KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden

1 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 02f2db485e8149fb · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 XIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat (XII)voor het jaar 2025Nr. 8 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 1 oktober 2024 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met hetvoorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uitte brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegevenantwoorden.De vragen zijn op 23 september 2024 voorgelegd aan de Minister en deStaatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Bij brief van 1 oktober2024 zijn ze door de Minister en de Staatssecretaris van Infrastructuur enWaterstaat beantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,P. de GrootDe griffier van de commissie,Schukkink kst-36600-XII-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 81 Vragen en antwoorden 1Vraag:Kunt u aangeven hoeveel voertuigen in Nederland (naar schatting) rijdenop rode diesel?Antwoord:Er rijden sinds het afschaffen van de rode diesel accijnskorting in 2013officieel geen voertuigen meer op rode diesel in Nederland.2Vraag:Wat zijn de, kwalitatieve en kwantitatieve, gevolgen van het schrappenvan het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) en het schrappenvan het Transitiefonds voor het behalen van de doelen van de Kader-richtlijn Water (KRW)?Antwoord:De Provinciale Plannen Landelijk Gebied (PPLG’s) waren voornamelijk ophoofdlijnen geformuleerd en er moest nog veel worden uitgewerkt.Hierdoor is het kwantificeren van de effecten van het schrappen van hetNPLG op het behalen van de doelen voor klimaat, natuurherstel ennatuuruitbreiding en de KRW-doelen niet goed te bepalen. Voor de KRWwas het NPLG niet het enige programma dat aan het behalen van dewaterkwaliteitsdoelen werkt. De meeste maatregelen zijn opgenomen inde stroomgebiedbeheerplannen 2022- 2027 en het 7e ActieprogrammaNitraat (inclusief addendum). De tussenevaluatie KRW die in decembergereedkomt zal meer inzicht geven in waar we in 2027 uitkomen en welkhandelingsperspectief er is om tot doelbereik te komen.3Vraag:Hoeveel energie-infrastructuurprojecten ondervinden momenteelvertraging door een tekort aan stikstofruimte of haperende vergunning-verlening?Antwoord:TenneT (landelijke netbeheerder) werkt de komende 10 jaar aan ruim 700energie-infrastructuurprojecten en de regionale netbeheerders aan enkeleduizenden projecten. TenneT geeft in haar Investeringsplan 2024 aan datvan de 95 uitbreidingsprojecten die vertraging ondervinden er twintig tewijten zijn aan niet tijdige beschikbaarheid van vergunningen en/ofbestemmingsplan (gerelateerd aan vertragingen bij bevoegde gezagen).Dit is niet nader gespecificeerd naar type vergunning. Bij energie-infrastructuurprojecten van nationaal belang, waarvan de Minister vanKlimaat en Groene Groei (KGG) het bevoegd gezag is, is er momenteelgeen vertraging te wijten aan een tekort aan stikstofruimte of bijbeho-rende natuurvergunningen.4Vraag:Hoeveel van de energie-infrastructuurprojecten die vertraging onder-vinden zijn noodzakelijk voor het behalen van een klimaatneutraalelektriciteitssysteem in 2035?Antwoord:Het is niet mogelijk om van de duizenden projecten van de landelijke enregionale netbeheerders aan te geven welke noodzakelijk zijn voor hetbehalen van een klimaatneutraal elektriciteitssysteem in 2035.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 82 5Vraag:Geniet het realiseren van de energie-infrastructuurprojecten prioriteit inhet verdelen van vrijgekomen stikstofruimte?Antwoord:De rijksoverheid kan alleen «stikstofruimte» prioriteren en verdelen die zezelf door middel van bronmaatregelen heeft vrijgemaakt. De stikstofdepo-sitieruimte afkomstig van bronmaatregelen uit de stikstofaanpak van hetRijk wordt opgenomen in het stikstofregistratiesysteem (SSRS) en gratisdoor de Minister van LVVN beschikbaar gesteld. Deze stikstofdepositie-ruimte gaat met prioriteit naar PAS-melders en concrete woningbouwpro-jecten. Energie-infrastructuurprojecten zijn nu niet in de prioritering voorhet SSRS opgenomen en kunnen daarom geen gebruik maken van dezestikstofdepositieruimte. Voor energie-infrastructuurprojecten staan, net alsvoor andere projecten die niet vallen onder de prioritering van het SSRSof waarvoor in het SSRS onvoldoende stikstofdepositieruimte isopgenomen, wel de andere mogelijkheden voor toestemmingverleningopen: een ecologische beoordeling, intern salderen, projectspecifiekextern salderen of een ADC toets.6Vraag:Hoeveel bedrijven in Nederland lozen PFAS?Antwoord:Bevoegde gezagen hebben de verantwoordelijkheid om zelf hun vergun-ningenbestand bij te houden in overeenstemming met de geldende wet-en regelgeving. Daar gebruiken ze hun eigen systemen voor.Het Ministerie van IenW heeft nu kennis van 34 vergunningen: in deKamerbrief van 25 oktober 20231 is conform een aangenomen motie eengeanonimiseerd overzicht opgenomen van deze bedrijven met bekendeen vergunde PFAS-emissies. In de Kamerbrief van 25 januari 20242 zijn denamen van betrokken bedrijven ook gemeld.7Vraag:Hoeveel vergunningen zijn er in Nederland voor het lozen van PFAS?Antwoord:Bevoegde gezagen hebben de verantwoordelijkheid om zelf hun vergun-ningenbestand bij te houden in overeenstemming met de geldende wet-en regelgeving. Daar gebruiken ze hun eigen systemen voor.Het Ministerie van IenW heeft nu kennis van 34 vergunningen: in deKamerbrief van 25 oktober 20233 is conform een aangenomen motie eengeanonimiseerd overzicht opgenomen van deze bedrijven met bekendeen vergunde PFAS-emissies. In de Kamerbrief van 25 januari 20244 zijn denamen van betrokken bedrijven ook gemeld.8Vraag:Betekent de invoering van de Europese PFAS-restrictie in 2028 ookautomatisch dat er vanaf dat moment nergens in Europa meer PFASwordt geloosd?1Kamerstukken 35 334, nr. 2842Kamerstukken 27 625, nr. 6633Kamerstukken 35 334, nr. 2844Kamerstukken 27 625, nr. 663Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 83 Antwoord:Nee, de restrictie gaat gelden voor productie en gebruik van PFAS. Nietvoor producten die al op de markt zijn en emissies die plaats vinden dielos staan van productie en gebruik. De restrictie leidt ook niet direct toteen lozingsverbod. Zo zal PFAS-houdend afval nog steeds moeten wordenverwerkt en hier zal mogelijk een beperkte emissie aan de orde blijvenzolang PFAS in onze leefomgeving aanwezig is. In de betreffendevergunning zullen dan strikte voorwaarden opgenomen moeten wordenwaaronder activiteiten kunnen plaats vinden. Aangezien een aantal PFASaangemerkt is als «zeer zorgwekkende stof» (ZZS) zal een minimalisatie-verplichting van toepassing zijn die bedrijven continu verplicht om tekijken of aanvullende maatregelen mogelijk zijn om emissies verder tebeperken. Ze moeten hier elke vijf jaar over rapporteren aan het bevoegdgezag.9Vraag:Klopt het dat er innovatieve technieken zijn waarmee PFAS op een anderemanier kan worden verwerkt door bedrijven in plaats van de stoffen telozen?Antwoord:Er is geen techniek die een oplossing kan bieden voor álle lozingen waarPFAS in aanwezig kan zijn. Maatwerk is nodig om te bepalen welketechnieken in welke situatie effectief zijn. Door de markt zijn in deafgelopen jaren verschillende technieken ontwikkeld of doorontwikkelddie kunnen helpen bij het terugdringen van emissies. Daarbij moet ookgerealiseerd worden dat het tijd kost om nieuwe technieken zo verder teontwikkelen dat ze in grootschalige toepassingen kunnen worden ingezet.Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen welke combinatie vanmaatregelen gezien kunnen worden als de beste beschikbare technieken(BBT) en daarmee het uitgangspunt worden voor de vergunning.10Vraag:Welke regelgeving moet er worden aangepast om een verbod op delozingen van PFAS mogelijk te maken?Antwoord:Voor zeer zorgwekkende stoffen, de meest relevante PFAS vallen in diecategorie, geldt een minimalisatieplicht. Hierbij wordt toegewerkt naareen nul-emissie. Het bevoegd gezag heeft al de mogelijkheid om eenvergunning in te trekken of aan te passen om het moment dat die niet inovereenstemming is met de geldende normen voor het oppervlaktewater.Hoe lozingen van PFAS beoordeeld moeten worden, is toegelicht in deKamerbrief van 19 oktober 20225.11Vraag:Wordt er ook bezuinigd bij het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL)?Zo ja, hoeveel fte en op welke taken wordt er bezuinigd?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen van5Kamerstukken 35 334, nr. 209Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 84 IenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.12Vraag:Wordt er ook bezuinigd bij de Nederlandse Emissieautoriteit (NEa)? Zo ja,hoeveel fte en op welke taken wordt er bezuinigd?Antwoord:De Nederlandse Emissieautoriteit is sinds 2019 geen agentschap meer vanIenW, maar van EZ/KGG. Het Ministerie van IenW kan deze vraag dus nietbeantwoorden.13Vraag:Wat is de maatschappelijke schade van PFAS-vervuiling?Antwoord:Nederland heeft zelf geen onderzoek gedaan naar de maatschappelijkeschade van PFAS-vervuiling. Dit is wel gedaan door de Nordic Council, hetofficiële interparlementaire samenwerkingsverband van Denemarken,Finland, IJsland, Noorwegen, Zweden, de Faeröer eilanden, Groenland enÅland6.Dit rapport schat de totale gezondheidsgerelateerde kosten voor Europaals geheel op € 52 – € 85 miljard per jaar, terwijl deniet-gezondheidsgerelateerde kosten (voornamelijk drinkwatersanering)worden geschat op € 16,9 tot € 170,8 miljard over twintig jaar. Dit soortberekeningen kent een grote marge van onzekerheid maar maakt welduidelijk dat het belangrijk is dat PFAS vervuiling fors moet wordenteruggedrongen.14Vraag:Hoeveel personeelsreductie wordt er verwacht bij Rijkswaterstaat? En is albekend welke afdelingen of teams moeten krimpen? En op welke criteriawordt dat besluit gebaseerd?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordt6https://norden.divaportal.org/smash/get/diva2:1295959/FULLTEXT01.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 85 ook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.15Vraag:Welke afdelingen of teams moeten krimpen op het departement vanIenW? En op welke criteria wordt dat besluit gebaseerd?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.16Vraag:Welke afdelingen of teams moeten krimpen bij het Koninklijk NederlandsMeteorologisch Instituut (KNMI)? En op welke criteria wordt dat besluitgebaseerd?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.17Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 86 Welke afdelingen of teams moeten krimpen bij de Inspectie Leefomgevingen Transport (ILT)? En op welke criteria wordt dat besluit gebaseerd?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.18Vraag:Wordt er bij luchtkwaliteit nog extra ingezet op gebieden waar deluchtkwaliteit heel slecht is? Moeten daar ook de streefwaarden wordengehaald?Antwoord:Samen met meer dan 100 gemeenten en alle provincies streeft het Rijkmet het Schone Lucht Akkoord ernaar om in 2030 overal deWHO-advieswaarden van 2005 te halen. Hierbij wordt ook specifiekgekeken naar gebieden waar de luchtkwaliteit relatief slecht is, dehoogblootgestelde gebieden. Juist in deze gebieden is het vaak complexdeze streefwaarden te halen. Hiervoor wordt momenteel een aanpakuitgewerkt. Deze aanpak is naar verwachting eind van het jaar gereed.19Vraag:Wanneer wordt meer bekend over het programma Circulair Doen en deverdeling van het geld binnen dat programma?Antwoord:Het Ministerie van IenW heeft begin dit voorjaar de Kamer geïnformeerdover het programma Circulair Doen en Gedrag7. Binnen dit programmaworden de middelen besteed aan activiteiten op het terrein van onderwijs(50%), gedrag (40%) en arbeidsmarkt (10%). In 2025 wordt de voorge-stelde ondersteuningsstructuur voor het onderwijs verder uitgewerkt enwordt de Gedragsstrategie Burgers en Circulaire Economie geactuali-seerd.820Vraag:Wanneer wordt het nieuwe beleidsprogramma circulair textiel openbaaren wat heeft voor u prioriteit?Antwoord:7Kamerstukken 32 813, nr. 13978Kamerstukken 32 852, nr. 225Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 87 Het nieuwe beleidsprogramma circulair textiel wordt voor het einde vanhet jaar naar de Kamer gestuurd. Het beleidsprogramma is breed en heeftals doel om naar een circulaire textielsector te werken, met kansen voorcirculaire bedrijven. Een belangrijk middel daarvoor is Europese regel-geving, zodat er bijvoorbeeld uniforme producteisen komen voor al hettextiel dat op de Europese markt wordt gebracht. Daarnaast wordt in hetbeleidsprogramma gekeken naar maatregelen om grondstoffengebruik teverminderen.21Vraag:Kunt u toelichten wat de impact van deze begroting is op Brede Welvaart?Antwoord:De essentie van brede welvaart is dat beleid gevolgen heeft voorverschillende zaken die voor mensen belangrijk zijn. Vaak positieveeffecten, maar op onderdelen heeft beleid ook minder leuke effecten. Alwas het maar omdat beleid geld kost dat we als burgers met belastingmoeten opbrengen. Het is aan de politiek om afwegingen te maken tussendeze verschillende aspecten.De planbureaus hebben vanuit Brede Welvaart gereflecteerd op hetHoofdlijnenakkoord. Idealiter zou een dergelijke vooruitkijkende analysevan de planbureaus ook beschikbaar zijn op het beleid in deze begroting.Dat is nog niet het geval. Enerzijds omdat de tijd ontbrak, maar ook omdatde beleidsplannen van het nieuwe kabinet nog niet voldoende ver zijnuitgewerkt om een dergelijke ex-ante analyse te maken. Dat wil nietzeggen dat bij de beleidsvoorbereiding niet is gekeken vanuit hetperspectief van brede welvaart. Integendeel; er is bewust op de verschil-lende beleidsterreinen geprobeerd om de balans in een gewenste richtingte verschuiven. Het gaat dan om bijvoorbeeld de balans tussen economieenerzijds en gezondheid en leefomgeving anderzijds. Het kan ook gaanom het geven van een groter gewicht aan de belangen van perifere regio’sof specifieke groepen in de samenleving. Wat relevante afwegingen zijn,verschilt tussen beleidsterreinen.Luchtvaartbeleid beoogt expliciet een balans te vinden tussen heteconomisch belang van luchtvaart en de belangen van de omwonenden.Het kabinet gaat de rechtspositie van omwonenden herstellen en zet in op20% vermindering van de geluidsbelasting. Beleid gericht op gezonde,veilige en schone leefomgeving is gericht op het voorkomen vangezondheidsschade en moet bijdragen aan een goed vestigingsklimaat eneen gezonde economische groei. De effecten van het milieubeleid moetenbeter zichtbaar worden voor de burgers. In het Nationaal milieubeleids-programma wordt dit verder uitgewerkt.In het mobiliteitsbeleid wordt meer dan in het verleden de nadruk gelegdop bereikbaarheid van voorzieningen en banen. Dat betekent ten opzichtevan het verleden een sterkere nadruk op de regio. In lijn met de wensenvan de Tweede Kamer en de € 300 miljoen die hiervoor ter beschikking isgesteld, wordt met de medeoverheden gewerkt aan een plan om het OVin de regio op peil te houden. In het Hoofdlijnenakkoord is € 2,5 miljard.beschikbaar gesteld voor het ontsluiten van nieuwe woongebieden.Daarmee wordt gewicht gegeven aan de belangen van de volgendegeneraties die nu in de knel dreigen te komen op de woningmarkt. Met demedeoverheden wordt uitgewerkt hoe we deze middelen hier optimaalvoor kunnen worden ingezet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 88 Met het waterveiligheidsbeleid wordt er voor gezorgd dat ook degeneraties na ons veilig in Nederland kunnen wonen. Dat betekent datvanuit water scherpere keuzen moeten worden gemaakt in het ruimtelijkbeleid.22Vraag:Hoe is de begroting voor circulaire economie tot stand gekomen? Is er algeld gereserveerd voor het vervolg dat nog moet worden gegeven aan devele onderzoeken die al zijn gedaan?Antwoord:Van de begroting voor circulaire economie is € 52,8 miljoen reedsjuridisch verplicht (44%). Dit zijn middelen die verbonden zijn aan dejaarlijkse opdrachten aan de agentschappen RWS, RVO en RIVM,meerjarige subsidieregelingen, bijdragen aan Caribisch Nederland enzelfstandige bestuursorganen of rijksdiensten met een wettelijke taak.Daarnaast is het restant budget van € 67,9 miljoen (56%) bestuurlijkgebonden. Dit betreft voornamelijk de budgetten die gekoppeld zijn aande maatregelen uit het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)of beschikbaar zijn gesteld vanuit het Klimaatfonds.Het NPCE loopt van 2023 – 2030 en is deels gefinancierd met tijdelijkemiddelen. Pas na afronding van een onderzoek of verkenning kunnen dekosten van uitvoering van de maatregel worden bepaald en kan wordenbezien wat de financiële impact op de begroting van circulaire economieis. Voor 2025 is de opvolging van onderzoeken en verkenningenopgenomen in de begroting.23Vraag:Is er al geld gereserveerd voor te verwachte rechtszaken op het gebiedvan milieuvervuiling? Zo ja, voor welke?Antwoord:Jaarlijks wordt een algemeen budget beschikbaar gesteld voor hetinwinnen van juridisch advies en bijstand bij juridische procedures.24Vraag:Kan vanuit het programma vergroening reisgedrag ook geld wordengestoken in betaalbaar maken van OV?Antwoord:De middelen voor vergroening reisgedrag worden ingezet voor een pakketaan maatregelen. Aan deze middelen is een CO2-reductie doel gekoppeldvan 0,3–0,5 Mton. Alternatieve aanwending kan deze doelstelling ingevaar brengen. Voor de dekking van motie Bikker voor het betaalbaarmaken van regionaal OV is reeds € 29,939 miljoen van deze middeleningezet. Dat is ruim 11% van het totaal. Uit de resterende middelen wordto.a. het aanleggen van fietspaden, een waterstoftrein in Noord-Nederland,de rijksbijdrage aan het programma deelmobiliteit en een subsidie voorhet verduurzamen van touringcars gefinancierd. Over deze maatregelenzijn bestuurlijke afspraken gemaakt of zijn juridisch verplicht.25Vraag:Hoeveel wordt er in totaal uitgegeven aan uitbreiding spoor? En hoe is ditonderverdeeld op specifieke trajecten?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 89 De uitbreiding op spoor in 2025 is te zien op de artikelen 13.03 Ontwik-keling Spoor (€ 269,8 miljoen); 17.07 ERTMS (€ 130,9 miljoen) en 17.10PHS (€ 108,2 miljoen) Dit is na verwerking van de overprogrammering. Degenoemde uitgaven zijn voor ontwikkeling, vernieuwing en uitbreidingvan spoorweginfrastructuur en zijn te vinden in de budgettaire tabellenvan de begroting onder de memorie van toelichting, pagina 40 en pagina66. De budgettaire tabel waarin 13.03 wordt genoemd wordt verdergespecificeerd in de projecttabellen op de pagina’s 42 t/m 47. Debudgettaire tabel van artikel 17 staat op pagina 66, voor ERTMS op pagina67, en voor PHS op pagina 69.26Vraag:Zou de 19 miljoen euro die volgend jaar wordt gestopt in geluidsisolatievoor Schiphol niet vanuit de winsten van Schiphol kunnen wordenbetaald?Antwoord:Bij de isolatieregeling voor Schiphol (GIS4) hanteren we het principe datde vervuiler betaalt. De kosten voor de isolatieregeling worden via eenheffing geïnd bij luchtvaartmaatschappijen die vliegen op Schiphol. De 19miljoen op de begroting is een voorschot, zodat RWS direct met deuitvoering kan beginnen. Daarna wordt het verrekend met de heffing vande sector. Uiteindelijk komen de kosten dus niet voor rekening van hetRijk.27Vraag:Wat houden de extra reserveringen voor het ontwikkelen van hetVTH-stelsel (vergunningverlening, toezicht en handhaving) en het beheervan standaarden precies in? Waar staat het geld dat naar de controles etc.gaat?Antwoord:Voor de versterking van het stelsel van vergunningverlening, toezicht enhandhaving (VTH) heeft het vorige kabinet structureel € 18 miljoen perjaar beschikbaar gesteld. De afgelopen twee jaar heeft het interbestuurlijkprogramma versterking VTH-stelsel (IBP VTH) samen met alle partijen aande hand van het rapport van de commissie Van Aartsen hard gewerkt omproducten op te leveren die een bijdrage leveren aan de versterking vanhet VTH-stelsel. Een belangrijk onderdeel hiervan was pijler 3 (Informatie-voorziening). Gelet op het belang van de investeringen in de informatie-voorziening en het feit dat dit nog maar aan het begin staat, is deze pijlervanaf 1 oktober omgezet naar het programma Digitaal stelsel VTH. Eentijdelijke programmaorganisatie onder verantwoordelijkheid van IenW. Indit programma wordt eerst de focus gelegd op het ontwikkelen vanstandaarden waarmee verschillende partijen in het stelsel informatie metelkaar kunnen uitwisselen en het maken van afspraken over het beheerhiervan. Provincies en gemeenten zijn bevoegd gezag voor de uitvoeringvan VTH-taken. Zij zijn dit voor zowel de taken die zij zelf uitvoeren alsvoor de taken die zij mandateren aan omgevingsdiensten. Provincies engemeenten zijn dan ook verantwoordelijk voor de financiering van dezetaken. De rijksoverheid keert via een algemene uitkering in het gemeente-en provinciefonds middelen uit voor dekking van de kosten van debevoegde gezagen. Deze middelen zijn voor gemeenten en provincies vrijbesteedbaar. Het is de keuze van de bevoegde gezagen hoeveel geld zijwillen vrijmaken voor het uitvoeren van de VTH-taken, waaronder hetverlenen van vergunningen en uitvoeren van controles.28Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 810 Vraag:Wat is de rol van de ILT in het geld voor het VTH-stelsel?Antwoord:Voor de versterking van het stelsel van vergunningverlening, toezicht enhandhaving (VTH) heeft het vorige kabinet structureel € 18 miljoen perjaar beschikbaar gesteld. Daar bovenop is structureel € 6 miljoen per jaarbeschikbaar voor de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de InspectieLeefomgeving en Transport (ILT IOD), om de opsporingscapaciteit tevergroten.29Vraag:Wat is de verhouding tussen inzet op geluidshinder van windturbines,spoorwegen, wegverkeer en luchtvaart?Antwoord:Het Ministerie van IenW is verantwoordelijk voor wet- en regelgeving ophet gebied van geluid. Het beleid is gericht op preventie van blootstellingaan omgevingslawaai in het geval van nieuwe situaties, op beheersingvan het geluid (stand still) in het geval van bestaande situaties, endaarnaast op het terugbrengen van geluid door sanering van de hoogstbelaste locaties.Het zwaartepunt van de inzet ligt bij de sanering van de hoogst belastelocaties langs de landsdekkende netwerken van wegen en spoorwegen.Daarbij is de langjarige inzet op wegen en spoorwegen ongeveer gelijkverdeeld. Van jaar tot jaar varieert de verhouding tussen bestedingen voorgeluidsmaatregelen aan windturbines, spoorwegen, wegverkeer enluchtvaart, vanwege het verschil in kasritme tussen de verschillendeprogramma’s.De doelstelling uit de Luchtvaartnota dat de geluidhinder door luchtvaartmoet afnemen leidt niet tot maatregelen die door IenW worden gefinan-cierd, maar door de luchtvaartsector zelf. De kosten voor een nieuwgeluidsisolatie-programma, in vervolg op vergelijkbare programma’srondom Schiphol in het verleden, worden betaald via een heffing die hetRijk aan de luchthavens oplegt.Voor windturbines zet IenW in op geluidnormering die in lijn is met debescherming tegen geluidhinder van overige geluidbronnen. Eventuelemaatregelen vallen niet onder de begroting van IenW.Er zijn ook kosten die niet aan één van de geluidbronsoorten kunnenworden toegerekend, zoals de kosten voor de centrale voorzieninggeluidgegevens, het digitale systeem waarin geluidgegevens verzameldworden voor ruimtelijke planvorming onder de Omgevingswet.30Vraag:Hoe is de keuze gemaakt om nu 12,6 miljard euro te begroten omNederland te blijven beschermen tegen hoog water met hogere dijken,terwijl de Deltacommisaris zegt dat er eigenlijk 24 miljard nodig is?Antwoord:De € 12,6 miljard is gebaseerd op de geïndexeerde jaarlijkse bijdragenvan waterschappen en Rijk tot 2050. De € 24 miljard die de Deltacommis-saris noemt is gebaseerd op een eerste grove inschatting van dewaterschappen in 2023, met hele grote onzekerheden9. In de herijking vanhet Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) wordt eerst gewerkt aaneen aanscherping van die opgave. Eind 2025 wil het Ministerie van IenW9Kamerstukken 31 710, nr. 82Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 811 komen tot nieuwe afspraken met de waterschappen, zoals in het hoofdlij-nenakkoord en regeerprogramma aangekondigd.31Vraag:Heeft het Ministerie van IenW een rol in de financiering van verwijderingstaalslakken, die provincies en gemeentes veel geld gaat kosten?Antwoord:In het kader van de zorgplicht is een toepasser, bij (dreigende) bodemver-ontreiniging of aantasting, verplicht tot het nemen van alle maatregelendie redelijkerwijs kunnen worden gevraagd. Dit gaat zowel om hetvoorkomen als het ongedaan maken van verontreinigingen enaantastingen.Als een verontreiniging is ontstaan is het niet altijd nodig en verplicht omde staalslakken te verwijderen. Soms zijn andere maatregelen doelma-tiger. De motivering van de juiste maatregelen ligt bij het bevoegd gezag.De kosten voor het nemen van maatregelen liggen bij de overtreders. Datis de opdrachtgever samen met de toepasser. In werken waar Rijkswater-staat de opdrachtgever is ligt de financiering voor het nemen vanmaatregelen bij het Ministerie van IenW en bij de aannemer die het werkheeft uitgevoerd. In situaties waar de provincie, de gemeente of eenprivate partij de opdrachtgever is heeft het ministerie geen rol in definanciering.32Vraag:Hoe wordt de relatie tussen klimaat, milieu, landbouw en biodiversiteitgewaarborgd?Antwoord:Werken aan een beter milieu heeft relaties met diverse andere opgaven.Het beschermen van een gezonde leefomgeving werkt vaak dezelfde kantop als de aanpak van klimaatverandering, de inzet voor biodiversiteit, eencirculaire economie en verduurzaming van de landbouw. Maar somswerken maatregelen niet dezelfde kant op. Het Nationaal MilieuPro-gramma (NMP) zal de focus op de aanpak van vervuiling leggen. Het zaldaarmee zorgen voor een fundament onder het milieubeleid door richtingte geven aan te maken keuzes. Het kabinet heeft al een inzet op de anderemaatschappelijke opgaven zoals klimaatverandering, verlies aanbiodiversiteit. Het opstellen van het NMP richt zich op de samenhang inen bijdrage aan de aanpak van andere maatschappelijke opgaven.33Vraag:Wordt er geld uitgetrokken voor onderzoeken in 2025 over financiëleprikkels om te kunnen komen tot een circulaire economie?Antwoord:Financiële prikkels voor een circulaire economie zijn een belangrijkaandachtspunt. In 2025 worden er verschillende onderzoeken op ditonderwerp afgerond, onder andere: een breed onderzoek naar mogelijkemaatregelen met financiële prikkels die de ontwikkeling naar eencirculaire economie ondersteunen, een onderzoek naar hoe hetinstrument uitgebreide producentenverantwoordelijkheid meer gerichtkan worden op circulariteit, en een onderzoek naar een plastic-heffing. Inaanvulling zal in 2025 nader onderzoek worden gedaan naar beterefinanciële prikkels voor circulaire economie, voortbouwend op deresultaten van de hiervoor genoemde onderzoeken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 812 34Vraag:Wat is de rol van het Ministerie van IenW in de te ontwikkelen NotaRuimte?Antwoord:Het Ministerie van I&W schrijft mee aan de Nota Ruimte omdat hetministerie een belangrijke positie heeft in de fysieke leefomgeving. Het isbeleidsverantwoordelijk voor de onderwerpen water, bodem, milieu,circulaire economie, mobiliteit, luchtvaart en scheepvaart en daarnaastvoor de ruimtelijke ordening van de ondergrond en op de Noordzee. Dezeonderwerpen komen ook aan bod in de Nota Ruimte.35Vraag:Welke stappen overweegt u concreet om waterkwaliteit aan te pakken?Antwoord:Voor het verbeteren van de waterkwaliteit en het behalen van deKRW-doelen in 2027 is begin 2023 gestart met het impulsprogrammaKRW. Dit impulsprogramma is erop gericht om alles op alles te zetten omin 2027 te voldoen aan de doelen van de KRW. Er wordt onder anderehard gewerkt om alle ruim 1700 maatregelen die zijn opgenomen in destroomgebiedbeheersplannen voor 2027 te hebben uitgevoerd, er vindtextra inzet plaats om vergunningen van lozingen te herzien en er wordteen extra stap gezet om afvalwater te zuiveren van microverontreini-gingen als medicijnresten.De tussenevaluatie KRW zal eind 2024 verschijnen en geeft inzicht inverwacht doelbereik in 2027 en wat er mogelijk aanvullend nodig is aanmaatregelen. In de Kamerbrief voortgang waterkwaliteit en KRWimpulsprogramma van 27 juni 2024 staat een uitvoerig overzicht van allestappen, acties en maatregelen10.36Vraag:Welke stappen en middelen zijn er gereserveerd om lichtvervuiling aan tepakken?Antwoord:Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. HetBesluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat daarom geen rijksinstructie-regels voor lichthinder.Voor een aantal specifieke situaties zijn wel kaders en richtlijnenopgesteld. Zo staan voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen rijksregels inhet Besluit activiteiten leefomgeving. Rijkswaterstaat beperkt lichthinderin relatie tot (beschermde) diersoorten door technische maatregelen voorte schrijven, zoals de toepassing van afgeschermde armaturen innatuurgebieden.Het is aan de gemeenten in hoeverre zij in hun Omgevingsvisie enOmgevingsplan aandacht besteden aan lichthinder. Het InformatiepuntLeefomgeving biedt hiervoor een leidraad om beleid voor lichthinder uitte werken. Op de IenW begroting zijn geen specifieke middelen gereser-veerd om lichtvervuiling aan te pakken.37Vraag:10Kamerstukken 27 625, nr. 672Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 813 Hoeveel kosten hebben overheidsinstanties al gemaakt omPFAS-vervuiling van de industrie op te ruimen? En hoeveel geld is hier hetkomend jaar voor gereserveerd?Antwoord:Sinds 2021 stelt IenW middelen aan bevoegde overheden beschikbaarvoor de aanpak van bodemverontreiniging met PFAS via de tijdelijkeregeling uitkering Bodem 2024–2030. Tot nu toe is circa € 50 miljoenuitgekeerd. De meeste projecten zijn nog in uitvoering, dus niet allekosten zijn al gemaakt. Vanuit IenW is jaarlijks gemiddeld € 23 miljoengereserveerd voor de ondersteuning van bevoegde gezagen. Dit zijn nietde kosten van alle overheden, maar alleen de bijdrage vanuit het rijk voorde kosten die andere overheden maken. Deze regeling is bedoeld voorsituaties waarin de kosten niet kunnen worden verhaald op de vervuiler ofwaarin de aanpak wegens de risico’s niet kan wachten op de uitkomst vanhet juridisch traject voor kostenverhaal.38Vraag:Hoeveel kosten hebben overheidsinstanties al gemaakt om granulietver-vuiling van de industrie op te ruimen? En hoeveel geld is hier het komendjaar voor gereserveerd?Antwoord:Granuliet wordt geproduceerd uit fijne deeltjes die overblijven na hetbreken en zeven van graniet en zandsteen. Granuliet valt onder dereikwijdte van de definitie van grond in het Besluit bodemkwaliteit en kandus binnen de gestelde kaders als zodanig worden toegepast. Er is geensprake van het opruimen van granuliet, overheden hebben daar geenkosten voor gemaakt en er is daarom ook geen geld voor gereserveerd.39Vraag:Hoeveel kosten hebben overheidsinstanties al gemaakt om vervuiling vanstaalslak in het milieu op te ruimen? En hoeveel geld is hier het komendjaar voor gereserveerd?Antwoord:De kosten voor het nemen van maatregelen liggen bij de overtreders. Datis de opdrachtgever samen met de toepasser. In situaties waar deprovincie, de gemeente of een private partij de opdrachtgever is, heeft hetministerie geen rol in de financiering. Op de gemaakte kosten door andereoverheden of private partijen heeft het Ministerie van IenW geen zicht.In werken waar Rijkswaterstaat de opdrachtgever is ligt de financieringvoor het nemen van maatregelen bij het Ministerie van IenW en bij deaannemer die het werk heeft uitgevoerd. In werken van Rijkswaterstaat isgeen aanleiding geweest om staalslakken te verwijderen vanwegemilieuverontreinigingen. Er zijn daarom ook geen kosten gemaakt met dieaanleiding. Omdat er ook niet verwacht wordt dat dit in de toekomstnoodzakelijk is, is er geen geld voor gereserveerd.40Vraag:Hoe wordt «de vervuiler betaalt» toegepast in vervuiling van water, gronden luchtkwaliteit?Antwoord:Toepassing van het milieubeginsel «de vervuiler betaalt» is gebaseerd ophet basisprincipe dat degene die de vervuiling veroorzaakt de milieu-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 814 kosten moet betalen. Het zorgt ervoor dat de kosten van vervuiling niet opde samenleving worden afgewenteld. Ook helpt het duurzame bedrijvenom beter te kunnen concurreren.Uit diverse studies blijkt dat een bredere toepassing van het principe zouhelpen om emissies naar bodem, water en lucht verder terug te dringen ofte voorkomen. Er zijn al diverse voorbeelden waar het principe wordttoegepast: er zijn bijvoorbeeld verontreinigingsheffingen voor lozingen opoppervlaktewater. Lawaaiige vliegtuigen betalen op Schiphol meerlandingsgeld dan stillere vliegtuigen. Voor zwaardere voertuigen moeteen hogere motorrijtuigenbelasting worden betaald. In het klimaatdomeinis er een emissiehandelssystemen voor de uitstoot van broeikasgassenwaaronder CO2. In het domein rond afval en circulaire economie bestaaner statiegeld, afvalstoffenheffingen en uitgebreide producentenverant-woordelijkheid.In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonenden en hetNationaal Milieuprogramma (NMP) wordt onderzocht of in het instrumen-tarium voor het terugdringen van vervuiling het beginsel «de vervuilerbetaalt» een stevigere plek kan krijgen.41Vraag:In acht nemend dat bodemdaling versneld wordt door lage waterstanden– wat is de rol van het Ministerie van IenW in de aanpak van bodem-daling?Antwoord:Het Ministerie van IenW richt zich op het zoveel mogelijk remmen vanbodemdaling ter beperking van nadelige gevolgen als schade aanfunderingen en infrastructuur, grotere kans op wateroverlast, vergrotingvan overstromingsrisico’s, verslechtering van waterkwaliteit (verzilting),verdroging van natuurgebieden en broeikasgasemissies. IenW werktsamen met de Ministeries van VRO en LVVN aan een nationalefunderingsaanpak.Wat betreft infrastructuur laat IenW een kwetsbaarheidsanalyse uitvoeren.Deze wordt in 2026 naar de Tweede Kamer verzonden.Verder worden in het kader van het Deltaprogramma RuimtelijkeKlimaatadaptatie door overheden stresstesten uitgevoerd. Daarin wordtook de kwetsbaarheid voor bodemdaling meegenomen. Deze vormen debasis voor maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie.Om bodemdaling in laagveengebieden te remmen en de CO2-uitstoot in2030 te verminderen met 1 megaton wordt samen met LVVN ingezet opverhoging van de grondwaterstand in veenweidegebieden. Provincieswerken dit uit in gebiedsplannen.In het beleidsprogramma Bodem, Ondergrond en Grondwater wordt derol en strategie van IenW op het gebied van bodemdaling uitgewerkt. Ditprogramma wordt in 2026 naar Tweede Kamer verzonden. Om goedgefundeerde beleidskeuzes te kunnen maken, werkt IenW nauw samenmet kennisinstellingen. Zo ondersteunt IenW het NWA onderzoekspro-gramma «Living on Soft Soils Subsidence and Society». Ook subsidieertIenW het Kenniscentrum voor Bodemdaling en Funderingen dat gevestigdis in Gouda. Dit centrum heeft als doel om kennis te verspreiden entoegepaste kennis te ontwikkelen en dient als loketfunctie voor professi-onals en particulieren.42Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 815 Hoe ziet de financiering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma(HWBP) er precies uit? Is er voldoende geld beschikbaar om de normeringvoor dijkveiligheid in 2050 te halen? Zo ja, waar baseert u dat op?Antwoord:Met de wetswijziging in 2014 is afgesproken dat Rijk en waterschappenieder 50% bijdragen aan de financiering van het HWBP. Destijds ging hetsamen om ongeveer € 360 miljoen per jaar. Deze bedragen zijn jaarlijksgeïndexeerd en inmiddels betreft het ongeveer € 450 miljoen per jaar. Alsdeze bedragen worden doorgetrokken tot 2050 en daar wordt afgehaaldwat reeds is uitgegeven, dan is er nu nog ongeveer € 12,6 miljardbeschikbaar voor HWBP-projecten.In de Kamerbrief die op 8 november 2023 aan de Kamer is toegestuurd11is aangegeven dat de waterschappen inschatten dat ze tot 2050 ca 2.000kilometer moeten versterken en dat de kosten daarvan circa € 24 miljardzijn, met bandbreedte tussen de € 15,7 miljard en € 32,9 miljard. Op basisvan die beelden staat de HWBP-opgave binnen de huidige kaders onderdruk.Dit was echter een eerste inschatting met grote onzekerheden en toen isook aangegeven dat die opgave eerst moet worden aangescherpt. Daar ishet ministerie nu samen met de waterschappen mee bezig in de herijkingvan het HWBP, die in het hoofdlijnenakkoord en regeerprogramma isaangekondigd. Eind 2025 wil de Minister van IenW daar met henafspraken over maken.43Vraag:Wat is de inzet in het HWBP om dijken standaard biodiverser in te richten?Antwoord:Op verschillende manieren wordt – daar waar mogelijk – ingezet omdijken biodiverser in te richten. Zo is de inzet van de partners in het HWBPom standaard biodiverse grassoorten te benutten. Dit sluit ook aan op debiodiversiteitsdoelstellingen van de waterschappen. In juni jongsleden zijnde resultaten van het innovatieproject Future dikes opgeleverd. Eenconclusie is dat bloemrijke dijken sterk zijn en bijdragen aan de biodiver-siteit. De uitgewerkte aanpak is ook betaalbaar. De waterschappen gaanverder met dit project om praktijkervaring te delen en het beheer vandijken af te stemmen op deze aanpak.44Vraag:Wat komt er terug voor het geschrapte NPLG om de doelen rondomwater, klimaat en stikstof wel te behalen?Antwoord:Het kabinet staat voor het behalen van de internationale doelen zoals deKRW-doelen. Het stoppen van het NPLG verandert dit niet. In de plaatsvan het NPLG zal de Minister van LVVN met een alternatieve aanpakkomen, de contouren van de alternatieve aanpak worden voor het eindevan 2024 naar de Kamer gestuurd. Dan zal ook duidelijk worden hoe dedoelen rondom water, klimaat en stikstof daarin meegenomen worden.45Vraag:Hoe kan het dat Tata Steel desondanks jaarlijks ruim 54 kg giftig kwikuitstoot naar de lucht, en ruim 3 kg kwik loost op het oppervlaktewater,11Kamerstukken 31 710, nr. 82Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 816 gelet op de minimalisatieverplichting die geldt voor zeer zorgwekkendestoffen?Antwoord:Tata Steel is, net zoals andere bedrijven in Nederland, gehouden aan dewetgeving op het gebied van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Hiervoorgeldt een minimalisatieplicht. Kwik is een ZZS. Dat betekent dat Tata Steelde emissies ervan moet voorkomen of, als dat niet mogelijk is, zo vermogelijk reduceren. Het bedrijf moet hierover iedere 5 jaar rapporterenaan het bevoegd gezag via een vermijdings- en reductieprogramma. Hetbevoegd gezag beoordeelt deze programma’s.46Vraag:Kunt u bevestigen dat het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL), datstelt dat bedrijven alle passende en preventieve maatregelen moetennemen tegen aantasting van de gezondheid, verder dient te gaan danalleen de lijst met Best Beschikbare Technieken (BBT) uit de Best AvailableTechnique Reference Document (BREF’s) in de Europese RichtlijnIndustriële Emissies? In elk geval als de volksgezondheid daar aanleidingtoe geeft? Zo ja, zijn de omgevingsdiensten bezig omgevingsvergun-ningen aan te passen naar implementatie van best beschikbare technieken(BBT) op basis van wat nodig is voor de volksgezondheid?Antwoord:Het klopt dat binnen het stelsel van de Omgevingswet het bevoegd gezagvoor vergunningen ook een gezonde leefomgeving mee moet nemen ineen beoordeling. Bedrijven moeten op basis daarvan maatregelen nemen.Het toetsen aan de beste beschikbare technieken is slechts een onderdeelvan de beoordeling die het bevoegd gezag maakt. Over het algemeenvallen de grotere bedrijven onder de reikwijdte van de Richtlijn IndustriëleEmissies (RIE). Hun vergunningen worden door het bevoegd gezaggetoetst aan de Europese documenten met beste beschikbare technieken(BBT), zoals vastgelegd in de Best Available Technique ReferenceDocuments (BREF’s). Er wordt echter ook getoetst of de activiteiten nietleiden tot overschrijding van milieukwaliteitsnormen, zoals de luchtkwa-liteit in de omgeving. Die beoordeling van geval tot geval kan ertoe leidendat aanvullende maatregelen nodig zijn. Omgevingsdiensten passen ditnu al toe. Verder onderzoekt het Rijk op dit moment samen metgemeenten en provincies hoe gezondheid volwaardig mee te nemen bijafwegingen rond vergunningverlening.47Vraag:Wie is verantwoordelijk voor de VTH voor water, zowel indirecte alsdirecte lozingen, inzake Tata Steel?Antwoord:De bevoegdheid voor directe lozingen in Rijkswateren ligt bij Rijkswater-staat, terwijl lozingen in regionale wateren onder de verantwoordelijkheidvan het Waterschap vallen. Indirecte lozingen worden, afhankelijk van decomplexiteit van het bedrijf, gereguleerd door de gemeente of provincie.In beide gevallen voert de omgevingsdienst deze taken uit.Tata Steel beschikt voor de directe lozingen over een vergunning vanRijkswaterstaat en voor de indirecte lozingen over een vergunning van deOmgevingsdienst Noordzeekanaalgebied, namens de ProvincieNoord-Holland.48Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 817 Vraag:Welke maatregelen neemt het Rijk als het gaat om het muskusratproofmaken van dijken zoals graafwerende maatregelen (waardoor geenmuskusratten te hoeven worden gedood)?Antwoord:De Minister van LVVN is verantwoordelijk voor de implementatie inNederland van het Europese beleid ten aanzien van invasieve uitheemsesoorten, zoals de muskusrat.De waterschappen hebben een langetermijnvisie, die uitgaat van hetterugdringen van muskusratten tot de landsgrens. Verder wordt aandachtgevraagd bij aangrenzende buurlanden voor de problematiek van demuskusratten.Met deze werkwijze wordt zo veel mogelijk voorkomen dat schade doormuskusratten ontstaat aan dijken.Rijkswaterstaat doet zelf niet aan muskusrattenbestrijding, dat is wettelijkeen taak voor de provincies en waterschappen. Rijkswaterstaat inspecteertde dijken en dammen die in eigen beheer zijn op de nadelige effecten vangraverij door o.a. muskusratten. Eventuele schade wordt hersteld alsonderdeel van het reguliere beheer en onderhoud.49Vraag:Hoeveel geld heeft het rijk de afgelopen 10 jaar besteed aan het muskus-ratproof maken van dijken?Antwoord:De dijken en dammen in beheer van Rijkswaterstaat zijn veelal hardeconstructies, die met name bestaan uit steen, asfalt of stalen damwanden,waar schade door graverij van muskusratten niet of nauwelijks kanoptreden.Deze dijken en dammen zijn in hoge mate al muskusratproof uit de aardvan de constructie. Deze situatie verschilt van de waterschappen, diehebben ook het regionale watersysteem met sloten en kanalen in beheeren daarmee een veel groter areaal waar schade door de muskusrat kanoptreden.50Vraag:Wat is er komende jaren begroot voor het muskusratproof maken vandijken, zoals graafwerende maatregelen (zodat de muskusratten niethoeven te worden gedood)?Antwoord:Maatregelen om de dijken en dammen in het beheer van Rijkswaterstaatmuskusratproof te maken zijn niet nodig, aangezien door de aard van deconstructie schade door graverij van muskusratten niet of nauwelijks kanoptreden. Zie ook het antwoord op vraag 49. Het reguliere beheer enonderhoud is afdoende.51Vraag:Kunt u een overzicht sturen van de onderzoeken die bekend zijn bij hetministerie over de meest effectieve manieren om dijken muskusratproofte maken zonder dat de muskusrat daarvoor gedood hoeft te worden?Antwoord:Maatregelen om de dijken en dammen in het beheer van Rijkswaterstaatmuskusratproof te maken zijn niet nodig, aangezien door de aard van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 818 constructie schade door graverij van muskusratten niet of nauwelijks kanoptreden. Zie ook het antwoord op vraag 49. Het reguliere beheer enonderhoud is afdoende.52Vraag:Hoeveel unieke bezoekers hebben er in de maand augustus gekeken op dewebsite zwemwater.nl?Antwoord:In augustus dit jaar had de website 189.843 unieke bezoekers die bij elkaarruim 300.000 keer de site bezochten.Daarnaast is de Zwemwater-app door 73.000 mensen geïnstalleerd. Vanappgebruikers wordt niet geregistreerd hoe vaak zij informatie opvragen.53Vraag:Hoeveel infrastructuur- en andere bouwprojecten ondervinden momenteelvertraging of enige andere vorm van hinder door een tekort aan stikstof-ruimte of haperende vergunningverlening? Kunt u een totaal overzichttoesturen uitgesplitst naar project?Antwoord:De combinatie van de stikstofproblematiek, de financiële opgaven en depersonele krapte heeft geleid tot een herprioritering van projecten12. Destikstofproblematiek blijft de komende jaren voor zowel de projecten diein het kader van de herprioritering gepauzeerd zijn als de overigeMIRT-projecten een belangrijke beperkende factor. Tijdens het Commissie-debat van 5 juli 2023 is de Kamer toegezegd om voor de gepauzeerdeprojecten te motiveren wat onze ervaringen zijn op het gebied van stikstofen welke verwachtingen we op grond van die ervaringen hebben voordeze projecten. Deze inzichten en verwachtingen zijn met de Kamergedeeld, zowel voor de gepauzeerde projecten als de acht projecten dieuitgezonderd zijn van de herprioritering13.54Vraag:Wat zijn de kosten van het terugdraaien van de versobering van degewichtscorrectie in de berekening van de motorrijtuigenbelasting (mrb)voor elektrische auto’s van de voorgenomen 25 procent terug naar 40procent gewichtscorrectie?Antwoord:In de voorjaarsnota is een tariefskorting van 40% in 2026 aflopend tot 30%in 2030 opgenomen. Na actualisatie van deze raming is er vanwege dehogere kosten voor gekozen om de tariefkorting te versoberen naar 25%tot en met 2029.Bij de keuze voor de maatvoering van 40% uit de Voorjaarsnota wordende budgettaire effecten opnieuw geraamd op basis van de meest actueleinzichten. Op basis van de huidige stand van zaken zou de maatregeldaardoor € 137 miljoen meer kosten in 2026, oplopend tot € 530 miljoenin 2030 (cumulatief ’25–’30 is dit € 1.216 miljoen). Indien compensatie vande provincies gewenst is, zijn de extra kosten voor het compenseren € 61miljoen in 2026 tot € 124 miljoen in 2030 (cumulatief ’25–’30 is dit € 483miljoen). Het totale overzicht staat weergegeven in de onderstaande tabel.12Kamerstukken 36 200 A, nr. 7813Kamerstukken 36 410 A, nr. 9Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 819 In het certificeringsproces van de raming is in de laatste fase nog eenwijziging geweest t.o.v. van de reeks uit de miljoenennota in tabel 6 (regel15 en 16). Daardoor vallen de kosten van de tariefkorting lager uit.kosten terugdraaien MN25 in mln. €prijspeil 2024, minteken (–) =saldoverslechtend/lastenverlichtend2024202520262027202820292030struc.MN25 korting 25% t/m 2029 t.o.v. geenkorting100%75%25%25%25%25%0%0%mrb korting0– 6– 203– 289– 318– 355246opcenten PF00– 96– 117– 141– 149– 1530maatvoering uit voorjaarsnota t.o.v. geenkorting100%75%40%40%40%35%30%0%mrb korting0– 44– 340– 444– 517– 512– 506– 4opcenten PF00– 157– 195– 244– 266– 2770Verschilmrb korting0– 38– 137– 155– 199– 157– 530– 10Opcenten PF00– 61– 78– 103– 117– 1240 55Vraag:Klopt het dat er nieuwe afspraken gemaakt worden over de berekeningvan de bijdrage voor de OV-studentenkaart en dat het rijk hierdoor mindergaat bijdragen aan de OV-studentenkaart?Antwoord:Het Ministerie van OCW geeft aan dat er geen nieuwe afspraken over deberekening van de bijdrage voor het studentenreisproduct zijn. HetMinisterie van OCW heeft een contract met vervoerders. Daarin isafgesproken op welke wijze de vergoeding voor het studentenreisproductwordt bepaald. Dit is niet gewijzigd.Eén van de afspraken is dat het Ministerie van OCW de kaartprijzendriejaarlijks herijkt op basis van het gemiddeld aantal gereisde kilometersvan studenten. Vorig jaar is afgesproken dat er incidenteel al na één jaarweer een nieuwe herijking zou plaatsvinden. Dit herijkingsonderzoek looptop dit moment en wordt naar verwachting eind november vastgesteld. Opdit moment is nog niet bekend welke gevolgen de herijking heeft voor devergoeding vanaf 2025.56Vraag:Hoeveel openstaande vacatures zijn er op dit moment bij IenW?Antwoord:Op dit moment staan voor IenW totaal 578 vacatures open. Dit zijn zowelde vacatures die intern IenW geworven worden, als de vacatures diebuiten IenW zijn opengesteld. Hiervan zijn 395 vacatures bij Rijkswater-staat.57Vraag:Wat zijn de gevolgen van de 22 procent korting op het ambtelijk apparaatvoor de capaciteit van het ministerie? Kunnen de onderliggende notitiesdie op het ministerie hierover zijn gemaakt met de Kamer wordengedeeld?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 820 per jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.58Vraag:Is inzichtelijk wat de gevolgen zijn van de korting van 10 procent op debrede doelen uitkering (BDU) voor het regionaal openbaar vervoer in deVervoerregio Amsterdam en de Metropoolregio Rotterdam Den Haag? Zoja, wat zijn de gevolgen?Antwoord:Aan de vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad- enstreekvervoer. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. IenW is metde vervoerregio’s in gesprek om de precieze gevolgen van deze budget-korting uit het Hoofdlijnenakkoord nader in kaart te brengen.59Vraag:Vanaf wanneer kunnen reizigers zonder in Maastricht uit te stappen omopnieuw in te checken over het gehele traject van de drielandenlijn(Luik-Maastricht-Aachen) reizen met een reisproduct?Antwoord:Op dit moment kan gebruik worden gemaakt van de reisproducten diereeds voor de start van de Drielandentrein gebruikt werden. Daarbij gaathet ook om doorgaande ticketmogelijkheden die op de internationale sitesvan de betreffende vervoerders verkrijgbaar zijn.Voor het Nederlandse en Duitse deel van de Drielandentrein kunnenreizigers al gebruik maken van een OV-chipkaart. De OV-chipkaartpalenstaan dus ook op het Duitse gedeelte van het traject. Vervoerders werkenaan de mogelijkheid om ook tussen Maastricht en Luik met eenOV-chipkaart te kunnen betalen. Wanneer OV-Pay is ingevoerd kan eenreiziger zonder opnieuw in te checken reizen op het gehele traject van deDrielandentrein. Het streven is om vanaf 2026 OV-Pay landelijk uitgeroldte hebben.60Vraag:Kan een overzicht gegeven worden van het percentage uitval van treinenop de volgende internationale trajecten?•NJ Amsterdam-Wenen/Innsbruck•NJ Amsterdam-Bazel/Zurich•ICE Amsterdam-Frankfurt•IC Amsterdam-Berlijn•IC Amsterdam-BrusselTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 821 •Eurostar Amsterdam-Parijs•Eurostar Amsterdam-LondenAntwoord:Nee, dat overzicht bestaat niet. NS rapporteert halfjaarlijks over haarprestaties zoals afgesproken in de HRN-concessie. Daaruit kan echter niettot op verbindingenniveau de prestaties van internationale treinen wordenafgelezen. ProRail maakt gebruikt van een dasboard op haar website omhaar eigen presentatieindicatoren te monitoren. Dit geeft op hoofdlijneneen beeld van de prestaties, maar geen exacte cijfers per typetreinproduct.61Vraag:Kan een actueel overzicht gegeven worden van de personeelstekorten inhet OV (machinisten, conducteurs, veiligheid en servicemedewerkers entechnisch en onderhoudspersoneel)?Antwoord:Er is geen actueel overzicht van de personeelstekorten bij alle bedrijvendie actief zijn in de OV-sector. De aanpak van de personeelstekorten ligtprimair bij de vervoersbedrijven. Zij zetten afgelopen jaar vol in opwervingscampagnes.In de ov-sector geldt dat het werknemersbestand relatief oud is. Deov-bedrijven geven aan dat er hierdoor een hoge uitstroom is en relatiefveel werknemers minder gaan werken. Ook zien zij dit als een reden vaneen relatief hoog verzuim. Door de wervingsacties wordt het personeels-bestand verjongd.Voor het stad- en streekvervoer geldt over het algemeen voor elke regiodat de instroom op peil is en er een stijgende lijn merkbaar is. Deregionale ov-bedrijven verzorgen elk meer opleidingscapaciteit en desector heeft met het CBR gezorgd voor voldoende examencapaciteit. Hetlukt de regionale vervoerders in het algemeen de uitval te beperken en deafgesproken dienstregeling te realiseren.In 2022 heeft NS een integrale aanpak opgesteld om het personeelstekorten de impact daarvan voor de reizigers zoveel mogelijk te verkleinen. Ookvoor onderhoudspersoneel is daar vorig jaar aanvullend nog een aanpakvoor opgesteld. NS rapporteert ieder kwartaal over de ontwikkelingenrond personeelscapaciteit. Door de grote wervingsinspanningen in deafgelopen periode heeft NS op dit moment voldoende capaciteit om deafgesproken dienstverlening te bieden. Bij medewerkers Veiligheid enService en bij monteurs ziet NS nog wel tekorten.Met het oog op de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt in dekomende jaren blijven de vervoerders zich inzetten op de integrale aanpakvan personeelstekorten.62Vraag:Is er een beoordeling gemaakt van wat de administratieve voordelen zijndie rechtvaardigen om de BDU te korten met 10 procent? Zo ja, kunnendeze stukken met de Kamer worden gedeeld?Antwoord:De SPUK-maatregel uit het Hoofdlijnenakkoord beoogt in algemene zin deautonomie van gemeenten te vergroten door de middelen beleids- enbestedingsvrij uit te keren en administratieve- en controlelasten teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 822 verminderen. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksre-laties is verantwoordelijk voor de uitvoering van de maatregel.De administratieve voordelen per specifieke uitkering verschillen. Er isgeen specifieke beoordeling gemaakt per specifieke uitkering. Dus ookniet voor de BDU. Er heeft geen separate beoordeling plaatsgevondennaar administratieve voordelen bij de BDU.63Vraag:Klopt het dat er door de korting op de BDU minder dienstregelingengereden kunnen worden?Antwoord:Aan de vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad enstreek. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. IenW is met devervoerregio’s in gesprek om de precieze gevolgen van deze budget-korting uit het Hoofdlijnenakkoord nader in kaart te brengen.64Vraag:Klopt het dat er door de korting op de BDU de kans bestaat dat de kaartjesextra hard stijgen? En hierdoor steeds minder mensen met het ov kunnenreizen?Antwoord:Aan de vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad- enstreekvervoer. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. IenW is metde vervoerregio’s in gesprek om de precieze gevolgen van deze budget-korting uit het Hoofdlijnenakkoord nader in kaart te brengen65Vraag:Wat voor gevolgen heeft de korting van 10 procent op de BDU optoekomstige ontsluiting van woningbouw door de vervoersregio’s?Antwoord:Aan de vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad- enstreekvervoer. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. IenW is metde vervoerregio’s in gesprek om de precieze gevolgen van deze budget-korting uit het Hoofdlijnenakkoord nader in kaart te brengen66Vraag:Op welke manier draagt de korting van 10% aan de BDU bij aan dit doeluit het regeerprogramma om het regionale OV te versterken en belang-rijke voorzieningen voor alle Nederlanders bereikbaar te houden?Antwoord:Het Ministerie van IenW draagt zorg voor een betaalbaar OV vooriedereen. Vorig jaar zijn hiertoe als gevolg van de motie Bikker c.s. veelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 823 extra middelen beschikbaar gesteld voor het regionaal OV. De korting opde BDU draagt niet bij aan het doel om het regionale OV te versterken,maar komt voort uit de SPUK-maatregel om gemeenten meer autonomieen minder verantwoordingslasten te geven over de besteding vanmiddelen.67Vraag:Welk percentage van de regionale grensoverschrijdende treinen valt uit?Kan dit per lijn in een schema worden weergegeven?Antwoord:IenW beschikt niet over de gegevens die worden gevraagd. Decentraleoverheden zijn in de meeste gevallen verantwoordelijk voor de regionaalgrensoverschrijdende lijnen, omdat deze als zodanig onderdeel zijn vaneen regionale OV-concessie of een specifieke concessie. De tweeuitzonderingen zijn Antwerpen-Roosendaal en Maastricht-Luik, die beideonderdeel zijn van de hoofdrailnetconcessie. Volgens de website vanProRail was het percentage uitgevallen treinen op het traject Antwerpen-Roosendaal in de afgelopen 12 maanden 2,1%. Voor Maastricht-Luik wasdat 11,9%. Dit hoge cijfer is vooral te wijten aan de verstoring op ditbaanvak gedurende een groot deel van juni vanwege overstromingen inBelgië.68Vraag:Wat zijn de mogelijke gevolgen van de korting van 10 procent op de BDUvoor het regionaal openbaar vervoer in de grote steden en de regioeromheen?Antwoord:Aan de vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad- enstreekvervoer. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. IenW is metde vervoerregio’s in gesprek om de precieze gevolgen van deze budget-korting uit het Hoofdlijnenakkoord nader in kaart te brengen69Vraag:Wat zijn de mogelijke gevolgen van de 10 procent korting op de BDU voorde toekomstige ontsluiting van nieuwbouwprojecten in de regio? Kan datinzichtelijk worden gemaakt per project?Antwoord:Aan de vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad- enstreekvervoer. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. IenW is metde vervoerregio’s in gesprek om de precieze gevolgen van deze budget-korting uit het Hoofdlijnenakkoord nader in kaart te brengen70Vraag:Wat is de volledig vrij besteedbare ruimte op deze begroting?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 824 In lijn met de Rijksbegrotingsvooorschriften (RBV) wordt voor debeleidsartikelen van de Hoofdstuk XII-begroting de geschatte budgetflexi-biliteit gepresenteerd voor het uitvoeringsjaar bij de artikelsgewijzetoelichting bij de begrotingsartikelen.Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:•Juridisch verplicht: Dit betreffen uitgaven die juridisch afdwingbaarzijn door een o.a. een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, eenministeriële regeling of een vastgelegde afspraak.•Bestuurlijk gebonden: Dit zijn uitgaven die volgen uit bestuursovereen-komsten, convenanten met bijvoorbeeld decentrale overheden dan welpolitieke toezeggingen.•Beleidsmatig gereserveerd: Dit houdt in dat deze budgetten benodigdzijn voor de voortzetting van het beleid, maar nog niet zijn vastgelegdin definitieve overeenkomsten. Het anders aanwenden van dezemiddelen zal wel consequenties hebben voor het kunnen realiserenvan de beleidsdoelen waarvoor de middelen nu zijn gereserveerd.•Nog niet bestemd: Deze middelen zijn nog niet concreet bestemdbinnen het betreffende beleidsterrein. Deze middelen zijn welgereserveerd voor de beleidsdoelen van het artikel. Het andersaanwenden van deze middelen zal consequenties hebben voor hetkunnen realiseren van de beleidsdoelen.Op Hoofdstuk XII is er € 3,1 miljard aan budget beschikbaar op debeleidsartikelen voor het jaar 2025. Hiervan is een bedrag van € 2,9miljard reeds juridisch verplicht, € 250 miljoen bestuurlijk gebonden en€ 24 miljoen beleidsmatig gereserveerd. Hiermee is de volledig vrijbesteedbare ruimte op deze begroting € 7,4 miljoen («nog niet bestemd»).Dit budget staat op artikel 24. De ILT verwacht dit budget volledig nodig tehebben om haar werkzaamheden conform het jaarplan 2025 uit te voeren.In onderstaande tabel is per beleidsartikel de budgetflexibiliteit inzichtelijkgemaakt.ArtikelNaam artikelBudget 2025JuridischverplichtBestuurlijkgebondenBeleidsmatiggereserveerdNog nietbestemd11Integraal Waterbeleid86.49186%0%14%0%13Bodem en Ondergrond135.19697%0%3%0%14Wegen en Verkeersveiligheid573.00090%10%0%0%16Openbaar Vervoer en Spoort81.26599%0%1%0%17Luchtvaart118.83395%4%1%0%18Scheepvaart en Havens253.37667%33%0%0%19Internationaal Beleid9.52480%0%20%0%20Lucht en Geluid72.11595%2%3%0%21Circulaire Economie120.68844%56%0%0%22Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s97.88563%37%1%0%23Meteorologie, Seismologie en Aardobservatie66.431100%0%0%0%24Inspectie Leefomgeving en Transport220.74397%0%0%3%25Brede Doeluitkering1.257.970100%0%0%0%Totaal3.093.51791%8%1%0% 71Vraag:Kunt u aangeven op welke specifieke artikelen nog vrij besteedbare ruimtezit?Antwoord:In lijn met de RBV wordt voor de beleidsartikelen van de Hoofdstuk XIIbegroting de geschatte budgetflexibiliteit gepresenteerd voor hetuitvoeringsjaar bij de artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen.Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 825 •Juridisch verplicht: Dit betreffen uitgaven die juridisch afdwingbaarzijn door een o.a. een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, eenministeriële regeling of een vastgelegde afspraak.•Bestuurlijk gebonden: Dit zijn uitgaven die volgen uit bestuursovereen-komsten, convenanten met bijvoorbeeld decentrale overheden dan welpolitieke toezeggingen.•Beleidsmatig gereserveerd: Dit houdt in dat deze budgetten benodigdzijn voor de voortzetting van het beleid, maar nog niet zijn vastgelegdin definitieve overeenkomsten. Het anders aanwenden van dezemiddelen zal wel consequenties hebben voor het kunnen realiserenvan de beleidsdoelen waarvoor de middelen nu zijn gereserveerd.•Nog niet bestemd: Deze middelen zijn nog niet concreet bestemdbinnen het betreffende beleidsterrein. Deze middelen zijn welgereserveerd voor de beleidsdoelen van het artikel. Het andersaanwenden van deze middelen zal consequenties hebben voor hetkunnen realiseren van de beleidsdoelen.Op HXII is er € 3,1 miljard aan budget beschikbaar op de beleidsartikelenvoor het jaar 2025. Hiervan is een bedrag van € 2,9 miljard reeds juridischverplicht, € 250 miljoen bestuurlijk gebonden en € 24 miljoen beleids-matig gereserveerd.Hiermee is de volledig vrij besteedbare ruimte op deze begroting € 7,4miljoen («nog niet bestemd»). Dit budget staat op artikel 24. De ILTverwacht dit budget volledig nodig te hebben om haar werkzaamhedenconform het jaarplan 2025 uit te voeren.In de bij antwoord 70 gevoegde tabel is per beleidsartikel de budgetflexi-biliteit inzichtelijk gemaakt.72Vraag:Welke begrotingsartikelen zijn beleidsmatig belegd, maar nog nietjuridisch vastgelegd?Antwoord:In lijn met de RBV wordt voor de beleidsartikelen van de Hoofdstuk XIIbegroting de geschatte budgetflexibiliteit gepresenteerd voor hetuitvoeringsjaar bij de artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen.Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:•Juridisch verplicht: Dit betreffen uitgaven die juridisch afdwingbaarzijn door een o.a. een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, eenministeriële regeling of een vastgelegde afspraak.•Bestuurlijk gebonden: Dit zijn uitgaven die volgen uit bestuursovereen-komsten, convenanten met bijvoorbeeld decentrale overheden dan welpolitieke toezeggingen.•Beleidsmatig gereserveerd: Dit houdt in dat deze budgetten benodigdzijn voor de voortzetting van het beleid, maar nog niet zijn vastgelegdin definitieve overeenkomsten. Het anders aanwenden van dezemiddelen zal wel consequenties hebben voor het kunnen realiserenvan de beleidsdoelen waarvoor de middelen nu zijn gereserveerd.•Nog niet bestemd: Deze middelen zijn nog niet concreet bestemdbinnen het betreffende beleidsterrein. Deze middelen zijn welgereserveerd voor de beleidsdoelen van het artikel. Het andersaanwenden van deze middelen zal consequenties hebben voor hetkunnen realiseren van de beleidsdoelen.Op HXII is er € 3,1 miljard aan budget beschikbaar op de beleidsartikelenvoor het jaar 2025. Hiervan is een bedrag van € 2,9 miljard reeds juridischTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 826 verplicht, € 250 miljoen bestuurlijk gebonden en € 24 miljoen beleids-matig gereserveerd.Hiermee is de volledig vrij besteedbare ruimte op deze begroting € 7,4miljoen («nog niet bestemd»). Dit budget staat op artikel 24. De ILTverwacht dit budget volledig nodig te hebben om haar werkzaamhedenconform het jaarplan 2025 uit te voeren.In de bij vraag 70 gevoegde tabel is per beleidsartikel de budgetflexibiliteitinzichtelijk gemaakt.73Vraag:Op welke begrotingsartikelen zijn bedragen bestuurlijk vastgelegd?Antwoord:In lijn met de RBV wordt voor de beleidsartikelen van de Hoofdstuk XIIbegroting de geschatte budgetflexibiliteit gepresenteerd voor hetuitvoeringsjaar bij de artikelsgewijze toelichting bij de begrotingsartikelen.Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:•Juridisch verplicht: Dit betreffen uitgaven die juridisch afdwingbaarzijn door een o.a. een verdrag, een wet, een koninklijk besluit, eenministeriële regeling of een vastgelegde afspraak.•Bestuurlijk gebonden: Dit zijn uitgaven die volgen uit bestuursovereen-komsten, convenanten met bijvoorbeeld decentrale overheden dan welpolitieke toezeggingen.•Beleidsmatig gereserveerd: Dit houdt in dat deze budgetten benodigdzijn voor de voortzetting van het beleid, maar nog niet zijn vastgelegdin definitieve overeenkomsten. Het anders aanwenden van dezemiddelen zal wel consequenties hebben voor het kunnen realiserenvan de beleidsdoelen waarvoor de middelen nu zijn gereserveerd.•Nog niet bestemd: Deze middelen zijn nog niet concreet bestemdbinnen het betreffende beleidsterrein. Deze middelen zijn welgereserveerd voor de beleidsdoelen van het artikel. Het andersaanwenden van deze middelen zal consequenties hebben voor hetkunnen realiseren van de beleidsdoelen.Op HXII is er € 3,1 miljard aan budget beschikbaar op de beleidsartikelenvoor het jaar 2025. Hiervan is een bedrag van € 2,9 miljard reeds juridischverplicht, € 250 miljoen bestuurlijk gebonden en € 24 miljoen beleids-matig gereserveerd. Hiermee is de volledig vrij besteedbare ruimte opdeze begroting € 7,4 miljoen («nog niet bestemd»). Dit budget staat opartikel 24. De ILT verwacht dit budget volledig nodig te hebben om haarwerkzaamheden conform het jaarplan 2025 uit te voeren.In de bij antwoord 70 gevoegde tabel is per beleidsartikel de budgetflexi-biliteit inzichtelijk gemaakt.74Vraag:Wat kost het om het gehele openbaar vervoer in Nederland gratis temaken?Antwoord:In heel Nederland gratis openbaar vervoer kost naar schatting zo’n € 4miljard per jaar. Niet meegenomen in deze schatting is dat gratis ov ooknieuwe kosten voor extra materieel en personeel genereert, vanwege dete verwachten toegenomen vraag naar ov. Ook zijn extra investeringen ininfrastructuur nodig om deze groei te faciliteren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 827 75Vraag:Kunt u aangeven op welke begrotingsartikelen bezuinigd wordt en daarbijook aangeven op welke specifieke onderwerpen deze bezuinigingenbetrekking hebben?Antwoord:Paragraaf 2.7 in de Ontwerpbegroting Hoofdstuk XII14 maakt inzichtelijkop welke begrotingsartikelen wordt bezuinigd en waar deze bezuinigingenbetrekking op hebben.In het hoofdlijnenakkoord is ook een apparaatstaakstelling opgenomen.Voor het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstellingmet ca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90miljoen per jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van detaakstelling (ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonder-delen van IenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaats-budgetten van 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.76Vraag:Kunt u aangeven waar de taakstelling op de ambtenaren terecht gaatkomen?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.77Vraag:Hoeveel infra- en bouwprojecten moeten gebruik maken van emmis-sieloos materieel in verband met stikstofuitstoot van het project? Is ergenoeg emmissieloos materieel voorhanden voor alle infra- en bouwpro-14Kamerstukken 36 600-XII, nr. 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 828 jecten die dit nodig hebben, rekening houdend met de planning van devoorgenomen projecten? En is er genoeg laadinfrastructuur voor ditemissieloos materieel?Antwoord:Niet elk project heeft in grote mate emissieloos materieel nodig metbijbehorende laadinfrastructuur voor een natuurvergunning. Ook deroutekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) spreekt voor eengefaseerde aanpak waarin stap voor stap toegewerkt wordt naar eenemissieloze bouwplaats. Inmiddels zijn er, mede door SEB, tientallenprojecten in Nederland waar emissieloos materieel wordt gebruikt.Opdrachtgevers bezien per project of er stikstofeffecten zijn, of eennatuurvergunning moet worden aangevraagd en hoe de inzet van metname emissieloos bouwmaterieel hierbij kan helpen.Uit doorrekeningen voor de routekaart SEB15 wordt geconcludeerd dat debrede transitie uitdagend, maar haalbaar is. Dat geldt ook voor debeschikbaarheid van materieel. De samenwerking via het SEB-netwerk(inmiddels meer dan 100 convenantpartners) en de door het Rijkbeschikbaar gestelde budgetten voor opdrachtgevers en bedrijfsleven zijndaarvoor essentieel. Laadinfrastructuur is een uitdaging en het blijft eenbelangrijke randvoorwaarde voor deze transitie. Daarin zie ik ook creatieveen pragmatische oplossingen, zoals verwisselbare batterijen of hetgebruik van bestaande grote aansluitingen en bovenleidingen. Via deNationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) wordt ook voor de bouwgewerkt aan deze opgave.78Vraag:Wat is de financiële onderbouwing/berekening bij de bedragen die staangenoemd in tabel 6 van de Miljoenennota (maatregel 15)?Antwoord:Ten eerste is de huidige raming opgesteld op basis van de meeste actueleinzichten in de ingroei van elektrische auto’s in het wagenpark, mede opbasis van realisaties van medio 2024. Dit was ten tijde van het opstellenvan de voorjaarsnota nog niet het geval. Hiervoor is de raming bijgesteld.In beide gevallen is gebruik gemaakt van het Strategisch PersonenautoRekenkader (SPARK). Dit is een micro-simulatiemodel voor langetermijn-prognoses van het personenautowagenpark in beheer van het Planbureauvoor de leefomgeving en Rijkswaterstaat.Ten tweede werd in eerste instantie in het gebruikte model niet goedrekening gehouden met het technisch meergewicht van elektrische auto’s.Hoewel het model goed rekening hield met het meergewicht in devolumedoorrekening (het aantal auto’s per jaar), zat er een fout in definanciële verwerking van dit meergewicht ten aanzien van de mrb.Hiervoor moest handmatig worden gecorrigeerd en dat is bij de meestrecente ramingen gedaan. Deze actualisatie naar de meest recenteinzichten en de modelcorrectie leidden tot de genoemde tegenvaller intabel 6.79Vraag:Hoeveel geld wordt er jaarlijks besteed voor het vrijhouden van devaargeulen in de Waddenzee?Antwoord:15Kamerstukken 31 209, nr. 244Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 829 Jaarlijks wordt er circa € 8 miljoen besteed aan het vrijhouden van devaargeulen ten behoeve van de veerverbindingen in de Waddenzee.80Vraag:Is er een tekort of overschot op de begroting voor baggerwerkzaamhedenin de Waddenzee?Antwoord:De middelen voor de baggerwerkzaamheden in de Waddenzee vallenonder instandhouding op de begroting van het Ministerie van IenW enmaken onderdeel uit van de 8-jarige afspraken tussen het Ministerie enRijkswaterstaat op gebied van instandhouding. Rijkswaterstaat maakt eenmeerjarige prognose voor de baggerwerkzaamheden binnen hetinstandhoudingsbudget, op basis van de morfologische ontwikkelingen.De maatregelen kunnen worden uitgevoerd binnen het beschikbarebudget. Er is geen sprake van een tekort of overschot.81Vraag:Welke eisen zijn er opgenomen in de prestatiecontracten voor hetbaggeren ten aanzien van breedtes en dieptes?Antwoord:De vaarwegen dienen te voldoen aan de voorgeschreven vaarwegprofielen waterbodemdiepte zoals opgenomen in het prestatiecontract. Voor devaarweg Holwerd-Ameland geldt een vaarwegbreedte van minimaal 50meter en maximaal 60 meter en een waterbodemdiepte van minimaal 3,8meter en maximaal 4 meter.82Vraag:In hoeveel van de gevallen wordt de prestatie uit het baggercontracttussen Holwerd en Ameland niet gehaald?Antwoord:Regelmatig worden door verzanding de afgesproken dimensies op devaarweg Holwerd – Ameland overschreden. Een belangrijke reden is dater een beperkt verschil is tussen de minimaal afgesproken diepte (3,8meter) en de maximaal afgesproken diepte (4 meter). Een essentieelaspect van de prestatie is het voldoen aan de respons- en hersteltijd vande opdrachtnemer van het onderhoudscontract om de ontstane veron-dieping te verwijderen. De opdrachtnemer voldoet aan deze prestatie-eisen.83Vraag:Welke boetes zijn in het prestatiecontract voor baggeren op deWaddenzee opgenomen bij onvoldoende prestatie?Antwoord:Er is geen boete opgenomen in het contract. Wel is er de mogelijkheid omde betaling op te schorten bij de constatering van een tekortkoming in denakoming van de contractuele verplichtingen door de opdrachtnemers.84Vraag:Hoe stuurt Rijkswaterstaat op het halen van de prestaties uit hetonderhoudscontract?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 830 Antwoord:De opdrachtnemer van het baggercontract stelt op basis van peilingeneen baggerprogramma op. Dit programma wordt vervolgens doorRijkswaterstaat beoordeeld en geaccepteerd. Op basis van het baggerpro-gramma voert de opdrachtnemer de onderhoudswerkzaamheden uit.Rijkswaterstaat stuurt vervolgens op de in het contract afgesprokenprestatie-eisen. Een belangrijk aspect van de prestatie is het voldoen aande respons- en hersteltijd van de opdrachtnemer om de ontstaneverondieping in de vaargeul te verwijderen. De opdrachtnemer voldoetaan deze prestatie-eisen.85Vraag:Welke mogelijkheden zijn er, om ter stimulering van het gebruik vanelektrische auto’s (EV’s), de inkomstenderving uit motorrijtuigenbelastingelders in de begroting op te vangen en welke besluitvorming ligt eraanten grondslag om dit nu niet te doen?Antwoord:Conform begrotingsregels moet de extra inkomstenderving aan deinkomstenkant van de rijksbegroting gedekt worden, zowel binnen deautobelastingen als daarbuiten. Besloten is om de extra derving op tevangen binnen de EV rijders door de MRB-correctie te versoberen. In hetvoorjaar van 2025 zal het kabinet opnieuw beoordelen of de maatvoeringvan de tariefkorting voor elektrische auto’s voldoende hoog is.86Vraag:Op welke wijze moeten de baggerwerkzaamheden worden aangepastzodat er voldoende animo is voor de verschillende concessies op deWaddenzee, en die van Holwerd naar Ameland in het specifiek?Antwoord:Het Ministerie van IenW werkt momenteel aan een Nota van Uitgangs-punten voor de toekomstige concessies van de Friese Waddenveren.Hierin worden de relevante kaders en uitgangspunten voor de toekom-stige concessies vastgelegd met onder andere als doel om duidelijkheid tebieden richting markt- en omgevingspartijen over de toekomstigeconcessies. De Nota van Uitgangspunten verwijst voor de vaargeuldi-mensies naar het Nationaal Waterprogramma en Natura 2000 beheerplan.De Nota van Uitgangspunten vormt vervolgens de basis voor het op testellen Programma van Eisen voor de concessies.87Vraag:Op welke wijze moet het prestatiecontract worden aangepast zodat er eenveerdienst kan plaatsvinden tussen 6:00 en 20:00 uur ’s avonds tussenHolwerd en Ameland? Wat zijn de kosten van het uitbreiden van dezebaggerwerkzaamheden?Antwoord:In 2024 vindt een dienstregeling plaats tussen 6:00 uur en 20:00 uur. Dedienstregeling wordt door de rederijen jaarlijks in het vervoersplanvastgesteld en goedgekeurd door de Staatssecretaris. Het prestatiecon-tract voor de baggerwerkzaamheden met de bijbehorende kosten heeftgeen invloed op de dienstregeling.88Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 831 Hoe is het kabinet voornemens de 2,5 miljard euro voor infrastructuur enwoningbouw te gaan verdelen en inzetten?Antwoord:De € 2,5 miljard die door dit kabinet is gereserveerd wordt beschikbaargesteld voor infrastructuur ten behoeve van het ontsluiten van (nieuwe)woningbouwlocaties. De inzet van de middelen wordt momenteeluitgewerkt. Dit wordt gedaan na overleg met de Minister van VRO. In debestuurlijke overleggen MIRT 2024 maakt het Ministerie van IenWprocesafspraken met de regio’s over de uitwerking. In de bestuurlijkeoverleggen MIRT 2025 worden vervolgens financiële afspraken gemaaktmet de regio’s. Uw Kamer wordt hierover voor het Commissiedebat MIRTgeïnformeerd.89Vraag:Welke meerwaarde heeft onderbrengen van de Brede DoeluitkeringRampenbestrijding (BDUR) voor de vervoersregio’s bij Provinciefonds enwelke bij het Gemeentefonds?Antwoord:De Brede Doeluitkering Rampenbestrijding maakt onderdeel uit van debegroting van JenV. Deze vraag kan bij de behandeling van die begrotingworden gesteld. Indien de BDU bedoeld wordt, zie onder andere deantwoorden op de vragen 58 en 62 t/m 66.90Vraag:Kunt u aangeven hoeveel minder we moeten baggeren in de vaargeulnaar Ameland, als er een frequente lichte veerboot voor eilanders entoeristen zonder auto komt, met een minder frequente veerboot (bij vloed)voor vracht? Wat zouden hiervan de gevolgen zijn voor de ecologie? Watis het verschil in kosten voor Rijkswaterstaat?Antwoord:Dit alternatief, met een combinatie van kleinere veerboten voorvoetgangers en een veerboot op tij voor vracht, is niet als alternatiefonderzocht binnen het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland 2030.Het is nu niet mogelijk om voor dit alternatief de gevolgen op ecologie enkostenreductie voor Rijkswaterstaat in te schatten.91Vraag:Hoe denkt u dat met het overhevelen van de BDUR naar Gemeentefondsof Provinciefonds een efficiëntieslag gemaakt kan worden en is de huidigefinancieringsconstructie niet juist efficiënter?Antwoord:De Brede Doeluitkering Rampenbestrijding maakt onderdeel uit van deBegroting van JenV. Deze vraag kan bij de behandeling van die begrotingworden gesteld. Indien de BDU bedoeld wordt, zie onder andere deantwoorden op de vragen 58 en 62 t/m 66.92Vraag:Realiseert u zich dat met het onderbrengen van de BDUR voor devervoersregio’s bij Provinciefonds een wettelijk vastgelegd kader moetworden aangepast?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 832 De Brede Doeluitkering Rampenbestrijding maakt onderdeel uit van deBegroting van JenV. Deze vraag kan bij de behandeling van die begrotingworden gesteld. Indien de BDU bedoeld wordt dan is het Ministerie vanIenW zich ervan bewust dat een wettelijke kader moet worden aangepast.93Vraag:Welk overleg heeft er tot nu toe plaats gevonden met de betrokken lokaleen regionale overheden over de toekomstige oplossingen voor devaargeulproblematiek Ameland en wat is daaruit gekomen en meegedaan?Antwoord:Met de lokale en regionale overheden vindt er regulier periodiek overlegplaats over de bereikbaarheid van de Waddeneilanden. Specifiek voorAmeland is de regio nauw betrokken bij het Vervolgonderzoek Bereik-baarheid Ameland (VBA) 2030. Het onderzoek is afgerond en de Kamer isover de uitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd16. Momenteel is hetministerie zich aan het beraden over het vervolg. Alvorens er een besluitgenomen wordt, gaat de Minister eerst in overleg met de lokale enregionale overheden.94Vraag:Wat is de reden dat het ministerie nog geen oplossing biedt voor hetprobleem dat de watertaxi momenteel niet in het donker kan varen tussenAmeland en het vasteland?Antwoord:De watertaxi kan zowel overdag als ’s nachts varen tussen Ameland en hetvaste land. Vanuit het ministerie worden daarvoor geen belemmeringenopgeworpen. Wel dient de watertaxi zich ’s nachts te houden aan degeldende maximumsnelheid van 20 kilometer per uur. Naar aanleidingvan de OVV-aanbevelingen over ernstige ongevallen met watertaxi’s kijkthet ministerie momenteel in overleg met alle belanghebbende partijennaar de mogelijkheden om veilig varen op de Waddenzee te bevorderen.Daarbij wordt ook bezien hoe zich dit verhoudt tot de wens om ‘s nachtssneller dan de huidige maximumsnelheid te mogen varen en devoorwaarde dat nachtelijk snelvaren geen negatieve effecten op de natuurheeft.95Vraag:Welk overleg heeft er tot nu toe plaatsgevonden met de eilanders en deondernemers over de toekomstige oplossingen voor de vaargeulproble-matiek Ameland en wat is daaruit gekomen en mee gedaan?Antwoord:Binnen het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland (VBA) 2030 is deomgeving actief betrokken middels informatieavonden, inloopdagen,adviesgroepen en nieuwsbrieven e.d. Na afronding is de Kamer over deuitkomsten van dit onderzoek geïnformeerd17.96Vraag:16Kamerstukken 23 645, nr. 81017Kamerstukken 23 645, nr. 810Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 833 Hoe worden de gemeenten en bewoners van de Waddeneilandenbetrokken bij de totstandkoming van nieuwe concessies voor de Wadden-veren? Komen er ook inspraakavonden op de eilanden zelf?Antwoord:Er is, met inbreng van regionale overheden en consumentenorganisaties,een participatie- en communicatieplan opgesteld. Dit ziet toe op hetbetrekken van verschillende belanghebbenden bij de voorbereiding vande nieuwe concessies. Daarbij kan gedacht worden aan adviessessies metonder andere decentrale overheden en consumentenorganisaties en eenconsultatie over het nog op te stellen concept Programma van Eisen. HetMinisterie van IenW zal ook de komende periode nogmaals openbarebijeenkomsten houden op de eilanden en op het vasteland.97Vraag:Wanneer gaat het besluit over de oplossing van de vaargeulproblematiekAmeland genomen worden?Antwoord:Het Vervolgonderzoek Bereikbaarheid Ameland (VBA) 2030 is vorig jaarafgerond. De Kamer is per brief geïnformeerd over de uitkomsten vanVBA 203018. Momenteel beraadt het ministerie zich over het vervolg.Alvorens er een besluit genomen wordt, gaat de Minister eerst in overlegmet de lokale en regionale overheden.98Vraag:Wat is de stand van zaken met betrekking tot de vaargeul Boontjes? Welkeplannen zijn daarvoor?Antwoord:Op 20 juni is de Tweede Kamer geïnformeerd middels de Verzamelbriefi.r.t. MIRT19 over de stand van zaken rondom de onderhoudsdiepte vanvaargeul de Boontjes. De onderhoudspilot, mits veilig uitvoerbaar, wordtvoortgezet tot en met 2027. Rijkswaterstaat zal afspraken maken met deprovincie Friesland en de regionale stakeholders over hun rol en bijdrageaan de pilot en de uit te voeren onderzoeken ten behoeve van het beheerna 2027.99Vraag:Kunt u de Kamer informeren over hoeveel winst de uitbaters van deconcessie van de Waddenveren hebben gemaakt en of dit in lijn is met deeerdere afspraken hierover?Antwoord:Het Ministerie van IenW heeft twee concessies verleend voor hetpersonenvervoer tussen het vaste land en de Friese Waddeneilanden(Waddenveren West en Oost). In deze concessies staan afspraken overonder meer de financiële verantwoording van de rederijen. In artikel 11van de concessies staat dat de rederijen niet meer winst mogen behalendan een redelijk rendement. Dit wordt ieder jaar door het Ministerie vanIenW gecontroleerd. Indien de rederijen het redelijk rendement weldreigen te overschrijden, dienen zij het vervoerplan of de tarieven aan tepassen zodat dit niet het geval zal zijn.18Kamerstukken 23 645, nr. 81019Kamerstukken 36 410 A nr. 61Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 834 De exacte financiële cijfers zijn bedrijfsvertrouwelijk en kunnen niet metde Kamer worden gedeeld. De afgelopen jaren hebben de rederijen steedsvoldaan aan de gemaakte financiële afspraken van de concessies. DeTweede Kamer wordt daar periodiek over geinformeerd.100Vraag:Wat zijn de knelpunten in de vaargeul Lauwersoog – Schiermonnikoog (DeGlinder en Groote Siege)? Wat zijn de plannen om het op te lossen?Antwoord:In de vaargeul Lauwersoog-Schiermonnikoog is het in de geulen DeGlinder en in de Groote Siege nodig om met baggeren de vaargeul opvoldoende diepte te houden voor de veerboten. De verkeersintensiteit isin deze geul relatief laag en de betrouwbaarheid van de veerverbindingstaat op dit moment niet onder druk. Het is niet de verwachting dat er opkorte termijn problemen zullen ontstaan op deze verbinding.101Vraag:Waarom kan er in de vaarroute van de haven van Ameland naar deNoordzee (tussen Terschelling en Ameland) niet snel worden gevaren?Antwoord:Op de Waddenzee geldt dat op een aantal aangewezen vaargeulen,waaronder de veerbootroutes van en naar de Waddeneilanden, hardergevaren mag worden dan 20 kilometer per uur. In de nacht mogen snellemotorboten, waaronder de watertaxi, maximaal 20 kilometer per uurvaren. Dit is zo bepaald in de Regeling snelle motorboten Rijkswateren1995 en ingegeven vanuit de scheepvaartverkeersveiligheid. In geval vancalamiteiten geldt een uitzondering. Dan mag naar het oordeel van debevoegde autoriteit van de maximum vaarsnelheid worden afgeweken.Om buiten de uitzonderingsgevallen in de nachtelijke uren toch snellerdan 20 kilometer per uur te mogen varen is een wijziging van de Regelingsnelle motorboten Rijkswateren 1995 vereist en ook een omgevingsver-gunning van het bevoegd gezag (naar aanleiding van een uitgevoerdepassende beoordeling).102Vraag:Kunt u aangeven wat de gevolgen van de nieuwe mrb-plannen voor EVzijn voor de instroom van nieuwe EV’s en de uitstroom van tweedehandsEV’s uit Nederland?Antwoord:De korting voor EV’s in de mrb loopt zonder aanvullend beleid in 2025 af.De tariefkorting van 25% maakt de aanschaf van zowel nieuwe alstweedehands elektrische personenauto’s aantrekkelijker dan zonder de25% korting. Algemeen geldt dat een hogere mrb voor elektrische auto’sdan voor een vergelijkbare benzineauto, vooral impact heeft op particu-lieren die een gebruikte of nieuwe elektrische auto rijden anders dan eenlease auto. Verwacht wordt dat de instroom lager wordt en de exportgroter.103Vraag:Wat zijn de kosten voor Schiphol, het rijk en de Provincie Flevoland vanhet tot 2025 laten wachten met een definitief besluit over Lelystad Airport?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 835 Lelystad Airport heeft aangegeven dat elk jaar dat er geen groothandels-verkeer gebruik maakt van de luchthaven dit de Royal Schiphol Group€ 10 miljoen per jaar kost. Geen groothandelsverkeer op de luchthavenbetekent gederfde inkomsten van circa € 18 miljoen per jaar voor LelystadAirport. Dit bestaat uit o.a. havengelden, parkeer- en horecainkomsten.Naast de eerder gedane investeringen, zijn de huidige jaarlijkse kostenvoor de provincie Flevoland € 0,6 miljoen (dit bestaat uit de AirportExpress, geluidmeetnetwerk, ambtelijke kosten, proceskosten ensubsidies).Binnen het Rijk worden er beperkt apparaatskosten gemaakt, exacte cijferszijn hier niet van te geven. Wat betreft de luchtverkeersleiding (LVNL)geldt dat de kosten voor de verkeerstoren van Lelystad Airport gedektworden vanuit een financiële reservering binnen de LVNL organisatie. Uithet jaarverslag 2023 van de LVNL blijkt dat dit een bedrag van € 4,5miljoen betrof bestaande uit o.a. personeelskosten, huur en onderhouds-kosten aan systemen/apparatuur. Bij opening voor groothandelsverkeerworden deze kosten volledig verrekend in de tarieven voor luchtvaart-maatschappijen.104Vraag:Hoeveel grond rond Schiphol zou beschikbaar komen voor woningbouwen bedrijvigheid als we alle geplande geluidsmaatregelen nemen én hetaantal vluchten met nog eens 20 procent laten afnemen? Wat is de waardevan die grond die nu niet gebruikt mag worden voor wonen of werken?Hoeveel woningen zouden we hier kunnen bouwen?Antwoord:De ruimtelijke beperkingen rond Schiphol zijn vastgelegd in het Luchtha-venindelingbesluit Schiphol (LIB). Daarin zijn de ruimtelijke contourenrond Schiphol vastgelegd voor veiligheid en geluidshinder. De verschil-lende zones rond de luchthaven bieden verschillende mate vanbescherming. Het besluit van het kabinet om geluidmaatregelen te nemenmoet vooral ten goede komen aan de mensen die nu al in de omgevingvan Schiphol wonen. Hiervoor loopt een Europese procedure ten bate vande vermindering van de geluidsbelasting (de balanced approach-procedure). Een deel van de resultaten hiervan worden vastgelegd in eenLuchthavenverkeerbesluit (LVB), niet in het LIB. Het LVB heeft dus niet hetdoel om extra woningbouw dicht bij de luchthaven mogelijk te maken.Het LIB zal worden gewijzigd in het kader van de vernieuwing van hetgeluidsstelsel rond Schiphol. Er is geen inschatting te maken van degrondwaarde en aantallen woningen, omdat de ruimte die eventueel vrijzou komen samenhangt met de mate van bescherming die wordttoegekend bij een wijziging van de ruimtelijke beperkingen. Een reductievan het aantal vluchten leidt niet één op één tot meer mogelijkheden omwoningen te bouwen.105Vraag:Van welk verschil in gewicht van emissievrije auto’s werd en wordtuitgegaan bij de berekening van de gewichtscorrectie en dus hetpercentage korting op de motorrijtuigenbelasting?Antwoord:De meerkosten in de motorrijtuigenbelasting voor een elektrischepersonenauto vergeleken met een vergelijkbare benzine personenautoverschillen per automodel. Het hangt onder andere af van het de omvangvan het accupakket en of een automodel net wel of net niet gunstig valt inde tarieftabel van de motorrijtuigenbelasting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 836 Een korting van 25% is niet voldoende om het technisch meergewicht tecorrigeren. Voor sommige elektrische personenauto’s is een tariefkortingvan 30% voldoende. Om voor alle elektrische personenauto’s ervoor tezorgen dat de motorrijtuigenbelasting niet hoger ligt dan voor verge-lijkbare benzinepersonenauto’s, is een tariefkorting van 40% nodig. Hierstaat tegenover dat bij een tariefkorting van 40% er ook elektrischepersonenauto’s zullen zijn die een hogere korting krijgen dan enkel decorrectie voor het technisch meergewicht.106Vraag:In hoeverre bekijkt de Minister alsnog de mogelijke opening van LelystadAirport voor commerciële vluchten, terwijl er een motie (Kamerstuk32 813, nr. 1348) ligt met de oproep om dit niet te doen?Antwoord:Door verschillende belangengroepen is tijdens de formatie en deuitwerking van het Regeerprogramma aandacht gevraagd voor LelystadAirport. Het kabinet maakt daaruit op dat er grote behoefte is aanduidelijkheid. Daarom is in het Regeerprogramma opgenomen dat hetkabinet in 2025 een besluit gaat nemen. Het kabinet is ook op de hoogtevan de motie. Deze zal betrokken worden in de besluitvorming.107Vraag:Met welke belanghebbende partijen bent u precies van plan nauw contactte onderhouden rondom het Schiphol-dossier?Antwoord:Het Ministerie van IenW houdt in het Schipholdossier met diversegroepen belanghebbenden contact. Dat is van belang om alle belangengoed te kunnen wegen. Met de luchtvaartsector is er contact via Schipholen onderhoudt IenW contact met verschillende in Nederland gevestigdevliegtuigmaatschappijen. Met LVNL als uitvoeringsorganisatie en ILT alstoezichthouder is er doorlopend contact. In de bestuurlijke kolom iscontact met de Bestuurlijke Regie Schiphol (BRS). De BRS vertegen-woordigt de 54 gemeenten en 4 provincies die binnen de invloedsfeer vanSchiphol liggen. En uiteraard zijn voor het ministerie omwonenden heelbelangrijk. Zij worden vertegenwoordigd in de Maatschappelijke RaadSchiphol (MRS). Daarnaast kan gedacht worden aan organisaties zoalsNatuur en Milieu. Op internationaal vlak heeft IenW contact met Europeselidstaten, geïnteresseerde landen buiten de EU en internationale airlinesdie belangen hebben in dit dossier.108Vraag:Op bladzijde 21 wordt er in tabel 11 weergegeven dat er 100 miljoen eurozal gaan naar «klimaatneutrale en circulaire infrastructuur»; is er eenoverzicht van de projecten/organisaties die financiële middelen gaanontvangen uit dit deel van de begroting, en kunnen de gereserveerdebedragen worden weergegeven in de tabel?Antwoord:De € 100 miljoen is afkomstig uit het Klimaatfonds. Het bedrag isgereserveerd om Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten in degelegenheid te stellen duurzame asfaltmengsels uit te vragen. De marktvraagt de overheid om hierin het voortouw te nemen. Op dit momentwordt uitgewerkt hoe en bij welke projecten dit budget het meest effectiefen efficiënt kan worden ingezet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 837 109Vraag:Hoe staat het met de landelijke wetgeving rondom de borging van de 33structurerende keuzes uit het programma Water en Bodem Sturend(WBS)?Antwoord:De manier waarop het belang van het water- en bodemsysteem, enspecifiek de 33 structurerende keuzes uit het programma Water en BodemSturend, worden geborgd is uitgewerkt in de borgingskalender. Die is injuni 2024 naar de Kamer gestuurd20. Daarnaast wordt gewerkt aan eenuitwerking van artikel 5.37 Weging Waterbelang van het Besluit KwaliteitLeefomgeving onder de Omgevingswet. Ook is het landelijk afwegings-kader voor klimaatadaptieve bebouwde omgeving vastgesteld (hiermee isinvulling gegeven aan de motie Grinwis). Dit kader geeft aan waargebouwd kan worden. Om te bepalen hoe dan vervolgens klimaatadaptiefgebouwd kan worden is de landelijke maatlat ontwikkeld. Dit alles innauwe samenwerking met provincies, gemeenten en waterschappen.110Vraag:Waarom staat er op pagina 27 dat er -46.184 miljoen euro gaat naar detaakstellingen hoofdlijnenakkoord en op pagina 40 dat de totaletaakstelling -51.184 miljoen is? Wat verklaart dit verschil?Antwoord:Op pagina 27 staat abusievelijk het verkeerde bedrag opgenomen. In datbedrag is de taakstelling van € 5 miljoen op de Klimaatfondsmiddelenvoor waterstof en batterijen niet meegenomen. Op pagina 40 staat hetjuiste bedrag.111Vraag:Waardoor is er onzekerheid over de voorschotbetalingen voor hetMaritiem Masterplan?Antwoord:Vanwege de openstellingstermijn in de regeling (tot 1 oktober 2024) isonzeker welk deel van het beschikbare budget nog in 2024 bevoorschotzou kunnen worden en welk deel ten laste van 2025 zou komen. Om deuitbetaling van de voorschotten mogelijk te maken is besloten deuitbetaling van de voorschotten vanaf 2025 te laten starten en zijn debetreffende kasverschuivingen doorgevoerd.112Vraag:Wat zijn deze meest actuele inschattingen van de RVO, waardoor er intotaal 71,3 miljoen euro van 2024 en 2025 naar 2027 en 2028 wordtgeschoven?Antwoord:Deze middelen voor de Subsidieregeling Private Laadinfrastructuur bijbedrijven (SPRILA) zijn afkomstig uit het Klimaatfonds en zijn opgenomenin het fiche Laadinfrastructuur voor wegvoer (2023). De financiële reeksenuit het fiche zijn begin 2024 in overleg met het fondsbeheer van hetKlimaatfonds aangepast om beter aan te sluiten op de behoeften van demarkt en de uitvoering van de subsidieregeling door RVO. BijVoorjaarsnota 2024 zijn de middelen overgeboekt naar het instrument20Kamerstukken 27 625, nr. 670Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 838 «subsidies» (verplichtingen is kas). Daarna is tijdens het uitwerken van desubsidieregeling in overleg met RVO besloten tot een (regulier) systeemvan subsidiebevoorschotting, waardoor er over de jaren heen een verschilin verloop van de kasuitgaven ontstaat tussen de verplichtingen- enkasreeksen. De realisatietermijn van laadinfrastructuur is maximaal driejaar en aanvragers krijgen de helft van de subsidie pas na afronding vande realisatie. Ook vanwege het recente besluit dat middelen uit hetKlimaatfonds niet over de jaargrens heen mogen worden geschoven, is erdaarom kasgeld van 2024 naar 2027, en van 2025 naar 2028 verplaatst. Eris voor de SPRILA een kasschuif opgenomen in de Ontwerpbegroting2025 die aansluit op voorgaande punten en aansluit op de prognose vanRVO (schatting voor dit jaar is zo’n € 11 miljoen aan kasuitgaven). Dezesubsidieregeling is nieuw. Bij Voorjaarsnota 2025 zullen de middelenverder in lijn worden gebracht met de dan actuele standen en inzichten.113Vraag:Wat zijn de mogelijke risico’s van het samenvoegen van alle voorschotbe-talingen voor het Maritiem Masterplan in 2025?Antwoord:Het risico bestaat dat als voorschot betalingen in een ander jaar dan 2025nodig zijn, het budget niet direct beschikbaar is. In dat geval is er eenaanvullende kasschuif nodig.114Vraag:Welke begrotingsposten binnen de stikstofmiddelen worden aange-sproken om de 42,7 miljoen euro voor de verduurzaming van de zeevaartte financieren en wat zijn de gevolgen voor andere projecten binnen diepost?Antwoord:In de kamerbrief van 25 november 202221 is aangekondigd dat € 200miljoen wordt gereserveerd voor specifieke stikstofmaatregelen voorindustrie, bouw en mobiliteit. De € 42,7 miljoen komt uit deze reservering.De reservering is onderdeel van de € 600 miljoen die beschikbaar isgesteld voor het versterken van de bronmaatregelen om stikstofuitstoot teverminderen. Daarvan was € 500 miljoen afkomstig uit reservemiddelenvan de structurele aanpak stikstof, en € 100 miljoen vanuit de middelendie eerder gereserveerd waren voor de Natuurcompensatiebank. De inzetvan € 42,7 miljoen voor de verduurzaming van de zeevaart -en havensgaat niet ten koste van andere maatregelen.115Vraag:Welke andere begrotingen ontvangen naast het Provinciefonds nogmiddelen vanuit Hoofdstuk XII?Antwoord:Vanuit de begroting van Hoofdstuk XII worden het Mobiliteitsfonds en hetDeltafonds gevoed die onder de verantwoordelijkheid van de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat vallen. De bijdragen voor deze Fondsenverloopt via artikel 26 van Hoofdstuk XII.Verder boekt IenW budget over naar andere begrotingen via interdeparte-mentale overboekingen, deze budgetten worden dan niet meer getoond inde budgettaire tabellen van Hoofdstuk XII.21Kamerstukken 34 682, nr. 108Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 839 Met de ontwerpbegroting 2025 heeft IenW geld overgeboekt naar devolgende begrotingen:VIIBinnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesVIIIOnderwijs, Cultuur en WetenschapIXFinanciën en nationale SchuldXIIIEconomische ZakenXIVLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en NatuurXVIVolksgezondheid, Welzijn en Sport116Vraag:Wat kost het om de tarieven voor treintickets van NS te bevriezen?Antwoord:Bij deze vraag wordt ervan uitgegaan dat wordt beoogd om in 2025 geentariefstijging door te voeren ten opzichte van het tariefniveau van 2024, endat dit volledig (door de overheid) wordt gecompenseerd. Het voorkomenvan de oorspronkelijk door NS geplande inhaalindexatie voor 2024 (ca.8,7%) kost € 125 miljoen per jaar. Als ook de verwachte regulieretariefstijging van 3,2% wordt voorkomen, leidt dit tot een aanvullendeopbrengstenderving van ongeveer € 70 miljoen per jaar. Een groveinschatting van de totale financiële consequenties is dus € 195 miljoenstructureel per jaar.117Vraag:Wat kost het om de tarieven van treintickets van NS 10 procent goedkoperte maken?Antwoord:Het is ingewikkeld om dit op korte termijn te kwantificeren omdat er teveel variabelen zijn waar rekening mee gehouden dient te worden. Zozullen naar verwachting bij een tariefverlaging van 10 procent dereizigersopbrengsten aanzienlijk dalen. Maar er zal ook sprake zijn vanmeer reizigers, waardoor de lagere reizigersopbrengsten deels wordengedempt. Daar staat tegenover dat deze hogere reizigersaantallen zullenleiden tot een stijging van de kosten voor de personeels- en materiee-linzet. Bovendien zullen er mogelijk aanvullende investeringen nodig zijnin rollend materieel en infrastructuur om de gestegen vervoersvraag op tevangen. Dit zijn slechts een aantal variabelen die benodigd zijn om hiereen volledig en gekwantificeerd antwoord op te geven.118Vraag:Wat kost het om de tarieven van treintickets van NS 20 procent goedkoperte maken?Antwoord:Het is ingewikkeld om dit op korte termijn te kwantificeren omdat er teveel variabelen zijn waar rekening mee gehouden dient te worden. Zozullen naar verwachting bij een tariefverlaging van 20 procent dereizigersopbrengsten aanzienlijk dalen. Maar er zal ook sprake zijn vanmeer reizigers, waardoor de lagere reizigersopbrengsten deels wordengedempt. Daar staat tegenover dat deze hogere reizigersaantallen zullenleiden tot een stijging van de kosten voor de personeels- en materiee-linzet. Bovendien zullen er mogelijk aanvullende investeringen nodig zijnin rollend materieel en infrastructuur om de gestegen vervoersvraag op tevangen. Dit zijn slechts een aantal variabelen die benodigd zijn om hiereen volledig en gekwantificeerd antwoord op te geven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 840 119Vraag:Wat kost het om de tarieven van treintickets van NS 50 procent goedkoperte maken?Antwoord:Het is ingewikkeld om dit op korte termijn te kwantificeren omdat er teveel variabelen zijn waar rekening mee gehouden dient te worden. Zozullen naar verwachting bij een tariefverlaging van 50 procent dereizigersopbrengsten aanzienlijk dalen. Maar er zal ook sprake zijn vanmeer reizigers, waardoor de lagere reizigersopbrengsten deels wordengedempt. Daar staat tegenover dat deze hogere reizigersaantallen zullenleiden tot een stijging van de kosten voor de personeels- en materiee-linzet. Bovendien zullen er mogelijk aanvullende investeringen nodig zijnin rollend materieel en infrastructuur om de gestegen vervoersvraag op tevangen. Dit zijn slechts een aantal variabelen die benodigd zijn om hiereen volledig en gekwantificeerd antwoord op te geven.120Vraag:Hoeveel fte wordt er wegbezuinigd bij het KNMI?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.121Vraag:Welke taken kunnen niet meer worden uitgevoerd door de bezuinigingenbij het KNMI?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitieveTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 841 keuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.122Vraag:Hoeveel fte wordt er wegbezuinigd bij het ILT?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.123Vraag:Welke taken en/of controles kunnen niet meer worden uitgevoerd door debezuinigingen bij de ILT?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.124Vraag:Hoeveel fte wordt er wegbezuinigd bij het kerndepartement?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 842 per jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. In dit proces wordtook invulling gegeven aan het uitgangspunt in het Hoofdlijnenakkoord datde uitvoering wordt ontzien. Daarbij zal in ieder geval bijzondere aandachtzijn voor de publieksfuncties. De financiële uitwerking van de definitievekeuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaakstelling wordt bijVoorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op dit moment kan dus nogniet worden aangegeven wat de precieze gevolgen zijn in termen vanminder fte en/of taken voor de onderscheiden onderdelen van IenW.125Vraag:Welke taken kunnen niet meer worden uitgevoerd door de bezuinigingenbij het kerndepartement?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. Voorwaarde is datde burger hier geen last van ondervindt en blijvend kan rekenen op eengoede dienstverlening vanuit het ministerie. De financiële uitwerking vande definitieve keuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaak-stelling wordt bij Voorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op ditmoment kan dus nog niet worden aangegeven wat de precieze gevolgenzijn in termen van minder fte en/of taken voor de onderscheiden onder-delen van IenW.126Vraag:Welke subsidies en specifieke uitkeringen (SPUK’s) worden precieswegbezuinigd en wat zijn daarvan de consequenties?Antwoord:Zoals opgenomen in het hoofdlijnenakkoord stopt de subsidie voor deaanschaf van elektrische personenauto’s per 2025. Met ingang van 2025kunnen dus geen nieuwe aanvragen worden ingediend. De subsidietaak-stelling uit het hoofdlijnenakkoord van het kabinet-Schoof is naar ratoverwerkt in de begroting. Naar aanleiding van de verdere uitwerking vanhet regeerprogramma zal de subsidietaakstelling mogelijk nog wordenherschikt in de 1e suppletoire begroting in 2025. De subsidietaakstellingen budgetkorting uit het hoofdlijnenakkoord op de specifieke uitkeringenleiden vooralsnog niet tot het wegbezuinigen van specifieke uitkeringen ofsubsidies anders dan genoemd in het Hoofdlijnenakkoord.127Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 843 Welke regeling voor bodemsanering wordt overgeheveld naar hetGemeente- en Provinciefonds, waarom en om welk bedrag gaat ditprecies?Antwoord:Op dit moment wordt door de Minister van BZK een afwegingskaderopgesteld om per regeling die is opgenomen in de grondslag te bepalenof de betreffende regeling kan worden overgeheveld naar de fondsen. Watbetreft bodemsanering gaat het om de Tijdelijke regeling uitkering bodem2024–2030. Deze regeling heeft een gemiddeld jaarlijks budget van € 70,6miljoen. De bedoeling is dat het afwegingskader in overleg metgemeenten, waterschappen, provincies wordt ingevuld en uiteindelijk terbesluitvorming aan ministerraad wordt voorgelegd. De eventueleconsequenties (en wenselijkheid van overheveling) voor deze regelingworden dus nog in beeld gebracht.128Vraag:Waarom vindt de overheveling van specifieke uitkeringen, waaronder deregeling voor bodemsanering, naar het Gemeente- en Provinciefonds pasop een later moment plaats en wanneer dan precies?Antwoord:Op dit moment wordt door de Minister van BZK een afwegingskaderopgesteld om per regeling die is opgenomen in de grondslag te bepalenof de betreffende regeling kan worden overgeheveld naar de fondsen. Debedoeling is dat het afwegingskader in overleg met de koepels enontvangers wordt ingevuld en ter besluitvorming aan ministerraad wordtvoorgelegd. Het voortzetten van bestaande specifieke uitkeringen ennieuwe specifieke uitkeringen is alleen mogelijk op basis van eenkabinetsbesluit. Om ruimte te hebben om dit proces zorgvuldig te kunnendoorlopen is overheveling van specifieke uitkeringen vanaf 2026 voorzien.In overleg met VNG, IPO en de vervoerregio’s wordt verkend welkespecifieke uitkeringen in aanmerking komen voor de omzetting enwaarvoor een uitzondering nodig is.129Vraag:Welke problemen worden verwacht ten gevolge van de structurelevermindering van de apparaatsuitgaven met 22%?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. Voorwaarde is datde burger hier geen last van ondervindt en blijvend kan rekenen op eengoede dienstverlening vanuit het ministerie. De financiële uitwerking vande definitieve keuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaak-stelling wordt bij Voorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op ditmoment kan dus nog niet worden aangegeven wat de precieze gevolgenzijn in termen van minder fte en/of taken voor de onderscheiden onder-delen van IenW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 844 130Vraag:Ten behoeve van welk doel wordt het subsidiebudget met ca. 25 miljoenper jaar verlaagd?Antwoord:De verlaging van het subsidiebudget is het gevolg van de generieketaakstelling op subsidies zoals deze in de budgettaire bijlage bij hethoofdlijnenakkoord is opgenomen22.131Vraag:Welke problemen worden verwacht als er bij de regelingen niet meervoldoende budgettaire ruimte aanwezig is om de verlaging van desubsidies op te vangen?Antwoord:Bij de inpassing van de subsidietaakstelling wordt rekening gehouden metde lopende regelingen. Er worden daarom geen majeure problemenverwacht vanwege onvoldoende budgettaire ruimte bij bestaanderegelingen.132Vraag:Kunt u in detail aangeven over welke programmaonderdelen detaakstelling van 130 miljoen euro op SPUK’s wordt verdeeld, en in welkeverhouding?Antwoord:In de bij dit antwoord gevoegde tabel staat de technische verdeling van debudgetkorting, die gebaseerd is op budgetten voor bestaande regelingenof posten voor medeoverheden die doorlopen na 2025. Of regelingendaadwerkelijk kunnen worden overgeheveld wordt besloten op basis eenafwegingskader dat door de Minister van BZK wordt opgesteld. Dit kaninvloed hebben op de uiteindelijke beleidsmatige inboeking van detaakstelling.Naam20252026202720282029Specifieke uitkering NGF-project NL21200– 573– 394– 260– 200Tijdelijke regeling uitkering bodem 2024–2030 (10% budgetmedeoverheden)0– 9.309– 9.307– 10.200– 9.700Tijdelijke regeling specifieke uitkering Zero Emissiebussen2022–20240– 660– 480– 800Regeling Specifieke uitkering Regionale Aanpak Laadinfra-structuur 2023 – 20300– 1.000– 1.00000Regeling sanering verkeerslawaai 20240– 2.841– 2.839– 2.838– 2.839Brede doeluitkering verkeer en vervoer – Wet BDU Verkeeren Vervoer (art. 10) – Vervoerregio’s0– 109.988– 109.988– 109.988– 109.988Tijdelijke stimuleringsregeling slim, veilig, doelmatig enduur-zaam gebruik van mobiliteits-infrastructuur 2023–20270– 2.000– 1.27900 133Vraag:Wat is de verwachte termijn waarbinnen de specifieke uitkeringen wordenovergeheveld naar het Gemeente- of Provinciefonds?Antwoord:Op dit moment wordt door de Minister van BZK een afwegingskaderopgesteld om per regeling die is opgenomen in de grondslag, te bepalen22Kamerstukken 36 471, nr. 37Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 845 of de betreffende regeling kan worden overgeheveld naar de fondsen. Debedoeling is dat het afwegingskader in overleg met de koepels enontvangers wordt ingevuld en ter besluitvorming aan ministerraad wordtvoorgelegd. Overheveling van specifieke uitkeringen is voorzien per 2026.134Vraag:Ten behoeve van welk doel worden de niet verdragsrechtelijke HomogeneGroep Internationale Samenwerking (HGIS)-uitgaven met 46 procentverlaagd?Antwoord:Het doel is het realiseren van een taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord.Dit hangt samen met maatregel 35 uit de budgettaire bijlage bij hetHoofdlijnenakkoord: «Verlaging non-ODA-middelen (niet-zijnde buiten-landse handel en BIV-missies Defensie)»23. IenW werkt momenteel uit hoede Nederlandse ambities op het HGIS-terrein zo goed mogelijk geborgdkunnen blijven binnen de nieuwe kaders.135Vraag:Hoe en hoe hard zal het project Partners voor Water worden geraakt doorhet met 46 procent verlagen van de niet verdragsrechtelijkeHGIS-uitgaven?Antwoord:Het totale jaarlijkse aan het Ministerie van IenW toegekende HGIS-budgetvoor internationaal waterbeheer en klimaatadaptatie loopt af vanongeveer € 22 miljoen in 2024 naar ongeveer € 5 miljoen in 2028.Daardoor wordt het Partners voor Water programma met € 9,4 miljoengekort in de laatste drie jaar van het lopende programma (2022–2027). Ditis een verlaging van het budget voor deze drie jaren met 28%. Ook wordteen aantal prioriteiten uit andere programma’s die niet kunnen wordenvoortgezet bij Partners voor Water ondergebracht in deze periode.136Vraag:Wat zijn de gevolgen de overheveling van de specifieke uitkeringen naarhet Gemeente- of Provinciefonds, met een budgetkorting van 10 procent,voor de BDU aan twee vervoerregio’s?Antwoord:De korting is onderdeel van een bredere ombuiging, uitgevoerd door hetMinisterie van BZK, waarbij medeoverheden minder verantwoordings-lasten hebben en waarbij de middelen beleids- en bestedingsvrij zijn. Aande vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad enstreek. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. IenW is met devervoerregio’s in gesprek om de precieze gevolgen van deze budget-korting uit het Hoofdlijnenakkoord nader in kaart te brengen.137Vraag:Wat zijn de gevolgen de overheveling van de specifieke uitkeringen naarhet Gemeente- of Provinciefonds, met een budgetkorting van 10 procent,23Kamerstukken 36 471, nr. 37Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 846 voor de regeling voor sanering verkeerslawaai en de regeling voorbodemsanering?Antwoord:De geluidmiddelen zijn bedoeld om bestaande ernstige hinder door geluidop specifieke locaties, die kan leiden tot gezondheidsrisico’s, terug tedringen. De bodemsaneringsmiddelen zijn bedoeld voor specifiekelocaties om onaanvaardbare risico’s door bodemverontreiniging aan tepakken en indien nodig op een veilige manier te beheersen en mee om tegaan.Voor de aanpak van verkeerslawaai en bodemverontreiniging is voor eenSPUK gekozen omdat de problematiek niet gelijk over het land is verdeelden om te sturen op een doelmatige inzet van middelen. Gemeenten,provincies of waterschappen kunnen dan daar waar nodig maatregelentreffen.Samen met de koepels en de departementen stelt de Minister van BZKeen afwegingskader op voor het overhevelen van specifieke uitkering naarhet provincie- en gemeentefonds. Op basis van dit afwegingskader zalgekeken worden wat dit betekent voor individuele regelingen. Indien hetniet mogelijk is om een specifieke uitkering te handhaven, wordt gekekennaar mogelijke alternatieven.Intentie vanuit het regeerprogramma is administratieve lasten te verlagenen 10% efficiency winst te realiseren. Bezien wordt of dit ook voor dezeSPUKs kan worden behaald.138Vraag:Wat is het basisbeschermingsniveau waarmee gemeten wordt in deMiljoenennota van IenW? En welke referentiesituatie wordt hiergenomen?Antwoord:Iedereen in Nederland die achter een dijk woont, krijgt ten minste eenbasis beschermingsniveau van 1/100.000 per jaar. Dat wil zeggen dat dekans voor een individu om te overlijden als gevolg een overstroming nietgroter mag zijn dan 0,001% per jaar. Eén van de doelen van het watervei-ligheidsbeleid is dat dit in 2050 is bereikt. Iedereen achter een dijk heeftdan het basisbeschermingsniveau.Er is in de begroting een indicator opgenomen die laat zien hoe devoortgang is voor dit doel. De referentiesituatie hiervoor is vastgelegd inhet Nationaal Programma Water in 2014: als referentiepunt is aange-nomen dat alle projecten in het Hoogwaterbeschermingsprogramma 2 enhet programma Ruimte voor de Rivier zijn afgerond. De afname van hetrisico gaat in het begin behoorlijk langzaam en dat is conformverwachting. In de loop der jaren zal dit steeds sneller gaan.139Vraag:Hoeveel geld van de lopende begroting kan gereserveerd worden alscofinanciering van het HWBP (waterschappen hebben 1,25 miljard euroextra gereserveerd de komende jaren)?Antwoord:Op dit moment is er nog geen sprake van een extra reservering op hetDeltafonds of de IenW-begroting voor het HWBP. Voordat sprake kan zijnvan een eventuele reservering op de lopende begroting van het Delta-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 847 fonds moet eerst duidelijk worden wat de financiële problematiek op delange termijn is. Zoals in het Hoofdlijnenakkoord is benoemd, zal hetHoogwaterbeschermingsprogramma worden herijkt om te borgen datonze dijken ook in de toekomst voldoende en tijdig bescherming bieden.Als er meer duidelijkheid is over de langetermijnopgave zal het Ministerievan IenW in overleg treden met de Waterschappen om tot nieuweafspraken te komen.140Vraag:Welke onderzoeken bij het RIVM vallen nog meer onder het bedrag van4,7 miljoen euro dat is vrijgemaakt voor het RIVM voor opdrachten metbetrekking tot Bodem en Ondergrond, waaronder onderzoeken naar zeerzorgwekkende stoffen zoals PFAS?Antwoord:Hieronder vallen diverse onderzoekslijnen, zoals het beheer en onderhoudvan de kennisbasis bodem en het instrumentarium bodemkwaliteit,kennisontwikkeling voor het project Herijking bodemregelgeving en hetProgramma Bodem, Ondergrond en Grondwater, de ontwikkeling van deEmissieregistratie en het PFAS Onderzoeksprogramma.141Vraag:Is de veronderstelling dat met de voorgestelde maatregel de mensen meteen emissievrije auto niet méér motorrijtuigenbelasting moeten betalendan mensen met een auto die rijdt op fossiele brandstof?Antwoord:De intentie van de besluitvorming bij Voorjaarsnota 2024 was dat bezittersvan een emissievrije auto niet meer MRB zouden moeten betalen danbenzineauto’s in dezelfde categorie. Vanwege recente inzichten, was hetnodig de tegemoetkoming te versoberen om de begroting sluitend temaken. Consequentie van de tariefskorting van 25% is dat een elektrischerijder, met name in de lagere segmenten en afhankelijk van automodel,per jaar iets méér MRB moet betalen dan voor een vergelijkbare benzi-neauto. Bij voorjaarsnota 2025 wordt opnieuw gekeken of de huidigemaatregel moet worden aangepast.142Vraag:Zijn er ook alternatieven onderzocht om de tegenvaller van de tarief-korting motorrijtuigenbelasting emissievrije auto’s uit te dekken? Zo ja,welke? Zo nee, waarom niet?Antwoord:Conform begrotingsregels moet de extra inkomstenderving aan deinkomstenkant van de rijksbegroting gedekt worden, of binnen deautobelastingen of daarbuiten. Alternatief kan bijvoorbeeld zijn om deelsde MRB voor alle brandstof en elektrische auto’s iets duurder te maken(€ 2 per maand voor benzineauto’s) en deels de korting voor emissievrijevoertuigen te versoberen van 40% naar 30%. Hiervoor is niet gekozen. Inhet voorjaar van 2025 zal het kabinet opnieuw beoordelen of demaatvoering van de tariefkorting voor elektrische auto’s voldoende hoogis.143Vraag:Wat is de oorzaak van de verkeerde raming van de tariefkorting motorrij-tuigenbelasting emissievrije auto’s?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 848 Antwoord:Aangezien het om een belastingmaatregel gaat zal deze vraag bij debehandeling van het belastingplan 2025 worden beantwoord.144Vraag:Om welke reden levert de bijgestelde motorrijtuigenbelasting (maatregel16) ieder jaar meer op dan het tekort (maatregel 15)?Antwoord:Onderliggend aan deze budgettaire reeksen spelen twee effecten. Teneerste neemt het aantal elektrische auto’s in het wagenpark jaarlijks toe,waardoor het geven van een tariefkorting voor elektrische auto’s ieder jaarook duurder wordt. Ten tweede is de budgettaire derving/opbrengstafhankelijk van de hoogte van de tariefkorting. De oorspronkelijkevormgeving kende een afbouwpad van 40% korting in 2026 naar 35% in2029 en 30% in 2030. In de Miljoenennota 2025 is afgesproken om demaatvoering te versoberen naar 25% korting in de periode 2026–2029. Hetverschil is het grootst in de eerste jaren. In het voorjaar van 2025 zal hetkabinet opnieuw beoordelen of de maatvoering van de tariefkorting voorelektrische auto’s voldoende hoog is.145Vraag:Hoe is de bekostiging van de vervoersregio’s momenteel georganiseerd?Antwoord:Verreweg het grootste deel van de inkomsten van de twee vervoerregio’sontvangen zij van het Rijk. Jaarlijks ontvangen de vervoerregio’s demiddelen van het Ministerie van IenW via de beschikking Brede Doeluit-kering Verkeer en Vervoer. In de beschikking is een bedrag opgenomenten behoeve van de voorbereiding en uitvoering van het regionaalverkeer- en vervoerbeleid.146Vraag:Heeft u zich gerealiseerd dat de BDUR voor de vervoersregio’s onderdeelzijn van de efficiëntie maatregelen bij overheveling van de SPUK’s?Antwoord:De Brede Doeluitkering Rampenbestrijding maakt onderdeel uit van debegroting van JenV. Indien de BDU bedoeld wordt, dan is het ministeriezich er van bewust dat de BDU als een efficiëntiemaatregel wordt beziennaast dat deze overheveling dient ter vergroting van de autonomie vandecentrale overheden. Zie hiervoor ook het antwoord op de vragen 58 en62 t/m 66.147Vraag:Waarom is de verbinding Terschelling – Vlieland niet meegenomen in deuitgangspunten voor de concessies Friese Waddenveren?Antwoord:Het Ministerie van IenW ziet het in stand houden van het interinsulairvervoer niet als Rijkstaak, omdat de Rijkstaak is afgebakend tot hetvervoer tussen de eilanden en het vasteland.Op dit moment organiseren en bekostigen de eilandgemeenten descholierenboot in overleg met de concessiehouder of watertaxibedrijven.148Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 849 Vraag:Waarom zijn de vaargeuldiepte en -breedte niet opgenomen in deuitgangspunten voor de concessies Friese Waddenveren?Antwoord:De onderhoudsdimensies van de vaargeulen zijn vastgelegd in hetNationaal Water Programma en het Natura 2000 beheerplan. De Nota vanUitgangspunten verwijst naar deze documenten.149Vraag:Wanneer moet er een besluit vallen over de oplossing voor de vaargeul-problematiek Ameland in relatie tot de concessie Friese Waddenverenoost?Antwoord:Bij de voorbereidingen voor de nieuwe concessies wordt er rekening meegehouden dat er ten tijde van gunning nog geen besluitvorming is overeen lange termijn oplossing voor de vaargeul tussen Holwert en Ameland.De inzet vanuit IenW is om waar mogelijk binnen de nieuwe concessiesflexibiliteit in te bouwen, zodat partijen die zich inschrijven in hun plannenrekening kunnen (en moeten) houden met meerdere opties voor devaargeul.150Vraag:Wat is de stand van zaken met betrekking tot het snel varen van dewatertaxi’s op de Waddenzee? Wanneer wordt dat geregeld?Antwoord:De watertaxi kan overdag harder varen dan 20 km/u, maar dient zich ’snachts te houden aan de geldende maximumsnelheid voor snellemotorboten van 20 km/u. De watertaxi is namelijk een klein schip (korterdan 20 meter) dat sneller kan varen dan 20 km/u ten opzichte van hetwater en valt daarmee onder de definitie en reikwijdte van een snellemotorboot. Het is mogelijk om in de nacht sneller dan 20 kilometer peruur te mogen varen op basis van een wijziging van de Regeling snellemotorboten Rijkswateren 1995 en het verkrijgen van een omgevingsver-gunning van het bevoegd gezag (naar aanleiding van een uitgevoerdepassende beoordeling). Naar aanleiding van de OVV-aanbevelingen overernstige ongevallen met watertaxi’s kijkt het ministerie momenteel inoverleg met alle belanghebbende partijen naar de mogelijkheden omveilig varen op de Waddenzee te bevorderen. Daarbij wordt ook bezienhoe zich dit verhoudt tot de wens om ‘s nachts sneller dan de huidigemaximumsnelheid te mogen varen.151Vraag:In hoeverre hangt de punctualiteit, zoals weergegeven in tabel 51 oppagina 110, die sinds 2021 gedaald is, samen met de ervaring van dereiziger wat betreft het optimaal/drempelloos zijn van de deur-tot-deurreis, zoals afgesproken in de Hoofdrailnetconcessie (HRN)? Welkemaatregelen treft de Staatssecretaris om een verdere daling van depunctualiteit te voorkomen voor het jaar 2024–2027?Antwoord:De daling van de punctualiteit sinds 2021 kent verschillende oorzaken. In2021 reden er vanwege de coronapandemie minder treinen en reisden erminder reizigers met de trein. Dat had een positieve invloed op depunctualiteit. Na afschaffing van de coronamaatregelen keerden steedsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 850 meer reizigers terug in de trein en reden er weer meer treinen waardoorde punctualiteit weer daalde. In 2022 werd de punctualiteit daarnaastbeïnvloed door onder meer verhoogde treinuitval vanwege personeelste-korten. Vervolgens daalde de punctualiteit in met name de tweede helftvan 2023 door drie hoofdoorzaken die ProRail en NS hebben toegelicht.24Hoewel een goede punctualiteit natuurlijk bijdraagt aan een betrouwbaredeur-tot-deurreis heeft dit geen verband met de ervaring van reizigersinzake het drempelloos reizen zoals dat beschreven staat in de hoofdrail-netconcessie, die vanaf 1 januari 2025 in werking zal treden. Punctualiteitvalt namelijk onder «het bieden van een zo goed mogelijk vervoerproductaan de NS-reiziger».Om onder andere de punctualiteit te verbeteren, is medio juli 2024formeel het verbeterprogramma Betrouwbaar Beter25 gestart. Ditverbeterprogramma richt zich op het wegnemen van de drie hoofdoor-zaken van de slechte prestaties, namelijk tijdelijke snelheidsbeperkingen(TSB’s), hinder door werkzaamheden en tekort aan beschikbaar materieel.Een aantal maatregelen uit het verbeterprogramma resulteert al inverbetering. Zo beschikt NS op dit moment over voldoende inzetbaarmaterieel, wat een positief effect heeft op de zitplaatskans. Ook heeftProRail een aantal tijdelijke TSB’s versneld opgelost. Het opheffen vansommige impactvolle TSB’s kost daarentegen meer tijd vanwege deomvang van de infrastructurele problemen. Het Ministerie van IenW volgtde voortgang van de te nemen maatregelen nauwgezet. Het verbeterpro-gramma loopt tot halverwege 2025. Dan zal ook bekeken worden of hetafgerond kan worden.152Vraag:In hoeverre is de NS in 2025–2027, wanneer de subsidiehoeveelheid daalt,naar verwachting in staat om los van subsidies de afspraken die gemaaktzijn in de hoofdrailnetconcessie na te leven? Wat zijn de mogelijkefinanciële consequenties als dit niet het geval is?Antwoord:In deze beantwoording wordt ervan uitgegaan dat wordt gedoeld op desubsidie die NS jaarlijks van het Ministerie van OCW ontvangt voor dekosten van het studentenreisproduct. In de businesscase voor de nieuwehoofdrailnetconcessie heeft NS rekening gehouden met een lageresubsidie als gevolg van de herijking die komend najaar plaatsvindt voorde periode 2025–2027. Het is dus niet de verwachting dat deze herijkingertoe leidt dat NS de afspraken zoals vastgelegd in de concessie niet meerkan nakomen, tenzij de herijking tot andere uitkomsten leidt danaangenomen.153Vraag:Zijn er kwantitatieve en kwalitatieve resultaten bekend waarom Schipholbelangrijk is voor het Nederlandse vestigingsklimaat?Antwoord:Schiphol is belangrijk voor het Nederlandse vestigingsklimaat. Hier zijnkwalitatieve resultaten over bekend. In 2019 onderzocht onderzoeks-bureau Decisio de economische bijdrage van Schiphol aan de economie,24Kamerstukken 29 984, nr. 118125Kamerstukken 29 984, nr. 1203Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 851 inclusief de betekenis voor het vestigingsklimaat26. Momenteel wordt ditonderzoek geactualiseerd. De Netherlands Foreign Investment Agency(NFIA) onderschrijft ook het belang van de kwaliteit van verbindingen metde wereld voor internationale bedrijven.De exacte mate waarin Schiphol bijdraagt aan het vestigingsklimaat laatzich lastig kwantificeren. Het effect van een uitgebreid netwerk is namelijkniet te isoleren van andere factoren die van invloed zijn op het investe-ringsklimaat, zoals: fiscaal klimaat, opleidingsniveau, de kwaliteit vanleven, et cetera.154Vraag:Hoeveel Nederlandse bruggen zijn in een dermate slechte staat dat dezeeen gevaar vormen voor de scheepvaart?Antwoord:Door de inzet van gebruiksbeperkingen zijn er geen bruggen die eengevaar vormen voor de scheepvaart. Objecten zoals de bruggen wordenregelmatig onderworpen aan inspecties en berekeningen. Indien deveiligheid voor de gebruikers, eigen medewerkers en opdrachtnemers ingevaar dreigt te komen, worden tijdig maatregelen genomen om hetveilig gebruik van de infrastructuur te waarborgen. In de Staat van deInfrastructuur Rijkswaterstaat wordt jaarlijks gerapporteerd over deactuele technische toestand van het Hoofdwegennet (HWN), het Hoofd-vaarwegennet (HVWN) en het Hoofdwatersysteem (HWS). In derapportage over 202327 staat op pagina 28 een kaart met de bruggen metde beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer. Het afgelopen jaarwaren er 25 bruggen met beperkingen specifiek voor het scheepvaart-verkeer. Deze beperkingen dragen bij aan een veilige situatie voor hetscheepvaartverkeer.155Vraag:Hoeveel Nederlandse bruggen zijn in een dermate slechte staat dat dezeeen gevaar vormen voor scheepvaart afhankelijk van een te openen brug?Antwoord:Door de inzet van gebruiksbeperkingen zijn er geen bruggen die eengevaar vormen voor de scheepvaart. Objecten zoals bruggen wordenregelmatig onderworpen aan inspecties en berekeningen. Indien deveiligheid voor de gebruikers, eigen medewerkers en opdrachtnemers ingevaar dreigt te komen, worden tijdig maatregelen genomen om hetveilig gebruik van de infrastructuur te waarborgen. In de Staat van deInfrastructuur Rijkswaterstaat wordt jaarlijks gerapporteerd over deactuele technische toestand van het Hoofdwegennet (HWN), het Hoofd-vaarwegennet (HVWN) en het Hoofdwatersysteem (HWS). In derapportage over 202328 staat op pagina 28 een kaart met de bruggen metde beperkingen voor het weg- en scheepvaartverkeer. Het afgelopen jaarwaren er 25 bruggen met beperkingen specifiek voor het scheepvaart-verkeer. Deze beperkingen dragen bij aan een veilige situatie voor hetscheepvaartverkeer.156Vraag:26Kamerstukken 31 936, nr. 71027Kamerstukken 36 410 A, nr. 1928Kamerstukken 36 410 A, nr. 19Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 852 Wat zijn de gevolgen van het door Rijkswaterstaat per direct vooronbepaalde tijd stoppen met de bediening voor de scheepvaart van brugUitwellingerga over de Hoofdvaarweg Lemmer-Delfzijl?Antwoord:Door het niet langer bedienen van de brug Uitwellingerga sinds18 september j.l, kunnen schepen hoger dan 7.10 meter de brug nietlanger passeren. Reguliere beroepsscheepvaart en recreatievaart tot eenhoogte van 7.10 meter kunnen onder de brug doorvaren als deze geslotenis. Voor hogere schepen zijn verschillende omvaarroutes beschikbaar.Voor het wegverkeer golden op de brug Uitwellingerga reeds beperkingenten aanzien van de breedte en het gewicht van voertuigen dat op de brugis toegestaan. Deze beperkingen voor het wegverkeer blijven van krachten onder deze voorwaarden kan het wegverkeer de brug blijvengebruiken. Op dit moment onderzoekt Rijkswaterstaat welke oplossingenvoor de korte en de lange termijn mogelijk zijn om de brug weer voormeer scheepvaart- en wegverkeer toegankelijk te maken.157Vraag:Welk doel wordt er beoogd te bereiken door 85 miljoen euro beschikbaarte stellen voor het uitvoeren van demonstraties op schepen?Antwoord:De energietransitie is een uitdaging en vraagt om innovatie en investe-ringen in nieuwe technieken. De subsidieregeling van € 85 miljoen wordtingezet voor het bevorderen van demonstraties aan boord van schepenvoor de aandrijflijnen waterstof, methanol en carbon capture in LNG. Hetis belangrijk om de komende jaren te werken aan deze demonstratie-schepen, omdat dit Nederland in staat stelt om haar maritieme koplopers-positie in de internationale markt te behouden en uit te bouwen in relatietot de energietransitie. De demonstratieprojecten waar de genoemdemiddelen voor worden ingezet, hebben betrekking op juist die segmentenwaar Nederland sterk in is: de kust- en binnenvaart, schepen voor de nattewaterbouw en wind op zee projecten, maritieme veiligheid en dienstver-lening. In de aanvraag die begin 2023 voor het Maritiem Masterplan isingediend bij het Nationaal Groeifonds, is het beoogde doel van demiddelen nader onderbouwd.158Vraag:Hoe is het bedrag van 85 miljoen euro voor het uitvoeren van demon-straties op schepen tot stand gekomen?Antwoord:Voor de aanvraag Maritiem Masterplan t.b.v. het Nationaal Groeifonds iseen begroting opgesteld. De kostenopbouw voor de demonstratieschepenis gebaseerd op voorbeeldprojecten voor de drie energielijnen die in hetvoorstel zijn opgenomen (waterstof, methanol en carbon capture in LNGaandrijflijnen).159Vraag:Hoeveel procent minder abiotische grondstoffen worden er in Nederlandgebruikt sinds in 2016 het doel is gesteld om 50 procent minder abiotischegrondstoffen te gebruiken in 2030?Antwoord:De abiotische grondstofvoetafdruk voor de economie (grondstoffenge-bruik in de gehele keten) was 494 Mton in 2016, 561 Mton in 2018 en 501Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 853 Mton in 2020 en is dus sinds 2016 licht toegenomen. De afname in hetgrondstoffengebruik tussen 2018 en 2020 komt vooral door de lockdownstijdens de COVID pandemie.Positief is dat de totale grondstoffenefficiëntie tussen 2016 en 2020 met7% is toegenomen, maar er is nog geen sprake van een ontkoppelingwaarin bij een groeiende productie het grondstoffengebruik afneemt.Meer recente gegevens komen beschikbaar in de Integrale CirculaireEconomie Rapportage (ICER), die het PBL naar verwachting in februari2025 publiceert.160Vraag:Wanneer kan de Kamer de circulaire economie-wet van het nieuwekabinet verwachten?Antwoord:De Kamer is op 29 april 2024 geïnformeerd over dit traject via dehoofdlijnennotitie voor de beoogde Circulaire Economie-wet29. In dehoofdlijnennotitie is aangegeven dat de ideeën en plannen voor deCE-wet dit jaar verder worden uitgewerkt in een wetsvoorstel, datvervolgens in consultatie wordt gebracht. Het streven is om dezeopenbare consultatie medio 2025 te starten.161Vraag:Welke maatregelen met betrekking tot normeren en beprijzen ten behoevevan de circulaire economie kan de Kamer van de nieuwe Staatssecretarisverwachten?Antwoord:Begin 2025 komt een nieuwe Integrale Circulaire Economie Rapportage(ICER) uit. Mede op basis hiervan zal ik in september van dat jaar eengeactualiseerd NPCE aan de Kamer aanbieden. Eventuele aanvullendenormerende, beprijzende én stimulerende maatregelen, kunnen hier eenplek in krijgen.162Vraag:Verwacht u dat de doelstelling om 50 procent minder abiotische grond-stoffen te gebruiken in 2030 gehaald wordt? Zo ja, hoe denkt u dat tebereiken?Antwoord:De vorige Staatssecretaris heeft reeds aangegeven dat de doelen nietworden gehaald met de maatregelen in het NPCE. Ook het Planbureauvoor de Leefomgeving (PBL) geeft in de Integrale Circulaire EconomieRapportage (ICER) van 2023 aan dat meer maatregelen nodig zijn.Gezamenlijk moeten de schouders eronder worden gezet: burgers,bedrijven én de overheid. Begin 2025 komt een nieuwe ICER uit. Mede opbasis hiervan zal in september van dat jaar een geactualiseerd NPCE aande Kamer worden aangeboden. Daarin komt ook een nadere uitwerkingvan de 2030 doelstelling, die meer sturing en handelingsperspectief moetgeven.163Vraag:29Kamerstukken 32 852, nr. 310Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 854 Wat betekent het voor afvalverbrandingscentrales als we in 2050 eencirculaire economie willen hebben en het verbranden van recyclebaarmateriaal dan volledig verleden tijd is?Antwoord:In de circulaire economie die richting 2050 wordt opgebouwd, wordt hetontstaan van afval zo veel mogelijk voorkomen. Ingezet wordt ophergebruik van producten door beter productontwerp, slimmereinzameling en sortering, en afval wordt zo veel mogelijk gerecycled totnieuwe producten. Maar ook in een circulaire economie is er afval dat jeniet kunt of wilt recyclen, om technische, milieu-hygiënische of ethischeredenen. Dit betekent dat er ook in een circulaire economie nog behoeftezal zijn aan thermische verwerkingsvormen zoals verbranding, maar welin veel beperktere mate. Dit heeft tot gevolg dat in de toekomst veelminder verbrandingscapaciteit nodig zal zijn dan nu het geval is.164Vraag:Is het hergebruik door consumenten, wat is gedaald in 2021 en 2022, eentrend die al langer gaande is?Antwoord:Het hergebruik is niet eerder gemeten dan 2021, dus de ontwikkeling inhergebruik door de jaren heen kan nog niet weergegeven worden.Komende jaren wordt dit onderzoek herhaald. Dan is het mogelijk eeneventuele trend in beeld te brengen.165Vraag:Hoeveel ton secondaire bouwstoffen heeft het rijk ingekocht in de jaren2021, 2022 en 2023?Antwoord:De Rijksinkoop behelst zowel rijksgebouwen (Rijksvastgoedbedrijf) als degrond- weg- en waterbouw (Rijkswaterstaat en ProRail); hiervoor is geencentrale rapportage voorhanden die onderscheid maakt tussen aange-schafte primaire, hergebruikte of gerecyclede materialen. In 2022 is er eenrapportage (Materiaalstromen in de bouw en infra) opgesteld over demateriaalstromen in de woning- en utiliteitsbouw (B&U) en grond-, weg-en waterbouw (GWW). Het referentiejaar is 2019. Voor de recentere jarenzijn er geen gegevens.De genoemde rapportage concludeert dat in 2019 15% van de materialenin de B&U en 45% in de GWW secundaire grondstoffen betreft, maarmaakt geen onderscheid naar Rijksinkoop en andere partijen. Voor debouwsector als totaal (GWW + B&U) is het aandeel secundaire materialenin 2019 circa 38% ofwel ruim 30 Megaton.166Vraag:Wat betekent de stapeling van heffingen voor afvalenergiecentrales(verbrandingsbelasting, importheffing, CO2-heffing, inclusief afvalverbran-dingsinstallaties (AVI)-correctiefactor) voor de Europese concurrentiepo-sitie en afvalstort in het buitenland respectievelijk de investeringscapa-citeit voor circulaire afvalverwerking?Antwoord:De CO2-heffing en de afvalstoffenbelasting, inclusief de gelijkstellingdaarvan voor binnenlands en buitenlands afval dat geïmporteerd wordtom in Nederland te verbranden, passen in het klimaat- en circulaireeconomiebeleid van het kabinet. Zij gaan uit van het principe dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 855 vervuiler betaalt. Ook in de EU-lidstaten om ons heen worden maatre-gelen genomen om aan de Europese verplichtingen op het gebied vanklimaat en circulaire economie te voldoen. Afvalverbrandingsinstallatieskunnen maatregelen nemen om hun fossiele CO2-uitstoot terug te dringenof om, bijvoorbeeld, uitsortering en recycling van afval te bevorderenzodat er minder afval wordt verbrand. Voor investeringen kan men eenberoep doen op financiële regelingen en fiscale voordelen, zoals SDE++,DEI+, NIKI, MIA en VAMIL.167Vraag:Welke projecten vallen onder de Circulaire keten projecten van 4,8 miljoeneuro?Antwoord:Onder de subsidieregeling Circulaire ketenprojecten vallen projecten diemkb-ondernemers opzetten samen met partners in een product- ofmateriaalketen, om een circulair product, dienst of proces te ontwikkelen.Informatie over de subsidieregeling is te vinden op de website van RVO30.Openstelling zal in 2025 plaatsvinden. Het is nog niet duidelijk welkeconsortia van mkb bedrijven een aanvraag in zullen dienen.168Vraag:Welke projecten vallen onder de Kennis en Innovatie Agenda Circulaireeconomie?Antwoord:De Kennis- en innovatieagenda Circulaire Economie (KIA CE) is als agendavoor de periode 2024–2027 gepubliceerd in november 2023. Met deinhoud van deze agenda wordt richting gegeven aan de inhoudelijkeafbakening van de KIA CE-subsidie van IenW: https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/kia-ce. Openstelling voor aanvragen heeft in 2024reeds plaatsgevonden en de ingediende aanvragen zijn nu in beoordeling.Het is dus nog niet duidelijk welke projecten in de openstelling 2024 zullenworden toegekend en in 2025 in uitvoering zullen zijn.169Vraag:Welke projecten vallen onder KF: DEI+CE (7,0 miljoen euro)?Antwoord:De Klimaatfondsmiddelen (KF) op deze post worden ingezet voor desubsidiebetalingen in 2025 van projecten die in de openstellingen van deDEI+ CE in 2024 en 2025 worden toegekend. De DEI+ CE is een onderdeelvan de DEI+ regeling en is specifiek gericht op het testen of demonstrerenvan circulaire innovaties. Aanvragen kunnen worden ingediend bij RVO enalle informatie daaromtrent is te vinden op DEI+: Circulaire economie(kleinere projecten) (rvo.nl). 2024 is het eerste jaar dat de DEI+ CE wordtopengesteld met middelen uit het Klimaatfonds. Op dit moment zijn ernog geen projecten toegekend, dus is het nog niet duidelijk welkeprojecten in 2025 in uitvoering zullen zijn.170Vraag:Welke projecten vallen onder KF: Plastics norm (23,0 miljoen euro)?Antwoord:30www.rvo.nl/subsidies-financiering/circulaire-ketenprojectenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 856 Het gaat om subsidieregelingen om bedrijven te helpen bij de transitienaar circulair plastic. Tot en met 2030 is hiervoor in totaal € 267 miljoenuit het klimaatfonds geoormerkt. Concreet gaat het om drie verschillendeonderdelen. Dat is ten eerste de tijdelijke subsidieregeling «Omschakelingnaar verwerking circulaire plastics». Hiermee kunnen verwerkers subsidiekrijgen om (meer) recyclaat of biogebaseerde polymeren in hunproducten te verwerken. Deze subsidieregeling is op 18 juni jl. openge-steld. Daarnaast gaat het ook om een subsidieregeling die naarverwachting later dit jaar wordt opengesteld en die gericht is op hetversterken van de kennisbasis over circulair plastic in de gehele sector. Entot slot gaat het om subsidies voor investeringen die zijn bedoeld voor hetopschalen van recyclaat en biogebaseerde polymeren, die in 2025 voorhet eerst worden opengesteld.171Vraag:Welke projecten vallen onder KF: Circulair doen en gedrag (1,4 miljoeneuro)?Antwoord:De maatregel Circulair Doen bestaat uit drie samenhangende onderdelen:onderwijs, gedrag en arbeidsmarkt. Binnen het programma Circulair Doenen Gedrag worden de middelen algemeen besteed aan activiteiten op hetterrein van onderwijs (50%), gedrag (40%) en arbeidsmarkt (10%).Voor het onderwijs wordt er toegewerkt naar een op maat gemaakteondersteuningsstructuur voor de periode 2025–2030, gefinancierd via eensubsidieregeling. Dit houdt in dat scholen gewenste hulp kunnen krijgenom duurzaamheid een passende plek te geven in hun onderwijspraktijk.Begin dit voorjaar heeft het Ministerie van IenW de Kamer hierovergeïnformeerd via het Uitvoeringsplan Duurzaamheid in het Onderwijs31.Op het gebied van arbeidsmarkt en onderwijs wordt het lopendeprogramma «Sustainability Skills» met de inzet van Klimaatfondsmid-delen geïntensiveerd. Daarnaast wordt gewerkt aan een stimuleringsre-geling voor bijscholing van professionals in de circulaire economie.172Vraag:Wat is de verklaring voor het begroten van een grote afname van deuitgaven voor ICT?Antwoord:Voor de implementatie/ontwikkeling ten behoeve van de vervanging vanhet documentmanagementsysteem (Content Manager) is er tijdelijk extrabudget gereserveerd voor de jaren 2025 en 2026. Dit verklaart dat hetICT-budget daarna afloopt.173Vraag:Wat is het totale bedrag dat nog niet is ingevuld of vrij te besteden is in degeschatte budgetflexibiliteit in Artikel 24 Inspectie Leefomgeving enTransport?Antwoord:De begroting van de ILT bestaat grotendeels uit vaste formatie enmateriële uitgaven. Hierdoor is er geringe vrije ruimte (3%, circa € 7,4miljoen in 2025) binnen de begroting. Deze middelen zijn nodig om de31Kamerstukken 32 813, nr. 1397Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 857 werkzaamheden die de ILT uitvoert en de toezeggingen die daarover zijngedaan in het ILT Jaarplan 2025 na te komen.174Vraag:Zijn er al voorlopige ideeën of prioriteiten voor de besteding van het nogniet ingevulde/vrij te besteden budget in Artikel 24 Inspectie Leefom-geving en Transport? Zo ja, wat zijn deze?Antwoord:De verwachting is dat de ILT evenals in 2023 en 2024 de toegewezenbudgetten volledig nodig heeft om haar werkzaamheden conform het ILTjaarplan 2025 uit te voeren.175Vraag:Wordt er bezuinigd op de apparaatskosten van de uitvoeringsorgani-saties? Zo ja, hoeveel?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord is een apparaatstaakstelling opgenomen. Voorhet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat start deze taakstelling metca. € 23 miljoen in 2025 en deze loopt op tot een bedrag van € 90 miljoenper jaar in 2029. In de begroting 2025 is het eerste deel van de taakstelling(ca. € 23 miljoen) structureel verdeeld over alle dienstonderdelen vanIenW. Dit komt neer op een efficiencykorting op de apparaatsbudgettenvan 1% voor alle dienstonderdelen.Voor het resterende deel van de taakstelling voor de jaren 2026 t/m 2029,oplopend tot ca. € 67 miljoen per jaar, is binnen het departement eenproces ingericht waarin deze keuzes worden gemaakt. Voorwaarde is datde burger hier geen last van ondervindt en blijvend kan rekenen op eengoede dienstverlening vanuit het ministerie. De financiële uitwerking vande definitieve keuzes voor het deel 2026 t/m 2029 van de apparaatstaak-stelling wordt bij Voorjaarsnota 2025 in de begroting verwerkt. Op ditmoment kan dus nog niet worden aangegeven wat de precieze gevolgenzijn in termen van minder fte en/of taken voor de onderscheiden onder-delen van IenW.176Vraag:Wat houdt de agentschapbijdrage in?Antwoord:De agentschapsbijdrage is onderdeel van de omzet moederdepartement.De bijdrage aan het agentschap bestaat uit een apparaatsdeel en eenprogrammadeel. Het apparaatsdeel dient ter dekking van de apparaats-kosten inclusief rente- en afschrijvingskosten van het agentschap en hetprogrammadeel dient ter dekking van de programmakosten.Bij Rijkswaterstaat hebben de programmakosten met name betrekking opexploitatie en onderhoud en bij het KNMI op EUMETSAT (aardobservatie).De hoogte van de agentschapsbijdrage wordt vastgesteld op basis van deafspraken tussen de opdrachtgever, de eigenaar en het agentschap.177Vraag:Wat is de laatste stand van zaken met betrekking tot de sluizen Kornwer-derzand? Wanneer gaat hier een besluit over vallen? Hoe gaat deafgesloten bestuursovereenkomst nagekomen worden?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 858 De Kamer is hierover reeds geïnformeerd via de beantwoording vanKamervragen op 27 september 202432, waarin ook is ingegaan op delaatste stand van zaken.178Vraag:Waar worden de bijdragen aan medeoverheden, die cumulatief vanaf2025 tot 2029 worden verlaagd met 1,5 miljard euro, exact voor gebruikt?Welke medeoverheden zijn dat? Is er een overzicht van 2023 waarin staatwelke medeoverheden welke hoeveelheid financiële middelen hebbengekregen, en zou een vermindering van de bijdragen aan medeoverhedenervoor kunnen zorgen dat bereikbaarheid van de regio vermindert?Antwoord:Deze overboeking betreft de financiële afwikkeling van de middelen diezijn vrijgemaakt naar aanleiding van de motie Bikker33, waarmeestructureel extra middelen beschikbaar zijn gesteld voor het regionaalopenbaar vervoer. Met deze overboeking worden de middelen op hetjuiste instrument gezet.De middelen zijn bedoeld om prijsstijgingen in het OV te voorkomen ende beschikbaarheid van het OV te verbeteren. Dit gaat in eendecentralisatie-uitkering voor de periode van 2025–2029 om een totaal-bedrag van € 1.499,5 miljoen dat wordt overgeboekt vanuit de begrotingvan IenW. Een deel hiervan (€ 141,8 miljoen per jaar) is bedoeld voor detwaalf provincies en wordt daarom overgeboekt naar het Provinciefonds.Een ander deel (€ 158,1 miljoen per jaar) is bedoeld voor de vervoerre-gio’s MRDH en VRA en wordt daarom overgeboekt naar de BredeDoeluitkering (BDU) die de vervoerregio’s van IenW ontvangen.Aangezien het om aanvullende middelen gaat naar aanleiding van demotie-Bikker die met een nota van wijziging aan de Ontwerpbegroting2024 van het Ministerie van IenW zijn toegevoegd, is er geen overzichtvan de financiële middelen die de medeoverheden hebben gekregen voor2023. Deze middelen waren immers nog niet beschikbaar.179Vraag:Zal in de Circulaire Plastic Norm onderscheid worden gemaakt tussenkortcyclische en langcyclische plastics, zoals ook in Europese wetgevinggebeurt?Antwoord:Bij de uitwerking van de circulaire plastic norm is het belangrijk dat er eenprikkel ontstaat om de kwaliteit van alle circulaire polymeren zoveelmogelijk te behouden en alle beschikbare recycletechnieken optimaal tebenutten. Op welke wijze dat het best kan gebeuren, en of daarbijonderscheid gemaakt zal worden tussen kortcyclische en langcyclischeplastics, is nog onderdeel van de nadere uitwerking van de wetgeving.180Vraag:Hoe verhoudt de plastictaks zich tot de Circulaire Plastic Norm, gezien deeerdere onderbouwing voor de norm, dat deze tot veel minder productie-verlies leidt dan een heffing?Antwoord:32Kamerstuknummer 2024Z11528.33Kamerstukken 36 410-XII, nr. 29Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 859 De plastic heffing is onderdeel van een breder beleidspakket vannormeren, beprijzen en stimuleren gericht op circulair plastic. De plasticheffing wordt richting het besluit over de voorjaarsnota 2025 nadervormgegeven door het Ministerie van Financiën, in nauwe samenwerkingmet het Ministerie van IenW en het Ministerie van KGG. Bij de verderevormgeving van de heffing wordt bezien op welke wijze deze instru-menten zich logisch tot elkaar verhouden. Ook wordt gekeken watmogelijke alternatieve beprijzingsmaatregelen zijn voor het stimulerenvan circulair plastic.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XII, nr. 860

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 8031c7b26800d446

14 okt 2026 · e651b63df2231f46

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.