Gewasbeschermingsmiddelen
Gewasbeschermingsmiddelen (ongecorrigeerd)
Kamerstuk · 11 jun 2026 · Tweede Kamer
Tweede Kamer, Gewasbeschermingsmiddelen VERSLAG VAN EEN NOTAOVERLEG Concept De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 11 juni 2026 overleg gevoerd met de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, over: de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 13 mei 2025 inzake gewasbescherming: stand van zaken moties en toezeggingen van waterkwaliteit gerelateerde onderwerpen (27858, nr. 712); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 15 mei 2025 inzake lijst met actuele gewasbeschermingsknelpunten (27858, nr. 713); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 26 juni 2025 inzake voorlopige appreciatie Ctgb inzake glyfosaatstudie (27858, nr. 715); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 4 juli 2025 inzake monitoringsrapportage Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 (UP), lijst gewasbeschermingsknelpunten en verbeteren toelatingsbeleid (27858, nr. 717); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 29 september 2025 inzake reactie op verzoek commissie over brief Oproep mede namens artsencollectief en Gifvrij Westerveld tot directe bescherming van de volksgezondheid en inzet op handhaving bij gebruik bestrijdingsmiddelen en sierteelt (27858, nr. 731); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 2 oktober 2025 inzake stand van zaken SPARK-project (27858, nr. 733); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 2 oktober 2025 inzake stand van zaken moties inzake gewasbeschermingsmiddelen (27858, nr. 734); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 19 november 2025 inzake reactie op verzoek commissie inzake het onderzoek van WUR en RIVM over een afwegingskader ter onderbouwing van spuitvrije zones (27858, nr. 735); de brief van staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 10 december 2025 inzake reactie op verzoek commissie over de petitie Bescherm onze gezondheid en natuur met minder bestrijdingsmiddelen (27858, nr. 738); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 11 december 2025 inzake kabinetsreactie op RIVM-rapport over kruisresistentie risico's in schimmelziekteverwekkers (32793, nr. 875); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 19 januari 2026 inzake SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen januari 2026 (27858, nr. 739); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 21 januari 2026 inzake onderzoek BuRo naar risico's van geïmporteerde rozen uit niet-EU landen voor mens en milieu (27858, nr. 740); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 28 januari 2026 inzake uitkomsten en vervolgstappen naar aanleiding van de evaluatie van de Wet gewasbescherming en biociden (35756, nr. 29); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 4 februari 2026 inzake stand van zaken en voortgang gewasbeschermingsbeleid (27858, nr. 741); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 10 februari 2026 inzake uitvoering van de gewijzigde motie van de leden Podt en Bromet over bij de Europese Commissie pleiten voor voorstellen die de toelating van laagrisicomiddelen bevorderen (Kamerstuk 21501-32-1744) (27858, nr. 742); de brief van de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 13 februari 2026 inzake begeleidende brief bij rapport "Pesticiden in terrestrische Natura 2000-gebieden" van Wageningen Research (27858, nr. 743); de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 17 april 2026 inzake proces convenant gewasbeschermingsmiddelen (27858, nr. 745); de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 15 mei 2026 inzake voortgangsrapportage SPARK project 2026-1 (27858, nr. 749); de brief van de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 9 juni 2026 inzake Omnibusvoorstel Food and Feed (22112, nr. 4371). Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit. De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Steen De voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, Huizenga De voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, Bromet De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Mohandis De griffier van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Jansma Voorzitter: Goudzwaard Griffier: Bosman Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bromet, Flach, Goudzwaard, Den Hollander, Chris Jansen, Kostić, Lohman, Podt en Vermeer, en de heer Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Aanvang 10.01 uur. De voorzitter: Goedemorgen, allemaal. Hierbij open ik de vergadering van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur. Aan de orde is het notaoverleg Gewasbeschermingsmiddelen. Ik heet de staatssecretaris van LVVN en zijn ondersteuning welkom. Ook heet ik natuurlijk de leden van de Kamer, de mensen op de publieke tribune en degenen die de livestream volgen welkom. Voor wij zo beginnen, wil ik de leden graag op een aantal zaken wijzen. Iedere fractie heeft in de eerste termijn 4 minuten en in de tweede termijn 1 minuut en 20 seconden spreektijd. In de tweede termijn kunt u straks moties indienen. Er vindt daarom ook geen verdere plenaire afronding van dit debat plaats, zoals een tweeminutendebat. Over de ingediende moties zal vandaag nog worden gestemd. Gezien er vandaag nog gestemd moet worden en gezien er veel sprekers zijn, al is dat nog enigszins te overzien, wil ik voorstellen om het aantal interrupties enigszins te beperken. Normaliter hanteren we binnen deze commissie de 30 secondenregel, maar het voorstel is om in de eerste termijn maximaal vier interrupties te doen. Ik kijk even naar de leden. Als dat akkoord is, zou ik graag van start gaan. Mevrouw Bromet (PRO): Ik vind het voor de eerste termijn prima, maar voor de tweede termijn zou ik gewoon willen vasthouden aan het regime dat wij onder de 30 seconden onbeperkt kunnen interrumperen. Zo kunnen we het kabinet goed ondervragen. Mevrouw Podt (D66): De voorzitter kijkt naar mij, maar mijn punt ging niet hierover. De voorzitter: Staat genoteerd, mevrouw Bromet. Laten we even kijken hoe we in de tijd lopen. We proberen om uw voorstel na te leven. Mevrouw Podt, heeft u nog een opmerking? Mevrouw Podt (D66): Ja, voorzitter. Ik moet eerlijk zeggen dat ik door alle verplaatsingen de draad een klein beetje kwijt ben geraakt. Kunt u me helpen met hoe laat we ongeveer stemmen vandaag? De voorzitter: Dat is voorzien rond de klok van vier uur. Kamerlid Kostić (PvdD): Misschien is het goed om de mensen op de tribune en de mensen die thuis kijken een beetje uit te leggen waarom we hier zo zitten. We zouden normaal gesproken een commissiedebat over bestrijdingsmiddelen hebben. We gaan het nu eigenlijk toch hebben over het Omnibusvoorstel. Ik hoor enkele collega's protesteren, maar het is goed om dat even uit te leggen, want we hebben opeens een ander soort debat. Het is goed om te weten wat daaraan voorafging. Kort gezegd, we worden eigenlijk gedwongen door Brussel om dit debat te voeren. De voorzitter: Dat zijn uw woorden. Prima dat u dat wilde delen. Wij hebben onze agenda. We kunnen volgens mij nu gewoon van start gaan. Ik wil graag het lid Kostić hierbij het woord geven. Kamerlid Kostić (PvdD): Dank u wel, voorzitter. De vorige keer nam ik voor de staatssecretaris een biologische appel mee, nu een potje paprikapoeder met, gratis, achttien soorten landbouwgif, zo bleek uit onderzoek. We zouden het vandaag namelijk hebben over hoe we de gezondheid van mens, dier en milieu beter kunnen beschermen tegen dit soort stoffen. We worden echter voor de zoveelste keer overrompeld door Brussel, dat in een sneltreinvaart regelgeving over pesticiden dreigt af te schaffen. Deze plannen worden verhullend de "Food & Feed Safety Omnibus" genoemd. In mei debatteerden we al over deze plannen. De Kamer zei: deze plannen zijn broddelwerk. Maar onder leiding van Cyprus is Brussel nu echt op ramkoers. Deze week hoorden we opeens dat Cyprus, tegen afspraken in, aanstaande vrijdag al het definitieve standpunt van de lidstaten wil vaststellen. Cyprus schoffeert hiermee het Nederlandse parlement. Het ergste is dat de staatssecretaris dit laat gebeuren. De Kamer heeft met een breed gesteunde motie van onder andere Partij voor de Dieren, PRO en D66 een duidelijke ondergrens vastgesteld: het Omnibusvoorstel mag niet leiden tot de verslechtering van de bescherming van mens, dier en milieu, anders mag het kabinet niet instemmen. Het Ctgb en wetenschappers concluderen nu dat die minimale eis van de Kamer niet wordt gehaald. Toch gaat de staatssecretaris voor verslechtering stemmen, met een slappe stemverklaring. Hij betrekt er van alles bij, maar dit is het enige wat relevant blijft. Nederlandse burgers wordt nu met ongekende spoed grote veranderingen door de neus geboord. Ze leiden niet eens tot behoud van het huidige niveau van bescherming. Dit is niet uit te leggen aan de Nederlanders. Dit zouden we van links tot rechts niet moeten accepteren. Meerdere organisaties hebben de Kamer opgeroepen hiermee niet akkoord te gaan, waaronder de Parkinsonalliantie Nederland. Er zijn landen die zich aan het organiseren zijn om niet in te stemmen met het huidige voorstel. Dan vraag ik de staatssecretaris: bent u bereid om met die landen op te trekken en op dit moment niet in te stemmen met het compromisvoorstel zolang niet wordt voldaan aan de ondergrens van de Kamer? Wil hij zich inzetten voor meer tijd en voor een zorgvuldig proces, waarin nationale parlementen daadwerkelijk hun rol kunnen vervullen? De staatssecretaris is bang voor gezichtsverlies in Europa als we niet akkoord gaan, maar dat is echt de wereld op zijn kop. Het is Brussel, onder leiding van Cyprus, dat zich diep moet schamen voor het broddelwerk en het proces, dat het Nederlandse parlement zo schoffeert. Dan moeten ze niet verbaasd zijn als het Nederlandse parlement niet over zich heen laat lopen. Voorzitter. Dan toch nog even naar wat we wel zouden moeten doen: mensen beter beschermen tegen bestrijdingsmiddelen. De minister van Volksgezondheid heeft samen met ons gesprekken gevoerd met burgers die een paar maanden per jaar worden geconfronteerd met het gebruik van bestrijdingsmiddelen vlak naast hun woning, soms zelfs op 1 meter afstand. Ouders vertelden hoe hun kinderen maandenlang niet veilig in de tuin kunnen spelen. Ze vertelden hoe ze worden geïntimideerd. Ze voelen zich niet beschermd door de overheden en staan machteloos wanneer naast hun huis een ondernemer opeens besluit met teelten te beginnen waarvoor veel gif wordt gebruikt. Het gaat bij het kabinet nog vaak over de belangen van de sector — dat kan — maar te weinig over het belang van zulke mensen, van ouders, kinderen en ouderen, om in vrijheid en gezondheid veilig in hun eigen tuin en huis te kunnen zijn. Wat vindt de minister van die situaties? Wat gaat de minister van Volksgezondheid voor hen doen? Deze mensen willen niet veel. Ze vragen niet veel. Ze vragen naast het zoveelste convenant voor de lange termijn ook om concrete bescherming voor de korte termijn. Daarom vraag ik de minister van Volksgezondheid en de staatssecretaris of zij bereid zijn om dit jaar samen met omwonenden en gezondheidsexperts zoals het RIVM maatregelen te verkennen die mensen op korte termijn kunnen beschermen. Voorzitter. Tot slot, pfas. Onlangs is er nog informatie naar voren gekomen dat ECHA een bepaalde vorm van pfas als zeer schadelijk voor ongeboren kinderen heeft bestempeld. We weten dat het een enorme bedreiging vormt voor ons water. Daarom roepen waterschappen, medeoverheden en waterbedrijven op om … De voorzitter: U zit op uw tijd, lid Kostić. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik wil deze laatste zin afronden. De voorzitter: Laatste zin. Kamerlid Kostić (PvdD): Daarom roepen ze het kabinet op om iets te doen aan pfas in bestrijdingsmiddelen. Is de staatssecretaris samen met de minister van Volksgezondheid bereid om daar maatregelen voor te nemen op korte termijn? Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel. Ik wil hierbij ook melden dat de heer Vermeer zojuist is aangeschoven. Ik geef dan nu graag het woord aan mevrouw Bromet van PRO. Mevrouw Bromet (PRO): Dank u wel, voorzitter. Je moet hier in de Kamer heel goed opletten, want dinsdag kregen we er lucht van dat dit allemaal op de rol stond. Dan is het heel fijn — dank ook aan de griffie — dat er op zo'n korte termijn een notaoverleg ingepland kon worden, zodat we de staatssecretaris ook iets mee kunnen geven voordat de besluiten gevallen zijn. We hebben vanochtend pas de brief gekregen. Dat is wel de onzorgvuldigheid waarmee de besluitvorming hierover tot stand komt. Ik heb net in de trein de brief gelezen. Dat is veel te kort om over zo'n gigantisch voorstel te oordelen. Maar gelukkig hebben we hier al een debat over gevoerd. Daarin was de Kamer ook duidelijk. Het moet aantoonbaar zijn dat de Omnibus geen afbreuk doet aan de bescherming van dier, mens en milieu. In de brief van vanochtend staat welk oordeel het Ctgb velt over de voorstellen. Daarin staat dan: "Het Ctgb oordeelt dat vanwege het ontbreken van de gewenste waarborgen het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu binnen de huidige compromistekst niet wordt gegarandeerd." Dat is voor ons echt heel zwaar. Hoe kan het dat het kabinet voor de Omnibus wil stemmen terwijl niet aan de voorwaarden van de Kamer is voldaan? Hoe reageert het kabinet eigenlijk op het oordeel van het Ctgb dat de bescherming van mens, dier en milieu niet kan worden gegarandeerd? Welke mogelijkheden heeft het kabinet nog om dit proces te vertragen en de tekst te beïnvloeden? Voorzitter. Progressief Nederland trekt maar één conclusie: wij zien geen basis om in te kunnen stemmen met dit voorstel. Dan nog een aantal andere onderwerpen. De Rekenkamer heeft in het kader van Verantwoordingsdag onderzoek gedaan naar de handhaving van regels voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen. De Rekenkamer concludeert dat de helft van de regels niet of moeilijk te controleren is. Er is dus ook geen zekerheid wat betreft de naleving van de regels, met alle gevolgen en risico's van dien voor de gezondheid van omwonenden en de natuur en voor de waterkwaliteit. Mijn vraag aan de minister is eigenlijk: wil hij een verplichte registratie mogelijk maken van middelengebruik door telers en die centraal toegankelijk maken? Dat is namelijk wat de Rekenkamer ons adviseert. Wij zullen hier eventueel ook een motie over indienen. Voorzitter. Ten tweede het Convenant gewasbeschermingsmiddelen. Wij hadden gisteren echt een heel goed gesprek met de auteur van een boek over bestrijdingsmiddelen. Hij zei dat "gewasbeschermingsmiddelen" geen neutrale term is en dat het eigenlijk gaat over "bestrijdingsmiddelen". Ik ga bij de regeling van werkzaamheden van de commissie het verzoek doen om het debat voortaan zo te noemen, want "gewasbeschermingsmiddelen" is geen neutrale term. Ik wil ook aan de staatssecretaris vragen waarom Vewin of andere belanghebbenden niet aan tafel zitten als het gaat over het terugbrengen van het aantal bestrijdingsmiddelen en een verbod op de meest schadelijke middelen, zoals glyfosaat en pfas-houdende middelen. De heer Chris Jansen (PVV): Ik hoor mevrouw Bromet zeggen dat het geen neutrale term is. Dan is mijn vraag aan mevrouw Bromet of "gif" wel een neutrale term is. Mevrouw Bromet (PRO): Nee, dat denk ik niet. Nou ja, daar zou je over kunnen discussiëren. Mijn voorstel bij de procedurevergadering zal zijn om het niet meer "gewasbeschermingsmiddelen" te noemen. Het gaat namelijk ook heel vaak over het doodspuiten van grasland en over het gebruik van middelen die helemaal niet bedoeld zijn om het gewas te beschermen, maar om andere organismen te doden. Ik denk dat de term "bestrijdingsmiddelen" dus wel neutraal is. Dat is ook wat de auteur ons gisteren vertelde; jammer dat u er niet bij kon zijn. De heer Chris Jansen (PVV): Dat klopt. Ik had een ander debat waar ik bij moest zijn. Dat was overigens ook heel interessant. Maar mijn vraag blijft overeind. Ik heb mevrouw Bromet namelijk in meerdere debatten horen praten over gif. Dan wordt er ook door de commissie gevraagd: goh, waarom gebruikt u deze term? Volgens mij is het een beetje hypocriet om dan nu een voorstel te doen voor een neutrale formulering. Mevrouw Bromet (PRO): Nee, dat is niet hypocriet. Ik vind het heel vervelend dat we het hier nu … Ik had dit debat liever gevoerd in de procedurevergadering, maar ik zal het even uitleggen: als je iets agendeert, iets op de agenda zet, dan is het belangrijk dat je een neutrale term gebruikt. In het politieke debat — daar zitten wij hier voor; dat is ons vak — geven wij inkleuring aan wat wij vinden, geven wij argumenten voor onze standpunten en dragen wij onze ideologie uit. Daar horen ook altijd woorden bij. Maar ik vind het bijvoorbeeld vervelend dat de term "gewasbescherming" ook gebruikt wordt door de bedrijven die deze middelen verkopen. Wij zitten hier om belangenafwegingen te maken en niet om de industrie te bevoordelen. Voorzitter. Wij vragen de staatssecretaris ook om brede bufferzones rondom water en natuurgebieden waarin geen schadelijke middelen mogen worden gebruikt … De voorzitter: Sorry, mevrouw Bromet. Er kwam nog een interruptie binnen, van de heer Lohman. De heer Lohman (CDA): Ja, ik had mijn vinger opgestoken. Ik voel me toch even genoodzaakt om hierop te reageren. Ik was ook aanwezig bij het gesprek gisteren. Ik had een net iets andere lezing van wat er besproken werd over die definitiekwestie. Ik vind woorden ook heel erg belangrijk. Volgens mij gaat het hier over het commissiedebat "gewasbescherming", dus zonder het woordje "middelen" erachter. Ik vind dat juist wel een goede term. Dat werd gisteren ook besproken: gewasbescherming gaat over het beschermen van gewassen. Dat kan chemisch of biologisch, maar ook op andere manieren, bijvoorbeeld met wat we dan zo mooi "biocontrol" noemen. Wat mij betreft is het inderdaad heel belangrijk om de juiste woorden te gebruiken, maar dan vind ik dat we het wel zouden kunnen blijven hebben over "gewasbescherming". Met het woord "middelen" erachter is het dan misschien minder neutraal. Hoe kijkt mevrouw Bromet daarnaar? Mevrouw Bromet (PRO): Wij hebben hier heel vaak het gesprek over de wens van de Kamer, die nog steeds niet uitgevoerd is, om paal en perk te stellen aan het doodspuiten van grasland. Dat is geen gewasbescherming, maar gewoon het doodspuiten van grasland omdat je als teler last hebt van dat gras en het makkelijker is om het op die manier te verwijderen. Ik vind het allemaal best, maar dan kunnen we het daar ook niet meer over hebben en zullen we daar een apart debat over moeten voeren. Dat is juist het punt. Het gaat niet alleen om gewasbescherming; het gaat soms ook over het gebruik van middelen om andere doelen na te streven. De heer Lohman (CDA): Een korte reactie daarop. Volgens mij is dat ook zo. Tegelijkertijd, als we juist in de breedte over gewasbescherming spreken, kunnen we ook de biologische of de nieuwe en innovatieve middelen … Bij wijze van spreken zijn hommels ook gewasbescherming. Niet "bij wijze van spreken", die zíjn gewasbescherming. Ik denk juist dat we het debat gaan vernauwen tot middelen en stoffen als het we het over "middelen" blijven hebben. Ik zou echt willen — daar gaat mijn inbreng ook over — dat we veel breder gaan kijken naar gewasbescherming en dat we daar ook de juiste woorden bij gebruiken. Dit is niet echt een vraag, maar misschien wil mevrouw Bromet nog reageren. Mevrouw Bromet (PRO): Ik sta open voor allerlei suggesties om de titel van het debat wat neutraler te formuleren. Ik ben benieuwd wat de heer Lohman allemaal voor suggesties heeft. Die gaan we in de procedurevergadering uitgebreid bespreken. Ik vind de term "bestrijdingsmiddelen" — dat kan ook hommels betreffen — ook prima. De voorzitter: Goed. Mevrouw Bromet vervolgt haar betoog. Mevrouw Bromet (PRO): Voorzitter. Wij willen dus bufferzones rondom natuurgebieden waarin geen middelen gebruikt worden die schadelijk zijn. Wij willen ook een meerjarig transitieprogramma voor telers die overstappen naar biologische en weerbare teelt. Voorzitter. Tot slot wil ik aandacht vragen voor de vluchtige stoffen. Dat zijn stoffen die zich gemakkelijk via de lucht verplaatsen en zo op natuur en biologische teelten belanden. Deze schaden de natuur én het verdienmodel van biologische boeren, want zij moeten soms hun hele oogst vernietigen omdat de buurman iets gespoten heeft dat op hun oogst terecht is gekomen. Dat is echt de wereld op zijn kop. Wij vragen de staatssecretaris deze middelen uit te bannen en de biologische boeren te compenseren als deze middelen op hun teelten belanden. Dank u wel. De voorzitter: Dank u wel voor uw inbreng. De heer Flach is zojuist aangeschoven. Even een korte mededeling voor de heer Flach en de heer Vermeer, want u bent beiden een beetje later binnengekomen. We hebben afgesproken dat u in de eerste termijn maximaal vier interrupties heeft. Dat gezegd hebbende, wil ik nu graag het woord geven aan de heer Jansen van de PVV. De heer Chris Jansen (PVV): Voorzitter. Nederland is een agrarische wereldmacht die niet alleen ons eigen land, maar miljoenen monden wereldwijd voedt. De PVV vindt dat onze voedselzekerheid, en daarmee onze nationale veiligheid, nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan doorgeslagen milieudrift. Onze agrariërs zijn vakmensen die al decennialang laten zien dat ze met uiterste precisie omgaan met gewasbeschermingsmiddelen. Toch zien we een overheid die de gereedschapskist van de boer systematisch leegrooft. Het pakket aan beschikbare middelen krimpt in een moordend tempo, terwijl innovatie van betaalbare en effectieve alternatieven hopeloos achterblijft. De zogenaamde groene middelen beslaan momenteel slechts 4,6% van de totale afzet. De realiteit is simpel: ze zijn vaak duurder en de werking is hetzelfde of minder goed. De staatssecretaris heeft de vrijstellingsaanvraag voor Phyto-drip in twee behandelingen afgewezen op advies van de NVWA en het Ctgb. Door dit besluit worden Nederlandse kwekers van slaplantjes keihard geraakt. Ze mogen deze behandelde plantjes wel importeren uit België en Duitsland, waar deze methode is goedgekeurd, maar ze mogen het niet toepassen. Graag een reactie hierop. Alsof dat nog niet genoeg is, krijgen we te maken met een generiek verbod in grondwaterbeschermingsgebieden, dat de sector jaarlijks 120 miljoen euro kost. Voor hoogwaardige teelten, zoals pootaardappelen, fruit en bollen, dreigt simpelweg het einde van de teelt, terwijl de casus Valtherbos laat zien dat een causaal verband tussen huidig gebruik en diepere grondwatervervuiling vaak niet eens kan worden aangetoond. We vernietigen de verdiencapaciteit van onze grond op basis van aannames, terwijl de waarde van diezelfde grond keldert door opgelegde extensivering. Bovendien is een generiek verbod in deze gebieden zelfs schadelijk voor de biologische sector, omdat ook zij middelen van natuurlijke oorsprong verliezen die cruciaal zijn voor hun bedrijfsvoering. Dit is geen beleid; dit lijkt meer op sabotage van onze eigen voedselketen. Daarom heb ik de volgende vragen. Hoe kan de staatssecretaris een generiek verbod in grondwaterbeschermingsgebieden verdedigen als het wetenschappelijk bewijs voor de causaliteit tussen de huidige praktijk en de grondwaterverontreiniging flinterdun is? Erkent de staatssecretaris dat het huidige toelatingsbeleid van de NVWA en het Ctgb schijnbaar een innovatiefuik is geworden, waarbij economische realiteit en milieuwinst volledig worden genegeerd? Hoe legt de staatssecretaris aan een Nederlandse slakweker uit dat hij zijn condities verliest aan België en Duitsland door de Nederlandse kop op Europese regels? En als laatste: is de staatssecretaris bereid te garanderen dat chemische middelen pas verdwijnen als de alternatieven betaalbaar zijn, het liefst goedkoper zijn en exact hetzelfde of een beter resultaat opleveren? Voorzitter. Dan nog onze telers. Mevrouw Bromet (PRO): Voor wie zit de PVV hier eigenlijk: voor de slakwekers of voor de Nederlander, die recht heeft op schoon drinkwater? De heer Chris Jansen (PVV): Volgens mij zit ik hier gewoon voor alle mensen in Nederland. Zo hoort het ook te zijn. Mevrouw Bromet (PRO): Spreekt de PVV dan weleens met de drinkwaterbedrijven, die echt heel grote zorgen hebben over de zuivering van ons water en de prijs van ons water, omdat er steeds meer middelen uit gehaald moeten worden die er eerst in gestopt zijn door kwekers? De heer Chris Jansen (PVV): Ja. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik heb ook een vraag aan de heer Jansen. Hij maakt de afweging dat je een middel pas vervangt als er een alternatief is, als het alternatief goedkoper is en/of beter werkt. Maar is de economische afweging de enige afweging die de PVV maakt, of zouden er ook andere afwegingen kunnen zijn, zoals gezondheidseffecten? De heer Chris Jansen (PVV): Volgens mij zei ik: hetzelfde of beter, en tegen dezelfde prijs of goedkoper. Dat is volgens mij wat ik net zei. Natuurlijk kijken we ook naar de gezondheidsaspecten. Maar dan nog moet je ook kijken naar het gevolg, als je middelen al gaat verbieden zonder dat er alternatieven zijn met eenzelfde of betere werking en tegen dezelfde of een lagere prijs. Op dat moment loop je het risico dat hele gewassen verkommeren of onbruikbaar worden. Dan raak je de voedselzekerheid. Volgens mij hebben we als Kamer ook met elkaar uitgesproken dat voedselzekerheid op één staat. Mevrouw Den Hollander (VVD): Maar als er een middel op de markt komt dat beter is of hetzelfde werkt, met een groter veiligheidseffect en met minder milieubelasting, maar wel duurder, zegt de PVV dan ook dat dat middel niet ingezet moet worden? De heer Chris Jansen (PVV): Op het moment dat het duurder wordt, maak je de businesscase volgens mij ingewikkelder voor de telers en de boeren. Dus dan moet je als overheid de afweging maken hoe je daarmee omgaat. Ik zeg niet per definitie dat je het niet moet doen. Ik geef alleen aan dat het mooi zou zijn als het gaat in de volgorde die ik net aangaf: zelfde prijs of goedkoper, zelfde werking of beter. De voorzitter: Meneer Jansen, u vervolgt uw betoog. De heer Chris Jansen (PVV): Voorzitter. Dan nog onze telers. Terwijl we hun de duimschroeven aandraaien met nationale koppen op Europese regels, zetten we de achterdeur wagenwijd open voor importproducten die behandeld zijn met stoffen die hier al jaren verboden zijn. Het recente BuRO-onderzoek naar geïmporteerde rozen is schokkend. Op deze bloemen zijn residuen gevonden van 96 verschillende werkzame stoffen, waarvan er 37 in de EU niet eens zijn toegelaten. We importeren dan serieuze risico's voor de werknemers en onze inwoners, terwijl we onze eigen exportpositie kapotreguleren. Kan de staatssecretaris dit even proberen uit te leggen? De PVV neemt de zorgen over de volksgezondheid uiterst serieus, maar we varen ook op feiten. Het lopende SPARK-onderzoek naar de relatie met parkinson moet zorgvuldig worden afgerond en mag niet leiden tot een politiek gemotiveerd verbod op essentiële stoffen zoals glyfosaat voordat er onomstotelijk bewijs is en er een werkbaar alternatief is, of een verbod in alle EU-landen. Een vraag aan de staatssecretaris: wanneer komt er eindelijk een importverbod of een strikte residulimiet voor sierteeltproducten uit landen buiten de EU, aangezien we het hier hebben over stoffen die het Ctgb allang onveilig heeft verklaard? Kan de staatssecretaris bevestigen dat hij in Brussel pal staat voor het Nederlandse standpunt en geen verdere verslechtering van het middelenpakket accepteert zolang het Europese speelveld niet gelijk is? Als laatste nog een vraag over de Food and Feed Omnibus. Kan de staatssecretaris per onderdeel aangeven hoe groot hij de kans acht dat voor Nederland essentiële onderdelen alsnog een plek krijgen in de Omnibus? Of blijft het bij stoer praten maar nul resultaat? Dank u wel. Mevrouw Podt (D66): Ik vroeg me het volgende af. De heer Jansen zei "wij komen op voor alle mensen in Nederland", dus ik heb even tot het einde gewacht. Ik heb hem niet gehoord over de mensen die naast de velden wonen en die de komende zomer weer met ramen en deuren dicht zitten, omdat de GGD ook aanraadt dat dat moet gebeuren. De heer Jansen wil wachten tot het onderzoek is afgerond. Moeten die mensen dan de komende vijf jaar nog binnenblijven? De heer Chris Jansen (PVV): Ik raad niemand aan om vijf jaar binnen te blijven. Volgens mij is gezonde buitenlucht voor iedereen een essentiële vereiste. Het gaat erom dat je wel de communicatie met elkaar moet zoeken. Dat blijkt ook uit de werkbezoeken die ik heb afgelegd aan verschillende bedrijven en ook aan belangenverenigingen. Op het moment dat je als boer of teler een gewasbeschermingsmiddel zou willen gebruiken, is het slim om contact te zoeken met je omgeving en te vragen wanneer dat het beste uitkomt. Leg ook uit wat je gebruikt. Op dit moment zijn er situaties waarin zelfs boeren die een biologisch product gebruiken, vanaf de zijkant door fietsers worden uitgescholden omdat er gif zou worden gespoten. Dat komt doordat een aantal partijen hier, die ik net toevallig ook aansprak, het beeld hebben gecreëerd dat alle gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt, gif zouden zijn. Dat is niet zo. Hierin is de communicatie volgens mij het belangrijkste. Mevrouw Podt (D66): Met een deel van het verhaal van de heer Jansen ben ik het eens. Ik erger me ook heel erg aan telers die slecht communiceren met mensen in de omgeving, waardoor mensen erdoor overvallen worden. Dat voedt het wantrouwen ook alleen maar meer, denk ik. Volgens mij zou het heel erg helpen als mensen transparanter zouden communiceren over het waar, wanneer en wat. Daar zijn we het over eens. Dit vind ik het lastige: deze mensen wonen soms vlak naast zo'n veld. Die hebben daar niet voor gekozen, want dat veld is er vaak pas gekomen nadat zij daar zijn gaan wonen. Die mensen wordt dus door de GGD aangeraden om tijdens en na het spuiten ramen en deuren dicht te houden, om de was naar binnen te halen en om huisdieren en kinderen naar binnen te halen, óók als het buiten 35 graden is en je net wilde gaan barbecueën. Ik vind het kwalijk dat u zegt op te komen voor alle mensen, maar in uw betoog eigenlijk alleen maar dingen noemt die zaken moeten versoepelen en makkelijker moeten maken. Ik denk dat wij hier in deze Kamer een dure plicht hebben om ook voor deze mensen op te komen. De heer Chris Jansen (PVV): Ik denk dat mevrouw Podt prima omschrijft wat het dilemma is waar we tegenaan lopen. Aan de ene kant wil je gewasbeschermingsmiddelen kunnen gebruiken zolang die niet verboden zijn en zolang er geen beter, of in elk geval gelijkwaardig, alternatief is. Tegelijkertijd moet je kijken naar de volksgezondheid, naar de gezondheid van mensen. Op het moment dat je als teler of als boer hier op een verantwoorde manier mee omgaat, de communicatie zoekt en de juiste momenten kiest om een gewasbeschermingsmiddel in te zetten, kunnen die zaken gewoon naast elkaar bestaan. Het is alleen niet zo — dat beeld wordt ook nog weleens opgeroepen hier in de Kamer — dat een boer of teler een middel gebruikt omdat die dat helemaal te gek vindt, of omdat die graag in een ruimtepakje rondrent. Dat gebeurt helemaal niet. Ze gebruiken het omdat het noodzakelijk is, omdat het gewas anders gewoon verpietert en waardeloos wordt. Dat is de reden waarom ze het gebruiken. De voorzitter: Volgens mij was dit dan de laatste interruptie aan het adres van de heer Jansen. Dan wil ik nu het woord geven aan mevrouw Podt voor haar inbreng namens D66. Mevrouw Podt (D66): Dank u wel, voorzitter. Twee weken geleden erkende Duitsland, net als Frankrijk en Italië eerder, parkinson als beroepsziekte bij langdurige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen. Het is een van de snelstgroeiende neurologische aandoeningen in de wereld, en de signalen dat er een verband is met bestrijdingsmiddelengebruik worden steeds duidelijker. Gelukkig zie ik een staatssecretaris die hard aan de slag is met het convenant om het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen fors te beperken. Dat kan een belangrijke stap zijn richting een gezondere leefomgeving. Voorzitter. Een dorp dat ik vaker heb benoemd in de debatten hier, is Sint-Michielsgestel. Het is wrang genoeg een uitstekend voorbeeld van de manier waarop omwonenden in de knel komen met de sierteelt. Maar de afgelopen tijd kreeg ik ook mails uit Haarlem, Koggenland en Hollands Kroon over precies hetzelfde. Inwoners kregen daar ineens te maken met lelieteelt vlak naast hun huis, hun tuin en de school van de kinderen. De lelieteelt moet veel rouleren en is vaak als een van de weinige gewassen lucratief op dure grond, maar gebruikt ook veel bestrijdingsmiddelen. Dat gebeurt dan ineens op je stoep. Te lang hebben we dit als landelijke overheid maar een beetje laten gebeuren. Dan komen omwonenden en telers tegenover elkaar te staan. Ik ben blij om te lezen dat de staatssecretaris in zijn brief spreekt over ruimtelijke zonering rond kwetsbare gebieden en functies, maar ik lees ook dat dit in samenspraak met de bredere zoneringsaanpak gebeurt. Dat is ook nodig om te voorkomen dat er intensieve teelten naast Natura 2000-gebieden komen. Maar hoe gaan we dan ook duidelijkheid geven aan omwonenden buiten de gebiedsaanpak? Kan de staatssecretaris toezeggen om in het convenant ook afspraken te maken over — we hadden het er net al over — transparantie richting omwonenden over wat er wanneer wordt gespoten door telers. Ik weet dat we nog wachten op de uitkomsten van het WUR-onderzoek, maar wordt er in het convenant ook duidelijkheid gegeven over spuitvrije zones? Kan de staatssecretaris toezeggen ook met omwonenden in gesprek te gaan? Ik zie dat hij veel telers en wetenschappers spreekt, maar dit convenant is er ook voor de mensen die zich zorgen maken. Voorzitter. Een van de manieren om ervoor te zorgen dat omwonenden zich geen zorgen meer hoeven te maken is door biologische sierteelt te stimuleren. Nederland staat tenslotte wereldwijd bekend als bloemenland, dus laten we het aandeel biologisch, dat nu nog erg mager is, opkrikken en ervoor zorgen dat mensen vaker een biologische bloemenwinkel in hun buurt vinden. Een manier om dat te doen is door de sierteelt mee te nemen in het actieplan biologische landbouw. Is de staatssecretaris bereid om dat te doen? Een andere manier om biologische sierteelt te stimuleren is door de keten op orde te brengen. Helaas lopen spelers, zoals juist de bloemisten, elders in de keten aan tegen allerlei bureaucratie, zodat een boeket tegen de tijd dat het in handen van de consument is niet meer biologisch mag heten. Het is lastig uit te leggen dat ondernemers die de juiste stappen zetten, harder moeten lopen vanwege dure registratiekosten en een stapeling van regels. Is de staatssecretaris bereid om binnen het actieplan concrete stappen te zetten om de hele keten mee te nemen? Kan hij ook het goede voorbeeld geven door ervoor te zorgen dat de overheid overstapt op biologische bloemen? Voorzitter. De staatssecretaris stipt in zijn brief aan dat er handhavingsverzoeken dreigen in provincies door de recente uitspraak van de rechter ten aanzien van bestrijdingsmiddelen en Natura 2000-gebieden. Telers weten niet of ze een vergunning nodig hebben, maar ook voor omwonenden, gemeenten en provincies is dit nieuw terrein, waarbij zij bovenal duidelijkheid nodig hebben. De bouwstenen in het convenant lijken mij uitstekende stappen om ervoor te zorgen dat de druk van bestrijdingsmiddelen op natuurgebieden afneemt, maar ik hoor graag welke concrete stappen de staatssecretaris gaat zetten om ervoor te zorgen dat hier snel duidelijkheid over komt. Voorzitter. Ten slotte nog het Omnibuspakket; we hebben er al veel over gezegd. Het compromisvoorstel van Cyprus ligt nu ineens voor. Daar staan stappen in, maar het schuurt ook nog met de wens van de Kamer om het beschermingsniveau van mens en milieu te behouden. Ik zie daarover bij de staatssecretaris ook enig ongemak. Is hij, gezien het proces en de inhoudelijke bezwaren, het ermee eens dat instemming met het voorstel zoals het er nu ligt eigenlijk niet in lijn is met de eerder aangenomen moties? Dank u wel. Mevrouw Bromet (PRO): We hebben het debat hierover eigenlijk al gevoerd. Toen heb ik aan D66 gevraagd wat er gebeurt als het de staatssecretaris niet lukt om de aanpassingen voor elkaar te krijgen. Toen antwoordde zij dat ze er heel kort over kon zijn en dat het voorstel dat D66 betreft onvoldoende is. Toen heb ik gevraagd: als het ongewijzigd wordt aangenomen of als het de staatssecretaris in de onderhandelingen niet lukt om het aangepast te krijgen, zegt de VVD dan tegen te stemmen? Toen heeft mevrouw Podt gezegd: ja, dan zouden wij willen dat er tegengestemd wordt. Mevrouw Podt (D66): Mag ik mevrouw Bromet in ieder geval corrigeren dat ik niet van de VVD ben? Mevrouw Bromet (PRO): O, neem me niet kwalijk! De nacht was kort. Ik bedoelde te zeggen: D66. Mevrouw Podt (D66): Het was zeker een korte nacht! Het is ook heel gezellig met mevrouw Den Hollander, maar nee. Nee, daar zitten iets te veel dingen in de weg. Dit is een zeer terechte vraag van mevrouw Bromet. Ik denk dat ik, net zoals veel mensen in deze commissie, enige whiplash heb van wat er de afgelopen week is gebeurd. Ik denk dat ook een beetje terug te zien, niet in de kwaliteit van de brief maar wel in de toon van de brief. Wat ik lastig vind, is dat er natuurlijk wel het een en ander is veranderd in het voorstel. Ik zie zeker wel dat er stappen onze kant op gezet zijn, alleen is dat in mijn ogen inderdaad niet genoeg. Mijn dilemma zit een beetje in het volgende. Ik hoor daar zo meteen ook graag de staatssecretaris over. Ik zou er niet voor zijn om voor dit voorstel te stemmen, maar ik begrijp ook het dilemma dat de staatssecretaris schetst, namelijk dat het je ook hindert in de loop van het proces als je tegenstemt. Dat maakt dat je hier heel boute dingen kunt gaan lopen roepen zoals "we moeten zeker tegenstemmen, want het is allemaal belachelijk". Ik vind heel eerlijk gezegd dat de Europese Commissie en Cyprus zichzelf geen plezier hebben gedaan met het proces zoals dat nu gelopen is. Dat is het proces. Ik denk ook dat de brief die er uiteindelijk ligt — we hebben ook allemaal de woorden van het Ctgb kunnen lezen — niet voldoende oplevert; laten we wel zijn. Ik hoor dus ook heel graag de staatssecretaris heel eventjes hierover. Ik ga nu niet zeggen dat ik per definitie ga tegenstemmen, maar een voorstem wordt het zeker niet. De voorzitter: Mevrouw Bromet, dit zou dan uw laatste interruptie worden. Oké. Mevrouw Bromet (PRO): Ik snap het. Op het moment dat je nee zegt of tegenstemt, ben je uitgespeeld. Dan moet je wachten totdat de rest een besluit genomen heeft. Er is ook nog een tussenstap mogelijk: je onthouden van stemming. Ik kom daarover in de tweede termijn met een voorstel. Is D66 daar gevoelig voor? Mevrouw Podt (D66): Daar ben ik gevoelig voor. Kamerlid Kostić (PvdD): D66 staat onder een motie van Partij voor de Dieren en PRO. Die motie stelt als kader dat als uit het advies van Ctgb en wetenschappers blijkt dat het totaalpakket — dat staat dus los van wat je verder wel of niet binnenhaalt — niet op z'n minst zorgt voor het huidige beschermingsniveau, we dan in ieder geval niet gaan meestemmen. Dat is de basisvoorwaarde. Even ter verduidelijking: staat D66 daar nog steeds achter? Mevrouw Podt (D66): Ik heb de indruk dat ik net heb gezegd wat ik daarvan vind. Ik begrijp het dilemma van de staatssecretaris. Ik hoor hem daar graag nog verder over. Ook ben ik gevoelig voor het punt van mevrouw Bromet van zonet over een eventuele onthouding van stemmen. Volgens mij zat daar geen woord Chinees bij. Kamerlid Kostić (PvdD): Nee, maar ik wilde het toch even verduidelijkt hebben. Mevrouw Podt begon er namelijk over dat we sommige dingen wel of niet hebben binnengehaald. Daar kunnen we lang over discussiëren. Ik denk dat daarover ook heel veel in de brief staat. De ondergrens wordt echter niet bewaakt. Ik heb de coalitiepartijen eerder een voorstel gestuurd waarin we samen kunnen kijken hoe we er vorm aan gaan geven. We komen hierover zeker met een motie, in lijn met die eerste motie. Daarin zouden we elkaar moeten vinden. Ik hoop dat D66 daarin kan meegaan. Mevrouw Podt (D66): Het lastige is dat er welzeker stappen onze kant op zijn gezet. Je kan er natuurlijk over discussiëren in welke mate dat is gebeurd, maar dat maakt natuurlijk dat je het vervolgens op zijn merites moet beoordelen. Dat is vrij ingewikkeld op het moment dat je het voorstel en de reactie van de staatssecretaris vanmorgen om 9.15 uur krijgt. Nogmaals, ik doe hier geen enkele diss naar de staatssecretaris, want hij heeft volgens mij ook vrij hard moeten lopen, maar zo'n overweging maakt dat ik hier redelijk uitgeput zit, kan ik u zeggen. Ik ga er zo dus goed naar kijken, maar volgens mij heeft u mij goed gehoord: ik vind dit onvoldoende. Ik ben er ook geen voorstander van om hiervoor te stemmen. De voorzitter: Goed. Dat waren de interrupties aan het adres van mevrouw Podt. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Den Hollander voor haar inbreng namens de VVD. Mevrouw Den Hollander (VVD): Voorzitter. Gewasbescherming is essentieel voor gezonde planten en een productieve landbouwsector. Dat is veel breder dan alleen het gebruik van gif, pesticiden, bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of hoe je het ook maar wil noemen. Het gaat om de inzet van maatregelen en middelen die gewassen beschermen tegen ziekten, plagen en onkruiden, zodat boeren en tuinders hun producten kunnen leveren aan consumenten en de voedselvoorziening veiliggesteld blijft. Het beleid is al langer gericht op het terugdringen van de milieu-impact die gepaard gaat met gewasbescherming en het gebruik van schadelijke chemische gewasbeschermingsmiddelen. We liggen nog niet op schema om te voldoen aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water in 2027. Ook zijn er opgaven om de gezondheidsrisico's voor agrariërs en omwonenden te minimaliseren. Ook leven er zorgen over de effecten op Natura 2000-gebieden. Er is dus nog genoeg werk te verzetten; dat wordt volgens mij breed erkend. Het zou dan ook goed zijn als deze grote opgaven die we hebben in de breedte worden opgepakt, door het delen van kennis, van zorgen, van uitdagingen en van gezamenlijk gestelde doelen. Het onderwerp gewasbescherming ligt echter heel gevoelig. Burgers, boeren en buitenlui staan vaak tegenover elkaar en lijken elkaar niet te begrijpen. Een open gesprek is vaak ingewikkeld. Zelfs de wetenschap is een strijdtoneel geworden. Onderzoeken van instanties en universiteiten naar residu in de natuur of effecten op omwonenden worden door de ene partij gebruikt als onomstotelijk bewijs om actie te eisen, terwijl de andere partij de meetmethodes of interpretatie van de data direct aanvecht. Dit tast het maatschappelijk vertrouwen in onafhankelijk onderzoek aan. Dus wordt er naar de overheid gekeken, naar gemeenten, naar provincies en naar het Rijk. Voorzitter. Als wethouder heb ik zelf ondervonden hoe moeilijk het is om op dit dossier stappen te zetten. Voor mij was dat een van de redenen om mij kandidaat te stellen voor het lidmaatschap van deze Kamer. Een oplossing vinden voor deze tweespalt kan je in mijn ogen namelijk niet overlaten aan de gemeente, want iedere gemeente kiest een ander accent, komt met ambitieuze beleidsvoornemens of besluit juist om niks te doen. Zowel inwoners van de gemeente als boeren en tuinders die zich dagelijks inzetten voor een goed product weten niet waar ze aan toe zijn en worden geconfronteerd met onuitlegbare verschillen en een lappendeken van beleid. Dit vinden wij een zeer onwenselijke situatie. Ik ben dan ook heel verheugd dat mijn ambitie om te komen tot een landelijke aanpak is opgenomen in het coalitieakkoord en dat de staatssecretaris zo voortvarend aan de slag is gegaan met het opstellen van een convenant. Voorzitter. De sector zelf heeft ook grote stappen gezet in de laatste jaren. Tussen 2016 en 2024 is het totale gebruik van chemische middelen in de landbouw fors gedaald. Nog steeds zien we dat de sector innoveert en investeert in een verdere verlaging van de milieubelasting. De VVD is van mening dat hierbij nadrukkelijk ook een rol is weggelegd voor innovatie, zoals biotechnologie en gentechnieken. Als het lukt om weerbare planten te telen, dan is minder middelengebruik nodig. Laten we als overheid kijken wat we kunnen doen om dit te ondersteunen. Huidige wetgeving belemmert effectieve en duurzame plaagbeheersing. Niet alle plagen en ziekten kunnen namelijk voldoende worden bestreden in het gewas en op het moment dat zij de meeste schade veroorzaken. Een integrale aanpak over het bouwplan heen is aantoonbaar effectiever, maar wordt juridisch onmogelijk gemaakt. Een actueel voorbeeld is de glasvleugelcicade. Die zorgt op dit moment voor 70% opbrengstverlies in Duitsland door overdracht van diverse ziektekiemen op diverse gewassen. Wekelijkse chemische bestrijding tijdens de teelt werkt nauwelijks, vergroot het resistentierisico en zorgt voor een fors gebruik van middelen. Wat wél werkt is het doorbreken van de levenscyclus van de plaag in het bouwplan, bijvoorbeeld via een gerichte insecticide zaadcoating van het volggewas, vaak graan. Dit leidt tot aanzienlijk minder milieubelasting. Het is dus winst voor de boer én voor de omgeving. Desondanks verbiedt huidige wetgeving juist deze gerichte oplossing. Om dit te doorbreken zal ik hierover in de tweede termijn een motie indienen. Voorzitter. Tot slot nog enkele woorden over de Food and Feed Safety Omnibus. Het compromis dat nu voorligt, lijkt een verbetering ten opzichte van het eerste voorstel van de Commissie. De toelating van biocontrol en laagrisicomiddelen krijgt voorrang ten opzichte van conventionele middelen. Daarnaast zijn er meer garanties ingebouwd om bescherming van gezondheid en milieu te handhaven, door de toelating van conventionele middelen niet onbeperkt te maken en de herbeoordelingscriteria neer te zetten met een wetenschappelijk herbeoordelingsprogramma. Toch zijn er ook nog vragen en zorgen. Ik denk eigenlijk dat mevrouw Podt net in het interruptiedebat heel goed heeft verwoord hoe ook wij als VVD ertegen aankijken. Dank u wel. Kamerlid Kostić (PvdD): Dat laatste klinkt goed, maar voor ons en de mensen thuis wil ik het toch een beetje verduidelijken. Zo spreken we met een open vizier. De motie van de vorige keer over een basisondergrens heeft de VVD ook gesteund. Daarin zijn we goed samen opgetrokken. Die motie verzoekt de regering niet in te stemmen met een voorstel dat leidt tot verslechtering van het huidige beschermingsniveau en zich daarbij te baseren op het Ctgb en wetenschappers. Het Ctgb is duidelijk: dit leidt tot verslechtering. Dus nogmaals, we kunnen van alles over die verschillende maatregelen zeggen, maar de conclusie is dat niet is voldaan aan die ene randvoorwaarde van de Kamer. Is mijn collega van de VVD het daarmee eens? Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik ben het ermee eens dat die ene stap inderdaad niet gezet is. Dat neemt niet weg dat ik het — mevrouw Podt zei het net ook al — best een worsteling vind. Ik heb bijzonder veel vertrouwen in de staatssecretaris; dat wil ik ook gezegd hebben. Ik ben er nog niet uit. Laten we met open vizier spreken. Ik ben echt benieuwd naar dit debat. Ik ben benieuwd naar wat de staatssecretaris nog gaat inbrengen. De brief van 8.49 uur vanmorgen heb ik nog niet eens geheel kunnen lezen. Ik ben dus gewoon benieuwd hoe het debat verder verloopt. Uiteindelijk zullen we er bij de stemmingen een standpunt over innemen. De voorzitter: Dank voor uw inbreng. Dan wil ik nu graag het woord geven aan de heer Lohman voor zijn inbreng namens het CDA. De heer Lohman (CDA): Dank u wel, voorzitter. Net als velen van u voel ik mij overvallen door de plotselinge ontwikkelingen rondom de Omnibus. Het democratisch proces in de Kamer wordt nu doorkruist door haastwerk. Daardoor vraag ik me echt af hoe wij tot een fatsoenlijke afweging kunnen komen. De CDA-fractie maakt zich nog steeds zorgen over de toelatingsduur en het signaleringssysteem is nog steeds onvoldoende uitgewerkt. Hier ben ik gaan schrappen in mijn tekst. Inmiddels is het Ctgb namelijk helder: het voorstel dat er nu ligt, voldoet niet aan de eis van geen verslechtering van het beschermingsniveau voor mens, dier en milieu. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dus als volgt. Als we verdergaan met die onderhandelingen, welke harde voorwaarden stelt de staatssecretaris dan in die triloog? Zijn er misschien ook grenzen en rode lijnen te identificeren? Voorzitter. De CDA-fractie had graag een breder debat gehad over de wezenlijke vragen die spelen rondom dit dossier. Het uitgangspunt is helder: gewasbescherming in brede zin, van chemische middelen tot hommels, virussen, robuuste rassen en een gezonde bodem, is onmisbaar voor de voedselproductie. Maar middelen horen op het gewas, op de akker of in de kas en niet in de sloot, in de natuur of bij de buren. Dat betekent een forse reductie van de milieubelasting. We kunnen deze opgave niet langer op de lange baan schuiven. Voor het CDA zijn er drie dingen die we moeten adresseren. Eén: de wettelijke opgave. De Kaderrichtlijn Water stelt harde eisen aan wat er in onze sloten mag zitten. Twee: de maatschappelijke onrust. Die wil ik noemen, want de mensen thuis malen niet om Omnibus, simplification of convenanten, maar ze maken zich wel zorgen. Voorzitter, ik weet niet of u actief bent op Instagram, maar zo ongeveer elke twee weken zie ik daar paniek ontstaan. Er is een nieuwe app, waarbij je groente scant en waarbij dan als resultaat uitkomt dat zo ongeveer alles wat je in je mond stopt, een risico vormt voor je gezondheid. Ik heb influencers gezien die plastests doen op glyfosaat. Dat zorgt voor paniek die wat mij betreft vaak onnodig is, maar het geeft wel aan hoe ingewikkeld het maatschappelijk debat is over dit thema. Kan de staatssecretaris daarop reflecteren? Drie: ketenverantwoordelijkheid. Boeren en telers staan ook met de rug tegen de muur. Middelen verdwijnen en alternatieven zijn er nog niet. Groene gewasbescherming klinkt mooi, maar vraagt in de praktijk om een totaal andere en brede aanpak. Die kan je niet bij de boer of teler exclusief op het bord leggen. Initiatieven in de glastuinbouw zoals 100% Groen Geteeld laten zien dat die brede geïntegreerde aanpak wel kan. Ik was ook op werkbezoek bij een boer die samen met de Lidl werkt aan de vermindering van gewasbeschermingsmiddelen. Dat soort projecten zouden moeten opschalen naar RI&E-telers die risico's wegnemen bij boeren en telers. Hoe kijkt de staatssecretaris naar ketenverantwoordelijkheid? Is de staatssecretaris het ermee eens dat de reductie van stoffen, middelen en kilo's niet de enige juiste methodiek is, maar dat we moeten sturen op milieubelasting? Heeft de staatssecretaris kennisgenomen van de oproep van BO Akkerbouw in Boerderij tot een autoriteit gewasbescherming? Hoe kijkt de staatssecretaris daarnaar? Voorzitter, tot slot. Gisteren spraken we met de auteur van Het pesticidenparadijs, Dirk de Bekker, en de co-referent Thomas Kern. Zij kennen beiden de teeltwerkelijkheid goed. Zij hadden beide een andere aanvliegroute, maar dezelfde droom: een wereld zonder schadelijke bestrijdingsmiddelen in het milieu, met een voedselproductie die op pijl is. Mijn vragen aan de staatssecretaris zijn als volgt. Wat moet er de komende jaren gebeuren om die droom werkelijkheid te maken? Hoe is de aanpak waar we nu voor staan, onder andere met het convenant, anders dan wat we de afgelopen jaren hebben gezien? Ik kijk uit naar de beantwoording. Dank u wel. Kamerlid Kostić (PvdD): Ook aan het CDA de vraag over de motie die een ondergrens heeft gesteld voor het beoordelen van de Omnibus. Het CDA heeft die motie ook gesteund. Dat is fijn. We hebben gezegd: het mag geen achteruitgang zijn. Het Ctgb zegt: het zorgt wel voor achteruitgang. Het CDA zegt ook: eigenlijk is de Kamer hier niet voldoende in betrokken; we hebben geen tijd gehad om dit goed te kunnen beoordelen. Welke conclusies verbindt het CDA daaraan? Rijmt dat met wat D66 net ook heeft verklaard? De heer Lohman (CDA): Met het risico om enigszins in herhaling te vallen: de beperkte tijd heeft ons inderdaad allemaal overvallen. Ik heb hier net mijn spreektekst aangepast ten opzichte van wat ik gisteravond laat had geschreven, omdat er een Ctgb-appreciatie kwam. Ik ben vanochtend ook door verschillende partijen gebeld, zoals denk ik meerdere mensen hier. De afweging daarin is tussen of je, aan de ene kant, op basis van veel bewijs moet zeggen "wij gaan hierover per definitie niet meer meepraten", en wat ik aan de andere kant hoor, namelijk: als je niet meer aan tafel zit, als je je onthoudt van stem, dan heb je helemaal geen invloed meer. De weging is een beetje: hebben we wat binnengehaald? Hoeveel hebben we binnengehaald? Ik hoor 90% wel, ik hoor 90% niet. Ik kijk echt heel erg uit naar de beantwoording van de staatssecretaris, om even de druk op te voeren. Dat wij hier heel kritisch in zitten, is helder. We gaan met elkaar afwegen welke opdracht we de staatssecretaris mee gaan geven. De voorzitter: Helder. Dat was ook de laatste interruptie van het lid Kostić. Dan wil ik nu het woord geven aan de heer Vermeer namens BBB. De heer Vermeer (BBB): Dank u wel, voorzitter. Iedereen wil minder afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen, maar het debat moet uiteraard gebaseerd zijn op feiten en niet alleen op gevoelens. Sinds 2012 is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met bijna een derde afgenomen. Opvallend is bovendien dat die daling de afgelopen jaren niet afvlakt maar juist versnelt. Dat laat zien dat de sector al volop bezig is met precisietechnieken, geïntegreerde gewasbescherming en andere innovaties, zoals de inzet van natuurlijke bestrijders. Die weg moeten we wat BBB betreft blijven volgen. Maar verduurzaming betekent niet dat we de realiteit kunnen negeren. Zonder effectieve gewasbescherming komen onze voedselproductie en voedselzekerheid in gevaar. Het afgelopen jaar zagen we bijvoorbeeld hoe de biologische tuinbonenoogst compleet mislukte. Gewasbescherming blijft noodzaak. Voorzitter. Wageningen Universiteit heeft aangegeven dat we op dit moment nog niet zonder pfas-houdende gewasbeschermingsmiddelen kunnen. Is de staatssecretaris bereid om bij de herbeoordeling van die middelen de gevolgen voor oogstzekerheid, voedselproductie en het ontbreken van alternatieven mee te wegen? En is hij bereid om onderzoek te doen naar alternatieve middelen, resistente rassen, innovatieve teeltsystemen, en om de geïntegreerde gewasbescherming te versnellen, zodat middelen pas verdwijnen wanneer er daadwerkelijk werkbare alternatieven beschikbaar zijn? Voorzitter. Dan de nationale koppen boven Europees beleid. Waarom houdt Nederland vast aan een strengere beoordeling van de landbouwkundige noodzaak bij vrijstellingen dan veel andere lidstaten? Waarom worden normoverschrijdingen in oppervlaktewater aanvullend meegewogen bij toelatingsbesluiten, terwijl hiervoor al een Europees toelatingskader bestaat? Waarom overweegt het kabinet om ook de KRW-normen mee te laten wegen in toelatingsbesluiten van het Ctgb? Welke meerwaarde heeft dat boven op de bestaande beoordeling? Voorzitter. Juist bij de Kaderrichtlijn Water is het belangrijk om naar de feiten te kijken. Beleid moet zich richten op de grootste problemen. Als 97% van de overschrijdingen een andere oorzaak heeft, dan ligt daar ook de grootste winst voor waterkwaliteit. Voorzitter. Dan over spuitzones. Risico's moeten leidend zijn en niet alleen de aanwezigheid van een stof. Het aantreffen van een stof betekent nog niet dat er sprake is van schadelijke effecten voor mens, dier of natuur. Is de staatssecretaris het ermee eens dat eventuele nieuwe generieke spuitzones of aanvullende beperkingen alleen ingevoerd mogen worden, wanneer daarvoor een robuuste wetenschappelijke onderbouwing bestaat, waaruit daadwerkelijk risico blijkt? En kan hij bevestigen dat proportionaliteit en wetenschappelijke onderbouwing leidend blijven, zodat we voorkomen dat maatregelen worden genomen, waarvan de maatschappelijke en economische gevolgen groot zijn, terwijl een daadwerkelijk risico niet is aangetoond? Voorzitter. Tot slot over het Omnibusvoorstel, dat bedoeld is als een vereenvoudiging van de regels. BBB is positief over het streven om toelatingsprocedures te versnellen en groene middelen sneller beschikbaar te maken. Maar in het meest recente voorstel lezen we dat veel van de versnellingsmaatregelen zijn gekoppeld aan de categorie laag risico, en biologische middelen vallen daar niet altijd onder. Is de staatssecretaris het met mij eens dat het niet de bedoeling kan zijn dat innovatieve biologische middelen alsnog buiten de versnelde procedures vallen? Kan de staatssecretaris aangeven welke mogelijkheden hij ziet om ervoor te zorgen dat de reikwijdte breed genoeg blijft zodat ook deze categorie middelen sneller beschikbaar komt? Voorzitter, als dat nog past, nog even over de brief. Daarin lezen wij dat de staatssecretaris met een stemverklaring wil komen rond de MRL's. Wij zijn natuurlijk heel benieuwd wat voor stemverklaring de staatssecretaris in zijn hoofd of in zijn tas heeft. Dank u wel. De voorzitter: Dank voor uw inbreng, meneer Vermeer. Dan wil ik nu graag het woord geven aan ... Nee, want er is nog een interruptie van mevrouw Den Hollander. Mevrouw Den Hollander (VVD): Wat een verbazing, voorzitter! Dat had u niet verwacht. U was ook wel gezellig aan het kletsen met de griffier. Ik zat al een tijdje met mijn vinger omhoog, maar dat geeft helemaal niets: ik heb de beurt. Meneer Vermeer, ik heb één vraag aan u over iets waar ik zelf ook heel erg mee worstel. U heeft het over een robuuste wetenschappelijke onderbouwing. Wanneer is iets robuust wetenschappelijk onderbouwd? De heer Vermeer (BBB): Als er wetenschappelijke onderbouwing is, mag degene die die leest bepalen of die de onderbouwing robuust genoeg vindt of niet. Zo werkt dat over het algemeen, denk ik. Maar in het algemeen zou ik willen zeggen dat als er één onderzoek over is, dat natuurlijk veel minder robuust is dan wanneer er al jarenlang onderzoek naar wordt gedaan vanuit verschillende kanten en er dan hetzelfde uit komt. Maar om hier nou een classificatie te geven van het woord "robuust" vraagt al wetenschappelijk onderzoek op zich, denk ik. Mevrouw Den Hollander (VVD): Aanvullend daarop. Ik heb in mijn inbreng gezegd dat er binnen de wetenschap juist enorm veel discussie is over heel veel dingen. Het leuke van wetenschap is dat er altijd wel iemand is te vinden die er anders naar kijkt. Dat zie je bijvoorbeeld ook in het stikstofdossier. Daar is toch wel een vrij algemene consensus dat stikstof een uitdaging kan zijn voor veel stikstofgevoelige natuur, maar er zijn ook wetenschappers die dat echt helemaal niet vinden. Dus wanneer is het goed genoeg? De heer Vermeer (BBB): Dat kan ik ook niet bepalen. Wetenschap zonder discussie is denk ik geen wetenschap. We hebben dat ook gezien rond de discussie over klimaatscenario's en rond de eerdere stellingname over de oorzaken van parkinson in Nederland, waarover we al jaren geleden intensieve discussies hebben gehad met Bas Bloem. Dit is heel ingewikkeld. Er komt ook steeds weer nieuwe informatie, nieuwe omstandigheden en nieuwe meetmethoden binnen. Wetenschap staat niet stil en ik denk dat we dat moeten blijven volgen. Maar net als mevrouw Den Hollander vind ik dat zeker als je ingrijpende besluiten neemt die gevolgen hebben voor voedselzekerheid, voor voedselprijzen en voor de economie, je zeker moet weten dat je de juiste beslissing neemt. Dat kunnen we meestal pas achteraf bepalen, zeker bij gewasbescherming, omdat we sommige effecten van middelen die twintig jaar geleden gebruikt zijn misschien nu pas zien. Maar dat middel is ondertussen al weg. De gevolgen van niets doen kunnen dus groot zijn, maar de gevolgen van voedseltekorten en onbetaalbaar voedsel zijn ook groot. De voorzitter: Helder. Dat was ook de laatste interruptie van mevrouw Den Hollander. Ik geef nu het woord aan de heer Flach namens de SGP. De heer Flach (SGP): Voorzitter, dank u wel. Brandend vet blus je niet met water. Ook in het gewasbeschermingsdossier moeten we alert blijven: waar hebben we het precies over? Bij de metingen in natuurgebieden viel op dat de stoffen die in hogere concentraties werden aangetroffen vooral gerelateerd zijn aan de industrie, humane anti-insectenspray en veterinaire middelen. Wat betekent dit voor de aanpak? Verder was bij de aangetroffen stoffen niet echt een verband zichtbaar met de afstand tot landbouwpercelen. Wat is dan de zin van een spuitvrije zone? De aangetroffen stoffen lijken niet te zorgen voor serieuze ecotoxicologische risico's, in ieder geval niet volgens de Ctgb-criteria met een veiligheidsmarge van een factor 100. Wageningen heeft een factor 1.000 aangehouden en dan komt een klein deel wél boven een drempelwaarde. Gaat de staatssecretaris in het vervolgtraject uit van de Ctgb-criteria? Er zijn begrijpelijke zorgen over pfas in gewasbeschermingsmiddelen en over de gevolgen van een verbod. Het lastige is dat deze pfas bedoeld zijn voor effectievere toepassing, dus zonder pfas hogere doses. Daarmee is het milieu ook niet gediend. Gaat de staatssecretaris hier behoedzaam mee om? Regionaal wordt er stevig gediscussieerd over eventuele spuitvrije zones langs natuurgebieden. De Raad van State heeft zich echter alleen uitgesproken over lelieteelt als nieuwe teelt naast een natuurgebied. Dat kun je toch niet zomaar toepassen op bestaande akkerbouwteelten? Monitoren is beter dan onnodig escaleren. Gaat de staatssecretaris erop aandringen dat gemeenten en provincies een pas op de plaats maken? Dit geldt overigens ook voor spuitvrije zones langs woongebieden. Kies daar voor maatwerk, bijvoorbeeld een zone waarin wel het opwaarts spuiten verboden is, maar niet het neerwaarts spuiten. Het is goed dat er niet over de praktijk heen wordt gewalst en er samen met sectorpartijen wordt gewerkt aan een convenant. Ik pleit daarbij voor zorgvuldigheid boven snelheid. Ook moet voorkomen worden dat verplichtingen voor boeren zich stapelen terwijl de overheid wegkomt met vage toezeggingen. Ik snap de focus op sterkere reductie van middelengebruik, maar welke rol spelen voedselzekerheid en continuïteit van teelten? In Europa productie afbouwen en vervolgens meer importeren met meer residuen geteeld met meer gewasbeschermingsmiddelen is geen fair trade. Hoe gaat de staatssecretaris waarmaken dat telers een gevulde gereedschapskist houden? De staatssecretaris wil heldere kaders voor ruimtelijke zonering rond kwetsbare gebieden en functies in samenhang met de stikstofzonering. Wat bedoelt hij met "heldere kaders"? Een verbod om te spuiten is glashelder, maar onwenselijk. En welke rol krijgt de bedrijfsgerichte doelsturing? De staatssecretaris wil afspraken over beperkingen bij het gebruik van middelen in grondwaterbeschermingsgebieden. Dit moet echt met maatwerk gebeuren. Bij een beperkt aantal stoffen werd een overschrijding van de signaalwaarde aangetroffen waarvan een groot deel nu al geen toelating meer heeft. Het Omnibuscompromis — ik ontkom er ook niet aan — is een stap achteruit ten opzichte van het oorspronkelijke voorstel. De versnelde groene beoordelingsprocedure wordt alleen van toepassing voor biologische stoffen die vooraf geclassificeerd zijn als laagrisicostoffen. Micro-organismen kunnen echter slecht uit voeten met de classificatiecriteria. Dat betekent dat al aan de voorkant zeker de helft van de groene middelen niet in aanmerking zal komen voor een versnelde beoordelingsprocedure. Dat zou echt een gemiste kans zijn. Gaat de staatssecretaris aandringen op bijstelling? De heer Vermeer (BBB): Is de heer Flach het met mij eens dat het eigenlijk al in de essentie fout is om groene middelen te toetsen aan regels die gemaakt zijn voor chemische stoffen? De heer Flach (SGP): Dat is een lastige vraag om in z'n algemeenheid te beantwoorden. Maar als u de vraag zo algemeen stelt, is het antwoord "ja". Voorzitter, ik ga verder. De vorige keer heb ik mijn zorgen uitgesproken over in het verleden aangescherpte beoordelingscriteria. De staatssecretaris reageerde toen met een uitleg van bestaand beleid. Dat schiet niet op. Gaat hij in ieder geval inzetten op ruimte om bij gebruik van precisietechnieken een breder palet aan middelen te gebruiken? Potentieel gevaarlijke stoffen worden nu aan de voorkant uitgesloten, bij andere middelen wordt het worstcasescenario gebruikt als uitgangspunt. Dan krijgen effectieve middelen die je met gebruik van precisietechnieken zonder milieuproblemen kan toepassen geen kans. Wil de staatssecretaris Brussel hiertoe bewegen? Voorzitter, tot zover. De voorzitter: Dank u wel voor uw inbreng, meneer Flach. Ik wil mevrouw Bromet verzoeken om tijdelijk het voorzitterschap over te nemen, zodat ik namens JA21 een korte reflectie kan geven. Voorzitter: Bromet De voorzitter: Jazeker. Ik geef graag het woord aan de heer Goudzwaard van JA21. De heer Goudzwaard (JA21): Dank u wel, voorzitter. Veel is al gezegd natuurlijk, maar de Nederlandse agrosector is er een van wereldklasse. Na de Verenigde Staten zijn wij de grootste landbouwexporteur ter wereld, uiteraard niet dankzij ons enorme oppervlak, maar dankzij kennis, innovatie en ondernemerschap. Voor ons lijkt het misschien vanzelfsprekend wat we allemaal kunnen, maar in veel delen van de wereld is dat allesbehalve het geval. Voorzitter. Het kan natuurlijk altijd beter. Wij willen gezonder en duurzamer produceren en daarom wordt er terecht kritisch gekeken naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In 2024 gebruikte onze landbouwsector al 22% minder gewasbeschermingsmiddelen dan in 2020. Daarmee zet de sector stappen in het terugdringen van middelengebruik. Waar het groener kan, moeten we het dus ook echt groener doen, vindt JA21. Maar waar het niet kan, moeten we de boeren niet opzadelen met onhaalbare doelen. Innovatie, precisielandbouw en nieuwe teelmethoden dragen eraan bij dat boeren en tuinders steeds efficiënter kunnen produceren met minder middelen. Wij willen het ook hebben over de zogeheten "green lanes", want in de landbouwsector blijft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nu noodzakelijk. Het is daarom belangrijk dat deze middelen zo duurzaam mogelijk worden ingezet, met zo min mogelijk impact op mens en milieu. Een gezonde bodem en gezond water staan immers aan de basis van een goede oogst. Wij staan ook positief tegenover het Omnibuspakket. De mogelijkheid tot het versneld toelaten van groene middelen draagt bij aan een duurzame toekomst voor de landbouw. De staatssecretaris wijst op een kennisimpuls voor groene gewasbeschermingsmiddelen. Kennisontwikkeling is hartstikke belangrijk, maar uiteindelijk zijn agrariërs vooral gebaar bij voldoende beschikbare middelen in de praktijk. Hoeveel extra groene middelen moeten boeren bijvoorbeeld over drie jaar daadwerkelijk kunnen gebruiken? Waar kunnen wij deze staatssecretaris dan eigenlijk verantwoordelijk voor houden, is onze vraag. Als één sector laat zien dat er een hele grote behoefte aan werkbare alternatieven is, dan is dat wel de lelieteelt. Waarom maakt het kabinet deze sector niet tot proeftuin voor versnelde toelating van groene middelen? Hoe kijkt de staatssecretaris naar een eventueel precisielandbouwspoor? Kan het daarbij wenselijk zijn dat bepaalde chemische middelen in het laatste stadium van uitfasering alleen nog beschikbaar zijn in combinatie met spotsprayen? Is de staatssecretaris bereid om te onderzoeken of bepaalde middelen misschien langer beschikbaar kunnen blijven wanneer deze echt uitsluitend via precisietoepassingen zoals spotsprayen kunnen worden ingezet? Voorzitter. Verduurzaming van gewasbeschermingsmiddelen is natuurlijk noodzakelijk. Daarover bestaat volgens mij geen misverstand. Maar deze verduurzaming kan alleen slagen wanneer boeren en tuinders ook in de toekomst voldoende instrumenten behouden om hun gewassen gezond te houden. Het pakket aan middelen daarvoor dunt namelijk zienderogen uit, terwijl de druk van ziekten en plagen onverminderd blijft; dat hoorde ik de VVD net ook al zeggen. Ook het veranderende klimaat brengt de komende decennia nieuwe uitdagingen met zich mee, want plagen en ziekten die hier nu niet voorkomen, kunnen wel ineens opduiken. Laten we dan ook niet de fout maken die men in Frankrijk heeft gemaakt, namelijk dat we eerst middelen gaan verbieden en vervolgens met allerlei noodvrijstellingen proberen de schade te beperken, zoals daar het geval is met de suikerbieten. Als middelen verdwijnen, voelen we dat namelijk niet alleen in het verlies van export, maar ook in het verlies van kennis, vakmanschap en voedselzekerheid. Tot zover. Dank u wel, voorzitter. De heer Chris Jansen (PVV): Dit is volgens mij mijn laatste interruptie, zeg ik meteen. In het laatste overzicht van de NVWA gaat het over residuen, restanten van bestrijdingsmiddelen op groente en fruit. Daarin zie je dat Nederland in de top van de EU zit en dat met in name landen van buiten de EU, zoals Brazilië, China en Turkije, de percentages dramatisch hoog zijn. Bent u het met mij eens dat wij het als Nederland dus helemaal niet zo slecht doen en dat wij die negatieve spiraal misschien eens zouden moeten doorbreken? De heer Goudzwaard (JA21): Dank u wel voor de vraag, meneer Jansen. Ik snap die vraag ook, want ik denk dat Nederland op heel veel gebieden een koploperrol inneemt. Ik vind dat wij dat als land in zekere mate ook verplicht zijn. Wij zijn een heel klein landje en wij maken heel veel gebruik van onze gronden, op een vrij intensieve manier. Dat gaat, of je het nou leuk vindt of niet, altijd gepaard met een bepaalde mate van verantwoordelijkheid. Dat is toch de manier waarop ik naar deze materie kijk. Desalniettemin betekent het wel dat wij naast onze boeren en tuinders moeten staan, in plaats van dat we met allerlei dreigementen aankomen. Ik denk dat we dan namelijk elke vorm van draagvlak gaan mislopen en dat zou echt doodzonde zijn. Laten we koesteren wat we hier hebben. De voorzitter: Dank u wel. Dan geef ik u graag het voorzitterschap terug. Voorzitter: Goudzwaard De voorzitter: Dank u wel. Dan gaan wij schorsen. Het is 11.05 uur. We hebben net al even contact gehad met de staatssecretaris. Hij stelt voor om 45 minuten te schorsen en dan weer te beginnen. De staatssecretaris zei 30 minuten, hoor ik nu, maar er moet ook nog reistijd bij worden gerekend. Dat is geen kwartier, hoor ik. Het kan dus korter? Misschien toch niet, want het is inclusief lunch. Anders gaat dat heel moeilijk worden, want dan kunnen we pas om 15.00 uur lunchen en dat lijkt mij ook niet heel prettig. Oké, we houden gewoon vast aan 45 minuten. Dat geeft de Kamerleden — volgens mij zijn er heel veel vanochtend vroeg begonnen — de kans om nu even te gaan lunchen. Wij komen terug om 11.50 uur. Tot dan. De vergadering wordt van 11.06 uur tot 11.50 uur geschorst. De voorzitter: Goedemiddag. Ik heropen de vergadering. Aan de orde is nog steeds het notaoverleg Gewasbeschermingsmiddelen. Wij gaan verder met de eerste termijn van het kabinet. Op uw verzoek zullen we in deze termijn vier interrupties toestaan, met de 30 secondenregel: alles onder de 30 seconden is dan gratis. Mocht het uit de hand dreigen te lopen, dan ben ik genoodzaakt in te grijpen, want 15.00 uur is echt een harde deadline. Er komen ook nog stemmingen aan. Dat gezegd hebbende, geef ik het woord aan de staatssecretaris van LVVN. Staatssecretaris Erkens: Dank u, voorzitter. Ik zal de antwoorden in een aantal blokjes beetpakken. Misschien kan ik die eerst noemen. Ik heb een iets langere inleiding, ook gezien de context van de Omnibus et cetera; dan kan ik al bij een aantal zaken stilstaan. De blokjes na de inleiding zijn: de Omnibus, het convenant gewasbescherming, stoffen en toelating, en tot slot het blokje overig, waar de resterende vragen in zitten. Dat is misschien ook wel het grootste blokje. Voorzitter. Dan een wat langere inleiding. Vandaag spreek ik voor de tweede keer met uw Kamer over gewasbescherming. Dit kunnen inderdaad gewasbeschermingsmiddelen zijn, maar ook andere maatregelen en methoden om gewassen te beschermen tegen ziekten, plagen en onkruiden. Daarom vond ik het voorstel van de heer Lohman om te spreken over "gewasbescherming" best een sympathiek voorstel. Vergeeft u me dat in al mijn antwoorden op dit moment de nieuwe terminologie, die de Kamer natuurlijk in de procedurevergadering gaat vastleggen, nog niet verwerkt is. Ik snap de discussie wel, want in deze discussie luisteren woorden nauw. Gewasbescherming hebben boeren hard nodig om oogsten te beschermen. Ik zet me er dan ook voor in dat we beschikken over robuuste en weerbare teeltsystemen, met weerbare rassen, voldoende gewasdiversiteit en gezond bodembeheer. Daar waar het gebruik van middelen noodzakelijk is, een laatste toevlucht in het hele toolkitje, moeten deze middelen voldoen aan het toetsingskader en zijn toegelaten. Wel zijn er grote zorgen bij de sector over de toenemende snelheid waarmee effectieve chemische middelen verdwijnen, terwijl de sector tegelijkertijd geconfronteerd wordt met de trage toelating van nieuwe middelen en de opkomst van nieuwe ziektes en plagen door klimaatverandering. Het huidige toelatingssysteem van middelen en stoffen functioneert niet goed genoeg. Herbeoordelingen lopen vertraging op, wat onwenselijk is. Ook de groene alternatieven komen zo minder snel beschikbaar dan gewenst. Daar maak ik me zorgen over, wat als we niks kunnen doen tegen ziekten en plagen, als die niet kunnen worden bestreden, dan worden oogsten onzeker en komt de landbouw onder grote druk te staan. Dat is precies wat het kabinet niet wil. De Nederlandse landbouw is koploper in de wereld. Ik wil het vandaag ook duidelijk uitspreken op dit vlak: dat zijn ze niet geworden omdat dat altijd makkelijk was, maar wel omdat we voor de problemen, ook die we vandaag bespreken, steeds een oplossing vinden met elkaar. Ik wil ook benadrukken dat er al stappen worden gezet. In de lelieteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in kilogrammen in 2024 bijvoorbeeld met meer dan 50% afgenomen ten opzichte van 2020. Niet in de laatste plaats biedt de verandering ook kansen, want we kunnen met dit model ook een voorloper zijn in de wereld en die kennis en kunde ook weer verkopen aan het buitenland. Daarnaast is er veel innovatie zichtbaar in de sector. Zo worden bijvoorbeeld spuitmachines ingezet die onderscheid kunnen maken tussen gewassen en onkruid, waardoor er zeer gericht gespoten kan worden met een hoge driftreductie. Hierdoor is een enorme reductie in gewasbeschermingsmiddelengebruik mogelijk. Ik zag ook hoe lasers op een autonoom rijdend voertuig worden ingezet om helemaal geen gewasbeschermingsmiddelen te hoeven gebruiken. Dat zal voor de gangbare teelt, maar ook voor de biologische teelt een mooie oplossing vormen. Ook met het slim verzamelen van data in het veld en de toepassing van AI zijn er veel kansen om ziekten en plagen in een vroeg stadium te kunnen aanpakken. Tegelijkertijd realiseer ik me terdege dat er grote zorgen leven in de samenleving over het gebruik van deze middelen, zoals de effecten op gezondheid en natuur. Uiteraard staat ook voor mij de veiligheid van mens, dier en milieu voorop. Dat is ook het uitgangspunt van het kabinet. Over de compromistekst van het Omnibusvoorstel, die ik maandagmiddag pas heb ontvangen, heb ik u inmiddels een standpunt gestuurd. Ik wil benadrukken dat dit niet gaat om winnen of verliezen of om gezichtsverlies voor de bewindspersonen. In dit minderheidskabinet is immers vanaf dag één duidelijk gemaakt dat we onze ego's moeten thuislaten, dus dat kan geen drijfveer zijn voor hoe wij gaan stemmen in Brussel. De vraag is echter of we als Nederland voor- of tegenstemmen, hoe we zo maximaal mogelijk invloed kunnen uitoefenen op het voorstel dat voorligt, en of we vinden dat het voorstel dat voorligt, beter is dan het huidige systeem. Met dit voorstel wordt op het gebied van gewasbescherming door het aanpassen van regelgeving de markttoegang voor biocontrol verbeterd, daar waar deze momenteel nog beperkt is vanwege de hoge werklast en knelpunten bij EFSA en de lidstaten. Binnen de onderhandelingen over het voorstel heeft Nederland meerdere punten binnengehaald, zoals een betere definitie van de term "biocontrol", waardoor alleen daadwerkelijk laagrisicostoffen en -middelen hieronder vallen. De herbeoordeling van middelen blijft gekoppeld aan die van stoffen en de onbeperkte goedkeuringstermijn geldt alleen voor laagrisicostoffen, waardoor bijvoorbeeld pfas en prioritaire stoffen uit de Kaderrichtlijn Water wel periodiek herbeoordeeld moeten worden. Voorzitter. Ik proef het ongemak in de Kamer, maar ook ik baal van dit proces en de korte termijnen waar wij mee geconfronteerd werden om toch een grote weging te maken op een wezenlijk onderwerp. Ik heb me natuurlijk te verhouden tot de motie die eerder is aangenomen door uw Kamer, waarin de regering wordt verzocht om niet in te stemmen met een voorstel dat leidt tot verslechtering van het huidige beschermingsniveau van mens, dier en milieu. Het Ctgb geeft aan dat in het nieuwe voorstel onvoldoende is gewaarborgd dat het niveau van bescherming niet daalt ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee zegt het Ctgb niet dat het leidt tot verslechtering, maar wel dat er onvoldoende waarborgen zijn, waardoor we in deze onzekerheid een besluit moeten nemen met elkaar. Daarmee is er geen eenduidig antwoord op de vraag in de motie. Dat is ongemakkelijk. Dat ongemak voel ik ook in uw Kamer vandaag en herken ik. Het liefst had ik natuurlijk alle voor Nederland relevante punten binnengehaald. Maar we moeten nu op basis van de voorliggende informatie en situatie een weging maken. De uiteindelijke weging van het kabinet heb ik u vanochtend gestuurd. Er is veel aangepast naar aanleiding van de inbreng van Nederland, maar er zijn ook nog punten waarop we nog meer beweging hadden willen zien. Dat geldt met name ten aanzien van een signaleringssysteem. Dat is ook het punt dat het Ctgb terecht benoemt. Voorzitter. Alles afwegende wil het kabinet ondanks de irritatie over het proces instemmen met het voorliggende voorstel, met daarbij een aantal duidelijke punten in de stemverklaring, waarbij we hopen dat er in de triloogfase nog verbeteringen zullen komen en we ook daarna voor die verbeteringen zullen pleiten. Dat was een lange inleiding, voorzitter, maar ik ga ervan uit dat hier ook flink wat interrupties op komen. De voorzitter: Dank voor de inleiding. Er is al een interruptie gevraagd door mevrouw Bromet. Daarna komt lid Kostić. Mevrouw Bromet (PRO): Ik ga heel even de strijd nog aan over woorden, namelijk dat Nederland koploper zou zijn. Dat horen we heel vaak, maar er wordt geen invulling aan gegeven wat dat dan is. Op biologische landbouw lopen we ontzettend achter en de lelieteelt wordt nu als goed voorbeeld gegeven van reductie, terwijl lelies een van de meest vervuilende producten zijn die gekweekt worden. Kan de staatssecretaris daar even op ingaan? Staatssecretaris Erkens: De feiten die het lid Bromet benoemt, kloppen. Mij gaat het erom dat er stappen gezet worden. In de lelieteelt is het probleem al langer bekend en zijn er sinds 2020 stappen gezet waardoor het gebruik van middelen gehalveerd is in 2024. Dit betekent niet dat we er zijn of dat de zorgen weggenomen zijn of dat er niet nog substantiële, grote stappen te zetten zijn in de komende periode. Kamerlid Kostić (PvdD): De staatssecretaris probeert een woordenspelletje te spelen. De conclusie was dat onvoldoende is gewaarborgd dat het niveau van bescherming niet daalt ten opzichte van de huidige situatie. Het is niet gewaarborgd dat het niet daalt. Dat is heel duidelijk. We halen het huidige beschermingsniveau, dat eigenlijk al onvoldoende is, niet eens. Erkent de staatssecretaris dat op z'n minst? Staatssecretaris Erkens: Nee, dat herken ik niet. Ik wil ook geen woordenspel spelen. Daarom ben ik heel transparant over onze afweging, over het ongemak dat wij ook voelen bij dit proces. Daarom ben ik er heel transparant over dat we nu een weging moeten maken over een voorstel dat op sommige vlakken een verbetering vormt ten opzichte van het huidige systeem en op sommige vlakken een onzekerheid met zich meebrengt, met name ook op het punt of het beschermingsniveau gewaarborgd kan blijven. De afweging die wij maken over dit totaalpakket is dat het een verbetering is ten opzichte van het huidige systeem. Dat neemt niet weg dat er inderdaad ook onzekerheden in zitten. Kamerlid Kostić (PvdD): Dat is niet wat het Ctgb en de andere wetenschappers zeggen. Die zeggen juist dat over het totaalpakket kan worden gezegd dat je niet kan waarborgen dat het beschermingsniveau op z'n minst hetzelfde blijft. De Kamer was gewoon heel duidelijk in die strekking. Ik vraag de staatssecretaris toch of hij het niet met ons eens is dat we op z'n minst de zekerheid moeten hebben dat het huidige beschermingsniveau gegarandeerd wordt. Staatssecretaris Erkens: Nee. Ik vind de vraag wel terecht, want als ik het voorstel zelf volledig had mogen opstellen, hadden we die waarborgen inderdaad gehad. Alleen, ik heb me te verhouden tot een stemming die morgen plaatsvindt over een voorstel waarin tegemoetgekomen is aan een aantal zorgen van Nederland, maar niet aan alle. Daardoor geeft het Ctgb aan dat er onvoldoende waarborgen zijn om in ieder geval zeker te weten dat het beschermingsniveau niet daalt. Dit betekent niet dat ze zeggen dat het gáát dalen, maar dat de waarborgen er niet zijn om met elkaar uit te sluiten dat het risico bestaat. Mijn voorstel hier is dat het voordeel van het pakket opweegt tegen het risico en dat we in het verdere proces proberen dat risico zo veel mogelijk inderdaad op te lossen, te mitigeren met elkaar. Dat doen we zowel door nu nog een vrij scherpe stemverklaring mee te geven als door in de triloogfase, ook achter de schermen, aangezien wij niet meer aan tafel zitten in die fase, te proberen hier onze inzet nog op te plegen. Het staat alle fracties vrij — dat zou misschien een vrijwillige oproep zijn — om dat ook via de Europarlementariërs te laten doen op dit aspect. Als na afloop blijkt dat ook na de triloogfase het signaleringssysteem er niet is, dan ben ik bereid toe te zeggen dat wij met andere lidstaten die dit belangrijk vinden, gaan kijken of we er onderling toch iets met elkaar op kunnen bedenken en er een mouw aan kunnen passen. Ik wil dit risico dus mitigeren, maar ik vind het zonde als wij nu tegenstemmen en daarmee ook de voordelen kwijtraken, die de Kamer trouwens ook vaak gezocht heeft, zoals snellere toelating van laagrisicomiddelen en biocontrol. Het huidige systeem piept en kraakt namelijk ook. We zien ook dat de herbeoordeling vaak veel later plaatsvindt door gebrek aan capaciteit. Het is niet dat we terugvallen op iets wat heel goed werkt. De voorzitter: Volgens mij is er nog een vervolgvraag van het lid Kostić. Daarna ga ik door naar mevrouw Bromet en daarna heeft de heer Lohman nog een vraag aan de staatssecretaris. Kamerlid Kostić (PvdD): De conclusie blijft gewoon dat er sprake zal zijn van achteruitgang. Niemand is hier echt positief over. Ik snap deze conclusie van de staatssecretaris niet, maar dat maakt niet uit. Hij zegt eigenlijk dat we meer invloed kunnen uitoefenen als we gewoon voorstemmen. Hoe komt de staatssecretaris tot die conclusie, aangezien we weten dat de lidstaten in de triloogfase weinig invloed meer hebben? Staatssecretaris Erkens: De conclusie is niet dat er sprake zal zijn van achteruitgang. De conclusie is dat we niet kunnen garanderen dat er achteruitgang of verbetering zal plaatsvinden. Dat is volgens mij het punt. Er is een onzekerheid. Dat zegt het Ctgb ook in de evaluatie. Dat is geen woordenspel, maar het luistert wel nauw, ook omdat mensen die naar het debat kijken, anders het vermoeden krijgen dat wij gaan instemmen met iets waarvan we zeker weten dat het gaat verslechteren, en dat staat er gewoon niet. Voorzitter. Wat het proces betreft stel ik voor dat we inderdaad constructief zijn in deze discussie, omdat we als Nederland met een aantal andere lidstaten samen hebben opgetrokken op de punten die ik zojuist benoemd heb. Die zijn binnengehaald. We zijn meer tegemoetgekomen dan andere lidstaten op dit vlak. We hebben ook de indicatie dat als je inderdaad met elkaar probeert dit voorstel verder te verbeteren, wij dit met de invloed die we kunnen uitoefenen hopelijk in deze fase nog kunnen aanpassen. De Europese Commissie heeft trouwens bij een rondetafel in de Kamer ook aangegeven dat ze openstaat voor een signaleringssysteem. Anders zullen we inderdaad na het aannemen van het voorstel in de triloogfase met andere lidstaten zelf iets hierop moeten bedenken. Mevrouw Bromet (PRO): Een glas is halfvol of halfleeg. De staatssecretaris zegt: we gaan voorstemmen met een stemverklaring. Tegenstemmen vindt hij te ver gaan, maar je kunt je natuurlijk ook onthouden van stemmen, zoals ik net in mijn eerste termijn heb gezegd. Ik wil ook met een motie komen. Hoe kijkt hij daarnaar? Staatssecretaris Erkens: We hebben inderdaad drie opties: tegenstemmen, onthouden of voorstemmen. Onthouden zal natuurlijk iets minder nadelige effecten kunnen hebben op je invloed op het verdere proces dan tegenstemmen. Tegelijkertijd vind ik het voorstel dat er nu ligt een verbetering ten opzichte van het huidige systeem. Daarom willen wij, ondanks het feit dat er ook nadelen aan zitten en dat er onzekerheden in zitten, instemmen met dit voorstel. Maar uiteindelijk is het een politieke weging die u als Kamer zal moeten maken, of u het nu met mij eens bent of niet. De voorzitter: De heer Lohman heeft volgens mij nog een interruptie. De heer Lohman (CDA): Mijn vraag gaat ook over de alternatieve routes. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dit een heel lastige afweging vind, omdat de tekst, met name vanuit het Ctgb, mij niet voldoende geruststelt dat dit een verbetering is, om de woorden even op een andere manier neer te zetten. Ik ben heel erg aan het zoeken. We willen natuurlijk dat er invloed op het proces blijft. Ik ben ook niet vanzelfsprekend voorstander van tegenstemmen. Zou de staatssecretaris toch nog eens kunnen schetsen wat de momenten zijn waarop we zo veel mogelijk invloed kunnen hebben op het proces als wij als Kamer zouden zeggen: we vinden het echt heel ingewikkeld om voor te stemmen? Misschien kan hij ook even uitleggen aan mensen wat er nou allemaal nog gebeurt in Europa. Daar kan je veel over lezen en je kan er verschillende interpretaties van krijgen, maar misschien met wat tijd en aandacht: hoe werkt dat proces en waar zitten nou nog de momenten dat we echt invloed kunnen hebben? Ik ben er namelijk echt niet gerust op. Staatssecretaris Erkens: In die onzekerheid zullen we ook een besluit moeten nemen. Ik zal morgen moeten stemmen en u zal vandaag al stemmen over wat u als Kamer vindt. Er zijn nog een aantal momenten waarop je invloed kan uitoefenen. Dat is inderdaad morgen door nog een stemverklaring mee te geven, hopelijk ook met een aantal andere landen die de zorgen delen. De irritatie over het proces bestaat trouwens niet alleen bij Nederland, maar ook bij een aantal andere lidstaten, want die zitten nu net zo halsoverkop deze discussie te voeren binnen regeringen en ook vaak met hun parlement. Die irritatie is dus breder. In de triloogfase zitten een aantal partijen aan tafel: de Europese Commissie, de voorzitter van de Europese Raad — dat zal binnenkort Ierland zijn — en het Europees Parlement. Wij zullen dit punt in onze contacten met de Commissie blijven afgeven. De invloed die wij kunnen uitoefenen, zal vanuit mijn kant zitten in het beïnvloeden van de Europese Commissie en de voorzitter van de Raad op dat vlak. Vanuit uw kant zal die liggen in uw eigen partijlijnen richting het Europees Parlement. De voorzitter: Voordat ik u het woord geef, meneer Lohman, wil ik nog kort het volgende melden. Een aantal mensen zijn ietsje later binnen komen lopen. Dat snap ik, want er waren veel lastminutebrieven. Wij hebben afgesproken dat interrupties onder de 30 seconden niet meetellen. Nu wil ik er best wat coulant in zijn omdat u er niet was, maar laten we die regel dan vanaf nu doen gelden. Dan weet u dat. Dan geef ik de heer Lohman nu het woord voor een volgende vraag. De heer Lohman (CDA): Ja, ik heb een verduidelijkende vraag. U noemt heel even kort andere lidstaten. Wat is daar de sfeer? Is er een mogelijkheid dat een groep nog gezamenlijk extra druk kan uitoefenen? Hoe kunnen we daarin samen optrekken? Staatssecretaris Erkens: Doordat het proces zo rommelig en last minute verloopt, is het onduidelijk wat andere lidstaten gaan doen. Wij zullen natuurlijk met een stemverklaring komen. Zodra het debat geweest is, de stemmingen in de Kamer geweest zijn en wij onze inzet helder hebben, zullen wij richting andere lidstaten onze inzet communiceren om te kijken of we met zo'n stemverklaring nog bondgenoten kunnen vinden. Het is allemaal alleen wel kort dag door dit rommelige proces. Het is dus vrij onduidelijk waar het op afkoerst morgen. In die onzekerheid zullen we een besluit hierover moeten nemen; dat is het ongemak dat ik zowel bij u als bij mezelf proef. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik ben benieuwd wat de consequenties zijn de keuze die de Kamer vandaag c.q. de staatssecretaris morgen maakt. Als wij als Nederland tegenstemmen omdat een motie daar wellicht een meerderheid haalt, wat betekent dat dan voor het vervolgproces? Dezelfde vraag heb ik voor het geval wij ons onthouden van stemming. Wat gebeurt er dan? Aansluitend op wat de heer Lohman zegt, vraag ik ook: wat doet de staatssecretaris nog tussen nu en de stemming morgen? Ik hoor mijn collega's lachen, maar ik bedoel natuurlijk wat hij doet in het contact met de andere lidstaten. U hoeft niet alles te delen, maar dat vooral. Staatssecretaris Erkens: Er is niet heel veel tijd in het proces. Laat ik twee dingen zeggen die ik nog zal doen. Zodra u gestemd heeft en de inzet van ons als Nederland helder is, zal ik naar andere lidstaten communiceren wat Nederland gaat doen. We hebben in het traject hiervoor natuurlijk met een aantal andere lidstaten achter de schermen opgetrokken, dus aan hen zullen we zeker ook doorgeven waar onze zorgen nog zitten. De impact van een tegenstem, een onthouding of een voorstem zal zijn dat die misschien beslissend zal zijn voor de vraag of de Omnibus doorgaat of dat die hier zal stranden. Dat heeft ook te maken met het feit dat de stemverhoudingen op dit moment onduidelijk zijn. De impact van onthouden is natuurlijk net anders dan die van een tegenstem, maar onthouden kan er ook toe leiden dat een voorstel de eindstreep niet haalt. Daarom zal het eigenlijk een politieke weging zijn of u vindt dat de voordelen van dit systeem opwegen tegen de risico's die we nemen. Daarbovenop komt uiteraard alle inzet van het kabinet in het vervolg van dit proces om nog de verbeteringen aan te brengen die wij zoeken, maar dat is de weging die we moeten maken. De voorzitter: Een korte vervolgvraag van mevrouw Den Hollander. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik doel niet alleen op de impact van of het voorstel het wel of niet haalt als gevolg van een meerderheid van stemmen, maar vooral op wat het gevolg is voor de participatie van Nederland in het proces. Maakt het daarvoor uit? Als we tegenstemmen, staan we dan buitenspel? Dat hoor je weleens. Als we onthouden, staan we dan niet buitenspel, maar zeggen we dan niks? Hoe zit het daarmee? Staatssecretaris Erkens: Je staat niet volledig buitenspel. Je gaat dan het volgende krijgen. Men kijkt in de triloogfase naar de stemming die daarna zal volgen. Men kijkt dus: welke lidstaten waren hier al voor en moeten we in het mandje houden, en welke zijn per definitie sowieso tegen? Je invloed zal dus iets meer of minder zijn, maar ik kan u niet vertellen dat je met een voorstem alles binnenhaalt of dat je met een tegenstem op geen enkele manier meer meespreekt. Daarbinnen zijn gradaties. Kamerlid Kostić (PvdD): Maar nu hoor ik toch echt dat we veel meer invloed kunnen uitoefenen door morgen juist iets anders te doen dan voor te stemmen. Het wordt spannend, dus Cyprus en andere landen die dit toch graag binnen willen halen, zullen beter moeten luisteren naar landen als Nederland, die de conclusie hebben getrokken dat de ondergrens niet eens is gehaald of dat daar überhaupt geen zekerheid over is. Waarom zou de staatssecretaris dan niet willen optrekken met een aantal andere landen? Dan kunnen ze zeggen: "Jongens, dit is veel te snel gegaan. We hebben die zekerheid niet. We moeten wat meer tijd pakken." Staatssecretaris Erkens: We stemmen morgen over de vraag of het wordt doorgeleid naar de triloog. We hebben morgen geen optie voor meer tijd. Morgen moeten wij als Nederland kleur bekennen. Dat is het ongemak bij dit snelle proces. Die zullen we ook uitspreken in onze stemverklaring hierover. Morgen zullen we echter hom of kuit moeten geven over de vraag wat wij van dit voorstel vinden. Dat is gewoon de realiteit in deze besluitvorming. De voorzitter: Een korte vervolgvraag van het lid Kostić. Kamerlid Kostić (PvdD): Maar als je met meerdere lidstaten weet uit te spreken dat het zo niet gaat en het voorstel dus van tafel gaat door tegen te stemmen, dan creëer je juist weer ruimte om met z'n allen opnieuw te kijken hoe we het wél goed kunnen maken. Dat is een kleine vertraging voor de Omnibus, maar wel een terechte vertraging, aangezien het nu echt niet goed is. Ziet de staatssecretaris die kans om met andere landen op te trekken? Staatssecretaris Erkens: Er is altijd een kans om hier met andere landen in op te trekken. Ik ben er niet heel optimistisch over dat er heel snel een alternatief voorstel door de besluitvorming in de Commissie komt als we het voorstel wegstemmen. We hebben natuurlijk al vrij lang met elkaar gewacht op een voorstel op dit vlak, ook wat betreft het mogelijk maken van biocontrols. Ik durf niet te zeggen dat er binnen een halfjaar een beter voorstel op de mat ligt als dit voorstel weggaat. De kans is vrij groot dat dit voorstel dan weg is en we doorgaan met het huidige systeem. De heer Chris Jansen (PVV): De staatssecretaris heeft natuurlijk contact met collega's, met collega-ministers in andere landen. Ambtelijk zijn er ook contacten. Hoe schat de staatssecretaris in wat de gevolgen zijn van de keuze die Nederland maakt op de keuze van andere landen? Zijn er al landen die hebben aangegeven dat ze met u samen gaan optrekken of daarnaar neigen? Staatssecretaris Erkens: Nee, die indicatie heb ik op dit moment niet. Dat heeft dus ook te maken met de rommeligheid van het proces. Alles is last minute en iedereen is nu vooral bezig met zijn eigen standpuntbepaling en afstemming daarbinnen, omdat het vaak veel verschillende departementen raakt. Mevrouw Bromet (PRO): We zijn helemaal niet bij het Omnibusblokje, maar ik stel deze vraag toch maar even. De staatssecretaris had het over andere departementen. Was het moeilijk voor hem om het departement van Volksgezondheid mee te krijgen in deze standpuntinname? Er zitten namelijk nogal wat risico's aan verbonden. Staatssecretaris Erkens: Dit standpunt is namens het kabinet. De voorzitter: Dan hebben wij volgens mij toch echt van alle leden de interrupties gehad bij de inleiding van de staatssecretaris. Ik ga de staatssecretaris nu verzoeken over te gaan tot het blokje Omnibusvoorstel. Staatssecretaris Erkens: Voorzitter. U kunt zich voorstellen dat er al heel vragen beantwoord zijn. Ik kijk dus even of er vragen zijn die de leden gesteld hebben, maar die nog niet beantwoord zijn. Ik wil wel nog één keer mijn dank uitspreken aan de Kamerleden voor het begrip dat het proces vanuit onze kant volgens mij zo snel mogelijk uitgevoerd is, ondanks alle beperkingen, gegeven de korte tijd. Ik vind het ook niet ideaal als je anderhalf uur voor een debat een brief krijgt met zo'n belangrijk standpunt. Dat vond ik als Kamerlid al helemaal niet. Dat is eigenlijk gewoon de realiteit van het proces, maar, nogmaals, die irritatie deel ik met u. Vanuit het kabinet proberen wij in ieder geval alles zo goed en snel mogelijk te sturen. Ik probeer in dit besluitvormingsproces, ook omdat het zo rommelig is door hoe het Europees geagendeerd is door Cyprus, heel transparant met u te zijn over onze afwegingen, de beperkingen en de onzekerheden die komen kijken bij de stemkeuze. Vandaag is het aan u om bij de stemmingen politiek te wegen of u mijn redenatie het meest overtuigend vond of dat u toch zegt: we kiezen een andere route. Daar ben ik dus gewoon vrij transparant in. Ik zie, zeg ik toch in alle eerlijkheid, dat ik de vragen die ik tot nu toe allemaal zie langskomen, al besproken heb in interrupties. Misschien dachten de Kamerleden dat ik die vragen niet zou beantwoorden, maar ik was het echt van plan. Ik kom nog bij de heer Vermeer. Het gaat in de mapjes altijd op volgorde. Ik zie dat ik nog wel een vraag van de heer Jansen heb. Nee, die heb ik ook beantwoord. De heer Lohman had nog een vraag over het maatschappelijke debat hierover en over influencers. Ik vind het belangrijk om het maatschappelijke debat te voeren. Dat is ook mijn inzet in onder andere het convenantstraject. ook de onafhankelijke voorzitter, Gert-Jan Segers, heeft een dialoogtraject tot een van de prioriteiten hierbinnen gemaakt. We zien namelijk gewoon dat de polarisatie toeneemt, met uiteindelijk slechte uitkomsten aan beide kanten, aan de ene kant meer zorgen bij omwonenden en aan de andere kant ook meer zorgen bij telers, en een verharding van het debat tot gevolg. Het is dus ook echt een prioriteit om daar met elkaar stappen in te zetten. Ik ben zelf begin deze week in Drenthe geweest, bij een bollenteler. Daar hebben we aan tafel gezeten met omwonendenorganisaties, in dit geval de groep Meten=Weten, die juist rechtszaken voert tegen de bollentelers, en ook met de bollentelers zelf. Het was een heel stevig gesprek, waarin de oprechte emoties van beide kanten werden gevoeld. Het geeft ook heel duidelijk aan dat we met elkaar een weg hieruit moeten gaan vinden, omdat het niet een model is dat ik voorsta op dit dossier. De heer Lohman (CDA): Goed om te horen dat daarover gesproken wordt. Mijn vraag is: zijn er al concrete ideeën over? Ik kan mij namelijk voorstellen dat een overheidscampagne van "landbouwgif is oké" niet het meest geschikt is. We hebben best ervaring met overheidscampagnes die de plank misslaan. Een dialoog is dus goed, maar wat moet ik mij daar concreet bij voorstellen? Staatssecretaris Erkens: Dit kan een heel lang antwoord worden. Dat wordt dus nog uitgewerkt in het convenant. Dat is het flauwe antwoord hierop. Ik denk dat er een aantal aspecten van belang zijn. Eén is dat we met elkaar vertrouwen hebben in een breed convenantstraject. Aan de ene kant zitten dan de telers aan tafel, maar ook Natuur & Milieu, medeoverheden; ga zo maar door. Als je daar ambitieuze plannen neerlegt met respect voor de zorgen van beide kanten, heb je in ieder geval een verhaal over hoe je met elkaar de komende jaren stappen zet. Daarnaast vroeg volgens mij mevrouw Podt naar transparantie. Ik denk dat dat een belangrijk aspect zal zijn in deze discussies. Als je inderdaad weet wat de risico's zijn en wat er gespoten wordt, kun je op die manier met elkaar het vertrouwen deels terugkrijgen in deze discussie. Dat is met name het geval — dat was een interessant punt dat op maandag langskwam — als je meer inzet op duurzame gewasbeschermingsmiddelen. Dan zul je mogelijk nog vaker moeten gaan spuiten, dus dan wordt die transparantie ook juist van belang om te voorkomen dat mensen zich nog meer zorgen maken, terwijl we juist de stap maken naar veiligere middelen. Mevrouw Podt (D66): Mijn vraag ging ook heel expliciet over "wanneer". Dit is namelijk ook een doorn in het oog van veel omwonenden. Zij worden vaak op lukrake momenten geconfronteerd met mensen die aan het spuiten zijn. Dat kan niet de bedoeling zijn. Kan er dus een soort verplichting komen om daar open over te zijn? Staatssecretaris Erkens: Dat loopt nu als onderwerp mee in de convenantstafel. Ik kan dus niet zeggen wat nou de precieze oplossing wordt. De balans die we proberen te vinden is inderdaad zo veel mogelijk openheid en transparantie richting omwonenden bieden, zonder dat je meteen inderdaad alle gegevens, ook van telers, op straat legt. Aan die kant zit immers ook een gevoeligheid. Maar dit onderwerp ligt daar gewoon op tafel. Het zal ook betekenen dat we uw Kamer de komende maanden meer kunnen informeren over wat daaruit komt. Mevrouw Bromet (PRO): Nog even over die Omnibus, want ik dacht dat we nog in dat blokje zaten. Wat gaat de staatssecretaris nou precies zeggen in die stemverklaring? Gaat die alleen over het proces, of ook over de inhoud? Staatssecretaris Erkens: Die gaat over het proces én de inhoud. Ik zal daar dus ook de punten benoemen waar wij ons als Kamer en als kabinet zorgen over maken. Het meest prominente punt hierin is een signaleringssysteem, waarvan we echt verwachten dat de Commissie daar de komende maanden iets voor bedenkt. De Commissie heeft hier niet voor niks in een rondetafelgesprek aangegeven dat ze daar open voor zouden staan. We proberen dat signaleringssysteem dus echt concreet te maken. Daarnaast hebben we inderdaad nog punten over maximale residulimieten, waar we nog een aantal vragen en zorgen over hebben, en ook over biociden. We hebben eigenlijk dezelfde zorgen over biociden als over gewasbescherming. Die gaan over het gebrek aan een signaleringssysteem en over de langere goedkeuringstermijnen voor de stoffen die niet in het bakje hoog risico zitten en niet in het bakje laag risico, maar eigenlijk tot de groep daartussenin behoren. Mevrouw Bromet (PRO): Ik wil niet drammen, maar daar hoort toch beter een stemonthouding plus stemverklaring bij, in plaats van instemmen met? Staatssecretaris Erkens: Wij maken gewoon een andere weging, omdat ik vind dat de voordelen van dit systeem opwegen tegen het risico en wij het bestaande risico ook willen mitigeren. Maar uiteindelijk zal de Kamer de weging moeten maken of zij het daarmee eens is. De voorzitter: Dan gaat de staatssecretaris volgens mij nog door met het blokje Omnibusvoorstel? Staatssecretaris Erkens: Ja, en daarin heb ik nog één vraag van de heer Vermeer, voorzitter. Die gaat over de laagrisicomiddelen en biomiddelen. Hij vroeg waarom biomiddelen alsnog buiten de versnelde procedures kunnen vallen als ze niet als laagrisicomiddelen geclassificeerd worden. Dat klopt. De versnellingsmaatregelen in het compromisvoorstel gelden alleen voor middelen die op basis van de intrinsieke eigenschappen kunnen worden aangemerkt als laagrisicostoffen. Ook biologische middelen kunnen hoogrisicomiddelen zijn, uiteraard afhankelijk van de stoffen die zij behelzen. Het is belangrijk dat wij ook hiernaar blijven kijken. Ik denk ook dat voor het vertrouwen in de toelating we de definitie niet zouden moeten willen oprekken. Als Nederland hebben we er juist voor gepleit om die definitie van laag risico ook op deze manier in te perken, omdat we eigenlijk alleen laagrisicostoffen willen toelaten via die versnelde procedures. Voorzitter. Dan was dit het blokje Omnibus, maar misschien zijn daar nog vragen over. Ik kijk even naar de Kamerleden. De voorzitter: Een korte vraag van de heer Vermeer. De heer Vermeer (BBB): Ik had nog wel specifiek gevraagd welke stemverklaring de staatssecretaris gaat afgeven rond die MRL's. Ik heb dat nog niet helemaal duidelijk gehoord of niet goed geluisterd; ik denk het eerste. Staatssecretaris Erkens: Omdat ik dat nog niet gezegd heb; dat klopt. Wij willen daarbij benoemen dat we waarde hechten aan een breed impactassessment, ook hierop. Dat zullen we trouwens ook zeggen op de bescherming van mens, dier en milieu bij biociden en gewasbeschermingsmiddelen. Met de MRL's, die nu inderdaad in het voorstel staan, kan er namelijk ook mogelijk een impact zijn op handelsstromen en dergelijke. We willen met elkaar wel goed helder hebben welke mitigerende maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat daar knelpunten ontstaan. Dat impactassessment richt zich ook echt op hoe dit in de praktijk gaat uitpakken. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik betwijfel toch dat door een blokkerende minderheid, waar Nederland een rol in zou kunnen spelen, het hele Omnibusvoorstel voor altijd helemaal van tafel gaat. Er is ook een regel dat als er zoiets lijkt te ontstaan, de Raad verplicht is om alles binnen zijn vermogen te doen om te kijken hoe dan toch meer lidstaten kunnen worden meegenomen. Er wordt dan wel degelijk een beweging gemaakt om meer te onderhandelen in plaats van meteen het Omnibusvoorstel van tafel te vegen. Kan de staatssecretaris dat bevestigen? Staatssecretaris Erkens: Dat klopt. Het kan van tafel gaan of het kan later opnieuw geagendeerd worden. De voorzitter: Een korte vervolgvraag. Kamerlid Kostić (PvdD): Heel specifiek: het is dus niet zo dat als we tegenstemmen, het dan van tafel gaat. Het creëert juist ruimte om door te blijven onderhandelen en het te verbeteren, dus echt invloed te hebben. Als we het nu weggeven door voor te stemmen heb je — dat is ook het eerlijke verhaal — geen echte invloed meer als lidstaat. Kan de staatssecretaris in ieder geval bevestigen dat er morgen echt een kans ligt om tegen te stemmen, juist om meer binnen te halen voor Nederland? Staatssecretaris Erkens: Er is geen garantie dat wanneer je tegenstemt en het voorstel het niet haalt, het nog een keer geagendeerd wordt. Dat is gewoon een inschatting van hoe fundamenteel de bezwaren zijn daarbinnen. Ik geloof zelf dat wij een stem vóór goed kunnen uitleggen, omdat het systeem ook komt met een aantal zaken waar de Kamer al lang voor gepleit heeft, met name ook de snellere toelating van laagrisicomiddelen. Dat komt inderdaad met de onzekerheid of de waarborgen voldoende zijn bij die tussencategorie stoffen, die niet laag risico en niet hoog risico zijn, omdat daarvan de goedkeuringstermijnen verlengd zijn. Dat is trouwens al een verbetering ten opzichte van de onbeperkte toelating die eerst voorgesteld werd. De weging die u hierin moet maken, is uiteindelijk of u die voordelen op vindt wegen tegen het risico en of u gelooft dat we met elkaar het risico kunnen mitigeren. Dat willen wij als regering echt wel zo veel mogelijk bepleiten in de resterende triloog en, als het er niet voldoende in zit, daarna samen met andere lidstaten die dit van belang vinden. Mevrouw Podt (D66): Ik moet heel eerlijk zeggen dat de procedures in Europa mij soms nogal duister zijn. Ik moet soms dus een beetje varen op mensen die daar net iets meer van weten dan ik. Ik krijg toch wel mee dat een blokkerende minderheid ertoe leidt dat de onderhandelingen mogelijk gewoon weer doorgaan. Juist omdat we al met elkaar in een proces zaten waarvan wij, volgens mij, allemaal hadden verwacht dat we daar nog wat meer tijd voor hadden, zou ik me wel kunnen voorstellen dat dat kan helpen. Ik snap nog steeds het dilemma van de staatssecretaris wel, want het is allemaal vrij onvoorspelbaar, maar de eerdere claim was dat het per definitie zou betekenen dat we helemaal vanaf nul zouden moeten beginnen. Dat lijkt me dan ook niet helemaal aan de hand. Staatssecretaris Erkens: Dat zei ik net ook als antwoord op de vraag van het lid Kostić. De opties zijn dat het niet meer terugkomt of dat het later opnieuw geagendeerd wordt met een aangepast voorstel. Dat is de onzekerheid in dit proces en dat is ook de frustratie die ik voel, waardoor het nu inderdaad zo onder druk gezet wordt. We tasten gewoon in het duister over wat het zou betekenen als het voorstel het niet haalt. Het kan zijn dat het niet meer terugkomt, niet meer geagendeerd wordt, of dat men zegt: we ondernemen nog een poging hiertoe. In die onzekerheid moeten wij morgen besluiten. Kamerlid Kostić (PvdD): Volgens mij willen meerdere lidstaten de Omnibus op de een of andere manier voortzetten, maar is een groot deel van de lidstaten ook heel kritisch op het huidige voorstel. De kans is dus heel groot dat de onderhandelingen gewoon worden voortgezet, met een beter resultaat voor Nederland en ook voor wat de Kamer wil: op z'n minst een garantie dat het huidige beschermingsniveau in stand blijft. Is de staatssecretaris het daarmee eens? Staatssecretaris Erkens: Nee, dat is echt uw inschatting daarin. Er is gewoon een kans dat wanneer je het wegstemt, het voorstel van tafel verdwijnt. Er is een kans dat het inderdaad niet het geval is. Wij vinden het huidige voorstel voldoende verbeterd om ermee te kunnen instemmen, maar we hebben nog wel een aantal zorgenpunten die we in de rest van het proces willen verbeteren, en na aanloop deels willen mitigeren als die niet verbeteren. In die onduidelijkheid zullen we een besluit moeten nemen. Kamerlid Kostić (PvdD): Het verhaal van de staatssecretaris gaat alle kanten op. Hij zegt: er is een kans voor dit en er is een kans voor dat. Hij moet toch erkennen dat er een realistische kans is dat de onderhandelingen gewoon worden voortgezet, gezien de brede steun voor het idee van een Omnibus? Staatssecretaris Erkens: Ik kan geen kanseninschattingen maken. Ik ga hierin ook niet naar het casino. Wat dat betreft is het gewoon onduidelijke besluitvorming. Zo werkt deze Europese besluitvorming op dit vlak. Een voorstel kan van tafel verdwijnen en een voorstel kan daarna weer terugkomen. In die onzekerheid moeten wij hierin een besluit nemen. Het standpunt van het kabinet hierin heb ik u vanochtend toegestuurd. Het is ook aan de Kamer om de weging te maken of u ons daarin volgt of niet. Volgens mij is dat uiteindelijk de weging die we hier zullen maken, want ik denk niet dat we het in dit debat eens gaan worden over de vraag of we het inhoudelijk een beter voorstel vinden of niet. Kamerlid Kostić (PvdD): Voor de rest zullen er weinig interrupties zijn. De staatssecretaris zegt dat hij geen kanseninschatting kan maken, maar dat doet hij wel. Hij komt namelijk tot het besluit om in te stemmen, terwijl ik hem eigenlijk hoor zeggen: we gaan waarschijnlijk juist meer invloed hebben als we nu tegenstemmen of ons onthouden van stemming. We hebben juist de kans om verder te onderhandelen om een beter resultaat te halen als we voor die kant kiezen. De staatssecretaris maakt wel een inschatting in die kansen, dus ik snap gewoon niet waarom hij denkt dat hij de goede route kiest. Dat moet hij toch echt beter gaan uitleggen. Staatssecretaris Erkens: Ik heb gewoon het gevoel dat ik het nog zes keer kan uitleggen, maar dat we het niet eens worden over de inschatting die het kabinet maakt. Qua proces zit er gewoon veel onzekerheid in. Dat is gewoon de realiteit. We hebben als Nederland, doordat we niet eerder een behandelvoorbehoud geplaatst hebben, meer binnengehaald dan veel andere lidstaten. Er is nog één punt dat we met elkaar echt aangepast willen zien, namelijk het signaleringssysteem. Dat willen we in de triloogfase verder agenderen, ook via de stemverklaring. Als dat niet lukt, willen we daarna met een aantal andere lidstaten die het van belang vinden echt kijken naar hoe we daar een oplossing voor kunnen vinden. Het argument waardoor wij als kabinet uiteindelijk hiermee willen instemmen, is dat het voorstel wat ons betreft meer voordelen dan nadelen kent. Dat is de weging die we hierin maken. De heer Vermeer (BBB): Het is voor sommige partijen misschien wel wennen dat er ook in Europa een ander idee over regeldruk kan leven dan hier in Nederland. Is de staatssecretaris het met mij eens dat niet meeonderhandelen in de volgende fase, of jezelf buitenspel zetten, ook kan leiden tot extra verruiming van regels? Staatssecretaris Erkens: Dat kan in dit geval zeker, want we zien dat het standpunt van Nederland hierin met name in Noordwest-Europa en Scandinavië gedeeld wordt, en niet in veel van de andere lidstaten. Mevrouw Den Hollander (VVD): Alhoewel wij als VVD tegen nationale koppen zijn, vraag ik me toch het volgende af. Als dit Omnibusvoorstel erdoor komt en er op een gegeven moment eindelijk een resultaat ligt, wat gaat Nederland daarna dan nog doen met de implementatie binnen Nederlandse regelgeving? Staatssecretaris Erkens: Dat moeten we uitwerken. We gaan het implementeren zoals het vanuit Europa voorgesteld wordt. Het gaat trouwens om de toelating van stoffen op Europees niveau. Het raakt op dat vlak niet aan de toelating van middelen door het Ctgb. Ik zei net dat als het signaleringssysteem er niet komt in dit voorstel, in de triloogfase, ik met de lidstaten die het ook belangrijk vinden, met name in Noordwest-Europa en Scandinavië, wil kijken of je tussen de departementen en met de toelatingsautoriteiten, het Ctgb en de evenknieën, met elkaar wel een wetenschappelijk signaleringssysteem of een vorm daarvan kan uitwerken, waardoor je als er een eerdere herbeoordeling nodig is die signalen eerder met elkaar gaat opvangen. Dat is een stukje dat je mogelijk nog nationaal, samen met een aantal andere lidstaten, wil oppakken. Tegelijkertijd vind ik het heel moeilijk voorstelbaar dat over dit punt, wetenschappelijke kennis zo snel mogelijk naar buiten krijgen, ook in Europa, heel veel bezwaren leven in andere lidstaten, vandaar dat we echt proberen om het nog in dit proces erin te krijgen. De heer Chris Jansen (PVV): Ik probeerde het net met een andere vraag. Ik hoor de staatssecretaris het hebben over de signaleringsfunctie. Die vinden we heel belangrijk. Welke landen vinden dat ook? U heeft het over Noord-Europa en Scandinavië, maar kunt u daar wat specifieker over zijn? Welke landen zijn dat? Staatssecretaris Erkens: Nee, ik kan wat betreft die onderhandelingen, die gesprekken met die lidstaten, niet aangeven welke landen wel of niet met ons optrekken, want die gesprekken vinden achter de schermen plaats. Ik kan u wel zeggen dat dat landen in Noordwest-Europa of Scandinavië zijn. U kunt dan wel raden in welk bakje die landen zitten. Voorzitter. Dat betekent dat ik naar het blokje convenant gewasbescherming ga. Ook voorafgaand aan dit blokje heb ik van uw Kamer terechte vragen ontvangen en goede suggesties ontvangen over het opnemen van zaken. Ik zal die meenemen naar de gesprekken met de convenantpartners. Voor uw informatie: ik zit daar zelf als bewindspersoon niet aan tafel en sluit morgen bij het convenant aan. U timing wat betreft het plannen van dit debat is dus wederom uitstekend. Zowel voor de stemming over Food and Feed als voor het convenant gewasbescherming kwam het toevallig zo uit. Tegelijkertijd vraag ik uw Kamer wel om er begrip voor te hebben dat ik niet op elke vraag een volledige toezegging of een gedetailleerd antwoord kan geven, want het convenantstraject loopt nog. Uiteindelijk zal ik sturen op de doelen die gemeld zijn in de Kamerbrief. Dan zal gewogen worden of dit een voorstel is dat wij goed genoeg vinden. In die balans met de partijen aan tafel wil ik hun de ruimte geven om zelf met goede oplossingen en voorstellen te komen. Voorzitter. Ik heb een vraag van het CDA hierover gekregen. Die ging over de opinie van André Hoogendijk van BO Akkerbouw. Hij roept op tot een autoriteit voor gewasbescherming en het CDA vraagt hoe wij daarnaar kijken. Ik heb kennisgemaakt met dat opiniestuk. Ik denk dat een autoriteit een belangrijke bijdrage kan leveren aan de doelstellingen die we hebben op het gebied van het verminderen van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen. Om zo'n instrument te laten slagen, dient er wel breed draagvlak voor te zijn. Dat nemen we dus ook mee in het convenant. Het zou een van de uitkomsten kunnen zijn. Dan ga ik naar een vraag van de heer Flach, over de rol van voedselzekerheid en continuïteit in teelten. Voor ons is het perspectief voor de teler en tuinder van groot belang in het proces. Daarom zetten we in op een convenant als instrument, zodat je ook in de gezamenlijkheid, zowel aan ngo-kant als aan de sectorale kant als aan de kant van de overheden, medeoverheden en waterschappen tot een gebalanceerd pakket kan komen, waarin er recht wordt gedaan aan de zorgen van alle participanten daarbinnen. Dat betekent dus met name dat het voor de sectorpartijen moet gaan om een pakket met voldoende middelen om teelten te kunnen beschermen, waarmee je voedselzekerheid dus een prominente plek in dit pakket geeft. De heer Flach vroeg ook nog hoe we kunnen waarmaken dat de teler een gevulde gereedschapskist houdt. We zetten in het convenant in op een ondersteunend instrumentarium. Dat wordt in drie sporen uitgewerkt. Het eerste is een innovatiespoor voor de ontwikkeling van weerbare plant- en teelsystemen. Het tweede is een maatregelenspoor voor meer alternatieve methoden en technologieën zoals groene gewasbeschermingsmiddelen. Het derde is een innovatiespoor gericht op precisielandbouw en robotisering. Die drie sporen waren het antwoord op uw vraag, meneer Flach. Daarnaast zet ik ook buiten het convenant in op een goedgevulde gereedschapskist voor telers. We zijn nu ook als vervolg het Praktijkprogramma Plantgezondheid aan het opzetten, op initiatief van het amendement van het lid Flach. Dan heb ik nog een vraag van de heer Flach. In de Kamerbrief spreken we over: "Heldere kaders voor ruimtelijke zonering rond kwetsbare gebieden en functies, in samenspraak met bredere zoneringsaanpak in de taskforce." De heer Flach vroeg wat we bedoelen met "heldere kaders". Hij gaf daarbij aan dat een verbod op spuiten glashelder maar onmenselijk is. Er is een duidelijke noodzaak vanuit rechterlijke uitspraken voor een helder landelijk beleidskader over de omgang met kwetsbare gebieden, zoals Natura 2000-gebieden en gebieden met een functie, zoals woongebieden. Mijn inzet voor het convenant is om hier afspraken over te maken met de sectorpartijen. Dat zal naar mijn idee inhouden dat gewasbeschermingsmiddelen niet overal op dezelfde manier en in dezelfde mate toegepast kunnen worden, omdat je duidelijkheid wil geven aan medeoverheden, de sector en omwonenden. Tegelijkertijd wil je daarbinnen wel de ruimte geven aan de sector om daar invulling aan te geven op een wijze die bij hen past. Ook werd er gevraagd welke rol bedrijfsgerichte doelsturing krijgt. Wat mij betreft krijgt die een belangrijke rol in het convenant. Het is belangrijk dat die nu ontwikkeld wordt, samen met de sector. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een benchmarksysteem, zodat ze weten welke stappen er gezet kunnen worden en je kan gaan sturen op milieubelastingspunten. Zo kunnen we, zoals afgesproken in het coalitieakkoord, echt gaan sturen op de reductie van de effecten, en niet alleen maar, zoals net aangegeven werd, op het aantal kilo's gewasbeschermingsmiddelen. Voorzitter. Dan had ik nog een vraag over de precisietechnieken, van de heer Flach. Ik heb net al geantwoord dat we daar inderdaad op inzetten met het convenant, maar we kijken ook Europees, binnen de verschillende gremia en werkgroepen, aan welke randvoorwaarden nog voldaan moet worden om die precisietechnieken te kunnen inzetten. Ik was er zelf al van onder de indruk. Maandag was ik op een werkbezoek op dat vlak. Je ziet inderdaad dat het op sommige plekken kan leiden tot een reductie van 97% of 99%. Dat betreft de driftreductie in dit geval, niet het gebruik van gewasbescherming zelf. Dat zou natuurlijk een belangrijk aspect kunnen zijn van de oplossing. Voorzitter. Dan heb ik een vraag van mevrouw Podt over afspraken over transparantie naar omwonenden en duidelijkheid over spuitvrije zones. Kunnen we toezeggen om met omwonenden in gesprek te gaan? Mijn inzet is om in het convenanttraject tot heldere kaders voor die ruimtelijke zonering rond natuurgebieden en kwetsbare functies te komen in samenspraak met die partners. Daarbij kijken we ook expliciet naar omwonenden. Ik kan niet vooruitlopen op wat er binnen dat traject nu op tafel ligt. Ik kan wel aangeven dat ik maandag ook zelf in gesprek ben gegaan met omwonenden van de lelieteelt in Drenthe. Ik gaf net ook aan dat bij dat gesprek beide kanten aan tafel zaten. Dat benadrukte voor mij ook het belang van een convenant dat zorgt voor een oplossingsrichting, want ik hoop dat de polarisatie die ik in Drenthe zag niet het voorportaal is voor de rest van Nederland op dit dossier. Volgens mij is dat vooral een aanmoediging om nu met elkaar de goede richting in te slaan. Mevrouw Podt (D66): Ik denk dat we daar wel echt iets in te doen hebben. Wij kunnen van alles vinden van die polarisatie, maar het is natuurlijk voornamelijk een kwestie van een overheid die veel te lang veel te weinig richting heeft aangegeven op dit thema, denk ik. Is de staatssecretaris dat met mij eens? Staatssecretaris Erkens: Dat ben ik voor een deel met u eens. Die zelfreflectie wil ik hierin ook tonen. Ik vind dat het Rijk daar onvoldoende regie in heeft genomen, vandaar dat we ook aan dat convenant werken, om die regie weer te nemen. We hebben het wat dat betreft meer bij de provincies en gemeentes laten liggen, die nu vaak per gemeente met ander beleid komen, omdat het Rijk onvoldoende regels stelde op dit vlak. We horen vanuit de sector ook: neem regie vanuit het Rijk, want postcodebeleid is voor ons ook heel kwetsbaar, omdat we dan niet weten waar we aan toe zijn. De vraag over transparantie van telers naar omwonenden toe had ik volgens mij net beantwoord. Dan was er ook nog een vraag van het lid Podt over de uitkomsten van het WUR-onderzoek. Zij vroeg of spuitvrije zones worden meegenomen in het convenant. Uiteraard loopt het mee in het convenant. Het WUR-onderzoek loopt nog. Zodra dat bekend is, zullen we het in die gesprekken betrekken, en uiteraard ook met uw Kamer delen. Mevrouw Bromet (PRO): We krijgen natuurlijk ook nog voor de zomer het pakket om het stikstofprobleem op te lossen. Spelen die spuitvrije zones daar ook nog een rol in? Staatssecretaris Erkens: We proberen op dit vlak met het convenant gewasbescherming en de taskforce stikstof inderdaad wel raakvlakken mee te pakken, als die er zijn, zodat je vanuit het ene traject niet met beleid komt dat weer haaks staat op het andere traject. Mevrouw Den Hollander (VVD): Er is in het verleden goede ervaring opgedaan met de Autoriteit Diergeneesmiddelen. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen een autoriteit gewasbescherming? Daarover verscheen vanochtend nog een mooi bericht. Staatssecretaris Erkens: Dat was volgens mij ook een vraag van de heer Lohman. In principe sta ik daar positief tegenover. Het is ook onderdeel van het convenanttraject. Ik denk wel dat het van belang is dat je met elkaar goede afspraken maakt over wat zo'n autoriteit doet en welke functie die hierin vervult, maar ik zie dat het potentieel meerwaarde kan bieden. Voorzitter. Het lid Podt had nog een vraag over het laten afnemen van de druk op natuurgebieden. Zij vroeg welke concrete stappen we daartoe nemen. Provincies zijn het bevoegd gezag voor Natura 2000-gebieden en zijn primair verantwoordelijk voor vergunningverlening en handhaving. Wij ondersteunen provincies bij de uitvoering, onder meer samen met het IPO, bij het verduidelijken van het handhavingskader. In het convenant hebben we niet voor niks provincies en gemeentes aan tafel gezet. Zo kunnen we dit vraagstuk daarin ook meenemen. Daarnaast ondersteunen we de provincies met het vervolgonderzoek van de WUR naar een gestandaardiseerde monitoring en een methode om die meetgegevens beter te vertalen naar ecologische effecten, ter versterking van de vergunningverlening, maar ook gewoon voor effectiever beleid. Mevrouw Podt (D66): De staatssecretaris zegt "het verduidelijken van het handhavingskader", maar dat is er natuurlijk niet helderder op geworden door de rechterlijke uitspraak. Ik hoor in ieder geval van veel kanten, zowel van het lokale bestuur als van telers als van omwonenden: wat gaat er nou eigenlijk gebeuren? Wanneer denkt de staatssecretaris zelf dat hier nou meer helderheid over kan worden geboden? Staatssecretaris Erkens: Wel op relatief korte termijn. Ik gaf net al aan richting het lid Bromet dat we ook de raakvlakken tussen de taskforce en het convenant gewasbescherming meenemen. De drukfactoren op de Natura 2000-gebieden zijn daar natuurlijk onderdeel van. We zullen dat in de komende periode dus gewoon met elkaar meenemen. Het is inderdaad niet de bedoeling dat we over een jaar naar aanleiding van een onderzoek een keer iets daarover gaan zeggen. Voorzitter. Het lid Vermeer vroeg of ik bereid ben om binnen het convenant onderzoek te doen naar alternatieve middelen, resistente rassen en innovatieve teeltsystemen, en geïntegreerde gewasbescherming te versnellen, zodat middelen verdwijnen als er werkbare alternatieven voor zijn. Het is inderdaad nodig dat telers snel beschikking krijgen over meer alternatieven om gewassen te beschermen. De inzet in het convenant is dat er een stevig innovatiespoor komt, met onder andere onderzoek, het stimuleren van alternatieve ontwikkelingen en innovatiesubsidies, precies om dit mogelijk te maken. Daarnaast wil ik ook vervolg geven aan het Praktijkprogramma Plantgezondheid, ook naar aanleiding van het amendement-Flach, dat uw Kamer heeft aangenomen. De heer Vermeer (BBB): Mag ik aannemen dat er in het convenant ook gekeken wordt naar kleinere teelten? Middelen moeten nu elke keer per teelt worden toegelaten. Bij nieuwe teelten is het vaak heel moeilijk om een set beschikbaar te krijgen, omdat dat gewoon commercieel nog niet interessant is. Wordt er ook nog aandacht besteed daaraan, dat er makkelijker toegang is voor nieuwe of zeer kleine gewassen? Staatssecretaris Erkens: Dit is inderdaad een complex probleem dat de heer Vermeer aanstipt. Ik ga niet zeggen dat we alle knelpunten daarbij kunnen oplossen, maar de telers zitten aan tafel en dit onderwerp zal daarbij wel aan bod komen. Voorzitter. De heer Vermeer had nog een vraag over dat nieuwe generieke spuitzones alleen mogelijk zijn bij robuuste onderbouwing. Mijn inzet is om in het convenanttraject tot heldere kaders voor ruimtelijke zonering rond kwetsbare gebieden en functies te komen in samenspraak met de convenantpartijen. Daarbij kijken we uiteraard ook naar de wetenschappelijke onderbouwing. In dat kader zijn bijvoorbeeld de WUR en het RIVM bezig met een verkenning. Zij kijken of zij een wetenschappelijk onderbouwd model kunnen ontwikkelen voor de inrichting van zo'n spuitzone. In juli zal een rapport verschijnen waarin de haalbaarheid van zo'n model wordt beschreven. Dan zullen we uw Kamer daar uiteraard ook over kunnen informeren. Kamerlid Kostić (PvdD): Ik hoor heel veel over de convenantpartijen en allerlei plannen voor de toekomst, maar we hebben een gesprek gehad met omwonenden en de minister van Volksgezondheid, waar de staatssecretaris helaas niet bij was, en ik ben benieuwd welke gesprekken de staatssecretaris hierover wel met omwonenden gevoerd heeft. Staatssecretaris Erkens: Zoals ik net aangaf, zat ik maandag in Drenthe aan tafel met de bollentelers en omwonenden. Dat waren een aantal groepen die woonden rondom de bollenteelt in Drenthe, maar ook de organisatie Meten=Weten, die de rechtszaken aanspant tegen de bollentelers. Dat gesprek heb ik dus deze week nog gehad. Kamerlid Kostić (PvdD): Heel concreet: welke lessen heeft u meegenomen van die omwonenden zelf? Welke knelpunten hebben zij u meegegeven en wat gaat u daaraan doen? Staatssecretaris Erkens: Wat ik daaruit meegenomen heb, is dat het van belang is om in het convenanttraject concrete afspraken te maken over de reductie van stoffen waar zorgen over zijn, maar ook het belang van transparantie. We zagen ook heel erg dat er aan beide kanten onbegrip was over de zorgen die aan de andere kant leefde. Ik denk dat informatie en transparantie daarin wel een belangrijke rol kunnen spelen. Zoals ik net al aangaf, moet je misschien wel vaker spuiten op het veld als je overstapt naar biologische gewasbeschermingsmiddelen dan met chemie, omdat het gewoon minder sterk is. Dat kan ook leiden tot meer zorgen, dus juist transparantie kan een belangrijke rol spelen, inderdaad naast duidelijke afspraken en regels vanuit het Rijk, het convenant, om die zorgen weg te halen. Kamerlid Kostić (PvdD): Een van de zorgen van omwonenden is dat ze te maken kunnen krijgen met een buurman die ineens besluit om zijn land te gebruiken voor iets waar veel gif voor nodig is. Zo'n omwonende kan vervolgens niks doen; die staat volledig machteloos. Is de staatssecretaris bereid te kijken naar hoe we die omwonenden daarin wat meer rechten kunnen geven, zodat ze veilig kunnen blijven in hun eigen tuin en huis? Staatssecretaris Erkens: Het lid Kostić trekt het heel breed: er komt iemand naast je wonen die gif gaat gebruiken. Volgens mij ligt het heel erg aan de teelt en de middelen die gebruikt worden, vandaar dat het aspect transparantie van belang is, want volgens mij kan je daarmee een deel van de zorgen wegnemen. Dit benadrukt volgens mij de noodzaak dat we als Rijk tot heldere regels komen over wat de spelregels zijn rondom bewoonde gebieden. Daar heeft het Rijk in het verleden onvoldoende regie op genomen. Dat heb ik net ook aangegeven. Daarom is het ook onderdeel van het convenantstraject, wat voor de zomer tot afspraken op hoofdlijnen moet leiden en dit najaar tot concreet uitgewerkte afspraken. We zitten er dus met prioriteit bovenop. De voorzitter: Gaat u door, staatssecretaris. Staatssecretaris Erkens: Ja, voorzitter. De laatste vraag in dit blokje is van de heer Vermeer: kan de staatssecretaris bevestigen dat proportionaliteit en wetenschappelijke onderbouwing leidend blijven en voorkomen dat maatregelen genomen worden waarvan de maatschappelijke en ecologische gevolgen groter zijn, terwijl de daadwerkelijke risico's niet aangetoond zijn? Bij de beoordeling van stoffen en middelen is de wetenschappelijke beoordeling leidend. Dat zal ook niet veranderen. Hiervoor hebben we EFSA en uiteraard het Nederlandse Ctgb. Ook in het convenant worden wetenschappelijke partijen betrokken in de gesprekken. Daar zullen we uiteraard rekening mee houden. Voorzitter. Dan ga ik naar het blokje stoffen en toelatingen. Het lid Kostić vroeg: is de staatssecretaris bereid om samen met de minister van Volksgezondheid op korte termijn maatregelen te nemen ten aanzien van pfas? Die zorgen nemen we inderdaad zeer serieus. Wanneer daar wetenschappelijk gezien aanleiding toe is, moeten stoffen worden herbeoordeeld. Ik vind dan ook dat alle pfas-stoffen Europees moeten worden herbeoordeeld. Dat is de Europese inzet. Daarnaast hebben we gezien dat er in Denemarken een aantal stoffen en middelen van de markt zijn gehaald na een herbeoordeling, vandaar dat we met het Ctgb die herbeoordeling nu ook nationaal laten plaatsvinden bij 46 verschillende pfas-middelen. Die herbeoordeling loopt tot maart 2028. Daar zal dan vanuit het Ctgb ook een conclusie over uitkomen ten aanzien van welke stoffen nog toegelaten zijn en welke niet, en als ze zijn toegelaten, onder welke voorwaarden. De heer Flach had ook vragen over pfas. Hij had hierin net een andere invalshoek gekozen, namelijk dat er nog geen alternatieven voor zijn. We moeten ons realiseren dat het gebruik van pfas bedoeld is om de effectiviteit van gewasbescherming te vergroten, zei hij. Ik begrijp de zorgen over de beschikbaarheid van middelen, maar ik vind het wel goed dat we die herbeoordeling laten plaatsvinden. Het is daarom vooral belangrijk om te zorgen dat er meer en sneller alternatieven beschikbaar komen. We moeten inderdaad niet met elkaar wachten tot maart 2028 om dan misschien geconfronteerd te worden met een besluit met best grote impact op bepaalde teelten. Daarom staan we in het convenantstraject er ook positief tegenover dat de sector wil nadenken over welke alternatieven er zijn. Ik heb ook aangegeven dat ik van plan ben dit najaar nog in gesprek te gaan met de sector en de relevante partijen om te anticiperen op besluitvorming die hieruit volgt. Je moet dan namelijk ook op tijd beginnen met de alternatieven, als middelen uitgefaseerd gaan worden. Ik wil niet in maart 2028 tegen u moeten zeggen dat we daar niet over nagedacht hebben, vandaar dat we er ook echt nu aan beginnen, met de sector samen. Voorzitter. De heer Jansen vroeg: erkent de staatssecretaris dat het huidige toelatingsbeleid van de NVWA en het Ctgb een innovatiefuik is geworden, terwijl de economische realiteit genegeerd wordt? We zetten volop in op het versnellen van de beschikbaarheid van innovatieve groene middelen voor de sector. Ik zet er ook op in dat innovatieve technieken goed inpasbaar zijn in dat toelatingsbeleid. We hadden het net over de inzet van driftreductiemiddelen. Maar we kijken ook naar robotisering. Ik zag maandag een geweldige innovatie: ze haalden daar met lasers het onkruid weg. Dan heb je geen gewasbescherming nodig. Daar proberen we echt ruimte voor te bieden met het Ctgb. Daarnaast zetten we in op een verdere praktijkgerichte en fundamentele kennisontwikkeling, ook via het convenant. Het Ctgb heeft in het verleden ook een apart groen loket ingericht, volgens mij op verzoek van de Kamer, waar je veel sneller een procedure kan doorlopen. Daardoor kunnen deze aanvragen veel sneller goedgekeurd worden en kunnen we het middelenpakket van de telers uitbreiden. De heer Chris Jansen (PVV): Dit is precies de reden waarom ik die vraag stel. Ik had namelijk ook een vraag gesteld over Phyto-drip en traybehandeling. Dat wordt negatief beoordeeld, terwijl er sprake is van zowel milieuwinst als economische toegevoegde waarde. Dat vind ik tegenstrijdig aan hetgeen de staatssecretaris net zegt. Staatssecretaris Erkens: Maar ik ga ook niet vanuit mijn positie elke beoordeling van het Ctgb in twijfel trekken of ter discussie stellen. Ik vind het van belang dat die besluitvorming plaatsvindt zonder politieke sturing. Zo voorkom je aan de ene kant dat middelen die nodig zijn voor het pakket van de teler en die wetenschappelijk juist kunnen, misschien door een politiek besluit veel eerder van de markt af gaan. De andere kant is dat we ook middelen afgewezen zien worden waarvan het Ctgb zegt dat ze niet veilig toegepast kunnen worden. Daarom beroep ik me ik op de expertise van het Ctgb. Ik denk namelijk dat politieke besluits- en meningsvorming per middel heel kwetsbaar kan zijn en heel snel tot een hellend vlak kan leiden. Voorzitter. De heer Jansen vroeg ook of ik voor een gelijk Europees speelveld sta. Ja, dat vinden we zeer belangrijk. Het Omnibusvoorstel zal ook zorgen dat telers beschikking krijgen over meer laagrisicomiddelen die soms nu al worden toegelaten in andere lidstaten. Daar waar een ongelijk speelveld ontstaat, willen we ook kijken hoe het gelijkgetrokken kan worden. De heer Flach had een vraag over potentieel gevaarlijke stoffen die aan de voorkant uitgesloten worden. "Willen we Brussel daartoe bewegen?" We kijken bij de beoordeling van stoffen en middelen naar de risico's van het gebruik in de praktijk. Voor een aantal kenmerken wordt ook gekeken naar het potentiële gevaarprofiel. Ik hecht er wel waarde aan dat dit in stand blijft. Ik gaf net in de toelichting richting de heer Jansen aan waarom ik het niet naar politieke besluitvorming wil trekken. Er zijn gegronde redenen voor het bewaken van de integriteit van dit proces. De heer Flach (SGP): Dat snap ik. We moeten niet politiek afwegen welke stoffen je wel of niet moet gebruiken. Die neiging hebben we hier misschien weleens, maar het is beter om dat niet te doen. Mijn punt zit 'm in de definitie van "potentieel gevaarlijk". Dat heeft alles te maken met de hoeveelheid die je toepast. Volgens mij heb ik in het debat van een maand geleden het voorbeeld van koffie genoemd. Onder die normen is het een potentieel gevaarlijke stof, maar we drinken het, ook tijdens deze vergadering, in een bepaalde hoeveelheid. Daar zit mijn punt 'm in. Er moet echt naar de effecten in de praktijk gekeken worden, niet naar de maximale dosis en of het dan misschien ooit, in een bepaalde situatie, een gevaarlijke stof zou kunnen zijn. Staatssecretaris Erkens: Die vraag snap ik. Laat ik daar in de tweede termijn op terugkomen. Ik weet dat we in Nederland bij het Ctgb ook rekening houden met de dosering. Vaak is iets toegelaten onder voorwaarden op het gebied van driftreductie, toepassing of beschermingsmateriaal dat aangedaan moet worden. Op het stoffenaspect zal ik in de tweede termijn terugkomen. Voorzitter. De laatste vraag in dit blokje is van de heer Goudzwaard. Is de staatssecretaris bereid om bepaalde middelen langer beschikbaar te laten met precisie- en spotsprayen, vroeg hij. Cruciaal voor een toelating is dat een middel veilig gebruikt kan worden. Het gaat dus om veilig gebruik. Precisietechnieken kunnen dus inderdaad ingezet worden om die risico's te verlagen. Daarbij is wel van belang dat we op randvoorwaarden kunnen handhaven en controleren. We zetten ons hier wel voor in. Inderdaad, als je een veel lagere dosering van iets toepast, is het gevaar ook beperkter, mits je daar wel op kan handhaven. Voorzitter. Dan kom ik bij het blokje overig. Van het lid Bromet kreeg ik de vraag of ik een verplichte registratie mogelijk wil maken van middelengebruik van telers? En wil ik dat centraal toegankelijk maken, zoals de Rekenkamer ons adviseert? Vanuit de sector is er een oproep gedaan om te komen tot een autoriteit gewasbescherming die hierin een rol kan spelen. Ik denk dat zo'n autoriteit een belangrijke bijdrage kan leveren aan deze doelstellingen, evenals aan de doelstellingen op het gebied van het verminderen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Daar dient wel breed draagvlak voor te zijn. Daarna komt namelijk de vraag op over de vertrouwelijkheid van data en hoe daarmee wordt omgegaan. Daarom nemen we het in het convenantstraject mee. We nemen het ook expliciet mee in de discussie over de autoriteit, omdat die natuurlijk een belangrijke rol kan spelen bij het inzichtelijk maken en het beheren van die gegevens met vertrouwen van de telers. Voorzitter. Dan was er ook een vraag van het lid Bromet over de drift op de biologische landbouw. We zijn nu samen met de sector bezig om zo veel mogelijk aan driftreductie te doen, onder andere met precisietechnieken, om de oorzaak hiervan aan te pakken. Biologische producten kunnen wel verkocht worden als aangetoond is dat biologische boeren deze middelen niet zelf hebben gebruikt en dat de voedselveiligheid niet in het geding is. Tegelijkertijd snap ik inderdaad wel dat dit vanuit de biologische landbouw een doorn in het oog kan zijn. Je maakt de overstap en zet alle stappen tot certificering, en dan kan het toch zijn dat je daarmee geconfronteerd wordt. Vandaar dat we het ook expliciet meenemen in de gesprekken met de convenantspartijen. Voorzitter. Dan vroeg het lid Jansen hoe ik een generiek verbod in grondwaterbeschermingsgebieden kan verdedigen als wetenschappelijk bewijs voor causaliteit tussen de huidige praktijk en grondwaterverontreiniging flinterdun is. Het is nodig om in grondwaterbeschermingsgebieden maatregelen te treffen voor nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen om grondwater te beschermen ten behoeve van drinkwaterwinning. De aanpak van die kwetsbare watergebieden wordt nu uitgewerkt in een samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof. Ik denk dat u daarbij het verbod op de waterwingebieden bedoelde. Dat verbod staat nu al in de wet, maar wordt nog niet in elke provincie toegepast. Veel provincies hebben het al wel en de gesprekken met de andere provincies zijn nu gaande. Maar het gaat over de waterwingebieden, dus echt over de plekken waar het water geëxtraheerd wordt voor consumptie. Voorzitter. De heer Jansen had ook nog een vraag over de Nederlandse slakwekers. De sector heeft vrijstelling aangevraagd voor het middel Closer in de opkweek van sla. Bij een vrijstelling laat ik me steeds adviseren door het Ctgb en de NVWA. De NVWA heeft mij geadviseerd om deze vrijstelling niet te verlenen, omdat er niet werd voldaan aan de voorwaarden die de verordening stelt aan het verlenen van een vrijstelling. Er is namelijk geen landbouwkundige noodzaak, omdat zij aangeven dat er voldoende alternatieven beschikbaar zijn om het gewas gezond op te kweken. Dat andere landen het wel hebben, is voor mij nu geen argument om het wel toe te laten. Misschien ook het volgende ter informatie voor de Kamer over hoe het werkt met vrijstellingen. We hebben vrijstellingen waarvan beide toezichthouders, in dit geval het Ctgb en de NVWA, aangeven dat er een landbouwkundige noodzaak is en dat de middelen veilig onder voorwaarden toegepast kunnen worden. Die vrijstellingen worden over het algemeen verleend. Aan de andere kant hebben we vrijstellingen, zoals deze, waarvan beide toezichthouders aangeven dat ze niet goed gehandhaafd kunnen worden en dat er alternatieven zijn. Die worden meestal niet toegelaten. Er zit ook een groepje tussenin; dat zijn de vrijstellingen die je weegt, omdat er een landbouwkundige noodzaak is, maar er ook zorgen zijn over de handhaving, maar daar viel deze niet in. Voorzitter. Dan had het lid Flach een vraag over onderzoek naar pesticiden in Natura 2000-gebieden. De uitspraak van de Raad van State hierbij gaat formeel over een specifieke zaak: de nieuwe lelieteelt nabij een Natura 2000-gebied. Die uitspraak kan niet een-op-een worden doorgetrokken naar alle bestaande akkerbouwteelten. Tegelijkertijd raakt de uitspraak wel een bredere vraag, namelijk de mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden. Daarom kunnen ook andere teelten mogelijk juridische vragen krijgen, bijvoorbeeld via handhavingsverzoeken. Juist vanwege die onzekerheid zijn terughoudendheid en zorgvuldigheid van belang. Daarom willen we hier in het convenant ook echt stevige afspraken over maken, omdat je dan in overleg met provincies, gemeentes en de sector met stevig beleid kan komen. Daardoor voorkom je uiteindelijk dat je met elkaar steeds meer in die juridische strijd belandt, weten de telers waar ze aan toe zijn en laten we dit dossier niet verder juridificeren, zoals we bij een aantal andere dossiers gezien hebben. Ik hecht er dus echt waarde aan dat we hier stevige afspraken over kunnen maken, zowel in het belang van de Natura 2000-gebieden en hun kwaliteit als in het belang van de telers, omdat zij duidelijkheid willen hebben. De heer Flach (SGP): Ik ben een beetje op zoek naar duidelijkheid. De minister heeft het over stevige afspraken in het convenant. Ik lees ook in de brief dat het rapport laat zien dat gewasbeschermingsmiddelen in Natura 2000-gebieden worden aangetroffen. Tegelijkertijd blijkt dat de ecotoxicologische kennis over langdurige en cumulatieve effecten nog beperkt is. Hoe kun je dan stevige afspraken in een convenant maken? Staatssecretaris Erkens: Je hebt meerdere manieren waarop je afspraken kan maken. Eén manier is om dat inderdaad via de volledig wetenschappelijke route en onderbouwing te doen. Dat is trouwens ook vaak van belang voor de juridische handhaafbaarheid van de maatregelen die je als Rijk treft. Bij een convenant ga je met de sectoren samen kijken naar een oplossing voor een concreet probleem. Dat is aan de ene kant het feit dat gewasbescherming een drukfactor is, ook rondom Natura 2000-gebieden. Aan de andere kant is dat een rechterlijke uitspraak die onzekerheid creëert voor telers en die misschien leidt tot verdere juridische procedures. Juist om als provincies te kunnen afzien van handhavingsverzoeken, is er een duidelijk verhaal nodig over het beleid waarmee we komen om die effecten te laten afnemen. De heer Flach (SGP): Ik heb in mijn termijn ook betoogd dat veel van de aangetroffen stoffen helemaal niet uit de landbouw komen, maar bijvoorbeeld uit vlooibanden van honden, uit waterzuivering of wat dan ook. We moeten toch wel oppassen, als onvoldoende afgebakend is waar het vandaan komt, met het maken van stevige afspraken geënt op die informatie over de Natura 2000-gebieden. Of gaat de staatssecretaris zover dat hij zegt: nee, dat geldt ook voor humane anti-insectensprays, vlooienbanden voor honden en noem maar op? Daar zitten soms middelen in die in de landbouw allang verboden zijn. Welke kant gaat het op voor de staatssecretaris? Staatssecretaris Erkens: Dat klopt. Wij moeten de landbouw niet verantwoordelijk houden voor effecten die vanuit andere doeleinden bewerkstelligd zijn. Vlooienbanden van honden zijn daarbij onderwerp van discussie. Die middelen zijn niet meer toegestaan in gewasbescherming, maar worden inderdaad nog wel toegepast in de diergeneeskundige zorg. Ik wil daarbij wel benadrukken dat ook telers zelf nu aan ons vragen om duidelijke regels en kaders te geven, omdat daarmee de juridische onzekerheid die nu ontstaan is, mogelijk weggenomen kan worden. Je wilt provincies namelijk ook een grond geven om die handhavingsverzoeken te kunnen behandelen op een wijze die niet meer onzekerheid creëert voor de telers. Helder beleid en duidelijke afspraken over wat wel en niet kan, kunnen er ook toe leiden dat telers juist niet in de juridificering terechtkomen die ze willen voorkomen. Daar vragen ze ook echt expliciet om bij het Rijk. Voorzitter. Dan een vraag van de heer Jansen over geïmporteerde snijbloemen uit landen van buiten de Europese Unie. Wat gaan we doen aan geïmporteerde snijbloemen, gebaseerd op resultaten uit het BuRO-rapport? Dat rapport komt vanuit de NVWA. Wanneer komt er een verbod op de import van of een strikte residulimiet voor sierteeltproducten uit landen van buiten de EU? Ik begrijp de zorgen die leven rondom het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op bloemen. Er gelden op dit moment geen maximale residu limieten voor snijbloemen, omdat deze over het algemeen niet geconsumeerd worden. Er zit natuurlijk een effect aan. In de tussentijd geven we wel op meerdere manieren uitvoering aan de adviezen van BuRO, namelijk door onderzoek naar afvalmaatregelen. Hoe ga je daarmee om? Hoe kijken we naar de verwerkende kant? Er wordt dus wel naar gekeken. Na de zomer zal ik samen met SZW in gesprek gaan met de bloemenveiling, de retailkant en de VBW over passende maatregelen ter bescherming van werknemers op dit vlak. Voorzitter. Dan een vraag van het lid Podt over de biologische sierteelt. Ze vroeg om dat mee te nemen in het actieplan biologische landbouw. Ik kan dat toezeggen. We hebben Bionext gevraagd om met een aantal deskundigen een strategie op te stellen voor hoe we de hele sector kunnen laten groeien. Wat mij betreft hoort de inkoop door de overheid ook bij zo'n integrale strategie. Sommige gemeentes en provincies zijn daarmee bezig, maar we kunnen daar als Rijk uiteraard ook naar kijken. Momenteel loopt er al een verkenning bij het Rijk, provincies en gemeentes om te bekijken wat er nog meer gedaan kan worden. We kijken daarbij ook naar de criteria van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Zodra we die uitkomst hebben, kunnen we de Kamer daar uiteraard over informeren. Mevrouw Podt (D66): Wat ik de staatssecretaris nog graag wil meegeven hierover, is het volgende. Dat vergt ook dat we er soms net op een andere manier naar kijken, omdat het actieplan biologische landbouw nu heel vaak echt gericht is op voedsel, en dus ook gaat over kilo's, wat in het geval van hele mooie biologische tulpen best wel een beetje raar is. Het vergt dus nog wat extra's. Staatssecretaris Erkens: Dat punt kunnen we zeker meenemen. Dan een vraag van het lid Lohman over ketenverantwoordelijkheid. Alternatieven zijn er nog niet. Het kan niet expliciet bij boeren en retailers het risico wegnemen. Hoe kijken we naar ketenverantwoordelijkheid? In de inzet in het convenant nemen we die ketenverantwoordelijkheid expliciet mee, want in het vraagstuk van gewasbescherming hebben zij ook een belangrijke rol te spelen. Dat kan ik zeggen tegen de heer Lohman. De heer Lohman had ook een vraag over een wereld zonder schadelijke bestrijdingsmiddelen, met de voedselproductie op peil. Wat is de komende jaren nodig om die droom werkelijkheid te maken? Nou, het is nodig dat telers snel de beschikking krijgen over meer alternatieven om gewassen te beschermen. De inzet bij het convenant is dat er om die reden een stevig innovatiespoor komt, met onderzoek, het stimuleren van alternatieven, innovatiesubsidies en ga zo door. Denk ook aan een praktijkprogramma plantgezondheid. Zodra je die alternatieven hebt ontwikkeld, kun je natuurlijk veel meer doen om de overstap van de middelen die nu gebruikt worden, te versnellen. Dan kom ik bij de vraag van het lid Vermeer om bij de herbeoordeling van middelen ook de gevolgen voor voedselproductie en ontbrekende alternatieven in acht te nemen. Nee, dat kan ik hierin niet meenemen, ook verwijzend naar het eerdere debat. Ik hecht aan de wetenschappelijke beoordeling op grond van gevaren voor mens, dier en milieu, met name omdat wat hij vraagt de besluitvorming politiek zou maken, met aan de ene kant — dat snap ik vanuit het perspectief van de heer Vermeer — misschien het langer toegelaten houden van bepaalde middelen, en aan de andere kant druk op het eerder van de markt halen, afhankelijk van hoe meerderheden op die dossiers lopen. Ik hecht echt waarde aan de integriteit van het wetenschappelijke proces hierin. Ons beleid is uiteraard wel het beschikbaar stellen van zo veel mogelijk alternatieven en daar ook echt een versnelling in aanbrengen, want de zorg over het afnemende middelenpakket is meer dan terecht. De heer Vermeer (BBB): Ik heb iets moeite met dit antwoord, omdat het aan de ene kant suggereert dat het niet politiek moet worden, en de staatssecretaris in de volgende zin zegt dat het hier gaat om meerderheden in deze Kamer en hij het dus wel politiek maakt. Kan de staatssecretaris dat toelichten, ontzenuwen of wat hij maar wil? Staatssecretaris Erkens: Ontzenuwen, want zo heb ik het niet bedoeld. Ik bedoel daarmee dat wanneer je besluitvorming zoals deze politiek maakt, afhankelijk van de maatschappelijke discussie op een dossier, de meerderheid in een bepaalde lidstaat, de uitslag van een verkiezing of de samenstelling van een Kamer, je uiteraard niet weet of het gaat uitdraaien op met name middelen langer op de markt houden of op ze eerder eraf halen. Ik denk dat de zorg, afhankelijk van de politieke kleur, misschien meer op de ene of op de andere kant gaat zitten, maar ik hoop dat we hier allemaal belang hechten aan de integriteit van het wetenschappelijke proces, om te voorkomen dat we dit politiek maken. Er komt ook voor telers veel meer onzekerheid als je zo'n proces anders gaat inrichten. Voorzitter. Ik kijk even rond … De voorzitter: Mevrouw Bromet heeft een interruptie. O, die komt helemaal aan het eind. Staatssecretaris Erkens: De heer Vermeer had nog een vraag over de stemverklaring voor de MRL, maar die stelde hij bij het blokje Omnibus. Hij zat bij mij in het verkeerde mapje, maar ik heb hem wel beantwoord. Hij zat er dus nog in. De heer Flach had nog een vraag over de WUR. Gaan we uit van de Ctgb-criteria of de factor 1.000? De gebruikelijke veiligheidsfactor bij toelatingsbeoordelingen is 100. De toelatingsbeoordeling is niet ingericht op de beschermdoelen van Natura 2000-gebieden. Wageningen heeft dus in de verkennende studie gekozen voor een factor 1.000, vanwege onzekerheden over de meetgegevens. Vanwege die onzekerheden is nu ook vervolgonderzoek uitgezet, zodat je tot beter onderbouwd beleid kan komen, omdat dat nu gewoon nog heel moeilijk is. De heer Flach (SGP): Wat de staatssecretaris nu zegt, is eigenlijk de beschrijving van wat ik ook in mijn bijdrage had gezegd. Mijn vraag was: blijft de staatssecretaris in het vervolg uitgaan van die factor 1.000 of de door het Ctgb gebruikte factor 100? Ik bedoel, prima dat ze daar voor een bepaald onderzoek voor gekozen hebben, maar dat mag geen uitgangspunt voor beleid zijn als dat niet verder onderbouwd is. Staatssecretaris Erkens: De WUR kan haar eigen onderzoek hierin doen. Het Ctgb gaat uit van 100. Dit gaat om onderzoek naar wat er nodig is om de drukfactor op Natura 2000-gebieden deels weg te halen. Zij onderzoeken dus op welke manier je dat goed kunt meten. Gegeven de onzekerheid daarover doen ze aanvullend onderzoek. Maar het Ctgb-beleid zit op 100. Voorzitter. Dan was er ook een vraag van de heer Flach over de zorgen over aangescherpte beoordelingscriteria. Gaan wij inzetten op het gebruik van precisietechnieken? Bij precisietechnieken kunnen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast in veel kleinere doses, op de juiste locatie. Dit draagt ook bij aan het verminderen van het gebruik van schadelijke chemische gewasbeschermingsmiddelen. Afgelopen maandag zag ik in Drenthe hoe je die middelen kan toepassen. Ik was erg onder de indruk van met name de driftreductie die toegepast kan worden. Die zat vaak op 95%, maar soms zelfs op 97% of 99%. De verdere uitrol hiervan stimuleren en de knelpunten weghalen, maar ook de verdere innovatie stimuleren zie ik zeker als onderdeel van mijn beleid. De heer Goudzwaard had dezelfde vraag over de precisielandbouw. Dat is het nadeel als je als laatste de vraag stelt, denk ik. Voorzitter. Dan had ik van de heer Goudzwaard ook de vraag: kan het wenselijk zijn dat bepaalde chemische middelen in de laatste fase van uitfasering alleen beschikbaar zijn in combinatie met spotsprayen? Vooropstaat dat het gebruik van elk middel veilig moet zijn. Het Ctgb kijkt inderdaad ook naar de voorschriften waarmee je zo'n middel toepast. Dit wegen zij op dit moment dus ook al mee. Daarnaast kijken ze of het uiteindelijk controleerbaar is, want je wil voorkomen dat de effecten te groot worden als men die toepassingsvoorwaarden niet gebruikt. Dat wordt expliciet meegenomen. De heer Goudzwaard stelde ook de vraag hoeveel extra groene middelen boeren over drie jaar daadwerkelijk moeten kunnen gebruiken. Het is gevaarlijk om daar een getal op te plakken. Biologische middelen hebben veelal een specifieke werking en ze kunnen de chemische middelen vaak ook niet een-op-een vervangen; ze komen op dit moment het beste tot hun recht in een combinatie van verschillende middelen of methoden. Ook bij mijn bezoek op maandag zag ik inderdaad dat robotisering, dus een robot die onkruid weglasert, niet het hele vraagstuk oplost; dat is een onderdeel van het proces, waardoor je uiteindelijk minder chemie nodig hebt. Hetzelfde geldt voor het gebruik van biologische gewasbeschermingsmiddelen: dat kan het gebruik van chemie bij sommige teelten op veel plekken in het proces weghalen, maar het kan het nog niet volledig vervangen. Voorzitter. Dan heb ik nog één vraag van het lid Bromet over bufferzones rondom watergebieden en de meerjarige transitie naar weerbare teelten. De aanpak van kwetsbare watergebieden nemen we ook mee in de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof. Zoals ik net aangaf tegen de heer Jansen, is het nodig om in die grondwaterbeschermingsgebieden maatregelen te treffen voor de nutriëntenopgave alsook voor gewasbeschermingsmiddelen, om grondwater te beschermen ten behoeve van drinkwaterwinning. Logisch is inderdaad een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in waterwingebieden, ook conform de eerdere motie-Grinwis. Die gesprekken hebben we nu ook met de provincies. Mevrouw Bromet (PRO): Ik heb nog een vraag die eigenlijk helemaal niet aan de orde is gekomen, maar in andere debatten over bestrijdingsmiddelen wel. Die gaat over pfas. TFA is het allerkleinste stukje pfas en elke regendruppel op aarde bevat TFA. Nu is heel onlangs bekend geworden dat het ECHA, de beoordelingsinstantie, zegt dat dit TFA schadelijk is voor het ongeboren kind en vermoedelijk ook schadelijk is voor de vruchtbaarheid. De pesticidenwetgeving in Europa verplicht er eigenlijk toe om op grond van zo'n advies alle pfas-pesticiden en TFA-uitstotende stoffen te verbieden. Als het klopt wat ik zeg, is de staatssecretaris dan ook bereid om wetgeving voor te bereiden om deze pfas-pesticiden te verbieden? Eerder had ik hier al om gevraagd, omdat dit in Denemarken al gaande is, maar de staatssecretaris of het huidige kabinet nog even twee jaar extra de tijd wilden nemen. Volgens mij is deze nieuwe informatie aanleiding om dit te versnellen. Staatssecretaris Erkens: Denemarken heeft zo'n stap inderdaad al genomen. Wij hebben naar aanleiding daarvan nu de herbeoordeling ingezet. Die loopt nu tot maart 2028. Ik zal in de tweede termijn daarop terugkomen, ook op basis van de informatie die het lid Bromet aandroeg. De voorzitter: Dan dank ik de staatssecretaris voor het beantwoorden van alle vier de blokjes. Ik zie dat mevrouw Den Hollander nog een vraag heeft. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik wist niet of het helemaal klaar was, inmiddels. Het is nu helemaal klaar. Mag ik dan nog heel even terug naar het eerste blokje? Ik heb toch nog één vraag die mij bezighoudt. De staatssecretaris heeft het erover dat hij risico's wil mitigeren. Stel dat Nederland uiteindelijk instemt, omdat de voordelen opwegen tegen de risico's. Dan gaat de staatssecretaris zich inzetten voor het mitigeren van risico's. Kan hij nog heel kort duiden wat hij daarmee bedoelt? Wat gaat hij dan doen en wat voor effect verwachten we daarvan? Staatssecretaris Erkens: Dit is deze week inderdaad door mij zo gezegd. We moeten nog verder uitwerken wat dat betekent. Wat ik daarmee bedoelde, is dat als er geen signaleringssysteem komt in de triloogfase, we na de triloogfase met de andere lidstaten die dit van belang vinden in gesprek gaan over hoe we hier met elkaar iets voor gaan inrichten. Daarbij wil ik er ook op wijzen dat er in het huidige systeem ook geen signaleringssysteem bestaat. We zien trouwens natuurlijk ook nu al dat sommige middelen op dit moment eerder herbeoordeeld worden, ondanks het bestaande systeem. Tegelijkertijd wordt de noodzaak om met elkaar zo'n systeem te hebben wel groter omdat je naar langere toelatingstermijnen gaat. De voorzitter: Oké, dank u wel, staatssecretaris. Dan hoop ik dat hiermee echt alle vragen zijn weggenomen die horen bij de vier blokjes die de staatssecretaris zojuist heeft behandeld. We kunnen overgaan naar de tweede termijn. Ik heb eerder al gezegd dat de spreektijd 1 minuut 20 seconden is. Er zit geen maximum aan het aantal interrupties wanneer ze tot 30 seconden beperkt blijven. Ook bestaat natuurlijk de mogelijkheid om moties in te dienen. Laten we beginnen met lid Kostić. Kamerlid Kostić (PvdD): Dank, voorzitter. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat niet voldaan is aan de randvoorwaarden voor de Kamer om zich uit te kunnen spreken over de Omnibus Food and Feed (motie-Kostić c.s. en motie-Bromet c.s.); overwegende dat het Cypriotische EU-voorzitterschap een ordentelijk democratisch proces van Nederland doorkruist; overwegende dat omwille van de volksgezondheid voldoende tijd nodig is om voor- en nadelen integraal af te wegen; constaterende dat de Parkinsonalliantie Nederland geen voorstander is van het huidige Omnibus Food and Feed compromisvoorstel; verzoekt de regering om bij het Coreper ll-overleg op dit moment niet met de Omnibus Food and Feed in te stemmen, daarbij met gelijkgezinde landen samen op te trekken en duidelijk te maken dat de Tweede Kamer meer tijd nodig heeft voor een gedegen afweging, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić. Zij krijgt nr. 750 (27858). Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat omwonenden van percelen waarbij veel pesticiden worden gebruikt enkele maanden per jaar niet normaal hun ramen open kunnen zetten of hun kinderen in de tuin kunnen laten spelen; overwegende dat het kabinet werkt aan een convenant over het gebruik van pesticiden in 2040, terwijl omwonenden op korte termijn betere bescherming van hun gezondheid nodig hebben; verzoekt de regering om in overleg met omwonenden, gezondheidsexperts en het RIVM ook met maatregelen te komen die omwonenden, waaronder kinderen en ouderen, op korte termijn meer bescherming bieden zonder het convenantproces te doorkruisen, en de Kamer hierover dit jaar te informeren, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Kostić. Zij krijgt nr. 751 (27858). Kamerlid Kostić (PvdD): Heb ik nog een paar seconden? De voorzitter: U heeft nog tien seconden. Kamerlid Kostić (PvdD): Dat is fijn. Dan kan ik nog concluderen dat die eerste motie echt een ultieme poging is om recht te doen aan de discussie in deze Kamer en aan al die omwonenden, burgers en wetenschappers die zich zorgen maken over dit Omnibusvoorstel. Als we er nu geen zekerheid over hebben dat op z'n minst het huidige beschermingsniveau kan worden gewaarborgd, ga het dan alsjeblieft niet instellen. De voorzitter: Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Bromet. Mevrouw Bromet (PRO): Voorzitter. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat niet voldaan is aan de randvoorwaarden voor de Kamer om zich uit te kunnen spreken over de Omnibus Food and Feed; verzoekt de regering om zich vocaal te onthouden van de stemming over de Omnibus Food and Feed, en daarbij duidelijk te maken dat de Tweede Kamer meer tijd nodig heeft voor een gedegen afweging, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet. Zij krijgt nr. 752 (27858). Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat de Algemene Rekenkamer concludeert dat veel regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nu niet handhaafbaar zijn; verzoekt de regering de per 1 januari verplichte digitale registratie van gewasbeschermingsmiddelen centraal te organiseren en toegankelijk te maken voor toezichthouders, overheden en wetenschappers, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet. Zij krijgt nr. 753 (27858). Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat vluchtige stoffen in bestrijdingsmiddelen een vergroot risico hebben dat ze terechtkomen op natuurgebieden, in oppervlaktewater en op biologische teelten; verzoekt de regering een lijst op te stellen met schadelijke vluchtige stoffen en deze niet meer toe te staan; verzoekt de regering biologische boeren die schade wordt berokkend door vluchtige stoffen te compenseren, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet. Zij krijgt nr. 754 (27858). Mevrouw Bromet (PRO): Voorzitter, heb ik nog tijd? De voorzitter: U heeft nog zeventien seconden. Mevrouw Bromet (PRO): Ik wil eigenlijk even zeggen dat mijn eerste motie over de Omnibus een gedeeltelijke tegenhanger is van die van de Partij voor de Dieren. Waar de Partij voor de Dieren vraagt om tegen te stemmen, vragen wij om ons te onthouden van stemmen. Op die manier denken we dat er mogelijk toch nog invloed mogelijk is, zonder dat we het nu goedkeuren. De voorzitter: Ik geef het woord aan de heer Jansen. De heer Chris Jansen (PVV): Dank, voorzitter. Ik heb twee moties. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat het gewasbeschermingsmiddelenpakket in hoog tempo krimpt; overwegende dat de Nederlandse voedselzekerheid en de exportpositie nooit op het spel mogen worden gezet; verzoekt de regering gewasbeschermingsmiddelen pas uit te faseren wanneer er alternatieven beschikbaar zijn die zowel qua effectiviteit als qua prijs aantoonbaar minimaal gelijkwaardig zijn, en natuurlijk bij voorkeur beter en goedkoper zijn, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen. Zij krijgt nr. 755 (27858). De heer Chris Jansen (PVV): De tweede motie. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, verzoekt de regering het Ctgb te instrueren de beoordeling van laagrisico-gewasbeschermingsmiddelen prioritair te behandelen om de transitie te versnellen, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Chris Jansen. Zij krijgt nr. 756 (27858). De heer Chris Jansen (PVV): Ik heb nog tijd over, maar die ga ik niet gebruiken. De voorzitter: Helder. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Podt. Mevrouw Podt (D66): Dank u wel. Allereerst dank aan de staatssecretaris en de staf voor het beantwoorden van de vragen. En ook dank aan de bodes, die hier volgens mij een hoop werk aan hebben op deze manier. Voorzitter. "Allemachtig, wat een proces" had ik opgeschreven over de Omnibus. Ik begrijp het dilemma van de staatssecretaris heel goed. Ik kom wel tot een andere conclusie dan hij; ik denk dat het beschermingsniveau net zoals het Ctgb zegt op deze manier niet gegarandeerd is. Uiteindelijk moet je daar dan niet voor willen stemmen, denk ik. Ik ga op die manier kijken naar de ingediende moties. Ik heb een eigen motie over iets anders. Ik zei het al: het stimuleren van de biologische sierteelt en voorkomen dat omwonenden zich zorgen maken. Ik ben heel blij met de toezeggingen die de staatssecretaris al heeft gedaan, maar ik wil een motie indienen die heel precies gaat over de gehele keten, niet alleen over de telers maar tot de bloemisten aan toe. Daarom heb ik de volgende motie. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, overwegende dat het telen van bloemen een ambacht is met ondernemers die bijdragen aan de leefbaarheid in onze steden en dorpen, maar dat voor de biologische teelt de markt nu toegroeit naar e-commerceplatforms en grote retail; overwegende dat bloemisten tegen allerlei bureaucratie en extra kosten aanlopen wanneer zij wél biologische bloemen willen verkopen, zoals een dure registratieplicht, alleen een boeket mogen samenstellen onder één dak met de klant en ingewikkelde regels voor hun online webshop; van mening dat we biologische sierteelt minstens net zo toegankelijk moeten maken als conventionele sierteelt; verzoekt de regering om de gehele biologische sierteeltketen te betrekken bij het Actieplan Biologische Landbouw, om te zorgen dat onnodige drempels worden weggenomen, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Podt en Goudzwaard. Zij krijgt nr. 757 (27858). Dank u, mevrouw Podt. Ik geef het woord aan mevrouw Den Hollander. Mevrouw Den Hollander (VVD): Dank, voorzitter. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat geïntegreerde gewasbescherming erop gericht is ziekten en plagen zo effectief en duurzaam mogelijk te bestrijden, met zo min mogelijk belasting voor milieu en omgeving; constaterende dat daarbij wordt gekeken naar de samenhang tussen opeenvolgende gewassen, omdat de meest effectieve bestrijding niet altijd plaats gaat vinden in het gewas waar de schade zichtbaar wordt; constaterende dat nieuwe plagen, zoals de glasvleugelcicade, in omringende landen al grote schade veroorzaken aan onder meer aardappelen en suikerbieten en zich richting Nederland verspreiden; overwegende dat een integrale aanpak van ziekten en plagen over meerdere gewassen heen kan leiden tot minder gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, minder risico op resistentievorming en een lagere milieubelasting; overwegende dat de huidige wet- en regelgeving dergelijke effectieve en duurzame maatregelen in de praktijk kan belemmeren; verzoekt de regering te inventariseren welke nationale en Europese belemmeringen een effectieve toepassing van geïntegreerde gewasbescherming in de weg staan, en daarbij te verkennen hoe regulatory sandboxes kunnen worden ingezet om innovatieve en geïntegreerde gewasbeschermingsmaatregelen in de praktijk te testen; verzoekt de regering zich ervoor in te zetten dat maatregelen binnen geïntegreerde gewasbescherming worden beoordeeld op hun effectiviteit, proportionaliteit en totale milieuwinst over meerdere gewassen heen, en niet uitsluitend per afzonderlijk gewas, en de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over de stappen die hiervoor nationaal en Europees worden gezet, waaronder de mogelijkheden voor het toepassen van regulatory sandboxes, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Den Hollander, Grinwis, Goudzwaard, Flach, Lohman en Vermeer. Zij krijgt nr. 758 (27858). Mevrouw Bromet heeft hier een interruptie over. Mevrouw Bromet (PRO): Een vraag, voorzitter, want ik weet er gewoon niet genoeg van. Er is nu regelgeving die zegt dat je per gewas moet bekijken of je een bepaald middel kunt gebruiken. Waarom is die regel zo opgesteld en wat zijn de nadelen van het voorstel dat u nu doet? Mevrouw Den Hollander (VVD): Een middel dat op de markt komt, wordt toegelaten voor bepaalde gewassen. Daarmee mag je het dus niet toepassen op andere gewassen, terwijl als je kijkt naar een bouwplan met bijvoorbeeld een rustgewas ertussenin, je met minimaal middelengebruik het volgende gewas zou kunnen beschermen. Maar dat mag dus niet, omdat het middel niet is toegelaten voor bijvoorbeeld dat graan. Wij denken dat hier een heel mooi winstpunt zit, ook voor de leefomgeving, want het gaat echt om het minimaliseren van de hoeveelheid middelen. Bovendien gebruik je het in de bodem in plaats van dat je het over het gras sproeit, waardoor er veel minder kans is op verspreiding. Het is dus eigenlijk aan alle kanten een verbetering. Alleen mag het niet omdat het niet is toegestaan voor dat gewas. Maar geen risico's dus. Mevrouw Bromet (PRO): Ik sta er gewoon helemaal blanco in. Ik denk dat een regel nooit voor niets is opgesteld. Dus deregulering, oké, maar daarmee haal je ook iets weg wat ooit is ingesteld ter bescherming van iets anders. Doet dat er nu niet toe? Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik snap wat mevrouw Bromet zegt. Zoals u wellicht weet, ben ik dierenarts. Wij gebruiken in de diergeneeskunde ook veel producten offlabel. Dit komt doordat een product bijvoorbeeld niet geregistreerd is voor gebruik bij een cavia, omdat er voor cavia's niks is, maar het die cavia wel kan helpen of bij wijze van spreken kan voorkomen dat die cavia doodgaat. Zie het dus op die manier. Het is een offlabeltoepassing, maar dat betekent niet dat er risico's aan kleven. De heer Vermeer (BBB): Ik denk dat het een heel goed voorstel is van mevrouw Den Hollander om de zaadcoating gewoon op die manier in te zetten en zo per saldo over het hele bouwplan, over vier of vijf jaar, juist minder middelen te gebruiken. Dat is de intentie hier. Ik zou ook willen vragen of onze naam daar ook onder kan. Mevrouw Den Hollander (VVD): Wat mij betreft is dat akkoord. Mevrouw Bromet (PRO): Nu wordt het me wat duidelijker. Gaat zaadcoating dan over het gebruik van stoffen die nu verboden zijn en die dan geïntroduceerd worden of niet? Daar ging namelijk de vorige discussie over zaadcoating over. Mevrouw Den Hollander (VVD): Nee, het gaat om een middel dat wordt toegestaan voor gebruik op suikerbieten, maar dat niet is toegestaan voor graan. Dan mag je het dus niet gebruiken als zaadcoating voor graan, terwijl je graan als rustgewas gebruikt. Als dat graan er dan weer op komt, dan is die grond als het ware al opgeschoond, omdat die larvale stadia er niet meer zijn. Het is een insecticide. Het is toegestaan voor bieten. Het is dus geen verboden middel. Het is alleen niet toegestaan voor dit specifieke gewas. De voorzitter: Dank, mevrouw Den Hollander. Heeft u nog moties die u zou willen indienen of is er nog iets wat u zou willen delen? Nee. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik dacht dat de tijd op was, maar ja … De voorzitter: Ja, ik krijg net te horen dat de tijd erop zit. Ik dacht dat u nog wat over had. Mevrouw Den Hollander (VVD): Het was exact getimed. De voorzitter: Helaas! Ik maak u blij met een dooie mus. Ik geef het woord aan de heer Lohman. De heer Lohman (CDA): Dank u wel, voorzitter. Het was een ingewikkeld debat vandaag; dat hebben we al een aantal keer benoemd. Ik ga geen motie indienen, maar ik heb even een kleine reflectie en nog een vraag. Mijn reflectie is dat ik, dit allemaal gehoord hebbende, bijzonder weinig zin heb om in te gaan stemmen met de Omnibus, maar ik ga mij zo meteen beraden over mijn stemgedrag ten aanzien van een aantal andere moties die daarover zijn ingediend. Ik wil alsnog eenmaal de volgende vraag meegeven. Het Ctgb is helder dat de huidige compromistekst het beschermingsniveau van mens, dier en milieu niet kan garanderen. Daarnaast dreigt de versnelde route voor biocontrol in het voorstel te smal te worden. Kan de staatssecretaris daarom nogmaals toezeggen dat hij in de triloog maximaal inzet op een Europees signaleringssysteem en een bredere biocontrolroute, en dat hij op alle mogelijke manieren die we net in het debat voorbij hebben horen komen, gaat proberen invloed uit te oefenen? Kan hij daarnaast toezeggen dat hij de Kamer blijft informeren over hoe het proces verloopt, mochten we wel instemmen? De voorzitter: De heer Vermeer. De heer Vermeer (BBB): Dank u wel, voorzitter. Ik heb één motie. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat wordt gesproken over aanvullende zoneringen en gebruiksbeperkingen voor gewasbeschermingsmiddelen rondom Natura 2000-gebieden; overwegende dat artikel 6 van de Habitatrichtlijn vraagt om passende maatregelen ter bescherming van natuur, waarbij de aard en de omvang van de maatregelen in verhouding moeten staan tot de daadwerkelijk vastgestelde risico's; overwegende dat het aantreffen van een stof niet automatisch betekent dat er sprake is van schadelijke effecten; verzoekt de regering om bij eventuele aanvullende zoneringen of gebruiksbeperkingen rond Natura 2000-gebieden uitsluitend maatregelen te treffen die zijn gebaseerd op een wetenschappelijke onderbouwing van daadwerkelijke risico's en die proportioneel zijn ten opzichte van het beoogde natuurdoel, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door het lid Vermeer. Zij krijgt nr. 759 (27858). De heer Vermeer (BBB): Voorzitter. We zijn in diverse portefeuilles en commissies bezig om te praten over het versimpelen van regels en het verlagen van de administratieve lasten. Dat juichen wij zeer toe, want dat is wat wij nodig hebben. Dank u wel. De voorzitter: De heer Flach. De heer Flach (SGP): Voorzitter. Ook de SGP is niet blij met het compromis van het Omnibusvoorstel dat hier voorligt. De vorige variant was in onze ogen beter, maar goed, dat is de werkelijkheid. Dan moet je een politieke afweging maken. Je kunt tegenstemmen, maar dan sta je ook buitenspel in de triloog. Je kunt ook kiezen voor de slappe tussenvariant van onthouden, maar dat is eigenlijk hetzelfde. Wij zouden dus tegen de staatssecretaris willen zeggen: alles overwegende is het toch goed om hiermee in te stemmen en in de triloog de aanscherpingen voor elkaar proberen te krijgen die de Kamer heeft meegegeven, bij voorkeur degene die ons welgevallig zijn. Als laatste wil ik nog even wat zeggen over spuitzones. De staatssecretaris zei iets over regie. Ik denk dat dat een van de onderwerpen is waarop ik door wethouders het meeste word aangesproken. De wildgroei daarin en hoe ze daarmee moeten omgaan, zijn echt een serieus probleem, dus graag enige regie en helderheid, benadruk ik nog een keer. Dat zet ik niet om in moties, dus daar wil ik het bij houden. De voorzitter: Dan zou ik nu willen vragen of ik het voorzitterschap tijdelijk kan overdragen naar mevrouw Bromet. Voorzitter: Bromet De voorzitter: Het woord is aan de heer Goudzwaard van JA21. De heer Goudzwaard (JA21): Dank u wel, voorzitter. Eén korte motie. Motie De Kamer, gehoord de beraadslaging, constaterende dat pfas-houdende gewasbeschermingsmiddelen mogelijk de komende jaren wegvallen vanwege zorgen over de vorming van TFA en risico's voor het grondwater; constaterende dat voor meerdere teelten deze middelen een belangrijke rol spelen bij de beheersing van met name schimmelziekten en dat er nog onvoldoende effectieve en toegelaten alternatieven beschikbaar zijn; overwegende dat vermindering van pfas in de leefomgeving noodzakelijk is; verzoekt de regering om voor eind 2026: per relevante teelt knelpunten inzichtelijk te maken voor welke toegelaten alternatieven beschikbaar zijn, wat de effectiviteit en milieubelasting van deze alternatieven is, en welke middelen naar verwachting op korte en middellange termijn beschikbaar komen; de Kamer een plan van aanpak toe te sturen om de beschikbaarheid van effectieve, alternatieve middelen voor de geïdentificeerde knelpunten te versnellen, en gaat over tot de orde van de dag. De voorzitter: Deze motie is voorgesteld door de leden Goudzwaard, Flach en Den Hollander. Zij krijgt nr. 760 (27858). De heer Goudzwaard (JA21): Dat was het, voorzitter. De voorzitter: Dank u wel. Dan draag ik het voorzitterschap weer aan u over. De heer Goudzwaard (JA21): Ik zie nog een interruptie van mevrouw Den Hollander. De voorzitter: O, ik dacht al dat we bijna klaar waren. Mevrouw Den Hollander (VVD): Als de heer Goudzwaard het goedvindt, zou de VVD deze motie wel mede willen ondertekenen. De heer Goudzwaard (JA21): Dank u wel. Dat is prima. Voorzitter: Goudzwaard De voorzitter: Dan richt ik het woord weer tot de staatssecretaris. Er zijn een aantal vragen binnengekomen en er zijn elf moties ingediend. De staatssecretaris geeft aan vijf minuten nodig te hebben voor de appreciaties. We schorsen vijf minuten. De vergadering wordt van 13.28 uur tot 13.37 uur geschorst. De voorzitter: Goedemiddag. Ik heropen het notaoverleg Gewasbeschermingsmiddelen en wil graag het woord geven aan de staatssecretaris voor het appreciëren van de ingediende moties. Staatssecretaris Erkens: Voorzitter. Ik had nog een drietal vragen, waarvan nog eentje uit de eerste termijn. Eentje ging over pfas en TFA. Dat was een vraag van het lid Bromet. Het recente ECHA-advies is bekend; dat zat al enige tijd in de pijplijn. Nederland heeft in Europa actief gepleit voor een herbeoordeling van alle pfas-stoffen in Europa, waarin deze informatie wordt meegenomen. Daar blijven we ons voor inzetten. Vervolgens wordt er voor iedere stof individueel bekeken of veilig gebruik mogelijk is. Daarom laten we het Ctgb die herbeoordeling doen. Tegelijkertijd snap ik dat de Kamer hier nog vragen over heeft. Ik zal het Ctgb vragen om sowieso helder in te gaan op het tijdpad dat het de komende periode gaat doorlopen en een specifieke reflectie te geven op het advies dat het lid Bromet noemde. Ik zal de Kamer dan informeren zodra ik die reflectie krijg. Mevrouw Bromet (PRO): Dank daarvoor. Ik ben heel benieuwd. Zoals ik het lees, wordt vanuit de regelgeving, of de systematiek, namelijk eigenlijk gesuggereerd dat je het moet verbieden. Ik hoop dat de staatssecretaris daar ook op in zal gaan. Het kost namelijk een heleboel tijd om een volledige herbeoordeling te doen. Maar als het ECHA al gezegd heeft dat dit een gevaar vormt voor de vruchtbaarheid van mensen of voor andere dingen op aarde, dan moeten we wel zo snel mogelijk ingrijpen. Dan moeten we daar dus niet te veel tijd voor nemen. Staatssecretaris Erkens: Daar zal ik op ingaan. Dan had de heer Lohman nog de vraag of ik kan toezeggen dat we ons in de rest van het proces op alle mogelijke manieren blijven inzetten voor zo'n signaleringssysteem. Ja, dat kan ik toezeggen. Gedurende de triloogfase zal ik dat richting de voorzitter van de Raad doen, via de Europese Commissie. Ik zal dat ook doen in de gesprekken die ik hierover voer met de relevante Eurocommissaris. Die gesprekken met de Eurocommissaris zouden eigenlijk plaatsvinden voorafgaand aan de stemming, maar door dit proces vinden die pas daarna plaats. Maar ik zal die momenten nog steeds benutten. Het staat u uiteraard ook vrij om uw eigen fracties in het Europees Parlement daartoe aan te moedigen. Dan hopen we het op deze manier wel nog in een proces te krijgen. Ik kan ook toezeggen dat we updates geven wanneer hier iets over te vertellen is. Dat doen we via de geannoteerde agenda's die uw Kamer regulier ontvangt. Voorzitter. Vanuit de SGP hoorde ik vooral oproepen en hartenkreten, als ik dat zo mag verwoorden. Die laat ik dan ook bij de heer Flach en dan laat ik mijn waardeoordeel daarover ook aan uw gedachten over. Dan de moties. De voorzitter: De heer Flach wil volgens mij toch even kort reageren. De heer Flach (SGP): Nee, dat hoeft niet. Het was deels een aanmoediging. Staatssecretaris Erkens: Dank voor de aanmoediging, zou ik zeggen! Dan de moties. De motie op stuk nr. 750 ontraad ik, onder verwijzing naar het debat. Die gedachtes hebben we gewisseld met elkaar. De motie op stuk nr. 751 is ontijdig. Ik wil vragen of die aangehouden kan worden, omdat we in het convenant niet alleen afspraken willen maken voor 2040, maar ook al voor eerder. Ik zou het daar dus ook bij willen betrekken. Ik zou het lid Kostić willen vragen of de motie aangehouden kan worden, zodat zij daarna kan beoordelen of die convenantafspraken voldoende zijn of dat zij meer verwacht. De voorzitter: Lid Kostić, wilt u deze motie wel of niet aanhouden? Kamerlid Kostić (PvdD): Ik ben er nog niet van overtuigd dat ik 'm moet aanhouden. Het klinkt alsof deze motie juist betrokken kan worden bij de invulling van het convenant en dat daar dus geen licht tussen zit. Er staat ook letterlijk in de motie dat die het convenant niet moet doorkruisen. Dan kan de staatssecretaris die toch meenemen als een fijne boodschap vanuit het parlement? Dan kan ik daarna inderdaad goed gaan bekijken of dat voldoende is, maar deze zaken lijken me niet met elkaar te botsen. Staatssecretaris Erkens: Er staat in dat het dit "niet moet doorkruisen", maar dan zouden we in principe wel een motie met een opdracht neerleggen bij het convenant. Dit is een van de punten die meegenomen is, vandaar dat ik het verzoek doe om die aan te houden. Ik sluit morgen namelijk aan bij het convenant en zal dan ook punten meenemen. Ik wil alleen wel voorkomen dat we nu per motie het convenant gaan bijsturen, omdat ik juist wil dat partijen zelf met oplossingen en voorstellen komen. De reden is dus meer procedureel van aard. Het is niet zo dat we het punt niet delen. De voorzitter: Het woord is nog een keer aan het lid Kostić. Kamerlid Kostić (PvdD): Toch nog even. De motie is niet heel specifiek. Het dictum vraagt alleen maar om ook kortetermijnmaatregelen te nemen voor die bezorgde burgers. De staatssecretaris heeft gezegd dat dat ook de bedoeling is van het convenant. De motie houdt dus ruimte voor onderhandelingen tijdens het convenant. Kan de staatssecretaris dat ook zo zien? Staatssecretaris Erkens: Dat kan ik zo zien. Zoals ik net zei, willen we nu procedureel voorkomen dat er per motie specifieke richtingen voor in die gesprekken worden meegegeven. Ik zou het als volgt willen. In dit proces informeer ik u over de insteek van het kabinet. Dan ligt er voor de zomer een akkoord op hoofdlijnen. Dan moet u wegen of u dat akkoord ook voldoende vindt. Ik vind het vrij complex in het proces als ik in die lopende gesprekken met moties onder de arm iets ga opleggen. Dat is echter meer iets van procedurele aard dan dat we het punt niet delen. Daarom doe ik dus het verzoek om de motie aan te houden, in ieder geval tot het akkoord op hoofdlijnen gesloten is. Dat zal de komende week afgesloten moeten worden. De voorzitter: Dan wil ik toch eerst het lid Kostić de vraag stellen: gaat u 'm aanhouden? Houdt u 'm niet aan, dan is het oordeel ontijdig. Kamerlid Kostić (PvdD): Eigenlijk zou de minister van VWS hier zitten. Het was eigenlijk de bedoeling om deze motie aan haar voor te leggen en haar erop te laten reflecteren. Er is zo veel bezorgdheid bij de omwonenden. Het enige wat hier wordt gevraagd is: neem dat nou mee in het proces. Ik ga me erop beraden, maar voor nu laat ik het gewoon zo. De voorzitter: Helder. Dan is nu mevrouw Bromet aan de beurt en daarna mevrouw Den Hollander. Mevrouw Bromet (PRO): Voorzitter, ik heb alleen een punt van orde. Kunt u de oordelen op de moties elke keer even herhalen? Ik heb gemist wat het oordeel op de motie op stuk nr. 750 was. De voorzitter: Het oordeel op de motie op stuk nr. 750 is: ontraden. Het oordeel op de motie op stuk nr. 751 is: ontijdig. Mevrouw Den Hollander (VVD): Ik heb een korte vraag over het convenantsproces. Ik had gewoon niet genoeg tijd in mijn eerste termijn om daar uitvoerig op in te gaan. Wat is exact de rol van de Kamer? Er is zo meteen een convenant. Voor de zomer komen daar de eerste schetsen van naar buiten, maar het komt volgens mij pas later echt definitief. Wanneer en op welke wijze wordt de Kamer in positie gebracht? Staatssecretaris Erkens: Dat gebeurt op meerdere wijzen. Ik informeer over de inzet van het kabinet en de randvoorwaarden die ik aan het convenantsproces meegeef. Dan wordt er voor de zomer, als het goed is, een akkoord op hoofdlijnen gesloten. Dan kunnen we daarover van gedachten wisselen en bespreken wat we ervan vinden. Dit najaar zal het dan in deelconvenanten verder uitgewerkt worden. Rondom de inzet van het kabinet heeft u er als Kamer steeds grip op. Ook heeft u grip op wat ik zelf als randvoorwaarden meegeef. Na het afsluiten van een convenant zullen wij ook een besluit moeten nemen over of we het daarna omzetten tot beleid. Mevrouw Podt (D66): Hierop voortbordurend zou ik de staatssecretaris het volgende willen meegeven. Het lastige is natuurlijk ... Het komt voor de zomer; dat is heel mooi. De staatssecretaris zegt: dan kunnen we erover van gedachten wisselen. Maar dat lukt dan niet meer voor de zomer, denk ik. Dat zitten we dan dus al in het najaar te doen. Dan begint eigenlijk de tweede ronde al. In die zin snap ik de zorg van het lid Kostić dus wel. Op welk moment kunnen we dit soort dingen als Kamer dan inbrengen? Staatssecretaris Erkens: Ik snap die vraag. Tegelijkertijd zal ik niet in de zomer op hoog tempo doorlopen, waardoor we niks meer kunnen vinden van het convenant op hoofdlijnen. Ik zal dus zorgen dat we uw Kamer tijdig informeren en dat u er echt uw mening over kan geven. De voorzitter: Nog een korte interruptie van mevrouw Den Hollander. Mevrouw Den Hollander (VVD): Sorry, voorzitter, maar ik probeer toch te kijken hoe we hier als Kamer een beetje gemak in kunnen vinden. Zou de staatssecretaris willen toezeggen, zonder die motie per se te willen aannemen, dat het belang van omwonenden wordt meegenomen? Dus dat er niet alleen naar de natuur wordt gekeken, maar ook naar het belang van omwonenden? Staatssecretaris Erkens: Dat kan ik toegeven. Ik bedoel: toezeggen. Toegeven of toezeggen, allebei kan in dezen! Een convenant is wat dat betreft natuurlijk ook een proces waarbij ik een van de partijen ben die, via mijn departement, aan tafel zit. Ook andere departementen, zoals IenW, zitten aan tafel, evenals de medeoverheden, de verschillende maatschappelijke partijen en de sectorpartijen. Dat betekent dat we ons steeds te verhouden hebben tot het voorstel dat daar gemaakt wordt. Het is dus een andersoortig proces dan wanneer we dat beleid vanuit het kabinet unilateraal zouden vormgeven en implementeren. De voorzitter: Wij noteren deze toezegging. Ik zag mevrouw Den Hollander instemmend knikken. We kunnen door naar de motie op stuk nr. 752. Staatssecretaris Erkens: Voorzitter. De motie op stuk nr. 752 wordt ook ontraden onder verwijzing naar het debat. Voorzitter. De motie op stuk nr. 753 ... De voorzitter: De motie op stuk nr. 752: ontraden. Staatssecretaris Erkens: Sorry, u moet het oordeel herhalen. De voorzitter: Ik zal iedere keer even achter u aankomen. Staatssecretaris Erkens: Excuus, ik geef u een pauze. Bij de motie op stuk nr. 753 doe ik hetzelfde verzoek: om 'm aan te houden. Ik laat dit ook in het convenantstraject meelopen. Ik doe het lid Bromet dus het verzoek om 'm aan te houden. Anders is ie ontijdig. Daarbij wil ik wel benadrukken dat ik ook dit, zoals net bij de vraag van mevrouw Den Hollander over gezondheid, een belangrijk punt vind. We nemen dit ook mee in het convenantstraject. De voorzitter: De motie op stuk nr. 753: aangehouden. O, dat hangt natuurlijk af van de reactie van mevrouw Bromet. Mevrouw Bromet (PRO): Waar ik moeite mee heb, is dat als wij dingen overlaten aan convenanten of akkoorden of wat dan ook, wij als parlement eigenlijk buitenspel staan. Maar wij kunnen natuurlijk altijd randvoorwaarden meegeven. Als wij het belangrijk vinden dat er een verplichte digitale registratie komt, moeten de convenantpartijen zich daar gewoon toe verhouden. Dat vind ik jammer aan het oordeel dat de staatssecretaris nu geeft. Ik breng de motie gewoon in stemming. De voorzitter: De motie op stuk nr. 753 wordt naar aanleiding van dit commentaar dan ontijdig. Staatssecretaris Erkens: Voorzitter. De motie op stuk nr. 754. Ik snap het punt van deze motie. We zetten in op driftreductie, juist ook voor vluchtige stoffen. Het probleem van de biologische teelten erken ik. Tegelijkertijd moet ik deze motie wel ontraden onder verwijzing naar het debat, omdat een lijst opstellen met stoffen die ik niet meer toesta ook gaat over de rol van het Ctgb en de Europese toezichthouder en wat die wel of niet toelaten. Compensatie valt op dit moment ook niet onder het beleid. Ten dele is er een ondernemingsrisico en kunnen veel producten nog verkocht worden. Tegelijkertijd wil ik daarbij wel toezeggen dat ik het punt van de biologische sector begrijp en dat ik dat ook meeneem in de gesprekken die er lopen. Mevrouw Bromet (PRO): Kijk, ondernemingsrisico? Tot je dienst. Maar als jij een biologische boer bent en je loopt risico omdat de buurman middelen gebruikt die jij niet wil gebruiken, dan ben je toch overgeleverd aan de … Dat kun je toch geen ondernemingsrisico meer noemen? Voor wie is het een risico? Staatssecretaris Erkens: Maar dit benadrukt ook de noodzaak dat we hiertoe beter beleid met elkaar hebben, om te voorkomen dat dit plaatsvindt. Ik kan wel toezeggen dat we het expliciet meenemen in het proces van het convenant. De voorzitter: Goed, dan wordt de motie op stuk nr. 754 ontraden. Staatssecretaris Erkens: De motie-Jansen op stuk nr. 755 is ook ontraden, onder verwijzing naar het debat. De toelating wordt gedaan aan de hand van de wetenschappelijke toets. Ik wil daar niet van afwijken. De voorzitter: De motie op stuk nr. 755 wordt ontraden. Staatssecretaris Erkens: Voorzitter. De motie op stuk nr. 756 kán oordeel Kamer krijgen, mits de heer Jansen één woordje aanpast. Ik wil niet instrueren, omdat het Ctgb een onafhankelijke instantie is. Maar zou het "sterk aanbevelen" zijn, dan kan de motie oordeel Kamer krijgen. De heer Chris Jansen (PVV): Ik pas 'm aan. De voorzitter: In dat geval krijgt de motie op stuk nr. 756 oordeel Kamer. Staatssecretaris Erkens: De motie op stuk nr. 757 krijgt ook oordeel Kamer, onder verwijzing naar het debat. De voorzitter: De motie op stuk nr. 757: oordeel Kamer. Staatssecretaris Erkens: Bij de motie op stuk nr. 758 geef ik even wat toelichting. Ik wil deze … Meneer Vermeer? De heer Vermeer (BBB): Mooi dat de motie op stuk nr. 757 oordeel Kamer krijgt, maar ik vraag me af of de regels niet gewoon zijn gehangen aan de certificering. Kan de Kamer daar wel een besluit over nemen? Staatssecretaris Erkens: Ten dele zitten die regels aan een certificering. Vandaar dat we ook bij het actieplan met de keten zelf gaan kijken of er andere regels zijn, waar wél wat meer ruimte in mogelijk is. Voorzitter. De motie op stuk nr. 758 vergt iets van toelichting. Ik sta heel sympathiek tegenover de gedachte van de motie. Ik wil haar oordeel Kamer geven, maar met een interpretatie, namelijk dat ik de motie zo mag interpreteren dat wij het instrument van de regulatory sandboxes gebruiken voor het onderzoeken van wettelijke belemmeringen voor de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming. We werken ook al met TKI Agri & Food om met het instrument belemmeringen weg te werken en te onderzoeken. Bij het tweede deel van de motie zie ik wel een belangrijke rol voor de telers zelf om ook die maatregelen binnen de geïntegreerde gewasbescherming te beoordelen op effectiviteit. Daarin kunnen namelijk lokale verschillen zijn, denk bijvoorbeeld aan de grondsoort. Ik heb deze interpretatie nodig om deze motie oordeel Kamer te kunnen geven. Als ik de motie uitvoer zoals het er letterlijk staat, kan ik namelijk waarschijnlijk het komende jaar al mijn mensen laten werken aan dit onderwerp en heb ik voor alle andere onderwerpen geen capaciteit meer heb. De motie is namelijk breed en vérstrekkend. Met mijn interpretatie kunnen we deze motie dus uitwerken en meenemen. Anders moet ik haar ontraden, omdat ze dan niet uitvoerbaar is gezien alle middelen die uitvoering mij dan zou vergen. De voorzitter: Mevrouw Den Hollander, zou u daarop willen reageren? Mevrouw Den Hollander (VVD): De VVD is niet voor uitbreiding van het ambtenarenapparaat, dus met deze interpretatie zullen we 'm accepteren. De voorzitter: Dan krijgt de motie op stuk nr. 758 oordeel Kamer. Staatssecretaris Erkens: Ik was heel bang dat mevrouw Den Hollander het woordje "maar" zou toevoegen, maar dat deed ze gelukkig niet. De motie op stuk nr. 759 moet ik ontraden. Vanwege allerlei lopende rechtszaken kunnen we ook niet volledig wachten op de wetenschappelijke onderbouwing op elk aspect. Ook verwijs ik naar het interruptiedebat met de heer Flach. Ook de sector zelf vraagt naar duidelijkheid op sommige vlakken, juist om te voorkomen dat al die handhavingsverzoeken wel gehonoreerd moeten worden. De voorzitter: De motie op stuk nr. 759: ontraden. Staatssecretaris Erkens: De motie op stuk nr. 760, van de heer Goudzwaard, krijgt oordeel Kamer. Ik zal doen wat ik kan, want wij willen inderdaad ook anticiperen op een mogelijk besluit begin 2028 rondom de pfas-middelen en de sector niet overvallen. De voorzitter: Dank u wel, staatssecretaris, voor het geven van de appreciaties. Over de ingediende moties wordt, zoals aangekondigd, zo dadelijk nog gestemd. Ik dank de aanwezigen van de commissie heel erg voor de inbreng. Ik bedank ook de staatssecretaris voor zijn inbreng. Ik bedank ook de mensen op de tribune en de mensen die meekijken. Ik wens iedereen een hele prettige dag toe. Hierbij sluit ik de vergadering. Sluiting 13.52 uur. ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 44 (2025-2026) van 11 juni 2026 Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] Aan ongecorrigeerde verslagen kan geen enkel recht worden ontleend. Uit ongecorrigeerde verslagen mag niet letterlijk worden geciteerd. Inlichtingen: [email protected] ONGECORRIGEERD STENOGRAM Verslag OSV 44 (2025-2026) van 11 juni 2026 1
Versie 0a983f919c092b357efe05439a0fbeb54c8b0f4ad3155acbc989b00f591122af · Officiële bron.
Gewasbeschermingsmiddelen (ongecorrigeerd)
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Er zijn hier nog geen bijdragen.