Aanpak mestmarkt
Brontekst
Versie aaa0ca113aaceacf · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202433 037MestbeleidNr. 559 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSEL-ZEKERHEID EN NATUUR Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 13 september 2024Er zijn grote zorgen in de agrarische sector over de situatie op demestmarkt. Met de afbouw van de derogatie is er een gespannen situatieop de mestmarkt ontstaan, waardoor boerenbedrijven worden geconfron-teerd met hoge mestafzetkosten en soms grote moeite hebben hun mestaf te zetten. Het verdienvermogen van boeren staat met alle uitdagingenop het boerenerf onder grote druk. Kort na mijn aantreden heb ik met uwKamer gesproken over de mestmarktproblematiek in het Commissiedebatmestbeleid van 4 juli jl. (Kamerstuk 33 037, nr. 558). Hierin heb ikaangegeven deze zomer vanuit alle invalshoeken en overwegingen na tedenken over een mogelijke aanpak. Daarbij heb ik het pakket dat op31 mei jl1. aan uw Kamer is aangeboden meegewogen, evenals deopvattingen van uw Kamer, de realiteit in de sector en de wisselwerkingmet partijen die betrokken zijn bij de landbouw en de Europese dimensie.In deze Kamerbrief informeer ik u over mijn voorgenomen aanpak, diebestaat uit een mix van maatregelen die op korte termijn in gang gezetkunnen worden en structurele maatregelen voor de langere termijn. Dedruk op de mestmarkt is groot en er is zeker op korte termijn actie nodigom hierin verlichting te bieden zodat agrariërs met voldoende perspectiefen verdienvermogen de toekomst tegemoet kunnen gaan. Ik ga er dan ookalles aan doen om de problematiek op de mestmarkt de urgente aandachtte geven die het verdient en zal mij vol inzetten om een generieke kortingals gevolg van het overschrijden van de mestproductieplafonds tevoorkomen, zoals ook in het Hoofdlijnenakkoord is opgenomen.AanpakEen aanpak die voor de benodigde verlichting op de mestmarkt kanzorgen moet op meerdere fronten en met verschillende snelheden wordeningezet. Het gaat om een combinatie van verschillende bouwstenen en1Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 542 kst-33037-559ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5591 maatregelen. Er is namelijk niet de luxe om te kiezen voor maar één spoorof maatregel. Oplossingen die ik voor de kortere termijn zie, zal ik in dekomende maanden oppakken, zodat hiermee vanaf 2025 een eersteverlichting op de mestmarkt kan worden gerealiseerd. Ik realiseer me datdeze korte termijn maatregelen niet tot de ultieme oplossing zullen leiden,en voor een deel later effect zullen hebben, maar ik wil elke maatregel diemogelijk een verlichting kan bieden aan ondernemers – en effect heeft –snel in gang zetten.Er is meer nodig om ook op de lange termijn een vitale landbouwsector inNederland te kunnen behouden. Daarom zijn ook meer structurelemaatregelen nodig, die in de toekomst zullen leiden tot meer balans op demestmarkt. Dat is goed voor ondernemers en ketens, is goed voorNederland en past bij onze Europese verantwoordelijkheden. Daarbij is deinzet van het kabinet gericht op emissiebeleid, waarbij ondernemersworden ondersteund om door te ontwikkelen en te innoveren, gericht opbedrijfsspecifieke emissiereductie voor klimaat, water en stikstof. Ook inhet 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn wil ik die richting inslaan.Door de afbouw van de derogatie en de voorwaarden uit de derogatiebe-schikking (bufferstroken en NV-gebieden) vervalt uiteindelijk in 2026 intotaal 78 mln. kg stikstof uit dierlijke mest aan plaatsingsruimte(inschatting Nederlands Centrum voor Mestverwaarding). Door devoorgenomen verlaging van de mestproductieplafonds met ca. 10% blijfter vanaf 2026 nog een gat aan plaatsingsruimte over van 53 mln. kgstikstof uit dierlijke mest. De in deze brief uiteengezette aanpak zal er niettoe leiden dat het volledige verlies aan plaatsingsruimte vanwege deafbouw van de derogatie wordt gecompenseerd, maar is er wel op gerichtde mestmarkt zodanig te verlichten dat er een stabiel evenwicht ontstaat,waarbij de mest weer afgevoerd kan worden tegen te dragen mestafzet-kosten.Dit kabinet zet in lijn met het Hoofdlijnenakkoord primair in op hetvergroten van de plaatsingsruimte. De hoofdinzet in de aanpak is dan ookgericht op aanpassing van de Nitraatrichtlijn om daarin de grens voorplaatsing van dierlijke mest (170 kg N/ha) af te schaffen en tegelijkertijd inte zetten op Europese maatregelen ter overbrugging, de huidige en eeneventuele toekomstige derogatie, zolang die grens nog wel is opgenomenin de Nitraatrichtlijn. Deze aanpak is gericht op het structureel vergrotenvan de mestplaatsingsruimte, zodat de noodzaak om vanuit hetmestbeleid de mestproductie te doen dalen kleiner is. Daarbij zal ook deverhouding dierlijke mest en kunstmest worden betrokken. De essentiëleonderdelen van de structurele aanpak, gericht op vergroting van deplaatsingsruimte, vragen om afstemming met de Europese Commissie,andere onderdelen vragen vooral om nationale resultaten.In onderstaande figuur worden de maatregelen die op korte termijn ingang gezet worden en de structurele maatregelen voor de langere termijnweergegeven, die in samenhang de aanpak van dit kabinet vormen. Delangere termijn maatregelen worden vervolgens onderscheiden naar eenEuropese inzet en een nationale inzet. Hierna zal ik de maatregelen perblok nader toelichten.In de bijlage bij deze brief worden het tijdpad en de effecten van demaatregelen weergegeven, zoals toegezegd bij het CommissiedebatStikstof, NPLG en Natuur van 4 september jl. Dit betreft de effecten van deafzonderlijke maatregelen, die in samenhang bijdragen aan het meer inbalans brengen van de mestmarkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5592 Het is voor het slagen van de aanpak van belang dat de maatregelendoeltreffend zijn. Ik zal daarom de komende maanden de vinger aan depols houden en de voortgang van de aanpak monitoren ten behoeve vaneen weeg- en bijstelmechanisme op weg naar de voorjaarsbesluit-vorming.Niet alle spanning op de mestmarkt kan door het kabinet wordenweggenomen, het is ook aan de ondernemers zelf, de brancheorgani-saties, de zuivelindustrie en de financiers om hieraan bij te dragen. Bijverscheidene zaken zoals hierboven opgenomen, ligt er een grote rol bijdie partijen om resultaten te boeken, zoals bijvoorbeeld het «voerspoor».De komende periode zal het bestaande contact met de betrokken partijenworden voortgezet, waarvoor de aanpak en kaders van deze brief leidendzullen zijn en waarbij ook de resultaten worden gevolgd.Conform het Regeerprogramma ga ik in gesprek met ketenpartijen enbanken, gericht op het maken van goede afspraken over hun rol enbijdragen om de positie van agrarische ondernemers te versterken. Hierbijbetrek ik de aanpak van de mestmarkt en de mogelijke bijdrage van dezepartijen, mede ter uitvoering van de aangenomen motie van het lidBeckerman (SP), die de regering oproept te komen met een uitgewerktplan voor de begroting van 2025 hoe ketenpartijen gaan bijdragen aan debestrijding van de mestcrisis en het verbeteren van de inkomenspositievan boeren (Kamerstuk 33 037, nr. 553).Naar aanleiding van het mestdebat van 4 juli jl. is een motie van het lidKostic´. (PvdD) aangenomen die de regering verzoekt om bij het kiezen vanmestmaatregelen ook het belang van dierenwelzijn mee te wegen(Kamerstuk 33 037, nr. 550). Veel van onderstaande maatregelen hebbengeen effect op dierenwelzijn, maar ik zal bij de uitwerking van demaatregelen, waar van toepassing, rekenschap geven van de effecten opdierenwelzijn en hierover dan aan uw Kamer rapporteren. Hiermee geef ikinvulling aan de motie van lid Kostic´.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5593 Maatregelen/oplossingen op korte termijn te startenMaatvoering derogatievrije zones rondom Natura 2000-gebiedenOp percelen in grondwaterbeschermingsgebieden en Natura2000-gebieden is het sinds 1 januari 2023 niet langer mogelijk een hogeregebruiksnorm dierlijke mest op grond van een derogatievergunning teverkrijgen. Per 1 januari 2024 geldt dat ook voor topografische percelendie voor de helft of meer binnen een derogatievrije zone rondom eenstikstofgevoelig Natura 2000-gebied liggen.2 De derogatievrije zone iseind 2023 vastgesteld op een straal van 250 meter vanaf een Natura2000-gebied op basis van een advies van Wageningen EnvironmentalResearch (WEnR)3.Hoewel het kabinet voor een andere koers kiest in het stikstofbeleid,gericht op het sturen op emissie van stikstofoxiden en ammoniak, inplaats van het sturen op depositie, acht ik mij op grond van de derogatie-beschikking 2022–2025 gehouden aan de afspraak om derogatievrijezones rondom Natura 2000-gebieden in te richten.Ten behoeve van de maatvoering heb ik voornoemd advies van WEnRnogmaals bestudeerd. Uit dit advies blijkt dat ook bij een derogatievrijezone van 100 meter vanaf een Natura 2000-gebied de stikstofdepositie ophet Natura 2000-gebied al aanzienlijk wordt gereduceerd. Ik kies er danook voor om – in lijn met het Hoofdlijnenakkoord – met ingang van1 januari 2025 de straal van de derogatievrije zone tot een stikstofgevoeligNatura 2000-gebied waar de kritische depositiewaarde is overschreden, teverkleinen tot 100 meter. De derogatievrije zone geldt dan met ingang van2025 alleen voor topografische percelen die voor de helft of meer binnende derogatievrije zone van 100 meter liggen. Hiermee kunnen agrariërsmet topografische percelen die in 2025 niet meer in een derogatievrijezone liggen weer gebruik maken van derogatie. Zij kunnen dan afhankelijkvan de ligging van de percelen 190 kg/ha of 200 kg/ha dierlijke mest ophun percelen gebruiken in plaats van 170 kg/ha. Naar schatting zal dit oplandelijke schaal een gering effect hebben op de mestplaatsingsruimte,maar voor die bedrijven waar het om gaat kan dit wel een verlichtingbetekenen.Ik zal over bovengenoemd voorstel in contact treden met de EuropeseCommissie, aangezien dit een aanpassing betreft van eerder gemaakteafspraken over de precieze invulling van de derogatiebeschikking en ikvoornemens ben om in het najaar de Uitvoeringsregeling meststoffenwetop dit punt aan te passen. Het principe van derogatievrije zone blijftdaarbij overeind. RVO zal daarna zo snel mogelijk de nieuwe derogatie-vrije zone verwerken in haar systemen, zodat agrariërs met topografischepercelen die nu in een derogatievrije zone liggen kunnen zien of zij voordeze percelen in 2025 alsnog voor derogatie in aanmerking komen.Vergroten exportmogelijkheden en stimulering mestverwerkingIn 2023 is de export van mest licht afgenomen in vergelijking tot het jaardaarvoor. Deze ontwikkeling wil ik keren door in te zetten op exportbevor-dering. De businesscase, ook voor de langere termijn, voor de export vanmest is afhankelijk van een aantal factoren. Allereerst moet er vraag zijn inhet buitenland naar (Nederlandse) mestproducten. De producten moeten2Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5213Notitie derogatievrije zones rondom N-2000 gebieden, bijlage bij Kamerbrief 23 december2023. [Expertbeoordeling «Breedte van een zone rondom Natura 2000-gebieden waar vanaf2024 geen mestderogatie wordt toegestaan», Wageningen Environmental Research.]Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5594 daarbij voldoen aan geldende wet- en regelgeving en de nationale eisenvan het land waarnaar geëxporteerd wordt. Vaak is een bewerkingsslagvereist, waarbij in ieder geval hygiënisering plaatsvindt ter voorkomingvan verspreiding van dierziekten. Daarnaast moet het rendabel zijn om demestproducten (op grotere afstand) te vervoeren. Daarbij geldt dat hoevolumineuzer de mest is ten opzichte van het gehalte aan nutriënten, hoeduurder het is om te vervoeren. Daarom is het vervoer van drijfmestbijvoorbeeld minder rendabel dan dat van ingedroogde mest ofmestkorrels. Bewerking van mest kan daarbij dus behulpzaam zijn. Ommestproducten rendabel te kunnen exporteren, is in Nederland voldoendebewerkingscapaciteit nodig en is voldoende aanbod van dierlijke mestvoor bewerking nodig.Om de mogelijkheden van de export van mest te verbeteren zet ik daaromin op drie sporen: 1) diplomatie/versterken netwerken, 2) stimulerenmestverwerking en vergunningverlening en 3) het aanpassen van demestverwerkingspercentages. Deze drie sporen moeten in samenhangopgepakt worden om daadwerkelijk effect te kunnen sorteren.1)De afzet van dierlijke mest in het buitenland is afhankelijk van goederelaties en wederzijdse bekendheid met personen en procedures. Omdat te versterken zorg ik voor korte lijnen tussen bedrijven en overheidom te kijken hoe we elkaar kunnen helpen. Ik wil dat faciliteren via degerichte inzet van het netwerk van landbouwattachées als onderdeelvan onze wereldwijde diplomatieke inzet en de inzet van het Neder-lands Centrum voor Mestverwaarding voor het organiseren vanexportmissies met geïnteresseerde bedrijven. Om actief kansrijkeafzetmarkten te benaderen wil ik overgaan tot het inzetten van eendierlijke meststoffen gezant. Ook wil ik een congres met alle (geïnteres-seerde) partijen organiseren om kennis te delen en te verspreiden.2)Daarnaast wil ik de verwerking van mest, naast de al bestaandesubsidieregeling voor Hoogwaardige Mestverwerking, verderstimuleren. Dat wil ik aan de ene kant doen door te kijken waarmogelijke knelpunten in de vergunningverlening voor mestverwerking(en -vergisting) op korte termijn kunnen worden opgelost. Daarvoor zalik op korte termijn een bestuurlijk boegbeeld (een «versneller»)aanstellen, die ten dienste van de bevoegd gezagen/provincies aan deslag gaat om doorbraken te realiseren ten aanzien van vergunningver-lening; in aansluiting op bestaande initiatieven. Aan de andere kant wilik bedrijven die ruimte hebben in hun vergunning en willen investerenin extra verwerkingscapaciteit daarin stimuleren. Hiervoor wil ik in2025 een nieuwe subsidieregeling openstellen voor hygiënisatie-installaties en korrelinstallaties voor dierlijke mest die voldoen aan deerkenningseisen (voor bedrijven die dit op korte termijn kunnenrealiseren binnen een bestaande of nieuwe vergunning). Dezeinstallaties kunnen in combinatie met vergisting gerealiseerd worden.Hiermee wil ik dit knelpunt in de afzet van mest op korte termijnaanpakken door het voorzien in voldoende verwerkingscapaciteitbinnen de huidige mogelijkheden.3)Om er daadwerkelijk voor te zorgen dat minder mest drukt op deNederlandse mestmarkt en wordt ingezet op stimulering van vol-doende mestverwerkingscapaciteit, is het ook mijn inzet om de huidigemestverwerkingsplicht (waaronder de verhoging van de mestverwer-kingspercentages)4 voor 2025 en 2026 aan te passen. Hierover wil ik opkorte termijn in gesprek met de primaire sectoren om te bezien opwelke wijze een aanpassing het meest effectief kan zijn in relatie tot devoornoemde sporen.4Meststoffenwet, Titel 6: mestverwerking; bevat mestverwerkingspercentages: verplicht aandeelvan het mestoverschot (uitgedrukt in fosfaat) dat verwerkt moet worden. De mestverwerkings-percentages verschillen per regio (Zuid, Oost en overig).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5595 Correctiefactor voor gasvormige verliezen in de melkveehouderijIn het mestdebat van 4 juli jl. is aandacht gevraagd voor de correctiefactorvoor gasvormige verliezen op een melkveebedrijf, die te laag zou zijn endaardoor ertoe leidt dat de hoeveelheid toegestane mestaanwending opeen bedrijf te laag wordt berekend op basis van de excretieforfaits.Hierover is de motie van het lid Flach c.s. (SGP) (Kamerstuk 33 037,nr. 551) aangenomen om ervoor zorgen dat een advies van de CommissieDeskundigen Meststoffenwet (CDM) over de correctiefactor zo snelmogelijk afgerond wordt.Inmiddels heb ik kennis genomen van het CDM advies over de correctie-factor gasvormige verliezen en de excretieforfaits en bied ik dat de Kamerhierbij aan. Tijdens de opslag van mest treden gasvormige verliezen op,waardoor er een verschil is tussen de hoeveelheid stikstof die door hetdier wordt geproduceerd en de hoeveelheid stikstof die in de mestaanwezig is op het moment van aanwenden. Voor dit verschil wordt debruto stikstof productie (productie onder de staart) gecorrigeerd met eenfactor, de zogenoemde stikstofcorrectiefactor. Indertijd is de stikstofcorrec-tiefactor berekend met de NEMA-methode en gebaseerd op gegevensover de periode 2010–2012. Voortschrijdend wetenschappelijk inzicht heeftlaten zien dat een betere methode voor berekening de N/P2O5-verhoudingin de mest is. Op basis van gegevens over 2015–2017 is met dezemethode in een eerder CDM-rapport van 2021 (voetnoot5) een stikstofcor-rectiefactor van 14% berekend, terwijl bij de nu van toepassing zijndestikstofexcretieforfaits wordt uitgegaan van een stikstofcorrectiefactor van8,5%. Naast met een andere methode is die 8,5% gebaseerd op gegevensover de periode 2010–2012 en zijn ook de stikstofverliezen bij beweiding inogenschouw genomen. Wordt voor dit laatste gecorrigeerd dan bedraagtde stikstofcorrectiefactor niet 8,5% maar 10,1%.De CDM adviseert in het recente advies de excretieforfaits en de stikstof-correctiefactor te actualiseren op basis van de meest recente data eninzichten. Daarbij geeft de CDM aan dat in het CDM advies met betrekkingtot de actualisatie van de excretieforfaits uit 2021 reeds de hogerestikstofcorrectiefactor gehanteerd is. Gelet op het recente advies ben ikvoornemens de stikstofcorrectiefactor per 1 januari 2025 aan te passen.Daarbij pas ik ook de stikstofexcretieforfaits aan voor zover dieaanpassing direct volgt uit de aanpassing van de stikstofcorrectiefactor.Aangezien voor het (verder) actualiseren van de stikstof- en fosfaatexcre-tieforfaits op basis van de meest actuele data en inzichten (2024) nogaanvullend wetenschappelijk onderzoek nodig is, zal ik de CDM tegelij-kertijd een advies vragen om de stikstof- en fosfaatexcretieforfaits naar demeest recente data en inzichten te kunnen herzien.Kalenderlandbouwmaatregelen: verruiming uitrijddatumOp 13 augustus jl. heb ik u geïnformeerd over de verlenging van deuitrijddatum dierlijke drijfmest op grasland in 2024 (Kamerstuk 33 037,nr. 555). Door het versoepelen van de uitrijddatum kunnen de problemenvanwege het natte voorjaar (deels) worden gemitigeerd. Dit voorkomt eennog grotere druk op de mestmarkt en het verdienvermogen van de boervanwege het natte voorjaar.Verhoging subsidie Behoud graslandOp 12 juli jl. is een wijziging van de subsidiemodule behoud grasland-areaal gepubliceerd, waarin het subsidiebedrag is verhoogd van 20 euro5Excretieforfaits melkvee: actualisatie 2021 – [email protected] Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5596 naar 50 euro per 10 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare terugval inmestplaatsingsruimte1. Deze wijzigingsregeling voorziet bovendien in eenopenstellingsperiode voor 2024 die op 15 juli jl. is ingegaan. Dit geeftlandbouwers de mogelijkheid een subsidieaanvraag te doen voor 2024.Op deze wijze kunnen landbouwers die in 2021 of 2022 een derogatiever-gunning hadden en die een subsidieaanvraag doen, een financiëletegemoetkoming ontvangen voor een gedeelte van de extra kosten diederogatiedeelnemers moeten maken vanwege de afbouw van dederogatie, om zeker te stellen dat zij grasland behouden. Ook bedrijvendie nu niet langer gebruik kunnen maken van de derogatie kunnen zichaanmelden voor deze subsidie en een tegemoetkoming ontvangen.De hoogte van het subsidieplafond en de wijze van verdeling van hetsubsidiebedrag bij overtekening van de regeling is aangepast in desubsidiemodule Behoud graslandareaal 2024 (Stcrt. 2024, nr. 5150). Deverwachting is dat het subsidieplafond voldoende is om alle aanvragen tehonoreren. Als het aangevraagde subsidiebedrag van alle aanvragensamen onverhoopt toch hoger is, wordt het jaarlijks beschikbare subsidie-bedrag vanaf 2024 evenredig verdeeld over de in de openstellingsperiodeontvangen subsidieaanvragen die aan de voorwaarden voldoen. Hiermeeis tegemoetgekomen aan de wens vanuit de sector en de motie van het lidVedder (Kamerstuk 30 252, nr. 1456).Voor individuele ondernemers is op grond van de de-minimisverordeningvoor de landbouwsector de bovengrens dat maximaal € 20.000,– perbedrijf per drie jaar aan de-minimissteun kan worden verleend. DeEuropese Commissie is op vrijdag 7 juni 2024 een publieke consultatiegestart voor een gerichte wijziging van de landbouw de-minimisverordening7. Belangrijke wijziging in dit voorstel is dat de individuelede-minimis grens voor steun aan ondernemingen actief in de primaireproductie van landbouwproducten van maximaal 20.000 euro per agrariërover een periode van drie jaren wordt verhoogd naar 37.000 euro. Dezeconsultatie liep tot en met 21 juli jl. en in het najaar wordt (Europese)besluitvorming verwacht over dit voorstel. Indien dit besluit positiefuitvalt, zie ik ruimte om het totale subsidiebedrag op basis van de regelingsubsidie behoud grasland in 2025 verder te verhogen, zodat de agrariërsnog meer tegemoet gekomen kan worden. Een eerste inschatting is dat in2025 circa 3000–4000 bedrijven dan niet aanlopen tegen de de-minimisgrens terwijl zij dat anders wel gedaan zouden hebben. Ik benvoornemens de benodigde financiering (circa 50–60 miljoen euro) voorverruiming van de regeling vanwege de ruimere de-minimis grens tefinancieren uit de 5 miljard euro aan middelen die beschikbaar zijn gesteldvoor de agrarische sector vanuit het Hoofdlijnenakkoord. Besluitvorminghierover zal plaatsvinden bij Voorjaarsnota 2025.Europese inzet: structurele maatregelen voor de langere termijnDe mestproblematiek vraagt om een structurele oplossing. De Nitraat-richtlijn wordt momenteel geëvalueerd. Nederland zet daar actief op in,met als doel uiteindelijk te komen tot een richtlijn die op een toekomstbe-stendige manier recht doet aan de te bereiken doelen, waaraan ookNederland gecommitteerd is. Het streven van dit kabinet is daarbij te6Motie van het lid Vedder verzoekt de regering te onderzoeken hoe de graslandregelingvoldoende budget kan bevatten om alle aanvragen te kunnen honoreren en boeren nietafhankelijk te maken van het «wie het eerst komt wie het eerst maalt»-principe,7Door gebruik te maken van de de-minimisverordeningen kunnen EU-lidstaten eenvoudig(relatief) lage steunbedragen aan ondernemingen verstrekken zonder dat er sprake is vanstaatssteun. Steun die niet meer bedraagt dan de de-minimisdrempel en ook voor het overigeaan de voorwaarden van de-minimissteun voldoet wordt geacht het handelsverkeer tussen delidstaten niet te beïnvloeden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5597 komen tot een richtlijn die tegelijkertijd handelingsperspectief voorverantwoordelijke ondernemers biedt. Het kabinet voelt zich daaringesterkt door de waardevolle inzichten uit de «Strategic Dialogue onAgriculture» en ziet daar de grote uitdaging én kans om voor de langeretermijn tot resultaten te komen. Bij die evaluatie zal ik daarom inbrengendat de huidige generieke norm voor dierlijke mest in de Nitraatrichtlijnmoet worden geschrapt, met in plaats daarvan het vaststellen van gewas-en grondsoortgerichte stikstofgebruiksnormen. Ook de overige zaken uithet Hoofdlijnenakkoord en het Regeerprogramma zullen we in dat kaderagenderen. Omdat de evaluatie en aanpassing van de Nitraatrichtlijn tijdkosten, zal ik mij op de korte termijn in Brussel ook hard maken voor eennieuwe derogatie en een herziening van de huidige aflopende derogatie.Daarnaast wil ik de aanwijzing van het gehele Nederlandse grondgebiedals kwetsbaar herzien en zet ik erop in dat RENURE op korte termijn wordttoegestaan. Dit alles, zonder tekort te doen aan de te behalen opgavenvoor de waterkwaliteit.Evaluatie NitraatrichtlijnDe Europese Commissie is gestart met een traject voor evaluatie van deNitraatrichtlijn. In de evaluatie moet worden beoordeeld of de Nitraat-richtlijn geschikt blijft voor het beoogde doel, water te beschermen tegenverontreiniging van nitraat uit agrarische bronnen, en in lijn is met demilieu- en klimaatambities van de EU en of deze bijdraagt aan eenduurzame en veerkrachtige landbouw en voedselzekerheid. De Nitraat-richtlijn is meer dan dertig jaar oud en de agrarische sector en de impactvan nitraatvervuiling hebben zich in de tijd ontwikkeld. In de Nitraat-richtlijn is toentertijd een norm voor de aanwending van dierlijke mestvan maximaal 170 kg stikstof/ha vastgelegd. Deze norm voor dierlijkemest is in Nederland met name op grasland niet realistisch, aangezienvoor een goede groei van het gewas aanzienlijk meer stikstof kan wordenaangewend, zonder meer uitspoeling naar het grond- en oppervlaktewaterte veroorzaken. Hierdoor wordt nu onnodig stikstof aangewend viakunstmest en de beschikbare dierlijke mest helaas onvoldoende benut.Daarom is mijn inzet gericht op afschaffing van een norm voor dierlijkemest in de Nitraatrichtlijn, maar met behoud van het vaststellen vangewas- en grondsoortgerichte stikstofgebruiksnormen. Dit zou eenbestendige oplossing zijn, waarbij geen noodzaak meer is tot tijdelijkederogaties, en die daarmee langjarige zekerheid en perspectief biedt.Ter overbrugging: inzet voor een nieuwe derogatie met meer ruimte voorplaatsing van dierlijke mest vanaf 2026De evaluatie en aanpassing van de Nitraatrichtlijn vergt een lange ademen is niet binnen enkele jaren afgerond. Zolang aanpassing van deNitraatrichtlijn met een alternatief voor de norm voor dierlijke mest niet isgerealiseerd, blijft een derogatie als tussenoplossing noodzakelijk. Eenhogere norm dan 170 kg stikstof uit dierlijke mest per hectare op graslandof voor bedrijven met een groot aandeel grasland is binnen de doelstel-lingen van de Nitraatrichtlijn goed te onderbouwen8. Prioritair zet ik mijdaarom, conform het Hoofdlijnenakkoord, in op een nieuwe derogatiebe-schikking vanaf 2026. In de komende maanden zal ik met de EuropeseCommissie bespreken welke opties hierin mogelijk en kansrijk zijn. Het isvan belang om te onderbouwen en te verduidelijken op welke wijze eenderogatie in Nederland mogelijk en noodzakelijk is, terwijl tegelijkertijdwordt verzekerd dat de waterkwaliteit verbetert en ook andere milieu-doelen niet uit zicht raken.8https://www.wur.nl/nl/show/cdm-advies-toetsing-wetenschappelijke-onderbouwing-nederlandse-derogatie-van-de-nitraatrichtlijn.htmTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5598 Aanpassing huidige derogatieMijn hoofdinzet in Brussel is gericht op het schrappen van de norm van170 kg stikstof/ha dierlijke mest uit de Nitraatrichtlijn en het in detussentijd inzetten op tussenoplossingen, zoals het verkrijgen van eennieuwe derogatie vanaf 2026, omdat dit meerjarige verlichting op demestmarkt biedt. In het Hoofdlijnenakkoord is aangegeven dat ook allesop alles wordt gezet om de afbouw van de huidige derogatie terug tedraaien en met de EU tot betere en wel werkbare normen en afspraken tekomen. In de gesprekken met de Europese Commissie, met als primairdoel het verkrijgen van een nieuwe derogatie, zal ik daarnaast aftasten ofer ruimte is om aanpassing van de huidige derogatiebeschikking teverkennen. Daarbij kijk ik naar verschillende elementen, zoals ookbenoemd in het Hoofdlijnenakkoord, zoals de afbouw van de derogatie, deaanpassing van de derogatievrije zones (zie bovenstaand) en deaanwijzing van Nutriënten-Verontreinigde gebieden.Kwetsbare zonesIn het Hoofdlijnenakkoord is opgenomen dat Nederland de aanwijzing vanhet gehele grondgebied als kwetsbaar moet herzien en dat dit per directkan. Nederland heeft er tot nu toe voor gekozen de actieprogramma’s telaten gelden voor het hele grondgebied. Het 7e actieprogramma nitraat enhet addendum lopen tot eind 2025 en gelden voor het gehele Nederlandsegrondgebied. Ik zal een advies vragen aan het Commissie DeskundigenMeststoffenwet om te bezien wat de reikwijdte van het 8e actiepro-gramma nitraat kan zijn op basis van de huidige beschikbare gegevens.RENUREDe Europese Commissie heeft op 19 april jl. een voorstel voor aanpassingvan de Nitraatrichtlijn gepubliceerd dat – binnen bepaalde grenzen enonder bepaalde voorwaarden – het gebruik van RENURE producten bovende gebruiksnorm dierlijke mest mogelijk maakt. De toelating van RENUREkan verlichting bieden voor de druk op de mestmarkt. In het laatsteNitraatcomité op 13 juni jl. is in Brussel over het RENURE-voorstelgesproken, waarbij bleek dat diverse lidstaten nog vragen en opmer-kingen hebben van procedurele, juridische of technische aard. DeEuropese Commissie heeft aangegeven deze vragen en opmerkingen tezullen bestuderen en te beoordelen of deze tot wijziging van het voorstelmoeten leiden, alvorens het voorstel in stemming te kunnen brengen inhet Nitraatcomité.Na (positieve) stemming in het Nitraatcomité volgt conform de comitolo-gieprocedure een toetsing van het voorgenomen voorstel voor wijzigingvan annex III van de Nitraatrichtlijn (het RENURE-voorstel) door hetEuropees Parlement en de Raad. Dit neemt circa drie maanden in beslag.Zodra er meer duidelijkheid is over het vervolg zal de Kamer hiervanzelfsprekend over worden geïnformeerd. De inzet van Nederland is eronverminderd op gericht dat het voorstel van de Europese Commissie op1 januari 2025 in werking treedt.Parallel aan het Europese traject wordt gewerkt aan de nodige aanpas-singen in Nederlandse wet- en regelgeving om het gebruik van RENUREmogelijk te maken. Mijn inzet is dat na EU-toelating van RENURE zospoedig mogelijk de nationale regelgeving van kracht wordt die daaraanuitvoering geeft. De voorbereidingen voor de nationale implementatie zijnreeds gestart. Verder zal ik de invoering in de bedrijfspraktijk zoveelmogelijk gaan faciliteren. De huidige productiecapaciteit kan wordenverhoogd (in 2022 werd circa 2,5 miljoen kg stikstof uit dierlijke mestTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 5599 verwerkt tot RENURE). De subsidieregeling hoogwaardige mestver-werking staat dit najaar voor 7 mln. euro open. De regeling ziet opgrootschalige installaties, bij intermediairs voor het hoogwaardigverwerken (RENURE-waardig maken) van mest. Ik ben voornemens deinvestering in de verwerkingscapaciteit vanaf 2026, ook op boerderij-niveau, verder te faciliteren indien RENURE wordt goedgekeurd, bijvoor-beeld via uitbreiding van de bestaande subsidieregeling hoogwaardigemestverwerking. Hierover zal ik uw Kamer informeren, zodra detoepassing van RENURE producten boven de gebruiksnorm dierlijke mestdoor de Europese Commissie is toegelaten.Nationale inzet: maatregelen en oplossingen voor de langetermijnMestproductieplafondsDe invoering van de verlaagde mestproductieplafonds is de implemen-tatie van één van de bindende voorwaarden van de huidige derogatiebe-schikking 2022–2025. De verlaging van de mestproductieplafonds betekentdat in de komende jaren een verlaging van de mestproductie metongeveer 10% ten opzichte van de mestproductie in 2020 gerealiseerd zalmoeten worden. Het voorstel tot wijziging van de Meststoffenwetwaarmee de nationale en sectorale productieplafonds per 1 januari 2025in lijn worden gebracht met de derogatiebeschikking is door mijnambtsvoorganger voorgelegd voor internetconsultatie en is vervolgens op3 juli jl. voorgelegd voor advies aan de Afdeling advisering van de Raadvan State (RvS). Op 14 augustus 2024 heeft de RvS haar advies9 over ditwetsvoorstel vastgesteld. De RvS is allereerst van mening dat detoereikendheid van de afromingsmaatregelen met het oog op deverlaagde mestproductieplafonds, onvoldoende is onderbouwd.Daarnaast heeft de RvS vragen over de proportionaliteit van deafromingspercentages, meer in het bijzonder of het voorgesteldeafromingspercentage van 30% wel passend is voor elk van de driesectoren en of dit is afgestemd op de in de betreffende sectoren vereistereductieopgave.De afgelopen periode heb ik – met inachtneming van de opmerkingen vande RvS – op basis van enerzijds de meest recente cijfers van de verwachtemestproductie en anderzijds de recente inzichten over de verwachtedeelname aan de Lbv en Lbv-plus het wetsvoorstel bestudeerd. In de aande RvS voorgelegde versie van het wetsvoorstel was nog geen rekeninggehouden met het mogelijke effect op de mestproductie van deelname uitde sectoren aan de Lbv en Lbv-plus, omdat deze gegevens toen nog nietbeschikbaar waren. Inmiddels is hier meer inzicht in en ben ikvoornemens bij het vaststellen van de sectorale plafonds rekening tehouden met de vermindering van de mestproductie als gevolg vandeelname aan de Lbv en Lbv-plus. Aangezien niet iedere ondernemer dieeen aanvraag heeft gedaan of een verleningsbeschikking heeft gekregen,daadwerkelijk ook zal kiezen het bedrijf te beëindigen, ga ik er, voor debepaling van het effect van de Lbv en Lbv-plus op de fosfaat- en stikstof-productie op nationaal en sectoraal niveau, van uit dat 65% van degenenaan wie op dit moment een beschikking is verleend, daadwerkelijke hetbedrijf zal beëindigen.Het blijkt dat als gevolg van de Lbv en Lbv-plus een substantiële reductiete verwachten is van de mestproductie, waarbij de reductie per sectorverschillend is. Deze reductie is echter niet voldoende om onder de9Advies over de wijziging van de Meststoffenwet in verband met de maximale mestproductie -Raad van State.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 55910 mestproductieplafonds voor 2025, die direct voortvloeien uit de derogatie-beschikking, te komen. Dit betekent dat het onvermijdelijk is dat ermaatregelen moeten worden ingezet om de mestproductie te verlagen in2025. Ik besef dat de verschillende sectoren de afgelopen jaren reedsinspanningen hebben verricht, en dat elke maatregel heftig ingrijpt in debedrijfsvoering van agrarische bedrijven en daarmee het leven vangezinnen. Echter wil ik, in lijn met de meerderheid van uw Kamer en hetHoofdlijnenakkoord, er alles aan doen om een generieke korting in één ofmeerdere sectoren te voorkomen. Daarvoor kan ik niet anders dan vanalle sectoren een extra inspanning vragen.Alles afwegende zal ik de sectorale mestproductieplafonds in hetwetsvoorstel wijzigen. Hierbij ga ik er vanuit dat de verwachte mestpro-ductie in 2025 gelijk is aan het niveau aan van de verwachte mestpro-ductie in 202410. Daar trek ik het potentiële effect van de vermindering vande mestproductie per sector vanwege de Lbv en Lbv-plus in zijn geheelvanaf (waarbij ik ervan uitga dat 65% van het aantal veehouders dat eenverleningsbeschikking heeft gekregen daadwerkelijk het bedrijf beëindigt).De reductieopgave die op nationaal niveau overblijft na aftrek van depotentiële vermindering van de mestproductie op nationaal niveauvanwege de Lbv en Lbv-plus, verdeel ik vervolgens evenredig over desectoren, om daarmee de sectorale plafonds vast te stellen. Iedere sectordraagt hiermee bij aan de opgave die de gehele veehouderij heeft omonder de nationale plafonds van de derogatiebeschikking te komen in2025, bovenop de bijdrage die vanuit de overheid is geleverd in de vormvan de financiering van de beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus. Opbasis daarvan kom ik tot de volgende verdeling van de sectorplafonds.fosfaat (mln. kg)melkveevarkenspluimveeoverignationaalNieuwe productieplafonds 2025(o.b.v. 65% deelname Lbv/Lbv+)72,427,720,015,0135,0stikstof (mln. kg)melkveevarkenspluimveeoverignationaalNieuwe productie plafonds 2025(o.b.v. 65% deelname Lbv/Lbv+)268,270,648,353,0440,0 Om aan die opgaves te voldoen, kies ik ervoor in alle drie de sectoren af teromen bij de overdracht van productie-/dierrechten. Voor de fosfaat-rechten (melkvee) geldt dat het afromingspercentage zal wordenverhoogd naar 30%, voor de varkenssector zal een afromingspercentagevan 25% worden ingevoerd en voor de pluimveesector een afromingsper-centage van 15%. Hiermee wordt zowel recht gedaan aan het feit dat omonder de nationale plafonds uit de derogatiebeschikking te kunnen komenin 2025 en daarmee een generieke korting te voorkomen van alle sectoreneen aanvullende inspanning nodig is, als aan de reductie die per sectorreeds heeft plaatsgevonden. De in het wetsvoorstel opgenomen uitzon-dering bij dierrechten (varkens en pluimvee), dat indien in een periodevan 5 jaar rechten meermaals kortjarig geleased worden tussen dezelfdebedrijven er slechts eenmaal wordt afgeroomd, zal ik handhaven.Het in lijn brengen van de mestproductieplafonds met de derogatiebe-schikking, is slechts één onderdeel uit mijn aanpak en deze wil ik dan ookin samenhang wegen met de andere maatregelen uit deze brief. Niet alleeffecten zijn op dit moment al bekend. Ik ben dan ook voornemens omeind 2024 opnieuw te beoordelen of op basis van de laatste inzichten vanbijvoorbeeld de Lbv en Lbv-plus bijstelling nodig is. Het wetsvoorstel10Kamerbrief over CBS Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest - tweede kwartaal2024 | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl. (Kamerstuk 33 037, nr. 556)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 55911 biedt deze flexibiliteit, door een delegatiebepaling die het mogelijk maaktde hoogte van de sectorale plafonds en de hoogte van de afromingsper-centages voortaan bij amvb vast te stellen. Hierdoor kan flexibeleringespeeld worden op ontwikkelingen in de afzonderlijke sectoren.Ik zal op korte termijn het wetsvoorstel aanpassen en aan uw Kameraanbieden.Huidige beëindigingsregelingenHet is van groot belang dat er voor ondernemers perspectief is om hunbedrijf voort te zetten. Er zijn individuele ondernemers die ondanks datperspectief de voorkeur geven aan stoppen en deelnemen aan debestaande beëindigingsregelingen. Vrijwillige beëindiging heeft eenpositief effect op de mestmarkt, omdat de mestproductie in Nederlandhiermee wordt verlaagd. Dit geldt al voor bedrijven die stoppen op basisvan de Lbv en Lbv-plus en voor bedrijven die in het kader van deaangekondigde Mgb (Maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehoude-rijlocaties) en de Lbv kleinere sectoren voor vrijwillige beëindiging vanhun veehouderijlocatie kiezen.(Vrijwillige) brede beëindigingsregelingIn het Regeerprogramma is aangegeven dat het Kabinet een vrijwilligebrede beëindigingsregeling zal uitwerken. Ook deze brede beëindigingsre-geling zal een effect hebben op de mestmarkt, omdat door beëindigingvan veehouderijlocaties de mestproductie in Nederland verder wordtverminderd in aanvulling op de al bestaande regelingen. De bredebeëindigingsregeling wordt zo spoedig mogelijk uitgewerkt en bij deEuropese Commissie genotificeerd. Naar verwachting kan de regelingbegin 2026 worden opengesteld. De belangrijkste uitgangspunten van deregeling zullen voor het einde van 2024 aan de Kamer worden gestuurd.VoerspoorOnder het motto «wat er niet in gaat kan er ook niet uit» is het voerspooreen serieuze optie om de excretie van stikstof in dierlijke mest terug tedringen. Vanuit de melkveehouderij is in het voorjaar naar voren gebrachtdat door het verlagen van het aandeel ruw eiwit in het rantsoen ook destikstof in rundveedrijfmest verlaagd kan worden (hogere voerefficiëntie).Dit kan enkele miljoenen kg stikstof minder mestproductie opleveren. Inhet kader van de structurele aanpak stikstof is met de melkveesectorafgesproken dat er naar gestreefd wordt het ruw eiwitgehalte in hetmelkveerantsoen in 2025 sectorgemiddeld niet hoger te laten zijn dan 160gram/kg droge stof. Het «voerspoor» is een treffend voorbeeld datopnieuw illustreert dat ondernemers en de sector ook zelf verantwoorde-lijkheid nemen om resultaten te boeken. Die verantwoordelijkheid wil hetkabinet ondersteunen.Daarom ga ik in gesprek met de sectorpartijen over de private borging vandit voerspoor via een gecertificeerd systeem.Voor het verlagen van het ruw eiwit gehalte in 2021 de pilot Koe en Eiwitgestart. In deze pilot onderzoeken 150 melkveehouders en hun vastevoeradviseurs, samen met 45 begeleiders vanuit de pilot, de mogelijk-heden om het ruw eiwit gehalte verder te verlagen naar 155 gr RE/kg ds.Koe en Eiwit deelnemers blijken in enkele jaren het ruw eiwit gehalteverder terug te kunnen brengen in vergelijking met overige melkvee-houders in Nederland (in 2023: 158 t.o.v. 164 g/kg ds). Nu kan alvoorzichtig gesteld worden dat de (intensieve) begeleiding van demelkveehouder en zijn vaste voeradviseur bijdraagt aan het huidigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 55912 resultaat. Maar ook private initiatieven voor het delen van kennis enervaring rondom beter voermanagement laten melkveehouders stappenvoorwaarts zetten. Daarom laat ik dit najaar nagaan wat de mogelijkhedenzijn om de opgedane kennis uit de pilot Koe en Eiwit, maar ook vanuitandere relevante samenwerkingen vanaf 2025 landelijk uit te rollen. Ookwil ik verder onderzoek uitzetten naar het toepassen van additieven envoersamenstellingen die een emissiereducerende werking kunnenhebben. En wil ik nagaan hoe ik veehouders kan stimuleren methaanredu-cerende veevoeders te gebruiken.Verwerking dierlijke mest in potgrondOp 18 november 2022 is het Convenant Milieu-impact potgrond ensubstraten ondertekend11. Met dit convenant streven partijen ernaar in2050 50% hernieuwbare grondstoffen in potgrond/substraten teverwerken met een lagere milieu-impact. Wageningen Universiteit heefthiervoor een onderzoeksrapport gemaakt naar kansrijke vervangingenvoor veen. De vezel uit de dikke fractie van runderdrijfmest werd daarbijals één van de opties genoemd, maar niet de meest kansrijke. Aan detoepassing van andere grondstoffen in potgrond worden immers strengeeisen gesteld, waaronder eisen ten aanzien van de veiligheid van degrondstoffen. Daarom is het voor verwerking van dierlijke mest inpotgrond noodzakelijk dat een aantal bewerkingsstappen wordenontwikkeld en uitgevoerd (waaronder de hygiënisatie van de dierlijkemest). De theoretische potentie van verwerking van dierlijke mest inpotgrond zou op de lange termijn in de orde van grootte van enkelemiljoenen kilo’s stikstof en fosfaat kunnen liggen, maar zal sterk afhangenvan het succes van het ontwikkelen van betaalbare bewerkingsstappen.De verwerking van dierlijke mest in potgrond betreft met name de vezelsuit dikke fractie, de dunne fractie zal een andere bestemming moetenkrijgen. Het toestaan van RENURE zal mogelijkheden kunnen bieden voorde verwerking van deze dunne fractie.Ik zal in de komende maanden in gesprek met sectorpartijen verkennen opwelke wijze ik de verwerking van dierlijke mest in potgrond verder kanfaciliteren, zo mogelijk via het financieren van onderzoeken om bewer-kingsstappen te ontwikkelen die benodigd zijn om een veilige grondstofaan te bieden en deze in praktijk te brengen.GraslandnormIn het addendum bij het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn is opgenomendat de melkveehouderij in Nederland in 2032 grondgebonden is(Kamerstuk 33 037, nr. 437). Dit is een afspraak die gemaakt is met deEuropese Commissie. De huidige derogatie aan Nederland is verleend opbasis van het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn en het Addendum. Mijnambtsvoorganger heeft een voorstel gedaan om grondgebondenheidvorm te geven met een graslandnorm12. Grasland speelt een cruciale rolin de gewenste verbetering van de waterkwaliteit. Meer grasland op hetbedrijf zorgt voor minder uitspoeling van nutriënten, minder gebruik vangewasbeschermingsmiddelen in vergelijking met andere gewassen endraagt tevens bij aan kortcyclische koolstofvastlegging, het sluiten vankringlopen, biodiversiteit, dierenwelzijn (weidegang) en behoud van hetcultuurhistorisch landschap. Om te kunnen beoordelen op welke wijze deafspraken met de Europese Commissie over grondgebondenheid ingevuldkunnen worden, wil ik ter verkenning van de mogelijke inhoud van eenwetsvoorstel de komende periode eerst de economische effecten, de11Stcrt. 2024, nr. 21773.12Zie brief 31 mei 2024, Kamerstuk 33 037, nr. 542Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 55913 ruimtelijke aspecten en de bij-effecten op emissies (zoals broeikasgas) vangrondgebondenheid via een graslandnorm in beeld brengen.WeegmechanismeZoals aangegeven zal de komende periode nauw de vinger aan de polsgehouden moeten worden, onder meer om rekening te houden met dedaadwerkelijke resultaten van lopende regelingen zoals Lbv en Lbv-plus,maar ook om Europese ontwikkelingen en afspraken goed te kunnenverdisconteren. Om die redenen zal met enige regelmaat wordengewogen in hoeverre de vormgeving en maatvoering op maat zijngesneden. Een eerste weegmoment zal voorafgaand aan de Voorjaarsnotaplaatsvinden, zodat eventuele financiële aspecten ook betrokken kunnenworden.Ten slotteIn de komende tijd is monitoring van de ontwikkeling van de mestmarkten aandacht voor handhaving nodig. Hiertoe is naast de reguliere inzet ophandhaving door RVO en NVWA een taskforce mestmarkt, gericht opmonitoring, signalering en inzet vanuit de uitvoeringspraktijk (LVVN, RVOen NVWA) gestart. Deze taskforce maakt het mogelijk om snel te reagerenop signalen uit het veld.Met bovengenoemde maatregelen voor de korte termijn wordt bijge-dragen aan verlichting op de mestmarkt in 2025. Voor de structurele langetermijn maatregelen is mijn inzet in eerste instantie gericht op Europa. Hetafschaffen van de grens van 170 kg N/ha dierlijke mest in de Nitraat-richtlijn, en vooruitlopend daarop een nieuwe derogatie, zie ik alsbelangrijkste oplossingen om het evenwicht op de mestmarkt langjarig teherstellen. De maatregelen die in deze brief zijn genoemd zullen wordengefinancierd uit de 5 miljard euro die uit het Hoofdlijnenakkoord zijngereserveerd voor de agrarische sector. Zoals aangegeven in hetRegeerprogramma zullen door het kabinet in 2025 reeds middelen aan debegroting van LVVN worden toegevoegd voor maatregelen ter verlichtingvan de mestmarkt. Dit wordt aan de Kamer voorgelegd via deLVVN-begroting 2025. Ik ga mij hier de komende periode dan ook met alleenergie voor inzetten.De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,F.M. WiersmaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 33 037, nr. 55914
Gerelateerde bronnen
- De minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal de Kamer voor Prinsjesdag 2024 informeren over de stand van zaken met betrekking tot gasvorm
De minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zal de Kamer voor Prinsjesdag 2024 informeren over de stand van zaken met betrekking tot gasvormige verliezen, Renure en daarnaast ingaan op nog resterende vragen die tijdens het debat gesteld zijn.
- De minister van LVVN stuurt rond Prinsjesdag 2024 een brief naar de Kamer over het mestpakket, met daarin een specificatie betreffende de inzet van middelen, ee
De minister van LVVN stuurt rond Prinsjesdag 2024 een brief naar de Kamer over het mestpakket, met daarin een specificatie betreffende de inzet van middelen, een tijdlijn, de resultaten van de maatregelen en een reactie op het advies van de Raad van State betreffende de Wet wijziging meststoffenwet
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.