Verslag van een schriftelijk overleg over reactie op verzoek commissie over een brief die naar het mensenrechtencomité van de Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) is gestuurd over de Backpay-regeling uit 2015 (Kamerstuk 20454-199)
Brontekst
Versie 9b57429cbda94bb1 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202420 454Voortgangsrapportage uitvoering wettenoorlogsgetroffenenNr. 202 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 31 mei 2024 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 14 februari 2024inzake de reactie op verzoek commissie over een brief die naar hetmensenrechtencomité van de Office of the High Commissioner for HumanRights (OHCHR) is gestuurd over de Backpay-regeling uit 2015 (Kamerstuk20 454, nr. 199).De vragen en opmerkingen zijn op 22 maart 2024 aan de Staatssecretarisvan Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 31 mei2024 zijn de vragen bentwoord.De fungerend-voorzitter van de commissie,AgemaAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-20454-202ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2021 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie5II.Reactie van de Staatssecretaris5 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractieDe leden van de fractie van GL-PvdA hebben kennisgenomen van dereactie van de Staatssecretaris op de uitspraak van het College voor deRechten van de Mens. Genoemde leden betreuren de opstelling van deNederlandse overheid ten opzichte van ambtenaren en militairen dieonder de Japanse bezetting in voormalig Nederland Indië. Dit geldtoverigens niet enkel voor ambtenaren en militairen, maar de geheleIndisch-Molukse gemeenschap is niet goed behandeld.Met betrekking tot het oordeel van het College voor de Rechten van deMens en de reactie van het kabinet begrijpen genoemde leden datkinderen en weduwen de regeling als onrechtvaardig ervaren. Er wordtimmers enkel geregeld dat de achterstallige betalingen alsnog wordengedaan als de militair of ambtenaar nog in leven is. De militairen enambtenaren hebben alleen recht op hun betaling als zij zeventig jaar nadatde betaling uitgekeerd had moeten worden nog in leven zijn. Het Collegevoor de Rechten van de Mens mag dan oordelen dat de regeling nietdiscriminatoir is, omdat het een buitenwettelijke regeling is, de leden vande GL-PvdA-fractie oordelen wel dat de regeling oneerlijk en onrecht-vaardig is. Als de Nederlandse overheid er wel voor zou kiezen het loonuit te betalen aan de kinderen en weduwen, wordt daarmee recht gedaanaan de overleden ambtenaar of militair. Het gaat daarbij niet om hetontvangen van het geld door de weduwen of kinderen, maar om hetinlossen van de schuld, wat de Nederlandse overheid ondertussen bijnatachtig jaar heeft nagelaten.De huidige demissionaire Staatssecretaris heeft ervoor gekozen om debackpay regeling voor weduwen noch kinderen open te stellen. In de ogenvan de leden van de GL-PvdA-fractie is dit een fout. Zij vragen hem ditbesluit te heroverwegen. De motie van de SP en PvdA (backpayweduwen) uit 2023 (Kamerstuk 20 454, nr. 188) was weliswaar verworpen,maar de partijen die het toen steunden, hebben nu een meerderheid in deTweede Kamer en in dat licht is er een nieuwe politieke situatie ontstaan.De leden van GL-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris hier een reflectieop te geven.Indien de Staatssecretaris daar niet toe is bereid, vragen zij of deStaatssecretaris wel bereid is om de regeling in concept uit te werken.Vanwege de hoge leeftijd van nabestaanden en weduwen is er haastgeboden bij een dergelijke regeling. Bij het uitwerken van de regelingzouden genoemde leden graag zien dat de regeling wordt opengesteldvoor weduwen en kinderen en dat de peildatum van augustus 2015 wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2022 losgelaten. Zij vragen de Staatssecretaris deze regeling aan de Kamervoor te leggen zodat de Kamer op korte termijn kan bepalen of deweduwen en kinderen, in beperkte mate, nog recht gedaan kan worden.Daarnaast vragen de leden van de GL-PvdA-fractie of de Staatssecretariseen beeld heeft van het aantal weduwen en nabestaanden dat aanspraakzou maken op de regeling indien deze voor deze groepen wordenopengesteld en de peildatum wordt losgelaten.De leden van de GL-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris ook of hijcijfers kan delen met betrekking tot de huidige regeling. Zij willen dangraag weten hoeveel aanvragen er zijn gedaan, hoeveel aanvragen er zijngoedgekeurd en met welke reden aanvragen zijn afgewezen? Tot slotvragen zij van hem een reflectie op de regeling. Was deze in de ogen vande Staatssecretaris succesvol?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van debrief «Reactie op verzoek commissie over een brief die naar het mensen-rechtencomité van de OHCHR is gestuurd over de Backpay-regeling uit2015». Deze leden vinden het belangrijk dat er contact is opgenomen metde briefschrijver om het standpunt van het Ministerie van VWS nader toete lichten en danken daarvoor de Staatssecretaris.De leden van de VVD-fractie vragen wat de voortgang is van het beleidvan collectieve erkenning van de gemeenschappen sinds de reactie op hetrapport «Deel en verbind».1 Hoe worden en blijven de gemeenschappenbetrokken bij inhoud en uitvoering van het beleid van collectieveerkenning, zodat er recht gedaan wordt aan de meerstemmigheid enverschillende perspectieven?Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de brief die naarhet mensenrechtencomité van de OHCHR is gestuurd. Deze leden kijkenmet een kritische blik naar de inhoud van de brief en de reactie van deStaatssecretaris. De kern van dit verhaal draait volgens deze leden niet omgeld, maar om het eerherstel. Het gaat om een groep mensen die namensen in dienst van ons land in de Tweede Wereldoorlog hebben gediend endaar veel leed hebben ervaren. Deze leden zijn van mening dat veteranenvan KNIL, en de nabestaanden van deze veteranen, een betere omgangverdienen. De huidige wijze past niet binnen de kernwaarden van goedbestuur. Zij hebben een aantal vragen aan de Staatssecretaris.De leden van de NSC-fractie constateren dat de huidige backpay-regelingwerd ingesteld met de peildatum 15 augustus 2015, voor personen dietussen 1942 en 1945 in dienst waren van het Nederlands-Indisch Gouver-nement en geïnterneerd waren in Japanse kampen. Alleen de nog levendeveteranen hebben deze regeling van € 25.000 ontvangen. Denabestaanden van 39.400 personen mochten geen aanspraak maken. Kande Staatssecretaris aangeven of hij bij het kiezen van deze peildatum opde hoogte was van het aantal personen dat nog in leven was en dusaanspraak mocht maken op de backpay-regeling? Wist de Staatssecretarisdaarmee ook hoe groot de groep was die geen recht had op dezeregeling? Als dit bekend was, kan de Staatssecretaris dan aangevenwaarom deze peildatum is gekozen, in de wetenschap dat tienduizendenmensen een dergelijke regeling zouden mislopen? Als deze gegevens niet1Kamerstuk 26 049, nr. 119Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2023 bekend waren, kan de Staatssecretaris dan aangeven waarom eendergelijk onderzoek naar deze populatie nooit is uitgevoerd?De leden van de NSC-fractie lezen in de brief aan de OHCR dat de CentraleRaad van Beroep heeft geoordeeld dat de backpay-regeling een buiten-wettelijk en begunstigend karakter heeft. Dit betekent dat de toetsing vaneen dergelijke regeling alleen uitgevoerd kan worden op de consistentievan de uitvoering door het verantwoordelijke bestuursorgaan. Toetsing opbasis van discriminatie (waar de ingezonden brief de overheid vanbeschuldigd) is niet op wettelijke grondslag mogelijk. Deze leden vragende Staatssecretaris waarom is gekozen voor een regeling waar eendergelijke wettelijke grondslag aan ontbreekt. Waarom heeft hij gekozenvoor een regeling die in zijn totaliteit valt buiten de kaders van deAlgemene Nabestaanden Wet? Kan de Staatssecretaris uitleggen waaromhij de nabestaanden niet behandelt volgens de wet die juist geschikt is omte gebruiken in dit soort omstandigheden?Op dit moment hebben zeshonderd KNIL-veteranen de backpay-regelingvan € 25.000 ontvangen. Dit komt op neer een totaalbedrag van € 15miljoen. Als de groep nabestaanden van de 39.400 KNIL-veteranen, diewaren overleden voor de peildatum, ook deze vergoeding ontvangt, loopthet totaalbedrag op naar € 1 miljard. De leden van de NSC-fractie vragende Staatssecretaris in hoeverre deze bedragen hebben meegespeeld in dekeuze voor de bewuste peildatum en daarmee de groep rechthebbendeveteranen te beperken tot slechts zeshonderd personen.De backpay-regeling is al decennialang een gevoelig onderwerp in hetparlement en in de samenleving. Graag willen genoemde leden deStaatssecretaris het volgende citaat voorleggen: «De regering steltnogmaals voorop dat het voor de rechthebbenden mogelijk blijft omindividuele claims van (nabestaanden van) rechthebbenden, die voort-vloeien uit het rechtsherstel, onder bepaalde voorwaarden alsnog inbehandeling genomen worden. Uit overweging de coulance zal in diegevallen worden afgezien van een beroep op louter verjaring».2 Dit is eenschriftelijke opmerking van voormalig Minister van VWS, Els Borst,geschreven in het jaar 2000. Deze leden merken op dat Minister Borsthiermee aangaf dat nabestaanden van KNIL-militairen individueel kondenaankloppen voor een vergoeding. Deze leden vragen de Staatssecretarisof nabestaanden op persoonlijke basis een claim kunnen indienen? Kande Staatssecretaris uitleggen wat de «bepaalde voorwaarden» zijn voorhet in behandeling nemen van een claim, zoals vermeld door voormaligMinister Borst in het bovenstaande citaat? Als dit niet het geval is, kan deStaatssecretaris aangeven wanneer hij van deze opvatting is afgestapt?Kan de Staatssecretaris erkennen dat het bovenstaande wijst op eenomslachtige manier van het verkrijgen van een vergoeding? Kan deStaatssecretaris tevens erkennen dat KNIL-veteranen en nabestaanden opeen betere manier moeten worden behandeld, zoals past binnen dekernwaarden van goed bestuur?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van deStaatssecretaris op de brief die naar het mensenrechtencomité van deOHCHR is gestuurd over de Backpay-regeling uit 2015. Deze leden hebbendaarbij geen verdere vragen.2Kamerstuk 25 939, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2024 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het Reactie opverzoek commissie over een brief die naar het mensenrechtencomité vande Office of the High Commissioner for Human Rights (OHCHR) isgestuurd over de backpay-regeling uit 2015. Zij hebben nog enkele vragenaan de Staatssecretaris.De leden van de BBB-fractie hebben voorstellen gedaan om deze backpayregeling uit te keren voor weduwen van militairen en ambtenaren dietussen maart 1942 en augustus 1945 geen salaris hebben ontvangen.Echter zijn deze voorstellen destijds door de coalitie verworpen, verderwas de gehele Kamer voor.De leden van de BBB-fractie denken nog steeds hetzelfde en wil excusesaan Nederlandse ambtenaren en militairen die in de Tweede Wereld-oorlog in toenmalig Nederlands-Indië werkten én een individuelefinanciële tegemoetkoming voor KNIL-weduwen (de zogenaamdebackpay-regeling). Hoe kijkt de Staatssecretaris hier nu tegenaan met dezaak waar deze inbreng over gaat in het achterhoofd?Daarnaast vragen deze leden hoe de Staatssecretaris aankijkt tegen hetfeit dat de Indisch-Nederlandse gemeenschap, de Molukkers en allebetrokkenen het zat zijn dat de KNIL-veteranen, -weduwen en-nabestaanden geen salaris en pensioen krijgen, terwijl ze daar wel rechtop hebben?Tot slot, rekening houdend met de kosten van alle juridische proceduresdie voortvloeien uit deze aanpak, is de Staatssecretaris het met genoemdeleden eens dat het gemakkelijker zou zijn geweest om excuses aan tebieden aan Nederlandse ambtenaren en militairen die tijdens de TweedeWereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië werkten, evenals eenindividuele financiële compensatie voor KNIL-weduwen, in plaats van hethuidige proces met verschillende juridische procedures?II. Reactie van de Staatssecretaris Vragen en opmerkingen van de leden van de GL-PvdA-fractieDe leden van de GL-PvdA-fractie merken op dat de huidige demissionaireStaatssecretaris van VWS heeft gekozen om de Backpay-regeling uit 2015niet open te stellen voor weduwen of kinderen van ambtenaren enmilitairen die tijdens de Tweede Wereldoorlog is dienst waren van hetNederlands-Indisch gouvernement. Zij vragen hem dit besluit te herover-wegen.De Backpay-regeling is in 2015 tot stand gekomen onder verantwoorde-lijkheid van toenmalig Staatssecretaris Van Rijn van VWS. De regeling isop zorgvuldige wijze tot stand gekomen in afstemming met organisatiesen vertegenwoordigers uit de Indische en Molukse gemeenschappen.Staatssecretaris Van Rijn constateerde destijds dat een regeling dievolledig rechtsherstel zou bieden ten aanzien van de Indische-kwestie niethaalbaar was.3 De Backpay-regeling was een eenmalige, finale, morelegenoegdoening voor achterstallige salarissen van militairen en ambte-naren in Nederlands-Indië/Indonesië, vanuit het besef dat de zeer hogeleeftijd van de doelgroep een snelle en passende afronding vereiste. Er isin 2015 daarom bewust gekozen de regeling alleen toegankelijk te makenvoor ambtenaren en militairen die op 15 augustus 2015 nog in leven3Kamerstuk 20 454, nr. 113Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2025 waren. Zij waren immers direct getroffen door de omstandigheid dat hunloon na de Tweede Wereldoorlog niet alsnog (gedeeltelijk) werd uitbe-taald. Daarnaast was een regeling die gericht was op alle nabestaandenfinancieel niet haalbaar, extreem lastig uitvoerbaar en wellicht in hetgeheel niet uitvoerbaar.Over de totstandkoming en inhoud van deregeling is de Tweede Kamer toentertijd uitgebreid geïnformeerd.4In mijn brief van 31 januari 2023 heb ik uw Kamer reeds geïnformeerdover het besluit geen Backpay-regeling voor weduwen in het leven teroepen of andere regelingen die gericht zijn op individueel rechtsherstel.5Alle moties die opriepen alsnog een financiële regeling in het leven teroepen met betrekking tot het Indische rechtsherstel zijn door uw Kamerverworpen. Aangezien er sindsdien geen nieuwe feiten of gezichtspuntenmet betrekking tot de Backpay-kwestie naar voren zijn gekomen, zie ikgeen aanleiding het besluit te heroverwegen.De leden van de GL-PvdA-fractie stellen dat er na de verkiezingen vannovember 2023 een nieuwe politieke situatie is ontstaan en vragen deStaatssecretaris of hij kan reflecteren op de omstandigheid dat de motiesvan de SP en PvdA (backpay weduwen) uit 2023 die zijn verworpen,werden gesteund door partijen die nu een meerderheid van het parlementuitmaken.Als de huidige Tweede Kamer van mening is dat er een Backpay-regelingmoet komen voor de weduwen of alle nabestaanden, dan dient zij datvoor te leggen aan het nieuwe kabinet. Het huidige demissionaire kabinetstaat inhoudelijk nog steeds achter het besluit van 31 januari 2023.De leden van de GL-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris bereid isom een Backpay-regeling in concept uit te werken. Bij het uitwerken vande regeling zouden genoemde leden graag zien dat de regeling wordtopengesteld voor weduwen en kinderen en dat de peildatum vanaugustus 2015 wordt losgelaten. Zij vragen de Staatssecretaris dezeregeling aan de Kamer voor te leggen zodat de Kamer op korte termijnkan bepalen of de weduwen en kinderen, in beperkte mate, nog rechtgedaan kan worden.In het onderzoek naar de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van eenBackpay-regeling voor weduwen, dat op 1 oktober 2021 naar uw Kamer isgestuurd, zijn verschillende opties geschetst om een Backpay-regelingvoor weduwen vorm te geven.6 De conclusie van dit onderzoek is dat,ongeacht de gemaakte ontwerpkeuzes, een Backpay-regeling voorweduwen zeer complex uitvoerbaar is.De leden van de GL-PvdA-fractie stellen voor om bij een nieuwe regelingde peildatum van 15 augustus 2015 los te laten. Het betreft dan eenregeling voor alle (directe) erfgenamen van ambtenaren en militairen. Uitde quickscan die de Sociale Verzekeringsbank (SVB) in 2022 heeftuitgevoerd naar een Backpay-regeling voor weduwen blijkt dat hetbepalen van de peildatum de meest fundamentele ontwerpkeuze is voorde inrichting van een nieuwe regeling voor weduwen.7 Dit komt onderandere omdat de peildatum mede bepaald in hoeverre een regeling isbestemd voor erfgenamen. Een regeling voor (met name) erfgenamen isextra complex vanwege de doorwerking van het erfrecht, de verdeel-4Kamerstukken 20 454, nr. 112, 113, 114, 115, 116 en 1175Kamerstuk 20 454, nr. 1816Kamerstuk 20 454, nr. 1727Zie de bijlage bij Kamerstuk 20 454, nr. 182Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2026 sleutel tussen verschillende erfgenamen en de bewijslast.8 Het loslatenvan de peildatum van 15 augustus 2015 maakt de uitvoering van eenBackpay-regeling extra complex en wellicht zelfs onuitvoerbaar. Daarnaastis het de vraag of een dergelijke regeling budgettair haalbaar is.Het is aan een nieuw kabinet om te bepalen of er een nieuwe Backpay-regeling wordt ingevoerd, hoe een eventuele Backpay-regeling wordtvormgegeven, welk budget beschikbaar wordt gesteld en om vervolgenseen uitvoeringstoets te laten uitvoeren. De daadwerkelijke uitvoerbaarheidvan een regeling kan pas worden vastgesteld nadat een uitvoeringstoetsis uitgevoerd.De leden van de GL-PvdA-fractie vragen of de Staatssecretaris een beeldheeft van het aantal weduwen en nabestaanden dat aanspraak zou makenop de regeling indien deze voor deze groepen worden opengesteld en depeildatum wordt losgelaten.Over het aantal ambtenaren en militairen met een dienstverband bij hetNederlands-Indisch gouvernement voorafgaand aan de Japansebezetting, zijn geen precieze en betrouwbare gegevens beschikbaar. Viahet onderzoeksprogramma «Van Indië tot Indonesië» is onderzoek gedaannaar verschillende aspecten van het Indische rechtsherstel na afloop vande Tweede Wereldoorlog. Een van de publicaties van dit onderzoekspro-gramma is het deelonderzoek: «Indische rekening – Indië, Nederland ende backpay kwestie 1945–2005».9 Hierin staat dat: «Deze zorgplichtimpliceerde dat elk van de circa 175.000 koloniale ambtenaren, ongeachthun landsaard ... recht had op een volledige uitbetaling van het tijdens deJapanse bezetting gederfde salaris: backpay.»10 Met de zorgplicht wordtde zorgplicht van de werkgever bedoeld. Omdat ambtenaren en militairendie geen Nederlander waren wellicht tijdens de oorlog (gedeeltelijk) indienst zijn gebleven en (gedeeltelijk) salaris hebben ontvangen ensommige ambtenaren en militairen tijdens de oorlog zijn overleden, isniet vast te stellen hoeveel personen na afloop van de oorlog aanspraakzouden kunnen maken op uitbetaling van achterstallig salaris. In hetzelfdeonderzoek staan ook andere cijfers die betrekking hebben op het aantalambtenaren en militairen die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog indienst waren van het Nederlands-Indisch gouvernement: «Naar schattingwaren meer dan 42.000 (voor het overgrote deel Nederlandse, maar ooktalrijke Molukse en Mendonese) KNIL-soldaten krijgsgevangengeweest.»11 Over het aantal ambtenaren staat het volgende vermeld: «...de bijna 33.000 Nederlandse (semi)ambtenaren – van wie 15 tot 20procent de bezetting niet had overleefd ...».12Als de peildatum van 15 augustus 2015 wordt losgelaten, komen ook alle(directe) erfgenamen van de ambtenaren en militairen die ten tijde van deJapanse bezetting van Nederlands-Indië/Indonesië in dienst waren van hetNederlands-Indisch gouvernement in aanmerking voor een uitkering.Naast dat het niet bekend is om hoeveel ambtenaren en militairen hetgaat, is ook niet bekend hoeveel erfgenamen zij hebben. Als uitgegaanwordt van de omstandigheid dat de rechthebbende ambtenaren en8Zie pagina 4 en 5 van de quickscan die als bijlage is toegevoegd bij Kamerstuk 20 454, nr. 1829Hans Meijer: «Indische rekening: Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945–1950», NIODAmsterdam 200510Hans Meijer: «Indische rekening: Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945–1950», NIODAmsterdam 2005, p. 326.11Hans Meijer: «Indische rekening: Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945–1950», NIODAmsterdam 2005, p. 26.12Hans Meijer: «Indische rekening: Indië, Nederland en de backpay-kwestie 1945–1950», NIODAmsterdam 2005, p. 27.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2027 militairen meerdere erfgenamen hebben, dan zou de groep erfgenamenbestaan uit enkele of wellicht vele honderdduizenden personen.De leden van de GL-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris ook of hijcijfers kan delen met betrekking tot de huidige regeling. Zij willen dangraag weten hoeveel aanvragen er zijn gedaan, hoeveel aanvragen er zijngoedgekeurd en met welke reden aanvragen zijn afgewezen?Over de uitvoering van de Backpay-regeling uit 2015 is de Tweede Kamergeïnformeerd per brief van 29 juni 2018.13 Bij deze Kamerbrief is ook deevaluatie meegestuurd waar alle gevraagde cijfers en informatie in staanvermeld. In totaal zijn er 593 Backpay-uitkeringen toegekend. De meesteuitkeringen, 470 in totaal, zijn ambtshalve toegekend op basis vanonderzoek door de SVB. Daarnaast zijn er 66 uitkeringen toegekend opbasis van een ingediend bevestigingsformulier14 en zijn er 57 uitkeringentoegekend op basis van een aanvraagformulier.Van de 1.207 aanvragen zijn er 1.150 afgewezen. De voornaamste redenenhiervoor waren de omstandigheid dat de aanvraag was ingediend doorerfgenamen van ambtenaren en militairen die al voor 15 augustus 2015waren overleden en het gegeven dat het dienstverband als ambtenaar ofmilitair niet aannemelijk gemaakt kon worden.Tot slot vragen de leden van de GL-PvdA-fractie om een reflectie op deregeling uit 2015 en of deze in de ogen van de Staatssecretaris succesvolwas.Het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog is (deels) gebrekkigverlopen. Dit geldt niet alleen voor het Indische rechtsherstel maar ookvoor het rechtsherstel van andere oorlogsslachtoffers zoals de Joodse,Sinti en Roma gemeenschappen. Hiervoor hebben verschillendekabinetten hun excuses aangeboden en wetten en regelingen in het levengeroepen om tot gedeeltelijk rechtsherstel te komen. Volledig rechts-herstel is niet mogelijk omdat alle schade en al het leed dat is veroorzaaktdoor de Tweede Wereldoorlog niet kan worden weggenomen door eenwet of financiële regeling. Een reflectie op de Backpay-regeling dient danook in het licht van het volledige rechtsherstel bezien te worden.Het Indische rechtsherstel bestaat naast de Backpay-kwestie uit verschil-lende andere vraagstukken. Zo pleit de Stichting Japanse Ereschuldenvoor een financiële regeling voor de gebrekkige afhandeling van demateriële oorlogsschade en zijn sommigen van mening dat er eenregeling moet komen ten aanzien van de waardedaling van bank- enverzekeringstegoeden.Uit de evaluatie van de Backpay-regeling uit 2015 is gebleken dat dezezorgvuldig is uitgevoerd.15 Uit deze evaluatie blijkt echter ook dat hetongenoegen over het deels gebrekkige Indische rechtsherstel met deBackpay-regeling niet is weggenomen. Voorts werd geconstateerd dat deIndische organisaties niet weten hoe deze onvrede, die bij een deel van deIndische en Molukse gemeenschappen leeft, kan worden weggenomen,als dit überhaupt al mogelijk is.13Kamerstuk 20 454, nr. 13014Het bevestigingsformulier is in de praktijk voornamelijk gestuurd aan nabestaanden vanbelanghebbenden die op of na 15 augustus 2015 waren overleden, maar waarbij relevantegegevens om tot uitkering aan de nabestaanden over te gaan (bijvoorbeeld verklaringen vanerfrecht of bankgegevens) ontbraken.15Kamerstuk 20 454, nr. 130Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2028 Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie vragen wat de voortgang is van het beleidvan de collectieve erkenning van de Indische, Molukse, Papoea enChinees-Indonesische gemeenschappen sinds de reactie op het rapport«Deel en verbind». De VVD-fractie wil onder andere weten hoe degemeenschappen betrokken blijven bij de inhoud en uitvoering van hetbeleid van de collectieve erkenning.In de voortgangsrapportage «Oorlogsgetroffenen en Herinnering WOII»die op 12 april 2024 naar uw Kamer is gestuurd, wordt ingegaan op destand van zaken met betrekking tot de implementatie van het rapport«Deel en Verbind».16 Ik licht er enkele activiteiten uit.Zo wordt het vanuit het beleid van de collectieve erkenning ontwikkeldeplatform «Ons Land» dat beoogt de kennis over Nederlands-Indië/Indonesië te vergroten door archieven en collecties te digitaliseren enonline vindbaar te maken, uitgebreid tot een dynamisch digitaal platformvoor leraren en makers van educatief materiaal. Het platform komt eind2024 online. De educatieve component binnen het platform wordt in deperiode 2024–2026 doorontwikkeld.Voorts zal naar verwachting de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoedbinnenkort een rapport opleveren over erfgoed in de publieke ruimte.Samen met relevante stakeholders zal ik hierover een conferentieorganiseren. En de laatste activiteit waar ik de aandacht op wil vestigen isde kwartiermaker «Versterking Kennis Geschiedenis Nederlands-Indië/Indonesië» die naar verwachting dit jaar zal worden aangesteld door hetWereldmuseum en Museum Sophiahof. Met het instellen van eenkwartiermaker wordt een netwerk opgebouwd van betrokkenen uit degemeenschappen, experts en instellingen die gezamenlijk een kennis- enonderzoekagenda opstellen voor de Nederlandse museumsector, zodathet kennisniveau over het verleden van Nederlands-Indië/Indonesië stijgten de aandacht hiervoor beter gewaarborgd wordt.Momenteel wordt het beleid van de collectieve erkenning geëvalueerd. Bijdeze evaluatie worden uitvoerders, gebruikers en gemeenschappengeraadpleegd. Op deze manier horen we wat er leeft en speelt binnen degemeenschappen. Op basis van de evaluatie wordt het beleid voor dekomende jaren vormgegeven. Daarnaast adviseert de Ronde Tafel, diebestaat uit verschillende organisaties die betrokken zijn bij de uitvoeringvan het beleid van de collectieve erkenning, over de uitvoering van hetbeleid van de collectieve erkenning. Uiteraard zal uw Kamer geïnformeerdworden over de voortgang van het beleid van de collectieve erkenning enuitkomsten van de evaluatie.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie vragen of de Staatssecretaris bij het opstellenvan de Backpay-regeling en de keuze voor de peildatum van 15 augustus2015 wist hoeveel personen nog in leven waren en dus aanspraak kondenmaken op de Backpay-regeling?Op basis van de uitvoeringstoets die in 2015 is uitgevoerd door de SocialeVerzekeringsbank (SVB) was de prognose dat er tussen de 600 en 1.020personen in aanmerking zouden komen voor de Backpay-regeling.16Kamerstuk 20 454, nr. 201Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 2029 De NSC-fractie wil weten of de Staatssecretaris wist hoe groot de groepwas die geen recht had op de Backpay-regeling en of de Staatssecretariskan aangeven waarom voor de peildatum van 15 augustus 2015 isgekozen?Over het aantal ambtenaren en militairen met een dienstverband bij hetNederlands-Indisch gouvernement voorafgaand aan de Japansebezetting, zijn geen precieze en betrouwbare gegevens beschikbaar. Bijhet ontwerp van de regeling in 2015 wist de toenmalig Staatssecretarisderhalve niet exact hoeveel militairen en ambtenaren ten tijde van deJapanse bezetting van Nederlands-Indië/Indonesië in dienst waren van hetNederlands-Indisch gouvernement. Er was niet één allesomvattendbestand of archief beschikbaar waaruit het exacte aantal kon wordenvastgesteld.De prognose op basis van de uitvoeringstoets van de SVB uit 2015 wasdat 600 tot 1.020 personen in aanmerking zouden komen voor deBackpay-regeling. Bij de totstandkoming van de Backpay-regeling wasderhalve bekend dat de Backpay-regeling slechts ten goede kwam aan eenbeperkt aantal gepensioneerde ambtenaren en militairen.De keuze voor de peildatum van 15 augustus 2015 was een symbolischekeuze, het was toen exact 70 jaar na het einde van de Tweede Wereld-oorlog in Azië.17 Er is bewust gekozen om alleen de toen nog levendeambtenaren en militairen in aanmerking te laten komen voor de regeling.Zij waren direct gedupeerd door het uitblijven van de (gedeeltelijke)betaling van hun achterstallige loon. Bij de inrichting van de regelingspeelde ook het besef dat de doelgroep op zeer hoge leeftijd was en eensnelle en passende afronding vereiste, een rol. Een regeling voor alleerfgenamen was financieel niet haalbaar en extreem lastig uitvoerbaar, alseen dergelijke regeling überhaupt uitvoerbaar was.De leden van de NSC-fractie lezen in de brief aan de OHCR dat de CentraleRaad van Beroep heeft geoordeeld dat de Backpay-regeling een buiten-wettelijk en begunstigend karakter heeft. Dit betekent dat de toetsing vaneen dergelijke regeling alleen uitgevoerd kan worden op de consistentievan de uitvoering door het verantwoordelijke bestuursorgaan. Toetsing opbasis van discriminatie (waar de ingezonden brief de overheid vanbeschuldigt) is niet op wettelijke grondslag mogelijk. Deze leden vragende Staatssecretaris waarom is gekozen voor een regeling waar eendergelijke wettelijke grondslag aan ontbreekt. Waarom heeft hij gekozenvoor een regeling die in zijn totaliteit valt buiten de kaders van deAlgemene Nabestaanden Wet? Kan de Staatssecretaris uitleggen waaromhij de nabestaanden niet behandelt volgens de wet die juist geschikt is omte gebruiken in dit soort omstandigheden?De Backpay-regeling was een juridisch onverplichte regeling op morelegronden die was bedoeld als genoegdoening voor de niet uitbetaaldesalarissen aan ambtenaren en militairen die ten tijde van de Japansebezetting van Nederlands-Indië/Indonesië in dienst waren van hetNederlands-Indisch gouvernement.18Vanuit juridisch oogpunt bestond er geen verplichting een Backpay-regeling in te stellen, eventuele aanspraken waren reeds verjaard. Omdeze reden is gekozen voor een buitenwettelijke regeling. Het betrof eenministeriële regeling.17Kamerstuk 20 454, nr. 11518Zie de toelichting op de Backpay-regeling, Tweede Kamer, vergaderjaar 2015–2016, 20 454, nr.117Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20210 De relatie tussen de Backpay-regeling en de Algemene Nabestaanden Wet(Anw) is mij niet duidelijk. De Anw is bedoeld om de financiële gevolgenvan het overlijden van iemand voor de partner en kinderen te verzachten.De overheid wil dat nabestaanden zeker zijn van een basisinkomen. DeBackpay-regeling betrof een tegemoetkoming op morele gronden voor(deels) niet uitbetaalde salarissen tijdens de Tweede Wereldoorlog.De Anw is bedoeld als inkomensondersteuning. De inkomensonder-steuning voor oorlogsgetroffenen en verzetsdeelnemers wordt geregeldvia de wetten en regelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetrof-fenen. Hieronder vallen de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers1940–1945 (Wuv), Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR), Wetuitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) en de verschil-lende wetten buitengewoon pensioen (Wbp, Wbpzo en Wiv).De leden van de NSC-fractie geven aan dat op dit moment zeshonderdKNIL-veteranen de Backpay-regeling van € 25.000 hebben ontvangen. Ditkomt op neer een totaalbedrag van € 15 miljoen. Als de groepnabestaanden van de 39.400 KNIL-veteranen, die waren overleden voor depeildatum, ook deze vergoeding ontvangt, loopt het totaalbedrag op naar€ 1 miljard. De leden van de NSC-fractie vragen de Staatssecretaris inhoeverre deze bedragen hebben meegespeeld in de keuze voor debewuste peildatum en daarmee de groep rechthebbende veteranen tebeperken tot slechts zeshonderd personen.De Backpay-kwestie heeft niet alleen betrekking op KNIL-veteranen maarook op de ambtenaren die ten tijde van de Japanse bezetting vanNederlands-Indië/Indonesië in dienst waren van het Nederlands-Indischgouvernement. Het gaat om ambtenaren en KNIL-militairen die in dezeperiode geen of geen volledig salaris hebben ontvangen.Toenmalig Staatssecretaris van Rijn heeft bij de totstandkoming van deBackpay-regeling veelvuldig overleg gevoerd met vertegenwoordigersvan het Indisch platform. De uitkomst van deze gesprekken was, dat hetbij de honorering van de wensen van het Indisch Platform zou gaan omeen buitengewoon complexe en kostbare operatie, zowel in termen vanprogrammageld als in termen van uitvoeringslasten. Het ging om eenregeling van cumulatief honderden miljoenen euro’s.19 Bij de inrichtingvan de Backpay-regeling in 2015 speelden derhalve verschillende factoreneen rol. De keuze voor de peildatum van 15 augustus 2015 was symbo-lisch van aard, het was toen 70 jaar na afloop van de Tweede Wereld-oorlog in Azië. Daarnaast is bij de afbakening van rechthebbendengekozen de regeling voornamelijk ten goede te laten komen aan deambtenaren en militairen zelf en niet aan hun erfgenamen. Een regelingdie gericht was op alle erfgenamen was financieel niet haalbaar enbuitengewoon complex uitvoerbaar.20De leden van de NSC-fractie willen een citaat voorleggen van MinisterBorst: «De regering stelt nogmaals voorop dat het voor de rechtheb-benden mogelijk blijft om individuele claims van (nabestaanden van)rechthebbenden, die voortvloeien uit het rechtsherstel, onder bepaaldevoorwaarden alsnog in behandeling genomen worden. Uit overweging decoulance zal in die gevallen worden afgezien van een beroep op louterverjaring». De leden merken op dat Minister Borst hiermee aangaf datnabestaanden van KNIL-militairen individueel konden aankloppen vooreen vergoeding. Deze leden vragen de Staatssecretaris of nabestaandenop persoonlijke basis een claim kunnen indienen? Kan de Staatssecretaris19Kamerstuk 20 454, nr. 11320Kamerstuk 20 454, nr. 113Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20211 uitleggen wat de «bepaalde voorwaarden» zijn voor het in behandelingnemen van een claim, zoals vermeld door voormalig Minister Borst in hetbovenstaande citaat?De opmerking waar de NSC-fractie naar verwijst, staat in de Kamerbriefvan 12 december 2000.21 De opmerking heeft betrekking op de rapportenvan de Commissie Van Galen en de Technische Commissie Haalbaarheids-onderzoek Indische Tegoeden. De commissie Van Galen heeft onderzoekverricht naar door de Japanse bezetter in beslag genomen particuliereNederlandse bank- en verzekeringstegoeden. Uit haar onderzoek bleek datde Japanse bezetter geen particuliere bank- en verzekeringstegoeden inbeslag had genomen. De Technische Commissie HaalbaarheidsonderzoekIndische Tegoeden kreeg tot taak een inventariserend onderzoek te latenverrichten naar de mogelijkheid tot verder onderzoek naar de gang vanzaken rond het naoorlogs rechtsherstel inzake de claims met betrekkingtot goederen, die hun oorsprong vonden in de periode van de oorlog metJapan (8 december 1941 – 15 augustus 1945). De opmerking in deKamerbrief van 12 december 2000 had derhalve betrekking op deafhandeling van materiële oorlogsschade en niet op de Backpay-kwestie.De laatste vraag van de NSC-fractie is of de Staatssecretaris kan erkennendat KNIL-veteranen en nabestaanden op een betere manier moetenworden behandeld, zoals past binnen de kernwaarden van goed bestuur?De wijze waarop het rechtsherstel na de Tweede Wereldoorlog heeftplaatsgevonden is deels gebrekkig verlopen. Dit is door verschillendekabinetten erkend en hiervoor zijn op verschillende momenten excusesaangeboden. Dit geldt voor het rechtsherstel ten aanzien van de Indischeen Molukse, Joodse, Sinti en Roma gemeenschappen. De constateringvan de NSC-fractie dat KNIL-veteranen niet correct zijn behandeld, wordtderhalve gedeeld door het kabinet. Dit geldt ook voor de veteranen die tentijde van de onafhankelijkheidsoorlog in Indonesië naar Nederlands-Indië/Indonesië zijn gestuurd. Inmiddels is er wat betreft de zorg voor veteranenen hun familieleden veel verbeterd. De zorgplicht voor hen voorafgaand,tijdens en na afloop van militaire missies is vastgelegd in de Vetera-nenwet. Ook KNIL-veteranen en hun familieleden vallen onder deze wet.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris aankijkt tegende wens van de BBB-fractie om excuses aan te bieden aan Nederlandseambtenaren en militairen die in de Tweede Wereldoorlog in toenmaligNederlands-Indië werkten en een Backpay-regeling voor KNIL-weduwen inte voeren?Omdat het naoorlogs Indisch rechtsherstel, terugkijkend met de ogen vannu, kil en bureaucratisch is verlopen en tekortkomingen heeft gekend,besloot het kabinet in 2000 om excuses en een financieel gebaar temaken. Via «Het Gebaar» hebben 97.000 personen een eenmaligeuitkering ontvangen. Ook op latere momenten zijn er excuses gemaaktvoor het deels gebrekkige rechtsherstel. Zo heeft Minister-President Ruttetijdens de Nationale Indië-Herdenking op 15 augustus 2015 excusesgemaakt.Wat betreft het instellen van een Backpay-regeling voor weduwen – ikneem aan dat de BBB-fractie doelt op de weduwen van ambtenaren enKNIL-militairen – verwijs ik naar mijn brief van 31 januari 2023.22 In deze21Kamerstuk 25 839, nr. 2122Kamerstuk 20 454, nr. 181Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20212 brief heb ik uw Kamer geïnformeerd dat dit kabinet met betrekking tot hetrechtsherstel naar aanleiding van de verschrikkingen van de TweedeWereldoorlog geen nieuwe regelingen in het leven zal roepen die gerichtzijn op individueel rechtsherstel. Net als mijn voorgangers heb ik deconclusie getrokken dat de onvrede die leeft binnen een deel van deIndische en Molukse gemeenschap over de afhandeling van de Backpay-kwestie, niet kan worden weggenomen door het instellen van een nieuweregeling. Ten aanzien van het rechtsherstel, zowel het materiële rechts-herstel als het immateriële rechtsherstel, zijn na de Tweede Wereldoorlogverschillende wetten en regelingen in het leven geroepen. Desondanksblijft bij sommigen de pijn en verdriet over het deels gebrekkige rechts-herstel overheersen. Dit is zeer begrijpelijk omdat de pijn en het leed dievoortvloeien uit de Tweede Wereldoorlog nooit volledig kunnen wordenweggenomen.De leden van de BBB-fractie vragen aan de Staatssecretaris hoe hijaankijkt tegen het feit dat de Indisch-Nederlandse gemeenschap, deMolukkers en alle betrokkenen het zat zijn dat de KNIL-veteranen,-weduwen en -nabestaanden geen salaris en pensioen krijgen, terwijl zedaar wel recht op hebben?De constatering van de BBB-fractie dat KNIL-veteranen geen pensioenzouden krijgen of ontvangen is feitelijk onjuist. De Stichting AdministratieIndonesische Pensioenen (SAIP) voert sinds 1956 de IndonesischePensioenen van oud-ambtenaren en militairen van het KoninklijkNederlandsch-Indisch Leger (KNIL) uit. Daarnaast kwamen sommigeKNIL-militairen via de «Uitkeringswet KNIL-beroepsmilitairen» inaanmerking voor een eenmalige compensatie. Als KNIL-militairen tevensoorlogsgetroffenen zijn, bijvoorbeeld omdat zij in een Japans kamphebben gezeten, dan komen zij in aanmerking voor de wetten enregelingen voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen. Deze wettenen regelingen bestaan uit aanvullend pensioen en financiering van extrazorg en ondersteuning. Dit geschiedt via de Wet uitkeringen vervolgings-slachtoffers 1940–1945 (Wuv), Algemene Oorlogsongevallenregeling(AOR), Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 (Wubo) ende verschillende wetten buitengewoon pensioen (Wbp, Wbpzo en Wiv).Wat betreft de niet betaalde salarissen van ambtenaren en militairen tentijde van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië/Indonesië, betreurthet kabinet dat dit in het verleden niet goed is afgehandeld. Tegelijkertijdmerk ik op dat de geschiedenis niet kan worden teruggedraaid. Hethuidige (demissionaire) kabinet en de voorgaande kabinetten zijn zichbewust dat het rechtsherstel na afloop van de Tweede Wereldoorlog deelsgebrekkig is verlopen. Dit geldt niet alleen voor de Indische en Molukseoorlogsgetroffenen, maar ook voor de Joodse en Sinti en Roma gemeen-schappen. Hiervoor zijn door verschillende kabinetten excuses aange-boden en regelingen in het leven geroepen.Tot slot willen de leden van de BBB-fractie weten of de Staatssecretarishet met genoemde leden eens is dat het gemakkelijker zou zijn geweestom excuses aan te bieden aan Nederlandse ambtenaren en militairen dietijdens de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië werkten,evenals een individuele financiële compensatie voor KNIL-weduwen, inplaats van het huidige proces met verschillende juridische procedures?Ondanks de excuses die door verschillende kabinetten zijn gemaakt voorhet deels gebrekkige rechtsherstel en de verschillende wetten enregelingen die in het leven zijn geroepen om tot gedeeltelijk rechtsherstelte komen, blijft binnen een deel van de Indische en Molukse gemeen-schappen onvrede bestaan over de afhandeling van het rechtsherstel. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20213 geschiedenis kan niet worden teruggedraaid en de pijn, het leed en hetverdriet die voortvloeien uit de Tweede Wereldoorlog kunnen niet volledigworden weggenomen met wetten en regelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 20 454, nr. 20214
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.