KamerkringInloggen
Kamerbrief

Rendementen van Nederlandse pensioenfondsen

8 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 025247b26ee9da47 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 043Toekomst pensioenstelselNr. 712 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 8 juni 2026Het beleggingsbeleid van Nederlandse pensioenfondsenInleidingHet rendement dat pensioenfondsen behalen met het geld vandeelnemers is een onderwerp dat de aandacht verdiend. Het is daaromook goed dat de Kamer belangrijke vragen stelt over de beleggingsresul-taten van pensioenfondsen. De prestaties die pensioenfondsen leverenmaken het mogelijk dat gepensioneerden van een goede oude dagkunnen genieten. Met dit onderzoek wil ik tegemoet komen aan de zorgendie zijn geuit over de behaalde resultaten door pensioenfondsen. Hetonderzoek brengt in kaart hoe Nederlandse pensioenfondsen hetstrategisch beleggingsbeleid bepalen, bekijkt in hoeverre niet-financiëledoelstellingen hierbij een rol spelen en gaat in op de prestaties vanNederlandse pensioenfondsen.1, 2Ik begrijp de zorgen in de Kamer dat de behaalde resultaten kunnen leidentot dalingen van pensioenuitkeringen. Het doel van pensioenfondsen isom te streven naar een adequate levenslange uitkering met een stabieluitkeringspatroon. Op deze manier zorgen pensioenfondsen ervoor datgepensioneerden kunnen vertrouwen op het hebben van een goede oudedag. Het beleggingsbeleid moet op dat langetermijndoel zijn afgestemd.In het beleggingsbeleid moeten fondsen daarom rekening gehouden metde risicohouding van de fondspopulatie. Pensioenfondsen spreiden hunrisico’s daarom over beleggingscategorieën zoals aandelen, obligaties enprivate equity en spreiden de beleggingsrisico’s geografisch. De beleg-1Motie Ceulemans: verzoekt de regering om in kaart te brengen in hoeverre niet-financiëledoelstellingen een rol spelen in het beleggingsbeleid van pensioenfondsen, Kamerstuk 32 043,nr. 704.2Toezegging 4800 aan lid Van Brenk tijdens de begrotingsbehandeling 2026, 19 maart 2026: DeKamer ontvangt een brief over beleggingsrendementen van pensioenfondsen. kst-32043-712ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7121 gingen van pensioenfondsen verschillen hierdoor niet alleen door eenandere verdeling over beleggingscategorieën maar zijn ook verschillendbinnen een beleggingscategorie zoals aandelen en vastgoed. Hierdoor kanhet risicoprofiel binnen een beleggingscategorie ook verschillen. Ditbetekent ook dat de prestatie van een pensioenfonds altijd gemeten moetworden tegenover een benchmark die zoveel mogelijk rekening houdt metdeze verschillen. Hierdoor kunnen de rendementen over de gehelebeleggingsportefeuille of van individuele beleggingscategorieën vanpensioenfondsen niet 1-op-1 vergeleken worden met die van aandelenin-dices of andere benchmarks.In het nieuwe pensioenstelsel is sprake van een toezegging van depensioenpremie en niet langer van de pensioenuitkering. In het nieuwepensioenstelsel hebben pensioenfondsen meer de mogelijkheid ombeleggingsrisico’s gericht toe te delen aan de leeftijdscohorten. Hierdoorhebben ze meer mogelijkheden om tot een beleggingsbeleid te komen datpast bij de risico’s die deelnemers kunnen en willen nemen. Het is daarbijbelangrijk om beleggingsrisico’s goed te spreiden, zowel geografisch alsover verschillende beleggingscategorieën. De risicohouding, die hetvertrekpunt vormt voor het strategische beleggingsbeleid, wordtvastgesteld na overleg met de fondsorganen. Pensioenfondsen hebbeneen wettelijke plicht om te beleggen in het belang van hun deelnemers.AFM en DNB houden hier toezicht op.De Kamer vraagt terecht aandacht voor de prestaties van pensioen-fondsen. Het is begrijpelijk dat hierbij grote nadruk ligt op de behaalderendementen van pensioenfondsen. Een goed beeld van deze prestatiesvraagt om een brede kijk over een langere periode omdat pensioen-fondsen gezien hun verplichtingen beleggen voor de lange termijn. Nietalleen het beleggingsrisico en het daaruit voortvloeiende rendement ishierbij belangrijk, maar ook de bescherming tegen renterisico eninflatierisico zijn bepalend voor de uiteindelijke hoogte van de pensioen-uitkering en staan daarom centraal in het beleggingsbeleid. Omdatdeelnemers en gepensioneerden naast rendement behoefte hebben aaneen stabiele uitkering, passen pensioenfondsen hun beleggingsrisico ookhierop aan. De prestaties van Nederlandse pensioenfondsen zijn sinds2020 op het gebied van indexatie en de dekkingsgraad gestegen. Met deinvoering van de Wtp is daarbij de verwachting van pensioenfondsen datzij in het algemeen renterisico en beleggingsrisico gerichter kunnentoedelen aan jongeren en ouderen en daarmee eerder perspectief kunnenbieden op een koopkrachtig pensioen in vergelijking met het oude stelsel.De vragen van de Kamer geven aan dat het belangrijk is dat pensioen-fondsen duidelijkheid bieden over de lange termijn beleggingsdoelstel-lingen, het voorgenomen beleggingsbeleid en de behaalde resultaten. Omte verduidelijken hoe pensioenfondsen tot hun prestaties komen, wordt indeze brief ingegaan op het doel van een pensioenfonds, hoe pensioen-fondsen handelen in het belang van de deelnemer, de aansluiting van hetbeleggingsbeleid bij de beleggingsvoorkeuren van deelnemers, deprestaties van pensioenfondsen, veranderingen in het beleggingsbeleiddoor de Wtp en de meting van prestaties van bedrijfstakpensioenfondsenin de performancetoets.Doel: Een levenslang goed pensioen tegen aanvaardbare kostenIk begrijp de vragen van de Kamer over tegenvallende rendementen vanpensioenfondsen en de zorgen dat dit kan leiden tot dalingen vanpensioenuitkeringen. Pensioenfondsen beogen een levenslang goedpensioen te bieden tegen aanvaarbare kosten en risico’s. Dit doen zij vooractieve en gewezen deelnemers, pensioengerechtigden, nabestaanden enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7122 arbeidsongeschikten. Om deze levenslange uitkering te kunnen bieden,moet in het oude pensioenstelsel niet alleen worden gekeken naar hetrendement dat pensioenfondsen maken op hun vermogenszijde van debalans, maar ook naar de verplichtingenzijde van de balans van hetpensioenfonds. Aan de verplichtingenzijde van de balans speelde hetrenterisico een grote rol, omdat de toekomstige stroom van uitkeringencontant werd gemaakt tegen de geldende risicovrije rentetermijnstructuur.Maar beide kanten zijn niet strikt gescheiden. Een stijging van de rentebijvoorbeeld, zal vooral een gunstige invloed hebben op de hoogte vanverwachte en ingegane pensioenen, omdat die uitkeringen dan als hetware goedkoper worden. Tegelijk worden aan de vermogenszijdeobligaties minder waard waardoor minder rendement gehaald wordt. Deverhouding tussen die twee bepaalt de uiteindelijke uitkomst voorpensioenuitkeringen. Beheersen van het renterisico is daarom belangrijkvoor pensioenfondsen. Ook in het nieuwe pensioenstelsel blijft ditbelangrijk. In Wtp-regelingen wordt de bescherming tegen renterisico – inde praktijk – met name gericht op oudere deelnemers en pensioengerech-tigden. Pensioenfondsen kennen een beschermingsrendement tegenrenterisico toe aan deze groepen. Voor jongere actieve deelnemers ligt ermeer nadruk op het behalen van rendement. Aan hen wordt meer risicotoegekend (zowel renterisico als zakelijke waarde risico) gegeven hettoekomstige verdienvermogen (menselijk kapitaal).Naast het renterisico speelt het inflatierisico ook een rol in het beleggings-proces. Voor deelnemers is het immers van belang dat beschermingwordt geboden tegen inflatie, wat ook in de AOW-uitkering centraal staat,en er perspectief is op een koopkrachtig pensioen. Om dit te bereikenkunnen pensioenfondsen kiezen voor beleggingen die beschermen tegeninflatie, zoals inflatieswaps of aan inflatie gerelateerde obligaties of-beleggingscategorieën. In voorkomende gevallen zijn deze marktenechter te klein om het inflatierisico voor alle Nederlandse pensioen-fondsen in voldoende mate te kunnen afdekken. Daarom is het ook vanbelang dat pensioenfondsen beleggingsrisico’s nemen en veranderingenin de feitelijke inflatie kunnen opvangen. Hierbij is het overrendement hetverschil tussen het gerealiseerde rendement en beschermingsrendementtegen renterisico. Bij een aandelenindex zoals de MSCI en de S&P500-index spelen uitvoeringskosten en het afdekken van het renterisico geenrol en zijn om die reden niet direct vergelijkbaar met rendementen vanfondsen.Pensioenfondsen handelen in het belang van de deelnemerHet fondsbestuur heeft ruimte binnen het wettelijk kader om het strate-gisch beleggingsbeleid en de uitvoering hiervan in te richten. Daarbijmoet zij ook een afweging maken tussen stabiliteit in de uitkering en degroei van de pensioenuitkering. Bij hun keuzes houden ze rekening methet prudent person beginsel. Dit betekent dat een pensioenfonds moetbeleggen in het belang van de (gewezen) deelnemers en pensioengerech-tigden (hierna in het kort «deelnemers»). In ieder geval wordt daarmeebedoeld het financiële belang van deelnemers te waarborgen. Eerderheeft mijn ambtsvoorganger uitvoering gegeven aan de onderzoeksmotieAartsen waarin is verkend hoe toezichtskaders kunnen worden aange-scherpt om te waarborgen dat wordt belegd in het belang van dedeelnemer.3, 4 De conclusie is dat de huidige toezichtskaders daarop reedsvoldoende zijn ingericht.3Kamerstukken II, 2024/2025, 32 043, nr. 6704Kamerstukken II, 2023/2024, 32 043, nr. 642Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7123 Deelnemers kunnen in het algemeen niet zelf kiezen aan welke pensioen-regeling zij deelnemen en zijn via hun werkgever verplicht deel te nemenaan de regeling van hun pensioenfonds. Daarom worden er wettelijkeeisen gesteld aan de beleggingen van pensioenfondsen. Het is wettelijkvoorgeschreven dat de financiële waarden worden belegd zodanig dat hetrendement van de portefeuille als geheel is gewaarborgd evenals deveiligheid, de kwaliteit en de liquiditeit.5 Fondsen moeten onder anderebeleggen in overeenstemming met de aard en de duur van de verplich-tingen, dat wil zeggen, de toekomstige pensioenuitkeringen. Omdatpensioenen bij uitstek langetermijnbeleggingen vergen, moeten pensioen-fondsen rekening houden met de risico’s, ook die op lange termijn. Ditwordt door elk fonds vastgelegd in het strategisch beleggingsbeleid.Een pensioenfonds dient het strategisch beleggingsbeleid te vertalen naareen beleggingsplan, waarbij naast gedegen onderbouwd beleggings-beleid ook beleid wordt opgesteld voor de beheersing van andererelevante risico’s.6 Naast inflatie en rente kunnen dit maatschappelijke- ofklimaatrisico’s zijn met mogelijk ongunstige financiële impact voorbeleggingen van pensioenfondsen. Pensioenfondsen zullen deze risico’sdan ook moeten meenemen in hun eigen risicoanalyses.7 Een pensioen-fonds heeft als langetermijnbelegger direct te maken met de conse-quenties van niet-duurzame ecologische, economische of maatschappe-lijke ontwikkelingen op de toekomstige waarde van de beleggingen.8 Hetniet meenemen van dergelijke risico’s zou wijzen op een gebrek aanbewustzijn over de potentiële financiële gevolgen van dezemaatschappelijke- en klimaatrisico’s voor hun investeringen.Om deze risico’s te beheersen en te mitigeren kan het fonds besluiten dathet nodig is om beleggingen in bepaalde regio’s en sectoren af te bouwenof bepaalde bedrijven uit te sluiten. Zo kan het zijn dat door toenemenderegulering de langetermijnwinstgevendheid van bepaalde sectoren onderdruk komt te staan, waardoor het niet in het belang zou zijn vandeelnemers om daarin te beleggen, gezien dergelijke ondernemingen nietwaardevast blijken te zijn. Pensioenfondsen moeten zich dus niet alleenrichten op de korte termijn, maar moeten juist ook langetermijnontwikke-lingen en de belangen van hun deelnemers in ogenschouw nemen bij hetkiezen van de beleggingen.Een pensioenfonds stelt voor de langere termijn een strategisch beleg-gingsbeleid vast dat aansluit bij de doelstellingen en beleidsuitgangs-punten, waaronder de risicohouding, van het pensioenfonds en isgebaseerd op gedegen onderzoek.9Het achteraf beoordelen van de prestaties van de fondsmanagers in hetuitvoeren van het strategische beleggingsbeleid vindt plaats op basis vangerealiseerde rendementen en gerealiseerde uitkomsten van benchmarks.Omdat het strategisch beleggingsbeleid op een andere dataset isgebaseerd dan de uitvoering van het beleggingsbeleid is het beter om het5Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, artikel 13, lid1.6Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, artikel 13a, lid 3.7Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen, artikel 18, lid 3, onderdeel g en artikel 18b,lid 2, onderdeel h.8Besluit van 19 december 2018 tot wijziging van het Besluit financieel toetsingskader pensioen-fondsen, het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling, hetBesluit bekostiging financieel toezicht 2019, het Besluit prudentiële regels Wft, het Besluitgedragstoezicht financiële ondernemingen Wft en het Besluit markttoegang financiëleondernemingen Wft in verband met de implementatie van Richtlijn 2016/2341/EU van hetEuropees parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van enhet toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV’s) (PbEU 2016, L 354). Stb.2018, nr. 516, p. 21)9Besluit FTK artikel 13a, lid 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7124 strategische beleggingsbeleid apart te bezien van de uitvoering. Ditbetekent ook dat het gerealiseerde rendement van een pensioenfonds datdeels voortkomt uit beslissingen op basis van informatie vooraf, moeilijkvergeleken kan worden met de achteraf realisatie van aandelenindices.AFM ziet toe op het risicopreferentieonderzoek en DNB ziet erop toe datde voorgeschreven stappen om te komen tot een passend beleggings-beleid door het fonds zijn doorlopen en het bestuur de strategie periodiekherijkt indien nodig. Daarbij wordt ook gekeken of verantwoordingsor-ganen (waarin deelnemers en werkgevers zitting hebben) in voldoendemate betrokken zijn in het beslissingsproces.10 Zo moet worden aange-geven en onderbouwd hoe met de zienswijzen van de verantwoordingsor-ganen is omgegaan.11Er zijn verschillende stappen in de beleggingscyclus te onderscheidenwaar DNB toezicht op houdt:1)Vaststellen doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronderrisicohouding: Een pensioenfonds formuleert doelstellingen enbeleidsuitgangspunten, waaronder een risicohouding. De beleidsuit-gangspunten bevatten onder anderen de beleggingsbeginselen vanhet pensioenfonds.12Het pensioenfonds legt na overleg met de fondsorganen de beleidsuit-gangspunten en doelstellingen, waaronder de risicohouding vast. Debeleidsuitgangspunten en doelstellingen, waaronder de risicohoudingzijn een uitgangspunt voor vaststelling van het strategisch beleggings-beleid in stap 2 van de cyclus.132)Strategisch beleggingsbeleid en beleggingsplan: Een pensioenfondsstelt voor de langere termijn een strategisch beleggingsbeleid vast dataansluit bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder derisicohouding, van het pensioenfonds en is gebaseerd op gedegenonderzoek.14 Het strategisch beleggingsbeleid wordt in een beleg-gingsplan uitgewerkt. In het beleggingsplan neemt het fonds concreteen gedetailleerde richtniveaus en bandbreedtes per beleggingscatego-rie op.Zowel stap 1 als stap 2 zijn gebaseerd op gedegen onderzoek datzowel kwalitatief als kwantitatief van aard is.3)Implementatie en uitbesteding: Bij het onderdeel «Implementatie enuitbesteding» van de beleggingscyclus wordt – via een beleggingsplan– op productniveau invulling gegeven aan de beleggingsportefeuille.Ook richt een pensioenfonds de rapportages in die nodig zijn voor defase «Monitoring en uitvoering» en stelt de evaluatiecriteria op. In hetgeval van uitbesteding van vermogensbeheer, geldt dat de opdrachtdie het pensioenfonds geeft aan de vermogensbeheerder (hetbeleggingsmandaat) dient aan te sluiten op het strategische beleg-gingsbeleid en het beleggingsplan.15 Een sluitende set afspraken enrichtlijnen is nodig tussen pensioenfonds en vermogensbeheerder omde opdracht te begrenzen in aansluiting op het vastgestelde beleid.Daarnaast moeten pensioenfondsen vooraf een concrete kwalitatieveen kwantitatieve selectie- en beoordelingsprocedure vastleggen voorexterne vermogensbeheerders met concrete prestatie-indicatoren.10Het pensioenfonds legt op grond van artikel 102a, lid 1 Pw na overleg met de fondsorganen debeleidsuitgangspunten en doelstellingen, waaronder de risicohouding vast. De beleidsuit-gangspunten en doelstellingen, waaronder de risicohouding zijn een uitgangspunt voorvaststelling van het strategisch beleggingsbeleid. Beleggingen – Pensioenfondsen | DeNederlandsche Bank).11Factsheet: Risicohouding pensioenuitvoerders | De Nederlandsche Bank12Artikel 102a Pensioenwet (Pw).13Artikel 102a, lid 1 Pw.14Artikel 13a, lid 1 Besluit FTK.15Artikel 34 Pw en artikel 13 en 14 Besluit uitvoering Pw en Wvb.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7125 Hiermee voorkomt het pensioenfonds dat de vermogensbeheerder inde uitvoering van zijn mandaat meer risico’s neemt dan het pensioen-fonds beoogt.4)Monitoring en uitvoering: Bij de fase «Monitoring en uitvoering»worden de rapportages over de uitvoering van het beleggingsplangemonitord door het pensioenfonds. Hierbij wordt van een pensioen-fonds verwacht dat de rapportages onder meer adequaat inzicht gevenin beheersing van de risico’s.5)Evaluatie en bijsturen: In de laatste stap «Evaluatie en bijsturen» vindtperiodiek een evaluatie en herbeoordeling plaats van het strategischbeleggingsbeleid, beleggingsplan en de uitvoering (waaronder deuitbesteding aan vermogensbeheerders).16 Bij de evaluatie wordt ookbeoordeeld of de betreffende vermogensbeheerder nog steeds binnende beleggingsportefeuille past.17De risicohouding van deelnemersOm in lijn met de deelnemersbelangen te kunnen handelen moetenpensioenfondsen de risicohouding van hun deelnemers, slapers engepensioneerden bepalen. Het gaat hierbij om welke beleggingsrisico’sdeelnemers willen en kunnen nemen. Dit begrenst het beleggingsrisico inhet beleggingsbeleid en daarmee ook de prestaties van pensioenfondsenop het gebied van rendement.Pensioenfondsen doorlopen voor het bepalen van de risicohouding eencyclus waarbij als eerste een risicopreferentie-onderzoek (RPO) wordtgehouden onder deelnemers om hun risico-aversie en daarmee hetbeleggingsrisico dat zij willen nemen te kunnen bepalen.18Het beleggingsrisico dat deelnemers kunnen lopen, wordt beoordeeld opbasis van de kenmerken van de deelnemerspopulatie en wetenschappe-lijke inzichten. Daarbij wordt met name naar leeftijd gekeken en delifecycle-beleggingstheorie toegepast.19 Hierbij is de gedachte dat eenjongere meer beleggingsrisico op zich kan nemen dan een ouderedeelnemer, omdat hij nog veel menselijk kapitaal en een arbeidslevenvoor zich heeft, waaruit toekomstige pensioenpremies kunnen wordenbetaald.Gezamenlijk bepalen de beleggingsrisico’s die deelnemers kunnen enwillen nemen de risicohouding van het deelnemersbestand. In derisicohouding worden het minimum rendement en het maximum risicobepaald waar binnen het strategische beleggingsbeleid kan worden vormgegeven. Voor de jaarlijkse toetsing van het beleggingsbeleid aan dezemaatstaven moeten de scenariosets van DNB worden gebruikt. Mocht hetbeleggingsbeleid en de toedeling van rendement niet binnen de kadersvan de risicohouding vallen dan moeten deze worden aangepast.De performancetoetsBedrijfstakpensioenfondsen die vallen onder de verplichtstellingkennen – naast de maatstaven voor risicohouding – een performan-cetoets, die recent vernieuwd is en vanaf 1 januari 2028 in zal gaan.In deze performancetoets wordt op basis van benchmarks diepensioenfondsen intern hanteren of publieke beschikbaar zijnprestaties gemeten over een periode van 5 jaar. Onderprestaties zijn16Artikel 13a Besluit FTK.17Beleggingen - Pensioenfondsen | De Nederlandsche Bank18Besluit toekomst pensioenen, artikel 14t.19Thomas Pistorius, T. (2021). Lifecycle beleggen in het nieuwe pensioen- contract: de theorieover de inzet van human capital en de nuances, VBA Journaal, nr.148, 65–70.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7126 hier gedefinieerd als prestaties die vallen onder de 5% slechtsmogelijke uitkomsten. Als geconstateerd wordt dat een bedrijfstak-pensioenfonds onderpresteert, hebben aangesloten werkgevers demogelijkheid om uit te treden uit het pensioenfonds, mits zij eenpensioenregeling aanbieden die gelijkwaardig is aan de pensioenre-geling die het bedrijfstakpensioenfonds aanbiedt. Op deze manier iseen waarborg ingebouwd dat als er sprake is van een evidenteonderprestatie van een pensioenfonds werkgevers handelingsper-spectief hebben. Deze benchmarks houden rekening met verschillentussen pensioenfondsen in leeftijdsopbouw en risicohouding. Zijhouden ook rekening met verschillende beleggingscategorieën diepensioenfondsen gebruiken om in te beleggen met verschillen inbijvoorbeeld in geografie binnen beleggingscategorieën. Daarmeemeet deze performancetoets de prestaties die zijn geleverd in deuitvoering van het strategische beleid.De prestaties van Nederlandse pensioenfondsenDe prestaties van pensioenfondsen moeten dus niet enkel wordengemeten aan de rendementen die zij behalen aan de vermogenszijde vande balans, maar ook aan de effecten op de hoogte van de ingegane entoekomstige uitkeringen; de verplichtingenzijde. In Tabel 1 wordt deontwikkeling van de vermogenszijde (ook cumulatief) van de vijf grootstefondsen weergegeven voor de periode 2014–2024 (en waar beschikbaarook 2025). Dit zijn prestaties van pensioenfondsen in het oude pensioen-stelsel onder het financieel toetsingskader (FTK). Bedrijfstakpensioen-fondsen kennen in het kader van de verplichtstelling een performance-toets (zie kader). Er kan worden gesteld dat het beleggingsrendement bijalle vijf fondsen doorgaans positief is, wat ook terug te zien is in hetgemiddelde rendement, dat rond de vier procent ligt. Daarbij moetbedacht worden dat een aantal pensioenfondsen vanwege de transitie hetrenterisico aan de verplichtingenzijde, verder hebben afgedekt voor eensoepele overgang naar het nieuwe stelsel in het belang van hundeelnemers. De verwachting van pensioenfondsen is dat zij het renterisicoen het beleggingsrisico in het pensioenstelsel onder de Wtp gerichterkunnen toedelen aan jongeren en ouderen, waardoor de spanning tussenrendement behalen en een stabiele uitkering realiseren afneemt.1: Groei rendement (in percentages) en cumulatief rendement van de vijf grootste pensioenfondsenABPBouwPMEPMTPFZWJaarGroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.2013100,00100,00100,00100,00100,00201414,50114,5011,40111,4017,80117,8020,60120,6015,50115,5020152,70117,59– 5,00105,831,00118,982,29123,36– 0,10115,3820169,50128,761,80107,7310,30131,2310,96136,8812,00129,2320177,60138,552,20110,114,70137,404,06142,445,10135,822018– 2,30135,36– 1,00109,00– 0,90136,160,21142,74– 0,40135,28201916,80158,1017,90128,5218,30161,0818,40169,0018,80160,7120206,60168,548,90139,9510,60178,1610,60186,925,60169,71202111,40187,756,90149,613,90185,103,60193,658,20183,632022– 17,60154,71– 21,40117,59– 23,30141,98– 27,50140,39– 22,60142,1320239,30169,097,70126,658,70154,338,40152,198,70154,4920248,4183,307,60136,278,70167,758,20164,678,00166,852025– 1,6180,37– 3,9130,96– 3,0162,72– 5,9154,95– 3,80160,51CAGR15,042,274,143,724,021 Compound Annual Growth Rate in percentages: ((eindwaarde cumulatief rendement / beginwaarde cumulatief rendement) ^(1/jaren)) – 1 *100 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7127 Tabel 2: Dekkings- en beleidsdekkingsgraad per fonds (in percentages)ABPBouwPMEPMTPFZWUltimoDek-kingsgr.Beleidsd.Dek-kingsgr.Beleidsd.Dek-kingsgr.Beleidsd.Dek-kingsgr.Beleidsd.Dek-kingsgr.Beleidsd.2014101,1104,7115,1115101,7104,1102,2107,6201597,298,7108,7110,996,197,698,598,595,197,1201696,791,7110,5105,496,291,898,592,895,390,12017104,4101,5118,1115,2101,6100,1102,2100,6101,198,6201897,1103,8113,9118,397,7101,399,4102,397,5101,3201997,895,8114,4112,498,996,999,197,699,296,5202093,587,6111,6105,797,692,396,391,392,688,32021110,6102,8125,3119,3108,3103,2106,7100,9106,699,72022110,9118,6122,1131,5110,4107,8106,7108,1108,7111,52023110,5113,9123,9124,7109,4113,3105,8109,9106,11122024111,7113,1125,6126,3113112,7108,4108,4109,8108,92025123,5118,3141,1133,1125,3120,1122,3115,3126,0117,7Bron: Jaarverslagen pensioenfondsenBron: Jaarverslagen pensioenfondsen, website pensioenfondsen Tabel 3: Verleende indexatie per fonds (in percentages) en cumulatieve indexatieABPBouwPMEPMTPFZWJaarGroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.GroeiCum.20130100,0100,0100,0100,0100,020140100,00,2100,20100,0– 0,499,60100,020150100,00100,20100,0099,60100,020160100,00100,20100,0099,60100,020170100,00,59100,80100,0099,60100,020180100,01,07101,90100,0099,60100,020190100,00,26102,10100,0099,60100,020200,71100,70102,10100,0099,60100,020212,39103,11,76103,90100,0099,62,7102,7202211,96115,414,52119,07,49107,55,49105,16108,920233,03118,90119,03,26111,03,2108,44,8114,120241,84121,10,75119,90,3111,30108,40114,120252,84124,520,8144,82,82114,48,3117,4121127,81 PFZW spreekt van «ongeveer 12 procent» op haar website. https://www.pfzw.nl/over-pfzw/nieuws/hoger-pensioeninkomen-vanaf-maart-2026.htmlBron: Jaarverslagen en website pensioenfondsen Binnen het FTK vormt de dekkingsgraad een relatief simpele indicator omte achterhalen of pensioenfondsen via hun beleggingen inderdaadbijdragen aan een goed pensioen. Die geeft immers de verhouding weertussen enerzijds het vermogen en anderzijds de verplichtingen van hetpensioenfonds.Uit tabel 2 blijkt dat de vijf grootste pensioenfondsen sinds 2020 een flinkestijging hebben kunnen laten zien van hun (beleids)dekkingsgraad. Dezegunstige ontwikkeling heeft zich vertaald in een indexatie van pensioen-uitkeringen. Uit Tabel 3 blijkt dat de uitkeringen dankzij indexaties sinds2020 zijn gestegen voor de vijf grootste pensioenfondsen. Dit komt mededoordat de grote bedrijfstakpensioenfondsen de mogelijkheid hadden ombij het verlenen van toeslagen vooruit te lopen op de Wet toekomstpensioenen gezien hun voornemen om in te varen.De Wet toekomst pensioenenBovenstaande prestaties van pensioenfonds zijn geleverd onder het oudepensioenstelsel. Het oude pensioenstelsel was met aanhouden van grotebuffers sterker gericht op nominale zekerheid dan het nieuwe pensioen-stelsel. Ook in de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel hebbenfondsen waar nodig risico’s beperkt, om daarmee een stabiele,voorspelbare overgang naar het nieuwe stelsel voor hun deelnemers teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7128 bereiken. Met de Wet toekomst pensioenen is dit anders en zullenpensioenfondsen in het nieuwe pensioenstelsel rendementen eerderkunnen doorgegeven in de pensioenuitkering. Dat betekent over hetalgemeen dat pensioenfondsen een verschuiving zullen laten zien in delooptijd van hun renteafdekking naar kortere looptijden aangezien nu veelvaker alleen de uitkeringsperiode van circa 20 jaar zal worden afgedekt, inplaats van de gehele periode dat een deelnemer in het pensioenfondsaanwezig is, wat ongeveer 60 jaar is. Daarnaast zullen pensioenfondsennaar hun eigen verwachting meer beleggingsrisico op zich kunnen nemendan in het oude stelsel door deze gerichtere aanpak. Dit zou kunnen leidentot een grote kans op kleine verhogingen van pensioenuitkeringen en eenkleine kans op substantiële verlagingen.20 Per saldo biedt de Wtp daarmeemeer perspectief op een koopkrachtig pensioen.ConclusieDe prestaties die pensioenfondsen behalen voor hun deelnemers is eenbelangrijk onderwerp. Pensioenfondsen hebben de wettelijk plicht om inhet belang van hun deelnemers te handelen. De risicohouding, die hetvertrekpunt vormt voor het strategisch beleggingsbeleid, wordt vastge-steld na overleg met de fondsorganen, waarin deelnemers zitting hebben.AFM houdt toezicht het risicopreferentieonderzoek en DNB houdt toezichtop het vaststellen van de risicohouding, het (strategische) beleggings-beleid en het naleven van het prudent person beginsel. Op deze manierkent het proces voor het vaststellen van het strategisch beleggingsbeleiden de uitvoering hiervan de nodige checks en balances om er voor tezorgen dat in het belang van de deelnemer wordt gehandeld.Het is begrijpelijk dat de aandacht voor de prestaties van pensioen-fondsen komt te liggen op de rendementen die pensioenfondsen behalen.Voor een goed beeld van de prestaties van pensioenfondsen moet er overde breedte worden gekeken. Omdat pensioenfondsen uitkeringen biedengericht op behoud van de levensstandaard is het zinvoller om te kijkennaar de mogelijkheid voor pensioenfondsen om een verhoging (ofindexatie) te verlenen dan uitsluitend naar het rendement dat zij op devermogenszijde van de balans behalen. Niet alleen het genomenbeleggingsrisico, maar ook het renterisico en inflatierisico is bepalendvoor de uiteindelijke hoogte en waarde van de pensioenuitkering. Deprestaties van Nederlandse pensioenfondsen zijn sinds 2020 op hetgebied van verhoging en indexatie gestegen. Met de invoering van deWtp is de verwachting van pensioenfondsen dat zij in het algemeenminder renterisico zullen hoeven af te dekken en meer beleggingsrisicokunnen nemen, waarmee meer perspectief kan worden geboden op eenkoopkrachtig pensioen.Het blijft daarmee van belang dat fondsen op een eenduidige manierkunnen communiceren over hun lange termijn beleggingsdoelstellingen,het voorgenomen beleggingsbeleid om deze doelstellingen te bereiken ende behaalde resultaten. Met de Wtp wordt deze uitdaging alleen maargroter, omdat het behaalde rendement meer in beeld komt. De pensioen-sector heeft daarom ook het initiatief genomen om dit nader vorm tegeven. Dit vind ik een goede ontwikkeling waarover ik met de sector ingesprek ben.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.A. Vijlbrief20SEO (2026), Doelstellingenmonitor Wtp.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 7129

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · bf04c0a9ad33ba3f

14 okt 2026 · a2ba4c4ea7b9fd1b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.