Verslag van een commissiedebat, gehouden op 21 mei 2025, over Passend onderwijs
Brontekst
Versie e2f73f5c9e6f2d86 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 497Passend onderwijsNr. 498 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBATVastgesteld 13 juni 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de vastecommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport hebben op 21 mei2025 overleg gevoerd met de heer Karremans, Staatssecretaris Jeugd,Preventie en Sport, en mevrouw Paul, Staatssecretaris FunderendOnderwijs en Emancipatie, over:–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 24 april 2025 inzake onderzoeksrapportenom tot passende ondersteuning van leerlingen en studenten inde klas te komen (Kamerstuk 31 497, nr. 496);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 24 april 2025 inzake de volgende stap in deverbetering van passend onderwijs (Kamerstuk 31 497,nr. 497);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 10 maart 2025 inzake reactie op sluiting SBODe Brug (speciaal basisonderwijs) (Kamerstuk 31 293, nr. 789);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 6 maart 2025 inzake reactie op verzoekcommissie over een afschrift van de brief aan de Kinderom-budsman als reactie op de brief over het leerlingenvervoer(Kamerstuk 31 521, nr. 140);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 21 november 2024 inzake toezicht opverschillende groepen leerlingen in één klas en onderwijs aanleerlingen met autisme (Kamerstuk 31 497, nr. 495);–de brief van de Staatssecretaris Funderend Onderwijs enEmancipatie d.d. 24 september 2024 inzake reactie op verzoekcommissie over het samenwerkingsverband passend onderwijsAandacht+ (Kamerstuk 31 497, nr. 493). kst-31497-498ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4981 Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur enWetenschap,BrometDe voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn enSport,MohandisDe griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Weten-schap,VerhoevTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4982 Voorzitter: BrometGriffier: EastonAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bromet, VanHouwelingen, Kisteman, Oostenbrink, Rooderkerk, Soepboer, Stoffer,Uppelschoten en Westerveld,en de heer Karremans, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, enmevrouw Paul, Staatssecretaris Funderend Onderwijs en Emancipatie.Aanvang 15.04 uur.De voorzitter:Dames en heren, welkom bij het debat van de vaste commissie voorOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over passend onderwijs. Welkom aande Staatssecretarissen, welkom aan de Kamerleden en welkom aan hetpubliek op de tribune. We gaan een spreektijd hanteren van vijf minutenper fractie en ik wil zes interrupties in de eerste termijn toestaan, als u hetallemaal kort houdt, dus onder de 30 seconden. Als het daarboven komt,begint het te lijken op meerdere interrupties. Daar hebben we geenafspraken over gemaakt, maar ik waarschuw u alvast maar. Het is goedvoor de Kamerleden om te weten dat de heer Karremans aanwezig is tot19.30 uur. Als er vragen voor hem zijn, kunnen die dus het beste in deeerste termijn gesteld worden, omdat het niet zeker is of hij er in detweede termijn nog bij is. Dan geef ik als eerste het woord aan de heerSoepboer van Nieuw Sociaal Contract.De heer Soepboer (NSC):Dank, voorzitter. Als we een kledingstuk, zegge een broek of een jas, zogroot zouden maken dat iedereen het aan zou kunnen, zouden we danspreken van een passende broek of jas of zouden we dan gewoon sprekenvan een hele grote broek of jas? Passend onderwijs is ooit ingevoerd metde belofte «geen kind tussen wal en schip». Dat is een nobel streven,maar laten we eerlijk zijn: die belofte is gewoon niet waargemaakt. In depraktijk zien we dat leerkrachten overbelast zijn, dat reguliere scholenonvoldoende toegerust zijn en dat ouders verdwalen in een bureaucra-tisch woud van loketten, zorgplicht en samenwerkingsverbanden. En dekinderen? Die vallen ondanks de interventie passend onderwijs vakertussen wal en schip dan ooit. Het speciaal onderwijs zit vol. De wachtrijenzijn langer dan ooit. 70.000 leerlingen per jaar zitten thuis en dat aantalneemt toe. Een op de zeven kinderen maakt gebruik van jeugdhulp en wezien dat er steeds meer gebruik wordt gemaakt van zwaar specialistischaanbod.De ambitie van inclusief onderwijs, waarin ieder kind, ongeacht beper-kingen of ondersteuningsbehoefte, welkom is op de gewone school, klinktprachtig. Op enkele plaatsen lukt het zelfs! Maar is het overal realistisch?Hoezeer ik dat ook betreur, ik denk dat het antwoord daarop nee is. Hetgevolg is dat we nu vanuit een nobel idealisme een systeem forceren datop veel plaatsen vastloopt, frustreert en teleurstelt. We horen uit het veldeen noodkreet. De rek is eruit. Ouders, leraren en schoolleiders: ze trekkenaan de bel. Ze doen dat niet omdat ze tegen inclusie zijn, maar omdat zeelke dag zien dat het systeem nu onvoldoende werkt voor kinderen metextra behoeften, maar ook voor de rest van de klas. Is de broek nietgewoon groot?Voorzitter. Daarnaast zit er ook een paradox in het streven naar inclusiefonderwijs. Door zo veel mogelijk leerlingen binnen het regulier onderwijste willen houden, wordt het stigma op het speciaal onderwijs namelijkalleen maar groter voor die leerlingen die uiteindelijk wel naar hetspeciaal onderwijs moeten. En ook de bekostiging van het gespecialiseerdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4983 onderwijs wordt alleen maar minder naar mate we meer leerlingen in hetregulier onderwijs willen houden.Voorzitter. Nieuw Sociaal Contract staat voor een onderwijssysteem datwerkt, dat oog heeft voor verschillen en dat idealen waar mogelijkfaciliteert. Maar we staan ook voor onderwijs dat eerlijk is over grenzen.We moeten durven erkennen dat vanwege die grenzen niet elk kind opelke school tot zijn recht kan komen. We moeten niet streven naarmaximale inclusie, maar naar maximale ontwikkeling van ieder kind op deplek waar dat het allerbeste kan. Als dat het speciaal onderwijs is, danwillen wij dat ook sterk overeind houden.Voorzitter. NSC heeft vijf punten ter verbetering en des gevraagd zoudenwij die uit kunnen leggen. Het eerste is sterk gespecialiseerd ...De voorzitter:Voordat u die vijf punten gaat noemen, heeft mevrouw Rooderkerk vanD66 een vraag.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik deel heel veel van de mooie woorden van de heer Soepboer over hetpassend onderwijs, maar we hebben natuurlijk ook gezien dat erbezuinigingen op de onderwijskansenregeling afkomen. Scholen laten onsweten dat dat heel veel impact gaat hebben op het aantal thuiszitters. Zijzeggen dat hierdoor tot wel 455.000 leerlingen kind van de rekening zijn.Wat zegt de heer Soepboer tegen deze kinderen?De heer Soepboer (NSC):Ik denk dat dat een heel terechte vraag is van mevrouw Rooderkerk. Als umij, mevrouw Rooderkerk, de afgelopen anderhalf jaar een beetje heeftgevolgd, kent u mij als een man die altijd pleit voor verstandige investe-ringen in het onderwijs. Tegen mevrouw Rooderkerk zeg ik echter ook datwe met een bezuinigingsopgave zitten en dat dat betekent dat we moetenbezuinigen. Ik denk ook dat dat kan. Ik heb dat bij de begrotingsbehan-deling ook gezegd. Maar als je dat doet, moet dat wel gebeuren met visie!Waar kun je het geld dat naar het onderwijs gaat, het beste aan besteden?Over die vraag moeten we met z’n allen gaan praten. En ik denk datsommige bezuinigingen dan best uit te leggen zijn.Ik denk dat mevrouw Rooderkerk doelt op een andere bezuiniging, debezuiniging die bijvoorbeeld bij de besprekingen van de Voorjaarsnota isbesproken. Ik vraag mij hardop in deze commissievergadering af of er opdie avond mensen hebben gezeten die de visie waar ik het net over had,deelden toen ze deze bezuiniging bedachten. Laat ik het zo maar evenzeggen.Wij horen deze geluiden ook en wij zijn daar niet doof voor. Ik denkdaarom dat het heel goed zou zijn om daar nog eens met elkaar over doorte praten. Dat betekent dus niet dat je nooit mag bezuinigen. Ik vind datdaar best wel wat voor te zeggen is, maar nogmaals: dat moet uit eenvisie voortkomen en je moet goed kunnen uitleggen waar je het geld voorhet onderwijs dan wel in gaat steken. Ik heb het idee dat die visie bij dezebezuinigingen ontbreekt.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat gevoel deel ik. Tegelijkertijd zit er wel een Minister van Onderwijs vanNSC. Het is dus wel heel erg zorgelijk dat het dan kennelijk niet bij departij zelf aankomt. Dat is niet alleen zorgelijk, maar ook heel erg voor dekinderen om wie het gaat. Het gaat om 10% structureel van het budgetvoor de p.o.-scholen. Er is een voorbeeld van een school die zegt: wehebben 800 vmbo-basis- en vmbo-kaderleerlingen, maar we moeten wel€ 500.000 bezuinigen. En dat geld gaat dus echt letterlijk af van het geldvoor extra emotionele en sociaal-economische begeleiding enstructuurklassen ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4984 De voorzitter:En uw vraag is? U bent al over de 30 seconden heen!Mevrouw Rooderkerk (D66):... zodat kwetsbare leerlingen wel in het onderwijs kunnen blijven. Er gaanextra maatwerkvoorzieningen weg en het gaat dus gewoon voor heel veelthuiszitters zorgen. Hoe kan dit dan gebeuren?De heer Soepboer (NSC):Ik zie ook waar deze specifieke bezuiniging het hardst neerslaat. Het lijktmij dat het tijd is om het daar met elkaar over te hebben en wellicht ookom tot een andere invulling te komen.De voorzitter:Dank u wel. Nog een interruptie? Ja! Mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Zegt de heer Soepboer daarmee dat hij vindt dat die bezuiniging op deonderwijskansenregeling van tafel moet en dat daar iets anders voor moetworden gevonden? Dat lijkt me heel verstandig, maar ik hoop dan wel datdat alternatief niet binnen het onderwijs moeten worden gevonden, wantdan gaat het natuurlijk ten koste van andere kinderen binnen hetonderwijs.De heer Soepboer (NSC):Ik heb twee dingen gezegd in mijn eerste antwoord op uw eersteinterruptie. Dat is dat er voor sommige bezuinigingen best wel wat tezeggen valt en dat er de afgelopen jaren geld naar onderwijs is gegaan,waarvan we ons kunnen afvragen wat de impact daarvan is geweest.Sterker nog, meerdere onderzoeken zeggen dat die impact niet meetbaaris of er zelfs niet is. Dus sommige bezuinigingen kun je best onder-bouwen, mits die voortkomen uit een visie.Ik heb u net gezegd dat ik betwijfel of dat hier het geval is. Concreet zeg ikdan: Nieuw Sociaal Contract staat ervoor open om te kijken of we daareventueel een andere invulling voor zouden kunnen vinden. Maar ik hebdus ook gezegd dat we wel achtergelaten zijn met een financieel plaatjewaar een bezuiniging bij hoort. En ik zeg er dan toch ook maar even bijdat dat wel het gevolg is van de afgelopen kabinetten. Dus ja, er moetworden bezuinigd en we zijn altijd bereid om daarnaar te kijken.De voorzitter:Dank u wel. Even tussendoor een mededeling. De afspraak van de heerKarremans van vanavond is komen te vervallen. U kunt dus de tijd nemenom iets langer na te denken over wat u hem wilt vragen. Hij zal er de helevergadering bij zijn! Meneer Soepboer, vervolgt u uw betoog.De heer Soepboer (NSC):Dank u wel, voorzitter. Wij hebben vijf concrete punten. Eén. Versterk hetgespecialiseerd onderwijs als volwaardig alternatief. Twee. Versterkuitwisseling tussen regulier en speciaal onderwijs en stimuleer lokaleinitiatieven. Drie. Maak de zorgplicht concreter en realistischer en definanciering makkelijker. Vier. Vereenvoudig en controleer de samenwer-kingsverbanden en zorg voor een dekkend netwerk. Vijf. Investeerstructureel in deskundigheid op schoolniveau.Ook hebben we nog een aantal vragen aan de Staatssecretaris. Ik zou dienu graag stellen. Eén. Hoe wil de Staatssecretaris concreet de onduidelijk-heden en moeilijkheden in de bekostiging en de verantwoording op hetsnijvlak van onderwijs en zorg verbeteren? Het zijn nu twee systemen diein de praktijk botsen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4985 Twee. Herkent de Staatssecretaris dat in de praktijk de grenzen vanpassend dan wel inclusief onderwijs op veel plekken zijn bereikt? En, zo ja,wat betekent dat voor het huidige beleid?Drie. Waarom blijft het ministerie inzetten op een ideologisch gedrevenvisie op inclusie, terwijl uit onderzoek en ervaringen in het werkveld blijktdat het niet altijd in het belang is van het kind?Vier. Hoe verhoudt het streven naar inclusie zich tot de vrijheid vanscholen om een eigen pedagogisch-didactische koers te varen? Ik denkdan bijvoorbeeld aan het recht om kinderen te verwijzen naar het speciaalonderwijs.Vijf. Hoever is de fundamentele herziening gevorderd van de werking,spreiding en financiering van de samenwerkingsverbanden, conform demotie-Soepboer? Graag de stand van zaken.Voorzitter. Tot slot een positieve noot, want er gebeuren ook zeker helemooie dingen. Dank dus aan al die mensen in de gebiedsteams diegeweldig werk doen en aan alle scholen waar het ondanks alles wel luktom het voor elkaar te krijgen. We waren laatst op een prachtige school inAssen, waar een hele mooie lokale samenwerking tussen passendonderwijs en regulier onderwijs was ontstaan. De uitwisseling vandocenten was daar op gang gekomen en zo zou het eigenlijk moeten enkunnen. Het was dan weliswaar niet in één gebouw, maar het was wel eenhele mooie samenwerking. Er gebeuren dus ook hele mooie dingen.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Er is een vraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik ben blij met de heldere woorden van de heer Soepboer over deonderwijskansenregeling. Gewoon fijn dat dat hier zo eerlijk gezegd kanworden. Hij doet zelf een aantal suggesties voor hoe het beter kan. Hijnoemt daarvoor vijf punten. Hij zegt daarbij ook een aantal keer dat erjuist meer geïnvesteerd moet worden. Een heel aantal van die puntenworden de afgelopen jaren wel vaker door Kamerleden genoemd. Zeworden alleen niet uitgevoerd door het kabinet en daarom is mijn vraagaan de heer Soepboer: wat gaan we doen om te zorgen dat het nu welwordt uitgevoerd?De heer Soepboer (NSC):Dat is denk ik een goede vraag. Die investering zou uit geld kunnenbestaan, maar ook uit andere dingen. Waar het volgens mij in zou kunnenzitten, is in hoe die samenwerkingsverbanden werken. Hoe worden diebekostigd? Blijft daar geld over en zou geld daarvan naar scholen kunnen?Dat is een mogelijkheid waar we naar zouden kunnen kijken. Het zouwellicht een intensivering op kunnen leveren als we het op een anderemanier zouden doen. Ik heb daarover een motie ingediend en ik hoor daarstraks graag iets over van de Staatssecretaris.Er ontstaan nu soms drempels voor een mooi initiatief, omdat het enepotje uit de zorg en het andere potje uit het onderwijs moet komen. Datblijkt in de praktijk heel lastig te zijn. Een andere mogelijkheid is dan ookom te kijken of we met elkaar die drempels kunnen slechten. Ik hoor daarstraks graag het kabinet over.Dus dat zijn twee voorbeelden waarvan ik denk: daar zit al winst.Natuurlijk is het aan ons, mevrouw Westerveld, om met moties en anderinstrumentarium te sturen als dat niet gebeurt naar ons welbevinden. Endaar zij we zeker toe bereid.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik ben dat eens met de heer Soepboer. Het is aan ons om te controlerenen om daar waar nodig het kabinet bij te sturen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4986 Ik zat onlangs wat terug te kijken en toen vond ik een brief uit 2018 vantoenmalige bewindspersonen Slob en Hugo de Jonge. Die benoemden in2018 ook al een aantal van deze punten, bijvoorbeeld de knelpuntentussen zorg en onderwijs. Het werd toen al benoemd en er werd toen ookal een verbetertraject aangekondigd. We zijn nu zeven jaar verder en er isniets gebeurd! Is de heer Soepboer het dan met mij eens dat wemisschien als Kamer strakker de vinger aan de pols moeten houden en erecht voor moeten zorgen dat dingen, die al zolang genoemd worden, ookdoor de mensen die op de tribune en elders meekijken, nu ook echt doorhet kabinet worden uitgevoerd? Moeten we het kabinet dus niet echt gaanhouden aan beloften die eerder zijn gedaan?De heer Soepboer (NSC):Ik kan alleen voor mezelf spreken. Ik zit hier nu anderhalf jaar en ik moetook tot de conclusie komen dat sommige dingen mij ook niet snel genoeggaan. Mijn antwoord zou dus ja zijn.De voorzitter:Dank u wel. De heer Van Houwelingen van Forum voor Democratie heeftook een vraag.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de bijdrage. Het was een mooie bijdrage en ik onderschrijf uwprobleemanalyse, meneer Soepboer. Maar ik vind uw suggesties nog watmager en niet zo heel concreet. «Versterken en investeren» horen wenatuurlijk wel vaker. Ik hoor de Soepboer volgens mij eigenlijk zeggen: dieonderwijshervorming van tien jaar geleden moeten we misschien deelsterugdraaien. Misschien zou u daarop kunnen reflecteren. We hebben dierugzakjes ingevoerd, maar moeten we die hervormingen niet terug-draaien? Als ik u beluister, vindt u namelijk volgens mij ook dat die vooreen groot deel mislukt zijn. Hoe kijkt u daartegen aan?De heer Soepboer (NSC):Dan toch maar even een bespiegeling richting de heer Van Houwelingen.Een van de problemen die ik meen te zien in het onderwijs, is dat wemenen het soms beter te doen. We hebben een idee bedacht en dan gaanwe dat overal in het onderwijs tegelijkertijd invoeren. We komen dan meteen onderwijsvernieuwing of een onderwijshervorming, maar we doendaarna eigenlijk nooit een toets met een klas ernaast. Op die manier zou jedat kunnen meten. We doen het dan in het hele onderwijs en we voerenhet in één keer in, omdat we ervan uitgaan dat het beter wordt. En heelvaak zien we dat het gewoon niet beter wordt. Dat geldt wat mij betreftook voor het idee om het nu maar volledig terug te draaien. Ik weet niet ofdat de oplossing is. Ik zou eerst willen kijken wat er binnen het huidigesysteem mogelijk zou kunnen zijn om het toch te verbeteren. Ik denk datdat ook kan. Het zou best kunnen dat je enkele elementen terug moetdraaien, maar ik wil dan wel waken voor een grote systeemwijziging. Weweten namelijk niet of dát het wel gaat verbeteren.De voorzitter:Dank u wel. Dan is nu het woord aan mevrouw Westerveld vanGroenLinks-Partij van de Arbeid.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dank, voorzitter. Wie de brieven van de Staatssecretaris leest, zou zomaarhet idee kunnen krijgen dat het eigenlijk wel goed gaat met het passendonderwijs, want ze schrijft dat er stevige vooruitgang wordt geboekt metde verbeteraanpak passend onderwijs. Maar dat staat haaks op de echtewereld, want nu, ruim tien jaar na de invoering van passend onderwijs,zitten er meer leerlingen thuis zonder onderwijs. Er gaan steeds meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4987 kinderen naar het speciaal onderwijs, waardoor er zelfs wachtlijsten zijn.Er zijn steeds meer problemen met het leerlingenvervoer. Er zijn ookenorme problemen en wachtlijsten in de jeugdzorg. Er worden steedsmeer kinderen met een beperking geweigerd en vrijgesteld van onderwijs.En bovendien bezuinigt het kabinet fors!Voorzitter. Dat is de praktijk. De praktijk is dat radeloze ouders nog steedsnaar ons toe komen en vertellen dat er nergens plek is voor hun kind. Depraktijk is dat steeds meer kinderen met autisme, kinderen die hoogbe-gaafd zijn, kinderen die een beperking hebben of die een chronische ziektehebben, vereenzamen en een levenslange achterstand oplopen. Depraktijk is dat professionals wel willen, maar gek worden van de bureau-cratie en de lange trajecten nog voordat er iets is gedaan. De praktijk isook dat het onderwijspersoneel zich keihard in de steek gelaten voelt dooreen Staatssecretaris die en een kabinet dat steeds meer van hen vraagt enin plaats van pal achter hen te staan, fors gaat bezuinigen.Mijn eerste vraag is: hoe verantwoordt de Staatssecretaris dit? Hoe krijgtzij het voor elkaar om brieven vol te schrijven met mooie woorden overhet belang van passend onderwijs en ondertussen haar handtekening tezetten onder beleid dat daar haaks op staat, dat zorgt voor veel meerproblemen, specifiek bij deze kinderen? Hoe kan de Staatssecretaris nuschrijven dat stevige vooruitgang wordt geboekt, terwijl zij bezuinigt opthuiszitters en regelingen die specifiek ten goede komen aan de meestkwetsbare leerlingen? Hoe rijmt zij de mooie woorden met de eigenbijdrage – ik kijk ook naar de andere Staatssecretaris – die het kabinet gaatinvoeren voor jeugdhulp? Hoe kan het programma School en Omgevingals een goed voorbeeld worden genoemd in de brieven, terwijl deStaatssecretaris hier zelf op gaat bezuinigen? Hoe legt deze Staatssecre-taris uit dat zij als Kamerlid opkwam voor kinderen die hoogbegaafd zijnen daar extra geld voor regelde, maar daar fors op gaat bezuinigen nu zijStaatssecretaris is? Daar ben ik oprecht benieuwd naar.Voorzitter. Hoe kan het dat het aantal kinderen met een beperking dat eenvrijstelling krijgt van onderwijs blijft stijgen? Weten dit kabinet en dezeStaatssecretarissen ook dat Nederland vorig jaar een stevige tik op devingers kreeg van de VN-commissie die ging onderzoeken in hoeverreNederland zich hield aan het VN-verdrag, dat van Nederland vraagt omsteeds toegankelijker te worden? Wat gaan deze Staatssecretarissen doenom dat op dit terrein – dus zorgen voor kinderen met een ondersteunings-behoefte – te verbeteren?Hoe kan het dat de cijfers van het ministerie over het aantal thuiszitters zoveel lager zijn dan bijvoorbeeld de cijfers uit het rapport van de ouderver-eniging Balans? Deze vereniging heeft het over meer dan 70.000 kinderendie langer dan drie maanden thuiszitten en over meer dan 280.000kinderen die geen volwaardig onderwijs krijgen. Waarom is daar geenactueel beeld van? Hoe gaat het kabinet multidisciplinaire teams opschool versterken om de ondersteuning in de klas en de band metjeugdhulp te verbeteren? Welk budget is daarvoor beschikbaar? Kan denieuwe indeling van regio’s voor samenwerkingsverbanden dezelfdeworden als de indeling van de jeugdregio’s? Op al deze punten ontvang ikgraag een reactie.Voorzitter. Behalve al deze loze woorden wordt ook de Kamer op ditdossier, vind ik, al jarenlang in haar hemd gezet, want heel veel moties endingen die de Kamer al jaren wil, worden gewoon niet uitgevoerd. De tijdis zelfs te kort om alles te noemen. Ik noem een paar moties waarbij ik mijdaar al langer aan stoor omdat ze al langer geleden zijn ingediend. Iknoem bijvoorbeeld onze motie om bij schoolgebouwen de Europesetoegankelijkheidsrichtlijn te volgen. Dat is een motie van drie jaar geleden.Hoezo wordt die niet uitgevoerd? Hoelang duurt het voordat onze motievan april 2023 wordt uitgevoerd waarin we vragen om de kosten van deWerkagenda Route naar inclusief onderwijs beter in beeld te brengen?Waarom wordt de motie over het rommelpotje heel anders uitgevoerdTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4988 dan ons was beloofd? Al jaren noem ik de Samen naar School-klassen alsgoed voorbeeld van inclusief onderwijs. Wij vragen al jaren om barrièresweg te nemen, en een meerderheid van de Kamer steunt ons daarin, maarzij lopen nog steeds tegen dezelfde belemmeringen aan. Het oprichten enin stand houden hangt gewoon af van de regio of het samenwerkings-verband waarin iemand zit.Ik herinner mij ook een spoeddebat uit 2022. Dat ging over leerlingen-vervoer. De hele Kamer vond dat leerlingen naar school moeten wordengebracht en dat een antwoord moet worden gegeven op de problemendie er zijn. Maak die keuze. Maar als ik de brieven lees, inclusief de briefdie gisteren verscheen, dan zie ik daarvoor nul concrete oplossingen. Dusook hierop hoor ik graag een reactie. Wat gaat het kabinet doen om ookdit te verbeteren?Voorzitter. Ik heb nog één oproep, en die is aan de Kamer. Ik gaf net al aandat ik vind dat moties niet goed worden uitgevoerd. Een heel aantalpunten die wij noemen, zijn niet van dit jaar of van vorig jaar. Die wordenal tien jaar door de Kamerleden ingebracht en door heel veel mensen diemeekijken. Al tien jaar gebeurt er veel te weinig op een aantal punten. Iknoemde ze net. Misschien moeten wij ook maar de teugels strakkeraanhalen. Misschien moeten wij, net als in de beginjaren van het passendonderwijs, maar gewoon weer twee keer per jaar om de stand van zakenvragen en daar twee keer per jaar een debat over gaan voeren, want zoalshet gaat, kan het niet langer. Kwetsbare kinderen worden daar de dupevan en lopen daardoor soms voor de rest van hun leven schade op.Volgens mij mogen wij dat niet laten gebeuren.De voorzitter:Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Kisteman van de VVD.De heer Kisteman (VVD):Voorzitter, dank u wel. Je kind naar school kunnen brengen in de buurt ofde wijk waar je woont: dat is wat je elke ouder gunt. Onderweg naarschool je vriendjes of vriendinnetjes al tegenkomen, na school bij elkaarkunnen spelen of elkaar in de buurt tegenkomen: voor heel veel kinderenin Nederland is dat de dagelijkse gang van zaken. Voor het ene kind gaathet op school allemaal heel makkelijk, maar voor het andere kind moet hetonderwijs wat passender worden gemaakt. Ook dat gaat op heel veelplekken goed, en we mogen trots zijn op onze leerkrachten die daardagelijks aan bijdragen. Ik sluit mij graag aan bij mijn collega Soepboer,die deze complimenten ook gaf, want in het onderwijs gaat heel veelgoed.Toch heb ik de laatste maanden ook veel ouders gesproken voor wie ditniet de situatie is. Zij hebben een jarenlange zoektocht achter de rugwaarin zij moesten zoeken naar een goede school voor hun kind, omdatscholen niet bereid waren passend onderwijs aan te bieden of omdat hetsamenwerkingsverband er niet in slaagde om voor de leerling eenoplossing te vinden. Het gaat hierbij niet alleen om kinderen die watminder ver zijn in hun ontwikkeling, maar ook om kinderen die juist meeruitdaging nodig hebben en voor wie de lat nog veel hoger mag. Metregelmaat heb ik hier aandacht gevraagd voor de groep hoogbegaafdekinderen die momenteel thuiszit. De rol van samenwerkingsverbanden isvoor hen essentieel, maar helaas gaat dit nog vaak mis.Voorzitter. Over deze samenwerkingsverbanden heb ik een aantal vragen.De samenwerkingsverbanden kennen drie soorten modellen. Uit depraktijk blijkt echter dat een soort hybride model – een combinatie vandeze modellen – het meest succesvol is. In het hybride model is hetsamenwerkingsverband een stevige organisatie die een expertisefunctiein de regio heeft, maar die ook gericht en doelmatig investeert in descholen. Met de schoolbesturen wordt bepaald op welke onderdelen demiddelen worden ingezet. De afspraken die worden gemaakt, gaan overTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 4989 het doel dat daarmee moet worden gerealiseerd. Hoe kijkt de Staatssecre-taris tegen zo’n hybride model aan? Zou zij willen onderzoeken welkemogelijkheden er zijn om naar één model toe te werken voor allesamenwerkingsverbanden? Eén model heeft bewezen te werken. Wil zijdaaraan een duidelijke omschrijving koppelen van het doel en de functievan het samenwerkingsverband en omschrijven wat van hen wordtverwacht, zodat daar geen onduidelijkheid over ontstaat en de onderwijs-inspectie goed toezicht kan houden?De heer Soepboer (NSC):Ik wil natuurlijk niet het gras voor de voeten van de Staatssecretariswegmaaien, want zij gaat hier vast nog iets over zeggen, maar ik wil welaan de heer Kisteman vragen of hij ervan op de hoogte is dat door onseen motie is ingediend waarin wordt gevraagd om de werking en definanciering van deze samenwerkingsverbanden tegen het licht te houden.Die zijn namelijk ooit ontstaan zonder dat daar echt een idee achter zat.Inderdaad, zij kunnen kiezen uit verschillende modellen en zij kunnen opverschillende manieren werken. In de motie wordt gevraagd om die tegenhet licht te houden en te uniformeren. Ik heb dus eigenlijk een simpelevraag: bent u daarvan op de hoogte?De heer Kisteman (VVD):Ja, daar ben ik van op de hoogte.De voorzitter:Daar laat u het bij. Dan kan de heer Kisteman zijn betoog vervolgen.De heer Kisteman (VVD):Voorzitter. Waar passend onderwijs wordt gegeven, komt vaak ookjeugdzorg om de hoek kijken. Een tijd geleden was ik op het Martinus-college in Grootebroek. Onder het dak van deze school, waar leerlingenterechtkunnen voor het vmbo tot en met het gymnasium, zat ook hetvoortgezet speciaal onderwijs. In gesprek met leerlingen bleek mij dat zijenorm blij waren dat zij naar een gewone school gingen, net als veel vanhun vrienden. Van de directeur begreep ik dat leerlingen veel beterpresteerden en de wethouder, die toevallig hier op de tribune zit, gaf aandat jeugdzorggelden anders ingezet konden worden doordat dieleerlingen allemaal zo blij waren. Het is een prachtig voorbeeld. Ik weetdat deze Staatssecretaris, die met regelmaat de scholen bezoekt, dezezeker aan haar lijstje kan toevoegen.Voorzitter. De Werkagenda Route naar inclusief onderwijs 2035 heeft alsdoel dat alle kinderen, met of zonder beperking, samen naar schoolkunnen gaan in het reguliere onderwijs. Het onderwijs past zich aan deleerling aan, en niet andersom. Een goede doelstelling. StaatssecretarisKarremans werkt momenteel hard aan de Hervormingsagenda Jeugd. Uitde gesprekken met het veld begrijp ik dat het enorm belangrijk is dat bijdeze Hervormingsagenda Jeugd en de Werkagenda Route naar inclusiefonderwijs 2035 integraal wordt samengewerkt. Mijn vraag aan beidebewindslieden is of zij het met de VVD eens zijn dat het belangrijk is datdeze samen oplopen en integraal worden aangepakt. En, zo ja, hebben zijdaar dan ook zicht op? Lopen deze twee belangrijke thema’s integraalsamen? Want uiteindelijk moeten wetgeving en financiering bij elkaarkomen. Hoe wordt bij deze twee beleidsstukken gezamenlijk opgetrokkenop weg naar het vormgeven van inclusief onderwijs?Voorzitter. Tot slot de thuiszitters. Voor een groep onder deze thuiszit-tenden zijn richtingbezwaren een reden voor thuiszitten. Ouders vindendat een bepaald type geloof niet wordt aangeboden op de school in deregio en besluiten vervolgens om hun kinderen thuis onderwijs te geven.Elk kind heeft recht op goed en passend onderwijs. Zoals ik al eerderbetoogde, moeten scholen dat ook aanbieden. Er is echter geen enkeleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49810 controle op de kwaliteit van thuisonderwijs. Sterker nog, we weten nieteens of deze kinderen thuis wel onderwijs krijgen. Ook achter het gemisvan het sociale deel dat kinderen op school wel hebben maar thuis niet,zetten wij vraagtekens. Ik heb hierover de volgende vraag. Onlangs kwamhet bericht naar buiten dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om niettot vervolging over te gaan als door de leerplichtambtenaar geenvrijstelling is verleend omdat ouders op basis van geloofsovertuiging oflevensopvatting richtingbedenkingen tegen scholen hebben. De VVD vindtdit zeer onwenselijk. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar? Welkestappen gaat de Staatssecretaris zetten om het gevolg van het besluit vanhet OM tegen te gaan? Ziet zij ook dat vaart maken met het eerderaangekondigde wetsvoorstel Wet waarborgen thuisonderwijs een goedeeerste stap is? Is zij bereid het OM aan te spreken op zijn stap en af tespreken dat het in ieder geval zal blijven handhaven zodat het ministerietijd krijgt om maatregelen te nemen? Voor de VVD staat voorop dat hetthuishouden van kinderen niet in het belang is van het kind. Onlangs hebik hier ook schriftelijke vragen over gesteld. Wanneer kan ik dieantwoorden verwachten?Voorzitter, ik rond af. In het onderzoek van Ingrado naar de veranderenderol van de leerplichtambtenaar stelt Ingrado voor om de vrijstelling opgrond van artikel 5 onder b van de Leerplichtwet af te schaffen. Hoe kijktde Staatssecretaris daartegen aan? Zou zij verschillende scenario’s inbeeld kunnen brengen voor een situatie waarin artikel 5 onder b wordtgeschrapt of deels wordt aangepast? Wat zijn de gevolgen van hetafschaffen van de vrijstelling op grond van artikel 5 onder b, en wat kande Staatssecretaris tot die tijd doen om ervoor te zorgen dat niet nog veelmeer kinderen thuis komen te zitten?De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Rooderkerk heeft een vraag.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik hoorde net een mooi voorbeeld van de heer Kisteman. Zelf heb ik ookeen mooi voorbeeld voorbij zien komen, namelijk van de Portus-scholengroep in Rotterdam. Zij hebben een heel mooi initiatief genomenvoor thuiszitters: De Binnenhaven. Daar helpen zij kinderen met depres-sieve klachten, angststoornissen en autisme om terug te keren naarschool. Ik heb de heer Kisteman ook gehoord over de zorgen, die wijdelen, over het grote aantal thuiszitters en wat daar gebeurt. Ik benbenieuwd of hij zich aansluit bij de oproep van mij en van de heerSoepboer van zojuist om de onderwijskansenbezuiniging van tafel tekrijgen, zodat dit soort initiatieven kan blijven bestaan.De heer Kisteman (VVD):Dat is een heel mooi bruggetje. Mevrouw Rooderkerk doelt op deonderwijskansenregeling. De gevolgen hiervan zijn gewoon zorgelijk. Dathebben we vorige week ook in het debat besproken. Het praktijkonderwijsin het vmbo wordt het hardst geraakt. Wij hebben daar inmiddels feitelijkevragen over kunnen indienen. In juni gaan we hier bij de voorjaarsbe-groting een debat over voeren. Naar mijn idee is dat de plek waar we ditmoeten bespreken. Laten wij het in dit debat gewoon hebben over hetpassend onderwijs.Mevrouw Rooderkerk (D66):Het is een beetje lastig om iets over passend onderwijs te besprekenzonder dat we zien wat er in de praktijk gebeurt. Scholen hebben gewoonte maken met enorme bezuinigingen op passend onderwijs die kinderenrechtstreeks raken. Volgens mij is het een beetje bezijden de werkelijkheidom dat los van elkaar te zien. Mijn vraag is meer of de heer Kisteman ookziet wat de impact daarvan is en of hij ook ziet dat het heel lastig is omTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49811 mooie woorden te spreken over passend onderwijs zonder daarbijwoorden te wijden aan die enorme bezuiniging. Ik hoop echt dat hij onzeoproep steunt – dat hoor ik wel van een andere coalitiepartner – omervoor te zorgen dat we die van tafel krijgen, zodat we kinderen daadwer-kelijk aan passend onderwijs kunnen helpen.De heer Kisteman (VVD):Dan val ik in herhaling, voorzitter, want ik heb al aangegeven dat wij degevolgen daarvan, die voornamelijk het praktijkonderwijs en het vmboraken, zorgelijk vinden. Maar we gaan hierover bij de Voorjaarsnota nogeen debat voeren. Dan is er alle gelegenheid om daar de goede discussieover te voeren.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik vind dit echt veel te makkelijk. Het debat over de Voorjaarsnota gaatover allerlei onderwerpen. We hebben nu specifiek een debat overpassend onderwijs, waarin ik ook de heer Kisteman van de VVD hoorzeggen dat hij zich zorgen maakt over het aantal thuiszitters. Nou ja, het ismakkelijk om te zeggen dat je je zorgen maakt. Maar wij kunnen er wataan doen. Wij zijn Tweede Kamerleden. Wij kunnen het kabinet bijsturenals daar een meerderheid voor is. Mijn vraag aan de heer Kisteman is danook: wat gaat hij doen om te voorkomen dat er onder andere door debezuiniging op de onderwijskansenregeling meer thuiszitters komen? Datis namelijk precies waar de verschillende partijen uit het onderwijs voorwaarschuwen.De heer Kisteman (VVD):Het is fijn dat ik nog een keer de mogelijkheid krijg om ertoe op te roepende samenwerkingsverbanden naar één model toe te brengen. Want juisteen goed functionerend samenwerkingsverband kan ervoor zorgen datminder kinderen thuis komen te zitten. Onder andere het aantal hoogbe-gaafde leerlingen dat momenteel thuiszit en geen passend onderwijskrijgt, kan deels door goed functionerend samenwerkingsverbandenverminderd worden.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):De heer Kisteman zat toen nog niet in de Kamer, dus misschien weet hijhet niet, maar dat soort oproepen hebben wij de afgelopen jarennatuurlijk al heel vaak gedaan. We hebben al heel vaak gezegd: zorg dathet geld gaat naar thuiszitters. Ik heb daar al eerder moties overingediend. Maar daarover gaat mijn vraag niet. Mijn vraag is: wat gaatook de VVD doen om aan die zorgen – de zorgen over de thuiszitters en deextra bezuiniging waar de handtekening van de VVD onder staat en diegaat leiden tot meer thuiszitters – tegemoet te komen? Gaat de heerKisteman dan net zoals de heer Soepboer dat doet, tegen ons zeggen datook de VVD haar best gaat doen om die bezuiniging in te trekken?De heer Kisteman (VVD):Hierop geef ik hetzelfde antwoord als het antwoord dat ik net aanmevrouw Rooderkerk gaf: wij maken ons zorgen over hoe dit hetpraktijkonderwijs en het vmbo raakt. Wij hebben daar feitelijke vragenover kunnen stellen. Daar krijgen we nog een antwoord op. In juni gaanwij bij de Voorjaarsnota het debat voeren over alle bezuinigingen en alleextra investeringen die zijn gedaan. Dat lijkt mij voor nu voldoende.De voorzitter:Een persoonlijk feit van de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49812 Toch een even klein ding, want ik zie nu iedereen op meneer Kisteman afduiken, maar feitelijk heb ik over die bezuiniging niet iets heel veel andersgezegd dan de heer Kisteman, namelijk: wij willen met elkaar bekijken ofwe het ook op een andere manier in kunnen richten. Dat is wat andersdan: we vegen alles van tafel. Ik heb heel nadrukkelijk gezegd dat we onsook genoodzaakt zien om te bezuinigen. Dat komt mede door dat wat hetvorige kabinet heeft achtergelaten. We moeten bezuinigen, maar wewillen natuurlijk kijken of een andere invulling mogelijk is. Dat is wat ikheb gezegd.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Mijn punt is dat ik het te makkelijk vind om vanaf deze plek allerlei zorgente uiten zonder dat daar vervolgens daden bij komen. Dat is volgens mijwaarom heel veel mensen teleurgesteld raken in politici. Het is heelmakkelijk om hier met elkaar onze zorgen mooi te uiten, maar ik vind dathet aan ons is om daar vervolgens wat aan te doen. Dat is mijn vraag aande heer Kisteman. En dan vind ik het weer te makkelijk om dit naar deVoorjaarsnota door te schuiven, want wij hebben nu het debat overpassend onderwijs.Ik heb een andere vraag aan hem. Hij had in zijn bijdrage van net een paarpunten over kinderen die hoogbegaafd zijn. Nou bezuinigt dit kabinet ookop deze groep leerlingen. Wij horen noodkreten van scholen die juist eenaanbod hebben voor kinderen die hoogbegaafd zijn en daarin gespeciali-seerd zijn. Daarop wordt bezuinigd. Wat vindt de heer Kisteman daarvan?De heer Kisteman (VVD):Een amendement van mij op de Onderwijsbegroting heeft er juist voorgezorgd dat er meer geld gaat naar kinderen die hoogbegaafd zijn, vooralbij het signaleren van hoogbegaafdheid. Dus het tegendeel is, denk ik,waar. Die lijn kan ik dus niet volgen en niet delen. Ik maak mij al heel langhard voor kinderen die hoogbegaafd zijn. Het gaat niet altijd om meergeld, maar bij de Onderwijsbegroting is zeker meer geld naar de hoogbe-gaafden gegaan.De voorzitter:Wil mevrouw Westerveld haar laatste interruptie hieraan besteden?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Nee, laat maar.De voorzitter:Dan is het woord aan de heer Van Houwelingen van Forum voorDemocratie.De heer Van Houwelingen (FVD):De heer Kisteman lijkt over het algemeen wel positief te zijn over hetinclusieve onderwijs. Hij noemde ook een positief voorbeeld. Net hebbenwe allemaal deze signaalanalyse gehad. Ik had die al gelezen. Er zijn ookheel veel problemen in het onderwijs. Ze zijn ook al genoemd: dethuiszitters, de te grote klassen, onvoldoende ondersteuning voor leraren,ouders die hun kinderen niet willen aanmelden. Mijn vraag is dus of deheer Kisteman erkent dat deze problemen er zijn. Zijn die niet heelverontrustend? Of zegt de heer Kisteman misschien «ja, er zijn wathiccups, maar al met al gaat het goed met de hervorming die tien jaargeleden is ingezet»? Wat is zijn eindafweging hierin?De heer Kisteman (VVD):Volgens mij heb ik dat ook ongeveer in mijn inleiding gezegd. Ik heb ookveel ouders gesproken die zich wél zorgen maken over het passendonderwijs omdat er geen aansluiting is voor hun kind. Er gaat heel veelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49813 goed. Ik heb daar ook een voorbeeld van genoemd. En er zijn veel meervoorbeelden van waar het goed gaat. Helaas zijn er ook voorbeelden vanwaar het minder goed gaat. Die ouders spreek ik ook. Dus, ja, beidekanten zijn er; daarmee ben ik het eens.De voorzitter:Dank u wel. U was klaar met uw betoog? Ja. Dan is nu het woord aan deheer Uppelschoten van de PVV.De heer Uppelschoten (PVV):Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Er zijn van die onderwerpen die iederjaar terugkeren in rapporten, plannen, pilots en goede bedoelingen, terwijler in de praktijk maar weinig echt verandert. Passend onderwijs is zo’ndossier. De PVV ziet dat de Staatssecretaris en haar ambtenaren eraanwerken om voor iedere leerling passend onderwijs mogelijk te maken. Alsik de interrupties hoor, dan lijkt het alsof de problemen met het passendonderwijs te maken hebben met de bezuinigingen die plaatsvinden, maarhet is gewoon een heel ingewikkeld probleem, dat niet eenvoudig is op telossen. Was dat maar zo, dan zou het zo gebeuren.Hoe pijnlijk het ook is om te zeggen: het systeem werkt niet of werkt nietzoals het zou moeten. Te veel kinderen vallen nog tussen wal en schip. Teveel kinderen – 70.000 – zitten thuis, wachten maanden op een plek ofploeteren in klassen waar zij niet de zorg krijgen die zij nodig hebben.Ondertussen raken ouders uitgeput in het bureaucratisch doolhof, staanleraren met lege handen – iedereen ziet het en iedereen roept het; wij ook– en verandert er structureel te weinig.Voorzitter. Het kabinet spreekt over inclusie als norm. Dat klinkt mooi,maar het roept ook vragen op. Want wie bepaalt wat normaal is? Enwaarom moet elk kind per se binnen het regulier onderwijs passen? DePVV gelooft niet in een systeem dat uitgaat van abstracte idealen, maar ineen systeem dat werkt in de praktijk. En daar hebben wij grote zorgenover. Wij zien dat in die praktijk de druk op reguliere scholen oploopt, datde expertise verdampt en dat het speciaal onderwijs steeds meer als eensoort laatste noodoptie wordt weggezet, terwijl we juist moeten erkennendat het speciaal onderwijs voor sommige kinderen gewoon de beste plekis. Dat mag dan ook geen stigma hebben, zo van: je bent naar het speciaalonderwijs verwezen.Een van de kernproblemen is dat ouders en scholen bij vastgelopentrajecten nergens echt terechtkunnen. Iedereen wijst naar elkaar. Dedossiers schuiven maanden heen en weer en het kind staat ondertussenstil. Daarom heeft de PVV aangedrongen op – dat vinden wij essentieel –een onafhankelijke doorzettingsmacht. Geen extra overlegtafel of interncoördinatiepunt, maar een echte functionaris met tanden, eenombudsman met mandaat die knelgevallen kan doorhakken. Die motie isaangenomen – dat is een van de moties die al een tijd geleden isaangenomen – en dat is geen symbolische motie, maar een opdracht aanhet kabinet. Wij willen voor 1 januari 2026 een duidelijke uitwerking zien,wettelijk verankerd, onafhankelijk gepositioneerd en in staat om bindendebesluiten te nemen als het samenwerkingsverband en de scholen er nietuit komen. Geen pilot, geen verkenning, maar uitvoering. Want dit raakthet hart van het passend onderwijs: de doorstroming, de snelheid. En hetdoorbreken van stilstand, want dat is het ergste wat leerlingen kanoverkomen.We zien verder met zorg hoe het kabinet ondertussen vasthoudt aanuitbreiding van inclusiepilots zonder eerst de basis op orde te brengen.Dat vinden we onverstandig. Wie een huis bouwt op een zwak fundament,riskeert instorting. Eerst moet het stelsel zelf stabiel, werkbaar en eerlijkzijn. Pas daarna kun je denken aan opschaling of nieuwe modellen.Daarmee zeg ik niet dat er nu geen goede voorbeelden zijn die werken,maar wij vinden het te vroeg om dit grootschalig uit te bouwen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49814 Ook de inzet van middelen verdient kritische aandacht. Te veel geld blijfthangen in samenwerkingsverbanden, in managementlagen of in vagenetwerken voor ondersteuning waarvan niemand precies weet wat zedoen. Wij vinden dat gelden voor het passend onderwijs rechtstreeks naarde klas moeten, naar extra handen, naar gespecialiseerde begeleiding ennaar ondersteuning waar het nodig is, en niet naar papieren plannen. Alsfractie pleiten wij daarnaast voor het afromen van reserves bij samenwer-kingsverbanden die ver boven de norm zitten. Dat geld is bedoeld voorkinderen en niet voor renteopbouw.We willen dat er een wettelijke wachttijd komt voor plaatsing, want hetwoord «maatwerk» mag geen dekmantel zijn voor eindeloos uitstel omdater geen plek gevonden kan worden. Een kind dat nu wacht, verliestvandaag ontwikkeltijd en morgen misschien kansen voor het leven.De voorzitter:Er is een vraag van de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Een heel goed idee van de PVV om dat geld niet meer in die samenwer-kingsverbanden te stoppen en bij schoolbesturen. Wij horen ook heel veeldat daar enorm veel geld wordt verspild. Het moet rechtstreeks naar deklas. Mijn vraag is – dat is natuurlijk de hamvraag – hoe we dat voor elkaarkrijgen.De voorzitter:De heer Uppelschoten. U moet uw microfoon even aanzetten.De heer Uppelschoten (PVV):We krijgen ook nog een debat over de financiering van het onderwijs en ofwij doelgerichte financiering mogelijk kunnen maken. Dat gaat daarover,over dat het niet meer alleen lumpsum is, maar dat je ook kunt zeggen dathet geld aan bepaalde dingen besteed moet worden en dat er verant-woording afgelegd moet worden.De heer Van Houwelingen (FVD):Dit is nog wat weinig concreet. Kan de heer Uppelschoten het misschienwat meer invullen? Zou het niet een goed idee zijn – zo was het, hè – omdie rugzakjes weer deels in te voeren? Dan heb je het in ieder gevalgekoppeld aan een leerling in plaats van dat het naar een heel grootsamenwerkingsverband gaat.De heer Uppelschoten (PVV):Ik weet niet of de problemen van passend onderwijs opgelost wordendoor weer met rugzakjes te gaan werken. Maar dat er meer geld naar deklassen moet en naar leerlingen die speciale ondersteuning nodig hebben,staat buiten kijf. Over passend onderwijs zou ik in algemene zin willenzeggen dat het vrij ingewikkeld is, ook als je het met het principe eensbent, om dit te organiseren. Het is niet alleen een probleem van geld. Hetlijkt nu net of er problemen ontstaan doordat we aan het bezuinigen zijn,maar we hebben het nu over een situatie die er was voordat er bezuinigdwerd. Toen waren er al heel grote problemen met passend onderwijs. Duslaten we het daar over hebben en niet over de bezuinigingen. Het debatover bezuinigingen krijgen we nog wel als we over de Voorjaarsnota gaanpraten. Laten we niet dit debat vervuilen, zou ik bijna zeggen, door alleenmaar over de bezuinigingen te praten en niet over de problemen die erzijn bij passend onderwijs.De heer Van Houwelingen (FVD):Waarschijnlijk mijn laatste interruptie, maar ik vind dit zo belangrijk. Ik benhet helemaal eens met wat de heer Uppelschoten zegt, maar dan tochTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49815 nogmaals mijn vraag. Het is inderdaad niet zozeer de hoeveelheid geld,maar hoe het besteed wordt. Heeft de PVV – u heeft heel veel ervaring inhet onderwijs – concrete suggesties voor hoe we ervoor kunnen zorgendat dat geld efficiënter besteed wordt? Ik denk dat je die schoolbesturenen die samenwerkingsverbanden dan zult moeten omzeilen, maar hoekrijg je dat voor elkaar? Kunt u daar enige invulling aan geven?De heer Uppelschoten (PVV):De VVD heeft net gezegd dat er drie modellen zijn voor het organiserenvan die samenwerkingsverbanden. Eentje daarvan is het hybride model,waarbij ook de scholen nog veel invloed hebben op wat er gebeurt.Misschien is dat een garantie, kan je er daarmee voor te zorgen dat hetgeld niet alleen maar van het samenwerkingsverband is, maar ook van descholen en dat er dan gezamenlijk besloten kan worden wat er voor descholen gebeurt en voor de leerlingen gebeurt. Er moet ook een toezichtkomen op de samenwerkingsverbanden dat onafhankelijk is en dat durftte zeggen wat er moet gebeuren, want dat is nu ook vaak niet zo duidelijken de belangen zouden daar makkelijk wat door elkaar kunnen lopen. Wiezit er in de raad van toezicht? Als dat ook degenen zijn die belang hebbenbij de besluiten, is dat niet zo goed. Dat lijkt nu wel te gebeuren. Desamenwerkingsverbanden, de manier waarop ze georganiseerd zijn en hettoezicht op de samenwerkingsverbanden zijn dus belangrijke punten voorons.De voorzitter:Dank u wel. Er is ook nog een vraag van de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Ik probeer even goed voor ogen te krijgen hoe de heer Uppelschoten ditvoor zich ziet. Hij zegt: die samenwerkingsverbanden moeten ondertoezicht komen. Hoe zou je dat dan kunnen regelen zonder dat er weerallemaal geld, energie en tijd in dat toezicht gaat zitten? Hoe ziet meneerUppelschoten het organiseren en financieren van het toezicht voor zich?De heer Uppelschoten (PVV):De samenwerkingsverbanden hebben al raden van toezicht. Wat nu komt,is geen nieuw fenomeen. Het heeft meer te maken met governance. Wiemogen er in de raden van toezicht zitten en wie houden er toezicht op water gebeurt in de samenwerkingsverbanden, met name op het geld datnaar de samenwerkingsverbanden gaat? Nou, dat is nu niet goedgeregeld. Raden van toezicht zijn geen nieuw fenomeen. Maar het gaatom wie er in de raden van toezicht zitten. Het komt voor dat schoolbe-sturen die belang hebben bij de beslissingen van het samenwerkings-verband ook weer een rol hebben in de raden van toezicht. Dat zou watons betreft niet mogen.De heer Soepboer (NSC):Ik probeer het even goed te begrijpen. Eerst dacht ik dat u zei: we moetenhelemaal van de samenwerkingsverbanden af, dus we willen helemaalgeen samenwerkingsverbanden meer. Nu hoor ik u zeggen: misschienmoeten de samenwerkingsverbanden dan toch blijven, maar dan in eenmodel waarin de school ook iets te zeggen heeft. Die moeten dan ondertoezicht komen te staan. Er is natuurlijk al toezicht; dat zegt u zelf ook.Maar u zegt dus dat dat niet voldoet. Ik begrijp dat de samenwerkingsver-banden dus zouden moeten blijven, maar dan in een hybride vorm. Hoezou dat toezicht dan goed geborgd kunnen worden volgens u?De heer Uppelschoten (PVV):Je moet dan mensen hebben die verstand hebben van ondersteunings-problematiek en die verstandige dingen kunnen opmerken over deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49816 beslissingen die het bestuur van het samenwerkingsverband heeftgenomen. Die zijn er nu niet. Wij zeggen dus niet op voorhand nee tegensamenwerkingsverbanden, want we zien dat er hele complexe proble-matiek is en samenwerkingsverbanden hebben daar misschien ook eenhele belangrijke rol in. Maar er zou een analyse gemaakt moeten wordenvan wat nou het probleem is. Wij zijn dus onder de indruk van alleactiviteiten die ondernomen worden, maar we zijn ook bezorgd omdat wezien dat er zo veel initiatieven worden genomen, en al zijn genomen, maarhet lijkt het wel alsof het stagneert en we geen stap verder komen. Watklopt er nou niet in onze aanpak van passend onderwijs met het idee datinclusie de oplossing is voor alle problemen?De voorzitter:Dank u wel. Was u al klaar met uw betoog?De heer Uppelschoten (PVV):Bijna.De voorzitter:Oké. Vervolgt u uw betoog.De heer Uppelschoten (PVV):Ook op het punt van leerlingenvervoer is de situatie schrijnend. Kinderendie wekenlang thuiszitten omdat de gemeente de taxiregeling nietrondkrijgt: dat mag in een welvarend land als Nederland niet gebeuren.De PVV stelt daarom een tijdelijk noodfonds voor. We hopen dat datgevormd kan worden, en dat daar een beroep op gedaan kan worden alser van die schrijnende problemen zijn, maar dat mag dan alleen in echtenoodgevallen. Zo kunnen acute, hele erge knelpunten worden opgelostzonder af te wachten of de gemeente het wiel nog eens opnieuw uitvindt.Voorzitter. Ons standpunt is helder. Wij zijn niet tegen passend onderwijs.Ik heb zelf ook prachtige voorbeelden hiervan bezocht, onder anderevorige week op Goeree-Overflakkee. Wij zijn niet tegen de manier waarophet nu functioneert, of beter gezegd: niet functioneert. We willen dat ditdebat vandaag meer oplevert dan alleen intenties. De thuiszitters, deouders die radeloos bellen en de leraren die ’s avonds wakker liggen,hebben geen behoefte aan nieuwe beleidsnota’s of nieuwe structuren. Zijhebben behoefte aan oplossingen die werken. Laten we nu dus een stapzetten naar een systeem dat wel doet wat het belooft, namelijk zorgenvoor onderwijs dat past bij het kind in plaats van andersom.De voorzitter:Dank u wel. Een laatste vraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik hoorde meneer Uppelschoten zeggen dat er een noodfonds moetkomen voor leerlingenvervoer. Ik ben heel benieuwd hoe de PVV dat gaatinrichten en met welk budget. Dat zeg ik niet om flauw te doen. Dat zeg ikomdat ik weet dat er enorm veel problemen zijn met leerlingenvervoer. Iknoemde in mijn bijdrage het spoeddebat dat we drie jaar geleden hadden.We zijn drie jaar verder en er zijn nog geen concrete stappen gezet.Meneer Uppelschoten zegt: het noodfonds moet er alleen zijn voornoodgevallen. Er zijn veel noodgevallen, kan ik hem vertellen. Er zijnwekelijks kinderen die niet worden opgehaald omdat er in sommigeregio’s bijvoorbeeld te weinig chauffeurs zijn. Hoe gaat hij dit preciesvormgeven? Is dit echt een plan of is dit iets wat hij als een vrijblijvendesuggestie meegeeft?De heer Uppelschoten (PVV):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49817 Als je de stukken leest, zie je dat het leerlingenvervoer al heel lang eengroot probleem is en dat dit ook te maken heeft met de maatschappijendie inschrijven om het leerlingenvervoer te regelen en het gebrek aanchauffeurs. Als het heel groot is, is ook een noodfonds geen oplossing.Dat is dan veel te klein om dit aan te pakken. Als je sporadisch klem komtte zitten, zou het handig zijn als er iets is om bij te springen, maar het lijkterop dat er structureel iets moet gebeuren naar de gemeenten toe op ditop te lossen. Meer durf ik er niet over te zeggen. Maar we kunnen nietalleen blijven zeggen dat het opgelost moet worden. Dan moet ermisschien naar niet-traditionele oplossingen worden gezocht. Misschienis dat dat we dan zelf moeten kunnen bijspringen, maar ik durf niet tezeggen over hoeveel geld dat gaat of hoe dat nodig is. Maar nu zeggenwe: het is de verantwoordelijkheid van de gemeenten en als onderwijstrekken we onze handen ervan af. Dat is misschien te makkelijk.De voorzitter:Dank u wel. De heer Stoffer heeft een vraag.De heer Stoffer (SGP):Zeker, ook over dat noodfonds. Ik had eigenlijk dezelfde vraag alsmevrouw Westerveld. Als ik het goed begreep, laat de heer Uppelschotenhet wat vrij wat dat noodfonds wordt. Maar is het iets van een paar tondat direct onder de Staatssecretaris komt te hangen? Kan iedere ouder dieiets heeft, dan bellen naar iemand op het ministerie en zeggen «ik moetnu een taxi hebben»? Iets concreter moet het, denk ik, wel worden. Zouheer Uppelschoten daar toch een iets concretere vorm aan kunnen geven?Komt er dadelijk ook een voorstel of motie om dit in te richten?De heer Uppelschoten (PVV):We zijn er nu meer in geïnteresseerd – niet dat de Staatssecretaris geenbeslissingen hoeft te nemen; dat zou ook mooi zijn – dat er een ombuds-functionaris komt die beslissingsmacht en doorzettingsmacht heeft omdingen op te lossen voor ouders die klem zitten met leerlingen die geenplek krijgen in het systeem van het passend onderwijs. Daarbij zou er ookeen voorziening kunnen komen waarin hij beslissingen kan nemen dat hetleerlingenvervoer op een bepaalde manier moet worden geregeld. Onzeprioriteit ligt dus bij een ombudsman waarmee ouders contact kunnenopnemen, ook als het leerlingenvervoer niet in orde is. Daar moetmisschien iets als een noodfonds aan worden gekoppeld om dingenmogelijk te maken voor leerlingen.De heer Stoffer (SGP):Volgens mij hebben we die ombudsman, of -vrouw. Dat is mevrouwKalverboer. Maar als je daar komt, kom je ook in een traject dat langerduurt. Dat neemt niet de nood weg die ouders nu voelen hierover. Als deheer Uppelschoten komt met voorstellen voor een noodfonds, hoop ik duswel dat hij met iets concreters komt dat ook echt concreet uitgevoerd kanworden, wat dit is iets wat in een proces verzandt. Mijn vraag is dus of deheer Uppelschoten iets wil met een proces dat wat verbetert en of hijmevrouw Kalverboer oproept om wat meer te doen, of dat de PVV meteen echt voorstel komt.De heer Uppelschoten (PVV):Mevrouw Kalverboer is de ombudsman voor de kinderen. Wij willen dater een ombudsman voor passend onderwijs komt en dat die ombudsmanook doorzettingsmacht krijgt bij de problemen die zich met passendonderwijs voordoen, om dingen voor hen te regelen. Een van de groteproblemen waar hij mee te maken zal krijgen is ongetwijfeld het leerlin-genvervoer. Dan moet je hem of haar dus ook gereedschap geven om ietsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49818 te kunnen doen. Maar: eerst de ombudsman of ombudsvrouw voor hetpassend onderwijs.De voorzitter:Dank u wel. Er is een punt van orde van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We hebben nota bene een brief geagendeerd waarin de Kinderom-budsman, mevrouw Kalverboer, dit agendeert. Daarvan zegt het kabinet:het is aan de gemeenten. Laten we hier dus niet doen alsof zij geen rolspelen. Er is voor dit debat een brief geagendeerd van de Staatssecretarisaan de Kinderombudsman.De voorzitter:Waarvan akte. Dat was geen vraag, volgens mij. De heer Stoffer voor zijnbijdrage namens de SGP.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter, dank voor het woord. We wandelen inmiddels tien jaar op hetpad van passend onderwijs. Het tweede lustrum is daarmee een feit. Maartoch was dat geen reden voor een uitbundig feestje. Natuurlijk zijn weheel blij met de grote inzet die scholen iedere dag opnieuw tonen. Heelveel kinderen worden ook echt verder geholpen. Dat is zeker een redenom dankbaar te zijn. Maar dat pad was in de afgelopen jaren wel volhobbels en kuilen. Daar loop je blauwe plekken mee op, of erger. Dewerkelijkheid lijkt op sommige punten veel verder van de idealengekomen te zijn. Voor het verdere pad van passend onderwijs is er eenwandelkaart beschikbaar. Desondanks blijft veel onzekerheid bestaan overwaar het nu precies heen moet. Dat kun je alleen al zien aan de brievendie in de afgelopen jaren zijn gestuurd. Die zijn er in allerlei smaken, naarinclusiever onderwijs, naar inclusief onderwijs, naar meer inclusiefonderwijs, naar een volgende stap in de verbetering van passendonderwijs. Het lijken misschien onbetekenende nuances, maar voorscholen maakt dit echt verschil. Sommige bestuurders lijken de ophef-fingsuitverkoop van hun speciale scholen richting 2035 al aan te kondigen.Leraren vragen zich af wat hun toekomst is en hoe zij die groeiende zorgaankunnen. U begrijpt dat mijn vraag aan de Staatssecretaris is hoe zijhierin meer duidelijkheid gaat bieden.Voorzitter. Na tien jaar discussiëren ligt er een voorstel voor een landelijkenorm voor basisondersteuning. Het zou enerzijds mooi zijn als we daarinnu eindelijk een eerste stap kunnen zetten, maar anderzijds vreest de SGPhierdoor juist nieuw gedoe, omdat de criteria van de landelijke norm ende wetgeving uiteenlopen. Ik geef een voorbeeld. Een landelijke normbepaalt dat aanpassingen haalbaar moeten zijn, maar de Wet gelijkebehandeling bij ziekte en handicap regelt dat aanpassingen geenonevenredige belasting mogen vormen. Mijn vraag is hoe de Staatssecre-taris zorgt voor duidelijkheid en het beperken van de regeldruk.Voorzitter. De Staatssecretaris schrijft dat ze extra inzet wil op multidisci-plinaire teams en leraren op de fiets. De SGP hoorde in de afgelopen jarenjuist steeds sterker dat scholen de omvang van de externe inzet willenbeperken, omdat er geregeld een heel leger aan tafel zit voor één leerling.Ze hebben liever meer interne ondersteuning op basis van bekostigingvan de samenwerkende gemeenten. Mijn vraag is hoe de inzet van deStaatssecretaris daarbij past. De krappe financiële situatie van gemeentenbetekende helaas ook dat scholen minder makkelijk ondersteuning kregenvoor de samenwerking tussen onderwijs en zorg. Inmiddels is in deVoorjaarsnota extra geld uitgetrokken voor gemeenten, bijvoorbeeld methet oog op de Jeugdwet. Ik heb hierover de volgende vragen. Welke inzetpleegt de Staatssecretaris om te bevorderen dat de financiële ruimte ookten goede komt aan het passend onderwijs? Wat vindt de StaatssecretarisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49819 overigens van het pleidooi om landelijke regie op het leerlingenvervoer tenemen?Voorzitter. De SGP heeft in het verleden vaak aandacht gevraagd voor debescherming van kinderen en ouders in het thuisonderwijs. Het wasdaarom bijzonder dat het Openbaar Ministerie in februari liet weten testoppen met strafrechtelijke vervolging in het geval van vrijstellingwegens godsdienst of levensovertuiging. Het advies laat zien dat dehuidige praktijk van vervolging leidt tot onzekerheid en ook tot willekeur.Wat je ook van het onderwerp vindt, deze praktijk kan voor niemandacceptabel zijn. De SGP hoort graag wat de Staatssecretaris op de korteretermijn gaat doen richting gemeenten nu we het voorlopig met debestaande wet moeten doen. Een concrete vraag: gaat ze het modelfor-mulier voor kennisgeving van de vrijstelling en de nieuwe praktijk onderde aandacht brengen?Voorzitter. De Staatssecretaris schrijft dat dat ze de regio-indeling wilverbeteren en mogelijk basisonderwijs en voortgezet onderwijs wilsamenvoegen. De SGP vindt het belangrijk dat dit geen doel op zichwordt. Laten we voorkomen dat dit veel energie gaat slurpen ten kostevan de uitvoering. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat hierbij zo veelmogelijk een pragmatische verbetering is beoogd en geen herziening vanfundamentele keuzes?Voorzitter. Ik eindig mijn bijdrage met een ongemeen kritische nootrichting de rijksoverheid. In februari heeft een rechter uitgesproken dat dekorting op samenwerkingsverbanden onrechtmatig was. De SGP heeftzich telkens verzet tegen deze korting. Elke student rechtsgeleerdheid hadop voorhand kunnen zien dat deze koers volstrekt onhoudbaar was, maartoch heeft het ministerie, aangejaagd door de Kamer, de korting doorgezeten heeft het niet eens fatsoenlijk overleg willen voeren met de samenwer-kingsverbanden over de ontwikkeling van de reserves. Dat is een treurigvoorbeeld van moedwillig wanbestuur. Tot mijn verbazing lees ik in eenbijlage dat de Staatssecretaris nog steeds positief is over de korting en datze ook voor de toekomst ruimte ziet voor nieuwe generieke kortingen.Mijn vragen zijn de volgende. Ziet ook de Staatssecretaris in dat dezemislukking niet naar meer smaakt? Gaat ze maximaal inzetten op eensamenwerkingsrelatie met samenwerkingsverbanden?Voorzitter. Ik heb nog twintig seconden. Ik wil nog één punt maken: de127 miljoen korting op de onderwijskansenregeling. Ik weet dat het debatdaarover niet vandaag is, maar mede namens mijn broeders van het CDA,de ChristenUnie en JA21 wil ik hier benadrukken dat de gevolgen enormzijn en dat het ons tot groot ongenoegen is dat dit, net nadat de inkt vande begroting in de Eerste Kamer droog was, is doorgezet. We gaan er nogover discussiëren, maar ik wil het toch ook in dit debat markeren.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het nu de beurt aan mevrouw Rooderkerk van D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Steeds minder kinderen vinden een plek waar zijonderwijs kunnen volgen. Laat dat even op u inwerken. De wachtlijsten inhet speciaal onderwijs groeien. Het aantal vrijstellingen van de leerplichtomdat er geen plek of geen passende ondersteun is of omdat kinderenworden thuisgehouden wegens richtingbezwaren, is opnieuw gestegen.We weten dit, we zien het en toch blijft het stil, terwijl duizenden kinderenuit beeld verdwijnen.Voorzitter. Dat doet iets met het vertrouwen. Het vertrouwen van ouders,die horen dat hun kind welkom is op school, tot het moment dat erondersteuning nodig is. Het vertrouwen van leraren die alles geven, maarsteeds grotere klassen krijgen. Het vertrouwen van scholen die van ditkabinet grote woorden horen over passend en inclusief onderwijs, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49820 vervolgens een bezuiniging op hun bord krijgen die tot meer thuiszittersleidt. De regeling voor onderwijskansen, cruciaal om leerlingen in hetvmbo-basis en -kader extra structuur, hulp en maatwerk te bieden, wordtuitgekleed. Het Portus in Rotterdam – ik verwees daar al naar – zit met dehanden in het haar en overweegt zijn thuiszittersvoorziening op te heffen,omdat ze door dit kabinet 1,8 miljoen euro moeten bezuinigen. Tegelij-kertijd trekt de groei in het speciaal onderwijs geld weg bij het reguliereonderwijs, waardoor de ondersteuning in dit onderwijs nog verderafbrokkelt. Kortom, een vicieuze cirkel. Hoe gaat de Staatssecretaris in ophet Portus in Rotterdam en op de groei in het speciaal onderwijs?Voorzitter. Er zijn nu geen overlegtafels, stuurgroepen en verkenningennodig. Wat nodig is, zijn grote doorbraken. In 2023 nam de Kamer bijnaunaniem een motie aan over doorzettingsmacht. De Kamer vroeg ook omcontouren voor een wet inclusief onderwijs, met heldere doelen envoorwaarden.Dan het leerlingenvervoer. In veel gemeenten is dat letterlijkonbetrouwbaar. LBVSO ontving afgelopen jaar meer dan 2.000 meldingenvan kinderen die te maken hadden met busjes die niet komen en met urenonderweg zijn. Ouders moeten hier hun baan voor opgeven. Iedereenwijst naar elkaar. Ondertussen wordt het recht op ontwikkeling dagelijksgeschonden. Veel blijft steken in verkenningen, maar ouders en leerlingenvragen niet om verkenningen; ze vragen om een plek in de klas. Daaromvraag ik aan de Staatssecretaris wanneer de contouren voor eenwetsvoorstel inclusief onderwijs op tafel liggen. Hoe gaat zij de motie overdoorzettingsmacht uitvoeren? Hoe gaat zij nu eindelijk regie nemen op hetleerlingenvervoer?Voorzitter. Kinderen hebben geen wettelijk recht op onderwijs. Ze hebbenwel een leerplicht, vol uitzonderingen. Vrijstellingen vanwege lichamelijkeof psychische gronden nemen toe, maar ook op basis van richtingbe-zwaren. De Kamer nam eind 2023 een motie aan van mevrouw Westerveldmet als onderwerp: alleen vrijstelling als onderwijs echt onmogelijk is.Maar er is nog steeds niets gebeurd. Nu stopt ook het OM met dehandhaving van de leerplicht. Dat is een vrijbrief om kinderen thuis tehouden. D66 vindt dat onacceptabel. Daarom werken wij aan een wetleerrecht. Maar de Staatssecretaris kan ook zelf aan de slag. Gaat ze diemotie uitvoeren? Hoe reageert zij op het OM?Ik zeg vaak dat speciaal onderwijs eigenlijk niet speciaal zou moeten zijn,maar werkelijk inclusief. Leerlingen moeten net zo veel kansen krijgen.Toch wordt de verbeteragenda voor het staatsexamen stopgezet, terwijldit voor veel vso-leerlingen de enige weg is naar een diploma, nota benevia een niet-passend examen. Maar met het alternatief, een regulierexamen, lijkt dan weer weinig haast gemaakt te worden. Gaat deStaatssecretaris concrete doelen stellen en vso-scholen helpen zodat zijreguliere examens kunnen afnemen? Toegankelijke leermiddelen zijnbovendien nog steeds niet wettelijk verankerd. Wat gaat het kabinetdaaraan doen?Daarnaast zien we dat leerlingen alleen toegang krijgen tot hulpmiddelenals zij een diagnose of deskundigenverklaring hebben. Het CvTE heeftstilletjes de regels voor het mogen gebruiken van voorgelezen examensaangescherpt voor de taalvakken. Het kind moet hierdoor dus eerst hetstempel «dyslexie» krijgen. Het gevolg: meer stress, medicalisering enonnodige kosten en vertraging. Leraren en zorgprofessionals op schoolkennen deze leerlingen het beste. Zij moeten kunnen bepalen welkeaanpassingen nodig zijn. Laten we stoppen met deze medicalisering envertrouwen geven aan de professionals op school. Gaat de Staatssecre-taris hier stappen op zetten?Voorzitter, tot slot. Het is tijd voor grote doorbraken in het passendonderwijs. Het mag niet blijven bij: vrijwilligheid, verschuivingen,stuurgroepen, kwartiermakers, verkenningen en overlegtafels. Het rechtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49821 op onderwijs is precies dat: een recht. Ik verwacht dat dit kabinet daarharde keuzes in gaat maken.Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel. Dat leidt allereerst tot een vraag van de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Ik hoor mevrouw Rooderkerk, als ik het goed heb, zeggen: zo snel alsmogelijk inclusief onderwijs; kom op met die wet, dan kunnen we ermeeaan de slag. Hoe ziet mevrouw Rooderkerk dan het inclusief onderwijs alsvergrotende trap, terwijl we passend onderwijs niet eens op de goedemanier voor elkaar kunnen krijgen? Vindt mevrouw Rooderkerk niet datwe dat eerst veel beter zouden moeten doen en die pijnpunten uit de wegzouden moeten ruimen voordat we door kunnen gaan met iets anders?Mevrouw Rooderkerk (D66):Wij zijn nooit fan geweest van dit systeem van het passend onderwijs. Jewil dat elk kind een kans heeft om gewoon op een school onderwijs tevolgen. Er zijn plekken, scholen en landen waar dat beter lukt dan hier. Jezou dat niet in zo veel aparte groepen moeten willen doen. Je ziet nugebeuren dat scholen veel te weinig ruimte bieden en hebben. Het zit ’mnamelijk ook in de groepsgrootte en in leraren die door de pabo niet goedzijn toegerust op leerlingen die iets afwijken van de norm. Je ziet dat heelveel kinderen geen plek krijgen, of dan maar doorverwezen worden naarhet speciaal onderwijs. Het is echt een vicieuze cirkel die helemaal deverkeerde kant op beweegt. Je wil dat elk kind recht heeft op onderwijs.Je wil dat er, zoals in het voorstel waar D66 aan werkt, een leerrechtamb-tenaar is die zegt: jij krijgt een plek op die school. Je wil dat scholen enleraren daar ook op zijn toegerust. Dát is waar je wil dat het naartoe gaat.Hoe langer we wachten met daarop sturen, hoe langer het duurt voordatkinderen een kans krijgen. We zien nu eigenlijk alleen maar meer kinderenbuiten dit systeem vallen.De heer Soepboer (NSC):Dan begrijp ik uw roep om toch verder te gaan niet helemaal. Waarom zouu dan niet juist zeggen «pas op de plaats en laten we kijken naar wat erallemaal moet worden verbeterd voordat we verder kunnen gaan»?Misschien moeten we de grote ambities even laten varen en realistischkijken naar wat er daadwerkelijk moet gebeuren. Bent u dat met ons eens?Ik zie hier ook een oproep in een stuk van de VO-raad en de SectorraadPraktijkonderwijs. Die zeggen: «Doe even geen onomkeerbare dingenzolang die duidelijke stip er nog niet staat. Betrek ons erbij. Heb het er metons over.» Bent u het met ons eens dat we misschien juist even uit dieversnelling naar inclusief onderwijs moeten, en juist even pas op deplaats moeten maken om te kijken wat er allemaal aan schort? Laten wedat alsjeblieft eerst goed doen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Nee, want het alternatief hebben we nu, en dat werkt niet. Maar ik zeg nietdat het op stel en sprong moet. Ik zeg: werk de wet uit. Er ligt eenaangenomen motie vanuit de Kamer. Zorg dat je samen met hele mooievoorbeelden uit de praktijk, die ik ook ken, daadwerkelijk daarnaartoewerkt. Ik heb vandaag ook het voorbeeld gehoord van een wethouder inRotterdam. Die vertelde over een vrije school die een speciale klas heeftingericht, met een leraar die daar ook echt op toegerust is, die er verstandvan heeft. Daar kunnen kinderen, als ze dat nodig hebben, even een aantalmaanden naartoe voordat ze weer terug kunnen naar hun reguliere klas.Daarmee voorkom je dat een kind thuis komt te zitten of naar een schoolvoor speciaal onderwijs moet gaan – als die er al is, want we hebben zulkeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49822 grote wachtlijsten. Laten we er oprecht naar streven dat we elk kind hetrecht op onderwijs geven. Ik zal niet stoppen daarop te hameren. Datmoet zorgvuldig gebeuren. Daarom vraag ik ook om die wet uit te werkenen om dat samen met heel veel leraren, scholen en andere mensen uit depraktijk te doen.De voorzitter:Dank u wel. De heer Uppelschoten heeft ook een vraag.De heer Uppelschoten (PVV):In uw betoog valt mij op dat het speciaal onderwijs weer neergezet wordtals iets negatiefs; dat hebben we ook nodig om een aantal leerlingenonder dak te brengen. Maar misschien is het speciaal onderwijs in hetsysteem van passend onderwijs, wel passend voor een groep leerlingenen is het heel optimistisch om te denken dat alle leerlingen terug kunnennaar het regulier onderwijs. Wat is eigenlijk de plek van het speciaalonderwijs – en ís er nog wel plek voor het speciaal onderwijs – in de visievan D66?Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik denk dat het zal blijven bestaan. Ik ben daar ook totaal niet negatiefover; dan heeft de heer Uppelschoten mij echt niet goed gehoord. Ik benheel veel op scholen in het speciaal onderwijs geweest. Dat is prachtigonderwijs, waar allerlei soorten kinderen met allerlei hulpvragen vangeweldige docenten samen onderwijs krijgen. Maar er zijn niet genoegplekken. We willen dat kinderen zo veel mogelijk met elkaar naar schoolgaan. Het zal dus een plek houden, maar wat mij betreft moet het doel zijndat we daadwerkelijk streven naar inclusief onderwijs waar dat kan. Je zietnu vooral dat het niet houdbaar is omdat die wachtlijsten voor hetspeciaal onderwijs zo lang zijn en er ondertussen heel veel kinderenüberhaupt nergens terechtkunnen en thuis komen te zitten.De voorzitter:Er is een vervolgvraag van de heer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Dat de wachtlijsten te groot zijn, ontken ik niet. Misschien zouden er danmeer faciliteiten moeten komen om het speciaal onderwijs groter inomvang te maken. Maar in het concept van inclusief onderwijs gaat heterom dat al het onderwijs kan plaatsvinden binnen het regulier onderwijs.Leerlingen kunnen er dan even uit, naar speciale klassen, en komen danweer terug naar het regulier onderwijs. Naar mijn mening is het heeloptimistisch om te denken dat dat voor alle leerlingen kan. Ook in hetsysteem van passend onderwijs zal er altijd speciaal onderwijs nodig zijn.We hebben nu een extra probleem, namelijk dat er wachtlijsten zijn. Dat isgeen noodgreep of stempel dat die leerlingen niet naar het regulieronderwijs kunnen. Nee, er zijn helaas leerlingen die speciaal onderwijsnodig hebben. Daar moeten zij zo goed mogelijk opgeleid worden. Datmis ik in het betoog; het lijkt net of het steeds een noodgreep is.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat is absoluut niet wat ik zeg. Ik vind eerlijk gezegd dat hier door de heerUppelschoten een soort karikatuur van het speciaal onderwijs en hetinclusief onderwijs wordt neergezet, waar ik mij totaal niet in kan vinden.Ik zou hem echt willen uitnodigen om bij deze scholen langs te gaan om tezien wat een prachtig werk daar wordt geleverd, en om in gesprek te gaanmet ouders die een kind hebben dat nergens terechtkan. Daar maak ik mijzorgen over.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49823 Dank u wel. De heer Kisteman heeft ook een vraag.De heer Kisteman (VVD):Een mooi betoog van mevrouw Rooderkerk over het passend onderwijsen het streven om kinderen zo veel mogelijk naar school te kunnen latengaan. Ik heb een voorstel gedaan over samenwerkingsverbanden. Diezouden eraan bij kunnen dragen, als die beter zouden functioneren, ommeer kinderen naar school te laten gaan en minder thuis te laten zitten.Zou mevrouw Rooderkerk er ook een voorstander van zijn om samenwer-kingsverbanden beter te laten functioneren en naar één model over testappen? Ik bedoel daarmee een soort hybride model, waarbij er veelbeter overleg plaatsvindt en veel betere doelstellingen wordenvastgelegd.Mevrouw Rooderkerk (D66):Alles wat beter kan werken, moet beter werken. Maar ik denk gewoon nietdat we in de suggestie van de heer Kisteman de oplossing in gaan vinden.Dit klinkt meer als een vervolg op die verkenningen, overlegtafels enkwartiermakers, waar ik net over zeg dat we doorbraken moeten creëren.Als je doet wat je deed, krijg je wat je kreeg. Een nieuw overlegeroverheen gaat natuurlijk niet helpen.De wet waar wij aan werken, voor het leerrecht, is een fundamenteelandere manier van denken. In plaats van dat je een leerplichtambtenaarhebt die alleen langskomt om te zeggen ... Ik wil er ook geen karikatuurvan schetsen. Er zijn ook hele mooie voorbeelden van te vinden inverschillende gemeenten, dat je leerplichtambtenaren meer doorzettings-macht geeft, om te zorgen dat zij met scholen samen een plek kunnenbedienen en dat ouders ergen terechtkunnen. Op dit moment zijn erinderdaad samenwerkingsverbanden, en die doen ook zo goed mogelijkhun werk, maar er is niet de doorzettingsmacht die we nodig hebben.Daar moeten we, denk ik, veel fundamenteler een verandering in brengen.De voorzitter:De laatste interruptie van de heer Soepboer. O, meneer Kisteman, neemmij niet kwalijk.De heer Kisteman (VVD):We begrijpen het pleidooi van mevrouw Rooderkerk over de leerplicht-ambtenaar en de weg naar het leerrecht, maar er is natuurlijk ook gewooneen samenwerkingsverband. Dat staat los van die leerplichtambtenaar. Ditgaat niet over weer een volgend gesprek; dit zijn goede voorbeelden uitde praktijk, waar het supergoed functioneert. Die kent mevrouwRooderkerk ook. Dan zou je ook kunnen zeggen: «We weten nu hoe hetwerkt. We weten hoe het niet werkt. Nu gaan we die volgende stapzetten.» We hoeven hier niet weer jaren over te blijven praten. Laten wedie volgende stap dan maken en de voorbeelden gebruiken van de goedwerkende samenwerkingsverbanden. Het is niet het idee van de VVD omnu weer het gesprek aan te gaan en weer onderzoek te doen, maar latenwe dan die stap gaan maken.Mevrouw Rooderkerk (D66):Misschien is het mij niet duidelijk, maar ik hoor de heer Kisteman nuzeggen: we willen niet een samenwerkingsverband, maar een goedwerkend samenwerkingsverband. Dat is dus het baanbrekende voorstel. Ikwil daar niet vervelend over doen, maar ik begrijp gewoon niet welkeoplossing hij nu daadwerkelijk voorstelt. Als het een goede oplossing isom een samenwerkingsverband te verbeteren, prima. Ik denk alleen nietdat we hiermee gaan oplossen waar wij in het passend onderwijs al zolang mee dealen. Dit is te simpel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49824 De voorzitter:De heer Kisteman laat het erbij. Dat geeft de beurt aan de heer VanHouwelingen. Dit is uw laatste interruptie.De heer Van Houwelingen (FVD):Zou meer speciaal onderwijs het reguliere onderwijs niet kunnenontlasten?Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat hebben we natuurlijk al. Wat we zien gebeuren, is dat het regulieronderwijs voor veel kinderen te druk is door de grote klassen die wehebben. Ik ben met de SP bezig met een wetsvoorstel voor kleinereklassen. Dat is bijvoorbeeld een groot voordeel van het speciaalonderwijs. Daarin zijn veel kleinere klassen mogelijk. Dat kost ook wel heelveel geld; dat kun je je voorstellen. Dan zou je de bezuinigingen dus inieder geval moeten terugdraaien en extra geld moeten investeren. Ik zouwillen dat elk kind dezelfde aandacht krijgt als op het speciaal onderwijs,met goed toegeruste leraren en kleine klassen. Laten we het regulieronderwijs zo inrichten. Daarmee zeg ik ook dat het speciaal onderwijs nietspeciaal zou moeten zijn. Elk kind zou gewoon goed onderwijs moetenkrijgen en elk kind zou ook de kans moeten krijgen om dat in een klas tekrijgen waarin hij mee kan doen en waar hij niet buiten de boot valt. Ik kenzo veel schrijnende verhalen van kinderen en van ouders, van wat dat metiedereen doet. Dat zou toch echt anders moeten.De heer Stoffer (SGP):Ik denk dat mevrouw Rooderkerk en ik het over een heel aantal dingenbest met elkaar eens zijn. Wij zien ook dat veel kinderen thuiszitten en dathet mooi is dat je op school meedoet enzovoorts. Het siert mevrouwRooderkerk dat ze ideeën naar voren brengt en misschien wetgevingmaakt om dat te verbeteren. Ik ben eigenlijk wel benieuwd – dat isgewoon een vraag vanuit nieuwsgierigheid – in welke ideale situatie weterechtkomen als die leerrechten er dadelijk zijn. Zou mevrouwRooderkerk daar iets over kunnen schetsen? Wat is dan, als die wet er is,het eindplaatje? Hoe ziet dat eruit?Mevrouw Rooderkerk (D66):Het probleem waar ouders nu tegen aanlopen als een kind het niet redt opschool, is dat het regulier onderwijs vaak heel erg klassikaal is ingericht.Je wil een kind bijvoorbeeld veel meer ruimte bieden om onderwijs veelmeer thuis te volgen. In coronatijd hebben we gezien dat het ook op diemanier kan worden ingevuld en dat er een soort hybride vorm wordtontwikkeld. Er zijn plekken in ons land waar dit al gebeurt. Het onderwijsmoet dus veel meer worden ingericht op wat voor een kind op datmoment haalbaar is. Het is niet iets wat ik verzin. Er zijn gewoon heel veelvoorbeelden uit de praktijk. Je wil dat die heel breed gezien en gedragenworden. Je kunt denken aan kinderen die een tijdje in een klas komenwaar ze met een kleinere groep intensief onderwijs krijgen en geholpenworden. Het kan ook zo zijn dat een kind te maken heeft met eenscheiding thuis, het daarom niet redt in een klas, maar vervolgens welweer terug kan naar de klas. Er zijn allerlei vormen van onderwijs die nietalleen maar uitgaan van het standaardplaatje dat je in een hele grote klaszit en klassikaal les volgt. Dat lukt gewoon voor veel kinderen niet. We zienin toenemende mate dat het voor kinderen niet lukt. Daar wil je eenoplossing voor vinden. Wat nodig is, is dat kinderen en ouders ergensterechtkunnen en dat er daadwerkelijk een plek wordt gecreëerd, in plaatsvan dat ze te maken krijgen met een vrijstelling voor onderwijs of dat eenschool zegt «het lukt bij ons niet, kijk maar naar een andere school of naarhet speciaal onderwijs» en dat daar dan geen plek is. Daar wil je dus eendoorbraak in creëren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49825 De voorzitter:Dank u wel. Een vervolgvraag van de heer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Eén. Dank voor het antwoord. Ongetwijfeld zullen er dingen in zitten waarwe het niet over eens zijn, maar ik hoor ook best mooie dingen. Dan schietgelijk door mijn hoofd: dit zou natuurlijk ook heel wat betekenen voorouders. Vaak wordt gezegd: mensen maximaal naar de arbeidsmarkt. Datis niet hetgeen waar de SGP voor staat, maar als je dit doet, dan betekentdat natuurlijk ook wel wat voor ouders, namelijk dat ze meer thuis moetenzijn voor een deel. Het valt natuurlijk vaak al niet mee in gezinnen als eenkind niet heel makkelijk meekomt in de mainstream. Heeft mevrouwRooderkerk ook nagedacht over die consequenties? Dit is geen lelijkevraag; dit schiet bij mij nu gewoon in één keer op. Maar dit betekent weliets voor je inkomen, je gezin, de samenstelling en hoe je het allemaalregelt qua werk en zorg. Mijn vraag is dus: neemt u dat daar ook in mee?Dat is een oprechte vraag; het is geen strikvraag.Mevrouw Rooderkerk (D66):Nee, het is juist andersom. Ik heb het over kinderen die nu thuiszitten wierouders hun baan moeten opzeggen omdat ze thuis voor hun kind moetenzorgen, omdat het kind op geen enkele school terechtkan. Dit komt zo veelvoor in ons land; dat is bizar. We hebben dus geen recht op onderwijs. Ikwens die kinderen toe dat ze op een manier onderwijs kunnen volgenwaarbij ze wel daadwerkelijk les krijgen, dat ze hopelijk dan ook gewoonweer kunnen instromen en dat ze anders op een andere manier leskrijgen, bijvoorbeeld een aantal dagen, in plaats van dat ze een volle weekin een klas zitten en uitvallen als het niet lukt. Op die manier kunnenouders ook aan het werk en zitten ze niet continu met deze zorgen.De heer Uppelschoten (PVV):Ik probeer ook te begrijpen wat er gezegd wordt. Ik probeer te begrijpenwat er nou verandert in de situatie dat er een leerrecht is voor ouders ofvoor leerlingen, en de situatie dat er een zorgplicht is voor de scholen enzij moeten zorgen voor onderwijs voor de leerlingen. De woorden zijnverschillend; dat begrijp ik wel. Maar ik begrijp niet wat er feitelijk in desituatie verandert als je leerlingen een plek in het onderwijs wil bezorgen,of dat nou via een leerrecht gaat of via de zorgplicht die scholen hebben.Mevrouw Rooderkerk (D66):Het is een fundamenteel andere manier van denken. Er is ook eenontheffing op de leerplicht. Er ligt een uitgebreid wetsvoorstel van D66.Wij zijn nog bezig om de suggesties van de Raad van State hierin teverwerken. Maar ik ga heel graag verder in gesprek met alle leden diehierin interesse tonen en die ook willen weten hoe je dat invult, om tezorgen dat we daar een gedragen voorstel van kunnen maken en wedaarin ook alle zorgen kunnen verwerken die er zijn. Dan kunnen wedaadwerkelijk een voorstel maken dat kinderen verder helpt.De voorzitter:Ja. We gaan dat voorstel nog uitgebreid bespreken, dus dat hoeft niet perse nu. Maar de heer Kisteman heeft nog wel een vraag.De heer Kisteman (VVD):Ik heb de beantwoording van mevrouw Rooderkerk net even latenbezinken, totdat ze net zei: we willen kinderen niet nutteloos thuis latenzitten. Er is gewoon een manier ... Ik bedoel het, net als de heer Stofferdenk ik, niet als een strikvraag. Maar als er samenwerkingsverbanden zijndie goed functioneren, dan zitten er gewoon minder kinderen thuis.Nogmaals, ik bedoel er oprecht helemaal niks verkeerds mee, maar als weTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49826 naar één model kunnen gaan, met een goed functionerend samenwer-kingsverband, met best practices uit de praktijk, dan scheelt dat enorm. Ikken de verbanden waar het niet werkt. Die ouders heb ik ook gesproken.Die zijn jaren aan het zoeken. Ik ben op een hoogbegaafdenschool inElburg geweest, waar ik ouders sprak die zelfs van Hardenberg naarElburg zijn verhuisd zodat de kinderen daar naar school kunnen. Maar erzijn ook samenwerkingsverbanden die wél heel goed functioneren. Mijnvraag aan mevrouw Rooderkerk is dus nogmaals: zou ze er voorstandervan zijn om naar een soort hybride model te gaan waarmee we wel ditsoort problemen kunnen oplossen?Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik begrijp werkelijk niet wat het hybride model moet zijn en wat er dananders gaat zijn. Niet om vervelend te zijn, maar ik begrijp oprecht nietwat de heer Kisteman nu voorstelt om van een samenwerkingsverbandeen goed samenwerkingsverband te maken.De heer Kisteman (VVD):Dan adviseer ik mevrouw Rooderkerk om mijn inbreng straks nog eventerug te luisteren of goed op te letten bij de beantwoording van deStaatssecretaris.De voorzitter:Een advies.Mevrouw Rooderkerk (D66):Kennelijk kan de heer Kisteman niet uitleggen hoe hij ervoor wil zorgendat het probleem dat we nu zien met passend onderwijs wordt opgelostdoor van een samenwerkingsverband een goed werkend samenwerkings-verband te maken.De voorzitter:Dank u wel. Dat brengt ons bij de bijdrage van de heer Van Houwelingennamens Forum voor Democratie.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank u, voorzitter. Passend onderwijs, inclusief onderwijs: het klinktnatuurlijk allemaal heel sympathiek om leerlingen zo veel mogelijk in hetregulier onderwijs een plekje te geven en ze niet af te zonderen in hetspeciaal onderwijs. Dat is de theorie, maar de praktijk is anders. Die isweerbarstiger. Ik zou dat graag vanuit twee gezichtspunten kort willenbetogen. Allereerst vanuit het gezichtspunt van de leraar. We hebbenleraren in het speciaal onderwijs gesproken. Ze hebben leerlingen in deklas zitten die extra ondersteuning nodig hebben. Zij merken op dat deondersteuning die ze in de praktijk ontvangen, heel beperkt is. Officieel iser natuurlijk extra geld voor, alleen wordt dat niet goed besteed. Er isbijvoorbeeld wel wat geld voor – ik noem maar wat – een remedialteacher, die dan af en toe langs kan komen om te helpen in de klas. Maardat geld is natuurlijk niet gekoppeld aan die leerlingen. Dat is hetprobleem. Zodra er iemand ziek is in de school en er bijvoorbeeld een klasuitvalt, dan moet de leraar die klas vervangen, en dan heeft de leraar ineen klas met kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, dushelemaal geen ondersteuning meer. Of er komt één keer in het halfjaariemand langs die gaat observeren in de klas en die dan een advies geeftdat de leraar vaak zelf ook had kunnen bedenken. Daar gaat dan het geldnaartoe. Die leraar heeft daar niks aan. Dat zien we nu gebeuren. Dathoren we heel veel. Uiteindelijk betekent dat dus dat die leerlingen geenextra ondersteuning krijgen. Dat gaat ook ten koste van het reguliereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49827 onderwijs, omdat die leraar heel veel bezig is met de leerlingen die extraondersteuning nodig hebben. Dat gaat dus ten koste van de rest van deklas.Mijn eerste vraag zou zijn – want dat onderzoek heb ik in de stukken nogniet aangetroffen – of de Minister, of de Staatssecretaris, bereid zou zijnom aan leraren die in het reguliere onderwijs werken en die leerlingen inde klas hebben zitten die extra ondersteuning nodig hebben, te vragenhoe zij de ondersteuning ervaren die ze vanuit het samenwerkings-verband, vanuit de school, ontvangen en of ze daar tevreden over zijn.Want dat is dus niet het geval. Dat is het probleem. Dat is de hele tijd hetprobleem. Dat werd trouwens al een paar keer terecht opgemerkt. Hetprobleem is niet zozeer het geld, maar hoe het geld wordt besteed. Dat isin het onderwijs een heel groot structureel probleem, zoals bijvoorbeeldBeter Onderwijs Nederland ook heel vaak opmerkt. Dat zien we hier ookweer gebeuren, met al die samenwerkingsverbanden en besturen. Diebesteden dus het geld niet goed. Dat is het probleem.Dan vanuit het oogpunt van de leerlingen en de ouders. Daar hebben weook brieven van ontvangen. Zij kunnen vaak überhaupt geen plek vindenvoor hun kind dat een achterstand of een handicap heeft. Zij gaan dannaar scholen toe, maar die basisscholen zitten daar niet op te wachten.Die wijzen dat dan mondeling af, wat eigenlijk niet mag. Dat is wat welezen en horen. Die ouders krijgen dus te horen: meld je maar niet aan,want het is lastig bij ons op school. We hebben zelfs een berichtjeontvangen van een schoolbestuur, dat ik hier even kort wil citeren. Dieschool in Almere heeft het volgende bericht ontvangen. «Geachteheer/mevrouw, omdat mijn zoontje van vijf jaar een spraakachterstandheeft – hij begint nu wel met praten – doen basisscholen moeilijk met detoelating. Als uw school extra steun aan hem wil verlenen en hem wilaannemen, dan is het geen probleem als ondernemer», zegt deze ouder,«om grote bedragen te doneren. Niet om beledigend over te komen, maarzal € 5.000 voorlopig voldoende zijn?» Dit soort mails gaan rond. Dit istoevallig een ouder die heel veel geld heeft en kan doneren, maar oudersdie geen geld hebben, lopen natuurlijk helemaal spaak in dit systeem. Ookvoor de leerlingen lijkt het niet goed te zijn. Die zitten dan in het regulieronderwijs, waar ze onvoldoende aandacht krijgen. Dat is wat we horen. Zeontwikkelen ook faalangst, omdat ze natuurlijk niet zo goed mee kunnenkomen met de rest van de klas. Ik breek hier een lans voor het speciaalonderwijs, zoals u merkt.Ik heb nog een paar concrete vragen aan de Staatssecretaris. Is hetcorrect, zoals Leerlingenbelang Voortgezet Speciaal Onderwijs schrijft, datdat veel jongeren uit beeld verdwijnen omdat ze weliswaar ingeschrevenstaan bij een instelling, maar geen onderwijs krijgen? Is dat probleembekend of niet? Wil de Minister dat onderzoeken?Dan een vraag die ik namens Leerlingenbelang stel. Zij hebben namelijkgevraagd of een van de Kamerleden die vraag kon stellen aan deStaatssecretaris. Er is blijkbaar door Leerlingenbelang, Balans en Ouders& Onderwijs op 28 maart een brief gestuurd over het leerlingenvervoer.Daarbij het vriendelijke verzoek aan OCW om die door te sturen naarVWS. Dat geef ik hier gelijk maar even door.Dan mijn conclusie. Mijn overkoepelende vraag is: werkt dat passendonderwijs wel? Daarom ook mijn interrupties zojuist. Er zijn veel te veelonderwijshervormingen. Heeft die onderwijshervorming van tien jaargeleden nou resultaat opgeleverd? Misschien wil de Staatssecretarisdaarop reflecteren.Dan meer specifiek. Was het wel zo verstandig om die rugzakjes af tepakken, vraag ik me af. Het zit hem in de financiering en de financierings-stromen. Het rugzakje was tenminste gekoppeld aan leerlingen. Daarhadden ouders ook wat aan. Dat lees ik ook terug, bijvoorbeeld in een vande brieven die we hebben gekregen van de belangengroepen. Daarin staathet volgende. Ik citeer deze zin ook nog even, want het kan nog: «Sinds deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49828 afschaffing van het rugzakje in 2014 zijn veel leerlingen en oudersnatuurlijk afhankelijk geworden van ondersteuning via schoolbudgetten»,dus die algemene budgetten. «In de praktijk betekent dit bureaucratie,wachttijd en veel «nee, tenzij».» Ik heb nog een paar seconden, dus mijnlaatste vraag aan de Staatssecretaris is of zij zou willen overwegen om hetrugzakje te herintroduceren.Dank u, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Tot slot van de zijde van de Kamer is het woord aan de heerOostenbrink van BBB.De heer Oostenbrink (BBB):Dank u, voorzitter. Vandaag spreken we over het passend onderwijs. Ik wilgraag drie belangrijke thema’s aanstippen. Dat zijn de knelpunten in hetleerlingenvervoer, de uitvoering van een eerder aangenomen motie overautisme, in samenwerking met de samenwerkingsverbanden, en eenonderwerp dat de BBB nauw aan het hart ligt, namelijk de rol vanzorgboerderijen in het onderwijs.Voorzitter. Ik begin met het leerlingenvervoer. Op dit moment kampen wemet grote problemen op dit terrein. We hebben het al gehoord in anderebetogen voor mij. Uit onderzoek van Oberon blijkt ook dat 18% van deleerlingen die gebruikmaken van leerlingenvervoer wekelijks te laat opschool arriveert. Een kwart van hen komt oververmoeid of overprikkeldaan. 12% verliest structureel onderwijstijd. Dat zijn cijfers met ingrijpendegevolgen, vooral voor de meest kwetsbare leerlingen. Vanuit het veld zijner constructieve voorstellen gedaan om het leerlingenvervoer te verbe-teren. Daarom is mijn vraag aan de Staatssecretaris: wat vindt zij van hetvoorstel om de verantwoordelijkheid voor leerlingenvervoer onder tebrengen bij het Ministerie van OCW? Gezien het feit dat dit ministerieverantwoordelijk is voor de toegankelijkheid van onderwijs, ligt het voorde hand dat ook het vervoer daaronder komt te vallen. Daarnaast wil ikgraag weten hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen het opstellen vanlandelijke richtlijnen voor leerlingenvervoer. Denk aan normen voorreistijd, vervoersomstandigheden en veiligheid. Zo creëren we gelijke enpassende omstandigheden voor alle leerlingen, ongeacht waar ze wonen.De BBB pleit ook voor landelijke dataverzameling over het leerlingen-vervoer, zodat de beleidskeuzes beter worden afgestemd op de daadwer-kelijke behoefte van leerlingen. Samengevat: intensieve samenwerkingtussen gemeenten, ouders en het Rijk is noodzakelijk om het vervoerveilig, zorgzaam en passend te organiseren.Voorzitter. Dan de eerder aangenomen motie van de BBB over het inzettenvan onbenutte financiële reserves van samenwerkingsverbanden voorautismeprogramma’s in het onderwijs. Wij maken ons zorgen over deuitvoering daarvan. Uit de Kamerbrief van 24 april, en ook uit de vierdevoortgangsrapportage verbeteraanpak passend onderwijs, blijkt dat dezemiddelen breder worden ingezet voor algemene ondersteuning. Daarmeedreigt de oorspronkelijke bedoeling van de motie, namelijk het gerichtinzetten van deze reserves voor leerlingen met autisme, te verwateren,terwijl de nood hoog is. Het aantal thuiszitters met autisme is in tien jaargestegen van 4,1% naar 13,3%. We vragen de Staatssecretaris om eentoelichting op de wijze van uitvoering van deze motie.Een andere zorg die wij willen aankaarten, betreft de lerarenopleidingen.Die geven aan dat er vanwege tijdgebrek pas aandacht is voor kennis overautisme, ADHD en gedragsproblemen wanneer een leraar al voor de klasstaat, terwijl leraren in een recent rapport zelf aangaven dat zij deze kennisjuist tijdens de opleiding hadden willen opdoen. Graag ook hierop eenreactie van de Staatssecretaris. Hoe kan de opleiding hier beter op wordeningericht?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49829 Voorzitter. Tot slot wil de BBB het belang van de onderwijszorgboerderijenbenadrukken. Deze boerderijen bieden een waardevolle combinatie vanzorg en onderwijs aan kinderen die zijn uitgevallen in het reguliereonderwijs. Ze bieden rust, structuur en verbinding met natuur en dier.Onderzoek laat zien dat 80% van de leerlingen daarna succesvol terug-keert naar school. Dat zijn dus prachtige initiatieven. Toch ondervindendeze boerderijen hinder van regelgeving. Zo mogen ze formeel geenonderwijs verzorgen, omdat ze geen BRIN-nummer hebben. De huidigegedoogconstructies zorgen voor onzekerheid en ongelijkheid. Daaromvraag ik: is de Staatssecretaris bereid te onderzoeken of zorgboerderijenals officiële onderwijslocaties kunnen worden erkend? Daarnaast zijn ergrote regionale verschillen in hoe samenwerkingsverbanden met dezeinitiatieven omgaan. Kan de Staatssecretaris zorgen voor meer landelijkeduidelijkheid en uniforme regelgeving, ook in een breder spectrum, voorde samenwerkingsverbanden door het hele land?Tot zover.De voorzitter:De heer Soepboer heeft nog één interruptie en die gaat hij nu gebruiken.De heer Soepboer (NSC):Ik sla toch even aan op het verhaal over die zorgboerderijen. Ik laat hetzorgstuk even voor wat het is en redeneer even vanuit het onderwijs. Ikheb altijd in het onderwijs gewerkt en ik heb er in deze Kamer altijd voorgepleit dat we moeten proberen de kwaliteit van het onderwijs teherstellen. Dan heb je dus ook docenten nodig die bijvoorbeeld de juistediploma’s hebben en die op de juiste manier zijn opgeleid. Hoe zietmeneer Oostenbrink dat dan voor zich? Hoe gaat hij dat op zo’n zorgboer-derij dan doen? Hij roept de Staatssecretaris op om iets te onderzoeken. Ikneem aan dat dat uit een soort visie komt. Mijn vraag aan de heerOostenbrink is: hoe ziet hij dat onderwijsgedeelte en de kwaliteit van datonderwijsgedeelte in zijn visie geborgd op die zorgboerderijen?De heer Oostenbrink (BBB):Zoals ik net ook aangaf in mijn betoog, zien wij bij de zorgboerderijen datde combinatie met dier en natuur op die kinderen een goede indrukmaakt, ook als het gaat om de terugkeer richting het reguliere onderwijs.Daarom vraag ik de Staatssecretaris wat de mogelijkheden zijn om diezorgboerderijen mogelijkerwijs als onderwijslocaties aan te wijzen danwel te refereren naar een BRIN-nummer. Over de combinatie met hoe weer uiteindelijk voor zorgen dat er docenten komen die daar een stukjeonderwijs kunnen neerleggen, zeggen we: laten we eerst proberen om deeerste hinder van regelgeving weg te halen en kijken wat daarin demogelijkheden zijn. Daarna kunnen we dan ook kijken hoe we dat soortpraktische punten mee kunnen nemen in de verdere uitvoering.De voorzitter:De heer Soepboer mag niks meer zeggen. Dat brengt mij bij het einde vande eerste termijn van de Kamer. Ik stel voor dat we nu een uur schorsen.Dan valt de dinerpauze ook meteen binnen dat uur. Daarna kunnen we hetdebat meteen afmaken, want het is om 21.00 uur afgerond. Om 17.30 uurbeginnen we weer.De vergadering wordt van 16.33 uur tot 17.33 uur geschorst.De voorzitter:Dames en heren. We gaan weer verder met het debat over passendonderwijs. Stilte graag op de publieke tribune. Het is nu de beurt aan hetkabinet, aan de twee Staatssecretarissen, om de vragen van de Kamer tebeantwoorden. Ik wil hun daar graag de gelegenheid voor geven, maarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49830 niet dan nadat ik tegen de Kamerleden heb gezegd dat ik zes interruptieswil toestaan op de Staatssecretarissen. Ik doe daarbij nog wel een keer hetverzoek om dat korte interrupties te laten zijn, want zonet ging een aantalvan u echt over de 30 seconden heen. Het woord is aan de Staatssecre-taris.Staatssecretaris Paul:Voorzitter, dank u wel. Het is misschien goed om toe te lichten dat ikgisteren samen met collega Bruins gesproken heb met de voorzitter,ondervoorzitter en griffier van deze commissie. Toen is ons te kennengegeven dat de commissie geen prijs stelt op inleidende teksten van debewindspersonen. Dat is best stevig overgebracht. Ik houd me aan dewensen van de Kamer. Dat betekent dat ik vrijwel direct zal overgaan totbeantwoording van de vragen.De voorzitter:Dank u wel. Dat heb ik inderdaad gedaan. Dat was op verzoek van decommissie, nadat we dat in de procedurevergadering besproken hadden.Dat is om het debat met de Kamer de volle ruimte te geven en vanwegede controlerende taak van de Kamer. Daarom zijn er ook zes interruptiestoegestaan, want vaak zijn het er maar vier. Maar dank daarvoor.Staatssecretaris Paul:Zo is het, voorzitter.Ieder kind verdient het om goed mee te kunnen doen en om daarinondersteund te worden als dat nodig is. Dit kabinet werkt samen metpartijen in het veld aan het verbeteren van passend onderwijs, debeweging naar inclusief onderwijs en het verstevigen van de samen-werking tussen onderwijs en zorg. De inzet is goede ondersteuning op allescholen en maatwerk voor de leerling die dat nodig heeft, zodat alleleerlingen zich optimaal kunnen ontwikkelen, goed kunnen leren lezen,schrijven en rekenen, en goed worden voorbereid op meedoen in desamenleving, doorstroom naar het vervolgonderwijs of naar de arbeids-markt.Als we het hebben over passend onderwijs, moeten we ook realistischzijn. De verwachtingen zijn vaak hoog, terwijl er ook een grens is aan watmogelijk is. Vrijwel alle leden laten zich kritisch uit over het functionerenvan passend onderwijs. Sinds de start van de verbeteraanpak in 2020 zijner stappen gezet in de uitvoering van de maatregelen van de verbeter-aanpak. Dat doen we samen met alle partners in het veld. Zo is sinds1 januari 2025 wettelijk verplicht dat alle 151 samenwerkingsverbandeneen ouder- en jeugdsteunpunt hebben. Vanaf 1 augustus 2025 hebbenleerlingen hoorrecht over hun eigen perspectief. Maar we zijn er nog langniet, zoals verschillende leden aangeven. In mijn brief heb ik ook eenaantal dingen benoemd waarop meer nodig is, bijvoorbeeld op het gebiedvan samenwerkingsverbanden.Ik zie, zeg ik in reactie op de heer Soepboer, dat het per regio kanverschillen welke ondersteuning een leerling krijgt. Daarom werken weaan het verkleinen van de verschillen in het ondersteuningsaanbod inregio’s door samenwerkingsverbanden een duidelijkere opdracht te gevenen door naar de regio-indeling te kijken, zoals ook door het lid Soepboer isgevraagd in zijn motie over het herzien van de werking en positie vansamenwerkingsverbanden. In het voorjaar van 2026 informeer ik uwKamer hierover.De heer Kisteman vroeg welk doel en welke functie het samenwerkings-verband heeft en of we dat vastleggen zodat er duidelijkheid komt voorhet veld over de vraag wat er van hen wordt verwacht. Het doel van hetsamenwerkingsverband is ervoor zorgen dat leerlingen met een extraondersteuningsbehoefte onderwijs kunnen volgen dat zo goed mogelijkbij hen past. Dit is ook zo vastgelegd in wet- en regelgeving. In hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49831 programma van eisen staan de wettelijke taken van samenwerkingsver-banden en schoolbesturen. Dit is vorig jaar herzien zodat er meerduidelijkheid is over wat er van hen wordt verwacht. Dit document wordtin het veld ook breed gebruikt. Wel scherpen we de opdracht van eensamenwerkingsverband verder aan. In het voorjaar van 2026 informeer ikuw Kamer hierover.De heer Kisteman vroeg ook hoe ik tegen het hybride model bij samen-werkingsverbanden aankijk. De realiteit is dat ik ook meer uniformiteit wilin hoe samenwerkingsverbanden zijn ingericht. Daarom willen we toenaar één financieringsmodel. Dat neem ik ook mee in de informatievoor-ziening zoals ik zojuist aangaf.De voorzitter:Mag ik heel even iets vragen tussendoor? We hebben de indeling van deblokjes niet benoemd net. Is dit het blokje samenwerkingsverbanden? Enwelke blokjes zijn er nog meer?Staatssecretaris Paul:Dit is eigenlijk de algemene ... Nee, ik moet het even goed zeggen. Dit isvoor mij ook een nieuwe werkwijze. Ik ga straks dieper in op de thema’sverbeteraanpak passend onderwijs, verzuim en inclusief onderwijs. Totslot is er een blokje overig, waarbij een aantal vragen ... Nee, ik moet heteven goed zeggen. Daarna gaat Staatssecretaris Karremans in op devragen die gaan over de verbinding tussen onderwijs en zorg, endoelgroepenvervoer, waaronder het leerlingenvervoer. De paar vragenover leerlingen die specifiek aan mij waren gericht, zal ik voor mijnrekening nemen in het blokje overig.De voorzitter:En we zijn nu in het blokje algemeen.De heer Kisteman (VVD):Fijn dat de Staatssecretaris het met mij eens is dat één model prettigerzou zijn, ook qua financiering. Is zij dan ook van plan om toe te werkennaar één type samenwerkingsverband, één model? Begrijp ik dat goed?Wat gaat zij precies opschrijven in die brief die in 2026 onze kant op komt?Hoe denkt de Staatssecretaris erover en wordt het dan een hybridemodel? Kan zij daar iets over vertellen?Staatssecretaris Paul:Ik kan nu niet met zekerheid zeggen dat dat het hybride model wordt,maar ik wil wel iets meer uniformiteit, want daar is de exercitie op gericht.De heer Kisteman (VVD):Loopt daar nu een onderzoek naar of wordt daarnaar gekeken? Begrijp ikdat zo goed?Staatssecretaris Paul:We zijn dat nu met veldpartijen verder aan het uitwerken.De heer Soepboer (NSC):Toch even ter ondersteuning en hulp. Ik heb op 12 juni 2024 een motieingediend met het volgende dictum: verzoekt de regering de werking enpositie van de samenwerkingsverbanden te herzien, te sturen op éénondersteunings- en financieringsmodel met heldere kaders en duidelijkewettelijke taken, en te komen tot een minder gefragmenteerde spreidingover het land. Dat is alles wat de motie omvat. Dat is ook wat ik graag inde brief terug zou zien, dus niet alleen wat ik net zag en wat u zei. Het gaatom het complete beeld van de motie, die eigenlijk ook omvat wat de heerKisteman vraagt. In alle eerlijkheid: begin 2026 is ongeveer twee jaarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49832 nadat ik die motie heb ingediend. Ik vind dat aan de late kant. Ik heb laatstmensen bij mij op kantoor gehad om hierover te praten, dus ik was in deveronderstelling dat het sneller zou gaan. Zou u daarop kunnen reageren?Staatssecretaris Paul:Ja, zeker. Ik zou ook best wel willen dat het sneller zou gaan, maar derealiteit is dat ik niet ga veranderen om het veranderen. We gaan aan deslag om de veranderingen door te voeren die tot verbetering en totpositieve impact leiden. Ik weet dat ik wel vaker het verwijt krijg dat ikoverleg en met iedereen in het veld praat, maar dat is de enige manierwaarop ik kan borgen dat ik draagvlak heb en dat we doen wat werkt. Datgeldt op allerlei verschillende punten. De heer Soepboer heeft gelijk dathij meer dingen heeft gevraagd. Ik was niet helemaal compleet in mijnbeantwoording. Maar die zaken worden allemaal meegenomen. Op al diepunten is nadere uitwerking nodig. Dat doen we samen met het veld. Alshet sneller kan, dan gaat het natuurlijk sneller. We zijn er in ieder gevalheel druk mee bezig.De vraag van de heer Kisteman heb ik beantwoord. Afsluitend nog op datpunt: ook de komende periode kijken we met verschillende partijen naarwelk model het beste zou zijn. We bekijken ook wat er nodig is voor eensoepele overgang. Dat nemen we daar ook in mee. Je wilt van A naar B,maar dat gaat niet vanzelf. Daar zijn we mee aan de slag.Mevrouw Westerveld vroeg naar de samenhang tussen de regio-indelingvan samenwerkingsverbanden en jeugdzorgregio’s. Zoals aangegeven inmijn brief zet ik erop in dat elk samenwerkingsverband nog maar in éénjeugdzorgregio valt. Dus ook daar werken we aan synergie.Voorzitter. Er komt veel op leraren af in de klas. Steeds meer leerlingenhebben extra ondersteuning nodig, terwijl leraren zich niet altijd goedtoegerust voelen om hen te helpen. De heer Oostenbrink vroeg mij hoe delerarenopleidingen beter op de toerusting van leraren kunnen wordeningericht. Het is belangrijk dat studenten tijdens de lerarenopleidingervaring opdoen met leerlingen met verschillende typen ondersteunings-behoeftes. De uitkomsten van het door u aangehaalde onderzoek wordendaarom besproken in het zogenaamde opleidingsberaad leraren. Daarnemen mijn collega Bruins en ikzelf aan deel, samen met alle vertegen-woordigingen van de lerarenopleidingen en andere experts. In datopleidingsberaad leraren maken we gezamenlijke afspraken over deinhoud van de lerarenopleidingen. Dit is dus zeker een punt dat wemeenemen. Ik wil daarbij wel de winstwaarschuwing geven dat bij deopleidingen zelf het curriculum behoorlijk vol is. We moeten dus heelgoed kijken hoe dit een plek krijgt. Daarnaast vind ik het belangrijk dat weniet alle ballen in het mandje van de lerarenopleiding gooien, maar dat weook heel nadrukkelijk kijken wat er bijvoorbeeld in de inductiefase kangebeuren en in de bijscholing van leraren. Voor de zomer van 2025 zal ik uvia de brief over de lerarenstrategie informeren over de vervolgstappen.Mevrouw Westerveld vroeg hoe we multidisciplinaire teams gaanvormgeven en welke rol de lokale teams daarin kunnen spelen. Wat wedoen, is de ondersteuning in en om de klas versterken. Zo investeren westructureel 53 miljoen euro per jaar voor het inzetten van brugfunctiona-rissen die de verbinding leggen tussen het gezin thuis en het kind opschool. De komende periode zet ik verder in op het stimuleren vanmultidisciplinaire teams op school, onder andere door het benutten vande expertise vanuit het gespecialiseerd onderwijs, jeugdhulp en zorg.Deze expertise is aanwezig – dat weet mevrouw Westerveld waarschijnlijknog veel beter dan ik – in die lokale teams. Ik wil in overleg met mijncollega van VWS bekijken hoe we kunnen zorgen dat de lokale teamsdichterbij of zelfs op school hun werk kunnen gaan doen. Daar zijn al bestveel mooie voorbeelden van. Dat is volgens mij iets waar we uiteindelijksteviger op zouden moeten inzetten, omdat die expertise er dus is. Die wilje dicht bij de scholen brengen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49833 Dat haakt ook in op een punt dat ik toch ook wil benoemen, namelijk dathet onderwijs alleen niet alle problemen kan oplossen die spelen bijleerlingen en hun gezinnen. Daar is een brede samenwerking in hetsociaal domein voor nodig. Deze samenwerking draagt bij aan hetontlasten van de leraar zodat die zich volledig kan concentreren op zijn ofhaar kerntaak, namelijk lesgeven. Het voorkomt volgens mij ook onnodigeinstroom in de jeugdzorg. Dus die samenwerking om dat allemaal dichterbij elkaar te brengen, is er en die gaan we ook verder intensiveren.Ik ga verder met de beantwoording van uw vragen, waarbij ik dusinderdaad dieper inga op de volgende thema’s: verbeteraanpak passendonderwijs, verzuim, inclusief onderwijs en tot slot het blokje overig.Daarna ga ik op enig moment het stokje overdragen aan collegaKarremans.De verbeteraanpak passend onderwijs. De heer Stoffer vroeg hoe weverwarring en juridisering door de landelijke norm voor basisonder-steuning voorkomen. Die landelijke norm voor basisondersteuning is doorde AOb en Ouders & Onderwijs opgeleverd voor de eerste drie ondersteu-ningsgebieden: lezen, spellingsproblemen en dyslexie, hoogbegaafdheiden taak- en werkgedrag. Ik wil de AOb en Ouders & Onderwijs – ik meende vertegenwoordigers te zien; ja Lobke, daar zit je – in het bijzonderbedanken voor al hun inspanningen, want dit was geen sinecure. Dit isiets wat al heel lang speelde. Zij hebben de handschoen opgepakt enhebben dit tot een goed resultaat gebracht.Het doel van de landelijke norm voor basisondersteuning is juist dat diemeer duidelijkheid geeft aan leraren, ouders, leerlingen en de vele anderebetrokkenen in en rond de school. Zij hebben allemaal gevraagd om dezeduidelijkheid en het vastleggen ervan in de wet. Ook uw Kamer heeft hiermeermaals om gevraagd. We werken nu aan het wetsvoorstel om denorm vast te leggen in wet- en regelgeving. Hierbij zullen we uiteraardkijken – ik zeg dat even tegen de heer Stoffer, ook voor de Handelingen –naar duidelijkheid in begrippen en de uitvoerbaarheid in de praktijk. Wantje kunt van alles op papier vastleggen, maar als het in de praktijk nietwerkbaar is ... O, sorry. Ik keek naar die stoel, die lege stoel, maar u zitdaar gewoon, meneer Stoffer. Sorry. Excuses.De heer Stoffer (SGP):Ik wil wel even geluid maken, voorzitter.Staatssecretaris Paul:Excuses. Ik was helemaal gefixeerd op die stoel. Nou, dit is wel heel bizar.Maar goed, dan is het niet alleen voor de Handelingen. Dan heeft de heerStoffer het antwoord ook gewoon meegekregen. Ik ben blij dat AOb enOuders & Onderwijs samen aan de slag gaan om tot een volledige normvoor basisondersteuning te komen en starten met autisme, rekenpro-blemen en dyscalculie, moeilijklerenden en taal- en spraakontwikkeling.Mevrouw Rooderkerk en de heer Uppelschoten vroegen naar devoortgang op doorzettingsmacht. Ik zou daarover willen zeggen dat deinzet van doorzettingsmacht echt een laatste middel is voor als partijen erecht niet uitkomen. Daarom is de afgelopen periode vooral hard gewerktaan verbeteringen die moeten voorkomen dat doorzettingsmacht nodig is.Toch ben ik het helemaal met de heer Uppelschoten en mevrouwRooderkerk eens dat een vorm van doorzettingsmacht nodig is. Ik deeldat. Samen met het veld zetten we daarin stappen. Het streven is om voorhet einde van het jaar een concrete uitwerking van de doorzettingsmachtte hebben. Daarna zal ik dat wettelijk verankeren. Eind 2025 informeer ikuw Kamer over de voortgang, tegelijk met de ideeën over aanscherpingvan de zorgplicht.Ik ga door op de specifieke nadere vragen die zijn gesteld over deverbeteraanpak passend onderwijs; dat is nog best een stapel, zie ik.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49834 De heer Soepboer vroeg hoe de onduidelijkheid op het snijvlak vanonderwijs en zorg wordt verbeterd. Binnen het experiment onderwijs-zorgarrangementen hebben samenwerkingsverbanden de ruimte ombudget in te zetten op het snijvlak van onderwijs en zorg. De geleerdelessen uit dat experiment neem ik mee in het wetsvoorstel ruimte voormaatwerk. Dat is een wetsvoorstel dat voor het einde van het jaar naar deKamer komt. Daarnaast ben ik samen met VWS bezig met een verbeter-aanpak zorg in onderwijstijd. Met deze aanpak wordt de samenwerkingtussen onderwijs- en zorgpartijen versterkt en worden wettelijke belem-meringen voor collectieve inzet weggenomen. De Kamer wordt hier voorde zomer over geïnformeerd.Mevrouw Westerveld vroeg naar de Samen naar School-klassen in het voen naar de motie. We zijn bezig met de uitvoering van de motie. Deknelpunten hebben we in kaart gebracht en daarover heb ik u eind vorigjaar geïnformeerd. Nu zijn we samen met het veld in gesprek om overwerkbare oplossingsrichtingen te denken. Daarin zitten onder andere deNederlandse Stichting voor het Gehandicapte Kind, de samenwerkings-verbanden, de PO-Raad, de VO-raad en de Sectorraad GespecialiseerdOnderwijs. Omdat we dit samen met het veld moeten doen, vraagt dit tijd.Veel van de oplossingen moeten namelijk in de praktijk, die weerbarstigis, worden opgelost. Ik informeer uw Kamer na de zomer over de concretestappen voor de aanpak van die knelpunten.De voorzitter:Er is een vraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik begrijp natuurlijk dat overleggen en nadenken over hoe het andersmoet tijd kost, maar ik begrijp eigenlijk niet zo goed wat er nou zoweerbarstig is. Een grote meerderheid in de Kamer zegt dat die Samennaar School-klassen een heel goed idee zijn en perfect aansluiten bij watde Staatssecretaris wil met inclusief onderwijs. Iedereen is tegen nogmeer bureaucratie en iedereen vindt het onwenselijk dat het afhangt vande regio waar je zit of van de vraag of het samenwerkingsverbandmeewerkt. Wat is er dan precies zo weerbarstig waardoor er nog steedsdezelfde problemen zijn als een paar jaar geleden, toen we hier ook alaandacht voor vroegen?Staatssecretaris Paul:Het zit hem met name in het volgende. In het primair onderwijs gaat heteigenlijk best wel goed. In het voortgezet onderwijs hebben we wathobbels. Die hebben onder andere te maken met het feit dat we daardiplomagericht moeten werken. Dat vraagt het nodige. Dat maakt dat deuitwerking in het voortgezet onderwijs ingewikkelder is. MevrouwWesterveld noemde in haar interruptie dat ze weet dat ik dit heel graagwil. Het is dus echt geen onwil, van niemand, maar het heeft gewoon watmeer voeten in aarde. Ik ga de Kamer zoals gezegd na de zomer over deconcrete vervolgstappen informeren. We zijn hier gewoon hard mee aande slag.Dan nog een vraag van mevrouw Westerveld, namelijk over de stand vanzaken naar aanleiding van de motie over de toegankelijkheid vanschoolgebouwen. In de bijlage van de brief van 24 april jongstleden overpassend onderwijs heb ik in een overzicht de stand van zaken van eenaantal moties en toezeggingen opgenomen. Het is bij de bouw vanscholen al verplicht om te voldoen aan de toegankelijkheidseisen uit hetBesluit bouwwerken leefomgeving. Dat gaat om het hebben van een liften om eisen rondom drempelhoogte en dat soort zaken. In mijntoelichting staat ook dat het niet haalbaar is om deze extra eisen tenaanzien van nieuwbouw en verbouw van schoolgebouwen aan debouwregelgeving toe te voegen omdat hogere eisen zullen leiden tot extraTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49835 kosten voor zowel gemeenten als schoolbesturen. Hier is op dit momentgeen financiële dekking voor. Dat is de stand van zaken op dit moment.De voorzitter:Mevrouw Westerveld heeft een vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Financiële dekking is natuurlijk een politieke keuze. Ik vraag dat omdat hetniet voor niets Europese toegankelijkheidsnormen zijn, maar ook omdatNederland zich heeft gecommitteerd aan de uitvoering van hetVN-verdrag. In dat VN-verdrag staat heel duidelijk dat Nederland iederjaar stappen moet zetten om een toegankelijker land te worden. Het isongelofelijk belangrijk dat publieke voorzieningen zoals scholen toegan-kelijk zijn. Ik hoor soms letterlijk dat een kind niet naar de school in deeigen omgeving kan vanwege het gebouw. Dat willen we volgens mijallemaal niet. Dus waarom wordt niet de keuze gemaakt om, refererendeaan het VN-verdrag Handicap, hier wel financiële middelen voorbeschikbaar te stellen? Niet alleen willen we dit allemaal, maar we zijn hetook verplicht, omdat de handtekening van het kabinet onder hetVN-verdrag staat.Staatssecretaris Paul:Op dit moment is het inderdaad een politieke keuze om hier geenadditionele middelen voor te gebruiken. Mevrouw Westerveld zei dat, enik kan om de hete brij heen draaien, maar dat is het eerlijke antwoord.Ik ga door met een vraag van de heer Stoffer over het maximaal inzettenop de samenwerkingsrelatie met de samenwerkingsverbanden. Of ik ditdoe? Ja, dat deed ik al en blijf ik ook doen, niet alleen rond de reservesvan de samenwerkingsverbanden maar ook breder. Samenwerkingsver-banden hebben simpelweg een belangrijke rol bij het bieden van passendonderwijs. Ook in het licht van de motie-Soepboer, waar we kijken naar dewerking en positie van samenwerkingsverbanden, doe ik dat samen metde samenwerkingsverbanden zelf. Maar ik doe het natuurlijk ook met deschoolbesturen en andere belangrijke partijen op dit thema.Mevrouw Rooderkerk had een vraag over het stoppen met medicaliseringen vertrouwen geven aan professionals in de school. Het uitgangspuntvan passend onderwijs is de ondersteuningsbehoefte van de leerling enniet het label of de diagnose. Het gaat niet om wat een kind heeft, maarom wat een kind nodig heeft. Soms kan een diagnose wel helpend zijn ombeter in kaart te brengen wat de precieze ondersteuningsbehoefte is. Deprofessionals in de school en om de leerling heen kunnen dat het besteinschatten.Met betrekking tot de zorgboerderijen deed de heer Oostenbrink eenverzoek om meer duidelijkheid en regelgeving op dit punt. Op dit momentloopt het experiment onderwijszorgarrangementen. Daarin is afwijken vande schoollocatie mogelijk en kan onderwijs bijvoorbeeld worden gevolgdop een zorgboerderij. Overigens kan bijvoorbeeld ook een staatsexamenop een zorgboerderij worden afgelegd, als dat in het belang van eenleerling is en rust en comfort geeft. De lessen uit dat experiment neem ikmee in het wetsvoorstel Meer ruimte voor maatwerk. Dit wetsvoorstel zalook bijdragen aan meer duidelijkheid voor het veld over de mogelijkhedenvoor het bieden van maatwerk.De voorzitter:Er is een vraag van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik had een vraag gesteld over de medicalisering van kinderen. DeStaatssecretaris gaf aan dat leraren goed kunnen inschatten wat daarbijnodig is. Het probleem is nu juist dat het CvTE de regels voor het mogenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49836 gebruiken van voorgelezen examens voor de taalvakken heeft aangepast.Daardoor moet een kind eerst het stempel «dyslexie» krijgen. Wat mijbetreft is het heel onnodig en onwenselijk dat dit op deze manier moetgaan en zouden we dat aan de leraren moeten laten. Is het mogelijk dat deStaatssecretaris daarover in gesprek gaat met het CvTE, om dat aan tepassen?Staatssecretaris Paul:Sinds dit jaar is er voor alle vakken, behalve de talen, de mogelijkheidvoor een voorleeshulp bij de examens. Hiervoor is geen deskundigenver-klaring nodig. Dit is een verruiming ten opzichte van eerdere jaren. Bij detaalvakken is er wel een verklaring nodig, zoals vroeger voor alle vakkenhet geval was. Dit komt omdat bij die examens leesvaardigheid wordtgetoetst. Het inzetten van een voorleeshulp heeft dus invloed op deexameneisen. Een verklaring is nodig om de juiste lat voor het examen tewaarborgen. Wat betreft toegang tot digitale schoolboeken: scholenbepalen zelf welke leerlingen hier toegang toe krijgen. Met anderewoorden: eigenlijk is dit bij andere vakken grotendeels verruimd. Om tekunnen borgen dat we nog steeds de juiste lat hanteren, doen we hethierbij zoals ik het net heb gezegd. Dat ga ik niet herhalen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Feitelijk klopt dat, maar mijn verzoek zou zijn om het bij de taalvakken nietanders te doen. Ik denk overigens dat je leesvaardigheid bij alle examenstoetst, niet alleen bij die van de taalvakken. Los daarvan: waarom is hetniet ook daarvoor verruimd? Dit is natuurlijk juist een cruciaal onderdeel.Daarom zitten heel veel leerlingen nu in de stress; die moeten dan eersteen stempel «dyslexie» halen.Staatssecretaris Paul:Mevrouw Rooderkerk overvraagt mij. Ik wil hier graag op terugkomen; datgaan we doen.De voorzitter:Komt u hierop terug in de tweede termijn of op een ander moment?Staatssecretaris Paul:Op een ander moment. Ik kom in de tweede termijn terug op hoe ik hetprecies ga doen. Sorry, maar anders ga ik iets beloven en dan verkopenwe de roemruchte knollen voor citroenen; dat gaan we niet doen.Voorzitter. Dan ga ik door met het volgende blokje, over verzuim.Meerdere leden spreken hun zorgen uit over de thuiszitters. Een kind datgoed onderwijs krijgt, krijgt kansen voor het leven. Daarom is hetbelangrijk dat ieder kind toegang heeft tot onderwijs. Het overgrote deelvan de kinderen en jongeren in Nederland gaat gelukkig naar school: 98%.Ik vind het belangrijk om dat te benoemen, aangezien we het hierlogischerwijs veel hebben over de groep kinderen bij wie dit helaas nietlukt. Gelukkig kunnen bijna alle kinderen wel naar school, omdat iedereenin het onderwijs daar dag in, dag uit keihard voor werkt.Tegelijkertijd zie ik dat het verzuim nog altijd hoog is, hoger dan ik wil enhoger dan uw Kamer wil. Daarom werk ik onder andere aan een wet voormeer ruimte voor maatwerk. Op dit moment doe ik dat al met onderwijs-zorgarrangementen en digitaal onderwijs. Hiermee worden nu al meerdan 2.000 kinderen en jongeren geholpen. Ik ga die ruimte definitiefvastleggen in de wet. Mocht het verzuim toch plaatsvinden, dan is hetwetsvoorstel Wet terugdringen schoolverzuim een eerste en noodzakelijkestap. Zo komt met het voorstel het verzuim zelf beter in beeld en kunnenscholen eerder proactief actie ondernemen om verzuim te voorkomen.Ook krijgen samenwerkingsverbanden en gemeenten informatie over alhet verzuim van leerlingen op scholen. Het is wel belangrijk om teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49837 benoemen dat uitval lang niet altijd met onderwijs an sich te maken heeft,maar ook met uitdagingen in en om het gezin. Het onderwijs kan dit nietalléén fiksen, maar speelt uiteraard wel een belangrijke rol.Mevrouw Rooderkerk en de heer Kisteman vragen of ik kan reageren ophet besluit van het Openbaar Ministerie om te stoppen met hethandhaven van de leerplicht. U mag best weten dat ik overvallen wasdoor dat besluit. Ik heb ook grote zorgen over het voornemen van het OMom de vervolging van ouders die de Leerplichtwet overtreden, te stoppen.Dit kan leiden tot een verdere stijging van het aantal leerlingen met eenvrijstelling. Het is niet zeker dat alle kinderen die een vrijstelling hebben,thuis onderwijs krijgen.Verder vraagt de heer Kisteman of ik in de tussentijd verdere scenario’s inbeeld breng om ervoor te zorgen dat we dit probleem tackelen. Ik zeg bijdezen toe dat ik daarover vóór de zomer een brief zal sturen naar deKamer. De heer Kisteman heeft ook een set schriftelijke vragen over ditonderwerp gesteld. Die beantwoord ik zo snel als mogelijk en uiterlijkvolgende week.Met het OM, het Ministerie van Justitie en Veiligheid en de andere partijenwil ik alle opties bespreken om ervoor te zorgen dat het recht oponderwijs van deze kinderen invulling krijgt. We zijn hierover in gesprek.Voor de zomer informeer ik uw Kamer over de vervolgstappen.Daarnaast vroeg mevrouw Rooderkerk of ik de motie-Kwint/Westerveld uit2023 uitvoer. Dat is de motie die opriep tot het schrappen van devrijstelling vanwege richtingbezwaren. In het debat waarin die motie isaangenomen, werden er meer moties aangenomen, ook over thuison-derwijs. Die moties riepen op tot reguleren. Deze moties zijn niettegelijkertijd uitvoerbaar. Met het wetsvoorstel Waarborgen thuison-derwijs wordt aan ouders met een vrijstelling de verplichting opgelegdom vervangend onderwijs te verzorgen. Daar worden ook bepaaldekwaliteitsnormen aan gesteld. Maar ik zeg erbij dat ik gelet op de nieuwesituatie, die nu speelt door het besluit van het OM, ook de mogelijkheidheroverweeg om het voorstel te doen om de vrijstelling vanwegerichtingbezwaren te schrappen. Ik informeer de Kamer voor de zomer overmijn nadere overwegingen en eventuele vervolgstappen.Dan ga ik dieper in op een aantal vragen over het thema verzuim. Ik beginmet de vraag van mevrouw Westerveld over de stijging van het aantalvrijstellingen in relatie tot het VN-verdrag Handicap. Mevrouw Westerveldzei dat dat er haaks op staat. De stijging van het aantal vrijstellingen ompsychische of fysieke redenen vind ik ook zorgwekkend. Ik zet me in voorhet recht op onderwijs door het aantal ontstane vrijstellingen zo veelmogelijk te beperken. Dat is voor mij handelen in de geest van hetVN-verdrag. Ik dring het aantal vrijstellingen terug door meer maatwerkmogelijk te maken. We leggen dit ook vast in de wet. Ik regel daarnaastdat we bij de procedure van vrijstellingen focussen op wat een leerlingwél kan. Dat is het wetsvoorstel Terugdringen schoolverzuim. Daarbijkijken we onder andere naar variatie in de duur van een vrijstelling en hetaltijd meenemen van het onderwijskundig perspectief bij de procedure totvrijstelling.Mevrouw Westerveld vroeg op het thema verzuim ook naar het verschiltussen het cijfer van 19.000 leerlingen die geen onderwijs volgen en hetcijfer van 70.000 kinderen en jongeren die Balans noemt, en waarom ergeen actueel beeld is. Mevrouw Westerveld mag weten dat dat mij ookeen doorn in het oog is. Net als Balans constateren we dat het preciezeaantal leerlingen dat thuiszit op dit moment niet te achterhalen is, omdathet mede afhangt van de definitie. De belangrijkste verklaringen voor deverschillen in die getallen is dat Balans ook het geoorloofd verzuimmeetelt en hier bovendien een schatting van maakt. De huidige leerplicht-telling doet dit niet. Die doet dat nog niet, zeg ik erbij. Ook tellen zevroegtijdig schoolverlaters mee. Dat zijn er ongeveer 30.000, inclusiefmbo’ers. Die zitten dus niet in onze cijfers. Er loopt op dit moment eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49838 onderzoek om volledig inzicht te krijgen in deze groep. Daarnaast heb ikhet wetsvoorstel over verzuim aan de Tweede Kamer verzonden. Die wetheeft verschillende doelen, maar een daarvan is om de totale groep beterin beeld te krijgen.De voorzitter:Dat leidt tot een vraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik was bij de presentatie van het rapport van Balans. Dat was niet zomaareen schatting – dat zegt de Staatssecretaris ook niet – maar er was ookeen uitleg van deskundigen waarom ze een beredeneerde schattinghadden gemaakt van het aantal thuiszitters. Dat waren echt mensen dieeen heel goede onderbouwing gaven. Ik heb er dus eigenlijk geen twijfelsover dat die cijfers gewoon kloppen. Dat sluit ook aan bij mijn vraag aande Staatssecretaris. Ik begrijp niet dat Balans die wel heeft, maar deinspectie of het ministerie niet, ook als ik op de website van de inspectielees dat er iedere drie maanden cijfers worden opgevraagd bij desamenwerkingsverbanden. Hoe kan het dan zo zijn dat het wel een taak isvan de inspectie, die ook op de website staat, maar er geen optelsomgemaakt kan worden met die cijfers? Die zou de inspectie volgens mij welmoeten bezitten, omdat samenwerkingsverbanden die cijfers zoudenmoeten hebben.Staatssecretaris Paul:Het probleem is vooral dat er geen uniforme definitie is; daar begon ik ookmee. Daardoor verschillen die cijfers en de schattingen die wordengemaakt. Zoals ik tegen mevrouw Westerveld zei in mijn antwoord: datmoet anders. Daarom zet ik dus alles op alles om dat wetsvoorstel zo snelmogelijk ... Dat is niet aan mij. Het ligt nu in de Kamer, dus het is aan deKamer wanneer dat behandeld wordt. Maar ik zet alles op alles om daarvia dat wetsvoorstel en de verschillende activiteiten die daaruit voort-vloeien, scherper inzicht in te krijgen. We hebben het nu namelijk gewoonniet en dat is niet oké.De voorzitter:Nog een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Maar dan is natuurlijk nog wel een vraag wat er nu gedaan gaat wordenaan het aantal leerlingen dat bijvoorbeeld al een vrijstelling heeft. DeMinister had net een verhaal over de vrijstellingen op grond van geloofs-overtuiging, maar het aantal kinderen dat niet naar school gaat vanwegelichamelijke of psychische redenen – dat is de vrijstelling onder artikel 5a –stijgt ook. Ik schrik van de cijfers, omdat daaruit gewoon blijkt dat steedsmeer kinderen geweigerd worden terwijl ze natuurlijk wel gewoonleerbaar zijn. Het idee van passend onderwijs is juist ook dat steeds meerkinderen nog wel een vorm van onderwijs krijgen, ook als ze eenbeperking hebben. We weten namelijk steeds beter uit onderzoek dat ookkinderen met een beperking baat hebben bij onderwijs en ontwikkeling.Mijn vraag is dus wat de Staatssecretaris specifiek voor deze groepleerlingen gaat doen.Staatssecretaris Paul:Dat is precies waar beide wetsvoorstellen, Meer ruimte voor maatwerk enTerugdringen schoolverzuim, om draaien. Het laatste punt dat mevrouwWesterveld noemde, dat altijd het ontwikkelingsperspectief en hetonderwijskundig perspectief voorop moeten staan, is nu onvoldoende hetgeval. Dat wetsvoorstel gaat dat wel regelen. Ik vind dat heel belangrijkomdat je uiteindelijk, als je het gewoon simpel zegt, altijd moet kijken naarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49839 wat het kind nodig heeft en wat het kind wél kan. Dan moet je vervolgensals school ook de mogelijkheid hebben om het op een goede manier in terichten. Met dat maatwerkwetsvoorstel kunnen bijvoorbeeld digitaalafstandsonderwijs en allerlei andere zaken geregeld worden. Volgens mijtrekken we op dat punt dus aan dezelfde kant van het touw en heb ik nietvoor niets die wetsvoorstellen onder handen.Een vraag van mevrouw Westerveld is waarom er bezuinigd wordt opthuiszittende leerlingen. Ik zei eerder dat het belangrijk is dat ieder kindnaar school kan gaan of in ieder geval toegang heeft tot onderwijs.Daarom investeer ik naast de jaarlijkse 3 miljard voor passend onderwijsonder andere in initiatieven voor kinderen die niet op school staaningeschreven: onderwijs aan hoogbegaafde leerlingen en digitaalafstandsonderwijs. Als invulling van de subsidietaakstelling van OCW isbesloten om de subsidie voor kinderen die niet op een school staaningeschreven, vanaf 2028 af te laten lopen. Dit sluit ook aan op hetwetsvoorstel voor meer maatwerk, dat daarna in werking treedt.Er was ook een vraag van mevrouw Rooderkerk over verzuim. Die hebbenwe al meegenomen; die ging over het besluit van het Openbaar Minis-terie.In het verlengde daarvan was er een vraag van de heer Kisteman over deveranderende rol van de leerplichtambtenaar. We zien dat in veelgemeenten de leerplichtambtenaar steeds meer preventief in plaats vanstrafrechtelijk werkt. Dit is succesvol en dit is volgens mij ook de wegvoorwaarts. Ik stimuleer dit en ik ben hierover structureel in gesprek metIngrado. Ook start ik een verkenning naar de rol en taken van deleerplichtambtenaar, zodat deze beter aansluiten op wat leerlingen,ouders en scholen nodig hebben. Ik informeer uw Kamer hierover met devolgende voortgangsrapportage passend onderwijs.Een vraag van mevrouw Rooderkerk. Deze hebben we al gehad.Een andere vraag van mevrouw Rooderkerk, over het borgen vanleerrecht in plaats van leerplicht. In Nederland hebben kinderen inderdaadook recht op onderwijs. We werken hier hard aan, concreet met dewetsvoorstellen die eerder noemde, Terugdringen van schoolverzuim enMeer ruimte voor maatwerk, zodat leerlingen zich kunnen ontwikkelen opeen manier die bij hen past. Het wettelijk verankeren van leerrecht looptop dit moment wat mij betreft te veel vooruit op de andere wetsvoor-stellen waar ik aan werk, maar ik volg natuurlijk wel met grote belang-stelling de stappen die D66 zet met het initiatiefwetsvoorstel leerrecht.Bij dit blokje hoort ook nog een vraag van mevrouw Westerveld oversignalen uit het veld dat het zogenoemde rommelpotje anders heeftuitgewerkt dan gehoopt. Naar aanleiding van de vragen van uw Kamerhebben we opties onderzocht om ook directe bekostiging te kunnen gevenaan particuliere initiatieven die leerlingen helpen in hun ontwikkeling. Datbetreft met name leerlingen die dreigen uit te vallen en thuiszitters. Helaasbleek dat niet mogelijk, onder andere vanwege het risico onder staats-steun te vallen. Daarom hebben we nu ingezet op een regeling waarbij wesamenwerkingsverbanden in coalities aanvragen, zodat dit soortinitiatieven afspraken kunnen maken met meerdere samenwerkingsver-banden tegelijk. Volgens mij was dat namelijk ook een van de heikelepunten: dat je dan als initiatief bij al die samenwerkingsverbanden moetaankloppen. Daar hebben we over nagedacht. Hoe kun je dan toch zorgendat je die werklast en druk weghaalt van de goede initiatieven? Dat is doordie coalities daarin te brengen. Ik hoor hierover inmiddels veel positieveverhalen. Bijna alle samenwerkingsverbanden hebben een aanvraagingediend.De voorzitter:De heer Van Houwelingen heeft een vraag.De heer Van Houwelingen (FVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49840 Ik heb een korte vraag. Ik begrijp dus dat private initiatieven die steun nietkunnen krijgen vanwege regels rond staatssteun. Is dat Europeseregelgeving?Staatssecretaris Paul:Ja.Voorzitter. Dan ga ik door met het blokje inclusief onderwijs. Een van dejongeren op het jongerenevent over inclusief onderwijs in Bussum eerderdit jaar, volgens mij in januari, zei: iedereen hoort erbij; dat is normaal.Dat is wat mij betreft de kern. Dat is de norm waar de heer Uppelschotenom vraagt. Hij vroeg mij: wat is dan normaal? Iedereen hoort erbij. Dat isnormaal. Kinderen met en zonder ondersteuningsbehoefte moeten samenmet broertjes, zusjes en vrienden uit de buurt naar een school in de buurtkunnen gaan en daar de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben. Voorkinderen die meer ondersteuning nodig hebben, blijft er gespecialiseerdonderwijs bestaan. Want dat is wat zij nodig hebben om tot volle groei enbloei te kunnen komen.Mevrouw Rooderkerk vroeg wanneer de contouren voor een wetsvoorstelover inclusief onderwijs op tafel liggen. De ambitie van inclusief onderwijsis inmiddels nader geconcretiseerd in het beleidskader inclusiefonderwijs. Op basis van deze concretisering wordt nu gewerkt aan hoeinclusief onderwijs geborgd in wet- en regelgeving kan worden op eenmanier die recht doet aan de behoefte, maar ook aan internationaleverdragen. Daarbij horen ook meer concrete doelstellingen en mijlpalen.Ondertussen werk ik ook aan het inrichten van de monitoring voor dekomende tien jaar zodat de ontwikkeling in het veld goed kan wordengevolgd. Ook werken we hierin uit welke financiële middelen benodigdzijn, zoals mevrouw Westerveld vroeg. Ik zeg het maar eerlijk: hier zijn wetot op heden niet aan toegekomen, omdat we eerst de ambitie vaninclusief onderwijs nader geconcretiseerd hebben. Dat hebben we vorigjaar naar de Kamer gestuurd. Uw Kamer wordt voor het einde van dit jaarnader geïnformeerd over die vervolgstappen en over hoe we de verdereconcretisering in wet- en regelgeving gaan vormgeven. Elk kind moet deondersteuning krijgen die nodig is, bij voorkeur op een school in de buurt.De voorzitter:Een vraag van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik vind het wel eerlijk dat de Staatssecretaris zegt dat ze hier niet aantoegekomen is, maar ik hoop wel echt – dat is ook de reden dat ik dezevraag stel – op voortvarendheid. Dit is voor heel veel kinderen enorm vanbelang. Al gaat het maar om 2%, voor elk kind dat geen onderwijs krijgt,moeten we wat mij betreft wat doen.Staatssecretaris Paul:Ik ben het daar helemaal mee eens. Het dilemma – dat hoort de Kamerwellicht ook in een aantal andere antwoorden – is als volgt. Ik kan vanalles in wet- en regelgeving vervatten, maar als ik de randvoorwaardenniet op orde heb, dan wordt het een papieren tijger. Dat wil ik voorkomen.Ik ben het er helemaal mee eens dat we niet moeten verzanden ineindeloze processen en dat we moeten doorpakken. Maar dat moet wel opeen manier die uiteindelijk recht doet aan de kinderen en jongeren om wiehet gaat. Dus de oproep van mevrouw Rooderkerk is helder. Ik omarm dievolledig.De voorzitter:De heer Soepboer heeft een vraag.De heer Soepboer (NSC):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49841 Ik citeer even uit een brief van de VO-raad en de Sectorraad Praktijkon-derwijs van 15 mei. Die zeggen: voor ons betekent het vooral aansluitenmet datgene wat nu in de praktijk gebeurt bij voorlopers en praktijkvoor-beelden en vooral niet nog meer wet- en regelgeving. Hoe kijkt deStaatssecretaris daartegen aan?Staatssecretaris Paul:Volgens mij is dit niet nog meer wet- en regelgeving. De intentie ominclusief onderwijs uiteindelijk te vervatten in wet- en regelgeving is er alheel lang. Ik weet niet welke additionele wet- en regelgeving de partijendie de heer Soepboer aanhaalt nog voorziet. Ik ben niet van plan omonnodige extra wet- en regelgeving in het leven te roepen. Ik snap heelgoed dat men daar niet op zit te wachten. Wij overigens ook niet, wantdaar hebben we de capaciteit niet voor.De heer Soepboer (NSC):Maar dus wel om inclusief onderwijs in wet- en regelgeving te vatten,terwijl we eerder geconcludeerd hebben dat passend onderwijs misschiennog niet eens af is. Ik weet dat die twee naast elkaar kunnen bestaan endat ze niet hetzelfde behelzen, maar in de ogen van veel mensen is hettoch een soort overtreffende trap, een soort vervolg, of iets wat zelfs nogverder gaat. Met alle vragen die ik daarbij in mijn eerste termijn hebgesteld, zou je dit toch kunnen zien als meer wet- en regelgeving. Hoe kijktu daarnaar?Staatssecretaris Paul:Het kabinet heeft de ambitie uitgesproken – volgens mij is daar ook bredesteun voor vanuit de Kamer, met alle kanttekeningen die er zijn – om eruiteindelijk voor te zorgen dat elk kind naar een school in de buurt kan endaarbij de ondersteuning krijgt die nodig is, met de kanttekening die ik netmaakte, namelijk dat daar waar nodig altijd gespecialiseerd onderwijs zalblijven voor leerlingen die dat nodig hebben. Maar dat betekent dat je derandvoorwaarden op orde moet hebben om die beweging naar inclusiefonderwijs te kunnen maken, vandaar dat de zaken die nu spelen rondompassend onderwijs en de knelpunten die we daarbij ervaren ... Ook hetlerarentekort – dat zeg ik er maar bij; dat is tot nu toe niet genoemd –maakt de opgave uitdagender. Dat betekent dat ik zorgvuldig de stappenwil zetten die nodig zijn om die beweging te kunnen maken, dus nietoverhaast, maar met de randvoorwaarden op orde.De heer Soepboer (NSC):Ziet u dan ook, net als de fractie van Nieuw Sociaal Contract, de paradoxdie dat in zich kan dragen? U zegt: «We zetten in op dat inclusieveonderwijs. Daar maken we ook wet- en regelgeving voor. Dat is echt waarwe op in gaan zetten.» Dat kan dus ook betekenen dat naarmate je datdoet, het stigma op speciaal onderwijs groter wordt. Naarmate je hetreguliere onderwijs regulierder maakt voor iedereen, maak je het speciaalonderwijs specialer, terwijl dat volgens mij helemaal niet zou moeten. Zietu dat stigma ook? Wat zouden hiervan de gevolgen kunnen zijn voor debekostiging van het speciaal onderwijs? Als er uiteindelijk meer leerlingennaar het regulier onderwijs gaan – want dat is het idee – welke gevolgenziet u dan voor de bekostiging van het speciaal onderwijs? Die tweevragen heb ik.De voorzitter:Ik zie niks. Ik wil u vragen om via de voorzitter te spreken, dus niet direct.De heer Soepboer (NSC):Sorry, voorzitter. Ik spreek via u, natuurlijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49842 Staatssecretaris Paul:Dat stigma zie ik niet. Wat ik belangrijk vind – dat geldt voor alle vormenvan onderwijs – is dat een leerling krijgt wat hij of zij nodig heeft. Dus hoewij erover praten, ook hier in deze Kamer en breder in de samenleving,doet ertoe. Voor mij staat voorop dat ieder kind moet krijgen wat hij of zijnodig heeft om uiteindelijk het beste uit zichzelf te halen en tot bloei tekunnen komen.Dan de vraag over bekostiging. Als het gespecialiseerd onderwijs kleinerwordt en de ondersteuning plaatsvindt in het regulier onderwijs, dan heeftdat consequenties. Dat zijn een beetje communicerende vaten. Maar ikheb zojuist gezegd dat er hoe dan ook, ook in toekomstige scenario’s,gespecialiseerd onderwijs blijft bestaan. Dat betekent dat we de plicht ende taak hebben om dat adequaat te financieren.De heer Soepboer (NSC):Hier zit precies mijn grote zorg. Misschien is dit wel een heel klein beetjewat we nu al zien. U zegt ook: het zijn compenserende vaten. Als je debeleidskeuze maakt om in te zetten op dat passende en zo meteen ook datinclusieve onderwijs, dan betekent dat dat je een keuze maakt over derichting van de financiering. We zien nu een speciaal onderwijs dat nogsteeds uit zijn voegen barst en waar wachtrijen langer zijn dan ooit. Dusondanks dat er is ingezet op het een, met de verwachting dat de druk ophet ander af zou nemen, is dat niet gebeurd. Dus met een nog grotereinzet op passend onderwijs en straks op inclusief onderwijs, vrees ikgewoon heel erg voor het voortbestaan van het speciaal onderwijs. Dankunt u zeggen: wij vinden het ook belangrijk dat het blijft bestaan. Maarhet kan – dat zegt u zelf ook – gevolgen hebben voor de bekostiging. Ikvrees voor een scenario waarin dat grote problemen gaat opleveren.De voorzitter:Niet ik, maar de Staatssecretaris, bedoelt u.De heer Soepboer (NSC):Ik vrees voor een scenario waarin dat grote problemen gaat opleveren,zeg ik via de voorzitter tegen de Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Ik zal het kort houden, want dat is iets wat ik gisteren ook heb meege-kregen van u, zeer gewaardeerde voorzitter. Wat ik zojuist zei, is volgensmij zoals het is. Op het moment dat je met elkaar constateert dat hetgespecialiseerde onderwijs een volwaardige plek blijft houden in hetbestel, zul je adequate bekostiging moeten regelen. Zo simpel is het. Deheer Soepboer gebruikte net het woord «compenserende vaten», maarvolgens mij zei ik «communicerende vaten». O, dat bedoelde u ook. Wantwe gaan niet het een met het ander compenseren. Het gaat erom: als je debeweging naar inclusief onderwijs maakt en de meeste leerlingen in hetreguliere onderwijs naar school gaan, met bepaalde vormen vanondersteuning, naargelang hun behoefte, dan zal een deel van deleerlingen die nu in het gespecialiseerd onderwijs zitten de overstapmaken. Dat is waar inclusief onderwijs om draait. Maar gespecialiseerdonderwijs blijft bestaan. Dat kan niet overeind blijven met een paperclipen twee elastiekjes, dus die bekostiging moet ook op orde zijn.De voorzitter:De heer Soepboer is nog niet klaar.De heer Soepboer (NSC):Ik vrees ook dat ik te weinig interrupties ga hebben. Hoe regelen we datdan? Hoe ziet u dat dan voor zich? U zegt: het mag geen paperclipTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49843 enzovoorts zijn. Maar hoe gaat u het dan doen? Hoe voorkomt u dat? Hebtu daar ideeën bij?De voorzitter:«Heeft de Staatssecretaris daar ideeën bij.»De heer Soepboer (NSC):Heeft de Staatssecretaris daar, via de voorzitter, ideeën bij?Staatssecretaris Paul:Die punten zijn daar allemaal een onderdeel van. Daarom duurt het ookwat langer voordat wet- en regelgeving en alle formaliteiten die daarmeesamenhangen hun beslag krijgen, want precies het punt dat de heerSoepboer aanstipt ... Hij legt dus wel de vinger op de plek waar die moetliggen. Dat moet ook op orde zijn. Ik heb dat nog niet helemaal uitgewerkt.Dat zijn zaken waar we mee aan de slag zijn. Het punt dat ik wil maken ...Ik snap dat dat onvoldoende geruststelling biedt aan de heer Soepboer,maar op het moment dat je gespecialiseerd onderwijs laat voortbestaan,moet je de bekostiging goed regelen. Dat is dus een opdracht die ik vooronszelf zie. Zo simpel is het.Ik blijf bij de heer Soepboer. Hij vroeg waarom het ministerie blijft inzettenop inclusie terwijl blijkt dat dat niet altijd in het belang van het kind is.Vooropgesteld, het ministerie doet wat wij met elkaar in de politiek en inde samenleving bepalen en willen. We weten uit onderzoek, en zeker ookuit andere landen, dat inclusief onderwijs goed is voor de cognitieve ensociaal-emotionele ontwikkeling van alle kinderen en jongeren, dus ookvoor leerlingen die intensieve ondersteuning nodig hebben. We zien ditook bij de goede voorbeelden in eigen land. Er zijn ook steeds meerscholen die hiermee aan de slag gaan. Voor de leerlingen voor wie datbeter is – ik val in herhaling – blijft het gespecialiseerd onderwijs gewoonbeschikbaar.De heer Soepboer vroeg ook naar de verhouding tussen het streven naarinclusief onderwijs ten opzichte van eigen ruimte van scholen enmogelijkheden voor speciaal onderwijs. De kern van inclusief onderwijs isdat kinderen met en zonder ondersteuningsbehoefte de ondersteuningkrijgen die ze nodig hebben op een school dicht bij huis. Hoe de school ditdoet en welke pedagogisch-didactische koers daarvoor gekozen wordt, isaan de school zelf.De voorzitter:De heer Van Houwelingen heeft een vraag.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik twijfelde een beetje, maar ik wil terugkomen op dat eerdere punt. Watwij te horen krijgen als het om inclusief onderwijs gaat, is dat veelkinderen die daar ... Het klinkt allemaal heel sympathiek – dat ben ikvolkomen eens met de Staatssecretaris – dat kinderen met een achter-stand in het regulier onderwijs mee kunnen komen. Maar wij horen dathun zelfvertrouwen dan juist minder wordt, omdat ze niet goed meekunnen komen met de reguliere klas. Misschien hebben ze wel het gevoel:ik ben hier niet echt welkom. De Staatssecretaris zal ongetwijfeldonderzoeken citeren, maar ik ben toch wel benieuwd hoe de Staatssecre-taris daartegen aankijkt.Staatssecretaris Paul:Ik hoor ook van de problemen. Ik doe niet alsof het allemaal rozengeur enmaneschijn is. Maar vandaar ook dat we met die verbeteragenda werkenaan heel veel acties om ervoor te zorgen dat ook in die reguliere settingde ondersteuning geboden kan worden die nodig is en dat leraren goedgeëquipeerd zijn om die ondersteuning te bieden. Denk ook aan leraren-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49844 ondersteuners in de klas. Daar waar nodig en mogelijk wordt de expertisedichter bij de school gebracht. Ik had het richting mevrouw Westerveldbijvoorbeeld ook over de multidisciplinaire teams. Op het moment dat jede expertise en ondersteuning in het regulier onderwijs niet op orde hebt,vinden er inderdaad problemen plaats. Daarover hoor ik ook; die komenook bij mij voorbij en die zijn vaak heel schrijnend. Dat wil je dus niet,vandaar dat het versterken van die ondersteuning binnen het reguliereonderwijs gewoon een heel belangrijk punt is in de hele verbeteragendapassend onderwijs.De heer Van Houwelingen (FVD):Misschien wil ik daar toch even op doorgaan. Dat was namelijk mijnbetoog. Er wordt gesproken over ondersteuning en daar is inderdaad geldvoor, maar wij horen dat dat geld dus niet goed wordt besteed. Leraren opreguliere scholen klagen daar ook over. Dat is een van de vragen die ikhad. Misschien mag ik die hier nogmaals stellen, want die is nog nietbeantwoord. Herkent de Staatssecretaris dat, maar is zij bovenal ookbereid om die leraren – ik bedoel dus niet het schoolbestuur en niet hetsamenwerkingsverband, maar die leraar die in het regulier onderwijs delessen moeten geven, bijvoorbeeld aan kinderen met een handicap –daarover te bevragen, zo van: goh, ben je tevreden met de ondersteuningdie je krijgt of niet, en hoe komt dat? Zo kunnen we daar namelijk eenvinger achter krijgen en zien hoe groot dat probleem is.Staatssecretaris Paul:Wij zijn voortdurend in gesprek met leraren en vertegenwoordigers vanleraren. We laten ons niet met een kluitje in het riet sturen, want het gaatom grote belangen, van de individuele leerling, en om veel geld. Ik benook verantwoordelijk om ervoor te zorgen dat het zuurverdiendebelastinggeld dat we met elkaar hebben opgebracht, goed terechtkomt.Dat is voor mij dus heel belangrijk. Maar uiteindelijk is het zo – vandaardat die hele verbeteraanpak er is – dat als je de ondersteuning in hetreguliere onderwijs niet voldoende op orde hebt, het misgaat. Inaanvulling op wat ik net als voorbeelden gaf van hoe we dat aan hetversterken zijn, wil ik hier nog een van de dingen waar we ook aan werkenbenoemen. Dat is dat we de expertise vanuit het speciaal onderwijs, hetgespecialiseerd onderwijs, dichter bij de reguliere scholen brengen. Daarzijn ook wel heel veel mooie voorbeelden van. Dat zijn we verder aan hetaanjagen. Uiteindelijk valt of staat het met de expertise en de onder-steuning op die scholen zelf.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank. Het is heel mooi om al die initiatieven te horen, maar het valt ofstaat natuurlijk met hoe dat uiteindelijk uitwerkt in die klassen. Dat lijktniet altijd goed te gaan, omdat veel van die gelden dus niet goed besteedworden. Daarom stel ik dus nogmaals mijn vraag, want daar heb ik noggeen antwoord op gehad. Is de Minister bereid om dat nou eens goed teonderzoeken en die leraren hierover te bevragen op die scholen, zo van:goh, bent u tevreden of niet; wat kan er verbeterd worden? Ik bedoel datlos van die schoolbesturen en los van die samenwerkingsverbanden. Debedoeling is dan om dat rechtstreeks aan de betrokken leraren te vragen,zodat we er hier wellicht een debat over kunnen hebben.Staatssecretaris Paul:Volgens mij hebben we dat debat nu. We hebben daar onderzoek naargedaan onder 2.000 leraren. We hebben gevraagd waar hun behoefte zitals het gaat om passend onderwijs. Dat onderzoek zat als bijlage bij debrief. Dus ja ... Dat zat als bijlage bij mijn brief over passend onderwijs.Overigens, dit is niet de setting om allerlei casuïstiek te bespreken, maarmochten er zaken zijn die de heer Van Houwelingen met ons ministerie wilTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49845 delen, dan houd ik mij altijd aanbevolen. U kunt zich dus vrij voelen omdat met ons te delen.De voorzitter:Dank u wel. Er is ook een vraag van de heer Uppelschoten.De heer Uppelschoten (PVV):Dank, mevrouw de voorzitter. Ik ...Staatssecretaris Paul:Sorry, ik wil voor de duidelijkheid toch nog even iets zeggen, in allescherpte. De bijlage zat bij een brief die tegelijkertijd met de brief passendonderwijs is verstuurd, voor het reces. De hoeveelste was dat? Het was op24 april, hoor ik.De heer Uppelschoten (PVV):Een vraag aan de Staatssecretaris. De bekostiging van al deze vormengaat best ingewikkeld worden. U zegt dat het speciaal onderwijs zalblijven bestaan als voorziening, maar dat het communicerende vaten zijnmet het reguliere onderwijs. Maar als je zegt dat het gewoon eenvoorziening is die altijd moet blijven bestaan, komt dan niet het punt dathet ook zelfstandig bekostigd moet worden en niet in communicerendevaten met het reguliere onderwijs? Dat is één. Twee: de samenwerkings-verbanden. Die krijgen geld. Daarvan zegt u ook: daar moet één bekosti-gingsmodel voor komen. Als je het hebt over inclusief onderwijs: loopt debekostiging van het inclusief onderwijs dan ook via het samenwerkings-verband of krijgen de scholen zelf rechtstreeks het geld voor het inclu-sieve onderwijs?Staatssecretaris Paul:Dat laatste zijn we nu juist aan het onderzoeken. Voor de goede orde: hetgeld landt uiteindelijk in de klas. Dat is de hele bedoeling. Alleen heeft hetsamenwerkingsverband de expertise en de mensen om die ondersteuningte kunnen realiseren. Je moet het ook gewoon in de praktijk kunnenbrengen. Dus dat. Ik heb inderdaad aan de heer Soepboer aangegeven datdie bekostiging, die financiering ook een punt is in de beweging die wemaken richting inclusief onderwijs. Dat is gewoon een punt van nadereuitwerking. Dus dat is een actiepunt.De heer Uppelschoten (PVV):U zegt dat we gebruik moeten maken van de expertise die aanwezig is.Dan zegt u: dat kunnen de deskundigen zijn van het speciaal onderwijs enhet zouden ook de deskundigen kunnen zijn van het samenwerkings-verband. Nou ja, ik zeg alleen maar dat ik denk dat het heel ingewikkeldwordt hoe de bekostiging gaat lopen dan, want ze moeten toch betaaldworden. Of worden ze uitgeleend door het speciaal onderwijs en door hetsamenwerkingsverband?Staatssecretaris Paul:Bij de cluster 1- en 2-scholen heb je sowieso een basisbekostiging.Daarnaast hebben we een bekostiging voor ambulante ondersteuning, omhet zo maar te noemen. Dat is onder andere de expertise waar de heerUppelschoten aan refereert. Wat we nu bekijken, is of we dat modelbreder zouden moeten hanteren. Dat is echt iets wat verder uitgewerktmoet worden. Dat punt wordt dus geadresseerd.Dan de vraag van de heer Kisteman of er integraal wordt samengewerktaan inclusief onderwijs en de Hervormingsagenda Jeugd. Zeker. Bij zowelinclusief onderwijs als de Hervormingsagenda Jeugd is samenwerkingtussen het onderwijs en de zorg heel belangrijk. Ambtelijk werken OCWen VWS hiervoor al heel nauw samen op allerlei niveaus en is erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49846 structureel overleg met het onderwijsveld en het zorgveld. Zo zijn deonderwijs- en kinderopvangpartijen aangesloten bij de stuurgroepHervormingsagenda Jeugd en zijn er zorgpartijen aangesloten bij deuitwerking van inclusief onderwijs. Dus over en weer wordt gebruikge-maakt van elkaars expertise en proberen we elkaar ook te versterken. Enja, ik kijk graag samen met mijn collega hoe we deze samenwerkingverder kunnen versterken.Dan een vraag van de heer Uppelschoten, een kritische vraag: waaromhoudt u vast aan inclusiepilots zonder eerst de basis op orde te brengen?We werken voortdurend – dat is eigenlijk waar alles op gericht is – aan hetop orde brengen van de basis en het versterken ervan. Dat doen we onderandere – ik heb al een aantal voorbeelden genoemd in dit debat – door hetverankeren van de landelijke norm voor basisondersteuning. We zien ookdat steeds meer scholen uit het gespecialiseerd en regulier onderwijsgraag samen willen werken omdat dit beter is voor hun leerlingen.Simpel, beter voor hun leerlingen. Daar bied ik nu al de ruimte voor. Diepilots zijn bedoeld om nog beter te ervaren en inzicht te krijgen in wat welwerkt en wat niet, wat we meer moeten doen en wat we niet moeten doenen wat moeten bijsturen.De vraag van mevrouw Rooderkerk over de contouren van hetwetsvoorstel over inclusief onderwijs hebben we gehad.Voorzitter. Dan ben ik aanbeland bij het blokje overig. Ik begin met devragen over het leerlingenvervoer die specifiek aan mij gericht waren. Datwaren vragen van meerdere leden. Dat was in ieder geval een vraag vanmevrouw Rooderkerk en mevrouw Westerveld, maar volgens mij hebbenveel leden hiernaar gevraagd. De problemen in het leerlingenvervoerkomen met name door tekorten aan chauffeurs, het niet integraalaanbesteden van doelgroepenvervoer en beperkt toezicht vanuit degemeenteraad op de kwaliteit van het vervoer. Deze problemen wordenaangepakt binnen de Verbeteragenda Doelgroepenvervoer van VWS, waaroverigens ook IenW en de VNG, met name de VNG, nauw in samen-werken. Het Ministerie van OCW werkt daar ook aan mee. Daarnaast doeik het volgende. Ik monitor de uitvoering van het leerlingenvervoer bijscholen en gemeenten. Ik ben structureel in gesprek met de VNG over hetverbeteren van het leerlingenvervoer, want de verantwoordelijkheiddaarvoor ligt echt bij de gemeenten. Ik voel zelf ook het ongemak, wanthet leerlingenvervoer moet gewoon beter. Daarom is het volgens mij ookheel belangrijk om te kijken naar de goede voorbeelden van gemeentenwaar het wel lukt en die wel in staat zijn om het goed te regelen. Een vande belangrijkste dingen die zij doen, is het volgende. Door het doelgroe-penvervoer slimmer en meer integraal aan te besteden, zijn zij in staatgrotere contracten aan te bieden aan vervoerders. Daardoor zijn dievervoerders ook weer in staat grotere contracten aan te bieden aanchauffeurs, waardoor ze gemakkelijker chauffeurs kunnen werven enbehouden. Dat is een van de sleutelstappen in dat hele verhaal.De voorzitter:Mevrouw Westerveld heeft een vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik hoor de Staatssecretaris zeggen dat ze luistert, in gesprek gaat enmonitort, maar de vraag is natuurlijk wat de Staatssecretaris gaat doenom te zorgen dat leerlingen naar school kunnen. Dit is geen nieuw iets. Ikheb net nog even gekeken naar het debat van drie jaar geleden. Ik hebhier een motie van de Staatssecretaris zelf, die toen Kamerlid was. Toennoemde ze ook al alle oorzaken op in haar motie en vroeg ze het kabinetom structurele oplossingen voor de problemen. Nu is ze zelf Staatssecre-taris. Wat gaat ze dus doen om haar eigen motie van drie jaar geledengewoon uit te voeren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49847 Staatssecretaris Paul:Laat ik het zo zeggen: die motie heb ik inderdaad ook voor de geest. Eenvan de dingen die ik toen, in mijn eigen naïviteit, volgens mij niet goedvoor ogen had, is het volgende. Voor het doelgroepenvervoer, waarvoorde verantwoordelijkheid bij de gemeenten ligt, constateren we dat devoornaamste oorzaak een tekort aan chauffeurs is, aan geschiktechauffeurs, zeg ik er ook maar bij. Je kunt namelijk niet iedereen op diebusjes zetten, gezien de kwetsbaarheid van de doelgroep en wat dievraagt. Ik heb ook met vervoerders gesproken en heb een aardig beeldvan wat daarbij komt kijken. Zij worstelen daar ook mee. Ik heb niet éénknop die ik zelf kan bedienen. De reden waarom het geïntegreerdopgepakt wordt binnen dat doelgroepenvervoer, is dat je dan juist de kanshebt om te kijken hoe je dat zo slim en zo integraal mogelijk kuntaanbesteden. Zo stappen we van die kleine contracten af en zou je dusinderdaad meer chauffeurs kunnen werven en behouden. Dat zijn echterknoppen die ik niet tot mijn beschikking heb.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Volgens mij zegt niemand dat het makkelijk is, maar alles wat deStaatssecretaris nu noemt, wisten we drie jaar geleden ook al. Dat is toenook al uitgebreid besproken in het debat. Wij horen ook terug uit de sectorzelf – ik heb natuurlijk ook met alle partijen gesproken – dat het niet goedgaat op de manier waarop het nu gaat. Je hoort van iedereen, en dat lezenwe ook in brieven die we nu krijgen, ook van wethouders en van anderepartijen in het onderwijsveld, in ieder geval de oproep: pak de regie, gaknopen doorhakken en zorg ervoor dat het veel beter wordt geregeld.Daarin zit nadrukkelijk ook een vraag van het onderwijsveld aan deStaatssecretaris, die er wel verantwoordelijk voor is dat deze leerlingenonderwijs krijgen. Ook het vervoer naar de school toe hoort daarbij. Mijnvraag is dus nogmaals: wat gaat ze dan doen? Gaat ze zeggen dat ze blijftmonitoren? Dan weten we namelijk dat we de komende jaren elke weekweer nieuwe noodkreten horen. Of gaat ze ook zeggen: «Ik hak hier eenknoop door. Ik zie dat de manier waarop we het nu doen in ieder gevalniet goed is. Ik ga in ieder geval proberen om bijvoorbeeld de regie meernaar me toe te trekken.»? Dat vragen die verschillende partijen namelijkvan haar.Staatssecretaris Paul:Als ik ervan overtuigd zou zijn dat het zou helpen om die verantwoorde-lijkheid te verschuiven, dan zou ik dat doen. Dat gaat echter niet helpen,omdat we simpelweg niet voldoende chauffeurs hebben, omdat wesimpelweg niet de mensen hebben om dat doelgroepenvervoer te kunnenbemensen. Het verschuiven van die verantwoordelijkheid, in plaats van deregie te laten waar die nu is, gaat niet helpen. Er worden inderdaadstappen gezet, maar onvoldoende; daar ben ik het helemaal mee eens.Maar op die weg harder doorpakken is wel de weg voorwaarts. DeVerbeteragenda Doelgroepenvervoer – volgens mij komt mijn collega daarzo meteen nog over te spreken – is de weg voorwaarts. Die voeren we insamenwerking met met name de gemeenten uit. Ik herhaal wat ik zojuistook zei: in sommige gemeenten krijgen ze het wel voor elkaar, doordat zebeter en slimmer aanbesteden, en op andere plekken niet. Beter enslimmer aanbesteden is volgens mij wat er moet gebeuren.De heer Uppelschoten (PVV):Ik begrijp dat het niet een financieel probleem is. Het is meer een ...De voorzitter:De Staatssecretaris is in gesprek, maar gaat u gewoon door, meneerUppelschoten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49848 De heer Uppelschoten (PVV):Ik begrijp dat het meer een logistiek probleem is, niet een financieelprobleem. Mijn suggestie in de eerste ronde is dan ook onzinnig. Blijkbaargaat het over het aanbesteden van doelgroepenvervoer. Het speeltmisschien ook niet alleen bij de leerlingen, maar het geldt breder. U zegt:als er grote contracten worden aanbesteed door de gemeentes, wordt hetprobleem misschien opgelost, maar geld is niet het probleem; daarmeelossen we het niet op.Staatssecretaris Paul:De heer Uppelschoten had het volgens mij over een noodfonds. Ik kan hetaltijd waarderen wanneer we met elkaar creatief nadenken, maar ik denkin alle eerlijkheid dat een noodfonds geen soelaas gaat bieden. Het biedtwel soelaas als er slimmer wordt aanbesteed. Wij spreken hier overleerlingenvervoer, maar op andere terreinen schuurt het ook. Op andereterreinen gaat het ook niet goed. Dat is ook schrijnend en niet zoals hethoort. In de gemeenten waar het wel goed gaat, zie je dat er slimmerwordt aanbesteed. Soms werken kleinere gemeenten met elkaar samenom uiteindelijk een grotere aanbesteding te kunnen doen, waardoor devervoerders die ze inschakelen grotere contracten kunnen aanbieden aande chauffeurs. Daar zit het ’m dus in. Is dat een logistiek probleem? Vooreen deel wel, ja. Het is een logistiek probleem, gekoppeld aan eenarbeidsmarkttekort. Dat is in ieder geval onderdeel van de verbeteragendavan VWS.De voorzitter:De heer Van Houwelingen heeft een vraag.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik heb inmiddels de studie erbij gepakt. Dank aan de griffie, die mij diestudie heeft doorgestuurd; ik had die gemist. Die studie bevestigt precieshet punt dat ik wil maken, dus daar ben ik natuurlijk heel blij mee. Intabel 3.14 staat dus inderdaad: als het om het regulier onderwijs gaat, ofhet nou basis- of voortgezet onderwijs is, krijgen docenten vaak steun inde vorm van handelingsadviezen. Dat komt dan vaak voor; één keer in hethalfjaar wordt er dus wat verteld. Maar het inschakelen van echteondersteuning, een extra leraar of docent in de klas – dát willen docenten– komt nooit voor. Dat staat in die tabel. 75% van de leraren in hetbasisonderwijs en 80% van de leraren in het voortgezet onderwijs geeftaan dat het nooit voorkomt. Respectievelijk 14% en 12% geeft aan dat hetzelden gebeurt. Dat gebeurt dus eigenlijk zelden of nooit. Dat was precieshet punt dat ik de hele tijd wilde maken. Dat staat dus in die tabel 3.14. Hetzou toch fijn zijn als de Staatssecretaris daarop wil reageren. Dat bevestigttoch het punt dat wij maken? Die gelden zijn er wel, maar wordensimpelweg niet goed besteed.Staatssecretaris Paul:Nee, dat gaat me te ver. De heer Van Houwelingen refereert aan debehoefte van leraren aan meer ondersteuning in de klas. Ik denk dat hetheel valide is dat ze die benoemen, maar ook in het gespecialiseerdonderwijs – dat zeg ik niet om me daarachter te verschuilen – hebben wegierende lerarentekorten. Dus ja, die behoefte is er en dat snap ik, maar jekunt inderdaad niet alles met geld afkopen als de mensen er niet zijn.De heer Van Houwelingen (FVD):Dit is toch geen antwoord? De docenten geven aan waar ze behoefte aanhebben: ondersteuning in de klas. Dat zeggen ze ons allemaal; dat zien wein de rapporten terug. Dat is wat ze niet krijgen: in meer 90% van degevallen krijgen ze dat zelden of nooit. Ze krijgen wel andere vormen vanondersteuning, waar ze dus niet op zitten te wachten. Dat staat inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49849 tabel 3.14 van de studie waar de Staatssecretaris zelf naar verwijst. Er isdus wel geld. Dat wordt alleen verkeerd besteed. Dat is ons punt de heletijd. Wat gaat de Staatssecretaris er dus aan doen om te zorgen dat datgeld wél goed besteed wordt, op een manier waarop docenten er wat aanhebben? In Nederland krijg je in het regulier onderwijs dus geen onder-steuning in de klas. Dat staat ook keihard in die tabel. Dat is wel waardocenten behoefte aan hebben, maar die ondersteuning krijgen ze dusniet.Staatssecretaris Paul:Ik heb nu de vraag scherper. Volgens mij is dit iets wat ik ook in het debatnaar voren heb gebracht: het is niet perfect en daarom werk ik aan allerleiinitiatieven om die ondersteuning in de klas juist beter te maken. Ik werkaan multidisciplinaire teams op school, waardoor je verschillendeexpertisen in de school hebt, samenwerkend met de lokale teams vanuitde zorg. Ik werk aan het dichter bij elkaar brengen van de expertise in hetgespecialiseerd onderwijs en het regulier onderwijs. Denk ook aan debrugfunctionaris, waar we stevig in investeren. Er zijn dus een hoopdingen die ik aan het doen ben die inderdaad nog niet uit dat onderzoeknaar voren komen. Maar juist dat – we doen die onderzoeken niet voorniets – is de aansporing om ervoor te zorgen dat de ondersteuning in deklas er wel is, zodat de 2.000 docenten die we hebben bevraagd, wellichtniet allemaal, maar hopelijk in groten getale wel tevreden zijn over eenpoosje. Ik heb het niet van vandaag op morgen geregeld. Zo simpel is het.Maar de dingen die ik net noemde, zijn dus allemaal dingen waar we meebezig zijn. En op heel veel scholen landen die dus al wel, hè.De voorzitter:Meneer Van Houwelingen, uw interrupties zijn op, maar ik denk dat wegenoeg tijd hebben om iedereen twee extra interrupties te geven. Als udie nu wil inzetten, kan dat.De heer Van Houwelingen (FVD):Ik zal het heel kort houden. Ik begrijp de goede wil van de Staatssecretaris,maar het probleem is dus dat de gelden die worden vrijgemaakt, nietgoed worden besteed, omdat ze niet worden gekoppeld aan wat docentenin klassen willen. Dan kun je nog zo veel initiatieven hebben, maar datgaat dus niet goed komen. Hoe kun je ervoor zorgen dat het wel goedkomt? Dat is die grote stelseldiscussie die we nodig hebben. Dat doe jedus door scholen in staat te stellen om het rechtstreeks zelf te besteden, inplaats van het in allemaal samenwerkingsverbanden en besturen tegieten, die dat geld dan verspillen op de manier zoals ik al heb toegelicht.Ik snap de goede wil van de Staatssecretaris, maar ik heb er gewoon geenvertrouwen in dat het ook maar iets gaat opleveren.Staatssecretaris Paul:Dat mag de heer Van Houwelingen vinden. Gelukkig word ik niet alleengedreven door goede wil, maar ook door initiatieven die werken eneffectief zijn. Al die stappen die ik net noemde, komen vanuit samenwer-kingsverbanden. De expertise zit daar en die wordt in de klassen gebracht.Ik zie aan de heer Van Houwelingen dat ik hem niet ga overtuigen. Ikbedoel, als ik die overtuiging niet had, zou ik er morgen mee stoppen. Erzijn gelukkig heel veel voorbeelden waar het heel goed landt.De voorzitter:Voor u verdergaat, heeft mevrouw Rooderkerk nog een vraag.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ik had een vraag over het leerlingenvervoer. De Staatssecretaris gaf aandat ze in de eerdere motie, die ze zelf had ingediend, ook niet echt deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49850 oplossingen zag. Ze zei dat slimmer aanbesteden de oplossing is en dateen grotere schaal zou helpen. Ik zat zelf in de gemeenteraad vanAmsterdam en daar waren ook altijd problemen met het leerlingen-vervoer. We voeren dit debat al voor de zoveelste keer met elkaar. Eentekort aan chauffeurs lijkt me een heel concreet probleem, maar deoplossing blijft wat mij betreft uit. LBVSO heeft meer dan 2.000 meldingengekregen van kinderen die niet naar school konden. Dat is ontzettendfunest voor hun onderwijs. Ik vraag me af of de Staatssecretaris watdieper kan kijken naar een oplossing hiervoor, zodat we niet elke keerditzelfde probleem met elkaar moeten bespreken. Slimmer aanbestedenlijkt mij in ieder geval niet de oplossing.Staatssecretaris Paul:Dat is wel de oplossing. Dat zou vanuit de gemeenten moeten plaats-vinden. Ik ben best bereid daar nog eens over om tafel te gaan met deVNG, hoewel het eigenlijk al een structureel gesprek is. Daar zit oprecht desleutel. Ik kan van alles verzinnen en op mijn kop gaan staan, maardaarmee heb ik slimmer aanbesteden en meer chauffeurs niet geregeld.Die actie wil ik op me nemen.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dat zou heel fijn zijn. Hiervoor stelde ik deze vraag namelijk altijd in degemeente en dan werd er verwezen naar het ministerie. Zo worden wevan het kastje naar de muur gestuurd. Het lijkt mij een heel goed voorsteldat de Staatssecretaris met de gemeenten om tafel gaat. Ik zou haar willenvragen om daar ook organisaties zoals Ouders & Onderwijs en LBVSO bijuit te nodigen. Ik zou zeggen: probeer eens en voor altijd een doorbraak tecreëren op het probleem van het leerlingenvervoer, zodat elk kind gewoonnaar school kan.Staatssecretaris Paul:Dat ga ik doen. Daarbij zal ik ook de bestaande goede voorbeelden brederdelen. Ik geloof altijd dat als het op een bepaalde plek kan, los vaneventuele externe factoren, het op andere plekken ook moet kunnen. Wegaan dat gesprek aan met de partijen die mevrouw Rooderkerk noemde.Dan ga ik door met de vraag van mevrouw Westerveld over hoe erinvulling wordt gegeven aan de bezuinigingen op School en Omgeving.Voor School en Omgeving wordt vanwege de bezuinigingen prioriteitgegeven aan de leerlingen met de hoogste onderwijsachterstanden,omdat zij het meest gebaat zijn bij het buitenschools ontwikkelaanbod.Vanuit eerdere ervaring weten we dat niet alle scholen die tot de 5%behoren een aanvraag zullen indienen. Daarom mogen alle scholen meteen onderwijsachterstand subsidie aanvragen. Voor scholen buiten de 5%is er daarmee ook een reële kans om subsidie te krijgen. Het kabinet blijftstructureel 340 miljoen euro per jaar investeren in School en Omgeving.Daarom geven we het programma duurzaam en structureel vorm via eenaanvullende bekostigingsregeling vanaf 2029. Dan is het dus geensubsidie meer, maar een aanvullende bekostiging. We zijn ook bezig metde wetgeving die daarvoor nodig is.Mevrouw Westerveld vroeg waarom dit kabinet zou bezuinigen ophoogbegaafdheid. Sinds 2019 wordt er extra geïnvesteerd in hetversterken van de ondersteuning voor kinderen die hoogbegaafd zijn.Structureel is 23,3 miljoen euro beschikbaar voor deze doelgroep. Desubsidieregeling hiervoor is beschikbaar voor samenwerkingsverbanden.Daarmee investeren ze in expertise en voorzieningen voor hoogbegaafdeleerlingen. Het bedrag waar mevrouw Westerveld aan refereerde alsbezuiniging is onderuitputting op die regeling. Dit kabinet heeft dus deonderuitputting op die regeling van 4,7 miljoen benut bij het dekken vande subsidietaakstelling. Dat was dus geld dat niet was aangevraagd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49851 Dan de vraag van de heer Stoffer of OCW in overleg gaat met VNG overhoe extra middelen uit de Voorjaarsnota ook ten goede komen aanpassend onderwijs. Ik ga ervan uit dat de extra middelen de benodigdejeugdzorguitgaven dekken en dat dit ook helpt voor kinderen in hetonderwijs met een aanvullende zorgbehoefte. Samen met VWS zal ik hetbelang hiervan bij VNG onder de aandacht brengen.Dan de vraag van mevrouw Rooderkerk over de toegankelijkheid vanleermiddelen en wat het kabinet gaat doen om dit wettelijk te verankeren.Ik deel met mevrouw Rooderkerk dat het belangrijk is dat toegankelijkeleermiddelen beschikbaar zijn wanneer nodig. Daarom wordt er naaraanleiding van het verzoek van uw Kamer in het commissiedebat Passendonderwijs van vorig jaar een nulmeting uitgevoerd om in kaart te brengenhoe het staat met de toegankelijkheid van leermiddelen en wat er nodig isom de toegankelijkheid te verbeteren. De uitkomsten van die meting stuurik dit najaar naar uw Kamer. Op basis van de nulmeting kijken we ook ofhet nodig is om standaarden, normen en richtlijnen te ontwikkelen, ofdeze dan inderdaad vastgelegd moeten worden in Nederlandse wet- enregelgeving en wat de gevolgen hiervan zijn. Dat komt na de zomer, ditnajaar, naar uw Kamer.Dan de vraag van mevrouw Rooderkerk over concrete doelen stellen omtoe te werken naar een examenlicentie op iedere vso-school. We haddenhet volgens mij vorige week nog over de examenlicentie in het debatToetsen en examens. De komende periode kijken we naar de manierenwaarop meer vso-scholen een licentie kunnen krijgen. Daarvoor verbe-teren we de informatievoorziening over wat hiervoor nodig is envereenvoudigen we waar mogelijk de processen. Het klinkt heel simpelom zo’n licentie te hebben, maar de school moet daar best veel voororganiseren. Denk aan een eigen examenorganisatie en vakbevoegdedocenten. Daarom is dit niet voor iedere vso-school passend en haalbaar,met name voor kleinere niet. Uiteindelijk gaat het om een passendeexamenvoorziening voor elke leerling. Voor de leerlingen voor wie hetstaatsexamen het meest passend is, blijft dat beschikbaar en werken wevoortdurend aan verbetering daarvan. Maar we zijn dus ook volop bezigom de examenlicenties breder mogelijk te maken.Dan de vraag van de heer Van Houwelingen over leerlingen die uit beeldzijn. Het signaal dat de heer Van Houwelingen overbracht, ook vanuitLBVSO, is bekend. Uiteraard verwacht ik van scholen dat ze bij geoorloofdverzuim contact houden met de leerling, zeker als dit langer duurt. Hetwetsvoorstel Terugdringen verzuim scherpt het verzuimbeleid op scholenaan, zodat ze beter contact houden met leerlingen en zodat eenkortdurend geoorloofd verzuim niet kan uitmonden in langdurig verzuim.«Onnodig langdurig verzuim», moet ik zeggen. Er kunnen natuurlijkhelaas redenen zijn waarom dit wel aan de orde is.De voorzitter:Er is een vraag van mevrouw Rooderkerk.Mevrouw Rooderkerk (D66):Ten aanzien van een eerdere toezegging over het leerlingenvervoer vroegik me af wanneer de Staatssecretaris daarover een brief kan sturen, zodatdie ook echt als toezegging kan worden genoteerd.Ten aanzien van de examenlicenties: de Staatssecretaris stopt deverbeteraanpak van de staatsexamens en zegt nu wel de examenlicentieste willen stimuleren. Ik vraag me af of ze daar dan ook per brief op terugkan komen, zodat we daar ook daadwerkelijk een verandering in kunnenzien.Staatssecretaris Paul:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49852 Volgens mij heb ik naar aanleiding van het debat van vorige week ook eenbrief toegezegd. Ik kom daar in de tweede termijn op terug, want ik wilkijken of ik dit op een verstandige manier kan meenemen.Over het leerlingenvervoer heb ik volgens mij afgesproken dat ik, conformhet verzoek van mevrouw Rooderkerk, in gesprek ga met de VNG endaarbij Ouders & Onderwijs en LBVSO betrek.De voorzitter:Als u daar dan verslag van kan doen in een brief, is het een toezegginggeworden.Staatssecretaris Paul:Oké, prima. Dan gaan we dat doen. Ja, dan doen we dat.De voorzitter:Wanneer denkt u dat gedaan te hebben?Staatssecretaris Paul:Ik denk dat dat na de zomer wordt.De voorzitter:Bent u bijna klaar met de vragen?Staatssecretaris Paul:Ja, dit is de laatste. Er was een vraag van de heer Oostenbrink over deuitvoering van de motie over autisme. Ik heb naar aanleiding van de motieper brief de samenwerkingsverbanden opgeroepen om hun middelen inte zetten voor het bieden van goede ondersteuning aan leerlingen metautisme of andere ondersteuningsbehoeften. Verder zijn we overleerlingen met autisme in gesprek met NVA en LBVSO. Nog dit jaarrichten we een werkgroep op die scholen kan ondersteunen en adviserenover onderwijs aan leerlingen met autisme. Ook gaan de AOb en Ouders& Onderwijs verder – dat heb ik volgens mij eerder genoemd – met hetuitwerken van een landelijke norm voor basisondersteuning, waarondervoor autisme. We zijn dus met verschillende zaken bezig om dit handen envoeten te geven.Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan is er nog een vraag van de heer Van Houwelingen.De heer Van Houwelingen (FVD):Als het mag, voorzitter, zou ik twee korte rappelleervragen willen stellen.Ik denk dat die bij de Staatssecretaris hoorden, maar deze twee vragenvan mij zijn nog niet beantwoord. De eerste vraag van die twee rappelleer-vragen betreft de brief op verzoek van belangenorganisaties van 28 maart.Kan die worden doorgestuurd naar uw collega? Ik zal de tweede vraag ookmaar gelijk stellen. Dat is mijn vraag over de rugzakjes. Zou het nietverstandig zijn om wellicht terug te gaan naar die rugzakjes? Dat zijn detwee vragen.De voorzitter:Mevrouw Westerveld heeft ook nog een onbeantwoorde vraag, dus dieneem ik meteen even mee.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik stelde de volgende vraag. De Staatssecretaris zegt eigenlijk dat er grotevooruitgang is geboekt, terwijl ik haar een aantal cijfers heb voorge-spiegeld – meer collega’s hebben dat gedaan – die laten zien dat hethelemaal niet de goede kant op gaat. Mijn vraag aan de StaatssecretarisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49853 was hoe ze kan zeggen dat het de goede kant opgaat en dat ervooruitgang wordt geboekt, terwijl we toch echt zien aan de cijfers dat ditniet zo is en er ook nog eens verdere bezuinigingen zijn. Ik hoop daar ooknog een reflectie op te krijgen.Staatssecretaris Paul:De eerste vraag van de heer Van Houwelingen gaat over de brief. Die briefis bekend en is ook doorgeleid. Die is zowel bij VWS als bij OCW bekend.De tweede vraag van de heer Van Houwelingen ging over de rugzakjes.Daar kom ik op terug in tweede termijn.Dan de vraag van mevrouw Westerveld. Ik heb ook in dit debat gezegd datik het niet doe voorkomen alsof het rozengeur en maneschijn is. Maarondertussen zijn er wel degelijk stappen gezet en worden er stappen gezetom de problemen te tackelen die er op dit moment worden ervaren. Ofhet nu gaat om het introduceren van het hoorrecht, of het nu gaat om hetintroduceren van de ouder- en jeugdsteunpunten, het zijn allemaal dingendie we in de afgelopen relatief korte periode hebben gerealiseerd. Hetwerken aan het terugdringen van verzuim, het werken aan meer maatwerkmogelijk maken, of dat nu gaat om digitaal afstandsonderwijs of om hetsamenbrengen van de expertise vanuit gespecialiseerd onderwijs in hetregulier onderwijs: er zijn gewoon veel verschillende dingen. Ik kan medoor die veelheid aan maatregelen heel goed voorstellen dat je bijna zegt:oké, ook weer een druppel op de gloeiende plaat. Maar ik ben ervanovertuigd dat door gezamenlijk die verschillende stappen te zetten, weeen fundament creëren om op door te pakken.De voorzitter:Dank u wel. Dan is nu het woord aan Staatssecretaris Karremans.Staatssecretaris Karremans:Dank u wel, voorzitter. Ik heb geen expliciete instructies gekregen van devoorzitter, maar ik houd meestal sowieso niet van hele lange antwoorden,dus daar gaan we. Ik heb drie vragen gekregen.Hoe stimuleren we vanuit de Hervormingsagenda de samenwerkingtussen lokale teams en het onderwijs? Dat doen we simpelweg door daarafspraken over te maken in het convenant lokale teams waaraan we nuwerken. Daar moet dat in landen, want mevrouw Westerveld maakt eenzeer terecht punt daarover.Dan de vraag of er integraal wordt samengewerkt aan de route naarinclusief onderwijs in de Hervormingsagenda Jeugd. Ja, maar daarvinden natuurlijk continu verbeteringen op plaats. Een voorbeeld daarvanis dat de stuurgroep Hervormingsagenda dit voorjaar is uitgebreid metvertegenwoordigers van het onderwijsveld, juist voor het versterken vande verbinding. Andersom zijn aan de overlegtafel voor inclusief onderwijszorgpartijen toegevoegd. Op die manier zorg ik ervoor dat er wordtsamengewerkt.Ik kan natuurlijk ook niet om de vraag van mevrouw Westerveld heen overde eigen bijdrage, want die krijg ik in elk debat. De vorige keer hebben wehet daar met elkaar in een andere commissie over gehad. Die staat nuinderdaad in het beeld. Mevrouw Westerveld kent ook mijn opvattingdaarover, maar de inzet is natuurlijk altijd om ervoor te zorgen dat de hulpbeschikbaar is voor degenen die de hulp nodig hebben. Juist daaromwillen we natuurlijk wat doen om het aantal kinderen in de jeugdzorgterug te dringen. We denken dat dit daar een bijdrage aan kan leveren. Ikheb ook tegen mevrouw Westerveld gezegd dat als er mensen zijn ... Weweten dat jeugdzorg vaak ontstaat door bepaalde levensgebeurtenissen.Vechtscheidingen zijn daar een voorbeeld van. Als ouders wel in staat zijnom heel veel euro’s te besteden aan dure advocaten voor vechtschei-dingen, dan vind ik ook – even vanuit moreel perspectief – dat we ze omeen bijdrage kunnen vragen voor de jeugdzorg die daar vaak uit voort-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49854 vloeit. Maar dat is weer een heel ander debat. Daar komen we nog opterug, want we werken dit nu verder uit.Dank u wel.De voorzitter:Er is een vraag van de heer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Het laatste wat de Staatssecretaris zei, doet mij inderdaad tot een vraagkomen. Op zich is dit misschien terecht als je een dikke portemonneehebt, maar er zijn natuurlijk ook ouders waar niet al te veel zit. Als je zietdat dit zo veel voor de jeugdzorg betekent, zou het dan niet goed zijn datwe als overheid ook proberen om mensen met een wat minder dikkeportemonnee bij elkaar te houden, dus door relatietherapie of dergelijkevanuit de overheid te stimuleren? Ik hoor graag het antwoord.Staatssecretaris Karremans:Ik heb volgens mij beloofd om de kosteneffectiviteit van relatietherapie teonderzoeken. Daar komen we dus nog mee terug. Dan gaan we het debatgraag aan met de heer Stoffer.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Westerveld heeft ook nog een vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ja, over het VN-verdrag. Het was misschien een beetje te onduidelijk,maar ik wilde die vraag stellen aan allebei de Staatssecretarissen.Nederland is het afgelopen jaar flink op de vingers getikt door decommissie die kijkt of wij ons wel houden aan het VN-Verdrag Handicap.Daarvan is onderwijs ook een onderdeel. De commissie vindt datNederland veel meer zou moeten doen om ervoor te zorgen dat kinderenmet een zorgbehoefte onderwijs krijgen. Ik vroeg me af welke stappen deStaatssecretaris van VWS vanuit zijn functie kan zetten. Hij ziet natuurlijkook wel – daar maken we geen geheim van – dat er ook forse bezuini-gingen zijn die specifiek deze kinderen raken en ook raken aan hetpreventiedeel, aan het voorkomen dat kinderen jeugdhulp krijgen, wat hijbelangrijk vindt. Kan hij daar nog op reflecteren?Staatssecretaris Karremans:Zeker. Ik snap die vraag. Dit ligt voor een heel groot deel bij mijn collegaMaeijer, die met de Kamer eerdere debatten heeft gevoerd. HetVN-verdrag, zeker in relatie tot kinderen met een handicap, heeft natuurlijkmijn aandacht vanuit mijn rol als Staatssecretaris Jeugd. Er zijn ookonderwerpen die ook in mijn portefeuille zitten maar niet sec hetjeugddomein behelzen, zoals sport en hulpmiddelen voor jongeren om tesporten. Dat is in heel veel gevallen gewoon belabberd geregeld op ditmoment. We werken er nu hard aan om dat ene loket te creëren. MevrouwWesterveld weet dat we hopen om daar dit jaar resultaat op te kunnenpresenteren. Daar werk ik hard aan. Een ander voorbeeld dat ik in die zinheel belangrijk vind, zijn inclusieve speeltuinen. Voor kinderen is het heelbelangrijk om te bewegen in hun omgeving. De leefomgeving heeftgewoon een hele grote invloed op het gedrag en de mogelijkheden voorkinderen, zeker ook kinderen met een handicap. Maar 41% van allegemeenten heeft een inclusieve speeltuin. Dan hebben we het overminimaal één. Ik wil dat flink uitbreiden. Daar ben ik vanuit mijn rol alsStaatssecretaris Jeugd dus ook mee bezig, maar zoals gezegd zit veel vandit beleid natuurlijk ook bij mijn collega Vicky Maeijer, die daar ook hardaan werkt.De heer Uppelschoten (PVV):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49855 Ik merk dat de Staatssecretaris heel erg bereid is om het onderwijs tehelpen met het goed inrichten van zorgteams, maar er zijn twee verschil-lende dingen. Op preventief gebied wordt er al een groot beroep gedaanop specialistische hulp vanuit de jeugdzorg. Die is waarschijnlijk niet zovoorhanden om te helpen in het onderwijs.Staatssecretaris Karremans:Je hebt ook de kwestie van zorg- en onderwijstijd. Dat is natuurlijk nogeen apart vraagstuk waar we aan werken en waarover we rond de zomermet een brief richting de Kamer willen komen, want daar ligt natuurlijkeen duidelijke opgave, omdat we zien dat daar in de praktijk gewoonbepaalde knelpunten zijn. Dat heeft ook te maken met specialistische,soms zwaar specialistische jeugdzorg. Het hele idee van preventie isnatuurlijk om met die lokale teams zo veel mogelijk af te vangen aan devoorkant. Daarom is die samenwerking daarin cruciaal, zodat je niet alleenkijkt naar het kind maar ook naar de omgeving van het kind, de schoolom-geving, de familie, dus de totale omstandigheden waarin een kindopgroeit. Dan plak je niet achteraf pleisters met individuele behandeltra-jecten, maar voorkom je vooral vooraf met hulp van de omgeving datmeer jeugdhulp nodig is. Dat is de hele beweging die we maken met deHervormingsagenda Jeugd. Daar werk ik hard aan, maar ook met mijncollega van OCW, want het Ministerie van OCW is ook gewoon onderte-kenaar van de Hervormingsagenda Jeugd, net als bijvoorbeeld decollega’s van JenV.De voorzitter:Dank voor deze antwoorden in deze termijn. We gaan naar de tweedetermijn van de Kamer. Daarvoor is per Kamerlid 1 minuut en 40 secondenbeschikbaar. Als eerste wil ik het woord geven aan de heer Soepboer.De heer Soepboer (NSC):Dank u wel, voorzitter. Ik zal het kort houden, want ik denk dat ik heelduidelijk ben geweest over waar mijn zorgen zitten. Die zorgen zijn nietweg; laat ik dat vooropstellen. Dat geldt zeker voor de toekomst van hetspeciaal onderwijs. Wij zullen daar te allen tijde voor blijven vechten, nietalleen voor cluster 1 en cluster 2, maar voor alle clusters. Laat dat dusheel duidelijk zijn. Ik kan dan ook niet anders dan voor nu in ieder gevaleen tweeminutendebat aan te vragen om plenair nog een aantal dingen tehervatten.Ik denk dat mijn tijd er nu nagenoeg op zit. Ik zou zeggen: dank aaniedereen die hier vandaag was om te laten zien hoe ongelofelijk belangrijkdit is. Daar houd ik het bij, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Westerveld, GroenLinks-PvdA.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Bij die laatste woorden sluit ik me aan. Het is altijd fijn om hierweer zo veel betrokken mensen te zien en ook te weten dat veel mensenmeekijken, maar ik kan me ook voorstellen dat dit soort debatten bestfrustrerend zijn, omdat veel mensen die hier zitten, al jarenlang betrokkenzijn bij het onderwijs maar ook al jarenlang dezelfde discussies horen.Sommige onderwerpen die we eigenlijk allemaal urgent vinden, vondenwe twee jaar geleden ook al urgent, drie jaar geleden ook al en tien jaargeleden ook al. Nog steeds zijn er geen oplossingen. Ik kan me dusvoorstellen dat dit soort debatten best wel vaak frustrerend zijn, helemaalvoor mensen die zelf in het onderwijs werken en al jarenlang tegenbarrières aan lopen en voor mensen die een kind thuis hebben zitten datgeen onderwijs krijgt of dat de afgelopen week weer niet is opgehaaldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49856 omdat het leerlingenvervoer niet op tijd of helemaal niet kwam. Ik kan mijdie frustratie heel goed voorstellen.Voorzitter. Ik hoorde de bewindspersoon, de Staatssecretaris, een aantalkeren zeggen «daar is nou eenmaal geen geld voor» of «we moetenkeuzes maken», maar ik wil ook dit kabinet eraan herinneren dat het eenkwestie is van politieke keuzes. Ik hoorde de Staatssecretaris zeggen datwe op weg gaan naar inclusief onderwijs. Dat vind ik een heel mooi enheel belangrijk streven: dat kinderen zo veel mogelijk met elkaaropgroeien, van elkaar leren, met elkaar spelen en met elkaar naar schoolgaan, waar dat kan. Voor sommige kinderen zal het speciaal onderwijsnodig blijven, maar ik deel dat streven naar inclusief onderwijs. Maar danmoet je dat als kabinet niet alleen zeggen, maar daar ook financiën voorvrijmaken. Als ik dan hoor dat dat niet gedaan wordt, alleen al omschoolgebouwen toegankelijk te maken, vraag ik me af wat onzehandtekening onder dat VN-verdrag waard is.Ik wil zeker een heel aantal moties indienen en ik ben dus blij met deaanvraag van het tweeminutendebat.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Kisteman van de VVD.De heer Kisteman (VVD):Dank u wel. Ik wil beide Staatssecretarissen bedanken voor hun beant-woording. Ik ben blij om te zien dat zij goed samenwerken. Ik wilnogmaals benadrukken dat dat essentieel is voor deze uitdaging. Ik benook blij met de beantwoording van de Staatssecretaris over de thuis-zitters, met name over degenen die geen vrijstelling hebben. Ik wacht debrief van de Staatssecretaris met de mogelijkheid om 5b af te schaffen ende eventuele gevolgen daarvan met belangstelling af.De voorzitter:Dank u wel. Dan de heer Uppelschoten van de PVV.De heer Uppelschoten (PVV):Ik zit nog met één vraag. We hebben het gehad over het verzuim, overleerlingen die thuiszitten. Het aantal van 70.000 is genoemd. We haddenof hebben nog steeds een systeem van leerplichtambtenaren, die er metdwang voor zorgen dat leerlingen naar school toe komen. Dat wordt daneen beetje een vreemde situatie, omdat de ouders niet meer strafrechtelijkvervolgd kunnen worden als leerlingen niet naar school komen. Mijnvraag is dus eigenlijk of die leerplichtambtenaren niet een hele andere rolkrijgen en of zij niet ook iets te maken kunnen krijgen met preventie. Dat ismijn vraag.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Stoffer van de SGP.De heer Stoffer (SGP):Dank, voorzitter. Dank aan beide Staatssecretarissen voor de beant-woording van de vragen. Er is veel gezegd door mijn collega’s. Mijnafdronk is dat je overal goed past als je gemiddeld bent, maar dat wemoeten blijven opkomen voor de leerlingen die aan de ene of de anderekant net niet bij dat gemiddelde passen en die, als je niet uitkijkt, daardoorbuiten de boot vallen. Ik denk dat het goed is dat we het debat vandaaggehad hebben, maar ik denk dat we hier nog lang niet mee klaar zijn.Eigenlijk denk ik dat we hier nooit mee klaar zullen zijn, maar het kan nogstukken beter. Daar moeten we met elkaar voor blijven knokken. Volgensmij willen we dat aan deze kant van de tafel, maar ook aan die kant van detafel allemaal. We blijven dus gewoon samen de schouders eronderzetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49857 Dank.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Rooderkerk van D66.Mevrouw Rooderkerk (D66):Dank, voorzitter. Dank ook aan iedereen die aanwezig is en met wie wijvooraf hebben gesproken. Ik hoop heel erg dat er daadwerkelijkdoorbraken gecreëerd worden voor leerlingen die thuis zitten, voorleerlingen in het passend onderwijs en richting inclusief onderwijs. Dankook voor de toezeggingen van de Staatssecretaris ten aanzien van dedoorzettingsmacht, thuiszitters, staatsexamens, het leerlingenvervoer ende deskundigenverklaring van dyslexie. Wij zien daarnaar uit en ik hoopdat wij dit debat sneller weer voeren dan nu het geval was.Tot slot wil ik mij echt aansluiten bij de oproep om alles wat gaat overjeugd en zorg aan te laten sluiten bij het onderwijs, want het hangtnatuurlijk heel erg met elkaar samen. Als kinderen geen plek hebben opschool, verdwijnen ze vaak naar huis en dus ook naar de jeugdhulp.Teruggaan is dan altijd lastig. Ook de verantwoordelijkheid van dieschoolbesturen gaat dan weg. Er zijn hele duidelijke praktijkvoorbeeldenvan te geven, bijvoorbeeld uit Rotterdam. Er is echt veel meer nodig. Dusecht van harte de oproep dat wij dit debat vaker met elkaar voeren, watmij betreft ook met de commissie en de woordvoerders voor jeugdzorg,en dat we ook daarin veel meer de verbanden leggen om dit op te lossen.De voorzitter:Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Van Houwelingen van Forumvan Democratie.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de beantwoording. Wij denken dat er zeker voldoende geld is,maar dat dat niet goed wordt besteed. Zoals we net hebben gezien, krijgje dan de situatie dat in het voortgezet onderwijs en in het basisonderwijsin 90% van de klassen waarvan docenten graag willen dat er extraondersteuning komt, geen sprake is van extra ondersteuning in de klas,hoewel er geld zou moeten zijn voor leerlingen die op achterstand staan.En dat terwijl er wel geld is voor allerlei andere – ik zal het maar gewoonzeggen zoals het is – onzin, zoals adviezen, consultants en dit en dat. Jeziet dat dat keer op keer gebeurt in die samenwerkingsverbanden en in dieschoolbesturen. Die zijn allemaal veel te groot. Je ziet het ook in de zorg.Ik heb daar zelfs een boek over geschreven; zo erg is het. Onderzoekersschrijven ook dat je het geld eigenlijk niet meer goed kan besteden in dieverbanden. Daar kun je nog omheen werken. Daar ging mijn vraag over; ikhoop dat de Staatssecretaris daar in de tweede termijn op ingaat. Ditvereist natuurlijk een stelselwijziging, die er wellicht nooit gaat komen,maar wat je dan wél zou kunnen doen, is gebruikmaken van die rugzakjes,want dan wordt het geld in ieder geval gekoppeld aan ouders enleerlingen. Die kunnen dan kiezen naar welke school de leerlingen gaan.Dan gaan ze natuurlijk niet naar een school waar dat geld verspild wordt.Dan gaan ze natuurlijk naar een school waar dat geld wel wordt ingezet,bijvoorbeeld voor een extra leerkracht in de klas. Dat is het mooie aanzo’n rugzakje. Mijn vraag, waar de Staatssecretaris in de tweede termijnnog op terug zou komen, is dus hoe ze daartegen aankijkt.Dank u, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Tot slot de heer Oostenbrink van de BBB.De heer Oostenbrink (BBB):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49858 Dank u wel. Ook dank aan de Staatssecretarissen voor de antwoorden diewe hebben gehoord, ook over de Verbeteragenda en het doelgroepen-vervoer, en voor de toezeggingen over het gesprek dat daarover gevoerdgaat worden. Het ging natuurlijk ook over slimmer aanbesteden en de rolvan gemeenten.Ik wil alsnog nadrukkelijk de vraag stellen of er vanuit OCW niet meerlandelijke regie gevoerd zou moeten worden, specifiek ten aanzien van hetleerlingenvervoer, omdat de nood daar ook gigantisch hoog is.Met betrekking tot de eerder aangenomen motie van de BBB over hetinzetten van de onbenutte financiële reserves gaf de Staatssecretaris aandat er ook op dat punt overleg is gepleegd, ook met de samenwerkings-verbanden, en dat zij daarnaast ook met andere partijen bezig is om eenwerkgroep op te zetten. Wij zullen dit kritisch blijven volgen.Wat de door ons aangegeven zorgen over de lerarenopleidingen betreft:het is fijn om te zien dat dit punt wordt meegenomen in de gesprekkenmet de bijbehorende organisaties.Tot slot de zorgboerderijen. Daarbij benadruk ik dat voor de BBB deonderwijskwaliteit altijd vooropstaat. Dank ook voor het antwoord overhet experiment. Het is goed om te horen dat dit aansluit bij de nieuwestructurele regeling die meer ruimte biedt aan maatwerk, ook in hetonderwijs, en ook bij de aankomende Wet meer ruimte voor maatwerk.Tot zover.De voorzitter:Dank u wel. Dan de vraag aan de bewindspersonen of ze direct doorkunnen gaan met de beantwoording. Of hebben zij een schorsing nodig?Zij hebben behoefte aan een schorsing van vijf minuten.De vergadering wordt van 19.18 uur tot 19.26 uur geschorst.De voorzitter:We gaan verder met de beantwoording van de laatste vragen. Het woordis aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Paul:Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de vraag van de heer Uppelschotenover de rol van de leerplichtambtenaar. Het klopt helemaal: die rolverandert. We zijn ook heel nadrukkelijk aan het bekijken hoe daar meeraan preventie gedaan kan worden, want dat is een belangrijke taak. Datheb ik volgens mij ook in mijn verhaal benoemd, maar het is goed dat udat nog aankaartte, want daardoor kan ik dit bij dezen bevestigen.Er stond nog een vraag open van mevrouw Rooderkerk over de examenli-centies in het vso. Ik kom daarop terug in de najaarsbrief over destaatsexamens. Dan kom ik daar dus expliciet op terug, zoals besproken.Dan een vraag van de heer Van Houwelingen over de rugzakjes. Nee, dierugzakjes komen niet terug, want zij komen de ondersteuning van deleerlingen uiteindelijk niet ten goede. Er gaat veel goed. We werken erkeihard aan om dat wat niet goed gaat, te verbeteren. Daar hebben we hetvolgens mij ook uitgebreid over gehad tijdens dit debat. Een stelselwij-ziging lost de bestaande uitdagingen niet op en helpt de leerlingen nu ookniet. Met het rugzakje gaan we óók terug naar medicalisering en eenopeneindefinanciering. We willen juist kijken naar wat een kind nodigheeft in plaats van naar wat een kind heeft. Dat is misschien niet hetantwoord dat de heer Van Houwelingen wil horen, maar dat is wel mijnantwoord.De heer Van Houwelingen (FVD):Dank voor de beantwoording. De Minister stelt dat zo’n rugzakje geen zinheeft, maar belangenorganisaties zeggen – ik heb het citaat gegeven – dathet heel fijn is en wel degelijk zin heeft, want daarmee worden bureau-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49859 cratie en het nutteloos besteden van geld vermeden. Het is dus toch fijnals de Staatssecretaris daarop ingaat, ook op mijn punt dat als ouders enleerlingen zelf kunnen bepalen waar het geld naartoe gaat, de leerlingenniet meer naar scholen gaan die het geld verkwisten. Dat is dus, zeg maar,een soort marktwerking. Een stelselwijziging kan niet, maar dit zou nogwél kunnen. De Minister stelt dat dit geen zin heeft, maar waarom danniet? Er worden immers toch argumenten ingebracht waarom dit wél zinzou kunnen hebben.Staatssecretaris Paul:Volgens mij krijg je dan een wirwar aan indicatiestellingen en weer andereuitwassen waar je niet op zit te wachten. Dit is in ieder geval de lijn zoalsik die in het debat heb toegelicht en die we verder brengen. We gaan dusniet terug naar de rugzakjes.Dan een vraag van de heer Oostenbrink om meer landelijke regie tenaanzien van het leerlingenvervoer. Ik gaf al aan dat ik conform de wensvan de Kamer in gesprek ga met de VNG. Een van de belangrijke dingen isom ook daar te kijken hoe we de goede voorbeelden die er zijn, brederkunnen uitrollen. Dat gesprek zal ook weer input zijn voor de Verbeter-agenda Doelgroepenvervoer, die VWS, IenW en OCW samen uitwerken.De voorzitter:U zou nog terugkomen op een vraag van mevrouw Rooderkerk over dedyslexieverklaring. In de eerste termijn had u beloofd om daar in detweede termijn op terug te komen. Misschien kan mevrouw Rooderkerkhaar vraag herhalen. De vraag ging over leeshulp bij de examens.Mevrouw Rooderkerk (D66):De vraag ging over de deskundigenverklaring bij dyslexie. De Staatssecre-taris had aangegeven dat zij bij het CvTE nagaat of het nodig is dat taaldaarbij wordt uitgezonderd.Staatssecretaris Paul:Ik heb hier een aantal details staan, maar die zijn niet compleet. Ik komdaar voor de zomer op terug in een verzamelbrief.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Westerveld heeft ook nog een vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Volgens mij zou de Minister ook nog terugkomen op mijn vraag over dethuiszitters: waarom worden de gegevens daarover niet meer aange-leverd? Op de website van de inspectie vind ik een formulier uit 2018 meteen thuiszittersregistratie die elk samenwerkingsverband elke driemaanden zou moeten aanleveren. Volgens mij gebeurt dat dus niet.Volgens mij zou de Staatssecretaris daar ook nog op terugkomen.Staatssecretaris Paul:Volgens mij heb ik die vraag wél beantwoord. Het ging er onder andereover dat informatie wordt aangeleverd, maar dat er verschillendedefinities worden gehanteerd. Met name het wetsvoorstel over hetterugdringen van verzuim is er onder andere op gericht – het bestaat uitheel veel onderdelen – om te komen tot scherpe definities. Zo zit er, als jede cijfers hebt, ook geen licht tussen. Dan is het gewoon eenduidig.De voorzitter:Goed. Dank u wel. De andere Staatssecretaris slaat even over. Dat brengtons bij het einde van het debat. Dank aan de bewindspersonen voor deadequate beantwoording. Daarvoor hebben de Kamerleden net in depauze mij bedankt, maar die complimenten horen u toe. Dank aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49860 ondersteuning van de Staatssecretaris. Dank aan het publiek. Dank aan deKamerleden voor het prettige debat. Ook dank aan de ondersteuning ende griffie. Tot de volgende keer. O nee! Soms ga ik te snel. Ik heb detoezeggingen nog.–Begin 2026 ontvangt de Kamer een brief over de uitvoering van demotie-Soepboer over de werking, positie en financiering van desamenwerkingsverbanden.–Eind 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over een concrete uitwerkingvan doorzettingsmacht en een aanscherping van de zorgplicht.–Eind 2025 ontvangt de Kamer de wet over ruimte voor maatwerk.Staatssecretaris Paul:Dan gaat hij in internetconsultatie.De voorzitter:Dat gaan we aanpassen.–Na de zomer van 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over deuitvoering van de motie-Westerveld c.s. over het stimuleren vanSamen naar School-klassen in het voortgezet onderwijs.–Voor de zomer van 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over deoverwegingen van de Staatssecretaris omtrent vrijstellingen vanwegegeloofsovertuigingen en de recente uitspraak van het OM hierover.–In de eerstvolgende voortgangsrapportage passend onderwijs wordtde Kamer geïnformeerd over de verkenning naar de rol en de takenvan de leerplichtambtenaar.–Voor het eind van 2025 wordt de Kamer geïnformeerd over decontouren van het wetsvoorstel over inclusief onderwijs.–In het najaar van 2025 ontvangt de Kamer de resultaten van eennulmeting naar de toegankelijkheid van leermiddelen.–Na de zomer van 2025 ontvangt de Kamer een terugkoppeling over degesprekken tussen de Staatssecretaris en de VNG, LBVSO, Ouders &Onderwijs en andere relevante organisaties over de problemen in hetleerlingenvervoer.–In de zomer van 2025 wordt de Kamer in een verzamelbrief geïnfor-meerd over de regels van het CvTE rondom de deskundigenverklaringdyslexie bij examens.Tot slot is er een tweeminutendebat aangevraagd door het lid Soepboer.Dat brengt ons echt bij het einde van de vergadering. Een goede reis naarhuis, allemaal. Tot de volgende keer.Sluiting 19.34 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 497, nr. 49861
Gerelateerde bronnen
- Passend onderwijs
Verslag van een commissiedebat, gehouden op 21 mei 2025, over Passend onderwijs
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.