid is opgevolgd. Wat betreft de aanbe-veling om ervoor te zorgen dat producten van runderen die zijn behandeldmet oestradiol 17β voor therapeutische of zoötechnische doeleinden nietnaar de EU worden geëxporteerd, was het actieplan niet uitgevoerd zoalsvoorgesteld. De Commissie heeft daarom op 12 mei van dit jaar aan delidstaten voorgesteld om de import van onder andere rundvlees uitBrazilië niet meer toe te staan per 3 september 2026. De lidstaten hebbeningestemd met dit voorstel.De leden van de BBB-fractie wijzen daarnaast op de Rapid Alert Systemfor Food and Feed (RASFF)-melding over pluimveevlees uit Brazilië waarinde NVWA tijdens een importcontrole salmonella heeft aangetroffen(Europese Commissie, 8 mei 2026 (https://webgate.ec.Europa.eu/rasff-window/screen/notification/842691)). Deze leden vragen de Minister of hij,voor zover mogelijk, kan aangeven wanneer voorafgaand aan dezeconstatering de meest recente audit van de EC naar het Braziliaanseofficiële controlesysteem voor pluimveevlees heeft plaatsgevonden.Hoeveel audits hebben in de twaalf maanden voorafgaand aan de importvan deze partij(en) plaatsgevonden en op welke onderdelen van hetcontrolesysteem of de productieketen hadden deze betrekking? Warentijdens die audits al tekortkomingen geconstateerd die relevant warenvoor deze casus? Kan de Minister voor beide bovengenoemde casusseninzichtelijk maken wat de auditgeschiedenis was voorafgaand aan dezeincidenten, waaronder de datum van de meest recente audit, de belang-rijkste bevindingen, eventuele geconstateerde tekortkomingen, deafgesproken corrigerende maatregelen, het moment waarop deze alsafdoende zijn beoordeeld en eventuele aanvullende controle- of handha-vingsmaatregelen? Acht de Minister het wenselijk dat dergelijke infor-matie bij ernstige voedselveiligheidsincidenten standaard inzichtelijkwordt gemaakt, zodat de effectiviteit van het Europese auditsysteem beterkan worden beoordeeld? Is de Minister van oordeel dat de huidigesystematiek voldoende waarborgen biedt dat derde landen blijvendvoldoen aan de Europese productievoorwaarden? Kan de Minister daarbijingaan op de wijze waarop wordt bepaald wanneer geconstateerdetekortkomingen aanleiding geven tot aanvullende maatregelen,verscherpt toezicht of (tijdelijke) opschorting van import?Ten aanzien van pluimveevlees vond van 15 april tot 3 mei 2024 een audit1plaats in Brazilië, gericht op de officiële controles door de Braziliaanseautoriteiten in relatie tot de export van pluimveevlees en eieren. Ditrapport is, evenals alle auditrapporten, en de reactie van de competenteautoriteiten van het derde land, te vinden op de website van DG SANTE2.De uitkomsten van alle audits worden openbaar gemaakt en waar nodigkan de Commissie een vervolgaudit uitvoeren. Ook kan de Commissiebesluiten om controles aan de buitengrenzen van de EU te intensiveren,bijvoorbeeld door frequenties van materiële controles op specifiekegoederen uit een specifiek land te verhogen. Ten slotte kan de Commissieeen voorstel doen om de import vanuit een land van de zogenaamde«derde-landenlijst» te schrappen, wat betekent dat specifieke productenuit een specifiek land niet meer naar de EU kunnen worden geëxporteerd.Een voorstel tot schrappen moet ter stemming aan de lidstaten wordenvoorgelegd. Zoals hiervoor is aangegeven, is dit laatste recent met Braziliëgebeurd.1https://ec.Europa.eu/food/audits-analysis/audit-report/details/48152https://ec.Europa.eu/food/audits-analysis/audit-reportTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182624 De leden van de BBB-fractie merken op dat de Minister van VWS in debeantwoording van voornoemde vragen tevens aangeeft dat de NVWArisicogestuurd werkt en niet alle importstromen kan controleren. Dezeleden zien hierin een extra argument voor robuust en transparant toezichtin de productielanden zelf. Deelt de Minister deze redenering? Is deMinister bereid tijdens de Landbouw- en Visserijraad een diversenpunt inte brengen over de borging van het toezicht op derde landen onderVerordening (EU) 2017/625? Is de Minister daarbij bereid de EC teverzoeken inzichtelijk te maken op welke wijze auditfrequenties enhandhavingsniveaus worden vastgesteld en te bezien of hiervoor meerobjectieve en transparante kaders kunnen worden ontwikkeld, bijvoor-beeld door het werken met toetsbare beoordelingscriteria, benchmarksvoor auditfrequenties en duidelijkere uitgangspunten voor vervolgmaatre-gelen wanneer structurele tekortkomingen worden geconstateerd? Kan deMinister tevens de vraag aan de EC voorleggen of dergelijke verbete-ringen binnen de huidige verordening kunnen worden gerealiseerd of dathiervoor aanpassing van Verordening (EU) 2017/625 noodzakelijk is?Zoals hiervoor is aangegeven, heeft de Commissie een EU-taskforceimportcontroles opgericht, die voortkomt uit de Visie voor Landbouw enVoedsel. Deze taskforce heeft als doel de importcontroles efficiënter temaken, met name gericht op residuen van pesticiden, voedsel- endiervoederveiligheid en dierenwelzijn, en mogelijke gecoördineerdeEU-monitoringacties op specifieke geïmporteerde producten. Verderworden de komende twee jaar de audits door de Commissie in derdelanden met 50% verhoogd. Het kabinet is van mening dat de Commissiehet toezicht in derde landen goed heeft georganiseerd en heeftvertrouwen in de aanpak van de Commissie in deze taskforce.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief Aanpakuitheemse rivierkreeften waarin de Staatssecretaris aangeeft te werkenaan regelgeving om het structureel mogelijk te maken voor water-schappen om uitheemse rivierkreeften te vangen met vistuigen waarvanwetenschappelijk is aangetoond dat deze geschikt zijn voor grootschaligevangst, zonder noemenswaardige bijvangst van andere soorten en op eenwijze die bovendien goed handhaafbaar is. In de brief wordt echteraangegeven dat deze regelgeving naar verwachting pas medio 2027 inwerking zal treden.De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat de Kamer inmiddelsmotie-Vermeer c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1816) heeft aangenomen,waarin de regering wordt verzocht het benodigde wetsvoorstel uiterlijk inhet vierde kwartaal van 2026 aan de Tweede Kamer aan te bieden. Kan deStaatssecretaris bevestigen dat deze aangenomen motie onverkort wordtuitgevoerd en dat alles op alles wordt gezet om het wetgevingstraject teversnellen, zodat het wetsvoorstel uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026aan de Kamer wordt aangeboden?De motie-Vermeer c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1816) zal onverkortworden uitgevoerd. De voorgenomen wijziging van de regelgeving betrefteen algemene maatregel van bestuur en zal zoals voornoemde motie-Vermeer verzoekt uiterlijk in het vierde kwartaal van 2026 aan de Kameraanhangig worden gemaakt. Waterschappen hoeven daarbij niet tewachten op deze wijziging van de regelgeving om te beginnen met hetwegvangen van uitheemse rivierkreeften. Het is voor waterschappennamelijk al mogelijk om op basis van een ontheffing uitheemse rivier-kreeften weg te vangen. Met deze ontheffingenaanvragen wordtruimhartig omgegaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182625 De leden van de BBB-fractie lezen dat verschillende lidstaten hebbenbenadrukt dat meer aandacht nodig is voor de impact van toenemendepopulaties predatoren, zoals aalscholvers en zeehonden, op het herstelvan visbestanden. Kan de Staatssecretaris aangeven voor welke visbe-standen of vispopulaties de toenemende aantallen zeehonden enaalscholvers volgens hem daadwerkelijk een probleem vormen? Kan hijdaarbij tevens aangeven op welke wetenschappelijke inzichten dezebeoordeling is gebaseerd?Uit eerder onderzoek is gebleken dat predatie door aalscholvers niet ofnauwelijks effect had op visbestanden in het IJsselmeergebied.3Onderzoek naar het effect van predatie door aalscholvers op visbestandenlaat de Staatssecretaris actualiseren. Er zijn geen aanwijzingen datpredatie door zeehonden effect heeft op visbestanden in Nederland.Daarnaast nemen de aantallen gewone zeehonden ook niet toe en is ersinds 2020 een lichte afname te zien.De leden van de BBB-fractie lezen dat Nederland voor de aanlandplichteen werkbaar alternatief wil maken en daarbij werkt aan een AI-systeemvoor automatische vangstregistratie. Kan de Staatssecretaris aangeven of,naast het Fully Documented Fisheries (FDF)-project, ook andere alterna-tieven voor de huidige aanlandplicht zijn onderzocht of momenteelworden uitgewerkt? Zo ja, welke alternatieven betreft dit en hoe wordendeze beoordeeld? Daarnaast vragen deze leden hoe de samenwerking metde visserijsector tot nu toe verloopt bij het ontwikkelen en beoordelen vanalternatieven voor de aanlandplicht. In hoeverre worden vissers en hunvertegenwoordigers actief betrokken bij dit traject en op welke wijzeworden hun praktijkervaringen meegenomen in de uiteindelijkevoorstellen?In de lopende discussie over de evaluatie van het GemeenschappelijkVisserijbeleid (GVB) is de herziening van de huidige aanlandplicht één vande speerpunten van de Staatssecretaris. Daarbij zet Nederland in op dedoorontwikkeling van het Fully Documented Fisheries (FDF) Project watals mogelijk alternatief voor de aanlandplicht kan dienen. Uit contactenmet andere lidstaten en de sector zijn tot op heden geen andere alterna-tieven in beeld gekomen. Daarmee zet Nederland momenteel alleen in opFDF. Om FDF een zo goed mogelijke kans van slagen te geven, vindt deStaatssecretaris het belangrijk dat de vissers en de sectorvertegenwoor-digers actief worden betrokken bij de doorontwikkeling. Om die reden isde sector onderdeel van het consortium dat het camerasysteem van FDFverder ontwikkelt en doet zij mee met de huidige prakrijkproeven op zee.Er doen op dit moment meerdere kotters mee met de praktijkproef. Verdervinden er regulier gesprekken plaats met vertegenwoordigers van desectororganisaties over een mogelijk alternatief op de aanlandplicht opbasis van FDF als ook ten algemene op de aanlandplicht. De sector wordthierbij actief om input gevraagd.De leden van de BBB-fractie vragen of bij de zoektocht naar alternatievenook nadrukkelijk wordt gekeken naar systemen en werkwijzen die inandere lidstaten worden toegepast. Worden bijvoorbeeld instrumentenzoals de Blue Box, of andere buitenlandse praktijkvoorbeelden die kunnenbijdragen aan een beter uitvoerbare en handhaafbare aanlandplicht,meegenomen in de verkenning? Zo nee, waarom niet?3Aalscholvers in het IJsselmeergebied: concurrent of graadmeter?: vogels, vissen en visserij induuraam evenwicht – Rijkswaterstaat Publicatie Platform & Variatie in vislengtes van de dooraalscholvers geconsumeerde snoekbaars en baars in het IJsselmeergebied – RijkswaterstaatPublicatie PlatformTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182626 Op dit moment is het de Staatssecretaris niet bekend dat andereEU-lidstaten concreet onderzoek doen naar systemen en werkwijzen alswerkbaar alternatief op de huidige aanlandplicht. Uitzondering hierop isDenemarken, dat samen met Nederland werkt aan de doorontwikkelingvan FDF. Zoals in het antwoord hierboven is aangegeven, is Nederlandgeïnteresseerd in een werkbaar alternatief op de aanlandplicht mede tenbehoeve van een betere uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. Als hetgaat om te komen tot een alternatief voor de aanlandplicht, gaat hetNederland niet zozeer om een instrument dat mogelijk de uitvoerbaarheiden handhaafbaarheid van de huidige aanlandplicht kan verbeteren.De leden van de BBB-fractie lezen dat het kabinet stelt dat Nederlandmomenteel niet voldoet aan de Goede Milieutoestand onder de Kader-richtlijn Mariene Strategie (KRM) en dat de staat van instandhouding vandiverse habitattypen en vogelsoorten op de Noordzee onvoldoende is.Kan de Staatssecretaris aangeven op welke wetenschappelijke rapportenen beoordelingsmethodieken deze conclusie is gebaseerd?De huidige toestand van het Nederlandse deel van de Noordzee wordtonder meer bepaald onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KRM). Op19 december 2025 is aan de Kamer de door het kabinet vastgesteldeactualisatie van de Mariene Strategie Deel 1 2024–2030 gestuurd(Kamerstuk 33 450, nr. 137). De Mariene Strategie deel 1 is het eerste deelvan de drie uit te brengen producten tijdens de derde implementatie-cyclus van de KRM. Dit deel beschrijft de huidige milieutoestand, de(gewenste) goede milieutoestand en de milieudoelen die zijn gesteld omde goede milieutoestand te behalen of te behouden. In de MarieneStrategie Deel 1 is toegelicht op welke wetenschappelijke rapporten enbeoordelingsmethodieken deze conclusie is gebaseerd.Ook is de Kamer in december 2025 geïnformeerd over de zesjaarlijksenationale rapportages voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn(VHR-rapportages). In de achtergrondrapporten bij de Nederlandserapportage4 wordt toegelicht op welke wetenschappelijke rapporten enbeoordelingsmethodieken deze rapportages zijn gebaseerd. Voor deHabitatrichtlijnrapportage over habitattypen en Habitatrichtlijnsoortenkomen de achtergrondrapporten in de loop van 2026 beschikbaar. Voor deVogelrichtlijnrapportage staat dit in Goutbeek et al. 20255. Naast deVogelrichtlijnrapportage heeft SOVON de staat van instandhouding vanveel vogelsoorten beoordeeld. Dit staat beschreven in Vogel et al. 20216.Kan de Staatssecretaris tevens aangeven of in deze rapportages gebruikwordt gemaakt van theoretische of historische referentiewaarden, zoalsde referentiewaarden die worden gehanteerd binnen de BenthischeIndicator Soorten Index (BISI)-methodiek? Zo ja, welke rol spelen dezereferentiewaarden bij de conclusie dat de natuur zich niet in een goedestaat van instandhouding bevindt?Zoals noodzakelijk is bij toepassing van elke indicator, zijn ook bij deindicatoren die gebruikt zijn om de Goede milieutoestand en de landelijkestaat van instandhouding te bepalen, referentiewaarden gebruikt.Referentiewaarden, die terug te vinden zijn in de hierboven beschrevendocumenten, worden gebruikt om de huidige (milieu)toestand van4Rapportage Vogel- en Habitatrichtlijn | natura 20005Vogelrichtlijnrapportage 2019- 2024 van Nederland status en trends van soorten | SovonVogelonderzoek6Vogel R., Foppen R, van den Bremer L., van Turnhout C.A.M & van Roomen M. 2021. Methodiekvoor de bepaling van de staat van instandhouding van vogels. Sovon-rapport 2021/26. SovonVogelonderzoek Nederland, NijmegenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182627 onderzochte habitattypen en soorten aan te spiegelen en dus om tebepalen of deze zich in een gunstige staat van instandhouding of Goedemilieutoestand bevinden.Wat betreft de BISI-methodiek en de staat van instandhouding is daarbijniet de historisch of theoretisch hoogst mogelijke waarde als drempelgebruikt. Bij de Habitatrichtlijnrapportage is de BISIS&F-waarde van 0,5(dus de helft van het maximum op de BISI schaal) als drempelwaardegebruikt als indicatie voor een goede structuur en functie (de BISI-schaalvoor structuur en functie loopt van 0 tot maximaal 1). Het gebruik van deBISI-methodiek bij de Habitatrichtlijnrapportage is gebaseerd op weten-schappelijk advies van Wageningen University & Research7 en is te lezenin het rapport «Indicatoren en maatlatten voor de beoordeling vanstructuur en functie van mariene habitattypen voor Natura 2000». Uit deHabitatrichtlijnrapportage blijkt tevens dat een aanzienlijk deel van dehabitattypen boven die waarde scoort, wat laat zien dat deze nietonhaalbaar is.Voor de soorten en habitattypen van de Habitatrichtlijn zijn de gunstigereferentiewaarden voor verspreiding, oppervlakte en populatie ontwikkeldgebruik makend van de Europees geharmoniseerde methodiek. Onderdeeldaarvan is dat minimaal het voorkomen ten tijde van de inwerkingtredingvan de Habitatrichtlijn (voor Nederland: 1994) behouden moet blijven.Voorts wijzen de leden van de BBB-fractie op de aangenomen motie-Grinwis c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1822), waarin de regering wordtverzocht om bij het vaststellen van referentiewaarden voor natuur op zeeuit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten en daarbijexpliciet rekening te houden met veranderende ecologische omstandig-heden. Op welke wijze geeft de Staatssecretaris uitvoering aan dezemotie?De motie van het lid Grinwis c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1822) verzoektde regering bij het vaststellen van referentiewaarden voor natuur op zeeuit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten, en daarbijexpliciet rekening te houden met veranderende ecologische omstandig-heden.Om deze motie uit te voeren zal allereerst een inventarisatie gemaaktmoeten worden bij welke verschillende methoden referentiewaarden voornatuur op zee worden gebruikt. Bij deze inventarisatie zal ook deBISI-methode worden meegenomen. Daarna zal, voor alle geïnventari-seerde methoden, bekeken moeten worden of daarbij van wetenschap-pelijk onderbouwde inzichten wordt uitgegaan en, zo ja, of daarbijexpliciet rekening wordt gehouden met veranderende ecologischeomstandigheden. Daarna zal pas kunnen worden overwogen of hetvaststellen van referentiewaarden zal moeten worden herzien. De Ministerzal de kamer hierover informeren.Is de Staatssecretaris, mede gelet op de aanhoudende wetenschappelijkediscussie over de gehanteerde referentiewaarden en de verstrekkendegevolgen die deze beoordelingen kunnen hebben voor de visserij en hetmedegebruik van de Noordzee, bereid een onafhankelijke wetenschappe-lijke review te laten uitvoeren van de gehanteerde beoordelingsmethodieken referentiewaarden? Zo nee, waarom niet?Naar aanleiding van de discussie over de in de BISI-methodiek gehan-teerde referentiewaarden tijdens het Commissiedebat Visserij en7https://edepot.wur.nl/660895Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182628 Landbouw- en Visserijraad van 16 juni jl. heeft het Ministerie van LVVNWageningen Marine Research (WMR) gevraagd om nader inzicht te gevenin deze toepassing van referentiewaarden, ook in het licht van de kritiekhierop van emeritus hoogleraar Jaap van der Meer. Daarbij is WMRgevraagd hierbij ook wetenschappers van buiten WMR te betrekken.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de beant-woording van de feitelijke vragen over de ontwerpbegroting 2026. Daaruitblijkt dat een incidentele subsidie van circa 18 miljoen euro wordtuitgewerkt voor diverse rifherstelprojecten, waarvan het overgrote deel isgericht op oesterherstel. Deze leden hebben vernomen dat momenteeleen review zou worden uitgevoerd naar de onderbouwing van deoesterherstelprojecten, omdat deze mede zouden zijn gebaseerd optheoretische referentiewaarden die niet wetenschappelijk zijn gevalideerd.Klopt het dat een dergelijke review plaatsvindt? Zo ja, is de Staatssecre-taris bereid de uitkomsten van deze review, inclusief de wetenschappelijkeonderbouwing en eventuele beleidsconclusies, na afronding met deKamer te delen voordat verdere middelen voor oesterherstelprojectenworden ingezet?De uitvoering van het rifherstelproject in de Noordzee op het Friese Frontis een invulling van de afspraken van het Noordzeeakkoord metbetrekking tot oesterrifherstelprojecten. Het rifherstelXL-project heeft eensubsidie ontvangen vanuit het programma Natuurversterking Noordzee.Er vinden momenteel geen reviews plaats naar de onderbouwing van ditproject.In het kader van de nieuwe Natuurherstelverordening, waarin doelstel-lingen zijn opgenomen onder andere voor herstel van schelpdierriffen,wordt in algemene zin vervolgonderzoek gedaan naar gunstige referentie-oppervlakten en kwaliteitseisen. Dit onderzoek heeft echter geenbetrekking op het rifherstelproject op het Friese Front.De leden van de BBB-fractie constateren dat de beoordeling van deecologische toestand van het bodemdierenleven in de Noordzeekustzone,zoals opgenomen in het rapport Staat van de Noordzee, in belangrijkemate is gebaseerd op de BISI-methodiek en de daarbij gehanteerdereferentiewaarden. Juist over deze referentiewaarden bestaat inmiddelsbrede wetenschappelijke discussie, omdat deze veelal zijn gebaseerd ophistorische maximumwaarden en onvoldoende rekening zouden houdenmet veranderende ecologische omstandigheden, zoals klimaatveran-dering en de komst van invasieve soorten. Kan de Staatssecretarisbevestigen dat de conclusie dat het bodemdierenleven in de Noordzee-kustzone zich in een ongunstige staat bevindt grotendeels is gebaseerd opde uitkomsten van de BISI-methodiek?De Noordzeekustzone is een Habitatrichtlijngebied en maakt deel uit vanhet Europese Natura 2000-netwerk van beschermde gebieden. Bij hetbepalen van de huidige landelijke Staat van Instandhouding van de ook inde Noordzeekustzone voorkomende marine habitattypen, vallend onderbijlage I van de Habitatrichtlijn, is voor het bepalen van een van de vierparameters, namelijk structuur en functie, gebruik gemaakt van deBISI-methodiek. De toepassing van de BISI-methodiek in de recenteHabitatrichtlijnrapportage is hierboven toegelicht.Hierover is de Kamer ook geïnformeerd bij de beantwoording van vragenvan het lid Van der Plas over het rapport «Ontwikkeling van de bodemdier-gemeenschap in de geulen van referentiegebied Rottum» (2025Z22312).Hierin wordt aangegeven dat de landelijke staat van instandhouding vanhabitattypen wordt beoordeeld op basis van 4 parameters (verspreidings-gebied, oppervlakte, structuur en functie inclusief typische soorten,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182629 toekomstperspectief). Voor het bepalen van de parameter structuur enfunctie wordt daarbij, voor alle mariene habitattypen gebruik gemaakt vande BISI. Er is een maatlat ontwikkeld waarmee aan de hand van de BISIeen score kan worden gegenereerd voor structuur en functie van marienehabitattypen (Escaravage et al., 2024). Deze score is gebruikt om samenmet de scores van de 3 andere hierboven genoemde parameters delandelijke staat van instandhouding te beoordelen. De BISI-score is daarindus niet doorslaggevend maar slechts één van de gebruikte parameters.De leden van de BBB-fractie wijzen op de aangenomen motie-Grinwis c.s.(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1822), waarin de regering wordt verzocht om bijhet vaststellen van referentiewaarden voor natuur op zee uit te gaan vanwetenschappelijk onderbouwde inzichten en daarbij expliciet rekening tehouden met veranderende ecologische omstandigheden. Betekent dezemotie dat ook de in het rapport Staat van de Noordzee gebruikteBISI-methodiek en de daarin gehanteerde referentiewaarden onafhankelijkzullen worden beoordeeld en, indien nodig, herzien voordat deze noglanger worden gebruikt als basis voor beleid, beheerplannen en besluitendie gevolgen hebben voor visserij en ander medegebruik? Kan deStaatssecretaris de Kamer hierover informeren?De motie van het lid Grinwis c.s. (Kamerstuk 21 501–32, nr. 1822) verzoektde regering bij het vaststellen van referentiewaarden voor natuur op zeeuit te gaan van wetenschappelijk onderbouwde inzichten, en daarbijexpliciet rekening te houden met veranderende ecologische omstandig-heden.Om de motie uit te voeren zal het Ministerie van LVVN allereerst eeninventarisatie moeten maken bij welke verschillende methoden referentie-waarden voor natuur op zee worden gebruikt. Bij deze inventarisatie zalook de BISI-methode worden meegenomen. Daarnaast zal, voor allegeïnventariseerde methoden, bekeken moeten worden of daarbij vanwetenschappelijk onderbouwde inzichten wordt uitgegaan en, zo ja, ofdaarbij expliciet rekening wordt gehouden met veranderende ecologischeomstandigheden. Daarna zal pas kunnen worden overwogen of hetvaststellen van referentiewaarden zal moeten worden herzien. De Kamerzal hierover worden geïnformeerd.De leden van de BBB-fractie constateren dat uit de reflectie van deWaddenacademie blijkt dat de beoordeling van de toestand vanvissoorten op basis van maximale referentiewaarden aanzienlijk lageruitvalt dan een beoordeling op basis van gemiddelde referentiewaarden.Waar een beoordeling op basis van gemiddelden uitkomt op een matigeecologische toestand, leidt dezelfde beoordeling op basis van maxima tothet oordeel «slecht».De BBB-fractie constateert daarnaast dat voor de beoordeling van debodemdiergemeenschap via de BISI een vergelijkbare systematiek wordttoegepast, waarbij eveneens wordt uitgegaan van maximale referentie-waarden. Tijdens de deskundigensessie heeft de heer Sander Wijnhovenbovendien tweemaal expliciet verklaard dat de BISI-methodiek conser-vatief is ten opzichte van andere beoordelingsmethoden, hetgeenbetekent dat deze systematisch tot lagere scores leidt. Ook in deel I van deMariene Strategie wordt beschreven dat de BISI-methodiek strenger isdan andere beoordelingssystemen.De leden van de BBB-fractie constateren daarom dat inmiddels uitmeerdere bronnen blijkt dat de gehanteerde BISI-methodiek inherent leidttot relatief lage ecologische beoordelingen en daarmee potentieel eenzwaarder beeld van de natuurkwaliteit schetst dan andere gangbarebeoordelingsmethoden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182630 De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaatzorgen dat vissers enthousiast blijven om deel te nemen aan hetsuccesvolle programma Fishing for Litter, nu vanuit de sector signalenkomen dat het enthousiasme afneemt door de steeds verder krimpendevloot en de toenemende druk op de visserij. Welke concrete maatregelenis hij bereid hiervoor te nemen? Tijdens het symposium Fishing for Litteris aangegeven dat in zeereservaten nog steeds door buitenlandse schepenwordt gevaren en dat daar regelmatig afval zou worden gedumpt, terwijldeze gebieden voor Nederlandse vissers vaak niet toegankelijk zijn. Is deStaatssecretaris bekend met deze signalen?De Staatssecretaris waardeert de gezamenlijke inspanning van devisserijsector en betrokken organisaties bij het terugdringen van zwerf-afval in het mariene milieu. Het Fishing for Litter-project levert hieraan eenconcrete bijdrage, in lijn met de milieudoelen van de KMS 2024–2030. Omde continuïteit van het project te waarborgen, wordt het project wederomopgenomen in het volgende KRM-Programma van Maatregelen (2028–2033). Onder het huidige KRM-Programma van Maatregelen (2022–2027)wordt het Fishing for Litter-project grotendeels gefinancierd door hetEuropees Fonds voor Maritieme Zaken, Visserij en Aquacultuur (EMFAF).In nauwe samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat, zet de Staatssecretaris zich in om subsidiëring ook in detoekomst mogelijk te houden, zodat het succesvolle initiatief en hetenthousiasme van betrokken partijen behouden blijven.De Staatssecretaris herkent de signalen over afvaldumpingen doorbuitenlandse schepen in zeereservaten niet.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het bericht vanVisNed over de problemen rondom de technische maatregelen voor deinktvisvisserij en hebben hierover de volgende vragen. Kan de Staatsse-cretaris bevestigen dat de huidige problemen rondom de technischemaatregelen voor de inktvisvisserij zijn ontstaan door een onbedoeldeomissie in de regelgeving en niet het gevolg zijn van een beleidsmatigekeuze? Welke acties onderneemt de Staatssecretaris om deze fout zospoedig mogelijk te herstellen, zodat vissers niet onnodig wordenbelemmerd? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat vissers, zolang dezeomissie in de regelgeving nog niet is hersteld, niet worden geconfron-teerd met handhaving of andere nadelige gevolgen als gevolg van dezejuridisch-technische fout? Kan de Staatssecretaris tevens aangeven welkeconcrete stappen inmiddels zijn gezet om de omissie zowel nationaal alsEuropees te herstellen, waaronder het opnieuw opnemen van debetreffende bepaling in artikel 86 van de Uitvoeringsregeling Zeevisserijen het verzoek aan de EC om in de Verordening Technische Maatregeleneen voetnoot op te nemen waarin wordt verduidelijkt dat de verplichtingvoor een paneel met vierkante mazen niet van toepassing is op degerichte visserij op inktvis? Kan de Staatssecretaris toezeggen de Kamerhierover uiterlijk in het najaar van 2026 te informeren en zich ervoor in tespannen dat deze aanpassingen dan zijn gerealiseerd?Ter verduurzaming van de inktvisvisserij is in het najaar van 2025, medeop verzoek van Nederland, Europese wetgeving in werking getredenwaarmee de maaswijdte voor de gerichte visserij op inktvis in deNoordzee en Noordwestelijke Wateren is verhoogd van 40mm naar80mm. Bij de totstandkoming van deze wijziging is destijds niet voorziendat met een verhoging naar een maaswijdte van 80mm op de Noordzeeóók separate wetgeving van toepassing zou worden die een paneel metvierkante mazen verplicht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182631 Omdat de Staatssecretaris van mening is dat deze samenloop vanregelgeving onwenselijk is, wordt op dit moment de mogelijkhedenonderzocht om zowel de Europese wetgeving als de Nederlandsewetgeving op dit onderdeel aan te passen. De Staatssecretaris zal deKamer na de zomer, voorafgaand aan de start van het inktvisseizoen,nader informeren.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van berichtgevingdat de Britse tak van Greenpeace opnieuw voornemens is stenen tedumpen in Engelse wateren om vissers uit beschermde zeegebieden teweren. Volgens de berichtgeving kunnen dergelijke acties opnieuw risico’sopleveren voor de veiligheid van de scheepvaart en de visserij. Kan deStaatssecretaris aangeven of hij bekend is met deze voorgenomen actievan Greenpeace in Britse wateren? Heeft de Staatssecretaris hieroverinmiddels contact gehad of is hij bereid op korte termijn contact op tenemen met zijn Britse ambtsgenoot om zijn zorgen over deze voorge-nomen actie kenbaar te maken en erop aan te dringen dat dergelijkesteenstortacties worden voorkomen? Deelt de Staatssecretaris deopvatting dat het opzettelijk dumpen van grote stenen op visgronden eengevaar kan vormen voor Nederlandse vissersschepen, de veiligheid opzee en schade kan veroorzaken aan vistuigen? Zo ja, welke stappen is hijbereid te ondernemen om de belangen en veiligheid van Nederlandsevissers te beschermen?De Staatssecretaris deelt de opvatting dat het opzettelijk dumpen vangrote stenen een gevaar kan vormen voor Nederlandse vissersschepen,de veiligheid op zee en het veroorzaken van schade aan vistuigen. DeStaatssecretaris is niet bekend met een mogelijke actie van de Britse takvan Greenpeace in Engelse wateren en zal hier nu geen actie op onder-nemen. Bij het Verenigd Koninkrijk zal worden nagegaan of hieroversignalen bekend zijn.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de berichtgevingover de plotselinge sluiting van belangrijke Deense garnalenvisgebiedenin de Waddenzee vanwege oude regelgeving rondom niet-ontploftemunitie uit de Tweede Wereldoorlog. Uit de berichtgeving blijkt dat dezemaatregel grote gevolgen heeft voor de garnalenvisserij in het gebied. Isde Staatssecretaris bekend met deze ontwikkelingen en is hij ervan op dehoogte dat ook Nederlandse garnalenvissers die in deze gebieden vissengrote zorgen hebben over de gevolgen van deze sluitingen voor hunbedrijfsvoering? Is de Staatssecretaris bereid hierover op korte termijn inoverleg te treden met zijn Deense ambtsgenoot om de gevolgen voor deNederlandse garnalenvisserij te bespreken en te bezien of tot eenwerkbare oplossing kan worden gekomen? Kan de Staatssecretaris deKamer vervolgens informeren over de uitkomsten van dit overleg?De Staatssecretaris is niet bekend met deze ontwikkelingen. In principevissen de Nederlandse garnalenvissers niet in de Deense Waddenzee. DeStaatssecretaris zal met de belangenorganisaties van de vissersafstemmen of deze maatregel hen raakt. Mocht dit het geval zijn dan zalbezien worden of vervolgstappen nodig zijn.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de voorge-nomen gebiedssluitingen in de Duitse Noordzeekustzone. Uit de gepubli-ceerde kaart blijkt dat onder meer een groot gebied in de Oostereems eneen gebied nabij het Rifgat worden voorgesteld als visserijvrije zones.Juist deze gebieden zijn van groot belang voor Nederlandse vissers,waardoor de Nederlandse sector opnieuw onevenredig hard wordtgeraakt. Kan de Staatssecretaris aangeven of hij bekend is met dezevoorgenomen gebiedssluitingen in de Duitse Noordzeekustzone en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182632 mogelijke gevolgen daarvan voor de Nederlandse visserij, in het bijzondervoor de garnalenvisserij die afhankelijk is van de visgronden in deOostereems en rond het Rifgat? Is de Staatssecretaris bereid hierover opkorte termijn in gesprek te gaan met zijn Duitse ambtsgenoot om dezorgen van de Nederlandse visserij onder de aandacht te brengen en tevoorkomen dat Nederlandse vissers opnieuw onevenredig wordengetroffen door buitenlandse gebiedssluitingen? Is de Staatssecretarisdaarnaast bereid zich ervoor in te zetten dat vertegenwoordigers van deNederlandse visserijsector actief worden betrokken bij de verderegesprekken en uitwerking van deze voorgenomen gebiedssluitingen,zodat ook de belangen en praktijkkennis van Nederlandse vissers wordenmeegewogen voordat definitieve besluiten worden genomen?De Staatssecretaris heeft vernomen dat er voornemens voor gebiedsslui-tingen in de Duitse Noordzeekustzone zijn en dat deze nog verder zullenworden besproken. De Staatssecretaris vertrouwt erop dat Nederlandhierin wordt meegenomen in de daarvoor relevante Europese gremia enhecht er belang aan dat de eventuele gevolgen van een voorgenomengebiedssluiting voor de Nederlandse visserij goed in kaart wordengebracht. De Staatssecretaris zal zich hier ook voor inzetten. Indien hetdaarbij nodig blijkt om specifieke zorgen bij Duitsland onder de aandachtte brengen, zal de Staatssecretaris hiertoe bereid zijn.De leden van de BBB-fractie ontvangen nog altijd signalen uit devisserijsector dat de invoering van het digitale CATCH-systeem voorvangstcertificaten in de praktijk nog niet naar behoren functioneert.Hoewel het systeem is bedoeld om de controle op illegale, ongemelde enongereguleerde visserij te verbeteren, ervaren ondernemers nog steedstechnische en administratieve knelpunten die tot vertragingen en extralasten leiden. Ook in andere lidstaten zijn vergelijkbare problemengemeld. Kan de Staatssecretaris deze signalen actief onder de aandachtbrengen van de EC en zich inzetten voor een snelle oplossing van deknelpunten in het CATCH-systeem? Is de Staatssecretaris daarnaast bereidom hierover nauw in gesprek te blijven met de Nederlandse visserijsectoren de NVWA te verzoeken gedurende de overgangsfase coulant om tegaan met de handhaving, wanneer sprake is van aantoonbare technischeof systeemgerelateerde problemen en niet van opzettelijke overtredingen?Per 10 januari 2026 is het verplicht om de vereiste vangstdocumentenvoor de import en export van visserijproducten van en naar derde landenmiddels het CATCH-systeem in te dienen bij de Nederlandse Voedsel enWarenautoriteit (NVWA). Hoewel de afgelopen maanden veel voortgang isgeboekt bij de implementatie van de verplichtingen en de (door)ontwik-keling van het ICT-systeem, herkent de Staatssecretaris deels de signalenover resterende technische en administratieve knelpunten. De afgelopenmaanden heeft de Staatssecretaris met name de technische knelpuntenactief onder de aandacht gebracht van de Commissie, onder andere doorhet steunen of medeondertekenen van meerdere diversenpunten op deRaad en in technische werkgroepen door de NVWA (Kamerstukken 21501–32, nr. 1775 en Kamerstuk 21 501–32, nr. 1825). Deze aanpak zal dekomende tijd worden voortgezet in samenwerking met andere lidstaten enin nauw contact met de visserijsector.Tegelijkertijd heeft de NVWA de afgelopen maanden intensief samenge-werkt met de sector om de overgang naar CATCH zo goed mogelijk tebegeleiden. Er is ondersteuning geboden bij de implementatie en waartechnische knelpunten zich voordeden is actief gezocht naar werkbareoplossingen binnen de geldende regelgeving. Mede hierdoor zijn dedoorlooptijden voor de afhandeling van vangstdocumenten inmiddelsgoed beheersbaar. Zoals eerder aan de Kamer aangegeven wordt er in deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182633 overgangsperiode pragmatisch omgegaan met de handhaving(Kamerstuk 21 501–32, nr. 1814).De leden van de BBB-fractie ontvangen steeds meer signalen uit devisserijsector over ernstige knelpunten bij de NVWA. Zo zou de NVWAmomenteel geen inspecteurs meer naar het buitenland sturen omNederlandse vissersschepen onder Nederlandse vlag te keuren, waardooronder meer een schip uit de pelagische sector in de problemen komt.Daarnaast ontbreken volgens de sector de benodigde rapportagetem-plates, waardoor Nederland zelf niet aan bepaalde internationalerapportageverplichtingen kan voldoen. Kan de Staatssecretaris aangevenof hij deze signalen herkent, wat hiervan de oorzaak is en welke maatre-gelen hij op korte termijn neemt om ervoor te zorgen dat inspecties,certificeringen en rapportages weer tijdig en goed kunnen plaatsvinden?De Staatssecretaris herkent deze signalen in het kader van visserijregel-geving niet, maar staat altijd open om dergelijke concrete vraagstukkenvanuit de visserijorganisaties te ontvangen. De inzet van de Staatssecre-taris is er altijd op gericht dat Nederland aan haar Europese verplichtingenwat betreft inspecties, certificering en rapportages kan voldoen.De leden van de BBB-fractie ontvangen signalen dat ondernemers diewillen investeren in innovatieve vormen van aquacultuur op zee nog altijdtegen onnodige belemmeringen aanlopen. Zo wordt aangegeven datRijkswaterstaat en het Ministerie van LVVN aanvullende obstakelsopwerpen, onder meer doordat verankerde aquacultuursystemen als eeninstallatie worden aangemerkt. Hierdoor zou een verplichting gelden omonderzoek te doen naar niet-gesprongen explosieven (UXO), terwijlbinnen windparken de locaties voorafgaand aan de aanleg al volledig opUXO worden onderzocht en gecontroleerd. Betrokken partijen gevenbovendien aan hierover geen schriftelijke bevestiging of duidelijkeonderbouwing te kunnen krijgen. Kan de Staatssecretaris hierop reageren,aangeven waarom hierover geen helder schriftelijk standpunt wordtverstrekt en bezien of deze verplichting proportioneel is wanneer debetreffende locaties reeds vooraf volledig op UXO zijn gecontroleerd?Het Ministerie van LVVN gaat niet over niet-gesprongen explosieven(UXO). Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat is verantwoorde-lijkheid voor het ruimtelijk beleid op de Noordzee.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 182634
Versie 982b37e618ac340bab709161866759aeb0a678f9f5cf44d476c5e507fb47e4d4 · Officiële bron.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.