KamerkringInloggen
Kamerbrief

Noodzakelijke aanvullende wetgeving bij nader gewijzigd amendement van het lid Joseph c.s. over het invoeren van een goedkeuringsrecht bij interne waardeoverdracht van pensioenen (Kamerstuk 36578-17)

9 mei 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie b6a9f39d9703f9cf · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 578Wijziging van de Pensioenwet, de Wet op deloonbelasting 1964 en enige andere wetten inverband met de verlenging van detransitieperiode naar het nieuwe pensioenstelselNr. 26 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 9 mei 2025Tijdens het plenaire debat over het wetsvoorstel verlenging pensioentran-sitie heb ik toegezegd om uw Kamer te informeren over aanvullendewetgeving die noodzakelijk is om het nader gewijzigde amendementJoseph c.s., zoals ingediend op 22 april 2025 (Kamerstuk 36 578, nr. 17),uitvoerbaar te maken voor de pensioensector en de toezichthouders. UwKamer heeft aangegeven deze informatie nodig te hebben om het nadergewijzigde amendement te beoordelen ten behoeve van de stemmingdaarover. Deze brief biedt primair inzicht in de noodzakelijke, aanvullendewetgeving indien gekozen wordt voor het met het amendement mogelijkmaken van een individueel bezwaarrecht. Blijft ook het referendumonderdeel van het amendement, dan zijn op dat punt mogelijk nog andereaanvullingen nodig.Vooropgesteld geldt dat dit een eerste inventarisatie is van de noodzake-lijke, aanvullende wet- en regelgeving. Gegeven de impact van de met hetamendement voorgestelde wijziging zou voor deze inventarisatie in eennormaal wetgevingsproces meer tijd worden genomen en zoudenuitvoeringspartijen, maatschappelijke partijen en toezichthouders daarbijuitgebreid betrokken worden. Het is dan ook aannemelijk dat de wet- enregelgeving op nog meer punten zou moeten worden aangepast dan indeze brief wordt benoemd.Benodigde aanvullende wetgeving bij het amendementHet amendement beoogt een aanpassing door te voeren door inspraakmogelijk te maken op een besluit van sociale partners tot invaren, viaindividueel bezwaar danwel via een referendum. Hiermee verandert hetuitgangspunt van de wet: «invaren, tenzij» is niet langer de standaard. Eengroot aantal wetsbepalingen veronderstelt die standaard nog wél; dit zaldan ook opnieuw moeten worden bezien in het licht van het amendement. kst-36578-26ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 261 Daarnaast bevat de Wtp diverse proceswaarborgen over de vormgevingvan de besluitvorming rondom de pensioentransitie en de verant-woording daarover. Het schrijft voor welke partij op welk moment aan zetis om te komen tot een evenwichtige transitie. Het amendement Josephc.s. wijzigt het wettelijk kader waarop uitvoeringspartijen sinds medio2023 de transitie hebben ingericht, zoals ook uiteengezet in de kabinetsre-actie. Daarom is het van belang om ook voor de aanvullende benodigdebesluitvorming, de verantwoording daarover en het toezicht daaropwaarborgen in de wet op te nemen. Voor uitvoeringspartijen betekent ditdat een aanzienlijk deel van het transitieproces opnieuw gedaan moetworden.Het amendement beoogt inspraak van de deelnemers in de vorm van eenindividueel bezwaarrecht te laten plaatsvinden, zoals dat voor eenreguliere collectieve waardeoverdracht geregeld is in artikel 83 Pw. Indiener geen individueel bezwaarrecht geboden wordt, moeten deelnemers tenminste een collectief instemmingsrecht krijgen bij invaren in lijn metartikel 90a Pw (collectieve waardeoverdracht naar een buitenlandselidstaat). Er zijn echter wezenlijk verschillen tussen een reguliere collec-tieve waardeoverdracht (CWO) zoals die al jaren wordt uitgevoerd en eenCWO in het kader van invaren. AFM en DNB wijzen hier ook op. Een CWObij invaren is veel complexer dan een reguliere CWO. Dit heeft onder meerte maken met de berekeningsmethode, het rekening houden metcollectieve reserves, de communicatie aan deelnemers, compensatie voorafschaffing van de doorsneesystematiek en de omvang van de omzetting.Mede om deze reden zijn additionele wettelijke bepalingen nodig tenbehoeve van de uitvoerbaarheid.Hieronder wordt op hoofdlijnen uiteengezet op welke onderdelen denoodzakelijke, aanvullende wet- en regelgeving met betrekking tot hetamendement moet zien. Aan de uitwerking hiervan liggen diverseinhoudelijke keuzes ten grondslag. Deze moeten in de uitwerking naderworden gewogen. Het verdient aanbeveling om sociale partners,pensioenuitvoerders en toezichthouders daarbij te betrekken.Voorschriften rond toedeling van het vermogen1.In het geval dat bij een referendum geen voorafgaande goedkeuring isverkregen, strookt het voorschrift dat het vermogen dat niet wordtbetrokken in de waardeoverdracht gebruikt kan worden voor compen-satie, niet met de bestaande wettelijke regels in het FTK. Hierin wordt,gelet op artikel 20 Pw, immers geen mogelijkheid gegeven totafscheiding van vermogen. Hier zal artikel 20 Pw op moeten wordenaangepast.12.Er is een eenduidig wettelijk kader nodig om vermogen toe te delen alsdeelnemers gebruik maken van een individueel bezwaarrecht. Eendergelijk wettelijk kader is nodig ten behoeve van rechtszekerheid vande deelnemers en biedt uitvoeringspartijen duidelijkheid binnen welkewettelijke ruimte zij tot evenwichtige keuzes kunnen komen. Arti-kel 150n Pw ziet op de omrekenmethoden bij collectief invaren. Dezemethoden zijn tot stand gekomen na wetenschappelijk onderzoek endoorrekeningen van DNB. Als de uitwerking van deze bestaandemethoden wijzigt, zal opnieuw bezien moeten worden wat hier deeffecten van zijn. De deelnemers die individueel bezwaar maken, varenniet in. Voor hen kan dus geen gebruik worden gemaakt van arti-kel 150n Pw. Het amendement noemt in de toelichting dat de groep1Wanneer het in deze brief gaat over aanpassingen van de Pensioenwet, geldt steeds dat deovereenkomstige artikelen van de Wet verplichte beroepspensioenregeling ook zouden moetenworden aangepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 262 bezwaarmakers «in principe dekkingsgraadneutraal» achterblijft in hetFTK, maar werkt dat niet verder uit in wet- en regelgeving. Daardoor isbijvoorbeeld onduidelijk wat er gebeurt met de reserves en voorzienin-gen die voor het collectief bedoeld zijn. Krijgt de bezwaarmaker daartoch een deel van mee in diens vermogen? Ook is bij een gebrek aanwettelijke uitwerking niet duidelijk of de bezwaarmakers voor of tijdensde collectieve waardeoverdracht worden afgesplitst van het collectief.Er ontstaat hierdoor mogelijk een verschil in uitkomst tussen dekkings-graadneutraal (met aftrek van compensatie) en het vermogen nainvaren berekend volgens artikel 150n Pw. De keuze van een individuheeft (daarmee) gevolgen voor het collectief.De keuze die een individu maakt (invaren of niet), heeft in dit gevalimmers gevolgen voor de manier waarop het vermogen van datindividu wordt berekend. Daarmee heeft het indirect ook gevolgenvoor het vermogen dat «overblijft» voor het collectief. Er is dan ookeen aanpassing nodig van artikel 150n en 150o Pw waarin boven-staande verder wordt uitgewerkt en gemaakte keuzes geconcretiseerdworden.Voorwaarden voor keuzes rondom invaren/referendum/bezwaarrecht3.De gronden op basis waarvan een pensioenfonds kan afzien vaninvaren, zoals voorgeschreven in artikel 150l Pw, moeten mogelijkworden aangevuld.a.Artikel 150l, eerste lid, Pw schrijft voor dat opgebouwde pensioen-aanspraken en -rechten worden ingevaren, tenzij dit onevenredigongunstig is voor pensioen- of aanspraakgerechtigden of dewerkgever. In artikel 150l, vierde lid, Pw is daarnaast voorgeschre-ven dat pensioenfondsen een verzoek van sociale partners om in tevaren alleen mogen afwijzen indien aan een of meer van de drieopgesomde weigeringsgronden is voldaan. Het amendementbrengt met zich mee dat pensioenfondsen, nadat zij op verzoek vansociale partners tot invaren hebben besloten en de drie weigerings-gronden niet van toepassing zijn, toch niet bevoegd zijn om in tevaren, tenzij op grond van artikel 150m, eerste lid Pw (nieuw)collectief goedkeuring is verkregen en/of individuen bezwaarhebben kunnen maken. Dit levert mogelijk een tegenstrijdigheid inde wetgeving op waardoor de situatie kan ontstaan dat socialepartners moeten verzoeken om in te varen, pensioenfondsen inbeginsel moeten uitvoeren, maar daar uiteindelijk toch nietbevoegd toe zijn.b.Het amendement laat in juridische zin ruimte om bij een «onwense-lijke» uitkomst van het proces van individueel bezwaarrecht alsnogmet een referendum toestemming te verkrijgen voor de collectievewaardeoverdracht (inclusief de bezwaarmakers) en andersom.Gewogen moet worden of deze mogelijkheid wenselijk is en zonodig moet dit wettelijk worden uitgesloten.4.Het amendement bevat geen bepaling die voorschrijft wie een keuzemaakt voor een collectief goedkeuringsrecht of voor een individueelbezwaarrecht en op basis waarvan die keuze wordt gemaakt. Gezien demogelijke gevolgen kan het ontbreken hiervan leiden tot juridischeprocedures. Bovendien is op voorhand nog niet duidelijk of eenreferendum op het niveau van het pensioenfonds of op het niveau vande regeling moet worden gehouden.a.Aangezien de mogelijke uitkomst en gevolgen voor deelnemers,pensioenfonds en werkgever verschilt bij gebruik van een collectiefgoedkeuringsrecht dan wel van een individueel bezwaarrecht,maakt het uit welke keuze gemaakt wordt. In het amendement isniet voorgeschreven of pensioenfondsen zelfstandig een keuzehebben tussen de twee methoden of dat sociale partners in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 263 transitieplan bij de opdrachtverlening aan het pensioenfonds eenvan de twee methoden voorschrijven. En als de keuze aan hetpensioenfonds is, is niet duidelijk wie of welk orgaan binnen eenpensioenfonds de keuze maakt tussen de twee methoden.b.Ook voor de vereisten aan de onderbouwing van de keuze voor éénvan de twee methoden mist een wettelijk kader. Het is tevensonduidelijk of een keuze voor een van de twee mogelijkheden enonderbouwing daarvan onderdeel is van de transitiebesluitvormingvan het pensioenfonds dat aan intern toezicht wordt voorgelegdvoor goedkeuring en aan het verantwoordingsorgaan voormedezeggenschap.Voorwaarden voor nieuwe afspraken voor een gewijzigde situatie5.In het transitieplan zullen nieuwe expliciete afspraken gemaakt moetenworden over de transitie.2 De sociale partners zullen voor deze situatiekeuzes moeten maken over compensatie voor afschaffing van dedoorsneesystematiek en de start van de nieuwe regeling (vormingeigen vermogen, opbouw solidariteitsreserve) etc. Dit zal moetenworden opgenomen in artikel 150d van de Pensioenwet. Het gaat danom de volgende aspecten:a.In algemene zin zal moeten worden geregeld hoe sociale partnersde evenwichtigheid van de transitie waarborgen voor zowelinvaarders als bezwaarmakers. Hiervoor moeten zowel voor-schriften zijn opgenomen voor het geval er gekozen wordt voor eenreferendum (en het gehele bestaande fondsvermogen mogelijkachterblijft in een gesloten FTK-regeling) en voor individueelbezwaarrecht (waarbij een deel mogelijk achterblijft in het FTK danwel wordt overgedragen aan een andere uitvoerder).b.Aanvullend zijn bepalingen nodig die waarborgen dat socialepartners tot evenwichtige keuzes zijn gekomen als het gaat omcompensatie en de financiering hiervan en hoe generatie-evenwichtig dit is volgens sociale partners. Indien gekozen wordtvoor individueel bezwaarrecht is niet op voorhand duidelijk hoegroot de groep is die achterblijft. Er zal voorgeschreven moetenworden op basis van welke aannames sociale partners hun keuzesonderbouwen en met welke onzekerheidsmarges zij mogen werkenom de benodigde bandbreedtes te bepalen waarbinnen de transitieevenwichtig is.c.De evenwichtigheid van achterblijven in de FTK-omgeving zalafhangen van de omvang en samenstelling van de groep bezwaar-makers. Zijn het vooral ouderen of vooral jongeren, en hebben zeveel of weinig pensioenopbouw? Is het een kleine groep waardoorhet bij het fonds zelf blijven uitvoeren buitenproportionele kostenzou opleveren? Is er een aantrekkelijk aanbod te realiseren bij eenverzekeraar? Om al deze vragen te kunnen adresseren in hetvoorleggen van de keuze, is het van belang dat net als voor deevenwichtigheid bij invaren bandbreedtes worden geformuleerdvoor de evenwichtigheid van achterblijven in de gesloten FTK-omgeving. Dit om te voorkomen dat een spijtoptantenregelingnodig is, maar vooral omdat de evenwichtigheid het uitgangspuntzou moeten zijn en de transitie ook voor individuele bezwaarmakersniet onevenredig ongunstig zou moeten uitpakken. Het risico oponevenwichtige eigen keuzes moet de wetgever zich aantrekken enkan niet worden afgewenteld op individuele bezwaarmakers (ookgelet op doenvermogen).2Aangezien het transitieplan opnieuw moet worden opgesteld, zal ook de transitiecommissie instaat moeten worden gesteld om te kunnen bemiddelen en adviseren over pensioenovereen-komsten ondergebracht bij een pensioenfonds.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 264 d.Sociale partners moeten bij individueel bezwaarrecht een keuzemaken waar zij de pensioenregeling van de bezwaarmakers willenonderbrengen. Opties zijn om die zelf te beheren of om die over telaten gaan naar een andere pensioenuitvoerder (pensioenfonds ofverzekeraar). Als zij kiezen voor onderbrenging bij een anderepensioenuitvoerder is er sprake van een aanvullende externewaardeoverdracht, waar aanvullende waarborgen voor moetenworden geformuleerd.6.Indien gekozen wordt voor individueel bezwaarrecht en uitvoering vande regeling van de bezwaarmakers bij hetzelfde fonds, zal in hetimplementatieplan moeten worden vastgelegd hoe het fonds dit zaluitvoeren. Bezien moet worden waar de voorschriften hiervoor moetenworden opgenomen, bijvoorbeeld in artikel 150i, lid 2 of artikel 46BuPw.Het pensioenfonds zal moeten aangeven of het de regeling voorbezwaarmakers kan blijven uitvoeren en onder welke voorwaarden.Daarbij moet nog worden uitgezocht of verplichtgestelde bedrijfstak-en beroepspensioenfondsen ook een keuze hebben om een regelingvoor bezwaarmakers elders onder te brengen, of dat voor hen geldtdat zij het achtergebleven deel zelf moeten uitvoeren.Voorschriften voor informatieverstrekking en keuzebegeleiding7.Om deelnemers in staat te stellen een keuze te maken, zal er eennieuw, aanvullend informatiemoment voor de deelnemer moeten zijn,op basis waarvan de deelnemer een keuze kan maken tussen wel ofniet invaren. Daartoe moeten aanvullende voorschriften wordenopgenomen in de wet die leiden tot een eenduidige keuzebegeleidingen informatieverstrekking richting deelnemers bij een referendum ofbij individueel bezwaarrecht.a.Verduidelijkt moet worden welke aannames een fonds kan makenom een pensioenprognose te maken en deze voor te leggen voorde keuze van een deelnemer. Dit zal afwijken van regulierepensioenprognoses omdat er meer onzekerheden zijn, afhankelijkvan de omvang en samenstelling van de groep die uiteindelijkbezwaar maakt. Bovendien moet verduidelijkt worden dat er geensprake zal zijn van een spijtoptantenregeling en dus op basis vanonzekere informatie definitief gekozen moet worden. Dit zou totaanpassing moeten leiden van artikel 150e voor wat betreft derekenmethodiek waarmee de prognoses worden opgesteld. Voorwat betreft de communicatie aan de deelnemers hierover, onderandere over het niet aanwezig zijn van een spijtoptantenregeling,zou ook artikel 150j Pw aangepast moeten worden.b.Het toezicht van de AFM op de informatie en keuzebegeleiding bijdeze keuzes moet aangepast worden. In tegenstelling tot hethuidige toezicht zal de AFM vooraf toezicht moeten houden op deinformatie die voorafgaand aan het referendum dan wel individueelbezwaarrecht wordt verstrekt, zodat voorkomen wordt dat deinformatieverstrekking en begeleiding niet voldoet aan de wettelijkebepalingen en op basis daarvan keuzes door deelnemers wordengemaakt die verstrekkende gevolgen hebben.Voorwaarden transitie-ftk8.Het transitie-ftk is bij aanname van het amendement zonder wettelijkeaanpassing niet meer te gebruiken. De voorwaarde voor het gebruikmaken van de versoepelde indexatieregels in het transitie-ftk is dat eenpensioenfonds naar verwachting zal overgaan op een collectievewaardeoverdracht als bedoeld in artikel 150m. Als een deel van hetpensioenfonds naar verwachting niet invaart, zal het fonds niet meerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 265 voldoen aan de voorwaarden. Er zal nader ingevuld moeten wordenonder welke omstandigheden een fonds alsnog gebruik kan makenvan het transitie-ftk. Of gedifferentieerd indexeren binnen eenpensioenovereenkomst mogelijk is, is daarbij ook nog een uitzoekpunt.Verlenging tijdsduur van de transitieperiode en eventueel compensatiepe-riode9.De transitieperiode moet, gelet op elders in deze brief genoemdepunten, verlengd worden met 2 jaar (rekening houdend met dedoorlooptijd van een wetgevingstraject tot inwerkingtreding) plus eenredelijke implementatietermijn voor uitvoeringspartijen. Dit betekenteen aanpassing van de volgende artikelen van de Pensioenwet (of vanlagere regelgeving als de Kamer instemt met het voornemen van hetkabinet in het wetsvoorstel verlenging pensioentransitie): 150p, 150q,220e, 220g, 220ha, 220i. Ook de lagere regelgeving waarin nu al deeinddatum van de transitie wordt genoemd, zou moeten wordenaangepast.Tijdlijnen van wetgevingIndien het amendement wordt aangenomen, heeft dit materiele gevolgenvoor de Pensioenwet en de door de pensioensector ingezette transitie.Voor het vormgeven van de benodigde aanvullende wetgeving, inclusieftoetsing door uitvoeringspartijen, toezichthouders, advisering Raad vanState en opvolgende parlementaire behandeling, is naar schatting totcirca 2 jaar nodig. Dit is voor een dergelijke impactvolle wetswijziging eengebruikelijke doorlooptermijn. Hieruit volgt dat de verlenging van detransitieperiode, waarop het wetsvoorstel in de basis ziet, niet meer optijd, voor 1 januari 2027, kan plaatsvinden.Gelet op de fundamentele wijziging die het amendement met zichmeebrengt en de eerder geuite zienswijzen roep ik uw Kamer op omspoedig duidelijkheid te geven aan de sector. Deze duidelijkheid is in hetvoordeel van alle betrokkenen in deze transitie, vooropgesteld dedeelnemers.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van HijumTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 578, nr. 266

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 0638612ca222f138

14 okt 2026 · cd9829903e9aa9ac

13 okt 2026 · 8aab8fbb8f5f5de6

Gerelateerde bronnen

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.