KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beleidsreactie op het rapport van de Nationale Ombudsman ‘Blind vertrouwen?’

18 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie a37ee5aa45329953 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 754TerrorismebestrijdingNr. 733 BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 18 november 2024InleidingIn februari 2024 heeft de Nationale ombudsman [hierna: Ombudsman]aangekondigd een onderzoek te starten naar de wijze waarop de overheidomgaat met registraties en signaleringen bij contraterrorisme, extre-misme en radicalisering (CTER) en de mogelijke gevolgen van zo’nregistratie of signalering voor de burger.1 Op 12 november 2024 heeft deOmbudsman zijn rapport «Blind vertrouwen?» gepubliceerd.2 Hierbij doeik uw Kamer de beleidsreactie toekomen. Deze beleidsreactie is opgesteldnaar aanleiding van het verzoek tijdens het ordedebat van 27 februari20243 en mede namens de Minister van Defensie. Daarnaast doe ik opdeze wijze het verzoek van het lid El Abassi (DENK) in de regeling vanwerkzaamheden van 12 november 2024 af. Ik ben de Ombudsmanerkentelijk voor het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies enaanbevelingen.Internationale samenwerking is onmisbaar in een tijd waarin dedreigingen groot zijn. Informatie-uitwisseling vormt hier een cruciaalonderdeel van. Ik onderschrijf de opvatting van de Ombudsman dat hetproces rondom registraties en signaleringen en de (internationale)uitwisseling van informatie in het kader van de aanpak van radicalisering,extremisme en terrorisme (CTER) zorgvuldig moet verlopen. Ook moetener voldoende waarborgen zijn voor een goede inzet van dit instrument enmoeten burgers adequate mogelijkheden hebben om inzage te krijgen inde (persoons)gegevens die de overheid over hen heeft verzameld, voorzover de wet dit toelaat. Daartoe is een handreiking toegezegd, die bijmijn reactie is gevoegd. Deze handreiking gaat in op welke wijze burgers,1Er is een belangrijk verschil tussen registraties en signaleringen. Dit wordt onder het kopje«relevante instanties en kaders» toegelicht.2Kamerstuk 29 754, nr. 7323Reactie op het verzoek van het lid El Abassi, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamhedenvan 27 februari 2024, over de omgang van de overheid met burgers met een CTER-registratie kst-29754-733ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7331 per (mogelijke betrokken) instantie, inzage kunnen krijgen in de gegevensdie een desbetreffende instantie over hem of haar heeft verwerkt. Ookgaat deze handreiking in op hoe een verzoek tot rectificatie/verwijderingvan deze gegevens kan worden gedaan.Deze beleidsreactie is als volgt opgebouwd. De uitkomsten van hetrapport van de Ombudsman worden samengevat, gevolgd door eenschets van relevante instanties en kaders. Ik hecht er grote waarde aan ombij dit thema langer stil te staan bij de context en werkwijze bijCTER-registraties, waarna ik zal reageren op de conclusies en aanbeve-lingen van de Ombudsman.Uitkomsten in het rapportKlachten van burgers vormden aanleiding voor gesprekken vanuit deOmbudsman met burgers, politie, wetenschappers en advocaten. Na dezegesprekken heeft de Ombudsman besloten een onderzoek starten. Hetonderzoek van de Ombudsman richt zich uitsluitend op CTER-registratiesen signaleringen van de politie en de Koninklijke Marechaussee (KMar).Andere betrokken Nederlandse instanties zijn niet meegenomen in hetonderzoek. Er wordt niet onderzocht hoe andere landen omgaan metinformatie op dit thema afkomstig van Nederlandse autoriteiten of welkewaarborgen er in die landen gelden ten aanzien van het verdere gebruikvan de verstrekte informatie.De Ombudsman gaat in zijn onderzoek na of het huidige proces zo isingericht dat burgers erop kunnen vertrouwen dat beslissingen zorgvuldigworden genomen. De Ombudsman heeft in dit onderzoek gekeken inhoeverre de politie en KMar binnen het CTER-proces behoorlijk omgaanmet burgers. Hij heeft daarbij concrete aandacht besteed aan dewaarborgen in het proces, het toezicht op het proces en de effectiviteitvan de rechtsbescherming.De Ombudsman verbindt hieraan de volgende conclusies en aanbeve-lingen.Het CTER proces is complex en ondoorzichtig voor burgersDe Ombudsman stelt dat het systeem rondom CTER-registraties een blackbox is. Burgers weten pas dat er iets aan de hand is, als ze in hundagelijks leven tegen de gevolgen aanlopen. Er kunnen veel verschillendeinstanties in binnen- en buitenland bij betrokken zijn, die vanwege denationale veiligheid veel informatie niet openbaar kunnen maken. Hij steltdat het begrijpelijk is dat er vanwege de nationale veiligheid informatieover burgers wordt vastgelegd en gedeeld zonder dat burgers dat weten.Juist omdat het systeem zeer complex en niet (volledig) transparant is,stelt hij dat daar tegenover moet staan dat de overheid alles in het werkstelt om ervoor te zorgen dat de waarborgen, het toezicht en de rechtsbe-scherming robuust zijn georganiseerd. Hij stelt dat dit nu niet het geval is.Teveel nadruk op het veiligheidsdenken vormt risicoHet CTER-proces kent waarborgen om te voorkomen dat burgers zomaarop een lijst terechtkomen. Er bestaat volgens de Ombudsman wel eenrisico dat in dit proces te veel nadruk ligt op het veiligheidsdenken, terwijler sprake moet zijn van een balans tussen de nationale veiligheid aan deene kant en individuele mensenrechten aan de andere kant. De overheidzou de impact op het leven van burgers expliciet moeten maken in haarbeslissingen en een duidelijke plek geven in het proces. Dat helpt volgenshem om het risico op en de schijn van te veel veiligheidsdenken teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7332 verminderen en het draagvlak voor de beslissingen van de overheid – endaarmee het vertrouwen in het proces van de handelen van de overheid –te vergroten.Het toezicht is onvoldoende structureel ingevuldDe Ombudsman is van mening dat structureel en onafhankelijk toezichtop het CTER-proces op dit moment te mager is georganiseerd. Hij vindtdit des te belangrijker omdat burgers geen weet hebben van deverwerking van hun gegevens. Zij moeten er op kunnen vertrouwen datde overheid goed omgaat met hun gegevens. Hij stelt dat er geenonafhankelijk instantie is die structureel toezicht houdt op het systeem-niveau en de processen en de uitvoering daarvan door de politie en deKMar. Het toezicht is achteraf georganiseerd door de Inspectie Justitie enVeiligheid en de Autoriteit Persoonsgegevens. Fouten of tekortkomingenworden daardoor pas zichtbaar als de gevolgen al hebben plaatsge-vonden. Toezicht op het CTER-proces zou van dezelfde kwaliteit moetenzijn als het toezicht door de Commissie van Toezicht op de Inlichtingen- enVeiligheidsdiensten (CTIVD).De rechtsbescherming is niet effectief voor de burgerDe beslissingen en afwegingen van de betrokken instanties moetennavolgbaar, uitlegbaar en controleerbaar zijn. Burgers hebben een aantalmiddelen om te achterhalen en controleren wat de overheid over henheeft vastgelegd en gedeeld. De Ombudsman concludeert dat er eensysteem van rechtsmiddelen ingericht is, maar dat er in de context vanCTER allerlei belemmerende factoren zijn. Het gaat immers om eencomplex systeem met veel mogelijk betrokken nationale en internationaleinstanties, grenzen aan de transparantie vanwege het belang vannationale veiligheid, bewaartermijnen waardoor niet alles meer teachterhalen valt en niet alles wordt secuur vastgelegd. Inzageverzoeken ofjuridische procedures leveren daardoor weinig duidelijkheid op voor deburger.De Ombudsman vindt dat het beter kan en beter moet. Daarom doet hij deaanbeveling aan mij als Minister van Justitie en Veiligheid om, samen metde betrokken instanties, de genoemde tekortkomingen aan te pakken.Relevante instanties en kadersEen effectieve bestrijding van terrorisme is essentieel voor debescherming van onze nationale veiligheid. De overheid mag en moet inhet kader van haar taak in relatie tot terrorisme (persoons)gegevensvastleggen. Zij is gehouden aan wettelijke (afwegings)kaders die metzorgvuldigheid en in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag wordengehanteerd. Ik beperk me in deze beleidsreactie tot de politie en de KMar,gelijk aan het onderzoek van de Ombudsman.4 Voor de politie en de KMar4De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) en de Militaire Inlichtingen- enVeiligheidsdienst (MIVD) mogen op basis van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten2017 ook registreren en signaleren in het kader van terrorisme. De Immigratie- en Naturalisatie-dienst (IND) kan signaleren door bijvoorbeeld een inreisverbod op te leggen. Op deze wijze kande IND voorkomen dat iemand die ongewenst is verklaard door Nederland, Nederlandbinnenkomt. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) kan eenverzoek tot opname in het Register Paspoortsignaleringen doen als de nationale veiligheid inhet geding is, of de veiligheid van bevriende landen (artikel 23 Paspoortwet). In het RegisterPaspoortsignaleringen worden gegevens opgenomen van personen aan wie geen Nederlandspaspoort (meer) mag worden verstrekt en van personen van wie het Nederlandse paspoortvervallen is verklaard. Dit zijn echter geen internationale signaleringen en hierover wordtiemand altijd actief geïnformeerd indien het adres bekend is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7333 zijn bevoegdheden en verantwoordelijkheden vastgelegd in de Politiewet2012 en de Wet Politiegegevens (Wpg). Het Openbaar Ministerie (OM) isbij deze werkzaamheden het gezag over de politie en de KMar. De politieen de KMar verwerken in het kader van hun dagelijkse uitvoering van depolitietaak relevante gegevens die in het kader van die taak wordenwaargenomen of ontvangen (art. 8 Wpg), bijvoorbeeld naar aanleidingvan een melding of tijdens een surveillance. Zo gaat het ook bij debestrijding van terrorisme, extremisme en radicalisering. Die informatiewordt verwerkt in de politiesystemen conform de systematiek van deWpg. Het rapport van de Ombudsman noemt dit registraties. Vandergelijke registraties zal een burger geen hinder ondervinden bij hetreizen naar een ander land.Vanwege de grensoverschrijdende aard van dit fenomeen en de dreigingdie hiervan uitgaat voor de Nederlandse samenleving of Nederlandsebelangen in het buitenland is samenwerking met (politiële en justitiëlediensten en autoriteiten in) andere landen hierbij essentieel. Het delen vanpolitiegegevens is een algemene vorm van samenwerking die in de regelwordt geduid als politiële of justitiële rechtshulp. Politiële rechtshulp ishet delen van informatie tussen politiediensten; die informatie is albeschikbaar in de politiesystemen. Een wezenlijk verschil met justitiëlerechtshulp is dat het hierbij gaat het om verstrekking van beschikbareinformatie die dient als bewijs in een buitenlands strafrechtelijk onderzoekof die alleen verkregen kan worden door de inzet van dwangmiddelen. Desamenwerking kan gebaseerd zijn op een verdrag maar ook op incidenteleof bilaterale afspraken tussen landen onderling (met inachtneming van deeigen wet- en regelgeving) tussen landen of autoriteiten. Het signalerenvan een persoon, object of kenteken is een meer specifieke vorm vaninternationale samenwerking tussen landen en hun politiële en justitiëleautoriteiten. Het doel van iemand signaleren kan zijn om iemand aan telaten houden in een ander land op grond van bijvoorbeeld een aanhou-dingsbevel, of om deze persoon gericht of onopvallend te controleren omzo meer informatie te verzamelen over de reisbewegingen. Een interna-tionale signalering is een maatregel waarvan een burger mogelijk welhinder kan ondervinden bij het reizen naar een ander land. Voor interna-tionale systemen en organisaties zoals het Schengen Informatie Systeem,Europol en Interpol bestaan er verdragen, internationale verordeningenen afspraken.Er is dus een belangrijk verschil tussen registraties en signaleringen.Essentieel is om te vermelden dat registraties nooit automatisch leiden totsignaleringen. Om van een registratie in de politiesystemen (bijvoorbeeldeen CTER-projectcode) te komen tot een mogelijke maatregel (bijvoor-beeld een internationale signalering) zijn er meerdere stappen waarbijelke stap zijn eigen waarborgen en afwegingen kent. Dit proces staat ookbeschreven in het Tweede Halfjaarbericht politie 20235.Reactie op het rapportContext en systematiek 2013–2018De historische context van deze thematiek is cruciaal, omdat dit vanbetekenis is geweest in internationale informatie-uitwisseling tussenverschillende landen. In maart 2013 werd het dreigingsniveau ingeschaaldals substantieel, dat wil zeggen dat de kans op een terroristische aanslagin of tegen Nederland reëel werd geacht. Deze verhoging van hetdreigingsniveau was ten tijde van de burgeroorlog in Syrië, die leidde totde opkomst van de terroristische organisatie IS en een enorme groei van5Kamerstuk 29 628 nr. 1193 (bijlage moties, toezeggingen en aanvullende verzoeken)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7334 het aantal jihadistische uitreizigers uit heel Europa. Een van de redenen bijde vaststelling van het dreigingsniveau waren jihadistische uitreizigersnaar en de terugkeerders uit de jihadistische strijdgebieden.6 VanuitNederland nam het aantal personen dat vertrok om deel te nemen aan destrijd aldaar ook snel en flink toe.Europa werd overrompeld door deze gebeurtenissen en de afschuw wasgroot over de gruwelijke beelden uit het strijdgebied. Er volgde eenperiode van veel aanslagen in en tegen het Westen, waaronder de groteaanslagen in Parijs in november 2015 en in Brussel maart 2016. Er wassprake van toegenomen jihadistische radicalisering van kleine groepenjongeren, die bovendien soms heel snel kon gaan.Zowel de dreiging die op dat moment van het jihadisme uitging,waaronder de agenda van IS en andere terroristische organisaties omaanslagen in het Westen te plegen, als de noodzakelijkheid tot hetvoorkomen van aanslagen, vroeg om een krachtige, offensieve en bredeaanpak van alle betrokken organisaties. In het bijzonder werden net als inandere Europese landen en op verzoek van de Kamer, maatregelengetroffen en geïntensiveerd om de uitreis naar jihadistische trainings-kampen en strijdgebieden tegen te gaan en de risico’s van terugkeerderstijdig te onderkennen en in te dammen.7 Zo intensiveerden inlichtingen-en veiligheidsdiensten de inzet op het thema jihadgang door extramensen en middelen in te zetten. De KMar intensiveerde de detectie aande grenzen op in- en uitreis. Daarnaast hadden gemeenten en anderelokale partners, waaronder de regionale eenheden van de politie, eenbelangrijke rol. Ook deed uw Kamer een oproep om met een integraleaanpak jihadisme te komen en informatie-uitwisseling te bevorderen.8Deze maatregelen waren er enerzijds op gericht om radicalisering enjihadistische uitreizen tegen te gaan en anderzijds om de dreiging dieuitgaat van de terugkeerders weg te nemen.Op 29 augustus 2014 werd de integrale aanpak jihadisme naar de TweedeKamer gestuurd.9 Hierin was het uitgangspunt om zowel de harde kernvan jihadisten te bestrijden als de verspreiding van het gewelddadigegedachtegoed tegen te gaan. Een van de vijf actielijnen binnen dezeintegrale aanpak was informatie-uitwisseling en internationale samen-werking. De noodzaak tot betere informatie-uitwisseling kwam voort uithet feit dat jihadistische netwerken wereldwijd opereren en een nationaleaanpak niet effectief genoeg bleek.WerkwijzeIn de integrale aanpak was en is een belangrijke rol voor de politieweggelegd, mede vanwege hun verbinding met de samenleving en kennisuit de wijk. Daarnaast was de politie ook de organisatie waar burgers zichtoe wendden als zij zorgen hadden over bekenden die mogelijk wildenuitreizen. De politie had hierdoor een belangrijke taak als het ging overpotentiële uitreizigers en geradicaliseerde personen. Omdat uitreizigerstot op dat moment nog een nieuw fenomeen vormden, waren er destijdsgeen standaard protocollen of werkafspraken aanwezig en was deinformatie nog erg versnipperd. In de integrale aanpak werd ingezet op deintensivering van internationale samenwerking en aanpak op het gebied6Zie onder meer Kamerstuk 29 754, nr. 2177Zie onder meer Kamerstuk 29 754, nr. 2178Algemeen Overleg over IVD-aangelegenheden van 2 juli 2014 en Aanhangsel Handelingen II2015/16, nr. 34409Kamerstuk 29 754, nr. 253Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7335 van jihadgangers, het optimaliseren van bestaande signaleringsmiddelenen de versterking proactieve informatie-uitwisseling met andere landen.Doel van dit soort signaleringen was zowel het weerhouden van het reizennaar het toenmalige strijdgebied als het verzamelen van verdereinformatie door onopvallende en gerichte controle.De Nederlandse overheid kan niet uitsluiten dat informatie of signale-ringen vanuit Nederland mede hebben geleid tot een autonoom besluitvan een ander land om een eigenstandig onderzoek te starten, eensignalering te plaatsen of andere nationale maatregelen te treffen. Het isniet gebruikelijk dat Nederlandse instanties van dergelijke activiteiten tenaanzien van Nederlandse burgers op de hoogte werden of wordengehouden. De handelingsopties voor de overheid zijn in dergelijkegevallen zeer beperkt, omdat er niet in de rechtsorde van een ander landgetreden kan worden.Ik hecht er waarde aan om te benadrukken dat de werkwijze van destijdsop diverse punten is aangepast, geprofessionaliseerd en waarborgen tenaanzien van deze processen zijn verbeterd. Het OM toetst per individuelecasus of informatie-uitwisseling met het buitenland of een internationalesignalering noodzakelijk en proportioneel wordt geacht. Voor de politiegeldt dat er sinds 2018 een landelijk uniforme werkproces is ingericht10 enzijn de procedures rond internationale informatie-uitwisseling ensignaleringen zijn aangescherpt. Voor de KMar geldt dat zij in hetCTER-proces de werkwijze van de politie volgt en dat informatie wordtvastgelegd in dezelfde politiesystemen. Daarnaast dient de politie zelf, alsverwerkingsverantwoordelijke, te toetsen of de informatiedeling en designalering rechtmatig is op grond van de gegevensbeschermingswet-geving zoals is vastgelegd in de Wpg (zie o.a. artikelen 15, 15a en 17a vande Wpg). Dit geldt ook voor de KMar, waar de verwerkingsverantwoorde-lijke de Minister van Defensie is (art. 1 Wpg). Ook voor de verwerking enverwijdering van gegevens, waaronder voor het opheffen van eensignalering, zijn er wettelijke kaders en richtlijnen vastgelegd terbescherming van de burger.Reactie op aanbevelingenDe zorgvuldige behandeling van gegevens van individuele Nederlandseburgers is voor mij van groot belang. Het gaat over gevoelige processenmet potentieel grote gevolgen voor burgers. We moeten er altijd scherpop blijven letten dat we hier als overheid zorgvuldig mee omgaan,daarom goed als daar ook door een partij als de Ombudsman naar wordtgekeken. Ik herken mij in de algemene strekking van het rapport,tegelijkertijd kan ik niet alle formuleringen in het rapport onderschrijven.In deze beleidsreactie reageer ik daarom op de conclusies en aanbeve-lingen van het rapport.In reactie op het rapport van de Ombudsman zullen de Minister vanDefensie en ik de politie en de KMar vragen om het werkproces verder teverbeteren. De instanties dienen uitdrukkelijker te expliciteren hoe eensignalering of informatie-uitwisseling met het buitenland impact kanhebben op het leven van burgers. Dit zorgt voor een nadrukkelijkereafweging of de maatregel proportioneel is. Dit draagt bij aan een beteretoetsbaarheid van de afwegingen van de overheid. Daarnaast zal ik dit ookbenoemen in mijn gesprekken met het OM vanwege hun betrokkenheidbij dit proces.10Kamerstuk 29 628 nr. 1193 (bijlage moties, toezeggingen en aanvullende verzoeken).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7336 De Ombudsman concludeert dat onafhankelijk en structureel toezicht temager is georganiseerd. Ik zal, samen met de betrokken instanties enrelevante toezichthouders, verkennen of en zo ja, hoe toezicht op deregistraties en signaleringen van de betrokken instanties versterkt moetworden. Geen van de betrokken toezichthouders heeft momenteel dewettelijke grondslagen om te voldoen aan het soort toezicht wat deOmbudsman voor ogen heeft. Als uitgangspunt voor deze verkenning zalik mij richten op die onderdelen van het proces die uitstralingseffectenrichting de burger hebben zoals signaleringen. Ik zal hier op een latermoment op terugkomen.De Ombudsman geeft aan dat er een systeem van rechtsbescherming ismaar dat dat voor de burger niet altijd werkt, en effectief is. Het is vanbelang dat we burgers op een zo goed mogelijk wijze, binnen demogelijkheden van het rechtssysteem, helpen. In de bijgevoegdehandreiking, die ook kort ingaat op partijen die geen onderdeel waren vande scope van het onderzoek van de Ombudsman, is uiteengezet hoeburgers inzage kunnen krijgen in hun gegevens en op welke wijze zijeventueel een verzoek tot rectificatie of verwijdering kunnen doen. In dehandreiking is tevens beschreven dat een inzageverzoek slechts eeneerste stap is in het proces, het is voorstelbaar dat dit niet in alle gevallenzal leiden tot een oplossing om bijvoorbeeld (weer) toegang te krijgen toteen ander land. Mocht er een onterechte Nederlandse signaleringgeconstateerd worden, dan vind ik het belangrijk dat de betrokkenorganisaties er binnen hun kaders en verantwoordelijkheden, alles aandoen om burgers zo goed mogelijk te helpen.11 De rol die de Nederlandseoverheid kan spelen om de gevolgen van een Nederlandse onterechtesignalering te mitigeren, is afhankelijk van de specifieke omstandighedenin een individuele zaak. Elke oplossing, voor zover deze voorhanden is, zalin de praktijk maatwerk vereisen. Ik zal via de reguliere kanalen dezehandreiking onder de aandacht laten brengen bij betrokken overheden enorganisaties.Tegelijkertijd wil ik ook de noodzaak om internationaal samen te werkenen informatie uit te wisselen benadrukken, juist op de thema’s die eengrote dreiging vormen voor de veiligheid van Nederland. Internationaalgedeelde gegevens vallen niet meer binnen de invloedssfeer van deNederlandse overheid. Het is niet uit te sluiten dat landen (mede) op basisvan informatie van Nederlandse instanties hebben gehandeld. Daarom wilik nogmaals benadrukken dat het proces rondom informatie-uitwisselingzorgvuldig en binnen de wettelijke kaders verloopt, waarbij oog is voor dedreiging en bescherming van persoonsgegevens. Tegelijkertijd is het ookmogelijk dat een ander land op basis van eigen informatie een onderzoekis gestart. Uit de praktijk blijkt ook dat andere landen in veel gevallenweinig tot geen informatie hierover met Nederland delen. Dit maakt hetzeer ingewikkeld om in een individuele casus te achterhalen wat deaanleiding voor bijvoorbeeld een weigering tot of controle door een landis geweest.Als een Nederlander door een weigering van de toegang tot een anderland ter plaatse in nood komt, dan kan hij of zij een beroep doen opconsulaire bijstand.Het Ministerie van Buitenlandse Zaken levert die bijstand conform degeldende kaders. In het geval van weigering door eigenstandige infor-11In antwoorden van schriftelijke vragen van de begrotingsbehandeling JenV is beschreven datde politie de Minister van Justitie en Veiligheid heeft laten weten dat er geen sprake is van eenonterechte plaatsing op de voorheen gebruikte lijst of de huidige afstemmingslijst vandegenen die zich tot nu toe bij hen hebben gemeld (2024D43734).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7337 matie van het land, kan de Nederlandse ambassade ter plaatse helpendoor betrokkene in contact te brengen met de relevante buitenlandseinstantie aldaar.Mocht blijken dat er sprake is van stelselmatige weigering, waarbijmeerdere Nederlandse burgers op onduidelijke gronden geen toegangwordt verleend door een land, dan kan de Nederlandse overheid, via hetMinisterie van Buitenlandse Zaken, hierover in contact treden met deinstanties van het betreffende land. Of, en zo ja wanneer en onder welkeomstandigheden dit opportuun is, zal afhankelijk zijn van de specifiekeaspecten van de zaken. Daarbij kan de bilaterale relatie met het desbetref-fende land een rol spelen. Elke oplossing, voor zover deze voorhanden is,zal in de praktijk maatwerk vereisen.Ook ben ik, conform de toezegging van mijn voorganger in het commis-siedebat Extremisme/terrorisme van 7 juni 2023, nagegaan of ditvraagstuk in andere Europese landen speelt en of samenwerking daarinmogelijk is. Dit onderwerp is meermaals door Nederland in een aantalEU-(raads)werkgroepen aan de orde is gesteld. Naar aanleiding hiervan ishet beeld dat dit vraagstuk bij onze EU-partners niet of nauwelijks aan deorde lijkt. Dit bevestigt het beeld dat de omstandigheden en situaties zeeruiteen kunnen lopen en daarom maatwerk vereist is.12SlotInternationale samenwerking is onmisbaar, terrorisme houdt zich immersniet aan de landsgrenzen. Informatie-uitwisseling vormt hier een cruciaalonderdeel van. Het gaat hierbij over gevoelige processen met potentieelgrote gevolgen voor burgers. De burger moet erop kunnen vertrouwendat betrokken organisaties zorgvuldig met gegevens omgaan. We moetener altijd scherp op blijven letten dat we hier als overheid zorgvuldig meeomgaan.De Minister van Justitie en Veiligheid,D.M. van Weel12TZ202306–150.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 754, nr. 7338

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 6566816e9ab0cd34

14 okt 2026 · 7c0715477a1869ed

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.